Gerecht EU 6 oktober 1994, T-83/91, ECLI:EU:T:1994:246
Tekst
Trefwoorden
++++
1. Mededinging ° Administratieve procedure ° Eerbiediging van rechten van verdediging ° Hoorzittingen ° Opmaking van proces-verbaal ° Vereiste van volledigheid ° Grenzen
(Verordening nr. 99/63 van de Commissie, art. 9, lid 4)
2. Mededinging ° Machtspositie ° Relevante markt ° Afbakening ° Criteria
(EEG-Verdrag, art. 86)
3. Mededinging ° Machtspositie ° Relevante markt ° Geografische afbakening ° Criteria
(EEG-Verdrag, art. 86)
4. Mededinging ° Machtspositie ° Begrip ° Beoordelingscriteria ° Grootte van marktaandelen
(EEG-Verdrag, art. 86)
5. Mededinging ° Machtspositie ° Verplichtingen van onderneming met machtspositie ° Gedraging op markt die verwant is met gedomineerde markt ° Toepassing van artikel 86 zelfs bij ontbreken van machtspositie op verwante markt ° Voorwaarden
(EEG-Verdrag, art. 86)
6. Mededinging ° Machtspositie ° Misbruik ° Exclusieve afnamecontracten ° Stelsel van koppelverkoop
(EEG-Verdrag, art. 86)
7. Mededinging ° Machtspositie ° Misbruik ° Onderneming die activiteiten van concurrenten belemmert op markt voor produkten bestemd voor gebruik met behulp van door haar vervaardigd werktuig ° Mogelijkheid van rechtvaardiging met beroep op overwegingen van technische aard of betreffende produktenaansprakelijkheid of bescherming van gezondheid ° Geen
(EEG-Verdrag, art. 86)
8. Mededinging ° Machtspositie ° Misbruik ° Toepassing van prijzen die beneden kostprijs liggen, om concurrent uit te schakelen
(EEG-Verdrag, art. 86)
9. Mededinging ° Machtspositie ° Misbruik ° Toepassing van discriminerende prijzen
(EEG-Verdrag, art. 86)
10. Mededinging ° Administratieve procedure ° Beëindiging van inbreuken ° Bevoegdheid van Commissie ° Bevelen aan ondernemingen ° Maatregelen die kunnen worden voorgeschreven
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 3, lid 1)
11. Mededinging ° Administratieve procedure ° Beëindiging van inbreuken ° Bevoegdheid van Commissie ° Bevelen aan ondernemingen ° Aanbevelingen tijdens administratieve procedure ° Aanvullende maatregelen, voorgeschreven in eindbeschikking ° Schending van beginsel van gewettigd vertrouwen ° Geen
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 3, leden 1 en 3)
12. Mededinging ° Geldboeten ° Bedrag ° Vaststelling ° Recht te worden gehoord ° Modaliteiten
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 19; verordening nr. 99/63 van de Commissie, art. 7)
13. Mededinging ° Geldboeten ° Bedrag ° Vaststelling ° Criteria ° Complexe inbreuk ° Verplichting van Commissie, bedrag over verschillende onderdelen van inbreuk uit te splitsen ° Geen
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
14. Mededinging ° Gemeenschapsregels ° Inbreuken ° Opzet ° Begrip
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
15. Mededinging ° Geldboeten ° Bedrag ° Vaststelling ° Criteria
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
Samenvatting
1. Het opmaken van een volledig proces-verbaal van de hoorzitting, tijdens welke een onderneming wordt gehoord waaraan een inbreuk op de mededingingsregels ten laste wordt gelegd, is een wezenlijk vormvoorschrift wanneer het in een bepaald geval noodzakelijk blijkt om het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities in staat te stellen zijn advies uit te brengen en om het de Commissie mogelijk te maken haar beschikking vast te stellen met volledige kennis van zaken, dat wil zeggen zonder op een wezenlijk punt te worden misleid door onjuistheden of lacunes. Dit laatste doet zich niet voor, wanneer het proces-verbaal van de hoorzitting enkel nalaat bepaalde verklaringen van een vertegenwoordiger van de betrokken onderneming op te nemen, die geen belangrijke nieuwe gegevens bevatten ten opzichte van andere opmerkingen die door vertegenwoordigers van de betrokken onderneming tijdens de hoorzitting zijn gemaakt en in het proces-verbaal zijn opgenomen. In een dergelijk geval doet het verzuim immers geen afbreuk aan de rechten van de verdediging van de betrokken onderneming en kan het geen weerslag hebben op de afloop van de raadplegingsprocedure en de inhoud van de eindbeschikking. Het kan dus niet de geldigheid van de gehele administratieve procedure aantasten en aldus de wettigheid van de eindbeschikking op losse schroeven zetten.
2. Het onderzoek van de positie, in voorkomend geval machtspositie, van een onderneming is pas mogelijk wanneer is vastgesteld dat de markt van de relevante produkten is onderscheiden van andere sectoren van de algemene markt. Daartoe moet de markt van de produkten worden afgebakend met inachtneming van de gehele economische context, zodat de werkelijke economische macht van de betrokken onderneming kan worden beoordeeld. Teneinde na te gaan of een onderneming in staat is zich jegens haar concurrenten, haar afnemers en de consumenten in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen, moet immers vooraf worden bepaald welke de produkten zijn die, zonder door andere produkten te kunnen worden vervangen, voldoende uitwisselbaar zijn met de produkten die zij aanbiedt, niet alleen op grond van de objectieve kenmerken van die produkten, waardoor zij bijzonder geschikt zijn om in een constante behoefte te voorzien, maar ook op grond van de mededingingsvoorwaarden en de structuur van vraag en aanbod op de markt.
3. In het stelsel van artikel 86 van het Verdrag moet de geografische markt worden afgebakend teneinde te bepalen of de betrokken onderneming een machtspositie inneemt in de Gemeenschap of in een wezenlijk deel daarvan. Voor de afbakening van de geografische markt is dus een economische beoordeling vereist. Deze markt kan dus worden gedefinieerd als het grondgebied waarop voor alle marktdeelnemers juist met betrekking tot de relevante produkten gelijke of voldoende homogene mededingingsvoorwaarden gelden, zonder dat het nodig is dat de objectieve mededingingsvoorwaarden voor de marktdeelnemers volkomen homogeen zijn.
4. Het bezit van een marktaandeel van ongeveer 90 % levert op zichzelf, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, het bewijs van het bestaan van een machtspositie. Het is namelijk duidelijk, dat het bezit van dergelijke marktaandelen betekent dat de positie van de betrokken onderneming op de markt haar tot een onontbeerlijke partner maakt voor de andere marktdeelnemers en haar de onafhankelijkheid van gedrag verzekert die kenmerkend is voor een machtspositie.
5. De bijzondere verantwoordelijkheid om niet door haar gedrag inbreuk te maken op een daadwerkelijke en onvervalste mededinging op de gemeenschappelijke markt, die artikel 86 van het Verdrag op een onderneming doet rusten, die op een bepaalde markt een machtspositie inneemt, moet aldus worden opgevat dat haar iedere gedraging wordt verboden, die de handhaving of ontwikkeling van de nog bestaande concurrentie tegengaat op een markt waar, juist door de aanwezigheid van die onderneming, de mededinging reeds is verflauwd.
Daarom kunnen de gedragingen van een dergelijke onderneming onder artikel 86 vallen en uit hoofde van dit artikel worden veroordeeld, zelfs indien zij zich doen gevoelen op een van de gedomineerde markt onderscheiden markt, voorzover deze onderneming als gevolg van het feit dat deze markt door nauwe banden met de gedomineerde markt is verbonden en zij daarop een leidende positie inneemt, zich daarop zodanig onafhankelijk van de andere op deze markt aanwezige marktdeelnemers kan gedragen, dat zij ook op deze markt een bijzondere verantwoordelijkheid voor het behoud van een daadwerkelijke en onvervalste mededinging draagt, zonder dat behoeft te worden aangetoond dat zij een machtspositie inneemt.
6. Het feit dat een onderneming met een machtspositie op een markt de kopers van door haar verkochte machines een verplichting oplegt om de voor gebruik in deze machines bestemde grondstoffen uitsluitend bij haar te betrekken of bij een door haar daartoe aangewezen leverancier, levert misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 86 van het Verdrag op. Het feit dat een onderneming met een machtspositie haar afnemers rechtstreeks of indirect een exclusieve afnameverplichting oplegt, levert misbruik op, aangezien het de afnemer de keuze van zijn bevoorradingsbronnen ontneemt en de andere producenten de toegang tot de markt verspert. Het maakt geen verschil of een dergelijke koppelverkoop in overeenstemming is met het handelsgebruik, omdat een gebruik dat aanvaardbaar is in een normale situatie, op een concurrerende markt, niet kan worden aanvaard op een markt waar de mededinging reeds beperkt is.
7. Artikel 86 van het Verdrag verbiedt een onderneming met een machtspositie, die zowel machines als de voor gebruik in deze machines bestemde gebruiksgoederen vervaardigt en verkoopt, op eigen initiatief en met een beroep op overwegingen van technische aard of betreffende de produktenaansprakelijkheid, de bescherming van de volksgezondheid en de bescherming van haar reputatie te beslissen dat zij onderling een niet te scheiden geïntegreerd systeem vormen en bijgevolg slechts bij wege van koppelverkoop kunnen worden verkocht, omdat zij aldus eventuele concurrenten, wat de gebruiksgoederen betreft, de toegang tot de markt verspert.
8. Het kan weliswaar aanvaardbaar zijn dat een onderneming met een machtspositie onder bepaalde omstandigheden met verlies verkoopt, doch dat dit kennelijk niet het geval kan zijn wanneer deze verkopen zijn gericht op uitschakeling. Ofschoon het communautaire mededingingsrecht erkent dat een onderneming met een machtspositie het recht heeft om haar commerciële belangen te verdedigen, staat het geen gedragingen van die onderneming toe die juist dienen ter versterking van die machtspositie en tot misbruik ervan leiden. In het bijzonder verbiedt artikel 86 van het Verdrag een onderneming met een machtspositie een concurrent uit te schakelen door een prijsconcurrentie die niet berust op mededinging op basis van kwaliteit.
Op grond van het bestaan van negatieve brutomarges of semi-brutomarges ° verkregen door van de verkoopprijs de directe variabele kosten of de gemiddelde variabele kosten, in de zin van de kosten van de geproduceerde eenheid, af te trekken ° mag worden aangenomen, dat een toegepaste prijs op uitschakeling is gericht. Een onderneming met een machtspositie heeft er immers slechts belang bij om prijzen beneden de gemiddelde variabele kosten (dat wil zeggen de kosten die variëren naar gelang van de geproduceerde hoeveelheden) toe te passen, indien zij haar concurrenten wil uitschakelen om vervolgens haar prijzen te kunnen verhogen door te profiteren van haar monopolistische positie, omdat elke verkoop voor haar een verlies oplevert, dat gelijk is aan haar totale vaste kosten (dat wil zeggen de kosten die constant blijven ongeacht de geproduceerde hoeveelheden) en ten minste een gedeelte van de variabele kosten van de geproduceerde eenheid.
Bovendien moeten deze prijzen, indien de nettomarge negatief is en de brutomarge positief, dat wil zeggen indien de prijzen beneden de gemiddelde totale kosten (vaste kosten plus variabele kosten) liggen, doch boven de gemiddelde variabele kosten, als onrechtmatig worden beschouwd, wanneer zij zijn vastgesteld in het kader van een plan dat ten doel heeft een concurrent uit te schakelen. Het tijdvak gedurende hetwelk dergelijke prijzen zijn toegepast als onderdeel van een plan om een concurrent schade te berokkenen, is bijgevolg een factor die in aanmerking moet worden genomen.
9. De praktijk waarbij een onderneming met een machtspositie prijzen toepast die discrimineren tussen in verschillende Lid-Staten gevestigde gebruikers, is verboden bij artikel 86, sub c, van het Verdrag. Ofschoon artikel 86 zich niet ertegen verzet, dat een dergelijke onderneming in de diverse Lid-Staten verschillende prijzen vaststelt, in het bijzonder wanneer de prijsverschillen worden gerechtvaardigd door verschillen in de voorwaarden waaronder de produkten worden verhandeld, en in de intensiteit van de concurrentie, heeft zij evenwel slechts het recht haar commerciële belangen op die wijze te verdedigen in de mate van het redelijke. In het bijzonder mag zij niet kunstmatige prijsverschillen in de diverse Lid-Staten toepassen, waardoor haar afnemers in een ongunstige positie worden gebracht en de mededinging kan worden vervalst in het kader van een kunstmatige afscherming van de nationale markten.
10. Wanneer een onderneming haar machtspositie heeft misbruikt, door zowel discriminerende of op uitschakeling gerichte prijzen als getrouwheidskortingen toe te passen, blijft de Commissie binnen de grenzen van de bevelsbevoegdheid die haar bij artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 is verleend om een einde te maken aan de inbreuken, indien zij de betrokken onderneming verbiedt, op de gehele markt waar zij aan artikel 86 is onderworpen, aan bepaalde afnemers kortingen of gunstiger voorwaarden in welke vorm dan ook te verlenen zonder objectieve tegenprestatie.
11. Door in de eindbeschikking, naast de maatregelen die zij reeds tijdens de administratieve procedure had aanbevolen, enige extra maatregelen voor te schrijven waarmee een einde aan de inbreuk diende te worden gemaakt, heeft de Commissie niet in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld. Artikel 3, lid 3, van verordening nr. 17 bepaalt zich ertoe, de Commissie de bevoegdheid te verlenen om aan de betrokken ondernemingen aanbevelingen te doen om aan misbruiken een einde te maken, alvorens uit hoofde van ditzelfde artikel een beschikking te geven waarbij een inbreuk wordt vastgesteld. De naleving van deze aanbevelingen door de betrokken onderneming kan in elk geval niet tot gevolg hebben dat de bevoegdheid van de Commissie krachtens lid 1 van dit artikel om, wanneer zij de beschikking geeft, de maatregelen voor te schrijven die zij noodzakelijk acht om een einde te maken aan de vastgestelde inbreuken, wordt beperkt.
12. In artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17 en in artikel 7, lid 1, van verordening nr. 99/63 wordt uitdrukkelijk bepaald, dat wanneer de Commissie een geldboete wil opleggen, zij de betrokken ondernemingen in de gelegenheid moet stellen, hun standpunt kenbaar te maken terzake van de punten van bezwaar welke de Commissie in aanmerking heeft genomen. De rechten van de verdediging van de betrokken ondernemingen met betrekking tot de vaststelling van het bedrag van de geldboete worden voor de Commissie dus gewaarborgd door middel van hun opmerkingen omtrent de duur, de zwaarte en de voorzienbaarheid van het mededingingsverstorende karakter van de inbreuk.
13. Teneinde de betrokken ondernemingen in staat te stellen om de regelmatigheid van het bedrag van de geldboete te beoordelen en hun verdediging te voeren, en de gemeenschapsrechter om zijn controle uit te oefenen, is de Commissie niet verplicht om het bedrag van de geldboete over de verschillende onderdelen van het misbruik uit te splitsen. In het bijzonder is een dergelijke uitsplitsing onmogelijk wanneer alle vastgestelde inbreuken een onderdeel vormen van een coherente algemene strategie en derhalve zowel voor de toepassing van artikel 86 van het Verdrag als voor de vaststelling van de geldboete als een geheel moeten worden behandeld. Het volstaat wanneer de Commissie de criteria preciseert, op basis waarvan zij het algemene niveau van de opgelegde geldboete heeft vastgesteld. Zij is niet verplicht specifiek te vermelden, op welke wijze zij met elk van de factoren die als criterium zijn genoemd en die een rol spelen bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboete, rekening heeft gehouden.
14. Opdat een inbreuk op de mededingingsregels van het Verdrag als opzettelijk begaan kan worden beschouwd, volstaat het dat de betrokken onderneming moest weten dat haar gedraging de concurrentie verstoorde, ongeacht of zij zich daarbij al dan niet ervan bewust was, de mededingingsregels van het Verdrag te overtreden.
15. Ter beoordeling van de zwaarte van de aan een onderneming toe te rekenen inbreuken op de communautaire mededingingsregels kan de Commissie, teneinde de geldboete op een bedrag vast te stellen dat evenredig is aan deze zwaarte, rekening houden met de bijzonder lange duur van bepaalde inbreuken; het aantal en het uiteenlopende karakter van de inbreuken, die de totaliteit of de quasi-totaliteit van de produkten van het concern betroffen en waarvan de meeste van invloed waren in alle Lid-Staten; de bijzondere ernst van de inbreuken, die een welbewuste en coherente strategie aantoonde, die erop was gericht, door verschillende op het elimineren van concurrenten gerichte praktijken en door een beleid van getrouwheidsbinding van cliënten, kunstmatig de machtspositie van de onderneming op de markten waarop de concurrentie reeds beperkt was, te handhaven of te versterken; de bijzonder schadelijke gevolgen van de misbruiken voor de mededinging en de door verzoekster uit haar misbruiken behaalde voordelen.
Een geldboete die overeenkomt met ongeveer 2,2 % van de totale omzet in een bepaald jaar is dus niet onevenredig. Zij blijft immers binnen de grenzen, vastgesteld bij artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, volgens hetwelk het bedrag van de geldboete ten hoogste 10 % van de omzet van de betrokken onderneming in het voorafgaande boekjaar kan bedragen.
Partijen
In zaak T-83/91,
Tetra Pak International SA, gevestigd te Pully (Zwitserland), aanvankelijk vertegenwoordigd door C. Bellamy, QC, vervolgens door J. Swift, QC, van de balie van Engeland en Wales, en door M. Waelbroeck en A. Vandencasteele, advocaten te Brussel, alsmede door V. Rose en, aanvankelijk, door S. Morris, vervolgens door R. Thompson, Barristers van de balie van Engeland en Wales, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Arendt, advocaat aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Currall, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door N. Forwood, QC, en D. Lloyd Jones, Barrister van de balie van Engeland en Wales, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 92/163/EEG van de Commissie van 24 juli 1991 inzake een procedure op grond van artikel 86 van het EEG-Verdrag (IV/31.043 ° Tetra Pak II; PB 1992, L 72, blz. 1),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: J. L. Cruz Vilaça, president, C. P. Briët, A. Kalogeropoulos, A. Saggio en J. Biancarelli, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 22 maart 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten en het procesverloop
1 Bij beschikking 92/163/EEG van 24 juli 1991 inzake een procedure op grond van artikel 86 van het EEG-Verdrag (IV/31.043 ° Tetra Pak II; PB 1992, L 72, blz. 1; hierna: "de beschikking") heeft de Commissie vastgesteld, dat Tetra Pak International SA (hierna: "Tetra Pak") een machtspositie innam op de markten voor aseptische machines en kartons, bestemd voor de verpakking van vloeibare levensmiddelen in de Europese Gemeenschap (hierna: "de Gemeenschap") en dat zij ten minste sedert 1976 tot 1991 zowel op deze "aseptische" markten als op de markten van niet-aseptische machines en kartons misbruik van die positie heeft gemaakt in de zin van artikel 86 EEG-Verdrag. De Commissie legde die onderneming een geldboete op van 75 miljoen ECU en gelastte haar, een einde te maken aan de vastgestelde inbreuken.
2 Tetra Pak, een concern dat statutair is gevestigd in Zwitserland, cooerdineert het beleid van een oorspronkelijk Zweedse groep van ondernemingen die thans in de gehele wereld actief is. Zij is gespecialiseerd in machines voor de kartonverpakking van vloeibare en halfvloeibare levensmiddelen, voornamelijk melk. Zij is zowel werkzaam in de sector aseptische verpakking als in de sector niet-aseptische verpakking. Zij houdt zich vooral bezig met de vervaardiging van kartons en van vulmachines, waarbij gebruik wordt gemaakt van een technologie die door het concern zelf is ontwikkeld.
3 Uit de in de beschikking verstrekte inlichtingen blijkt, dat de geconsolideerde omzet van het Tetra Pak-concern in 1987 2,4 miljard ECU en in 1990 3,6 miljard ECU bedroeg. Ongeveer 90 % van deze omzet werd behaald op de markten van karton en ongeveer 10 % op de markten van verpakkingsmachines en aanverwante activiteiten. Het deel van deze omzet dat op het grondgebied van de Gemeenschap werd behaald, bedroeg iets meer dan 50 %. In de Gemeenschap is Italië één der landen, zo niet hèt land, waar de positie van Tetra Pak het sterkst is. De geconsolideerde omzet van de zeven Italiaanse vennootschappen van het concern bedroeg in 1987 204 miljoen ECU.
4 De beschikking is een van een reeks van drie beschikkingen betreffende Tetra Pak. De eerste is beschikking 88/501/EEG van 26 juli 1988 inzake een procedure op grond van de artikelen 85 en 86 van het EEG-Verdrag [IV/31.043 ° Tetra Pak I (BTG-licentie); PB 1988, L 272, blz. 27, hierna: "beschikking Tetra Pak I"], waarbij de Commissie heeft vastgesteld, dat Tetra Pak, door via de koop van de Liquipak-groep het exclusieve recht op een nieuw procédé, "ultrahoge temperatuur" genaamd (hierna: "UHT"), voor het aseptisch verpakken van melk te verwerven, artikel 86 van het Verdrag had geschonden vanaf het tijdstip van deze verwerving tot op het tijdstip waarop deze exclusiviteit werd beëindigd. Tegen deze beschikking werd een beroep in rechte ingesteld, dat door het Gerecht is verworpen bij arrest van 10 juli 1990 (zaak T-51/89, Tetra Pak Rausing, Jurispr. 1990, blz. II-309). De tweede beschikking is beschikking 91/535/EEG van 19 juli 1991 waarbij een concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard (zaak nr. IV/M.068 ° Tetra Pak/Alfa-Laval; PB 1991, L 290, blz. 35); bij deze beschikking heeft de Commissie op grond van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (gerectificeerde versie gepubliceerd in PB 1990, L 257, blz. 13), de verwerving door Tetra Pak van Alfa-Laval AB verenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaard.
5 Met betrekking tot de produkten die in casu in geding zijn, blijkt uit de in de beschikking (punt 6) vermelde cijfers, dat de kartonnen verpakkingen in 1983 voor 90 % werden gebruikt voor de verpakking van melk en andere vloeibare zuivelprodukten. Volgens dezelfde bron zou dat aandeel in 1987 zijn gestegen tot ongeveer 79 %, waarvan 72 % voor de verpakking van melk. Circa 16 % van de kartons dienden toen voor de verpakking van vruchtesap. De andere produkten (wijn, mineraalwater, produkten op basis van tomaten, soepen, sausen en babyvoeding) vertegenwoordigden slechts 5 % van het gebruik van kartons.
6 Wat de verpakking van melk betreft, moet worden opgemerkt, dat melk voornamelijk wordt verkocht in gepasteuriseerde vorm (verse melk) of na behandeling onder ultrahoge temperatuur onder aseptische omstandigheden, waardoor een houdbaarheidsperiode mogelijk is van verscheidene maanden in een niet gekoelde omgeving (UHT-melk). Blijkens de beschikking is het marktaandeel van "gesteriliseerde" melk in de Gemeenschap nog slechts betrekkelijk marginaal.
7 In de aseptische sector vervaardigt Tetra Pak het zogenoemde "Tetra Brik"-systeem, bestemd voor de verpakking van onder meer UHT-melk. Volgens de door verzoekster verstrekte inlichtingen werd dit materieel in 1968 in Duitsland en vanaf 1970 in de andere Europese landen op de markt gebracht. Bij dit procédé worden de kartons aan de gebruiker geleverd in de vorm van rollen, die in de machine zelf aseptisch worden gemaakt door onderdompeling in een bad van waterstofperoxide, en worden zij vervolgens om de vloeistof aangebracht terwijl deze in een aseptisch milieu stroomt. In dezelfde sector vervaardigt één enkele concurrent van Tetra Pak, de vennootschap PKL, die wordt gecontroleerd door de Zwitserse vennootschap SIG (Société Industrielle Générale), eveneens een systeem voor het aseptisch verpakken in kartons van het Brik-type, het "Combibloc". Anders dan het continue verpakkingsprocédé van Tetra Pak, zijn deze kartons al voorgevormd op het moment van de verpakking. Om technische redenen en omdat in de praktijk de fabrikanten van aseptische machines ook de in hun eigen machines te gebruiken kartons leveren, geeft de beheersing van een techniek voor het aseptisch vullen toegang tot zowel de markt van de machines als de markt van de aseptische kartons.
8 Daarentegen vereist de niet-aseptische verpakking, met name van gepasteuriseerde verse melk, niet een dergelijke mate van steriliteit en vraagt zij bijgevolg een minder geavanceerd materieel. Op de markt van de niet-aseptische kartons gebruikte Tetra Pak aanvankelijk en gebruikt zij nog steeds kartons van het Brik-type, doch haar voornaamste produkt op deze markt is thans een karton van het "Gable Top"-type, de "Tetra Rex". Dit karton is een rechtstreekse concurrent van het karton "Pure-Pak", dat door het Noorse Elopak-concern (hierna: "Elopak") wordt geproduceerd.
9 Tetra Pak vervaardigt haar eigen machines voor het niet-aseptisch verpakken. Bovendien distribueert zij, evenals Elopak en PKL, bij gelegenheid ook machines die worden vervaardigd door een tiental kleine producenten, waarvan Nimco, Cherry Burrel en Shikoku de voornaamste zijn.
10 Uit de stukken blijkt, dat Tetra Pak een octrooi heeft op de door haar ontwikkelde basistechnologie inzake machines, kartons en procédés, alsook op de wijzigingen die later in deze produkten zijn aangebracht, en op bepaalde technische bijzonderheden, zoals de vorm waarin het karton wordt gevouwen. De laatste octrooien, die de in de jaren zestig ontwikkelde aseptische Tetra Brik-kartons beschermen, zullen in de eerste jaren na het jaar 2000 aflopen (punt 22 van de beschikking). Volgens de door partijen verstrekte, overeenstemmende inlichtingen heeft Tetra Pak in de Gemeenschap geen enkele licentie verleend voor de vervaardiging van haar kartons.
11 Uit de beschikking blijkt ook, dat in de Gemeenschap ° afgezien van de distributeurs die werken voor Liquipak, dat door Tetra Pak is overgenomen ° de distributie van de kartons en machines geheel wordt verzorgd door het net van dochterondernemingen van Tetra Pak (punt 21).
12 Tijdens de referentieperiode waren diverse standaardcontracten voor de verkoop en verhuur van machines en voor de bevoorrading met kartons van kracht tussen Tetra Pak en haar afnemers in de verschillende Lid-Staten van de Gemeenschap. De inhoud van de in die contracten opgenomen clausules die een invloed hebben op de mededinging, is in de punten 24 tot en met 45 van de beschikking samengevat als volgt:
" 2.1. De verkoopvoorwaarden voor het Tetra Pak-materieel (bijlage 2.1)
(24) Standaardverkoopcontracten komen voor in de volgende vijf landen: Griekenland, Ierland, Italië, Spanje en het Verenigd Koninkrijk. Voor elke onderzochte contractuele clausule wordt tussen haakjes vermeld op welk land of welke landen deze betrekking heeft.
2.1.1. De samenstelling van het materieel
(25) Tetra Pak behoudt zich in Italië een absoluut medebeslissingsrecht voor inzake de samenstelling van het verkochte materieel, waarbij het de koper verboden wordt:
i) hulpapparaten aan de machine toe te voegen (Italië),
ii) de machine te wijzigen en daaraan onderdelen toe te voegen of daarvan af te halen (Italië),
iii) de machine te verplaatsen (Italië).
2.1.2. De werking en het onderhoud van het materieel
(26) Vijf contractuele clausules betreffende de werking en het onderhoud van het materieel zijn erop gericht Tetra Pak een exclusiviteit en een controlerecht ter zake te verlenen:
iv) exclusiviteit voor onderhoud en reparaties (alle landen behalve Spanje),
v) exclusiviteit voor de levering van vervangingsonderdelen (alle landen behalve Spanje),
vi) recht om gratis diensten te verrichten inzake bijstand, opleiding, onderhoud en technische vernieuwing die niet door de klant zijn gevraagd (Italië),
vii) een degressieve tarifering (tot 40 % minder van een maandelijkse basisvergoeding) voor een gedeelte van de kosten voor bijstand, onderhoud en technische vernieuwing, afhankelijk van het aantal gebruikte kartons op alle Tetra Pak-machines van hetzelfde type (Italië),
viii) de verplichting om Tetra Pak in kennis te stellen van elke technische verbetering of technische wijziging van het materieel en haar het eigendomsrecht daarop toe te kennen (Italië).
2.1.3. De kartons
(27) Vier contractuele clausules inzake de kartons beogen eveneens Tetra Pak een exclusiviteit te verlenen en een controlerecht ten aanzien van dit produkt:
ix) verplichting om uitsluitend Tetra Pak-kartons op de machines te gebruiken (alle landen),
x) verplichting om kartons uitsluitend te betrekken bij Tetra Pak of bij een door haar aangewezen leverancier (alle landen),
xi) verplichting om Tetra Pak in kennis te stellen van elke verbetering of technische wijziging aan de kartons en haar het eigendomsrecht daarop toe te kennen (Italië),
xii) medebeslissingsrecht over de op kartons aan te brengen tekst (Italië).
2.1.4. Controles
(28) Twee clausules betreffen met name de controle op de nakoming door de koper van zijn contractuele verplichtingen:
xiii) verplichting voor de koper om maandelijks verslag uit te brengen (Italië),
xiv) recht van inspectie ° zonder voorafgaande waarschuwing ° voor Tetra Pak (Italië).
2.1.5. Overdracht van de eigendom van het materieel of afstand van het gebruik
(29) Twee contractuele clausules beperken het recht van wederverkoop of de afstand van gebruik:
xv) verplichting om de toestemming van Tetra Pak te verkrijgen voor de doorverkoop of de overdracht van het gebruik van het materieel (Italië), voorwaardelijke doorverkoop (Spanje) en recht van inkoop tegen forfaitaire, van tevoren vastgestelde prijs, welk recht is voorbehouden aan Tetra Pak (alle landen). Indien deze clausule niet wordt nageleefd, kan zulks leiden tot een specifieke contractuele boete (Griekenland, Ierland, Verenigd Koninkrijk),
xvi) de verplichting dat de derde verkrijger de verbintenissen van de eerste koper overneemt (Italië, Spanje).
2.1.6. De garantie
(30) xvii) Voorwaarde voor de garantie op het verkochte materieel is dat alle contractuele verplichtingen worden nagekomen (Italië) of, althans, dat uitsluitend Tetra Pak-kartons worden gebruikt (overige landen).
2.2. De voorwaarden voor de huur van het Tetra Pak-materieel (bijlage 2.2)
(31) Standaardhuurcontracten bestaan in alle landen van de Gemeenschap, met uitzondering van Griekenland en Spanje.
Mutatis mutandis komen ook in alle huurcontracten de meeste clausules voor die zijn opgenomen in de verkoopcontracten. Andere voorwaarden gelden specifiek voor huur, doch hebben steeds dezelfde strekking namelijk een maximale versterking van de banden tussen Tetra Pak en haar cliënt.
2.2.1. De samenstelling van het materieel
(32) Op dit punt komen ook hier de clausules i), ii) en iii) voor (voor Italië clausule i); voor alle landen clausule ii); voor Frankrijk, Ierland, Italië, Portugal en het Verenigd Koninkrijk clausule iii).
xviii) Een extra clausule legt trouwens de huurder de verplichting op uitsluitend gebruik te maken van kisten, buitenverpakkingen en/of vervoercontainers voor Tetra Pak-kartons (Duitsland, België, Italië, Luxemburg, Nederland) of zich bij voorkeur, onder gelijke voorwaarden, te bevoorraden bij Tetra Pak (Denemarken, Frankrijk).
2.2.2. De werking en het onderhoud van het materieel
(33) Hier komen de clausules iv) en v) (alle landen) inzake de exclusiviteit voor.
Bovendien wordt nog de clausule viii) gebruikt, volgens welke aan Tetra Pak de eigendom wordt voorbehouden van verbeteringen die door de gebruiker worden aangebracht (België, Duitsland, Italië, Luxemburg, Nederland) of waarbij de huurder althans wordt verplicht een gebruikslicentie te verlenen aan Tetra Pak (Denemarken, Frankrijk, Ierland, Portugal, Verenigd Koninkrijk).
2.2.3. De kartons
(34) Hier worden weer dezelfde clausules ix) (alle landen) en x) (Italië) gebruikt inzake de exclusiviteit van bevoorrading, terwijl clausule xi) Tetra Pak het eigendomsrecht geeft van de verbeteringen (Denemarken, Italië) of althans een gebruikslicentie (Frankrijk, Ierland, Portugal, Verenigd Koninkrijk) en clausule xii) haar een medebeslissingsrecht geeft over de tekst of de merknamen die de cliënt op de kartons wil aanbrengen (Duitsland, Spanje, Griekenland, Italië, Nederland, Portugal, Verenigd Koninkrijk).
2.2.4. De controles
(35) Evenals in het geval van verkoop moet de huurder een maandelijks verslag uitbrengen (clausule xiii) ° alle landen), op straffe van een forfaitaire facturering (België, Luxemburg, Nederland) en inspectie toestaan van de ruimten waar het materieel is geïnstalleerd (clausule xiv) ° alle landen) en wel zonder voorafgaande waarschuwing (alle landen behalve Denemarken, Duitsland, Ierland, Portugal en het Verenigd Koninkrijk).
xix) Op grond van een andere clausule kan ° op elk moment (Denemarken, Frankrijk) ° onderzoek van de boekhouding plaatsvinden bij de onderneming die huurt (alle landen) en (al naar gelang van het land) van haar rekeningen, correspondentie of elk ander document dat nodig is voor de controle van het aantal gebruikte kartons.
2.2.5. De overdracht van het huurcontract, onderverhuur, overdracht van het gebruik of het gebruik voor rekening van derden
(36) In geval van verkoop kan iedere latere eigendomsovergang slechts onder zeer beperkende voorwaarden plaatsvinden:
xx) In de huurcontracten is eveneens de overdracht van de huur, de onderverhuur (alle landen) of zelfs het werken op bestelling voor rekening van derden (Italië) uitgesloten.
2.2.6. De garantie
(37) Op dit punt zijn de bepalingen minder duidelijk dan in de verkoopcontracten: de garantie is afhankelijk van de naleving van de door Tetra Pak gegeven 'instructies' inzake het 'onderhoud' en het 'goede gebruik' van de machine (alle landen). De uitdrukkingen 'instructies' , 'onderhoud' en het 'goede gebruik' zijn echter voldoende ruim om deze zo te moeten interpreteren dat zij althans slaan op het exclusieve gebruik van vervangingsonderdelen, reparatie- en onderhoudingsdiensten en verpakkingsmaterialen van Tetra Pak. Deze uitlegging werd bevestigd door de schriftelijke en mondelinge antwoorden van Tetra Pak op de mededeling van punten van bezwaar.
2.2.7. De vaststelling van de huur en de betalingsvoorwaarden
(38) De huur omvat de volgende elementen (alle landen):
a) xxi) Een 'basishuur' , te betalen wanneer de machine ter beschikking wordt gesteld. Het bedrag van deze huur is niet noodzakelijkerwijs lager dan de verkoopprijs van deze machines en beloopt in feite vrijwel het totale bedrag van alle huidige en toekomstige huurbedragen (in sommige gevallen meer dan 98 %).
b) Een jaarlijkse huur, per kwartaal vooruit te betalen.
c) xxii) Een maandelijkse produktiehuur waarvan het bedrag degressief is al naar gelang van het aantal op alle Tetra Pak-machines van hetzelfde type gebruikte kartons. Deze huur vervangt het degressieve tarief ° van vergelijkbare waarde ° van een gedeelte van de onderhoudskosten in geval van verkoop (zie clausule vii)). In sommige landen (Duitsland, Frankrijk, Portugal) wordt een specifiek boetebeding toegepast wanneer deze vergoeding niet binnen de gestelde termijnen wordt betaald.
2.2.8. De looptijd van de huur
(39) De looptijd en de wijze van beëindiging van het huurcontract verschillen per Lid-Staat:
xxiii) De minimumduur van het huurcontract bedraagt drie (Denemarken, Ierland, Portugal, Verenigd Koninkrijk) tot negen jaar (Italië).
2.2.9. Het boetebeding
(40) xxiv) Afgezien van de gebruikelijke schaden en interessen behoudt Tetra Pak zich het recht voor de huurder een boete op te leggen indien deze inbreuk zou maken op om het even welke contractuele verplichting; het bedrag van deze boete wordt, binnen de grenzen van een maximum, discretionair door Tetra Pak vastgesteld al naar gelang van de ernst van het geval (Italië).
2.3. De voorwaarden voor de levering van kartons (bijlage 2.3)
(41) In Griekenland, Ierland, Italië, Spanje en het Verenigd Koninkrijk gelden standaardcontracten voor de levering: deze zijn verplicht wanneer de cliënt een machine niet huurt maar koopt.
2.3.1. De exclusieve bevoorrading
(42) xxv) De koper verplicht zich tot exclusieve afname bij Tetra Pak van alle verpakkingsmaterialen die op een bepaalde Tetra Pak-machine (of bepaalde machines) worden gebruikt (alle landen) alsmede op elke andere Tetra Pak-machine die later zou worden verworven (Italië).
2.3.2. De looptijd van de overeenkomst
(43) xxvi) De overeenkomst wordt aanvankelijk ondertekend voor negen jaar en kan worden verlengd met een nieuwe periode van vijf jaar (Italië) of voor de periode gedurende welke de verkrijger in het bezit blijft van de machine (Griekenland, Ierland, Spanje, Verenigd Koninkrijk).
2.3.3. De vaststelling van de prijzen
(44) xxvii) De kartons worden geleverd tegen de prijs die geldt op het moment van de bestelling. Geen enkel verevenings- of indexeringssysteem wordt toegepast (alle landen).
2.3.4. De tekst
(45) Ook hier bestaat het medebeslissingsrecht (clausule xii)) van Tetra Pak inzake de tekst of de merknamen die de klant op de kartons wil aanbrengen."
13 De structuur van het aanbod in de sector van de systemen voor het aseptisch verpakken van vloeibare levensmiddelen in kartons in de Gemeenschap is blijkens de beschikking vrijwel monopolistisch, omdat Tetra Pak op de datum van de beschikking 90 à 95 % van deze sector voor haar rekening neemt (punt 12). In 1985 had Tetra Pak op hetzelfde grondgebied ongeveer 89 % van de markt van kartons en 92 % van die van aseptische machines in handen (bijlagen 1.1 en 1.2 bij de beschikking). Haar enige echte concurrent op de markt, PKL, had vrijwel het gehele resterende marktaandeel, namelijk 5 à 10 %.
14 De structuur van de niet-aseptische sector is meer open, doch blijft oligopolistisch. Toen de beschikking werd vastgesteld, beheerste Tetra Pak 50 à 55 % van de sector in de Gemeenschap (punt 13 van de beschikking). In 1985 had zij ongeveer 48 % van de markt van kartons en 52 % van die van niet-aseptische machines op het grondgebied van de huidige twaalf Lid-Staten in handen (bijlagen 1.1 en 1.2 bij de beschikking). Elopak, van haar kant, had in 1985 ongeveer 27 % van de markt van niet-aseptische machines en kartons in handen, gevolgd door PKL met ongeveer 11 % van deze markt. Elopak was enkel distributeur op de markt van aseptische machines, voordat zij in 1987 de afdeling "verpakkingsmachines" van Ex-Cell-O overnam. De resterende 12 % van de markt van niet-aseptische kartons waren toen verdeeld onder drie ondernemingen, wier markt geconcentreerd bleef op één of enkele landen: Schouw Packing (Denemarken, +/- 7 %, voor 50 % in bezit van Elopak), Mono-Emballage/Scalpak (Frankrijk/Nederland, +/- 2,5 %) en Van Mierlo (België, +/- 0,5 %). Deze ondernemingen vervaardigden hun eigen kartons in het algemeen onder licentie (Ex-Cell-O, in 1987 overgenomen door Elopak, Nimco, Sealright, enz.). Op de markt van de machines traden zij slechts als distributeur op. De ongeveer 13 % die in de Gemeenschap op de markt van aseptische machines door Tetra Pak, Elopak en PKL werden overgelaten, waren verdeeld over een tiental kleine fabrikanten, waarvan de voornaamste waren: Nimco (Verenigde Staten, +/- 4 %), Cherry Burrel (Verenigde Staten, +/- 2,5 %) en Shikoku (Japan, +/- 1 %).
15 In de sector kartonverpakking voor verse vloeibare levensmiddelen is Elopak dus de belangrijkste concurrent van Tetra Pak. Haar activiteiten strekken zich tot op heden niet uit tot aseptische verpakkingen. Uit de beschikking (punt 3) blijkt, dat in 1987 de omzet van Tetra Pak zich tot de omzet van Elopak, naar schatting, verhield als ongeveer 7,5 tot 1. Elopak is in Italië werkzaam via een dochteronderneming, Elopak Italia (Milaan). Volgens de beschikking vervaardigt deze dochteronderneming de kartons niet ter plaatse, doch importeert zij die van andere dochterondernemingen van het concern.
16 Op 27 september 1983 diende Elopak Italia bij de Commissie een klacht in tegen Tetra Pak Italiana en de met haar verbonden ondernemingen in Italië. Het concern was van oordeel, dat Tetra Pak in de voorafgaande jaren getracht had het concurrentievermogen van Elopak in Italië te verminderen door middel van commerciële praktijken die een misbruik in de zin van artikel 86 opleverden. Volgens Elopak werden deze praktijken voornamelijk gevormd door de verkoop van Tetra Rex-kartons tegen afbraakprijzen, het opleggen van oneerlijke voorwaarden voor de levering van machines voor het vullen van deze kartons en, in sommige gevallen, de verkoop van deze machines tegen eveneens afbraakprijzen. Elopak beklaagde zich ten slotte over pogingen om haar uit bepaalde reclamemedia te weren.
17 Op 16 december 1988 besloot de Commissie de procedure in deze zaak in te leiden. Bij brief van 20 december 1988 werd aan Tetra Pak een mededeling van de punten van bezwaar toegezonden. Op 21 en 22 september 1989 vond een hoorzitting plaats.
18 Na besprekingen met de Commissie over de na de hoorzitting overgebleven geschilpunten, verbond Tetra Pak zich in een op 1 februari 1991 aan de Commissie gezonden brief (bijlage 7 bij de beschikking), waarbij nieuwe standaardcontracten waren gevoegd (bijlage 3 bij het verzoekschrift), om af te zien van haar systeem van exclusieve koppelverkoop en haar standaardcontracten dienovereenkomstig te wijzigen. De Commissie aanvaardde deze verbintenis en gaf in punt 180 van de beschikking als haar oordeel, dat zij betrekking had op de uitvoering van de bevelen in de punten 1, 4 en 5 van artikel 3, derde alinea, van de beschikking, die hieronder wordt aangehaald in rechtsoverweging 21.
19 In artikel 1 van de beschikking stelde de Commissie vast:
"Tetra Pak heeft, met gebruikmaking van haar machtspositie op de zogeheten 'aseptische' -markten voor machines en kartons, bestemd voor de verpakking van vloeibare levensmiddelen, ten minste sinds 1976 een inbreuk gemaakt op artikel 86 van het EEG-Verdrag, zowel op deze 'aseptische' markten als op de verwante en verbonden markten van 'niet-aseptische' machines en kartons, door een aantal gedragingen die waren gericht op de uitschakeling van de concurrentie en/of op een zo groot mogelijke winst die uit de verworven posities kon worden behaald, ten nadele van de gebruikers."
20 De voornaamste elementen van deze inbreuken zijn in de beschikking samengevat als volgt:
"1. Een verkoopbeleid dat heeft geleid tot een aanzienlijke beperking van het aanbod en tot compartimentering van de nationale markten in de Gemeenschap.
2. Het opleggen aan de gebruikers van Tetra Pak-produkten in alle Lid-Staten van talrijke contractuele clausules ° zoals opgesomd onder de nummers i) tot en met xxvii) ° die voornamelijk ten doel hebben deze gebruikers op te verregaande wijze aan Tetra Pak te binden en de potentiële mededinging kunstmatig uit te schakelen.
3. Praktijken ten aanzien van de prijzen voor kartons, waarvan is gebleken dat zij tussen gebruikers in verschillende Lid-Staten discrimineren en, althans in Italië, op uitschakeling van concurrenten zijn gericht.
4. Praktijken inzake de prijzen voor machines waarvan is gebleken dat zij:
° discrimineren tussen gebruikers in verschillende Lid-Staten,
° eveneens discrimineren, althans in Italië, tussen gebruikers in een zelfde land,
° en, althans in Italië en in het Verenigd Koninkrijk, op uitschakeling van concurrenten zijn gericht.
5. Verschillende op zich zelf staande praktijken die zijn gericht op uitschakeling op bepaalde markten, althans in Italië, van concurrenten en/of hun technologie."
21 De Commissie gelastte verzoekster in artikel 3 van de beschikking, een einde te maken aan de vastgestelde inbreuken, voor zover zij zulks niet reeds had gedaan, door met name de volgende maatregelen te nemen:
"1. Tetra Pak wijzigt of, in voorkomend geval, schrapt de onder de nummers i) tot en met xxvii) genoemde clausules in haar verkoop- en verhuurcontracten met betrekking tot machines en haar leveringscontracten van kartons op zodanige wijze dat daaruit de door de Commissie bewezen misbruikaspecten worden weggenomen. Deze nieuwe contracten moeten ter kennis van de Commissie worden gebracht.
2. Tetra Pak ziet erop toe dat de verschillen tussen de door haar toegepaste prijzen voor haar produkten in de verschillende Lid-Staten slechts het gevolg zijn van specifieke marktomstandigheden. Elke klant moet zich in de Gemeenschap kunnen bevoorraden bij de dochteronderneming van Tetra Pak van zijn keuze en tegen de door deze gehanteerde prijzen.
3. Tetra Pak past geen op het uitschakelen van concurrentie gerichte noch discriminerende prijzen toe en verleent geen enkele klant in welke vorm dan ook gunstigere kortingen voor haar produkt of gunstigere betalingsvoorwaarden die niet door een objectieve tegenprestatie zijn gerechtvaardigd. Zo mogen de kortingen voor kartons alleen betrekking hebben op kwantumkortingen bij de bestelling, die niet met die voor kartons van een ander type mogen worden gecumuleerd.
4. Tetra Pak mag niet weigeren tegen de geldende prijsvoorwaarden in te gaan op de koopaanbiedingen van ondernemingen op grond van het feit dat deze geen eindgebruikers van de Tetra Pak-produkten zijn.
5. Tetra Pak deelt de klant-koper of klant-huurder van een machine de specificaties mee waaraan de verpakkingskartons moeten voldoen om op haar machines te kunnen worden gebruikt."
22 In die omstandigheden heeft Tetra Pak, bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 november 1991, verzocht om nietigverklaring van de beschikking. Het Gerecht heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. In het kader van de in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering bedoelde maatregelen tot organisatie van de procesgang is partijen verzocht, bepaalde documenten over te leggen en schriftelijk een aantal vragen te beantwoorden vóór de datum van de terechtzitting. De mondelinge behandeling heeft op 22 maart 1994 plaatsgevonden.
Conclusies van partijen
23 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
° nietig te verklaren de beschikking van de Commissie van 24 juli 1991;
° in elk geval geheel of gedeeltelijk nietig te verklaren artikel 1 en/of artikel 2 en/of artikel 3 en/of artikel 4 van deze beschikking;
° in elk geval de bij artikel 2 opgelegde geldboete in te trekken of te verlagen;
° de Commissie te verwijzen in de kosten;
° te gelasten dat aan Tetra Pak de kosten, gemaakt voor het stellen van zekerheid voor het betalen van de geldboete, worden vergoed.
Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep ongegrond te verklaren;
° verzoekster te verwijzen in de kosten.
De conclusies strekkende tot nietigverklaring van de beschikking
24 Tot staving van haar conclusies tot nietigverklaring voert verzoekster vier middelen aan, respectievelijk ontleend aan niet-inachtneming van het beginsel van behoorlijk bestuur, verzuim een behoorlijk proces-verbaal van de hoorzitting over te leggen, niet-schending van artikel 86 van het Verdrag door verzoekster en ten slotte misbruik door de Commissie van haar bevoegdheid bevelen te geven.
Het eerste middel: niet-inachtneming van het beginsel van behoorlijk bestuur
Korte uiteenzetting van de argumenten van partijen
25 Verzoekster betoogt, dat de Commissie tijdens de administratieve procedure op incorrecte en onsamenhangende wijze heeft gehandeld. Zij stelt, dat de administratieve procedure weliswaar is bedoeld om een vaststellingsbeschikking in een inbreukzaak voor te bereiden, maar "de betrokken ondernemingen ook in de gelegenheid [moet stellen] de gewraakte praktijken aan de regels van het Verdrag aan te passen" (arrest Hof van 8 november 1983, gevoegde zaken 96/82 tot en met 102/82, 104/82, 105/82, 108/82 en 110/82, IAZ e.a., Jurispr. 1983, blz. 3369, r.o. 15).
26 In de onderhavige zaak stelt verzoekster, dat zij gedurende de gehele administratieve procedure heeft laten blijken dat zij zich in de toekomst naar de mededingingsregels van het Verdrag wilde voegen. De Commissie heeft zich niet gekweten van haar verplichting, haar bij haar inspanningen te helpen. Zij heeft voortdurend haar standpunt betreffende de basis waarop een oplossing werd gezocht, gewijzigd, door voortdurend nieuwe punten op te werpen en op reeds opgeloste problemen terug te komen, zodat het sluiten van een overeenkomst tot in het oneindige werd vertraagd. In het licht van de gedraging van de Commissie mocht verzoekster echter de legitieme verwachting koesteren dat, zo zij zich naar de eisen van de Commissie voegde, vóór de vaststelling van de beschikking overeenstemming kon worden bereikt.
27 In die omstandigheden stelt verzoekster, dat de Commissie haar legitieme verwachtingen heeft beschaamd en haar rechten van de verdediging heeft geschonden, door niet te willen erkennen dat zij geheel vrijwillig een einde had gemaakt aan de inbreuken en door haar bevelen te geven die veel verder gingen dan hetgeen in de loop van de onderhandelingen was overeengekomen. Zij concludeert, dat de Commissie zodoende het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden en dat de beschikking nietig moet worden verklaard of, subsidiair, dat de bij de beschikking bevolen maatregelen waarmee een einde aan de inbreuk dient te worden gemaakt, nietig moeten worden verklaard of moeten worden beperkt.
28 De Commissie is van mening, dat zij het beginsel van behoorlijk bestuur niet heeft geschonden. Zij stelt, dat verzoekster, indien zij werkelijk vrijwillig de gewraakte praktijken had willen wijzigen, daarmee niet gedurende de zes jaar van het voorafgaand onderzoek en de twee en een half jaar van de administratieve procedure zou hebben gewacht.
29 Met betrekking tot de legitieme verwachtingen van verzoekster merkt de Commissie op, dat niemand mag verwachten, de gevolgen van voorbije handelingen te kunnen ontlopen, door eenvoudig zijn gedrag voor de toekomst te wijzigen. In ieder geval heeft de Commissie verzoekster nooit enige aanleiding gegeven om te denken dat zulks wel mogelijk was, hetgeen door deze laatste trouwens niet wordt betwist.
Beoordeling door het Gerecht
30 Allereerst moet worden opgemerkt, dat de duur van het onderzoek van de zaak door de Commissie, vanaf de indiening van de klacht in 1983 tot de inleiding van de procedure en de mededeling van de punten van bezwaar in 1988, in de onderhavige zaak geen schending van het beginsel van behoorlijk bestuur kan opleveren, aangezien zij wordt verklaard door de omvang en de ingewikkeldheid van een onderzoek dat het gehele commerciële beleid van Tetra Pak gedurende een bijzonder lang tijdsverloop betreft.
31 Bovendien moet worden vastgesteld, dat Tetra Pak, terwijl reeds in 1983 een klacht was ingediend, de procedure op 9 december 1988 was ingeleid en de punten van bezwaar haar bij brief van 20 december 1988 waren meegedeeld, pas begin 1991, in haar brief van 1 februari 1991 aan de Commissie (bijlage 7 bij de beschikking), waarbij de nieuwe standaardcontracten (bijlage 3 bij het verzoekschrift) waren gevoegd, zich heeft verbonden, van haar systeem van exclusieve koppelverkoop af te zien. In die omstandigheden is het Gerecht van oordeel, dat verzoekster de Commissie niet kan verwijten, het beginsel van behoorlijk bestuur te hebben geschonden.
32 Bijgevolg moet het eerste middel ongegrond worden verklaard.
Het tweede middel: verzuim een behoorlijk proces-verbaal van de hoorzitting over te leggen
Korte uiteenzetting van de argumenten van partijen
33 Verzoekster betoogt, dat het ontwerp van proces-verbaal dat aan het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities (hierna: "Adviescomité") is voorgelegd, zo onvolledig en gebrekkig was, dat dit comité zijn advies niet met volledige kennis van zaken heeft kunnen uitbrengen. Ofschoon verzoekster een lijst van verbeteringen heeft voorgesteld, betroffen deze slechts minder belangrijke punten en zij heeft niet de mogelijkheid gehad, belangrijke lacunes in dat ontwerp aan te vullen.
34 Verzoekster voert meer bepaald aan, dat de verklaring van de heer Severi, directeur van Tetra Pak Italiana, betreffende de gevolgen die het voorstel om alle vennootschappen van het Tetra Pak-concern te verplichten prijslijsten te publiceren, waaraan zij zich zouden moeten houden, voor zijn vennootschap zou hebben, niet in het proces-verbaal is opgenomen. Het verzuim is belangrijk, waar het de voornaamste problemen betreft die rezen door de bevelen die in de beschikking zijn geformuleerd om een einde aan de inbreuk te maken.
35 De Commissie daarentegen is van mening, dat de overlegging van een verbatim ontwerp van proces-verbaal van de hoorzitting het Adviescomité in staat heeft gesteld zich met volledige kennis van zaken uit te spreken. Zij betwist met name, dat Severi iets heeft gezegd met betrekking tot de verplichting de prijslijsten te publiceren. Bovendien is het aan Severi toegeschreven argument in de loop van de administratieve procedure herhaaldelijk aangevoerd en komt het in het ontwerp van proces-verbaal van de hoorzitting voor.
Beoordeling door het Gerecht
36 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 van de Raad (PB 1963, nr. 127, blz. 2268) in artikel 1 bepaalt, dat de Commissie de betrokken onderneming hoort alvorens het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities te raadplegen. Daarenboven bepaalt artikel 9, lid 4, van diezelfde verordening, wat de mondelinge fase van de hoorzitting betreft, dat van de essentiële verklaringen van iedere partij proces-verbaal wordt opgemaakt, dat na lezing door haar wordt getekend.
37 Het opmaken van een volledig proces-verbaal van de hoorzitting is een wezenlijk vormvoorschrift wanneer het in een bepaald geval noodzakelijk blijkt om het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities in staat te stellen zijn advies uit te brengen en om het de Commissie mogelijk te maken haar beschikking vast te stellen met volledige kennis van zaken, dat wil zeggen zonder op een wezenlijk punt te worden misleid door onjuistheden of lacunes. Dit laatste doet zich niet voor, wanneer het proces-verbaal van de hoorzitting enkel nalaat bepaalde verklaringen van een vertegenwoordiger van de betrokken onderneming op te nemen, die geen belangrijke nieuwe gegevens bevatten ten opzichte van andere opmerkingen die door vertegenwoordigers van de betrokken onderneming tijdens de hoorzitting zijn gemaakt en in het proces-verbaal zijn opgenomen. In een dergelijk geval doet het verzuim immers geen afbreuk aan de rechten van de verdediging van de betrokken onderneming en kan het geen weerslag hebben op de afloop van de raadplegingsprocedure en de inhoud van de eindbeschikking. Het kan dus niet de geldigheid van de gehele administratieve procedure aantasten en aldus de wettigheid van de eindbeschikking op losse schroeven zetten.
38 In de onderhavige zaak moet worden opgemerkt, dat de enige lacunes in het proces-verbaal van de hoorzitting, die door verzoekster zijn gespecificeerd en die de Commissie betwist, betrekking hebben op een verklaring van één van haar vertegenwoordigers betreffende in wezen een voorstel van de Commissie om elk van de nationale dochterondernemingen van Tetra Pak te verplichten, zowel voor de machines als voor de kartons een prijslijst te publiceren. Bij onderzoek van het proces-verbaal van de hoorzitting kan dienaangaande echter worden vastgesteld, dat verzoeksters betoog met betrekking tot die prijslijsten in ieder geval uitvoerig is uiteengezet door een van verzoeksters raadslieden en in het proces-verbaal is opgenomen.
39 Bijgevolg heeft het door verzoekster gestelde verzuim in geen geval afbreuk gedaan aan haar rechten van de verdediging en kan het dus de geldigheid van de administratieve procedure niet aantasten.
40 Het tweede middel moet dus ongegrond worden verklaard.
Het derde middel: niet-schending van artikel 86 van het Verdrag door verzoekster
41 Dit middel omvat twee onderdelen. Verzoekster voert allereerst aan, dat zij geen machtspositie inneemt op de gemeenschappelijke markt of op een wezenlijk deel daarvan. Vervolgens betoogt zij, dat de in de beschikking gewraakte gedraging geen misbruik in de zin van artikel 86 van het Verdrag opleverde.
I ° Het bestaan van een machtspositie
42 Verzoekster is van mening, dat zij geen machtspositie in de zin van artikel 86 van het Verdrag inneemt. In de eerste plaats verwerpt zij de in de beschikking gegeven afbakening van de produktmarkt (A). In de tweede plaats bestrijdt zij de afbakening van de geografische markt (B). In de derde plaats stelt zij, dat zij geen machtspositie inneemt op de aseptische markten en betwist in ieder geval dat artikel 86 van toepassing is op de niet-aseptische markten, die verwant zijn met de beweerdelijk gedomineerde markten (C).
A ° De produktmarkt
43 De beschikking bakent vier markten van relevante produkten af: de markt van machines voor de aseptische verpakking van vloeibare levensmiddelen in kartons en de daarbij behorende markt van kartons (hierna: "aseptische markten"), alsook de markt van machines voor de niet-aseptische verpakking van vloeibare levensmiddelen in kartons en de desbetreffende markt van kartons (hierna: "niet-aseptische markten"; punten 9, 11 en 92-97, waarin door verwijzing de punten 29-39 van de beschikking Tetra Pak I zijn opgenomen). Verzoekster, van haar kant, is van mening, dat de relevante markt een "complexe" markt is, die alle systemen voor het verpakken van vloeibare levensmiddelen omvat.
44 Bijgevolg moet worden nagegaan of de aseptische markten en de niet-aseptische markten, zowel onderling als in verhouding tot de verpakkingssystemen die andere materialen gebruiken, onderscheiden markten zijn (1). Bovendien moet worden nagegaan of de machines en de kartons onderscheiden markten vormen, hetgeen verzoekster betwist (2).
1. De aseptische markten en de niet-aseptische markten die karton gebruiken, zijn geen onderscheiden markten
Korte uiteenzetting van de argumenten van partijen
45 Verzoekster wijst er allereerst op, dat de systemen voor het aseptisch verpakken van niet volgens het UHT-procédé behandelde produkten niet onder de beschikking vallen. De Commissie heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de mededingingssituatie op de markt van aseptische systemen die worden gebruikt voor het verpakken van niet volgens het UHT-procédé behandelde produkten, zoals vruchtesappen, waarvoor vele verpakkingssystemen bestaan die aseptische kartons kunnen vervangen, gelijk was aan die van de markt van aseptische systemen die worden gebruikt voor het verpakken van melk met lange houdbaarheidsduur, die een UHT-behandeling vereist. Die fout vindt haar oorsprong in punt 14 van de beschikking Tetra Pak I, waar het heet: "in de Gemeenschap worden de meeste vruchtesappen met lange houdbaarheidsduur eveneens volgens het UHT-procédé behandeld en aseptisch verpakt". De aseptische markten werden daarom in punt 11 van de beschikking afgebakend als de markten van de machines en kartons bestemd voor het verpakken van "vloeibare levensmiddelen, die volgens het UHT-procédé zijn behandeld".
46 Ter weerlegging van de afbakening van de markten van de relevante produkten in de beschikking stelt verzoekster, dat de Commissie specifiek had moeten nagaan of de verschillende op de markt beschikbare verpakkingssystemen voldoende substitueerbaar zijn voor iedere categorie van vloeibare levensmiddelen, die wordt gekenmerkt door bijzondere verpakkingsbehoeften.
47 Zij leidt daaruit af, dat zowel in de aseptische als in de niet-aseptische sector de in de beschikking gegeven definitie van de relevante markten te ruim is, aangezien zij ook de machines en kartons omvat, die worden gebruikt voor het verpakken van andere vloeibare levensmiddelen dan melk, zonder de markt van de verpakkingssystemen voor die produkten voldoende te analyseren. De Commissie heeft namelijk de conclusies waartoe zij met betrekking tot de verpakking van melk was gekomen, gewoonweg op dit gebied getransponeerd.
48 Verzoekster leidt daaruit ook af, dat de afbakening van bovenbedoelde vier relevante markten anderzijds te restrictief is, aangezien zij de markten van de systemen van aseptische verpakking isoleert van de markten van de niet-aseptische systemen en de markten van de systemen die karton gebruiken, van de markten van de systemen die andere materialen gebruiken. Verzoekster stelt, dat er binnen de markt van de systemen voor het verpakken van vloeibare levensmiddelen markten bestaan die worden gedifferentieerd volgens de categorie van de te verpakken produkten. Deze markten zijn ruimer dan die welke in de beschikking worden afgebakend.
49 In dit verband verwijt verzoekster de Commissie, dat zij het criterium van de volkomen "substitueerbaarheid", op korte termijn, in het stadium van het eindverbruik, heeft toegepast in plaats van het criterium van de voldoende substitueerbaarheid, op lange termijn, in het stadium van de verpakking.
50 Verzoekster beklemtoont met name, dat de Commissie de relevante markten uitsluitend onder verwijzing naar de vraag van de consument heeft afgebakend. De leidende rol op het gebied van de vraag wordt echter niet gespeeld door de consumenten, maar door de kleinhandelaars en de verpakkers, zowel met betrekking tot de inhoud, namelijk verse produkten of produkten met lange houdbaarheidsduur, als de verpakking. In die omstandigheden kunnen geringe prijsverschillen op door Tetra Pak aangeboden produkten beslissend zijn, aangezien de keuze van de verpakking voor de verpakker het voornaamste onderdeel van zijn controleerbare kosten is. In casu heeft de Commissie in de onderhavige zaak, in tegenstelling tot de praktijk die zij onder meer in voornoemde zaak Tetra Pak/Alfa-Laval heeft gevolgd, bij de afnemers van Tetra Pak niet de mate van substitueerbaarheid van de verschillende vormen van verpakking onderzocht.
51 Volgens verzoekster kan bij correcte toepassing van het criterium van de voldoende "substitueerbaarheid" in de eerste plaats worden vastgesteld, dat de verschillende aseptische of niet-aseptische systemen die karton of andere materialen gebruiken, voldoende substitueerbaar zijn voor het verpakken van andere vloeibare levensmiddelen dan melk. In die omstandigheden kan geen van de drie hoofdargumenten die de Commissie met betrekking tot de sector melk aanvoert, te weten 1) dat enkel de verpakking in aseptische kartons geschikt is voor UHT-melk, 2) dat UHT-melk bijzondere eigenschappen van smaak en houdbaarheid vertoont en met een bepaald type verpakking wordt geassocieerd en, 3) dat de consumenten de verschillende soorten melk en de bijbehorende verpakkingen niet als volkomen substitueerbaar beschouwen, worden getransponeerd op de sector vruchtesappen en andere niet-zuivelprodukten.
52 In de tweede plaats bestaat er volgens verzoekster ook een voldoende substitueerbaarheid van verschillende verpakkingssystemen voor het verpakken van andere vloeibare zuivelprodukten dan melk. Voor bepaalde van die produkten, zoals room, maakt de consument geen onderscheid tussen het verse produkt, het produkt met lange houdbaarheidsduur en het gesteriliseerde produkt. In de derde plaats zijn in de sector gepasteuriseerde melk de niet-aseptische kartons voldoende uitwisselbaar met glazen of plastic flessen en plastic zakken.
53 In de vierde plaats zijn in de algemene sector melk aseptische kartons voldoende uitwisselbaar met de andere, zowel aseptische als niet-aseptische verpakkingswaren. Deze substitueerbaarheid wordt versterkt door het feit dat de consument zich bewust is van de weerslag van de verpakking op het milieu, en door wetgeving die verpakkingen met statiegeld bevoordeelt. Bovendien is de verpakkingsmarkt een kopersmarkt geworden. Anders dan de Commissie stelt, betekent hier het ontbreken van een volkomen substitueerbaarheid van gepasteuriseerde melk en UHT-melk op het niveau van de consument niet, dat de beweerde monopolieleverancier van een aseptisch verpakkingssysteem de aan zijn afnemers in rekening gebrachte prijs winstgevend kan verhogen, zonder het risico te lopen dat zij voor de verpakking van melk op een ander goed op de markt vertegenwoordigd niet-aseptisch systeem overgaan. Bovendien vormen nieuwe systemen voor het aseptisch verpakken in plastic of glazen flessen een echte substitutiedreiging. In Frankrijk bij voorbeeld hebben de belangrijkste afnemers van Tetra Pak, Candia en Lactel, ketens voor het verpakken van UHT-melk in plastic flessen geïnstalleerd en aldus sedert 1987 meer dan 5 % van de markt veroverd. Sindsdien heeft de aseptische Tetra Brik 30 % van de Franse markt van halfvolle melk (die 10 % van de totale hoeveelheid UHT-melk uitmaakt) verloren. In Duitsland is het door Bosch en SEN aangeboden systeem voor het aseptisch verpakken in glazen flessen met statiegeld de laatste tijd in grote aantallen verkocht. In Spanje worden met succes aseptische plasticzakken in de handel gebracht en in het Verenigd Koninkrijk wordt in blik verpakte UHT-melk verkocht.
54 Na het probleem van de substitueerbaarheid op het niveau van de vraag te hebben onderzocht, gaat Tetra Pak ook kort in op het aanvullende criterium van de substitueerbaarheid op het niveau van het aanbod. Zij merkt op, dat een onderneming die op aangrenzende markten actief is en thans geen systemen voor het aseptisch verpakken in karton vervaardigt, gemakkelijk toegang kan hebben tot de aseptische markten.
55 De Commissie bestrijdt alle argumenten van verzoekster betreffende de afbakening van de produktmarkt. Zij preciseert vooraf, dat de afbakening van de aseptische markten in punt 11 van de beschikking ook de systemen voor de verpakking van vruchtesappen dekt, aangezien zij verwijst naar de technologie die kenmerkend is voor systemen die geschikt zijn om volgens het UHT-procédé behandelde produkten te verpakken, en geen rekening houdt met het gebruik dat ervan wordt gemaakt. Die afbakening wordt niet aangetast door de verwijzing in punt 14 van de beschikking Tetra Pak I naar "volgens het UHT-procédé behandelde" vruchtesappen, waarvan de Commissie de onjuistheid erkent.
56 De Commissie verwerpt de grief, dat de afbakening van de aseptische markten te ruim is, omdat zij ook systemen bestemd voor het verpakken van niet-zuivelprodukten omvat. Zij betoogt in wezen, dat het economisch niet nodig was om deze sector afzonderlijk te onderzoeken, aangezien melk de overheersende sector is.
57 Bovendien is de Commissie van mening, dat de vier in de beschikking afgebakende markten wel degelijk onderscheiden markten vormen. Zij merkt eerst op, dat de kruiselasticiteit van de van de verpakkers uitgaande vraag, op basis waarvan de markten van verpakkingssystemen kunnen worden afgebakend, afhangt van de kruiselasticiteit van de vraag op de markten van de eindprodukten.
58 In die omstandigheden voert de Commissie in wezen aan, dat voor de verpakkers de aseptische kartons niet voldoende uitwisselbaar met niet-aseptische verpakkingen waren, wegens het ontbreken van een volkomen substitueerbaarheid tussen UHT-melk en gepasteuriseerde melk in het stadium van het eindverbruik. Bovendien waren er volgens haar tijdens de referentieperiode geen aseptische verpakkingssystemen die andere materialen gebruiken, die voldoende uitwisselbaar waren met de systemen voor het aseptisch verpakken in kartons, op grond van de kenmerken van die produkten voor de gebruikers en het feit dat de aseptische kartons van 1976 tot 1987 in de praktijk het enige type verpakking waren, dat voor UHT-melk werd gebruikt.
59 Bovendien vertonen de recentelijk vastgestelde verschuivingen in de vraag van de eindverbruikers van één verpakkingsvorm naar een andere in zowel de sector van de gepasteuriseerde melk als die van de UHT-melk "structurele tendensen", die verband houden met externe factoren, zoals de wijziging van de preferenties van de consumenten op grond van milieufactoren. De vraag is dus niet gevoelig voor kleine maar significante wijzigingen in de respectieve prijzen van de verschillende vormen van verpakking.
Beoordeling door het Gerecht
60 Alvorens te onderzoeken of in de beschikking de vier aseptische en niet-aseptische markten juist zijn afgebakend, moet precies worden vastgesteld wat die afbakening in de aseptische sector inhoudt. VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER : 691A0083.1
61 Anders dan verzoekster stelt, probeert de beschikking in bovenbedoelde twee aseptische markten alle aseptische machines en kartons te omvatten, ongeacht of zij worden gebruikt voor het verpakken van UHT-melk dan wel voor de verpakking in aseptische omstandigheden van vloeibare levensmiddelen die geen UHT-behandeling vereisen, zoals vruchtesappen. De aseptische markten worden immers in punt 11 van de beschikking uitdrukkelijk omschreven als "a) de markt van de machines waarin een technologie is verwerkt voor sterilisatie van de kartons en waarmede in deze kartons vloeibare levensmiddelen, die volgens het UHT-procédé zijn behandeld, aseptisch kunnen worden verpakt, en b) de daarbij behorende markt van verpakkingskarton". Daaruit volgt duidelijk, dat deze markten uitsluitend worden bepaald aan de hand van de technologische kenmerken van de machines en de kartons die geschikt zijn voor het verpakken van volgens het UHT-procédé behandelde produkten, met dien verstande dat de machines en kartons die deze kenmerken vertonen, ook worden gebruikt voor het aseptisch verpakken van niet volgens dat procédé behandelde produkten. Deze uitlegging wordt bevestigd door artikel 1 van de beschikking, waarin enkel het bestaan van een machtspositie op de "zogeheten 'aseptische' markten voor machines en kartons bestemd voor de verpakking van vloeibare levensmiddelen" wordt vastgesteld, zonder enige verwijzing naar het gebruik daarvan.
62 Het Gerecht dient dus te onderzoeken, of de vier aldus door de beschikking afgebakende markten inderdaad markten waren die waren onderscheiden van andere sectoren van de algemene markt van systemen voor de verpakking van vloeibare levensmiddelen.
63 Het is vaste rechtspraak dat de markt van de relevante produkten moet worden afgebakend met inachtneming van de gehele economische context, zodat de werkelijke economische macht van de betrokken onderneming kan worden beoordeeld. Teneinde na te gaan of een onderneming in staat is zich jegens haar concurrenten, haar afnemers en de consumenten in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen, moet immers vooraf worden bepaald welke de produkten zijn die, zonder door andere produkten te kunnen worden vervangen, voldoende uitwisselbaar zijn met de produkten die zij aanbiedt, niet alleen op grond van de objectieve kenmerken van die produkten, waardoor zij bijzonder geschikt zijn om in een constante behoefte te voorzien, maar ook op grond van de mededingingsvoorwaarden en de structuur van vraag en aanbod op de markt (zie arrest Hof van 9 november 1983, zaak 322/81, Michelin, Jurispr. 1983, blz. 3461, r.o. 37).
64 In casu moet de "substitueerbaarheid" van de aseptische verpakkingssystemen en de niet-aseptische systemen, alsmede die van de systemen die karton gebruiken en die welke andere materialen gebruiken, worden beoordeeld met inachtneming van alle mededingingsvoorwaarden op de algemene markt van verpakkingssystemen voor vloeibare levensmiddelen. De benadering van verzoekster, die deze algemene markt in gedifferentieerde ondermarkten verdeelt, naar gelang de verpakkingssystemen worden gebruikt voor het verpakken van melk, andere zuivelprodukten dan melk, of niet-zuivelprodukten, op grond van de typische kenmerken van de verpakking van die verschillende categorieën van produkten, die hierin tot uiting kan komen dat er allerlei substitutiematerieel bestaat, zou in de specifieke context van de onderhavige zaak bijgevolg leiden tot een compartimentering van de markt, die niet een weergave vormt van de economische realiteit. De vraag- en aanbodstructuur van zowel de aseptische als de niet-aseptische machines en kartons is vergelijkbaar, ongeacht het gebruik van de machines en kartons, aangezien zij alle tot een zelfde sector van activiteiten, namelijk de verpakking van vloeibare levensmiddelen, behoren. Of zij nu dienen voor het verpakken van melk dan wel van andere produkten, aseptische en niet-aseptische machines en kartons vertonen immers niet alleen dezelfde produktiekarakteristieken, maar voorzien ook in identieke economische behoeften. Bovendien is een niet onbelangrijk deel van de afnemers van Tetra Pak zowel in de sector melk als in de sector vruchtesappen actief, zoals verzoekster heeft erkend. In die verschillende opzichten onderscheidt het onderhavige geding zich dus van het geval dat aan de orde was in het door verzoekster aangevoerde arrest van 13 februari 1979 (zaak 85/76, Hoffmann-La Roche, Jurispr. 1979, blz. 461), waarin het Hof eerst heeft onderzocht of het mogelijk was om vast te stellen dat er twee onderscheiden markten van een zelfde produkt bestonden, dat, anders dan in het onderhavige geval, op twee manieren in volledig verschillende sectoren werd gebruikt, namelijk een "bionutritief" en een "technologisch" gebruik (r.o. 28 en 29). Bovendien zij opgemerkt, dat beide partijen hebben verklaard, dat voor de door Tetra Pak vervaardigde machines en kartons van hetzelfde type dezelfde prijzen golden, ongeacht of zij voor het verpakken van melk dan wel van andere produkten waren bestemd, hetgeen bevestigt dat zij tot een enkele produktmarkt behoren. Anders dan verzoekster stelt, zijn er dus geen termen aanwezig om vast te stellen dat er gedifferentieerde ondermarkten voor verpakkingssystemen van hetzelfde type bestaan, al naargelang zij voor de verpakking van deze of gene categorie van produkten worden gebruikt.
65 In die omstandigheden moet, zoals de Commissie betoogt, teneinde na te gaan of de vier in de beschikking afgebakende markten tijdens de referentieperiode inderdaad onderscheiden markten waren, meer in het bijzonder worden bepaald, welke produkten voldoende uitwisselbaar waren met de aseptische en niet-aseptische machines en kartons in de belangrijkste sector melk. Voor zover immers de systemen voor het verpakken in kartons hoofdzakelijk werden gebruikt voor het verpakken van melk, was een machtspositie in deze sector in voorkomend geval een genoegzaam bewijs van een machtspositie op de gehele markt. Aan die eventuele machtspositie kon niet worden afgedaan door het door verzoekster gestelde bestaan van vervangingsmaterieel in de sector van de verpakking van andere produkten dan melk, aangezien deze slechts een zeer gering percentage vormden van de produkten die in de door de beschikking bestreken periode in kartons werden verpakt. In dit verband blijkt het overwicht van de sector melkverpakking zeer duidelijk uit de in de beschikking (punt 6) verstrekte en door verzoekster niet betwiste gegevens, volgens welke in 1987 72 % van de systemen met kartons werd gebruikt voor het verpakken van melk, en slechts 7 % voor het verpakken van andere zuivelprodukten. Volgens dezelfde bronnen werd in 1983 90 % van die systemen gebruikt voor het verpakken van melk en andere zuivelprodukten. Dit overwicht was nog sterker bij in het bijzonder de door Tetra Pak in de handel gebrachte systemen. Uit de tabellen die deze laatste in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft overgelegd, blijkt dat in de Gemeenschap in 1976 96 % van haar produktie van aseptische systemen bestemd was voor het verpakken van melk, in 1981 81 %, in 1987 70 % en in 1991 67 %. Deze cijfers tonen aan, dat tijdens de referentieperiode, ondanks een daling, het grootste deel van de aseptische kartons van Tetra Pak diende voor het verpakken van melk. De niet-aseptische kartons werden volgens dezelfde bronnen tot en met 1980 voor 100 % en nadien voor 99 % gebruikt voor het verpakken van melk. Om al deze redenen mocht de Commissie zich op het standpunt stellen, dat het niet nodig was een afzonderlijke analyse van de sector verpakking van andere produkten dan melk te verrichten.
66 Op het gebied van de verpakking van melk heeft de Commissie zich in casu terecht gebaseerd op het criterium van de voldoende substitueerbaarheid van de verschillende systemen voor het verpakken van vloeibare levensmiddelen, zoals dit door het Hof is bekrachtigd (zie, onder meer, arresten van 21 februari 1973, zaak 6/92, Europemballage en Continental Can, Jurispr. 1973, blz. 215, r.o. 32, en Hoffmann-La Roche, reeds aangehaald, r.o. 28, derde alinea). Het is ook in overeenstemming met de rechtspraak (zie arrest Hof van 6 maart 1974, gevoegde zaken 6/73 en 7/73, Istituto Chemioterapico Italiano en Commercial Solvents, Jurispr. 1974, blz. 223, r.o. 19-22), dat de Commissie het criterium van de voldoende substitueerbaarheid van de produkten heeft toegepast op het stadium van de verpakkingssystemen zelf ° de markt van de tussenprodukten, waarop de positie van Tetra Pak moet worden beoordeeld ° en niet op het stadium van de eindprodukten, in casu de verpakte vloeibare levensmiddelen.
67 Bij de beoordeling van de substitueerbaarheid van de verpakkingssystemen in het stadium van de verpakkers moest de Commissie noodzakelijkerwijze rekening houden met de invloed van de vraag die van de eindverbruikers uitgaat, op de tussenliggende vraag die van de verpakkers uitgaat. Zij stelde vast, dat de verpakkers de gewoonten van de consumenten bij de keuze van de soorten van verpakking van het produkt slechts door reclamecampagnes kunnen beïnvloeden in het kader van een proces dat "van lange duur" en "kostbaar" is en "talrijke jaren kan beslaan", zoals Tetra Pak in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar uitdrukkelijk had erkend. In die omstandigheden konden de verschillende soorten verpakkingen niet worden beschouwd als "voldoende" substitueerbaar in het stadium van de verpakkers, hoe sterk ook de ° door verzoekster gestelde ° onderhandelingspositie van deze laatsten moge zijn.
68 De Commissie heeft dus uitsluitend ter beoordeling van de invloed van de eindvraag op de tussenliggende vraag van de verpakkers verwezen naar het ontbreken van een volkomen substitueerbaarheid, die enkel de verpakte produkten en niet de verpakkingssystemen betrof. In het bijzonder was de Commissie terecht van mening, dat wegens het geringe aandeel van de kosten van verpakking in de verkoopprijs van melk "kleine maar significante wijzigingen in de relatieve prijs van de diverse verpakkingen (...) niet voldoende [zouden] zijn om onderlinge verschuivingen teweeg te brengen tussen de verschillende melksoorten waarvoor zij worden gebruikt, omdat de substitueerbaarheid van de verschillende soorten melk niet volkomen is" (beschikking Tetra Pak I, punt 32, in fine). Bijgevolg moeten de grieven van verzoekster, dat de Commissie zich op de hypothese van de volkomen concurrentie zou hebben gebaseerd en de betrokken markten uitsluitend onder verwijzing naar de vraag van de consumenten zou hebben afgebakend, worden afgewezen.
69 In deze omstandigheden stelt het Gerecht in de eerste plaats vast, dat de Commissie terecht heeft vastgesteld dat tijdens de referentieperiode de machines voor het aseptisch verpakken in kartons en de machines voor het niet-aseptisch verpakken, ongeacht het gebruikte materiaal, niet voldoende uitwisselbaar waren. Op het niveau van de vraag onderscheidden de aseptische systemen zich immers door hun eigen kenmerken, die voorzien in de specifieke behoeften en preferenties van de consumenten betreffende de duur en de kwaliteit van de houdbaarheid alsook de smaak. Bovendien moet voor de omschakeling van de verpakking van UHT-melk naar die van verse melk een distributiesysteem worden opgezet, dat permanent een gekoelde omgeving waarborgt. Bovendien vereist, op het niveau van het aanbod, de vervaardiging van machines voor het verpakken van UHT-melk in kartons in aseptische omstandigheden een complexe technologie; tijdens de in de beschikking onderzochte periode waren enkel Tetra Pak en haar concurrent PKL erin geslaagd deze technologie te ontwikkelen en bedrijfsklaar te maken. Bijgevolg konden de producenten van niet-aseptische machines voor kartons, die opereerden op de markt die het meest met de betrokken markt voor aseptische machines verwant was, niet door middel van bepaalde aanpassingen aan hun machines toegang krijgen tot de markt voor aseptische machines.
70 De aseptische kartons vormden eveneens een markt die onderscheiden was van die van niet-aseptische verpakkingen. In het stadium van de tussenliggende vraag van de verpakkers waren de aseptische kartons niet voldoende uitwisselbaar met niet-aseptische verpakkingen, met inbegrip van de kartons, en wel om dezelfde redenen als reeds in de voorgaande overweging werden uiteengezet met betrekking tot de machines. Uit de stukken blijkt, dat in het stadium van het aanbod, ondanks het ontbreken van onoverkomelijke technische belemmeringen, de producenten van niet-aseptische kartons zich in de omstandigheden van de onderhavige zaak niet konden aanpassen om aseptische kartons te vervaardigen. De aanwezigheid op deze markt van één enkele concurrent van Tetra Pak, PKL, die tijdens de referentieperiode slechts 10 % van de markt voor aseptische kartons in handen had, toont in dit verband aan, dat de mededingingsvoorwaarden van dien aard waren, dat het voor de producenten van niet-aseptische kartons in de praktijk niet mogelijk was om toegang te krijgen tot de markt voor aseptische kartons, in het bijzonder wegens het ontbreken van aseptische vulmachines.
71 In de tweede plaats stelt het Gerecht vast, dat tijdens de referentieperiode de aseptische machines en kartons niet voldoende uitwisselbaar waren met de aseptische verpakkingssystemen die andere materialen gebruiken. Volgens de in het dossier vermelde en door verzoekster niet betwiste gegevens bestond er niet een dergelijk vervangingsmaterieel, met uitzondering van de systemen voor het aseptisch verpakken in plastic flessen, met statiegeld belaste glazen flessen en zakken, respectievelijk in Frankrijk, Duitsland en Spanje, die aan het einde van de onderzochte periode op de markt kwamen. Elk van die nieuwe produkten werd echter slechts in één enkel land geïntroduceerd en had er bovendien slechts een marginaal aandeel van de markt voor de verpakking van UHT-melk. Volgens de door verzoekster verstrekte inlichtingen bedroeg dit aandeel niet meer dan 5 % van de markt in Frankrijk sedert 1987. In de gehele Gemeenschap werd in 1976 alle UHT-melk in kartons verpakt. Uit de door verzoekster in antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar ingediende opmerkingen blijkt, dat in 1987 ongeveer 97,7 % van de UHT-melk in kartons werd verpakt. Aan het einde van de referentieperiode, dat wil zeggen in 1991, maakten kartons nog 97 % van de markt voor de verpakking van UHT-melk uit, terwijl de resterende 3 % werd gevormd door plastic verpakkingen, zoals verzoekster in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft aangegeven. Het marginale marktaandeel dat aseptische verpakkingen die andere materialen gebruikten dus bezaten, volstaat om aan te tonen dat die verpakkingen, zelfs gedurende de laatste jaren van de door de beschikking bestreken periode, niet konden worden beschouwd als produkten die voldoende uitwisselbaar waren met de aseptische systemen die karton gebruiken (zie voornoemd arrest Istituto Chemioterapico Italiano en Commercial Solvents, r.o. 15).
72 In de derde plaats is het Gerecht van oordeel, dat niet-aseptische machines en kartons markten vormden die onderscheiden waren van die van niet-aseptische verpakkingssystemen die andere materialen dan karton gebruiken. Dienaangaande is reeds vastgesteld (zie boven, r.o. 67 en 68), dat wegens het marginale aandeel van de verpakkingskosten in de prijs van melk, slechts een nagenoeg volkomen substitueerbaarheid van de vraag van de eindverbruikers de verpakkers ertoe zou hebben gebracht, het verpakkingsmateriaal ° in casu kartons, glazen of plastic flessen en niet-aseptische zakken ° als gemakkelijk uitwisselbaar te beschouwen. Gelet echter op hun zeer verschillende fysieke kenmerken en het systeem van thuisbezorging van gepasteuriseerde melk in glazen flessen in het Verenigd Koninkrijk, was deze verpakkingsvorm voor de consumenten niet uitwisselbaar met een verpakking in kartons. Bovendien waren de milieufactoren op grond waarvan een deel van de consumenten de voorkeur gaf aan bepaalde soorten verpakkingen, zoals met statiegeld belaste glazen flessen, niet bevorderlijk voor de uitwisselbaarheid van die verpakkingen met kartons. De consumenten die zich bewust waren van die factoren, beschouwden die verpakkingen niet als uitwisselbaar met kartons. Hetzelfde geldt voor de consumenten die, omgekeerd, gehecht waren aan een zeker gemak van het gebruik van in kartons verpakte produkten. De plastic flessen en zakken waren enkel op de markt in de landen waar de consumenten dat soort verpakkingen aanvaardden, vooral, volgens de in de beschikking verstrekte en door verzoekster niet betwiste inlichtingen, Duitsland en Frankrijk. Bovendien werden, volgens diezelfde bronnen, die verpakkingen slechts voor ongeveer een derde van de gepasteuriseerde melk in Frankrijk en voor 20 % van deze melk in Duitsland gebruikt. Bijgevolg waren die produkten tijdens de door de beschikking bestreken periode in de gehele Gemeenschap in de praktijk niet voldoende uitwisselbaar met niet-aseptische verpakkingen in karton.
73 Uit de analyse van de markten in de sector melkverpakking blijkt dus, dat de vier in de beschikking afgebakende relevante markten inderdaad onderscheiden markten waren.
74 Bovendien stelt het Gerecht in ieder geval vast, dat na onderzoek van de substitueerbaarheid van de verschillende verpakkingssystemen in de sector vruchtesappen, na melk de belangrijkste vloeibare levensmiddelen, blijkt dat er ook in deze sector geen voldoende uitwisselbaarheid was, noch tussen de aseptische en de niet-aseptische systemen, noch tussen de systemen die karton en die welke andere materialen gebruiken.
75 De markt van kartonverpakking en van vruchtesappen was tijdens de referentieperiode voornamelijk in handen van de aseptische systemen. In 1987 was 91 % van de voor het verpakken van vruchtesappen gebruikte kartons aseptisch. Dit percentage bleef stabiel tot 1991, toen 93 % van alle kartons aseptisch was, zoals blijkt uit het antwoord van Tetra Pak op een schriftelijke vraag van het Gerecht. Het marginale aandeel van de niet-aseptische kartons voor het verpakken van vruchtesappen, dat dus over verschillende jaren gehandhaafd bleef, toont aan dat deze in de praktijk nauwelijks uitwisselbaar waren met aseptische kartons.
76 Bovendien waren de aseptische machines en kartons evenmin voldoende uitwisselbaar met installaties die andere materialen voor het verpakken van vruchtesappen gebruikt. Uit de door Tetra Pak in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht overgelegde tabellen blijkt, dat tijdens de referentieperiode de twee voornaamste soorten verpakking die in de sector vruchtesappen concurreerden, glazen flessen en kartons waren. In het bijzonder blijkt uit die tabellen, dat in 1976 in de Gemeenschap meer dan 76 % van het vruchtesap (in volume) in glazen flessen, 9 % in kartons en 6 % in plastic flessen werd verpakt. Kartons bereikten in 1987 een marktaandeel van ongeveer 50 % en in 1991 van 46 %. Het marktaandeel van de glazen flessen steeg tussen die twee data van 30 tot 39 % en dat van de plastic flessen bleef miniem, en daalde van ongeveer 13 tot 11 %.
77 Gelet echter op hun zeer verschillende kenmerken, zowel qua aanbieding, gewicht en vorm van opslag, als qua prijs, konden kartons en glazen flessen niet als voldoende substitueerbaar worden beschouwd. Met betrekking tot de prijzen hebben beide partijen in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht verklaard, dat de totale kosten van de verpakking van vruchtesap in glazen wegwerpflessen voor de verpakker aanzienlijk ° ongeveer 75 % ° hoger zijn dan die van de verpakking in aseptische kartons.
78 Uit alle voorafgaande overwegingen volgt, dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft aangetoond, dat de markten van aseptische machines en kartons en de markten van niet-aseptische machines en kartons gescheiden waren van de algemene markt van de systemen voor het verpakken van vloeibare levensmiddelen.
2. De markten van de machines en de markten van de kartons kunnen niet worden gescheiden
Korte uiteenzetting van de argumenten van partijen
79 Verzoekster stelt, dat de relevante markt moet worden gedefinieerd als de geïntegreerde markt van de verpakkingssystemen, die de machines bestemd voor het verpakken van vloeibare levensmiddelen en de verpakkingen zelf omvat. Zij betoogt, dat er tussen de machines en de kartons een natuurlijk en commercieel verband bestaat, als bedoeld in artikel 86, sub d, van het Verdrag. In het bijzonder zou de scheiding van de vulmachines en de aseptische kartons ernstige risico' s voor de volksgezondheid en ernstige gevolgen voor de afnemers van Tetra Pak kunnen meebrengen.
80 Volgens verzoekster heeft de Commissie in het geheel geen rekening gehouden met de verklaringen van de concurrenten van Tetra Pak, die verzoeksters argumenten bevestigen, en heeft zij geen enkel bewijs aangebracht, dat de gescheiden levering van de machines en de kartons tegemoet kwam aan hetzij de wensen van de verpakkers om over onafhankelijke leveranciers van kartons te beschikken, hetzij de wensen van de kartonleveranciers zelf.
81 De Commissie betwist van haar kant het door verzoekster aangevoerde verband tussen machines en kartons. Zij voert aan, dat artikel 86 van het Verdrag zich ertegen verzet, dat de fabrikant van een complex produkt derden verhindert verbruiksprodukten te vervaardigen die bestemd zijn om in zijn apparaten te worden gebruikt.
Beoordeling door het Gerecht
82 In de eerste plaats, en anders dan verzoekster stelt, kan niet op basis van het handelsgebruik worden geconcludeerd, dat de machines voor het verpakken van een produkt niet kunnen worden gescheiden van de kartons. Er bestaan immers al lang onafhankelijke producenten die gespecialiseerd zijn in de vervaardiging van niet-aseptische kartons, bestemd om te worden gebruikt in door andere ondernemingen gebouwde machines, doch die zelf geen machines bouwen. Met name blijkt uit de beschikking (punt 16), door verzoekster onweersproken, dat Elopak, die in 1957 is opgericht, tot en met 1987 uitsluitend kartons en bijkomende materialen, onder meer voor de opslag, vervaardigde. Bovendien was volgens dezelfde, door verzoekster niet betwiste bronnen (punt 13) ongeveer 12 % van de sector niet-aseptische kartons in 1985 verdeeld tussen drie ondernemingen die, in het algemeen onder licentie, hun eigen kartons vervaardigden, en die, wat de machines betreft, slechts als distributeurs optraden. In die omstandigheden kan de gekoppelde verkoop van machines en kartons niet in overeenstemming met het handelsgebruik worden beschouwd, aangezien het in de niet-aseptische sector niet de algemene regel was en er in de aseptische sector slechts twee producenten, namelijk Tetra Pak en PKL, bestonden.
83 Bovendien kunnen verzoeksters argumenten betreffende de eisen van de bescherming van de volksgezondheid en van haar belangen en die van haar afnemers niet worden aanvaard. Het is immers niet aan de producenten van volledig materieel om te beslissen dat, ter voldoening aan eisen van algemeen belang, verbruiksprodukten zoals kartons te zamen met de machines waarvoor zij zijn bestemd, een niet te scheiden geïntegreerd systeem vormen. Volgens vaste rechtspraak staat het bij gebreke van algemene en dwingende normen en voorschriften iedere onafhankelijke producent vanuit het oogpunt van het communautaire mededingingsrecht volkomen vrij om verbruiksprodukten te vervaardigen die bestemd zijn voor gebruik in door anderen vervaardigde apparaten, tenzij hij daardoor inbreuk zou maken op een recht van intellectuele eigendom van een concurrent (zie arrest Gerecht van 12 december 1991, zaak T-30/89, Hilti, Jurispr. 1991, blz. II-1439, r.o. 68, en arrest Hof van 2 maart 1994, zaak C-53/92 P, Hilti, Jurispr. 1994, blz. I-667, r.o. 11-16).
84 In die omstandigheden kan, hoe complex in de onderhavige zaak de aseptische vulprocédés ook mogen zijn, de bescherming van de volksgezondheid met andere middelen worden verzekerd, onder meer door de gebruikers van machines mee te delen, welke technische kenmerken de kartons moeten hebben om met die machines compatibel te zijn, zonder dat daarmee inbreuk wordt gemaakt op de industriële en commerciële eigendom van de fabrikanten. Bovendien moet, gesteld al dat, zoals verzoekster heeft betoogd, machines en kartons van verschillende oorsprong niet samen kunnen worden gebruikt zonder dat de karakteristieken van het systeem daardoor worden beïnvloed, de oplossing worden gezocht in de vaststelling van passende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen en niet in eenzijdig door de producenten vastgestelde normen, die erop zouden neerkomen, dat de onafhankelijke producenten wordt verboden hun hoofdactiviteiten te verrichten.
85 Bijgevolg kan de stelling van verzoekster, dat de markten van machines, bestemd voor het verpakken van een produkt, en die van verpakkingskartons niet kunnen worden gescheiden, niet worden aanvaard.
B ° De relevante geografische markt
Korte uiteenzetting van de argumenten van partijen
86 Verzoekster betwist, dat de relevante geografische markt het gehele grondgebied van de Gemeenschap bestrijkt. Zij is van mening, dat de verschillende Lid-Staten voor de betrokken produkten afzonderlijke markten vormen, omdat de objectieve concurrentievoorwaarden niet voor alle marktdeelnemers in de gehele Gemeenschap gelijk zijn.
87 Zij betoogt, dat er in iedere Lid-Staat plaatselijke markten bestaan waar zelfstandige dochterondernemingen van zowel Tetra Pak als andere producenten opereren. Bovendien is de vraag van de consumenten van verpakte vloeibare levensmiddelen in de verschillende Lid-Staten verschillend. In het bijzonder hadden de markten van Noordwest-Europa, die Denemarken, Ierland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk omvatten, afzonderlijk moeten worden onderzocht, aangezien het verbruik van UHT-melk daar marginaal is. Daarenboven blijkt volgens verzoekster uit de van Lid-Staat tot Lid-Staat verschillende prijzen van machines en kartons, dat de Gemeenschap niet de relevante geografische markt is.
88 Bovendien stelt verzoekster, dat het grondgebied van Griekenland, Spanje en Portugal met betrekking tot de periode vóór hun toetreding tot de Europese Gemeenschappen van de relevante geografische markt moeten worden uitgesloten. Na de toetreding van Spanje had dit land van de relevante markt moeten worden uitgesloten wegens de tariefbelemmeringen die tijdens een overgangsperiode van kracht bleven.
89 De Commissie daarentegen is van mening, dat de geografische markt de gehele Gemeenschap omvat. Zij voert in wezen aan, dat alle betrokken soorten kartons en machines in belangrijke mate in iedere Lid-Staat voorkomen en dat de transportkosten van zowel de machines als de kartons te verwaarlozen zijn. Bovendien is zij van mening, dat de door verzoekster aangevoerde prijsverschillen tussen de Lid-Staten zijn te verklaren door het bestaan van een monopolistische situatie of een compartimentering van de markten.
90 De Commissie preciseert, dat het grondgebied van de Lid-Staten die tijdens de referentieperiode tot de Gemeenschap zijn toegetreden, van de geografische markt en van iedere vaststelling van een inbreuk vóór de datum van hun toetreding is uitgesloten. De na de toetreding in Spanje van kracht gebleven tariefbelemmeringen voor de invoer leverden geen "discriminatie" tussen de producenten van machines en kartons op, aangezien geen van hen in Spanje was gevestigd.
Beoordeling door het Gerecht
91 Het Gerecht brengt vooraf in herinnering, dat in het stelsel van artikel 86 van het Verdrag de geografische markt moet worden afgebakend teneinde te bepalen of de betrokken onderneming een machtspositie inneemt in de Gemeenschap of in een wezenlijk deel daarvan. Voor de afbakening van de geografische markt is dus, evenals voor de afbakening van de produktmarkt, een economische beoordeling vereist. De geografische markt kan dus worden gedefinieerd als het grondgebied waarop voor alle marktdeelnemers juist met betrekking tot de relevante produkten gelijke mededingingsvoorwaarden gelden. Dienaangaande merkt de Commissie terecht op, dat het geenszins nodig is dat de objectieve mededingingsvoorwaarden voor de marktdeelnemers volkomen homogeen zijn. Het volstaat dat zij "gelijk" of "voldoende homogeen" zijn (arrest Hof van 14 februari 1978, zaak 27/76, United Brands, Jurispr. 1978, blz. 207, r.o. 44; zie ook r.o. 11 en 53).
92 Mitsdien moet worden nagegaan, of de verschillende door verzoekster aangevoerde factoren in de Gemeenschap heterogene objectieve mededingingsvoorwaarden scheppen. Dienaangaande is het Gerecht van oordeel, dat het feit dat de grote producenten van verpakkingssystemen via nationale dochterondernemingen in iedere Lid-Staat aanwezig zijn, alsook de gewoonte van de zuivelfabrieken om zich lokaal te bevoorraden, anders dan verzoekster stelt, niet volstaan om aan te tonen dat de mededingingsvoorwaarden specifiek zijn voor het grondgebied van elk van die staten. Ten aanzien van in het bijzonder het beleid van Tetra Pak mag op grond van de context van de onderhavige zaak integendeel worden aangenomen, dat de zojuist beschreven omstandigheden eerder zijn te verklaren door haar strategie van compartimentering van de markten, dan door het bestaan van lokale markten die door objectief verschillende mededingingsvoorwaarden worden gekenmerkt. De diverse contracten van Tetra Pak met haar afnemers verschilden weliswaar doordat daarin een groot aantal per staat verschillende, bijkomende clausules waren opgenomen, maar dat neemt niet weg dat de commerciële politiek van de verschillende dochterondernemingen van het concern een onderdeel vormde van een door het moederbedrijf gecooerdineerde commerciële strategie, zoals onder meer blijkt uit het door verzoekster niet betwiste feit dat in alle Lid-Staten in de met de zuivelfabrieken gesloten contracten clausule ix, betreffende de koppelverkoop, en een clausule van exclusieve bevoorrading bij de plaatselijke dochteronderneming van Tetra Pak was opgenomen. Daarenboven bevestigen enige belangrijke bewijsstukken, zoals de tussen het Tetra Pak-concern en Tetra Pak Italiana gewisselde brieven en telexberichten, die in de beschikking (punten 71-83) worden vermeld en bij het dossier zijn gevoegd, dat de commerciële politiek van Tetra Pak op concernniveau werd bepaald.
93 In dit opzicht verschillen de feiten in de onderhavige zaak dus van die in de door verzoekster aangevoerde zaak Michelin, waarin het Hof oordeelde dat het feit dat door de Nederlandse dochterondernemingen van concerns die op de wereldmarkt opereerden en nieuwe banden vervaardigen, een autonome commerciële politiek werd gevoerd die was afgestemd op de specifieke omstandigheden van iedere nationale markt, aantoonde dat er een nationale markt bestond waarop de mededingingsvoorwaarden voldoende gelijk waren (r.o. 26 van het arrest).
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex