HvJ EU 5 februari 2026, C-572/23, ECLI:EU:C:2026:70
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
5 februari 2026 ( *1 )
„Hogere voorziening – Institutioneel recht – Leden van het Europees Parlement – Voorrechten en immuniteiten – Besluit tot opheffing van de immuniteit van leden van het Parlement – Artikel 41, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Beginsel van behoorlijk bestuur – Commissie juridische zaken van het Parlement – Vereiste van onpartijdigheid van de rapporteur”
In zaak C‑572/23 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 15 september 2023,
Carles Puigdemont i Casamajó, wonende te Waterloo (België),
Antoni Comín i Oliveres, wonende te Waterloo,
Clara Ponsatí i Obiols, wonende te Waterloo,
vertegenwoordigd door P. Bekaert en S. Bekaert, advocaten, en G. Boye, abogado,
rekwiranten,
andere partijen in de procedure:
Europees Parlement, vertegenwoordigd door N. Görlitz, N. Lorenz en J.‑C. Puffer als gemachtigden,
verweerder in eerste aanleg,
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door A. Gavela Llopis als gemachtigde,
interveniënt in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, O. Spineanu-Matei (rapporteur), S. Rodin, N. Piçarra en N. Fenger, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 september 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met hun hogere voorziening verzoeken Carles Puigdemont i Casamajó, Antoni Comín i Oliveres en Clara Ponsatí i Obiols (hierna: „rekwiranten”) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 5 juli 2023, Puigdemont i Casamajó e.a./Parlement (T‑272/21, EU:T:2023:373; hierna: „bestreden arrest”), waarbij hun verzoek tot nietigverklaring van de besluiten P9_TA(2021)0059, P9_TA(2021)0060 en P9_TA(2021)0061 van het Europees Parlement van 9 maart 2021 inzake het verzoek tot opheffing van hun immuniteit (hierna: „litigieuze besluiten”) is verworpen.
Toepasselijke bepalingen
Recht van de Unie
Protocol nr. 7
2 Artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie (hierna: „Protocol nr. 7”) bepaalt: „Tijdens de zittingsduur van het Europees Parlement genieten de leden: a) op hun eigen grondgebied, de immuniteiten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend, b) op het grondgebied van elke andere lidstaat, vrijstelling van aanhouding en gerechtelijke vervolging in welke vorm ook. De immuniteit beschermt hen eveneens, wanneer zij zich naar de plaats van de bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren. Op deze immuniteit kan geen beroep worden gedaan in geval van ontdekking op heterdaad, terwijl zij evenmin kan verhinderen dat het Europees Parlement het recht uitoefent de immuniteit van een van zijn leden op te heffen.”
Reglement van orde
3 Het reglement van orde van het Europees Parlement dat van toepassing was in de negende zittingsperode (2019‑2024), in de versie van vóór de wijziging ervan bij het besluit van het Parlement van 17 januari 2023 (hierna: „reglement van orde”), bepaalde in artikel 5, met het opschrift „Voorrechten en immuniteiten”: „1. De leden genieten de voorrechten en immuniteiten bedoeld in Protocol nr. 7 [...]. 2. Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden met betrekking tot voorrechten en immuniteiten zet het Parlement zich in voor de handhaving van zijn integriteit als democratische wetgevende vergadering en de waarborging van de onafhankelijkheid van zijn leden bij de uitvoering van hun taken. De parlementaire immuniteit is geen persoonlijk voorrecht van de leden, doch een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden. [...]”
4 Artikel 6 van het reglement van orde heeft als opschrift „Opheffing van de immuniteit” en bepaalt: „1. Een verzoek om opheffing van de immuniteit wordt beoordeeld overeenkomstig de artikelen 7, 8 en 9 van Protocol nr. 7 [...] en de beginselen in artikel 5, lid 2, van dit [r]eglement. [...]”
5 Artikel 9 van het reglement van orde, met als opschrift „Immuniteitsprocedures”, bepaalde: „1. Elk tot de voorzitter [van het Parlement] gericht verzoek door een daartoe bevoegde autoriteit van een lidstaat om de immuniteit van een lid op te heffen, of door een lid of een voormalig lid om de voorrechten en immuniteiten te verdedigen, wordt ter plenaire vergadering meegedeeld en verwezen naar de bevoegde commissie. [...] 13. De commissie formuleert de beginselen voor de toepassing van dit artikel. [...]”
Mededeling nr. 11/2019
6 Punt 6 van de mededeling aan de leden van 19 november 2019 betreffende de beginselen die van toepassing zijn op verzoeken tot opheffing van de immuniteit (hierna: „mededeling nr. 11/2019”), vastgesteld door de Commissie juridische zaken van het Europees Parlement (hierna: „Commissie juridische zaken”), bepaalt: „De [Commissie juridische zaken] benoemt voor elke immuniteitszaak een rapporteur.”
7 Punt 7 van mededeling nr. 11/2019 bepaalt: „Daartoe wijst elke fractie één lid aan als vaste rapporteur voor immuniteitszaken die als coördinator optreedt, zodat immuniteitszaken gegarandeerd door ervaren leden worden behandeld. De fracties dragen er zorg voor dat zij leden van uiterste integriteit als vaste rapporteur benoemen.”
8 Punt 8 van mededeling nr. 11/2019 luidt: „Het rapporteurschap voor immuniteitszaken roteert en wordt op voet van gelijkheid aan de fracties toegewezen. De rapporteur mag evenwel geen lid van dezelfde fractie zijn en mag niet in dezelfde lidstaat verkozen zijn als het lid wiens immuniteit ter discussie staat.”
9 Punt 43 van mededeling nr. 11/2019 luidt: „Indien de vervolging in kwestie geen betrekking heeft op een mening of een stem die een lid in uitoefening van zijn mandaat heeft geuit resp. uitgebracht, dient de immuniteit te worden opgeheven, tenzij blijkt dat met de vervolging wordt beoogd schade toe te brengen aan de politieke activiteit van een lid en dus aan de onafhankelijkheid van het Parlement (fumus persecutionis).”
Voorgeschiedenis van het geding
10 De voorgeschiedenis van het geding is door het Gerecht uiteengezet in de punten 2 tot en met 19 van het bestreden arrest en kan ten behoeve van het onderhavige arrest als volgt worden samengevat.
11 Puigdemont i Casamajó was president van de Generalitat de Cataluña (regionale regering van Catalonië, Spanje) en Comín i Oliveres en Ponsatí i Obiols waren lid van de Gobierno autonómico de Cataluña (autonome regering van Catalonië, Spanje) toen Ley 19/2017 del Parlamento de Cataluña, reguladora del referéndum de autodeterminación (wet 19/2017 van het parlement van Catalonië houdende regeling van het referendum over zelfbeschikking) van 6 september 2017 (DOGC nr. 7449A van 6 september 2017, blz. 1) en Ley 20/2017 del Parlamento de Cataluña, de transitoriedad jurídica y fundacional de la República (wet 20/2017 van het parlement van Catalonië inzake de juridische overgang naar en stichting van de Republiek Catalonië) van 8 september 2017 (DOGC nr. 7451A van 8 september 2017, blz. 1) werden vastgesteld en op 1 oktober 2017 het referendum over zelfbeschikking plaatsvond. In dat referendum was voorzien in de eerstgenoemde wet, waarvan de bepalingen intussen bij een beslissing van de Tribunal Constitucional (grondwettelijk hof, Spanje) waren opgeschort.
12 Nadat deze wetten waren vastgesteld en dit referendum was gehouden hebben de Ministerio Fiscal (openbaar ministerie, Spanje), de Abogado del Estado (landsadvocaat, Spanje) en de politieke partij VOX een strafrechtelijke procedure ingeleid tegen een aantal personen, onder wie rekwiranten, omdat zij van mening waren dat deze personen feiten hadden gepleegd die, afhankelijk van de betrokken personen, onder meer konden worden gekwalificeerd als rebellie, opruiing en verduistering van overheidsgelden (hierna: „betrokken strafrechtelijke procedure”).
13 Op 21 maart 2018 heeft de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) rekwiranten in staat van beschuldiging gesteld wegens de vermeende strafbare feiten rebellie en verduistering van overheidsgelden. Bij beschikking van 9 juli 2018 heeft de Tribunal Supremo verklaard dat rekwiranten na hun vertrek uit Spanje hadden geweigerd te verschijnen en de betrokken strafrechtelijke procedure geschorst totdat zij zouden zijn opgespoord.
14 Rekwiranten hebben zich kandidaat gesteld bij de verkiezingen voor het Europees Parlement die in Spanje op 26 mei 2019 zijn gehouden.
15 Op 14 oktober 2019 heeft de onderzoeksrechter van de strafkamer van de Tribunal Supremo een nationaal aanhoudingsbevel, een Europees aanhoudingsbevel en een internationaal aanhoudingsbevel tegen Puigdemont i Casamajó uitgevaardigd om hem in het kader van de betrokken strafrechtelijke procedure te kunnen berechten. Op 4 november 2019 heeft deze rechter soortgelijke aanhoudingsbevelen uitgevaardigd tegen Comín i Oliveres en tegen Ponsatí i Obiols.
16 Tijdens de plenaire vergadering van 13 januari 2020 heeft het Parlement, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2019, Junqueras Vies (C‑502/19, EU:C:2019:1115), nota genomen van de verkiezing van Puigdemont i Casamajó en Comín i Oliveres tot leden van het Parlement met ingang van 2 juli 2019.
17 Op 13 januari 2020 heeft de president van de Tribunal Supremo het Parlement in kennis gesteld van een verzoek van 10 januari 2020, dat hem was toegezonden via de president van de strafkamer van de Tribunal Supremo en dat voortvloeide uit een beschikking van dezelfde dag van de onderzoeksrechter van die kamer, betreffende de opheffing van de immuniteit van Puigdemont i Casamajó en Comín i Oliveres.
18 Op 10 februari 2020 heeft het Parlement, na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie op 31 januari 2020, nota genomen van de verkiezing van Ponsatí i Obiols met ingang van 1 februari 2020.
19 Op 10 februari 2020 heeft de president van de Tribunal Supremo het Parlement in kennis gesteld van het verzoek van 4 februari 2020, dat hem was toegezonden via de president van de strafkamer van de Tribunal Supremo en dat voortvloeide uit een beschikking van dezelfde dag van de onderzoeksrechter van die kamer, betreffende de opheffing van de immuniteit van Ponsatí i Obiols.
20 De vicevoorzitter van het Parlement heeft in de plenaire vergadering kennisgegeven van de in de punten 17 en 19 van het onderhavige arrest genoemde verzoeken tot opheffing van de immuniteit en deze verzoeken doorverwezen naar de Commissie juridische zaken.
21 Op 23 februari 2021 heeft de Commissie juridische zaken de verslagen A 9‑0020/2021, A 9‑0021/2021 en A 9‑0022/2021 betreffende deze verzoeken vastgesteld.
22 Bij de litigieuze besluiten heeft het Parlement die verzoeken ingewilligd.
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
23 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 mei 2021, hebben rekwiranten een beroep tot nietigverklaring van de litigieuze besluiten ingesteld.
24 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 26 mei 2021, hebben rekwiranten krachtens de artikelen 278 en 279 VWEU een verzoek in kort geding ingediend strekkende tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de litigieuze besluiten.
25 Bij beschikking van 2 juni 2021, Puigdemont i Casamajó e.a./Parlement (T‑272/21 R), heeft de vicepresident van het Gerecht de opschorting van de tenuitvoerlegging van de litigieuze besluiten tot de datum van de beschikking waardoor een einde komt aan de kortgedingprocedure gelast. Bij beschikking van 30 juli 2021, Puigdemont i Casamajó e.a./Parlement (T‑272/21 R, EU:T:2021:497), heeft de vicepresident van het Gerecht het in het vorige punt vermelde verzoek in kort geding afgewezen en de beschikking van 2 juni 2021 ingetrokken.
26 Bij beschikking van 24 mei 2022, Puigdemont i Casamajó e.a./Parlement en Spanje [C‑629/21 P(R), EU:C:2022:413], heeft de vicepresident van het Hof de beschikking van 30 juli 2021, Puigdemont i Casamajó e.a./Parlement (T‑272/21 R, EU:T:2021:497), vernietigd, de opschorting van de tenuitvoerlegging van de litigieuze besluiten gelast en de beslissing omtrent de kosten van de procedure in eerste aanleg van rekwiranten aangehouden.
27 Ter ondersteuning van hun beroep hadden rekwiranten acht middelen aangevoerd.
28 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep verworpen, na afwijzing van achtereenvolgens – het eerste middel, ontleend aan ontoereikende motivering van de bestreden besluiten; – het tweede middel, ontleend aan de onbevoegdheid van de nationale autoriteit die de verzoeken tot opheffing van de immuniteit van rekwiranten heeft geformuleerd en aan het Parlement heeft toegezonden; – het vijfde middel, ontleend aan schending van de beginselen van rechtszekerheid en loyale samenwerking, van het recht op effectieve rechterlijke bescherming en van de rechten van de verdediging omdat de bestreden besluiten niet voldoende duidelijk zijn; – het zesde middel, voor zover het was ontleend aan schending van artikel 343 VWEU, van artikel 9 van Protocol nr. 7, van artikel 5, lid 2, van het reglement van orde en van bepaalde grondrechten van rekwiranten; – het zesde middel, voor zover het was ontleend aan onjuiste opvatting van de feiten en het recht bij het onderzoek door het Parlement van fumus persecutionis, en het zevende middel, ontleend aan schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en gelijke behandeling en aan kennelijke fouten van het Parlement bij zijn beoordeling van fumus persecutionis; – het achtste middel, ontleend aan schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en gelijke behandeling, voor zover het Parlement geweigerd had artikel 9, lid 7, van het reglement van orde toe te passen; – het vierde middel, in wezen ontleend aan schending van het recht om te worden gehoord, en, – het derde middel, ontleend aan schending van het beginsel van onpartijdigheid.
Conclusies van partijen in hogere voorziening
29 Met hun hogere voorziening verzoeken rekwiranten het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – de litigieuze besluiten nietig te verklaren of, subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, en – het Parlement en het Koninkrijk Spanje te verwijzen in de kosten of, subsidiair, de beslissing omtrent de kosten aan te houden.
30 Het Parlement en het Koninkrijk Spanje verzoeken het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – rekwiranten te verwijzen in de kosten.
Hogere voorziening
31 Ter ondersteuning van hun hogere voorziening voeren rekwiranten tien middelen aan: – eerste middel: onjuiste rechtsopvatting door het Gerecht doordat het de eerste grond voor nietigverklaring heeft afgewezen omdat de in artikel 296 VWEU en artikel 41, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) neergelegde motiveringsverplichting in de litigieuze besluiten wel zou zijn nagekomen; – tweede middel: onjuiste rechtsopvatting door het Gerecht doordat het de tweede grond voor nietigverklaring heeft afgewezen door te oordelen dat het overeenkomstig het arrest van 19 december 2018, Berlusconi en Fininvest (C‑219/17, EU:C:2018:1023), niet aan het Gerecht is – net zo min als aan het Parlement – om de rechtmatigheid van het verzoek tot opheffing van de immuniteit te toetsen, met name de ontvankelijkheid ervan; – derde middel: onjuiste rechtsopvatting door het Gerecht doordat het heeft overwogen dat hun recht op een onpartijdige en billijke behandeling van hun zaken door het Parlement niet was geschonden; – vierde middel: onjuiste rechtsopvatting door het Gerecht doordat het heeft geoordeeld dat het Parlement hun in artikel 41, lid 2, van het Handvest neergelegde recht om te worden gehoord niet had geschonden; – vijfde middel: onjuiste rechtsopvatting door het Gerecht doordat het de vijfde grond voor nietigverklaring, ontleend aan schending van het rechtszekerheidsbeginsel als gevolg van onduidelijkheid van de litigieuze besluiten, heeft afgewezen; – zesde middel: onjuiste rechtsopvattingen door het Gerecht doordat het de zesde grond voor nietigverklaring, ontleend aan schending van de immuniteiten bedoeld in artikel 343 VWEU en artikel 9 van Protocol nr. 7, gelezen in samenhang met artikel 6, artikel 39, lid 2, en artikel 45 van het Handvest alsook artikel 5, lid 2, van het reglement van orde, heeft afgewezen, en doordat het de zevende grond voor nietigverklaring, ontleend aan schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en gelijke behandeling, heeft afgewezen; – zevende middel: onjuiste rechtsopvatting door het Gerecht doordat het bewijsstukken onjuist heeft opgevat door de achtste grond voor nietigverklaring af te wijzen; deze grond had betrekking op eerdere besluiten van het Parlement waaruit blijkt dat het Parlement de immuniteit van zijn leden niet opheft in gevallen waarin het risico bestaat dat een lid zonder veroordeling wordt aangehouden en in het kader van zijn beoordeling van de toepassing van artikel 9, lid 7, van het reglement van orde; – achtste middel: schending door het Gerecht van artikel 47 van het Handvest, in het licht van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, alsmede artikel 296 VWEU en de artikelen 36 en 53 van het Statuut van het Hof van Justitie, aangezien het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het het bestreden arrest niet toereikend en adequaat heeft gemotiveerd; – negende middel: schending door het Gerecht van artikel 47 van het Handvest, uitgelegd in het licht van de artikelen 6 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, door te weigeren de gevraagde maatregelen tot organisatie van de procesgang en maatregelen van instructie te nemen, en – tiende middel: onjuiste rechtsopvatting door het Gerecht doordat het niet ambtshalve heeft getoetst of nog op het beroep tot nietigverklaring moest worden beslist, in het licht van met name de beschikking van 12 januari 2023 van de onderzoeksrechter van de Tribunal Supremo, en schending van het rechtszekerheidsbeginsel.
32 Het derde middel bestaat uit vier onderdelen.
33 Met het eerste onderdeel van het derde middel betogen rekwiranten dat het Gerecht in de punten 234 tot en met 238 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat de benoeming van één enkele rapporteur voor de drie zaken tot opheffing van de parlementaire immuniteit noch in strijd was met artikel 41, lid 1, en artikel 39, lid 2, van het Handvest, noch met de punten 6 en 8 van mededeling nr. 11/2019.
34 Met het tweede onderdeel van het derde middel betogen rekwiranten dat het Gerecht in de punten 239 tot en met 257 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en het bewijs onjuist heeft opgevat door te oordelen dat hun argument inzake het gebrek aan onpartijdigheid van de rapporteur ongegrond was, en artikel 41, lid 1, en artikel 39, lid 2, van het Handvest en de uit punt 8 van mededeling nr. 11/2019 voortvloeiende beginselen heeft geschonden.
35 Met het derde onderdeel van het derde middel betogen rekwiranten dat het Gerecht in de punten 258 tot en met 262 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en het bewijs onjuist heeft opgevat door te oordelen dat hun argument inzake het gebrek aan onpartijdigheid van de voorzitter van de Commissie juridische zaken ongegrond was.
36 Met het vierde onderdeel van het derde middel betogen rekwiranten dat het Gerecht, door het vierde onderdeel van het derde middel van het beroep tot nietigverklaring onjuist uit te leggen en af te wijzen, in de punten 219 en 262 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en een onjuiste redenering heeft gevolgd, het recht op effectieve rechterlijke bescherming en de rechten van de verdediging heeft geschonden en zijn motiveringsplicht niet is nagekomen.
37 Het Hof acht het opportuun het tweede onderdeel van het derde middel te onderzoeken.
Argumenten van partijen
38 Ter inleiding van hun derde middel merken rekwiranten op dat de „politieke” aard van de litigieuze besluiten, zoals ze door het Gerecht zijn gekwalificeerd, enkel kan worden opgevat als gevolg van de „politieke aard” van het Parlement, die niet verschilt van die van de Raad van de Europese Unie of de Europese Commissie, waarbij het gaat om politieke instellingen. Volgens rekwiranten was het Parlement dus verplicht om artikel 41, lid 1, en artikel 39, lid 2, van het Handvest ten volle in acht te nemen.
39 Het tweede onderdeel van het derde middel bestaat uit vijf grieven.
40 Met hun eerste grief betogen rekwiranten dat het Gerecht in de punten 244 tot en met 246 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de omstandigheid dat de rapporteur die belast was met het onderzoek van de verzoeken tot opheffing van de immuniteit, behoorde tot dezelfde fractie als de afgevaardigden van de nationale politieke partij die de actio popularis in de betrokken strafrechtelijke procedure heeft uitgeoefend en zodoende aan de basis ligt van de vervolging in die procedure (hierna: „politieke partij die aan de basis ligt van de betrokken strafrechtelijke procedure”), niet in strijd was met artikel 41, lid 1, van het Handvest, gelezen in het licht van punt 8 van mededeling nr. 11/2019.
41 In dat verband herinneren rekwiranten eraan dat het door artikel 41, lid 1, van het Handvest opgelegde vereiste van onpartijdigheid subjectieve en objectieve onpartijdigheid omvat.
42 Zij voeren aan dat het Parlement, gelet op de bewoordingen van punt 8 van mededeling nr. 11/2019 en anders dan het Gerecht in punt 244 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, zelf van mening was dat het behoren tot een bepaalde fractie van deze instelling van invloed is op de beoordeling van de onpartijdigheid van de rapporteur. Uit dat punt 8 komt duidelijk naar voren dat het Parlement meent dat de omstandigheid dat een rapporteur tot dezelfde fractie behoort als het lid op wie het verzoek tot opheffing van de immuniteit betrekking heeft, objectief gezien legitieme twijfels doet rijzen over de onpartijdigheid van die rapporteur. Anders dan het Gerecht in de punten 245 en 246 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, geldt volgens rekwiranten hetzelfde indien de rapporteur lid is van de fractie waartoe de afgevaardigden behoren van de politieke partij die aan de basis ligt van de betrokken strafrechtelijke procedure.
43 Bovendien heeft het Gerecht in punt 246 van het bestreden arrest blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de opmerkingen van rekwiranten onjuist uitgelegd door te overwegen dat zij hadden beweerd dat politieke affiniteit de enige reden is om te weigeren dat een lid van de fractie waartoe de afgevaardigden van die partij behoren, als rapporteur optreedt. Volgens rekwiranten kunnen leden van verschillende fracties een politieke gezindheid delen. Bijgevolg kunnen het argument dat de rapporteur geen lid mag zijn van de fractie waartoe de afgevaardigden van die partij behoren en het argument dat een persoon niet rapporteur kan zijn enkel en alleen omdat hij een politieke gezindheid met die fractie deelt, niet op één lijn worden gesteld.
44 Met de tweede grief stellen rekwiranten dat het Gerecht in de punten 247 tot en met 251 van het bestreden arrest heeft geweigerd te erkennen dat de omstandigheid dat de rapporteur een evenement heeft georganiseerd dat op 6 maart 2019 in de gebouwen van het Parlement heeft plaatsgevonden (hierna: „evenement van 6 maart 2019”) en tijdens welke een spreker de slogan „Puigdemont naar de gevangenis!” heeft geroepen, aantoont dat hij partijdig was of op zijn minst legitieme twijfel heeft gewekt over zijn onpartijdigheid. Volgens rekwiranten is het dienaangaande van geen belang dat deze rapporteur zijn steun niet mondeling heeft uitgedrukt, zoals het Gerecht in punt 250 van het bestreden arrest onderstreept, maar door voor die interventie te applaudisseren.
45 In de eerste plaats voeren zij aan dat het Gerecht in de punten 249 en 250 van het bestreden arrest bewijselementen onjuist heeft opgevat en aldus blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door geen rekening te houden met het feit dat de rapporteur dat evenement niet alleen had georganiseerd maar ook aan de sprekerstafel zat en de genoemde interventie uitdrukkelijk heeft gesteund door ervoor te applaudisseren.
46 In de tweede plaats voeren rekwiranten aan dat het Gerecht in punt 251 van het bestreden arrest de bewijselementen ook onjuist heeft opgevat door te overwegen dat dit evenement, gelet op de titel ervan, enkel „de politieke situatie in Catalonië” als thema had, terwijl meer dan de helft van de toespraak van de spreker ging over de strafrechtelijke procedures die in Spanje tegen hen waren ingeleid.
47 In de derde plaats beweren zij dat het Gerecht in dat punt 251 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het heeft gesuggereerd dat het gebrek aan onpartijdigheid van de rapporteur enkel pertinent zou zijn geweest ingeval het Parlement gehouden was geweest te bepalen of de hun ten laste gelegde feiten waren bewezen.
48 Met hun derde grief stellen rekwiranten dat het Gerecht in de punten 253 en 254 van het bestreden arrest ten eerste artikel 85, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering en, gelet op artikel 41, lid 1, en artikel 39, lid 2, van het Handvest, het recht op effectieve rechterlijke bescherming en de rechten van de verdediging heeft geschonden, en ten tweede zijn motiveringsplicht niet is nagekomen doordat het een bewijsstuk, namelijk een interview met de rapporteur in een Bulgaarse krant, niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond dat rekwiranten de vertraging waarmee zij dat hebben overgelegd, niet hebben gerechtvaardigd.
49 Met de vierde grief voeren zij aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat met de in punt 255 van het bestreden arrest genoemde elementen, die door het Gerecht zijn verdraaid, en de andere eerder ingeroepen elementen niet kan worden aangetoond dat de rapporteur niet onpartijdig is.
50 Met de vijfde grief verwijten rekwiranten het Gerecht dat het in punt 256 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te verklaren dat zij geen enkel persoonlijk belang van de rapporteur hadden ingeroepen waardoor zijn onpartijdigheid zou kunnen worden aangetast. Hoe dan ook volstaat het ontbreken van objectieve onpartijdigheid volgens hen om vast te stellen dat in casu artikel 41, lid 1, en artikel 39, lid 2, van het Handvest zijn geschonden.
51 In hun repliek benadrukken rekwiranten dat hun betoog inzake het gebrek aan onpartijdigheid van de rapporteur niet was gebaseerd op louter politieke oppositie jegens hen, maar op de zeer bijzondere situatie die eruit voortvloeide dat een politieke partij waarvan de leden in het Parlement behoorden tot dezelfde fractie als de rapporteur, rechtstreeks betrokken was bij de strafprocedure tegen rekwiranten.
52 Dat levert niet alleen een situatie op die objectief vergelijkbaar is met de situatie in punt 8 van mededeling nr. 11/2019, maar het is ook evident dat de rapporteur door de belangenverstrengeling die eruit voortvloeit dat hij tot dezelfde fractie behoort als de afgevaardigden van die politieke partij, elke schijn van onpartijdigheid ontbeert.
53 Wat voorts het evenement van 6 maart 2019 betreft, was de ingekorte weergave van de feiten door het Gerecht, waarin zelfs het echte thema en de aard van dit evenement ontbrak, bedoeld om dit evenement als neutraal te doen voorkomen.
54 Het Parlement bestrijdt het betoog van rekwiranten in het tweede onderdeel van het derde middel.
55 In zijn memorie van antwoord betwist het Parlement in de eerste plaats de argumenten van rekwiranten waarmee zij de overwegingen van het Gerecht over de politieke aard van de litigieuze besluiten in de punten 243 tot en met 246 van het bestreden arrest in twijfel trekken.
56 Volgens het Parlement is het betoog van rekwiranten tegen punt 244 van het bestreden arrest ongegrond. De situatie in punt 8 van mededeling nr. 11/2019 kan namelijk niet worden vergeleken met de situatie waarin de rapporteur behoort tot een fractie die op politiek gebied tegenover het lid staat op wie het verzoek tot opheffing van de immuniteit betrekking heeft. Zoals het Gerecht in de punten 225 en 226 van het bestreden arrest heeft vermeld, betoogt het Parlement dat besluiten op verzoeken tot opheffing van de immuniteit van politieke aard zijn en de leden die deel uitmaken van de Commissie juridische zaken per definitie niet neutraal zijn. Indien enkel de politiek neutrale leden van deze commissie als rapporteur kunnen worden aangewezen, zou deze commissie niet meer kunnen functioneren. Omdat rekwiranten met hun zaak in de openbaarheid zijn getreden, kan namelijk worden verondersteld dat alle leden van deze commissie in hun zaak een (positief of negatief) politiek standpunt hebben ingenomen.
57 Voorts meent het Parlement dat het onnauwkeurige betoog van rekwiranten met betrekking tot punt 246 van het bestreden arrest, waarmee zij stellen dat hun grief niet alleen was gebaseerd op politieke affiniteit, maar ook op de economische, financiële en strategische belangen die de leden van een fractie delen, niet-ontvankelijk is. Dat betoog is hoe dan ook ongegrond, want rekwiranten hebben in eerste aanleg enkel vermeld dat de rapporteur lid was van de fractie waartoe de leden van de politieke partij VOX behoren.
58 In de tweede plaats betwist het Parlement de argumenten waarmee de overwegingen van het Gerecht met betrekking tot het evenement van 6 maart 2019, uiteengezet in de punten 247 tot en met 251 van het bestreden arrest, in twijfel worden getrokken.
59 Vooraf benadrukt het Parlement dat dit evenement heeft plaatsgevonden tijdens een andere zittingsperiode, nog voordat de rapporteur kon weten dat hij bij de verkiezingen van 2019 zou worden verkozen tot lid van het Parlement, en in elk geval lang voordat hij werd benoemd tot rapporteur voor de betrokken verzoeken tot opheffing van de immuniteit.
60 Ten eerste voert het Parlement aan dat het betoog van rekwiranten met betrekking tot de punten 249 en 250 van het bestreden arrest, waarmee zij stellen dat het Gerecht bewijselementen onjuist heeft opgevat, niet-ontvankelijk is omdat rekwiranten in wezen verzoeken om een nieuwe beoordeling van de feiten. Dit betoog is volgens het Parlement hoe dan ook ongegrond want de secretaris-generaal van de politieke partij VOX heeft zijn toespraak afgerond met de woorden „Viva España, viva Europa y Puigdemont a prisión” (leve Spanje, leve Europa en Puigdemont naar de gevangenis), zoals het Gerecht heeft opgemerkt, en niets in de opname van het evenement van 6 maart 2019 wijst erop dat de rapporteur specifiek voor de laatste drie woorden van die toespraak zijn waardering heeft laten blijken. Uit de opname blijkt veeleer dat het ging om de gebruikelijke beleefdheid tegenover een spreker na afloop van een interventie.
61 Ten tweede stelt het Parlement dat de overweging van het Gerecht in punt 250 van het bestreden arrest dat de rapporteur tijdens dat evenement niet heeft gesproken, niet irrelevant is.
62 Ten derde berust het betoog van rekwiranten dat het Gerecht in punt 251 van het bestreden arrest bewijselementen onjuist heeft opgevat door te beweren dat het thema van het evenement van 6 maart 2019„de politieke situatie in Catalonië” was, op een onjuiste lezing van het arrest, want het Gerecht heeft geenszins uitgesloten dat dat thema ook de betrokken strafrechtelijke procedure omvatte. Bovendien heeft het Gerecht volgens het Parlement de opname van dat evenement niet onjuist weergegeven door het thema ervan beknopt te omschrijven. Hoe dan ook, dit betoog is niet-ontvankelijk, want rekwiranten verzoeken daarmee om een nieuwe beoordeling van de feiten.
63 Ten vierde voert het Parlement aan dat de argumenten waarmee rekwiranten de derde en vierde volzin van punt 251 van het bestreden arrest ter discussie stellen, niet ter zake doen, want de overwegingen daarin zijn subsidiair uiteengezet. Deze argumenten moeten hoe dan ook worden afgewezen. Om te beginnen berust het argument van rekwiranten dat het Gerecht relevante criteria voor de beoordeling van fumus persecutionis heeft miskend, volgens het Parlement op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Vervolgens heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in die derde en vierde volzin in wezen te onderstrepen dat de thema’s die tijdens het evenement van 6 maart 2019 zijn besproken, geen betrekking hadden op de vraag waarover het Parlement in het kader van een procedure voor de opheffing van de immuniteit moet beslissen. Ten slotte betoogt het Parlement dat het argument van rekwiranten dat de rapporteur met zijn applaus blijk heeft gegeven van waardering voor de boodschap dat de litigieuze besluiten, de Europese aanhoudingsbevelen en de signaleringen in het Schengeninformatiesysteem, in hun geheel beschouwd, hen blootstelden aan een hoog risico van aanhouding, niet-ontvankelijk is, aangezien rekwiranten het Hof in wezen verzoeken om een feitelijke vaststelling. Dit argument is hoe dan ook ongegrond, aangezien de rapporteur niet heeft geapplaudisseerd voor deze boodschap.
64 In de derde plaats verzet het Parlement zich tegen de argumenten waarmee rekwiranten de overwegingen van het Gerecht in de punten 252 tot en met 255 van het bestreden arrest over andere gebeurtenissen betwisten. Ten eerste verzet het zich tegen het argument van rekwiranten dat het Gerecht artikel 85, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering heeft geschonden en zijn motiveringsplicht niet is nagekomen door hun argumenten gebaseerd op een interview met de rapporteur in een Bulgaarse krant niet-ontvankelijk te verklaren. Ten tweede betwist het Parlement het argument van rekwiranten dat het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de bewijselementen onjuist heeft opgevat door vast te stellen dat de reacties van de politieke partij VOX op de litigieuze besluiten niet aantoonden dat de rapporteur niet onpartijdig was.
65 In de vierde plaats betwist het Parlement de argumenten waarmee rekwiranten de overwegingen van het Gerecht in punt 256 van het bestreden arrest over het ontbreken van belangenverstrengeling bij de rapporteur ter discussie stellen. De bewering van rekwiranten dat het Gerecht heeft overwogen dat partijdigheid enkel uit verklaringen kan blijken, berust op een onjuiste lezing van punt 256. Daarnaast is het argument van rekwiranten over een persoonlijk belang van de rapporteur waardoor zijn onpartijdigheid zou kunnen worden aangetast, niet onderbouwd en dus niet-ontvankelijk. Volgens het Parlement is dit argument hoe dan ook ongegrond.
66 In dupliek betoogt het Parlement in de eerste plaats dat rekwiranten weliswaar gewag maken van de zaak die de politieke partij VOX bij de Spaanse rechterlijke instanties tegen hen heeft ingeleid, maar geenszins aangeven hoe de handelingen van die partij kunnen worden verweten aan de fractie waartoe de rapporteur behoort. Aangezien er binnen deze fractie leden waren die de zaak van rekwiranten steunden en anderen die daartegen gekant waren, biedt het enkele feit dat de rapporteur tot die fractie behoorde, geen steun voor de stelling dat die rapporteur niet onpartijdig was.
67 In de tweede plaats betoogt het Parlement dat het Gerecht het thema van het evenement van 6 maart 2019 niet onjuist heeft opgevat. Het benadrukt dat de titel van de opname van dat evenement, waarnaar rekwiranten in de bijlagen bij hun verzoekschrift in eerste aanleg verwijzen, weliswaar „Cataluña es España” (Catalonië is Spanje) was, maar dat het thema van de bijeenkomst, in het kader waarvan de secretaris-generaal van de politieke partij VOX heeft gesproken, de rol van de natiestaten in de Europese Unie en de verdediging van de burgerlijke vrijheden was. Het Parlement zet verder uiteen dat de Europese aanhoudingsbevelen waarvan de secretaris-generaal van deze partij tijdens zijn interventie melding heeft gemaakt, niet de Europese aanhoudingsbevelen waren die waren uitgevaardigd nadat rekwiranten tot lid van het Parlement waren verkozen.
68 Het Koninkrijk Spanje bestrijdt het betoog van rekwiranten in het tweede onderdeel van het derde middel.
69 Vooraf onderstreept het Koninkrijk Spanje dat het Parlement in het kader van de procedure voor de behandeling van een verzoek tot opheffing van de immuniteit artikel 39 en artikel 41, lid 1, van het Handvest in acht moet nemen, wat bij de vaststelling van de litigieuze besluiten is gebeurd.
70 In de eerste plaats betoogt het Koninkrijk Spanje dat de argumenten van rekwiranten die betrekking hebben op een vermeende onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van punt 8 van mededeling nr. 11/2019, gelezen in samenhang met artikel 41 van het Handvest, niet kunnen afdoen aan de motivering in de punten 245 en 246 van het bestreden arrest, die bestaat in een conclusie op basis van de niet-betwiste punten 242 tot en met 244 van dat arrest. In die punten 242 tot en met 244 heeft het Gerecht uitgelegd dat het loutere feit dat een persoon behoort tot een fractie niet van invloed is op de onpartijdigheid van die persoon.
71 In de tweede plaats merkt het Koninkrijk Spanje op dat rekwiranten weliswaar stellen dat het Gerecht in de punten 249 tot en met 251 van het bestreden arrest de feiten onjuist heeft opgevat, maar dat hun argumenten niet van dien aard zijn dat vast is komen te staan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van die feiten.
72 In de derde plaats ziet het argument van rekwiranten over een vermeende onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht aan het einde van punt 251 van het bestreden arrest op een overweging ten overvloede.
73 In de vierde plaats is het betoog van rekwiranten waarmee zij het Gerecht verwijten dat het het recht onjuist heeft opgevat door te overwegen dat een stuk dat was overgelegd in het kader van hun memorie van repliek niet-ontvankelijk was, volgens het Koninkrijk Spanje onvoldoende nauwkeurig en moet het worden afgewezen.
Beoordeling door het Hof
Opmerkingen vooraf
74 Artikel 343, eerste volzin, VWEU bepaalt dat de Unie overeenkomstig de bepalingen van Protocol nr. 7 op het grondgebied van de lidstaten de voorrechten en immuniteiten geniet die nodig zijn ter vervulling van haar taak.
75 Dat protocol strekt ertoe de instellingen van de Unie volledig en doeltreffend te beschermen tegen belemmeringen van hun goede werking en onafhankelijkheid of tegen risico’s op aantasting daarvan (zie in die zin arrest van 19 december 2019, Junqueras Vies, C‑502/19, EU:C:2019:1115, punt 82).
76 In het geval van het Parlement impliceert deze doelstelling niet alleen dat de samenstelling ervan overeenkomstig het beginsel van de representatieve democratie, dat de in artikel 2 VEU genoemde en in artikel 14, lid 3, VEU ten uitvoer gelegde waarde van de democratie concretiseert, een getrouwe en volledige weerspiegeling moet vormen van de vrije keuze van de burgers van de Unie voor de personen door wie zij tijdens een bepaalde zittingsperiode wensen te worden vertegenwoordigd, maar ook dat het Parlement bij de uitoefening van zijn werkzaamheden overeenkomstig het beginsel van de scheiding der machten moet worden beschermd tegen belemmeringen, of gevaar voor aantasting, van zijn goede werking. Om deze twee redenen beogen de immuniteiten van de leden van het Parlement de onafhankelijkheid van deze instelling te waarborgen (zie in die zin arrest van 19 december 2019, Junqueras Vies, C‑502/19, EU:C:2019:1115, punten 63, 83 en 84).
77 Die doelstelling van de immuniteiten voor de leden van het Parlement wordt ook genoemd in artikel 5 van het reglement van orde. In lid 1 bepaalt dat artikel dat de leden de voorrechten en immuniteiten genieten die in Protocol nr. 7 zijn bedoeld en in lid 2 dat het Parlement zich bij de uitoefening van zijn bevoegdheden met betrekking tot voorrechten en immuniteiten inzet voor de handhaving van zijn integriteit als democratische wetgevende vergadering en de waarborging van de onafhankelijkheid van zijn leden bij de uitvoering van hun taken, en dat de parlementaire immuniteit geen persoonlijk voorrecht van de leden is, maar een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden.
78 Krachtens artikel 9, derde alinea, van Protocol nr. 7 heeft het Parlement het recht de immuniteit van een van zijn leden op te heffen. De procedure voor de opheffing van de immuniteit vindt dus plaats binnen het Parlement. Hoewel deze procedure door politici wordt gevoerd, zijn de procedure en het besluit van het Parlement om de immuniteit op te heffen niet politiek van aard, zoals het Gerecht in de punten 112, 225 en 242 van het bestreden arrest heeft verklaard, maar juridisch.
79 Aangezien het besluit om de immuniteit op te heffen onder de bevoegdheid van het Parlement valt, beschikt dat over een ruime beoordelingsbevoegdheid om te beslissen over de regels die van toepassing zijn bij de behandeling van verzoeken tot opheffing van de immuniteit. Deze regels worden derhalve vastgesteld en toegepast door leden van het Parlement, die behoren tot fracties binnen dat Parlement.
80 Overeenkomstig de waarden van de rechtsstaat en de eerbiediging van de rechten van de mens die in artikel 2 VEU worden genoemd, is het Parlement echter gehouden bij de behandeling van een verzoek tot opheffing van de immuniteit de juridische regels en beginselen die op deze immuniteit van toepassing zijn alsmede het Handvest, waarvan de bepalingen gericht zijn tot het Parlement als één van de in artikel 51, lid 1, ervan genoemde instellingen, in acht te nemen. De uitoefening door het betrokken lid van zijn mandaat – dat het belangrijkste kenmerk van de hoedanigheid van lid van het Parlement is en voortvloeit uit zijn verkiezing door middel van de door het Unierecht voorgeschreven rechtstreekse, vrije en geheime algemene verkiezingen (arrest van 19 december 2019, Junqueras Vies, C‑502/19, EU:C:2019:1115, punt 65) – kan door een besluit tot opheffing van de immuniteit worden doorkruist. Daaruit volgt dat verzoeken tot opheffing van de immuniteit, die het mandaat van het betrokken lid kunnen ondergraven maar ook de goede werking van het Parlement als geheel kunnen belemmeren, zoals in punt 76 van het onderhavige arrest is opgemerkt, moeten worden onderzocht in het licht van de rechten van het betrokken individu en de beginselen van representatieve democratie en scheiding der machten, en niet naargelang politieke affiniteiten.
81 In het licht van deze overwegingen moeten de eerste en de tweede grief van rekwiranten worden onderzocht. Met die grieven verwijten zij het Gerecht in wezen dat het artikel 41, lid 1, van het Handvest heeft geschonden in respectievelijk de punten 244 tot en met 246 en de punten 247 tot en met 251 van het bestreden arrest, door te oordelen dat hun argument inzake het gebrek aan onpartijdigheid van de rapporteur die binnen de Commissie juridische zaken belast was met de behandeling van de verzoeken tot opheffing van hun betreffende immuniteit, ongegrond was.
Eerste grief
82 In punt 244 van het bestreden arrest heeft het Gerecht in wezen geoordeeld dat de onpartijdigheid van een rapporteur, die optreedt in de fase van het onderzoek van een verzoek tot opheffing van de immuniteit door een parlementaire commissie, in beginsel niet kan worden beoordeeld aan de hand van zijn politieke ideologie of van een vergelijking daarvan met die van het lid op wie het verzoek tot opheffing van de immuniteit betrekking heeft. Het Gerecht heeft om te beginnen geoordeeld dat de omstandigheid dat de rapporteur behoort tot een nationale politieke partij of van een binnen het Parlement opgerichte fractie, ongeacht de waarden en ideeën daarvan, in beginsel niet van invloed was op de beoordeling van de onpartijdigheid van de rapporteur, zelfs in de veronderstelling dat daaruit bepaalde gevoeligheden naar voren kunnen komen die a priori ongunstig zijn voor de situatie van dat lid. Op basis van zijn rechtspraak heeft het Gerecht geoordeeld dat het verschil in politieke ideologie tussen die rapporteur en dat lid op zich niet kon afdoen aan de regelmatigheid van de procedure voor de vaststelling van de litigieuze besluiten.
83 Vervolgens heeft het Gerecht in punt 245 van dat arrest geoordeeld dat de omstandigheid dat de rapporteur behoort tot de Europese fractie van de Europese Conservatieven en Hervormers (ECH) in casu in beginsel geen invloed had op de beoordeling van zijn onpartijdigheid.
84 Tot slot heeft het Gerecht in punt 246 van dat arrest nader overwogen dat ook de afgevaardigden van de politieke partij VOX, die zich ten aanzien van rekwiranten in een zeer bijzondere situatie bevond omdat zij aan de basis lag van de betrokken strafrechtelijke procedure, tot deze fractie behoorden. Volgens het Gerecht betrof deze bijzondere situatie echter de afgevaardigden die lid waren van de politieke partij VOX en kon zij in beginsel niet tot alle leden van de ECH-fractie worden uitgebreid enkel en alleen omdat zij dezelfde politieke gezindheid hadden aangezien zij tot dezelfde fractie behoorden.
85 Zoals het Gerecht in de punten 225 en 226 van het bestreden arrest heeft benadrukt, moet de procedure die kan leiden tot de vaststelling van een besluit tot opheffing van de immuniteit verenigbaar zijn met het in artikel 41, lid 1, van het Handvest verankerde recht op behoorlijk bestuur.
86 Dat lid bepaalt dat eenieder er recht op heeft dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld. Dat recht, dat aan iedereen is toegekend, geldt derhalve ook voor alle leden van het Parlement jegens wie om opheffing van de immuniteit is verzocht.
87 Het vereiste van onpartijdigheid is tweeledig: enerzijds de subjectieve onpartijdigheid, dat wil zeggen dat geen van de met de zaak belaste medewerkers van de betrokken instelling blijk mag geven van partijdigheid of persoonlijke vooringenomenheid, en anderzijds de objectieve onpartijdigheid, die inhoudt dat de betrokken instelling voldoende waarborgen moet bieden om elke legitieme twijfel omtrent een eventuele vooringenomenheid uit te sluiten (zie in die zin arrest van 20 december 2017, Spanje/Raad, C‑521/15, EU:C:2017:982, punt 91).
88 In het kader van de uitoefening van zijn in punt 79 van het onderhavige arrest genoemde ruime beoordelingsbevoegdheid kan het Parlement regels vaststellen om de bescherming tegen het risico van partijdigheid, die uit hoofde van artikel 41 van het Handvest vereist is, nader af te bakenen.
89 In artikel 6 van het reglement van orde is bijvoorbeeld voorgeschreven dat een verzoek om opheffing van de immuniteit wordt beoordeeld overeenkomstig Protocol nr. 7 en de beginselen in artikel 5, lid 2, van dat reglement van orde.
90 Artikel 9 van dat reglement van orde bepaalt in de leden 1 en 13 nader dat elk tot de voorzitter van het Parlement gericht verzoek door een daartoe bevoegde autoriteit van een lidstaat om de immuniteit van een lid op te heffen ter plenaire vergadering wordt meegedeeld en wordt verwezen naar de bevoegde commissie, die de beginselen voor de toepassing van artikel 9 formuleert.
91 Zo heeft de Commissie juridische zaken, die is aangewezen om verzoeken tot opheffing van de immuniteit te behandelen, mededeling nr. 11/2019 vastgesteld, die van toepassing was op het moment van de feiten van de zaak, waarin de op die verzoeken toepasselijke regeling is neergelegd.
92 In deze mededeling zijn regels neergelegd voor het onderzoek ten gronde van een verzoek tot opheffing van de immuniteit. In punt 43 van deze mededeling is in wezen bepaald dat indien het verzoek betrekking heeft op de opheffing van de immuniteit bedoeld in artikel 9 van dat protocol, dient die te worden opgeheven, tenzij blijkt dat met de vervolging wordt beoogd schade toe te brengen aan de politieke activiteit van een lid en dus aan de onafhankelijkheid van het Parlement (fumus persecutionis).
93 Daarnaast zijn procedurele regels voor de behandeling van verzoeken tot opheffing van de immuniteit vastgesteld.
94 Om de beginnen benoemt de Commissie juridische zaken volgens punt 6 van mededeling nr. 11/2019 voor elke immuniteitszaak een rapporteur.
95 Vervolgens schrijft punt 7 van deze mededeling voor dat elke fractie daartoe één lid dat bekendstaat als uiterst integer, aanwijst als vaste rapporteur voor immuniteitszaken.
96 Ten slotte wordt het rapporteurschap in geval van immuniteitszaken uit hoofde van punt 8 van die mededeling bij toerbeurt aan de fracties toegewezen, die daarbij op voet van gelijkheid worden behandeld. De rapporteur mag niet tot dezelfde fractie behoren en mag niet in dezelfde lidstaat zijn verkozen als het lid wiens immuniteit ter discussie staat.
97 Uit punt 8 van mededeling nr. 11/2019 blijkt dat het Parlement heeft gemeend dat een rapporteur die behoort tot dezelfde fractie als het lid wiens immuniteit ter discussie staat, het verzoek tot opheffing van de immuniteit niet mag behandelen. Deze benadering is dus gebaseerd op de overweging dat de rapporteur en het lid, omdat zij tot eenzelfde fractie behoren, een zekere affiniteit kunnen hebben, met name op politiek gebied, zodat legitieme twijfel over een eventuele vooringenomenheid van die rapporteur ten gunste van dat lid in de zin van de in punt 87 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak niet kan worden uitgesloten. Het Parlement heeft het dus noodzakelijk geacht gebruik te maken van zijn ruime beoordelingsbevoegdheid om een regel op te stellen die belet dat de rapporteur tot een bepaalde fractie behoort om zodoende de onpartijdigheid van de rapporteur te garanderen, zoals artikel 41, lid 1, van het Handvest vereist.
98 Om artikel 41, lid 1, van het Handvest in acht te nemen is een samenhangende toepassing nodig van de waarborgen die door de betrokken instelling zijn ingericht om elke gerechtvaardigde twijfel over de partijdigheid te voorkomen en ervoor te zorgen dat verzoeken tot opheffing van de immuniteit billijk worden behandeld.
99 Voor een dergelijke toepassing moet het in punt 8 van mededeling nr. 11/2019 geconcretiseerde vereiste van onpartijdigheid ook aldus worden toegepast dat een rapporteur die behoort tot een andere fractie dan het lid wiens immuniteit in het geding is, de indruk maakt objectief onpartijdig te zijn.
100 Gelet op de doelstellingen van de aan de leden van het Parlement toegekende immuniteiten, die in de punten 75 tot en met 77 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht, betekent dat vereiste van onpartijdigheid van de rapporteur namelijk dat dit lid geen legitieme twijfel mag kunnen koesteren over het feit dat de rapporteur die dat verzoek moet behandelen, zich niet laat leiden door overwegingen die hem beletten zijn functie van voorbereiding van het besluit van het Parlement betreffende het eventuele bestaan van fumus persecutionis, zoals bedoeld in punt 92 van het onderhavige arrest, objectief te vervullen.
101 Hoewel politieke opvattingen van een rapporteur die tegengesteld zijn aan die van het lid wiens immuniteit ter discussie staat, op zich niet betekenen dat deze rapporteur niet onpartijdig is, geldt dat niet indien de rapporteur tot dezelfde fractie behoort waartoe ook de leden behoren van een politieke partij die aan de basis ligt van de strafprocedure tegen dat lid naar aanleiding waarvan het verzoek is ingediend, een partij die een bijzonder belang heeft bij de uitkomst van deze procedure.
102 Zoals in punt 97 van het onderhavige arrest is aangegeven, kan toebehoren van een lid tot een bepaalde fractie volgens de regel van punt 8 van mededeling nr. 11/2019 gevolgen hebben voor de mogelijkheid om deze persoon te benoemen tot rapporteur voor het onderzoek van een bepaald verzoek tot opheffing van de immuniteit. Er kan niet worden verondersteld dat het in deze regel ten uitvoer gelegde vereiste van onpartijdigheid slechts geldt wanneer de rapporteur behoort tot dezelfde fractie als het lid op wie een dergelijk verzoek betrekking heeft, en niet in alle situaties waarin die rapporteur tot een andere fractie behoort.
103 Hieruit volgt dat het Parlement, aangezien het in punt 8 van mededeling nr. 11/2019 de regel heeft opgenomen dat in het voor de benoeming van de rapporteur toegepaste toerbeurtsysteem een rapporteur die lid is van de fractie waartoe het lid behoort op wie een verzoek tot opheffing van de immuniteit betrekking heeft, niet in aanmerking komt, met het oog op de eerbiediging van artikel 41, lid 1, van het Handvest ook een rapporteur buiten toerbeurt moet laten die lid is van een fractie waartoe leden behoren van de politieke partij die aan de basis ligt van de strafprocedure tegen dat parlementslid naar aanleiding waarvan het verzoek is ingediend, een partij die een bijzonder belang heeft bij de uitkomst van die procedure. Een dergelijke rapporteur kan namelijk worden gezien als niet onpartijdig in de zin van de in punt 87 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.
104 In dat verband kan niet worden ingestemd met het argument van het Parlement dat de banden tussen zijn leden, die afkomstig zijn van verschillende nationale politieke partijen en die zich hebben samengevoegd om een fractie in het Parlement te vormen, niet voldoende nauw zijn om afbreuk te kunnen doen aan de objectieve onpartijdigheid van een lid van die fractie dat de functie van rapporteur moet vervullen en belast is met het onderzoek van een verzoek tot opheffing van de immuniteit ten aanzien van een ander lid van die fractie. Dat argument wordt namelijk weerlegd door de omstandigheid dat het Parlement zelf met de vaststelling van punt 8 van mededeling nr. 11/2019 heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat een rapporteur behoort tot dezelfde fractie als het lid van het Parlement wiens immuniteit ter discussie staat, onverenigbaar is met de objectieve onpartijdigheid van die rapporteur.
105 Indien binnen de Commissie juridische zaken een rapporteur wordt benoemd voor de behandeling van een verzoek tot opheffing van de immuniteit, biedt een rapporteur die lid is van een fractie waartoe leden behoren van een politieke partij die aan de basis ligt van de strafrechtelijke procedure tegen dat lid naar aanleiding waarvan het verzoek is ingediend, in een situatie zoals beschreven in de punten 101 en 103 van het onderhavige arrest derhalve geen afdoende waarborgen op grond waarvan elke legitieme twijfel van het lid op wie het verzoek betrekking heeft over een eventuele vooringenomenheid jegens hem kan worden uitgesloten, en kan deze persoon dus niet worden beschouwd als onpartijdig volgens de standaard die door het Parlement zelf, met gebruikmaking van zijn ruime beoordelingsbevoegdheid bedoeld in punt 97 van het onderhavige arrest, is vastgesteld. Indien een dergelijke rapporteur wordt benoemd, moet dat worden beschouwd als een schending van artikel 41, lid 1, van het Handvest.
106 Gelet op een en ander moet worden geoordeeld dat de punten 245 en 246 van het bestreden arrest blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het Gerecht heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat een rapporteur die is benoemd om een verzoek tot opheffing van de immuniteit van een lid te onderzoeken, behoort tot dezelfde fractie als leden die afkomstig zijn van een politieke partij die aan de basis ligt van de strafprocedure tegen dat lid naar aanleiding waarvan het verzoek is ingediend, niet van invloed was op de beoordeling van de onpartijdigheid van die rapporteur en, in wezen, dat een lid van die fractie dus als rapporteur kon worden benoemd.
107 Derhalve moet de eerste grief van het tweede onderdeel van het derde middel worden aanvaard.
Tweede grief
108 In punt 249 van het bestreden arrest heeft het Gerecht opgemerkt dat vaststond dat de rapporteur in het kader van zijn functies als lid van het Parlement het evenement van 6 maart 2019 had georganiseerd, te weten een toespraak van de secretaris-generaal van de politieke partij VOX over het onderwerp „Catalonië is Spanje”, een toespraak die was afgesloten met de woorden „Leve Spanje, leve Europa en Puigdemont naar de gevangenis”.
109 In punt 250 van dat arrest heeft het Gerecht opgemerkt dat uit de opname van dit evenement blijkt dat de rapporteur aan de sprekerstafel zat, naast twee andere leden van het Parlement en die secretaris-generaal, maar dat alleen die secretaris-generaal het woord heeft genomen.
110 In punt 251 van dat arrest heeft het Gerecht overwogen dat de organisatie van een dergelijk evenement, met name gelet op het thema ervan, kon worden beschouwd als een uiting van steun van de rapporteur aan de door de politieke partij VOX verdedigde ideeën wat betreft met name de politieke situatie in Catalonië en van verzet tegen de politieke ideeën waar rekwiranten voor staan.
111 Bovendien heeft het Gerecht in punt 251 van het bestreden arrest overwogen dat de feiten die rekwiranten in het kader van de betrokken strafrechtelijke procedure ten laste worden gelegd, weliswaar betrekking hebben op de politieke situatie in Catalonië, in die zin dat zij betrekking hebben op de vaststelling van de in punt 11 van het onderhavige arrest genoemde wetten en op het in datzelfde punt genoemde referendum over zelfbeschikking, maar dat het feit dat het lid dat later de rapporteur belast met de immuniteitsdossiers van rekwiranten zou worden, zijn standpunt over die situatie kenbaar heeft gemaakt, om de in de punten 244 en 246 van het bestreden arrest uiteengezette redenen niet volstaat om te kunnen spreken van een schending van het beginsel van onpartijdigheid.
112 De door het Gerecht in de punten 249 en 250 van het bestreden arrest vastgestelde feiten waren relevant voor de beoordeling of de opstelling van de rapporteur die was benoemd om de verzoeken tot opheffing van de immuniteit van rekwiranten te onderzoeken, in casu afbreuk kon doen aan het vereiste van onpartijdigheid, aangezien deze feiten, anders dan het Parlement stelt, kunnen worden geacht blijk te geven van vooringenomenheid, ook al hebben zij zich voorgedaan voordat die rapporteur kon weten dat hij bij de verkiezingen van 2019 zou worden verkozen, voordat die verzoeken bij het Parlement aanhangig zijn gemaakt en voordat het betrokken lid in het kader van het toerbeurtstelsel tussen de fracties werd benoemd tot rapporteur voor de behandeling van die verzoeken. Het was namelijk van belang rekening te houden met die feiten om te beoordelen of hij als rapporteur voor de behandeling van die verzoeken kon worden benoemd.
113 In dat verband moet worden opgemerkt dat het Gerecht in punt 251 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat het van weinig belang was dat de rapporteur zijn waardering had geuit voor het standpunt van de politieke partij VOX over de situatie in Catalonië en dat het, ter onderbouwing van zijn conclusie dat het beginsel van onpartijdigheid door de organisatie van het evenement van 6 maart 2019 niet was geschonden, heeft verwezen naar de punten 244 en 246 van het bestreden arrest. Zoals in punt 106 van het onderhavige arrest is geoordeeld, wordt in punt 246 van het bestreden arrest blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts ging de overweging van het Gerecht onder verwijzing naar 244 van dat arrest dat het van weinig belang was dat de rapporteur zijn waardering had laten blijken voor dat standpunt, niet in op het betoog van rekwiranten, dat geen betrekking had op de mening van de toekomstige rapporteur over de situatie in Catalonië maar op zijn actieve steun voor de politieke partij die aan de basis lag van de betrokken strafrechtelijke procedure.
114 Zoals naar voren komt uit de chronologie van de voorgeschiedenis van het geding die het Gerecht in het bestreden arrest heeft beschreven, in het bijzonder samengevat in de punten 11 tot en met 13 van het onderhavige arrest, was de betrokken strafrechtelijke procedure ten tijde van het evenement van 6 maart 2019 al ingeleid, mede op initiatief van deze politieke partij. De organisatie van dit evenement door de later tot rapporteur benoemde persoon was dus niet alleen een aanwijzing voor steun voor de politieke ideeën van die partij over de situatie in Catalonië, maar ook voor een standpunt ten gunste van de strafrechtelijke vervolging van rekwiranten. Door dit aspect in zijn analyse buiten beschouwing te laten heeft het Gerecht geen rekening gehouden met een element dat bijzonder relevant was voor de beoordeling of de organisator van dat evenement later, zonder afbreuk te doen aan het vereiste van onpartijdigheid, kon worden benoemd tot rapporteur in de procedure voor de behandeling van de verzoeken tot opheffing van de immuniteit naar aanleiding van die strafrechtelijke vervolging.
115 Uit de voorgaande overwegingen volgt dat de juridische kwalificatie van de feiten in punt 251 van het bestreden arrest onjuist is, aangezien het Gerecht op basis van met name punt 246 van dat arrest (waarin het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting) en zonder naar behoren rekening te houden met de chronologie van de voorgeschiedenis van het geding, heeft geoordeeld dat de persoon die later tot rapporteur is benoemd door de organisatie van het evenement van 6 maart 2019 niet ongeschikt was geworden om als rapporteur op te treden en deze organisatie dus niet kon worden aangemerkt als een schending van het vereiste van onpartijdigheid in de zin van artikel 41, lid 1, van het Handvest.
116 In die omstandigheden moet ook de tweede grief van het tweede onderdeel van het derde middel worden aanvaard.
117 Aangezien de onjuiste rechtsopvattingen die in de punten 106 en 115 van dit arrest zijn vastgesteld, de vernietiging van het bestreden arrest kunnen meebrengen, moet de hogere voorziening worden toegewezen zonder dat de andere grieven van het tweede onderdeel van het derde middel van de hogere voorziening en de andere middelen ervan hoeven te worden onderzocht.
Beroep bij het Gerecht
118 Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, tweede volzin, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.
119 In casu is het Hof van oordeel dat het de onderhavige zaak zelf dient af te doen. De zaak is in staat van wijzen, aangezien het beroep tot nietigverklaring dat rekwiranten bij het Gerecht hadden ingesteld, was gebaseerd op middelen waarover voor het Gerecht de standpunten zijn uitgewisseld en waarvan het onderzoek niet vereist dat enige extra maatregel tot organisatie van de procesgang of van instructie van het dossier wordt vastgesteld (zie in die zin arrest van 8 september 2020, Commissie en Raad/Carreras Sequeros e.a., C‑119/19 P en C‑126/19 P, EU:C:2020:676, punt 130).
120 Zoals in punt 28 van het onderhavige arrest is opgemerkt, hebben rekwiranten ter ondersteuning van hun beroep voor het Gerecht acht middelen aangevoerd.
121 Het derde middel van dat beroep, dat uit drie onderdelen bestond, was ontleend aan schending van het recht van rekwiranten op een onpartijdige en billijke behandeling van hun zaken overeenkomstig artikel 41, lid 1, van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 296, tweede alinea, VWEU en artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest.
122 Met het tweede onderdeel van het derde middel van hun beroep stelden rekwiranten dat het Parlement artikel 41, lid 1, en artikel 39, lid 2, van het Handvest heeft geschonden en een wezenlijk vormvoorschrift heeft geschonden door een partijdige rapporteur aan te wijzen.
123 Met hun eerste grief voerden zij aan dat het gebrek aan onpartijdigheid van die rapporteur voortvloeit uit de omstandigheid dat hij behoorde tot een fractie waarvan ook de leden van het Parlement uit de politieke partij VOX deel uitmaakten, een partij die gekant was tegen rekwiranten en aan de basis lag van de betrokken strafrechtelijke procedure.
124 Met hun tweede grief stelden zij dat dit gebrek aan onpartijdigheid blijkt uit het feit dat die rapporteur samen met deze politieke partij het evenement van 6 maart 2019 heeft georganiseerd, in het kader waarvan hij steun heeft betuigd voor de slogan „Puigdemont naar de gevangenis” door voor deze interventie te applaudisseren.
125 Het Parlement, ondersteund door het Koninkrijk Spanje, betwist het betoog van rekwiranten. Ten eerste voert het aan dat geen enkele regel en geen enkel beginsel eraan in de weg staat dat een rapporteur behoort tot een fractie waarvan ook leden van een nationale partij deel uitmaken met politieke doelstellingen die tegengesteld zijn aan die van het parlementslid op wie een verzoek tot opheffing van de immuniteit betrekking heeft. Het Parlement merkt op dat tot een fractie behoren eigen is aan de politieke aard van het Parlement en de besluiten op een dergelijk verzoek en onderstreept dat de fracties van het Parlement heterogeen zijn. Ten tweede voert het aan dat de argumenten van rekwiranten over de opstelling van de betrokken rapporteur, gesteld dat zij ontvankelijk zijn, hoe dan ook niet volstaan om de onpartijdigheid van de rapporteur in twijfel te trekken.
126 Zoals in de punten 86 en 87 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, houdt het in artikel 41, lid 1, van het Handvest neergelegde recht op behoorlijk bestuur in dat eenieder er recht op heeft dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld. Dit vereiste van onpartijdigheid bestaat uit een subjectieve en een objectieve component.
127 Zoals in punt 79 van het onderhavige arrest is uiteengezet, beschikt het Parlement over een ruime beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de behandeling van verzoeken tot opheffing van de immuniteit, wat inhoudt dat het bevoegd is om de procedurele voorschriften vast te stellen die van toepassing zijn wanneer het moet beslissen op dergelijke verzoeken.
128 In het kader van de uitoefening van zijn ruime beoordelingsbevoegdheid heeft de Commissie juridische zaken van het Parlement mededeling nr. 11/2019 vastgesteld, waarin de beginselen zijn neergelegd die van toepassing zijn op de behandeling van een verzoek tot opheffing van de immuniteit door die commissie. Daaronder zijn de beginselen in punt 8 van deze mededeling voor de benoeming van de rapporteur voor het onderzoek van een dergelijk verzoek volgens een rotatiesysteem tussen de fracties op voet van gelijkheid.
129 In casu staat vast dat de rapporteur die belast is met het onderzoek van de verzoeken tot opheffing van de immuniteit van rekwiranten lid was van de fractie waartoe leden van de politieke partij behoorden die aan de basis van de betrokken strafrechtelijke procedure lag.
130 Om de in de punten 97 tot en met 105 en 114 van het onderhavige arrest uiteengezette redenen moet worden vastgesteld dat deze rapporteur niet voldoende waarborgen bood om elke legitieme twijfel bij rekwiranten over een eventuele vooringenomenheid ten nadele van hen uit te sluiten en dus niet kon worden geacht te voldoen aan het vereiste van onpartijdigheid. De benoeming van die rapporteur moet dus worden beschouwd als een schending van artikel 41, lid 1, van het Handvest.
131 Daaruit volgt dat deze benoeming een gebrek is dat kleeft aan de procedure voor de vaststelling van de verslagen in de Commissie juridische zaken. Bijgevolg vertonen de procedures tot vaststelling van de litigieuze besluiten zelf een formeel gebrek.
132 Volgens vaste rechtspraak levert de niet-inachtneming van de procedureregels voor de vaststelling van een bezwarende handeling een schending van wezenlijke vormvoorschriften in de zin van artikel 263, tweede alinea, VWEU op, zodat de Unierechter, indien hij vaststelt dat de bestreden handeling niet op regelmatige wijze is vastgesteld, daaraan de consequenties moet verbinden die voortvloeien uit de schending van een wezenlijk vormvoorschrift, en die handeling dus nietig moet verklaren (arrest van 14 maart 2024, D & A Pharma/Commissie en EMA, C‑291/22 P, EU:C:2024:228, punt 158 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Aangezien de litigieuze besluiten in casu zijn vastgesteld op grond van verslagen van de Commissie juridische zaken die nietig hadden moeten worden verklaard, zijn deze besluiten zelf nietig.
133 Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het derde middel van het beroep gegrond worden verklaard en dienen de litigieuze besluiten nietig te worden verklaard overeenkomstig de conclusies in die zin die door rekwiranten voor het Gerecht zijn geformuleerd, zonder dat de andere onderdelen van het derde middel en de andere middelen van het beroep hoeven te worden onderzocht.
Kosten
134 Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening gegrond is en het de zaak zelf afdoet.
135 Ingevolge artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen voor zover dit is gevorderd.
136 Aangezien het Parlement in casu zowel in de procedure bij het Gerecht als in de procedure in hogere voorziening in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vorderingen van rekwiranten te worden verwezen in zijn eigen kosten en in die van rekwiranten in verband met deze procedures.
137 Voorts kan het Hof overeenkomstig artikel 184, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, beslissen dat een partij die in eerste aanleg heeft geïntervenieerd en aan de schriftelijke of mondelinge behandeling van de hogere voorziening heeft deelgenomen, maar niet zelf de hogere voorziening heeft ingesteld, haar eigen kosten draagt. In casu dient te worden beslist dat het Koninkrijk Spanje, dat in eerste aanleg heeft geïntervenieerd en aan de schriftelijke behandeling in het kader van de hogere voorziening heeft deelgenomen, zijn eigen kosten draagt.
Het Hof (Derde kamer) verklaart:
1) Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 5 juli 2023, Puigdemont i Casamajó e.a./Parlement (T‑272/21, EU:T:2023:373), wordt vernietigd.
2) De besluiten P9_TA(2021)0059, P9_TA(2021)0060 en P9_TA(2021)0061 van het Europees Parlement van 9 maart 2021 worden nietig verklaard.
3) Het Europees Parlement draagt zijn eigen kosten in de procedure bij het Gerecht van de Europese Unie en in de procedure in hogere voorziening, evenals de kosten die Carles Puigdemont i Casamajó, Antoni Comín i Oliveres en Clara Ponsatí i Obiols in die twee procedures hebben gemaakt.
4) Het Koninkrijk Spanje draagt zijn eigen kosten in verband met zowel de procedure bij het Gerecht van de Europese Unie als de procedure in hogere voorziening.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 14 maart 2024, C-291/22, ECLI:EU:C:2024:228
- Gerecht EU 5 juli 2023, T-272/21, ECLI:EU:T:2023:373
- HvJ EU 8 september 2020, C-119/19, ECLI:EU:C:2020:676
- HvJ EU 19 december 2019, C-502/19, ECLI:EU:C:2019:1115
- HvJ EU 19 december 2018, C-219/17, ECLI:EU:C:2018:1023
- HvJ EU 20 december 2017, C-521/15, ECLI:EU:C:2017:982