HvJ EU 30 april 2026, C-30/25, ECLI:EU:C:2026:359

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

30 april 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie – Artikel 10 – Leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) – Opheffing van de immuniteit – Lid wiens immuniteit is opgeheven in het kader van een gerechtelijke procedure wegens strafbare feiten – Benoeming in het kader van een nieuwe zittingsperiode – Geen noodzaak van een nieuwe opheffing van de immuniteit voor dezelfde feiten”

In zaak C‑30/25,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal de première instance francophone de Bruxelles (Franstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, België) bij beslissing van 7 januari 2025, ingekomen bij het Hof op 13 januari 2025, in de strafrechtelijke procedure tegen

FR,

in tegenwoordigheid van:

Arbeidsauditeur,

ZT,

GQ,

KH,

AN,

FU,

Europees Economisch en Sociaal Comité,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, O. Spineanu-Matei, S. Rodin, N. Piçarra en N. Fenger (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: L. Medina,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– FR, vertegenwoordigd door M. Aboudi en M. Casado García-Hirschfeld, avocats,

– de arbeidsauditeur, vertegenwoordigd door M. Laurent, substituut van de arbeidsauditeur,

– ZT, vertegenwoordigd door N. de Montigny, avocate,

– GQ, KH, AN, FU, vertegenwoordigd door V. Bodson en L. Levi, avocats,

– Europees Economisch en Sociaal Comité, vertegenwoordigd door L. Camarena Januzec, K. Gambino en M. Pascua Mateo als gemachtigden,

– de Belgische regering, vertegenwoordigd door P. Cottin, L. Jans en C. Pochet als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Heller en S. Pardo Quintillán als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 februari 2026,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 10 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie (PB 2016, C 202, blz. 266, hierna: „Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafrechtelijke procedure die is ingesteld tegen FR, een lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC), wegens daden van geweld of pesterijen op het werk die hij zou hebben gepleegd tegen ZT, GQ, KH, AN en FU.

Toepasselijke bepalingen

VWEU

3 Volgens artikel 300, lid 4, VWEU zijn „[d]e leden van het Economisch en Sociaal Comité en van het Comité van de Regio’s […] niet gebonden door enig imperatief mandaat. Zij oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit in het algemeen belang van de [Europese] Unie”.

4 Artikel 343 VWEU bepaalt: „De Unie geniet, overeenkomstig de bepalingen van het Protocol […] betreffende de voorrechten en immuniteiten […], op het grondgebied van de lidstaten de voorrechten en immuniteiten welke nodig zijn ter vervulling van haar taak. Ditzelfde geldt voor de Europese Centrale Banken en de Europese Investeringsbank.”

Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten

5 Artikel 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten bepaalt: „Tijdens de zittingsduur van het Europees Parlement genieten de leden: a) op hun eigen grondgebied, de immuniteiten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend, b) op het grondgebied van elke andere lidstaat, vrijstelling van aanhouding en gerechtelijke vervolging in welke vorm ook. De immuniteit beschermt hen eveneens, wanneer zij zich naar de plaats van de bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren. […]”

6 Artikel 10 van dit protocol is als volgt geformuleerd: „De aan de werkzaamheden van de instellingen van de Unie deelnemende vertegenwoordigers der lidstaten, alsmede hun raadslieden en de deskundigen, genieten gedurende de uitoefening van hun ambt en op hun reizen naar en van de plaats van bijeenkomst de gebruikelijke voorrechten, immuniteiten en faciliteiten. Dit artikel is eveneens van toepassing op de leden der raadgevende organen van de Unie.”

Statuut van de leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité

7 Het statuut van de leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité van januari 2012 dat onder meer is vastgesteld op grond van het reglement van orde van dit raadgevend orgaan bepaalde in artikel 9, met het opschrift „Recht op bescherming en immuniteit in de uitoefening van het ambt”: „[…] 3. Immuniteit 3.1. Beperkingen van de persoonlijke vrijheid van leden die direct of indirect verband houden met de uitoefening van hun ambt zijn alleen geoorloofd na voorafgaande instemming van het Comité, tenzij leden op heterdaad betrapt worden. […] 4. Procedures voor de opheffing van de immuniteit 4.1. Ieder door een bevoegde autoriteit van een lidstaat tot de voorzitter gericht verzoek tot opheffing van de immuniteit van een lid wordt doorgegeven aan het bureau. […] 6. Plichten van het Comité en de voorzitter 6.1. Het Comité let er bij de uitoefening van zijn bevoegdheden betreffende voorrechten en immuniteiten in de eerste plaats op dat zijn integriteit als democratisch adviesorgaan niet wordt aangetast en dat de onafhankelijkheid van de leden bij de uitoefening van hun taken gewaarborgd is. […]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

8 Op 6 december 2018 heeft het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) een onderzoek ingeleid tegen FR, die sinds 1 mei 2004 lid is van het EESC, betreffende aantijgingen van strafbare gedragingen die hij zou hebben gepleegd tegen personeelsleden van dit raadgevend orgaan.

9 Op 10 januari 2020 heeft OLAF zijn onderzoeksverslag toegezonden aan het openbaar ministerie (België). Dit verslag gaat in op de ongeoorloofde gedragingen en de pesterijen van FR jegens onder meer GQ, KH, AN en FU.

10 In de periode waarin de gestelde strafbare gedragingen zouden zijn gesteld, genoot FR als lid van het EESC immuniteit krachtens artikel 343 VWEU en artikel 10 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten.

11 Na de mededeling van het onderzoek van OLAF heeft het arbeidsauditoraat op 4 juni 2020 het EESC verzocht om de immuniteit van FR op te heffen.

12 Bij besluit van 15 juli 2020 heeft de plenaire vergadering van het EESC met instemming van FR de immuniteit van deze laatste opgeheven. Dit besluit geldt voor de gehele procedure die is gebaseerd op het onderzoek van OLAF en voor de daaruit voortvloeiende gerechtelijke vervolging wegens de strafbare feiten die beweerdelijk tijdens de ambtstermijn zijn gepleegd in de periode tussen oktober 2015 en september 2020.

13 Op 21 september 2020 is er een nieuwe zittingsperiode van start gegaan, en FR is voor een nieuwe ambtstermijn van vijf jaar tot lid benoemd.

14 Bij dagvaarding, op 20 maart 2024 aan FR betekend, heeft het Arbeidsauditoraat deze laatste gedagvaard voor de tribunal de première instance francophone de Bruxelles (Franstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, België), de verwijzende rechter, wegens het plegen van daden van geweld of pesterijen op het werk tegen ZT, GQ, KH, AN en FU. De ten laste gelegde feiten zouden hebben plaatsgevonden tussen 1 januari 2011 en 17 juli 2020.

15 FR heeft aangevoerd dat hij een nieuw mandaat heeft waarvoor opnieuw de immuniteit van artikel 10 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten geldt, en dat het arbeidsauditoraat derhalve na zijn herbenoeming opnieuw de opheffing van zijn immuniteit had moeten vragen en verkrijgen.

16 De verwijzende rechter geeft aan dat het betoog van FR enige steun zou kunnen vinden in het arrest van 19 december 2019, Junqueras Vies (C‑502/19, EU:C:2019:1115), waarin het Hof heeft geoordeeld dat het met betrekking tot artikel 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten noodzakelijk was om te verzoeken om opheffing van de immuniteit van een in het Europees Parlement gekozen persoon teneinde hem in voorlopige hechtenis te kunnen houden, wanneer het begin van de voorlopige hechtenis en de daaraan ten grondslag liggende feiten voorafgingen aan de betrokken verkiezing en dus aan het mandaat dat de betrokkene zijn immuniteit verleende, wat er volgens hem op lijkt te wijzen dat bij een nieuw mandaat opnieuw om opheffing van de immuniteit moet worden verzocht om de vervolging te kunnen voortzetten.

17 Deze rechter merkt evenwel op dat het in dat arrest niet zoals in casu ging om een vertegenwoordiger van een lidstaat, waarop artikel 10 van dit protocol van toepassing is, maar om een lid van het Europees Parlement, waarop artikel 9 van dat protocol van toepassing is.

18 In deze omstandigheden heeft de tribunal de première instance francophone de Bruxelles de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld: „Teneinde de Europese instellingen en hun leden in staat te stellen hun taken en mandaten volledig onafhankelijk uit te voeren, zonder dwang of onnodige druk, vereist artikel 10 van [het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten] dat de immuniteit van een vertegenwoordiger van de lidstaten die werkzaamheden bij de instellingen van de Unie verricht, wordt opgeheven voordat een strafrechter hem kan vervolgen. Moet bij de betrokken Europese instelling een nieuw verzoek tot opheffing van de immuniteit worden ingediend wanneer de betrokkene na de eerste opheffing van de immuniteit en tijdens het onderzoek, maar vóór de aanvang van de gerechtelijke procedure, in het kader van een nieuwe zittingsperiode is benoemd voor een nieuwe ambtstermijn binnen dezelfde Europese instelling?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

19 De verwijzende rechter wenst met zijn vraag in essentie te vernemen of artikel 10 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten aldus moet worden uitgelegd dat wanneer het EESC de immuniteit van een van zijn leden heeft opgeheven wegens bepaalde strafbare feiten, op grond dat die opheffing niet strijdig was met het belang van de Unie, het noodzakelijk is om dit raadgevend orgaan opnieuw om opheffing van de immuniteit te verzoeken wanneer de betrokkene in het kader van een nieuwe zittingsperiode is benoemd voor een nieuwe ambtstermijn binnen dat raadgevend orgaan.

20 In de eerste plaats bepaalt artikel 343 VWEU dat de Unie, onder de in het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten vastgestelde voorwaarden, op het grondgebied van de lidstaten de voorrechten en immuniteiten geniet die nodig zijn ter vervulling van haar taak.

21 Voorts volgt uit de verwijzing, in de tweede alinea van artikel 10 van dit protocol, naar de eerste alinea van dit artikel dat de leden van een raadgevend orgaan van de Unie als het EESC, gedurende de uitoefening van hun ambt en op hun reizen naar en van de plaats van bijeenkomst de gebruikelijke voorrechten, immuniteiten en faciliteiten genieten.

22 De in artikel 10, eerste alinea, van dat protocol genoemde „gebruikelijke immuniteiten”, waarmee wordt verwezen naar de immuniteiten van het op 18 april 1961 te Wenen gesloten Verdrag inzake diplomatiek verkeer, die aan diplomaten worden verleend om de effectieve uitvoering van de taken van diplomatieke en consulaire zendingen in de woonstaat te waarborgen, beschermen echter de vertegenwoordigers van de lidstaten die deelnemen aan de werkzaamheden van de Unie (arrest van 30 november 2021, LR Ģenerālprokuratūra, C‑3/20, EU:C:2021:969, punt 43).

23 Uit artikel 300, lid 4, VWEU volgt echter dat de leden van het EESC niet gebonden zijn door enig imperatief mandaat en hun ambt volkomen onafhankelijk uitoefenen in het algemeen belang van de Unie.

24 Zoals de advocaat-generaal in punt 46 van haar conclusie heeft benadrukt, zijn de leden van het EESC dus geen vertegenwoordigers van de lidstaten, en treden zij op in onafhankelijkheid daarvan.

25 Hieruit volgt dat de verwijzing, in artikel 10, tweede alinea, van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten, naar de in de in de eerste alinea van dit artikel genoemde gebruikelijke immuniteiten, niet kan betekenen dat de krachtens artikel 10, tweede alinea, aan de leden van het EESC verleende immuniteit van dezelfde aard is als de immuniteit die artikel 10, eerste alinea, verleent aan de vertegenwoordigers van de lidstaten die deelnemen aan de werkzaamheden van de Unie.

26 In de tweede plaats volgt uit de door het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten nagestreefde doelstelling dat de voorrechten, immuniteiten en faciliteiten die dit protocol aan de Unie toekent in die zin een functioneel karakter hebben dat zij ertoe strekken te voorkomen dat de Unie in haar werking en onafhankelijkheid wordt belemmerd, wat met name impliceert dat de voorrechten, immuniteiten en faciliteiten van de leden van het EESC hun uitsluitend in het belang van de Unie worden verleend [zie naar analogie arresten van 30 november 2021, LR Ģenerālprokuratūra, C‑3/20, EU:C:2021:969, punt 57, en 5 februari 2026, Puigdemont i Casamajó e.a./Parlement (Opheffing van de parlementaire immuniteit), C‑572/23 P, EU:C:2026:70, punten 75‑77].

27 Hieruit volgt dat een lid van het EESC bij de uitoefening van zijn ambt de voorrechten, immuniteiten en faciliteiten moet genieten die nodig zijn voor de vervulling van de taken van dit raadgevend orgaan (zie naar analogie arrest van 30 november 2021, LR Ģenerālprokuratūra, C‑3/20, EU:C:2021:969, punt 46).

28 Voorts is het inherent aan de aan de leden van het EESC verleende immuniteit dat deze moet worden opgeheven wanneer het belang van de Unie niet vereist dat de immuniteit van de betrokkene wordt gehandhaafd. Gelet op de verplichting tot loyale samenwerking die de instellingen, organen en instanties van de Unie hebben jegens de lidstaten, moet een verzoek tot opheffing van de immuniteit van een lid van een raadgevend orgaan immers worden ingewilligd tenzij vaststaat dat de belangen van de Unie zich daartegen verzetten (arrest van 30 november 2021, LR Ģenerālprokuratūra, C‑3/20, EU:C:2021:969, punt 74).

29 In dit verband moet worden opgemerkt dat de functionele immuniteit van de leden van het EESC niet absoluut is en in overeenstemming moet worden gebracht met de andere publieke rechten en openbare belangen, met name het beginsel van de rechtsstaat en meer in het bijzonder de noodzaak om de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de opsporing en de berechting van strafbare feiten te waarborgen en te voorkomen dat personen tegen wie strafonderzoeken lopen ongestraft blijven [zie naar analogie arrest van 17 december 2020, Commissie/Slovenië (Archief van de ECB), C‑316/19, EU:C:2020:1030, punt 103].

30 In het onderhavige geval heeft het EESC overeenkomstig artikel 9 van het statuut van de leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité van een bevoegde autoriteit van een lidstaat een verzoek ontvangen om opheffing van de immuniteit van een lid van dit raadgevend orgaan wegens vermeende strafbare feiten, en heeft het bij besluit van 15 juli 2020 dit verzoek ingewilligd.

31 Dit besluit, dat FR niet heeft betwist, impliceert dat het EESC van oordeel was dat de verwijzing van dit lid naar de strafrechter voor die feiten niet strijdig was met het belang van de Unie.

32 Noch uit de Verdragen van de Unie, noch uit het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten, noch uit andere Unierechtelijke instrumenten blijkt dat een besluit tot opheffing van de immuniteit een beperkte geldigheidsduur heeft of niet meer geldig is wanneer een lid van het EESC wiens immuniteit is opgeheven in het kader van een nieuwe zittingsperiode wordt benoemd voor een nieuwe ambtstermijn binnen dit raadgevend orgaan. Bovendien blijkt het besluit tot opheffing van de immuniteit dat in het hoofdgeding aan de orde is zelf evenmin in de tijd beperkt te zijn.

33 Zoals het EESC en de Commissie in hun schriftelijke opmerkingen in essentie betogen kan wanneer het EESC met de opheffing van de immuniteit van een van zijn leden heeft ingestemd en heeft vastgesteld dat de verwijzing van dat lid naar de strafrechter niet in strijd was met het belang van de Unie, aan deze vaststelling niet worden afgedaan door de enkele omstandigheid dat de betrokkene in het kader van een nieuwe zittingsperiode is benoemd voor een nieuwe ambtstermijn binnen het EESC, aangezien het belang dat in aanmerking moet worden genomen als zodanig geen verband houdt met die omstandigheid.

34 In dit verband moet ten eerste worden benadrukt dat het besluit tot opheffing van de immuniteit behoort tot de bevoegdheid van het EESC als orgaan van de Unie en niet tot die van de personen die er op een gegeven moment lid van zijn, en ten tweede dat, zoals blijkt uit de overwegingen hiervoor, bij dit besluit uitsluitend het algemeen belang van de Unie in aanmerking wordt genomen en niet het persoonlijk belang van de leden van het EESC.

35 Een besluit tot opheffing van de immuniteit waarvan de geldigheidsduur niet gekoppeld is aan de duur van de ambtstermijn van het betrokken lid draagt overigens bij tot de doeltreffendheid van strafrechtelijke vervolgingen in de lidstaten, die zelf rechtstreeks de belangen van de Unie kan raken (zie in die zin arrest van 30 november 2021, LR Ģenerālprokuratūra, C‑3/20, EU:C:2021:969, punt 74).

36 In die omstandigheden leidt het feit dat het EESC opnieuw is samengesteld er niet toe dat een reeds genomen besluit tot opheffing van de immuniteit moet worden heroverwogen op de enkele grond dat een van zijn leden is herbenoemd of dat de samenstelling van het EESC is gewijzigd.

37 Aan het voorgaande wordt niet afgedaan door het arrest van 19 december 2019, Junqueras Vies (C‑502/19, EU:C:2019:1115).

38 Dat arrest had immers uitsluitend betrekking op de vraag of een persoon die zich op het moment van de bekendmaking van de uitslag van de verkiezingen voor het Europees Parlement in voorlopige hechtenis bevond, vanaf die bekendmaking immuniteit genoot krachtens artikel 9, tweede alinea, van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten, hetgeen zou hebben geleid tot de opheffing van de hechtenismaatregel, en niet van de parlementaire immuniteit.

39 In casu heeft de verwijzende rechter echter vragen bij de uitlegging van artikel 10 van dit protocol, betreffende de opheffing van de immuniteit van een lid van een raadgevend orgaan, in het kader van de voortzetting van een strafrechtelijk onderzoek wegens feiten waarvoor reeds een opheffing van de immuniteit is verleend rekening houdend met het feit dat de voortzetting van het onderzoek kon leiden tot strafsancties, zonder dat er sprake is van een mogelijke nieuwe dwangmaatregel of van een andere dan die welke tijdens de eerste ambtstermijn aan de orde was.

40 Zoals de advocaat-generaal in de punten 71 tot en met 73 van haar conclusie heeft opgemerkt, kan de immuniteitsregeling voor de leden van het EESC wegens de structurele en functionele verschillen tussen het EESC en het Europees Parlement bovendien niet worden geanalyseerd naar analogie met die waarin artikel 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten voorziet voor de leden van het Europees Parlement, zoals uitgelegd in het arrest van 19 december 2019, Junqueras Vies (C‑502/19, EU:C:2019:1115).

41 Ten slotte zij eraan herinnerd dat het besluit om de immuniteit van FR op te heffen is genomen in het licht van de feiten die het arbeidsauditoraat in zijn verzoek om opheffing van de immuniteit aan het EESC heeft meegedeeld. Bijgevolg was het oordeel van het EESC dat de verwijzing van FR naar de strafrechter niet strijdig was met het belang van de Unie en dat zijn immuniteit dan ook diende te worden opgeheven, gebaseerd op de voorgenomen strafrechtelijke vervolging wegens die enkele feiten. Een dergelijk besluit tot opheffing van de immuniteit zou daarentegen niet kunnen rechtvaardigen dat dit lid van het EESC voor de strafrechter werd gedaagd voor andere tijdens de uitoefening van zijn ambt gepleegde feiten dan die welke in het verzoek om opheffing van zijn immuniteit waren vermeld, wat aan de verwijzende rechter staat om na te gaan.

42 Gelet op al deze overwegingen dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 10 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten, gelezen in samenhang met artikel 343 VWEU, aldus moet worden uitgelegd dat wanneer het EESC de immuniteit van een van zijn leden heeft opgeheven wegens bepaalde strafbare feiten, op grond dat die opheffing niet strijdig was met het belang van de Unie, het niet noodzakelijk is om dit raadgevend orgaan opnieuw om opheffing van de immuniteit te verzoeken wanneer de betrokkene in het kader van een nieuwe zittingsperiode is benoemd voor een nieuwe ambtstermijn binnen dat raadgevend orgaan, op voorwaarde dat het voorwerp van de strafrechtelijke procedure ondertussen niet is uitgebreid. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of het voorwerp van de strafprocedure in het hoofdgeding onder het besluit van het EESC tot opheffing van de immuniteit valt.

Kosten

43 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 10 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten, gelezen in samenhang met artikel 343 VWEU,

moet aldus worden uitgelegd dat

wanneer het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) de immuniteit van een van zijn leden heeft opgeheven wegens bepaalde strafbare feiten, op grond dat die opheffing niet strijdig was met het belang van de Europese Unie, het niet noodzakelijk is om dit raadgevend orgaan opnieuw om opheffing van de immuniteit te verzoeken wanneer de betrokkene in het kader van een nieuwe zittingsperiode is benoemd voor een nieuwe ambtstermijn binnen dat raadgevend orgaan, op voorwaarde dat het voorwerp van de strafrechtelijke procedure ondertussen niet is uitgebreid. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of het voorwerp van de strafprocedure in het hoofdgeding onder het besluit van het EESC tot opheffing van de immuniteit valt.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken