HvJ EU 15 januari 2026, C-75/24, ECLI:EU:C:2026:6
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
15 januari 2026 ( *1 )
„Hogere voorziening – Openbare dienst – Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) – Beschuldigingen van psychisch geweld tijdens perioden van ziekteverlof – Afwijzing van de verzoeken om bijstand en schadevergoeding – Inleiding van een invaliditeitsprocedure – Beroep tot nietigverklaring en schadevergoeding – Ontvankelijkheid – Voor beroep vatbare handelingen – Motiveringsplicht van het Gerecht van de Europese Unie – Tegenstrijdige motivering – Onjuiste opvatting van de feiten en het bewijsmateriaal”
In zaak C‑75/24 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 29 januari 2024,
XH, vertegenwoordigd door P. Nowak, adwokat,
rekwirante,
andere partij in de procedure:
Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door I. Melo Sampaio en L. Vernier als gemachtigden, vervolgens door L. Vernier als gemachtigde,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún (rapporteur), kamerpresident, J. Passer, E. Regan, D. Gratsias en B. Smulders, rechters,
advocaat-generaal: D. Spielmann,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 mei 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met haar hogere voorziening verzoekt XH om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 22 november 2023, XH/Commissie (T‑613/21, EU:T:2023:739; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht haar beroep heeft verworpen dat strekte tot, ten eerste, nietigverklaring van besluit D/374/20 van de Europese Commissie van 4 december 2020 houdende afwijzing van haar verzoek om bijstand (hierna: „besluit tot afwijzing van het verzoek om bijstand”) en besluit Ares(2021) 3466486 van de Commissie van 21 mei 2021 betreffende de inschakeling van de invaliditeitscommissie (hierna: „besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure”), en, ten tweede, vergoeding van de geleden schade.
Toepasselijke bepalingen
2 Het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, in de op de feiten van de onderhavige zaak toepasselijke versie (hierna: „Statuut”), bepaalt in artikel 11 bis: „1. Tenzij hierna anders is bepaald, mag een ambtenaar bij de uitoefening van zijn functie geen aangelegenheden behandelen waarbij hij, direct of indirect, enig persoonlijk belang, met name van familiale of financiële aard, heeft dat zijn onafhankelijkheid in het gedrang zou kunnen brengen. 2. Wanneer een ambtenaar bij de uitoefening van zijn functie een dergelijke aangelegenheid moet behandelen, dient hij het tot aanstelling bevoegde gezag daarvan onmiddellijk in kennis te stellen. Het tot aanstelling bevoegde gezag neemt de maatregelen die nodig zijn en kan met name de ambtenaar van zijn verplichtingen met betrekking tot deze aangelegenheid ontslaan. 3. De ambtenaar mag in ondernemingen die onder toezicht staan van de instelling waartoe hij behoort, noch direct, noch indirect, belangen hebben of verwerven die van dien aard of van die omvang zijn dat zij zijn onafhankelijkheid bij de uitoefening van zijn functie in het gedrang kunnen brengen.”
3 Artikel 12 van het Statuut bepaalt: „De ambtenaar dient zich te onthouden van iedere handeling en van iedere manier van optreden die afbreuk zouden kunnen doen aan de waardigheid van zijn functie als ambtenaar.”
4 Artikel 12 bis van het Statuut luidt als volgt: „1. De ambtenaar onthoudt zich van iedere vorm van psychisch geweld of seksuele intimidatie. 2. De ambtenaar die het slachtoffer is geweest van psychisch geweld of seksuele intimidatie mag daarvan van de kant van de instelling geen nadelige effecten ondervinden. De ambtenaar die in een dergelijke aangelegenheid een getuigenis heeft afgelegd, mag daarvan van de kant van de instelling geen nadelige effecten ondervinden, mits de ambtenaar te goeder trouw heeft gehandeld. 3. Onder ‚psychisch geweld’ wordt iedere vorm van opzettelijk onbehoorlijk gedrag verstaan dat zich gedurende lange tijd herhaaldelijk of systematisch voordoet in de vorm van gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften die de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of de psychische integriteit van de betrokkene kunnen aantasten. 4. Onder ‚seksuele intimidatie’ wordt de situatie verstaan waarin zich enige vorm van ongewenst gedrag van seksuele aard voordoet, met als doel of resultaat een persoon in zijn waardigheid aan te tasten of een intimiderende, vijandige, agressieve of verstorende sfeer te creëren. Seksuele intimidatie wordt beschouwd als discriminatie op grond van geslacht.”
5 Artikel 21 van het Statuut luidt: „Ongeacht de rang welke hij in het ambtelijk bestel bekleedt, is iedere ambtenaar verplicht zijn meerderen bij te staan en van raad te dienen; hij is verantwoordelijk voor de uitvoering van de taken welke hem zijn toevertrouwd. De ambtenaar, belast met de zorg voor de gang van zaken in een tak van dienst, is verantwoordelijk tegenover zijn chefs voor de uitoefening van het gezag dat hem is toegekend, alsmede voor de uitvoering der door hem verstrekte opdrachten. De eigen verantwoordelijkheid zijner ondergeschikten ontheft hem in genen dele van de verantwoordelijkheid welke hij zelf draagt.”
6 Artikel 24 van het Statuut bepaalt: „De [Europese] Unie verleent bijstand aan de ambtenaar, inzonderheid bij rechtsvervolgingen van hen die zich hebben schuldig gemaakt aan bedreigingen, grove beledigingen, beschimpingen, smaad of vergrijpen tegen persoon of goed, waaraan hijzelf of de leden van zijn gezin uit hoofde van zijn hoedanigheid en zijn functie blootstaan. Voor zover de schade die de ambtenaar door deze feiten heeft geleden, niet uit diens opzet of grove nalatigheid is voortgevloeid en hij geen vergoeding heeft kunnen verkrijgen van degenen die de schade hebben veroorzaakt, wordt zij door de Unie gezamenlijk vergoed.”
7 Artikel 59 van het Statuut luidt als volgt: „1. De ambtenaar die aantoont ten gevolge van ziekte of ongeval verhinderd te zijn zijn werkzaamheden te verrichten, komt van rechtswege in aanmerking voor ziekteverlof. De betrokken ambtenaar moet zijn instelling zo spoedig mogelijk mededelen dat hij niet in staat is zijn werkzaamheden te verrichten, en moet hierbij de plaats aangeven waar hij zich bevindt. […] De ambtenaar met ziekteverlof kan te allen tijde aan een door de instelling georganiseerde medische controle worden onderworpen. Als deze controle niet kan plaatsvinden om redenen die aan de ambtenaar toe te schrijven zijn, wordt de afwezigheid met ingang van de dag waarop de medische controle had moeten plaatsvinden, als ongeoorloofd beschouwd. Indien de medische controle uitwijst dat de ambtenaar in staat is zijn werkzaamheden te verrichten, wordt zijn afwezigheid, behoudens het bepaalde in de volgende alinea, vanaf de datum van de medische controle als ongeoorloofd beschouwd. […] 4. Wanneer het totale ziekteverlof van de ambtenaar over een periode van drie jaar meer dan twaalf maanden bedraagt, kan het tot aanstelling bevoegde gezag dit geval aan de invaliditeitscommissie voorleggen. […]”
8 Artikel 60 van het Statuut luidt: „Behoudens bij ziekte of ongeval mag de ambtenaar, zonder hiertoe tevoren door zijn chef te zijn gemachtigd, niet afwezig zijn. Onverminderd de eventuele toepassing van tuchtrechtelijke bepalingen, wordt iedere onregelmatige afwezigheid die naar behoren is vastgesteld, op het vakantieverlof in mindering gebracht. Indien de ambtenaar geen recht meer op zodanig verlof heeft, ontvangt hij over het desbetreffende tijdvak geen bezoldiging. Wanneer een ambtenaar zijn ziekteverlof in een andere plaats wenst door te brengen dan waar hij is tewerkgesteld, dient hij daartoe vooraf door het tot aanstelling bevoegde gezag te worden gemachtigd.”
9 Artikel 90 van het Statuut bepaalt: „1. Iedere in dit Statuut bedoelde persoon kan bij het tot aanstelling bevoegde gezag een verzoek indienen om jegens hem een besluit te nemen. Het gezag brengt zijn met redenen omklede besluit binnen vier maanden, te rekenen vanaf de dag van indiening van dit verzoek, ter kennis van de betrokkene. Is bij het verstrijken van deze termijn een antwoord op het verzoek uitgebleven, dan geldt dit als een stilzwijgend besluit tot afwijzing, waartegen een klacht in de zin van het volgende lid kan worden ingediend. 2. Iedere in dit Statuut bedoelde persoon kan bij het tot aanstelling bevoegde gezag een klacht indienen tegen een besluit waardoor hij zich bezwaard acht, hetzij omdat dit gezag een besluit heeft genomen, dan wel omdat het geen, bij het Statuut verplichte maatregel heeft genomen. […]”
10 Artikel 7 van bijlage II bij het Statuut bepaalt: „De invaliditeitscommissie bestaat uit drie artsen, van wie: – de eerste door de instelling waartoe de betrokkene behoort, – de tweede door de betrokkene, – en de derde in onderlinge overeenstemming door de eerste twee artsen wordt aangewezen. Indien de betrokken ambtenaar in gebreke blijft, wordt door de President van het Hof van Justitie van de Europese Unie ambtshalve een arts benoemd. Indien geen overeenstemming aangaande de aanwijzing van de derde arts wordt bereikt binnen een termijn van twee maanden na de aanwijzing van de tweede arts, wordt de derde arts ambtshalve door de President van het Hof van Justitie van de Europese Unie benoemd op initiatief van een der partijen.”
Voorgeschiedenis van het geding
11 De voorgeschiedenis van het geding is uiteengezet in de punten 2 tot en met 34 van het bestreden arrest. Deze voorgeschiedenis kan ten behoeve van de onderhavige procedure als volgt worden omschreven.
12 Rekwirante is ambtenaar bij het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF).
13 Tot en met 16 juni 2020 bekleedde zij de functie van onderzoeker bij de afdeling die voorheen werd aangeduid als afdeling A van OLAF. Binnen deze afdeling behandelde zij als hoofdonderzoeker met name drie lopende zaken, te weten de zaken E, F en G.
14 Op 16 juni 2020 is een interne reorganisatie van OLAF in werking getreden. Na deze reorganisatie en rekening houdend met de door rekwirante aangegeven voorkeuren, is zij vanaf die datum tewerkgesteld bij een nieuwe afdeling van OLAF, te weten afdeling B.
15 Tussen 2 en 22 juni 2020 was rekwirante met ziekteverlof als gevolg van een medische ingreep. Na goedkeuring via de personeelsbeheersoftware van de Commissie, „Sysper 2”, is dit verlof voor een aaneengesloten periode van 23 juni tot en met 31 oktober 2020 verlengd, een eerste keer op 23 juni 2020, voor de periode van die datum tot en met 10 juli 2020, een tweede keer op 14 juli, voor de periode van 11 tot en met 31 juli 2020, een derde keer op 4 augustus 2020, voor de periode van 1 tot en met 31 augustus 2020, een vierde keer op 1 september 2020, voor de periode van die datum tot en met 30 september daaropvolgend, en een vijfde keer op 1 oktober 2020, voor de periode van die datum tot en met 31 oktober daaropvolgend.
16 Op 2 juni 2020 heeft rekwirante de leden van afdeling A een e-mail gestuurd met een samenvatting van zaak E. In dat bericht heeft zij aangegeven dat zij met ziekteverlof was, maar – uit voorzorg en om vertraging te voorkomen – verbonden zou blijven en open zou staan voor enig contact met betrekking tot deze drie zaken.
17 Op 8 juni 2020 stuurde een lid van afdeling A een e-mail naar rekwirante en het hoofd van afdeling A. Dit bericht betrof de zaken E, F en G en bevatte opmerkingen en suggesties voor de volgende stappen. Het hoofd van afdeling A antwoordde dat dit lid, gelet op rekwirantes verlof, het toekomstige hoofd van afdeling C (hierna: „hoofd van afdeling C”) moest raadplegen over de vraag of deze de betrokken zaken vóór de reorganisatie van 16 juni 2020 wenste af te sluiten of wilde wachten tot de geplande terugkeer van rekwirante van ziekteverlof na die datum. Dit lid van afdeling A heeft vervolgens een e-mail gestuurd naar het hoofd van afdeling C, met kopie aan rekwirante en het hoofd van afdeling A. Rekwirante heeft op deze laatste e-mail geantwoord dat zij hoopte dat alle zaken zo spoedig mogelijk zouden kunnen worden afgesloten, gelet op de reorganisatie van OLAF en haar ziekteverlof. Verder gaf zij aan dat zij, hoewel zij met verlof was, bereid was om de eindvoorstellen in de betrokken zaken te ontvangen, zodat deze konden worden afgerond.
18 Op 8 juni 2020 heeft rekwirante een e-mail gestuurd naar een collega die de rol van „vertrouwenspersoon” vervulde. Daarin heeft zij die vertrouwenspersoon de in punt 17 van dit arrest genoemde correspondentie toegestuurd en hem verzocht om advies over haar situatie.
19 Diezelfde dag heeft een secretaris van afdeling A (hierna: „secretaris van afdeling A”) rekwirante een e-mail gestuurd over de wijziging van haar kantoor in verband met de in punt 14 van dit arrest bedoelde interne reorganisatie van OLAF. In die e-mail heeft de secretaris van afdeling A rekwirante gevraagd of zij, gelet op haar ziekteverlof tot en met 22 juni 2020, een derde toestemming zou verlenen om vóór die datum de verhuizing van haar spullen voor te bereiden. Rekwirante heeft op dezelfde dag geantwoord dat zij dat liever zelf deed.
20 Op 9 juni 2020 heeft het hoofd van afdeling C geantwoord op de in punt 17 van dit arrest genoemde e-mail. Hierbij gaf zij aan dat het haar, gezien de omstandigheden, zeer moeilijk leek om de betrokken zaken vóór 16 juni 2020 af te sluiten. Zij verduidelijkte dat het haar realistisch leek dat zaak E medio juli zou worden afgesloten.
21 Op 23 juni 2020 heeft het hoofd van afdeling C rekwirante een e-mail gestuurd om het concepteindverslag in zaak E te bespreken. In dat bericht heeft zij rekwirante verzocht om haar te bellen ingeval zij beschikbaar was. Diezelfde dag heeft zij rekwirante een uitnodiging gestuurd om de volgende dag, te weten 24 juni 2020, deel te nemen aan een videoconferentie. De volgende dag, op 24 juni, heeft rekwirante hierop geantwoord dat zij nog steeds met ziekteverlof was en dat deze uitnodiging samenviel met een medische afspraak. Zij voegde daaraan toe dat zij de dag daarna wel de hele dag beschikbaar zou zijn om de betrokken zaak telefonisch te bespreken.
22 Op 23 juni 2020 heeft rekwirante een e-mail naar de vertrouwenspersoon gestuurd met daarin de uitnodiging van het hoofd van afdeling C voor de videoconferentie. In die e-mail heeft zij hem uitgelegd dat zij tijdens haar ziekteverlof een afspraak in het ziekenhuis moest bijwonen en dat deze uitnodiging meer was dan zij aankon en in strijd was met de regels. Zij vroeg hem om „deze gedraging aan te melden als intimidatie”.
23 Op 30 juni 2020 heeft de secretaris van afdeling A rekwirante een tweede e-mail gestuurd met de vraag of zij al een besluit had genomen over de verhuizing van haar kantoor.
24 Op 1 juli 2020 heeft het hoofd van afdeling C rekwirante twee e-mails gestuurd waarin zij vragen stelde over zaak E. Rekwirante heeft hier op 6 juli op gereageerd.
25 Op 1 augustus 2020 heeft rekwirante op grond van de artikelen 24, 59 en 60 van het Statuut een verzoek om bijstand ingediend bij het bevoegde tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”). In haar verzoek verklaarde rekwirante kort gezegd dat de e-mails die zij tijdens haar ziekteverlof had ontvangen, verzoeken waren van haar hiërarchieke meerderen of personeel van OLAF om te werken of om zich onmiddellijk naar haar kantoor te begeven om de verhuizing van haar spullen voor te bereiden, hetgeen zij beschouwde als pogingen om haar ziekteverlof te onderbreken of te beëindigen.
26 Op 26 augustus 2020 heeft het hoofd van afdeling C rekwirante een e-mail gestuurd met een nieuw concept van het eindverslag in zaak E. In die e-mail vroeg het hoofd van afdeling C aan rekwirante of zij de inhoud daarvan goedkeurde en of zij een verificatie bij het Europees Octrooibureau (EOB) kon verrichten. Rekwirante heeft daarop geantwoord dat zij nog steeds met ziekteverlof was. In een tweede e-mail heeft het hoofd van afdeling C verduidelijkt dat zij haar eerste bericht had verzonden opdat rekwirante deze bij haar terugkeer zou behandelen. Rekwirante antwoordde haar op 28 augustus daaropvolgend en gaf aan dat het volgens haar niet nodig was haar terugkeer af te wachten om de betrokken verslagen te kunnen afronden.
27 Op 31 augustus 2020 heeft het hoofd van afdeling C rekwirante een e-mail gestuurd en haar uitgelegd dat zij, gelet op de aanzienlijke werklast van het betrokken onderzoeksteam, de drie zaken in kwestie niet aan een andere hoofdonderzoeker kon toewijzen en dat zij bijgevolg op haar rekende om die zaken – zoals afgesproken – na haar terugkeer van ziekteverlof af te sluiten. Diezelfde dag heeft zij rekwirante twee andere e-mails gestuurd, die respectievelijk een gewijzigd concepteindverslag in zaak F en een nieuw concepteindverslag in zaak G bevatten. In die twee e-mails heeft zij verduidelijkt dat rekwirante deze pas na haar terugkeer van ziekteverlof hoefde te behandelen.
28 Op 6 september 2020 heeft rekwirante geantwoord dat haar ziekteverlof was verlengd en dat de betrokken zaken zonder haar konden worden afgesloten.
29 Op 7 september 2020 heeft rekwirante in de contentmanagementsoftware (OCM) van OLAF elektronisch een verklaring van belangenconflict met betrekking tot zaak G ondertekend.
30 Op 8 september 2020 heeft het hoofd van afdeling C rekwirante meegedeeld dat zij een nieuwe onderzoeker had aangesteld die voor twee van de drie betrokken zaken niet de procestaal sprak. Voorts verwees zij naar een overleg om de derde zaak, te weten zaak G, zonder rekwirante af te sluiten. Het hoofd van afdeling C heeft rekwirante verzocht om haar de ontbrekende informatie over die derde zaak toe te zenden voor het geval dat laatstgenoemde in de tussentijd van haar ziekteverlof zou terugkeren.
31 Op 11 september 2020 heeft rekwirante een e-mail ontvangen van een collega van afdeling C, waarin deze haar feliciteerde met haar succes in het kader van een zaak die door het Gerecht was behandeld.
32 Op 17 september 2020 heeft rekwirante van die collega nog een e-mail ontvangen met een hyperlink om toegang te krijgen tot het arrest van het Gerecht.
33 Op 18 september 2020 heeft het hoofd van afdeling C rekwirante een e-mail gestuurd waarin zij haar meedeelde dat zij kennis had genomen van de verklaring van een belangenconflict. Om een beslissing over die verklaring te kunnen nemen heeft zij haar voorts om aanvullende informatie over het betrokken belangenconflict verzocht. Rekwirante heeft op 20 september 2020 op dit verzoek geantwoord.
34 Op 25 september 2020 heeft het hoofd van afdeling C rekwirante een e-mail gestuurd om haar ervan in kennis te stellen dat zij wegens het betrokken belangenconflict was ontheven van haar laatste lopende zaak. Zij heeft daarmee vastgesteld dat rekwirante binnen haar afdeling geen zaken meer had.
35 Op 28 oktober 2020 heeft het hoofd van afdeling HR.AMC.5 van de Commissie de medische dienst van deze instelling een nota gestuurd met het verzoek om ten aanzien van rekwirante een invaliditeitsprocedure te starten. Dit verzoek was gebaseerd op het feit dat – in de periode van november 2017 tot en met oktober 2020, te weten een periode van drie jaar – rekwirante in totaal meer dan twaalf maanden met ziekteverlof was geweest.
36 Op 4 december 2020 heeft het TABG het in punt 25 van het onderhavige arrest bedoelde besluit tot afwijzing van rekwirantes verzoek om bijstand vastgesteld.
37 Op 28 februari 2021 heeft rekwirante op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het besluit tot afwijzing van het verzoek om bijstand.
38 Op 6 mei 2021 vond een videoconferentie plaats tussen rekwirante enerzijds en het Bureau voor onderzoek en disciplinaire zaken (IDOC) en afdeling HR.E.2 (beroep en follow-up van dossiers) van de Commissie anderzijds.
39 Op 10 mei 2021 is rekwirante een samenvatting toegezonden van de argumenten die zij tijdens deze videoconferentie had aangevoerd.
40 Op 11 mei 2021 heeft rekwirante haar opmerkingen over deze samenvatting ingediend en documenten overgelegd.
41 Op 21 mei 2021 heeft de directeur-generaal van het directoraat-generaal Personele Middelen en Veiligheid van de Commissie besloten tot inleiding van de invaliditeitsprocedure, waarbij zij rekwirantes geval aan de invaliditeitscommissie heeft voorgelegd en overeenkomstig artikel 7 van bijlage II bij het Statuut een arts heeft aangesteld om de Commissie te vertegenwoordigen.
42 Op 31 mei 2021 heeft rekwirante op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure.
43 Op 2 juli 2021 heeft het TABG bij besluit R/138/21 de klacht van rekwirante tegen het besluit tot afwijzing van het verzoek om bijstand verworpen (hierna: „besluit R/138/21 tot afwijzing van de klacht”) wegens het ontbreken van een begin van bewijs voor rekwirantes beweringen. Voorts heeft het TABG het verzoek om vergoeding van de geleden schade afgewezen.
44 Op 30 september 2021 heeft het TABG bij besluit R/301/21 de klacht tegen het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure afgewezen (hierna: „besluit R/301/21 tot afwijzing van de klacht”), waarbij dat gezag heeft geconcludeerd dat rekwirantes klacht tegen dit besluit niet-ontvankelijk was.
Beroep bij het Gerecht en bestreden arrest
45 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 17 september 2021, heeft rekwirante beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van het verzoek om bijstand en van besluit R/138/21 tot afwijzing van de klacht, alsmede van het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure en van besluit R/301/21 tot afwijzing van de klacht. Bovendien heeft rekwirante het Gerecht verzocht om de Commissie te veroordelen tot betaling van een bedrag van 20000 EUR ter vergoeding van de geleden immateriële schade en om haar te gelasten verschillende interne documenten over te leggen.
46 Tot staving van haar vorderingen tot nietigverklaring van het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure en van besluit R/301/21 tot afwijzing van de klacht heeft rekwirante in wezen een middel aangevoerd ontleend aan schending door de Commissie van de artikelen 59 en 90 van het Statuut, gelezen in het licht van de artikelen 12 bis en 24 daarvan. Ter ondersteuning van haar vorderingen tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van het verzoek om bijstand en van besluit R/138/21 tot afwijzing van de klacht heeft rekwirante vier middelen aangevoerd: ten eerste, schending door de Commissie van de artikelen 12 bis en 24 van het Statuut, van de zorgplicht, van de artikelen 7 en 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en van het beginsel van behoorlijk bestuur, ten tweede, schending door deze instelling van de artikelen 12 bis, 24, 59 en 60 van het Statuut, ten derde, schending door de Commissie van de artikelen 59 en 90 van het Statuut, gelezen in het licht van de artikelen 12 bis en 24 van het Statuut, en, ten vierde, schending door de Commissie van de artikelen 7 en 8 van het Handvest.
47 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht de verzoeken tot nietigverklaring van het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure niet-ontvankelijk en van het besluit tot afwijzing van het verzoek om bijstand ongegrond verklaard.
48 Voorts heeft het Gerecht rekwirantes vordering tot schadevergoeding en de door haar gevraagde maatregelen van instructie afgewezen.
49 Bijgevolg heeft het Gerecht rekwirantes beroep in zijn geheel verworpen.
Conclusies van partijen in hogere voorziening
50 Met haar hogere voorziening verzoekt rekwirante het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – het besluit tot afwijzing van het verzoek om bijstand en besluit R/138/21 tot afwijzing van de klacht nietig te verklaren; – het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure en besluit R/301/21 tot afwijzing van de klacht nietig te verklaren; – vergoeding van de geleden schade te gelasten; – de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure in hogere voorziening en in die van de procedure voor het Gerecht, en – indien vernietiging van het bestreden arrest niet mogelijk mocht blijken, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht.
51 De Commissie verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – rekwirante te verwijzen in de kosten.
Hogere voorziening
52 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante in wezen twee middelen aan, waarvan het eerste betrekking heeft op de motivering van het bestreden arrest houdende de afwijzing van de vordering tot nietigverklaring van het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure, en het tweede op die gronden voor zover daarbij de vordering tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van het verzoek om bijstand wordt afgewezen.
Eerste middel
Argumenten van partijen
53 Het eerste middel, dat in wezen uit vijf onderdelen bestaat, is ontleend aan de onjuiste kwalificatie door het Gerecht van het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure als een voorbereidende handeling die dus niet vatbaar is voor beroep bij het Gerecht.
54 Met het eerste onderdeel van het eerste middel betoogt rekwirante dat een handeling volgens de rechtspraak van het Gerecht slechts als „voorbereidend” kan worden aangemerkt wanneer deze geen afzonderlijk rechtsgevolg heeft, terwijl handelingen die gevolgen hebben die het procedurele kader te buiten gaan en de rechten en verplichtingen van de betrokkenen wezenlijk wijzigen, aan rechterlijke toetsing door het Gerecht zijn onderworpen.
55 Bijgevolg heeft het Gerecht in de punten 47 en 48 van het bestreden arrest blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door deze rechtspraak niet toe te passen. Had het Gerecht dit wel gedaan, dan zou het immers noodzakelijkerwijs tot de conclusie zijn gekomen dat het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure moet worden beschouwd als een handeling die rekwirantes rechten wezenlijk wijzigt, aangezien de inleiding van de invaliditeitsprocedure door de Commissie tot de definitieve en onomkeerbare openbaarmaking van onder het medisch geheim vallende gegevens heeft geleid.
56 In het kader van het tweede onderdeel van dit middel stelt rekwirante dat het Gerecht, door het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure als een voorbereidende handeling aan te merken, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, het bewijs onjuist heeft opgevat en in wezen geen rekening heeft gehouden met bepaalde omstandigheden die nochtans beslissend zijn.
57 Ten eerste volgt uit vaste rechtspraak, die voortvloeit uit het arrest van 18 maart 1997, Guérin automobiles/Commissie (C‑282/95 P, EU:C:1997:159, punt 37), dat overeenkomstig het beginsel van behoorlijk bestuur het definitieve besluit van de Commissie binnen een redelijke termijn dient te worden gegeven. Aangezien de Commissie in casu de invaliditeitsprocedure niet heeft voortgezet, zou de inleiding van deze procedure het doel ervan als voorbereidende handeling niet meer dienen.
58 Ten tweede moet het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure in wezen worden beschouwd als een voor beroep vatbare handeling omdat het onderdeel uitmaakt van psychisch geweld.
59 Ten derde werd rekwirante pas eind mei 2021 in kennis gesteld van de inleiding van de invaliditeitsprocedure, aangezien deze intrinsiek verbonden was met haar ziekteverlof. Het Gerecht heeft dit ernstige gebrek aan transparantie van de kant van de Commissie niet in aanmerking genomen in het bestreden arrest.
60 Ten vierde heeft besluit R/301/21 tot afwijzing van de klacht het niet mogelijk gemaakt om de invaliditeitsprocedure betreffende rekwirante af te ronden, waardoor zij in strijd met de artikelen 90 en 59 van het Statuut in een langdurige toestand van onzekerheid werd gelaten.
61 Ten vijfde kunnen niet alleen de eindbesluiten nadelige gevolgen hebben, aangezien ook de indirecte gevolgen van bepaalde handelingen of gedragingen van een instelling van de Unie aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de situatie van de betrokkene. Ook al zou het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure een voorbereidende handeling zijn, dan nog zou deze dus vatbaar zijn voor beroep omdat het negatieve gevolgen heeft voor de positie van de betrokkene.
62 Met het derde onderdeel van het eerste middel stelt rekwirante dat het Gerecht geen rekening heeft gehouden met het feit dat artikel 59, lid 4, van het Statuut de Commissie geen enkele beoordelingsmarge laat wanneer zij zich tot de invaliditeitscommissie wendt. In casu is niet voldaan aan de in die bepaling gestelde voorwaarde voor een dergelijk beroep, volgens welke het totale ziekteverlof van de betrokken ambtenaar over een periode van drie jaar meer dan twaalf maanden moet bedragen. De inleiding van de invaliditeitsprocedure vormt dus een voor beroep vatbare handeling, als zijnde onwettig of zelfs als blijk gevende van misbruik van bevoegdheid.
63 Met het vierde onderdeel van het eerste middel verwijt rekwirante het Gerecht dat laatstgenoemde het bewijs onjuist heeft opgevat door de specifieke aspecten van haar situatie niet te onderzoeken. Het Gerecht heeft zich immers beperkt tot de door de Commissie geschetste versie van de feiten zonder zelf de relevante feiten te onderzoeken, terwijl het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure is gebaseerd op een onjuiste berekening van de ziekteverlofdagen waarbij geen rekening is gehouden met de daadwerkelijke aanwezigheid van rekwirante op haar werkplek.
64 In het kader van het vijfde onderdeel van het eerste middel voegt rekwirante daaraan toe, eveneens om aan te tonen dat het Gerecht heeft nagelaten de specifieke aspecten van haar situatie te onderzoeken, dat het onderzoek van de Commissie naar haar gezondheidstoestand na het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure en het onjuiste beheer door deze instelling van gevoelige medische gegevens een schending vormen van het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van haar gegevens, zoals bedoeld in de artikelen 7 tot en met 8 van het Handvest, gelezen in samenhang met de artikelen 59 en 60 van het Statuut.
65 De Commissie is van mening dat het eerste middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond is.
Beoordeling door het Hof
66 Met haar eerste middel, dat in wezen uit vijf onderdelen bestaat, bekritiseert rekwirante de punten 47 en 48 van het bestreden arrest.
67 In punt 47 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat in casu het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure is vastgesteld op basis van artikel 59, lid 4, van het Statuut. Volgens zijn eigen rechtspraak is een besluit om het geval van een verzoeker aan de invaliditeitscommissie voor te leggen een voorbereidende handeling die deel uitmaakt van de pensioenprocedure en kan een verzoeker pas in het kader van een beroep tegen het na afloop van die procedure genomen besluit de onregelmatigheid aanvoeren van eerdere handelingen die daarmee nauw verband houden.
68 Bij toepassing van deze rechtspraak op het onderhavige geval heeft het Gerecht in punt 48 van het bestreden arrest geoordeeld dat het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure geen handeling was die het standpunt van de Commissie definitief vastlegde, maar een handeling was ter voorbereiding van een eindbesluit dat na afloop van de invaliditeitsprocedure zou worden genomen, en dat het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure bijgevolg geen voor rekwirante bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut vormde.
69 Om te beoordelen of het Gerecht, zoals rekwirante stelt, het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure ten onrechte als een voorbereidende handeling heeft aangemerkt, moet er om te beginnen aan worden herinnerd dat, zoals het Gerecht in punt 45 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, uit vaste rechtspraak volgt dat zowel in het kader van specifieke geschillen betreffende Europese ambtenaren als in het kader van algemene geschillen, alleen besluiten die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen die de belangen van de verzoeker kunnen aantasten door diens rechtspositie aanmerkelijk te wijzigen, bezwarend zijn en bijgevolg als zodanig vatbaar zijn voor beroep (zie in die zin arrest van 25 juni 2020, CSUE/KF, C‑14/19 P, EU:C:2020:492, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70 Zoals ook het Gerecht in herinnering heeft gebracht in punt 46 van het bestreden arrest, zijn handelingen of besluiten die in een uit verscheidene fasen bestaande procedure tot stand komen, met name wanneer zij de afsluiting vormen van een interne procedure, in beginsel slechts voor beroep vatbaar wanneer het maatregelen betreft die aan het einde van die procedure het standpunt van de instelling definitief vastleggen, met uitsluiting van tussentijdse maatregelen ter voorbereiding van het eindbesluit (arrest van 14 februari 1989, Bossi/Commissie, 346/87, EU:C:1989:59, punt 23, en zie in die zin beschikking van 7 april 2005, Van Dyck/Commissie, C‑160/04 P, EU:C:2005:207, punt 32).
71 De vijf onderdelen van het eerste middel moeten in het licht van deze beginselen worden onderzocht.
– Eerste onderdeel van het eerste middel
72 Met het eerste onderdeel van het eerste middel betoogt rekwirante dat het Gerecht in de punten 47 en 48 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door geen rekening te houden met het feit dat de inleiding door de Commissie van de invaliditeitsprocedure heeft geleid tot de openbaarmaking van onder het medisch geheim vallende gegevens en aldus haar rechten aantastte, en door te oordelen dat het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure geen handeling is waarbij het standpunt van de Commissie jegens haar definitief wordt vastgelegd, maar een handeling ter voorbereiding van het eindbesluit dat aan het einde van de invaliditeitsprocedure zal worden genomen. Volgens rekwirante kan een handeling immers alleen als „voorbereidend” worden aangemerkt wanneer zij geen afzonderlijk rechtsgevolg teweegbrengt, terwijl handelingen die gevolgen hebben die het procedurele kader te buiten gaan en de rechten en verplichtingen van de betrokkenen wezenlijk wijzigen, aan rechterlijke toetsing door het Gerecht zijn onderworpen.
73 In dit verband moet evenwel worden opgemerkt dat het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure, waarbij een instelling besluit om het geval van een ambtenaar overeenkomstig artikel 59, lid 4, van het Statuut aan een medische commissie voor te leggen, op zich geen bindend rechtsgevolg heeft dat de belangen van de betrokkene kan aantasten door diens rechtspositie aanmerkelijk en dus op zijn minst definitief te wijzigen.
74 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat de inleiding door de Commissie van de invaliditeitsprocedure vervolgens zou hebben geleid tot de definitieve en onomkeerbare openbaarmaking van onder het medisch geheim vallende gegevens.
75 Gesteld al dat een dergelijke openbaarmaking in strijd zou zijn met het medisch geheim, impliceert deze omstandigheid, die betrekking heeft op de gegrondheid van die openbaarmaking, immers nog niet dat het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure moet worden beschouwd als een bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut, aangezien dat besluit op zich de rechtspositie van die ambtenaar niet aanmerkelijk – en dus niet op zijn minst definitief – heeft gewijzigd.
76 Bijgevolg heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 47 en 48 van het bestreden arrest te oordelen dat het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure geen voor rekwirante bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut vormde.
77 Het eerste onderdeel van het eerste middel moet dan ook ongegrond worden verklaard.
– Tweede onderdeel van het eerste middel
78 Ter ondersteuning van het tweede onderdeel van het eerste middel voert rekwirante ten eerste aan dat de buitensporig lange duur van de invaliditeitsprocedure tot gevolg heeft gehad dat het besluit tot inleiding van die procedure niet langer zou dienen als voorbereidende handeling en dat het Gerecht het dus als een voor haar bezwarende en dus voor beroep vatbare handeling moet beschouwen.
79 Dienaangaande volstaat de vaststelling dat, zoals blijkt uit de in punt 69 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, de voorwaarde om een handeling als bezwarend te kunnen beschouwen erin bestaat dat deze handeling bindende rechtsgevolgen in het leven heeft geroepen die de belangen van de verzoeker kunnen aantasten door diens rechtspositie aanmerkelijk te wijzigen.
80 De duur van een procedure, zelfs al is deze buitensporig lang, kan niet tot gevolg hebben dat de handeling waarbij deze procedure is ingeleid, moet worden geacht de rechtspositie van de verzoeker aanmerkelijk te hebben gewijzigd.
81 In deze omstandigheden heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door geen rekening te houden met de duur van de behandeling van de zaak door de Commissie bij zijn onderzoek of het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure een voor rekwirante bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut vormde.
82 Ten tweede betoogt rekwirante in wezen dat de vaststelling van het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure neerkwam op psychisch geweld, zodat dit besluit als voor haar bezwarend moet worden beschouwd om haar in staat te stellen haar rechten te doen gelden.
83 In dit verband kan worden volstaan met de opmerking dat weliswaar niet kan worden uitgesloten dat de inleiding van een procedure onderdeel kan vormen van gesteld psychisch geweld tegen de betrokkene en dat deze omstandigheid later als relevant feitelijk element kan worden aangevoerd in het kader van een verzoek om bijstand of een verzoek om schadevergoeding, maar dat dit niet betekent dat het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure moet worden beschouwd als een bezwarend besluit. Zoals in punt 69 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, kan het betrokken besluit immers slechts als een bezwarende handeling worden aangemerkt indien het de rechtspositie van de adressaat ervan aanmerkelijk heeft gewijzigd, en volstaat het niet dat dit besluit hem schade kan hebben berokkend.
84 Anders dan rekwirante lijkt te suggereren, staat deze uitlegging van artikel 90, lid 2, van het Statuut er niet aan in de weg dat een persoon die juist door de vaststelling van een dergelijke handeling schade heeft geleden, vergoeding van die schade kan verkrijgen. In het geval van een voorbereidende handeling kan de betrokkene immers met name beroep instellen tegen de handeling die aan het einde van de betrokken procedure zal worden vastgesteld en bij die gelegenheid vergoeding vorderen van de schade die hij als gevolg van de inleiding van de procedure heeft geleden.
85 Ten derde stelt rekwirante dat het Gerecht geen rekening heeft gehouden met het feit dat zij pas laat in kennis is gesteld van de inleiding van de invaliditeitsprocedure, terwijl, ten vierde, besluit R/301/21 tot afwijzing van de klacht haar in strijd met de artikelen 90 en 59 van het Statuut in langdurige onzekerheid heeft gelaten.
86 Rekwirante preciseert evenwel niet waarom het Gerecht rekening had moeten houden met deze omstandigheden. Een louter abstracte vermelding van de middelen in het verzoekschrift voldoet niet aan de vereisten van artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 169 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof (zie met name arrest van 1 augustus 2025, PNB Banka/ECB, C‑100/23 P, EU:C:2025:610, punt 34).
87 Ten vijfde betoogt rekwirante dat, ook al vormt het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure een voorbereidende handeling, dit besluit niettemin moet worden beschouwd als een voor beroep vatbare handeling omdat het negatieve gevolgen heeft voor de positie van de betrokkene.
88 Een dergelijk argument, dat aansluit bij het tweede argument, kan niet worden aanvaard, aangezien, zoals in punt 83 van het onderhavige arrest reeds in herinnering is gebracht, het feit dat de vaststelling van een handeling negatieve gevolgen kan hebben voor de positie van de betrokkene, niet noodzakelijkerwijs impliceert dat die handeling de rechtspositie van die persoon aanmerkelijk – dat wil zeggen, met name, definitief – heeft gewijzigd.
89 Ten zesde voert rekwirante aan dat het Gerecht het bewijs onjuist heeft opgevat door dit besluit als voorbereidende handeling aan te merken.
90 Wanneer een rekwirant stelt dat het Gerecht het bewijs onjuist heeft opgevat, moet hij echter, op straffe van niet-ontvankelijkheid van een dergelijke stelling, precies aangeven welke bewijsstukken volgens hem onjuist zijn opgevat en aantonen welke fouten in de analyse het Gerecht tot die onjuiste opvatting hebben gebracht (arrest van 10 september 2024, KS e.a./Raad e.a., C‑29/22 P en C‑44/22 P, EU:C:2024:725, punt 148).
91 In casu legt rekwirante echter niet uit op welke bewijsstukken deze stelling betrekking heeft en op welke wijze het Gerecht die stukken onjuist zou hebben opgevat.
92 In deze omstandigheden moet het argument dat het Gerecht het bewijs onjuist heeft opgevat, niet-ontvankelijk worden verklaard.
93 Het tweede onderdeel van het eerste middel moet dus gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond worden verklaard.
– Derde, vierde en vijfde onderdeel van het eerste middel
94 In het kader van het derde onderdeel van het eerste middel stelt rekwirante dat de Commissie geen invaliditeitsprocedure tegen haar kon inleiden, aangezien de totale duur van haar ziekteverlof over een periode van drie jaar niet meer dan twaalf maanden bedroeg, zoals vereist in artikel 59, lid 4, van het Statuut.
95 Met het vierde onderdeel van het eerste middel betoogt rekwirante dat het Gerecht het bewijs onjuist heeft opgevat, aangezien het zich ertoe heeft beperkt de door de Commissie gemaakte onjuiste berekening van rekwirantes ziekteverlofdagen over te nemen, zonder te onderzoeken wanneer zij daadwerkelijk op het werk aanwezig was geweest. In het kader van het vijfde onderdeel van het eerste middel stelt rekwirante in wezen dat het Gerecht had moeten vaststellen dat de Commissie haar recht op eerbiediging van haar privéleven heeft geschonden en de verplichting tot bescherming van haar persoonsgegevens, zoals gewaarborgd door de artikelen 7 en 8 van het Handvest, niet was nagekomen.
96 In dit verband zij eraan herinnerd dat het Gerecht, zoals blijkt uit de punten 67 en 68 van het onderhavige arrest, heeft geoordeeld dat het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure voor rekwirante geen bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut vormde. Om die reden heeft het Gerecht in punt 49 van het bestreden arrest het verzoek tot nietigverklaring van dat besluit niet-ontvankelijk verklaard.
97 Aangezien het Gerecht de rechtmatigheid van dat besluit niet ten gronde heeft onderzocht, moeten het derde, het vierde en het vijfde onderdeel van het eerste middel, die alle betrekking hebben op die rechtmatigheid, als niet ter zake dienend worden afgewezen.
Tweede middel
Argumenten van partijen
98 Het tweede middel bestaat in wezen uit twaalf onderdelen.
99 In het kader van het eerste onderdeel van het tweede middel betoogt rekwirante dat, volgens de rechtspraak van het Hof, de schending door een instelling van een duidelijke rechtsbepaling een kwestie van openbare orde is die het Gerecht ambtshalve moet onderzoeken. In punt 98 van het bestreden arrest heeft het Gerecht deze rechtspraak niet naar behoren in aanmerking genomen. Had het Gerecht dit wel gedaan, dan zou het hebben vastgesteld dat de betrokken besluiten in strijd zijn met de artikelen 59 en 90 van het Statuut, die niet alleen duidelijk zijn maar bovendien regels van openbare orde bevatten.
100 Met het tweede onderdeel van het tweede middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het niet heeft opgemerkt dat het besluit tot afwijzing van het verzoek om bijstand gebrekkig is gemotiveerd, hetgeen in strijd is met de vereisten van transparantie en verantwoordelijkheid van de artikelen 59 en 90 van het Statuut, gelezen in samenhang met de artikelen 41 en 47 van het Handvest.
101 In het kader van het derde onderdeel van het tweede middel betoogt rekwirante dat het Gerecht in de punten 97 en 98 van het bestreden arrest artikel 84, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering onjuist heeft uitgelegd en toegepast. Deze rechter heeft immers de nieuwe bewijsstukken die rekwirante na de indiening van de repliek had overgelegd, afgewezen, terwijl deze stukken niet beschikbaar waren op het moment van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg of van de repliek. De afwijzing door het Gerecht van deze bewijsstukken is in strijd met de artikelen 7, 8 en 47 van het Handvest en met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (EVRM).
102 Rekwirante voegt hieraan toe dat de precontentieuze procedure tot doel heeft om een minnelijke schikking van geschillen tussen ambtenaren en de administratie mogelijk te maken, en niet om de omvang van de rechterlijke toetsing door de Unierechter te beperken.
103 Met het vierde onderdeel van het tweede middel stelt rekwirante ten eerste dat de Commissie zich had moeten onthouden van het inleiden van de invaliditeitsprocedure, aangezien het besluit tot inleiding daarvan voldoet aan de criteria voor intimidatie zoals vermeld in artikel 12 bis van het Statuut.
104 Ten tweede is het gedrag van het hoofd van afdeling C, zoals bedoeld in de punten 107 en 108 van het bestreden arrest, in strijd met artikel 12 van het Statuut, dat ambtenaren verplicht zich te onthouden van iedere handeling die afbreuk kan doen aan de waardigheid van hun functie. Door dit gedrag niet aan te merken als psychisch geweld in de zin van artikel 12 bis van het Statuut, ondanks de context en het cumulatieve effect van de handelingen van dit afdelingshoofd, heeft het Gerecht dus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
105 Met het vijfde onderdeel van het tweede middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het artikel 86 van het Statuut heeft geschonden, dat voorziet in de vaststelling van tuchtmaatregelen tegen ambtenaren die hun verplichtingen niet nakomen, daaronder begrepen die van de artikelen 11 bis, 12 en 12 bis van het Statuut. Het gedrag van het hoofd van afdeling C had moeten leiden tot de inleiding van een onderzoek op grond van deze bepalingen.
106 In het kader van het zesde onderdeel van het tweede middel betoogt rekwirante dat het Gerecht artikel 11 bis van het Statuut (betreffende belangenconflicten) en artikel 59 van het Statuut (betreffende ziekteverlof) heeft geschonden. Het verzuim om het ongepaste gedrag van de betrokken instelling op passende wijze te verhelpen, zou ook afbreuk kunnen doen aan het recht op waardigheid, het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van gegevens, welke rechten zijn neergelegd in respectievelijk de artikelen 1, 7 en 8 van het Handvest.
107 Rekwirante voegt hieraan toe dat het Gerecht in de punten 107 en 108 van het bestreden arrest de artikelen 11 en 21 van het Statuut heeft geschonden door vast te stellen dat het bewijs tot staving van het bestaan van psychisch geweld ontoereikend was. Het feit dat het hoofd van afdeling C met betrekking tot een zaak contact opneemt met rekwirante onmiddellijk na de verklaring van een belangenconflict, ook al was deze verklaring nog niet aanvaard, kan als ongepast worden beschouwd.
108 Met het zevende onderdeel van het tweede middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het heeft geoordeeld dat de bewijslast voor psychisch geweld rust op het slachtoffer van dat gedrag, terwijl het in de punten 82 tot en met 84 van het bestreden arrest heeft herinnerd aan de rechtspraak volgens welke bij het onderzoek van beschuldigingen van psychisch geweld rekening moet worden gehouden met de volledige historische context en alle eerdere incidenten.
109 Het feit dat het Gerecht in de punten 78 tot en met 80 van het bestreden arrest de noodzaak benadrukt dat er een begin van bewijs van het gestelde psychisch geweld moet worden geleverd, druist in tegen de verplichting van de betrokken instelling om alle beschikbare informatie te onderzoeken en het welzijn van ambtenaren te beschermen, overeenkomstig de bewoordingen van het arrest van 26 maart 2015, CN/Parlement (F‑26/14, EU:F:2015:22).
110 Met het achtste onderdeel van het tweede middel betoogt rekwirante dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het haar vrijstond om geen gevolg te geven aan een verzoek van het hoofd van afdeling C om hulp. Aldus heeft het Gerecht artikel 21 van het Statuut geschonden, dat bepaalt dat de ambtenaar zijn meerderen moet bijstaan en adviseren en dat hij verantwoordelijk is voor de uitvoering van de hem toevertrouwde taken. Rekwirante benadrukt dat, daarnaast, eerbiediging van deze bepaling haar ertoe zou leiden artikel 11 bis van het Statuut te schenden, dat een ambtenaar ervan weerhoudt om een zaak te behandelen waarin hij een persoonlijk belang heeft.
111 In het kader van het negende onderdeel van het tweede middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het in het bestreden arrest niet is ingegaan op de weigering van de Commissie om haar verzoek om flexibele werktijden in te willigen en op de herhaalde verzoeken om extra werkzaamheden buiten het kader van de tewerkstelling te verrichten, die in strijd zijn met de algemene aanbevelingen van de Commissie op het gebied van gezondheid op het werk. In dit verband heeft het Gerecht geen rekening gehouden met de artikelen 59 en 60 van het Statuut.
112 Het tiende onderdeel van het tweede middel is ontleend aan een onjuiste opvatting van de feiten en het bewijs door het Gerecht.
113 In het kader van dit onderdeel betoogt rekwirante dat het Gerecht in punt 113 van het bestreden arrest ten eerste heeft vastgesteld dat het gedrag van de secretaris van afdeling A volstrekt redelijk was en, ten tweede, het gevoel van rekwirante dat zij tijdens een ziekteverlof werd gestoord, heeft verdraaid. In punt 114 van het bestreden arrest is het Gerecht ervan uitgegaan dat vaststond dat die secretaris niet op de hoogte was van het bestaan van het ziekteverlof van rekwirante en heeft het aldus de feiten onjuist opgevat, aangezien die secretaris de mogelijkheid had om kennis te nemen van de duur van rekwirantes verlof, zoals blijkt uit de punten 9 en 113 van het bestreden arrest.
114 Wat het gedrag van die secretaris betreft, verduidelijkt rekwirante dat deze persoon, anders dan het Gerecht in de punten 9, 13, 113 en 114 van het bestreden arrest heeft aangegeven, zich opdringerig heeft opgesteld en haar tijdens haar ziekteverlof niet slechts tweemaal heeft gecontacteerd. In de punten 9, 113 en 114 van het bestreden arrest heeft het Gerecht bijlage 5 bij het verzoekschrift in eerste aanleg, betreffende de e‑mailcorrespondentie tussen de secretaris van afdeling A en rekwirante over de verhuizing van haar kantoor, onjuist opgevat. Uit deze correspondentie blijkt dat deze secretaris een actieve rol speelde bij de planning van deze verhuizing tijdens rekwirantes ziekteverlof, welke gedraging als intrusief moet worden aangemerkt. Anders dan uit punt 114 van het bestreden arrest volgt, blijkt uit deze correspondentie dat die secretaris op de hoogte was van rekwirantes ziekteverlof.
115 In de punten 6, 9, 13, 113 en 114 van het bestreden arrest heeft het Gerecht de bladzijden 313 en 205 van de bij het verzoekschrift in eerste aanleg gevoegde documenten onjuist opgevat, waaruit bleek dat rekwirante haar hiërarchieke meerderen vooraf had ingelicht over de noodzaak van haar medische behandeling, met name bij e-mail van 12 mei 2020. In de punten 7, 11, 14, 16 en 17 van het bestreden arrest heeft het Gerecht bijlage 6 bij het verzoekschrift in eerste aanleg onjuist opgevat met betrekking tot respectievelijk de e-mail van 8 juni 2020, de e‑mails van 23 en 24 juni 2020, de correspondentie tussen de administratie en rekwirante over zaak E, de e-mail van 26 augustus 2020, de e-mails van 8, 26, 28 en 31 augustus 2020 en die van 6 september 2020. Het Gerecht heeft geen rekening gehouden met bijlage 10 bij het verzoekschrift in eerste aanleg waaruit blijkt dat rekwirante op 25 juli 2020 nog steeds met drie dossiers was belast, waarvan de eindverslagen in voorbereiding waren. In de punten 103, 104 en 107 van het bestreden arrest heeft het Gerecht zich geconcentreerd op de aard van de verzoeken van het hoofd van afdeling C aan rekwirante, zonder deze in hun context te plaatsen, waaruit zou hebben gebleken dat zij betrokken was bij de behandeling van meerdere zaken. Het Gerecht heeft geen rekening gehouden met bijlage 3 bij het verzoekschrift in eerste aanleg, die betrekking heeft op rekwirantes medisch dossier en waarin wordt bevestigd dat de staat van haar rechterbeen chirurgische ingrepen vergde, noch met bijlage 8 bij dat verzoekschrift, betreffende de tussenkomst van de vertrouwenspersoon.
116 Bovendien is rekwirante van mening dat het Gerecht de bewijsstukken in verband met verschillende in haar schrifturen aangevoerde rechtsmiddelen rechtens onjuist heeft opgevat door in de punten 3 tot en met 29 en punten 99 tot en met 111 van het bestreden arrest te verwijzen naar de algemene context, de toon en de aard van de contacten tussen haar en de administratie van haar afdeling en met name tussen haar en het hoofd van afdeling C. Rekwirante voegt hieraan toe dat het Gerecht, in de punten 7, 11, 14, 16 en 17 van dat arrest, bijlage 6 bij het verzoekschrift in eerste aanleg heeft verdraaid door geen rekening te houden met het feit dat rekwirante de leden van haar team er voortdurend op heeft gewezen dat zij met ziekteverlof was en dat zij gedurende die periode niet bij het werk van de afdeling betrokken wilde worden.
117 Het Gerecht heeft evenmin rekening gehouden met bijlage 10 bij het verzoekschrift in eerste aanleg, wat heeft geleid tot de onjuiste vaststelling in punt 24 van het bestreden arrest dat rekwirante geen zaak te behandelen had binnen haar afdeling.
118 Met het elfde onderdeel van het tweede middel betoogt rekwirante dat het Gerecht in punt 147 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat in de e‑mails tussen enerzijds het hoofd van afdeling C en de secretaris van afdeling A en anderzijds rekwirante, geen persoonlijke informatie is doorgegeven die haar recht op eerbiediging van haar privéleven kon aantasten. Aldus heeft het Gerecht de bescherming van het privéleven als bedoeld in de artikelen 7 en 8 van het Handvest en de relevante rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) onjuist beoordeeld. In dit verband blijkt uit het arrest van het EHRM van 22 februari 2018, Libert tegen Frankrijk (CE:ECHR:2018:0222JUD000058813, §§ 24 en 25), dat de al dan niet beroepsmatige context van de verwerking van persoonsgegevens op zich niet bepalend is voor de gevolgen ervan voor het privéleven van de betrokkene. Van wezenlijk belang zijn de aard van de gegevens zelf en de wijze waarop zij verband houden met dat privéleven.
119 Rekwirante voegt hieraan toe dat het Gerecht in punt 143 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat alle beroepsactiviteiten automatisch van de bescherming van het privéleven zijn uitgesloten, hetgeen in strijd is met artikel 7 van het Handvest en artikel 8 EVRM.
120 Bovendien is het Gerecht voorbijgegaan aan de rechtspraak van het EHRM inzake de negatieve en positieve verplichtingen van de verdragsluitende staten met betrekking tot de bescherming van het privéleven, het vereiste dat de inmenging in de privésfeer rechtmatig is, de beoordelingsmarge van die staten op dit gebied en het vereiste van effectieve rechtsbescherming tegen die inmenging.
121 De vaststelling van het Gerecht in punt 147 van het bestreden arrest dat de kwestie van het ziekteverlof van rekwirante in de betrokken e-mails slechts vaag en in een beroepsmatige context aan de orde werd gesteld, wordt tegengesproken door de punten 6, 11, 12 en 15 van het bestreden arrest.
122 De conclusie van het Gerecht in punt 149 van het bestreden arrest dat het „recht op gezondheid” van rekwirante niet is geschonden, is in strijd met de artikelen 7 en 8 van het Handvest en geeft aldus blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De betrokken e-mails en interacties waren weliswaar hoofdzakelijk professioneel van aard, maar hebben duidelijk inbreuk gemaakt op rekwirantes persoonlijke levenssfeer, met name wat haar ziekteverlof en haar „recht op gezondheid” betreft. In de punten 5 tot en met 7, 9, 11, 12 en 15 tot en met 18 van het bestreden arrest heeft het Gerecht het onderscheid tussen professionele en persoonlijke kwesties vervaagd. Rekwirante stelt dat de omstandigheid dat haar hiërarchieke meerderen haar tijdens haar ziekteverlof hebben gevraagd om bij te dragen aan de behandeling van lopende zaken en aan de besluitvorming over de verhuizing van kantoren, zoals het Gerecht in de punten 6, 7, 9, 11, 16 en 17 van het bestreden arrest heeft aangegeven, het goede verloop van dit verlof heeft verstoord en neerkwam op een inmenging in haar privéleven en „haar behoeften op gezondheidsgebied”.
123 Met het twaalfde onderdeel van het tweede middel, dat in wezen is ontleend aan tegenstrijdigheid van de motivering van het bestreden arrest, betoogt rekwirante dat het Gerecht zich in punt 100 van dat arrest heeft geconcentreerd op het organisatieplan in de zaken E, F en G, en daarbij heeft vastgesteld dat rekwirante niet is gevraagd om specifieke werkzaamheden te verrichten. Deze stelling wordt echter tegengesproken door de punten 7, 9 en 10 van dat arrest, die duiden op een grotere betrokkenheid van rekwirante.
124 In punt 101 van het bestreden arrest heeft het Gerecht opgemerkt dat het klopt dat het hoofd van afdeling C in de e-mails van 1 juli 2020 rekwirante vragen heeft gesteld met betrekking tot zaak E. Het Gerecht heeft echter geoordeeld dat, aangezien een antwoord op die vragen pas werd verwacht nadat rekwirante was teruggekeerd van ziekteverlof, de gevolgen van deze mededeling voor haar privésfeer minder groot waren. Deze overwegingen zijn in tegenspraak met punt 14 van het bestreden arrest.
125 Hoewel het Gerecht in punt 103 van het bestreden arrest wel melding maakt van het verzoek aan rekwirante om een videoconferentie bij te wonen, heeft het in punt 102 van dat arrest de hoffelijke aard van de berichten tussen haar en het hoofd van afdeling C benadrukt, hetgeen in tegenspraak is met de in de punten 11 en 12 van dat arrest vermelde feiten.
126 Wat de e-mails van 26 en 31 augustus 2020 betreft, heeft het Gerecht in punt 103 van het bestreden arrest aangegeven dat rekwirante ter goedkeuring een nieuwe versie van een verslag had ontvangen, maar dat zij de gevraagde werkzaamheden pas na haar terugkeer van ziekteverlof hoefde te verrichten. Deze stelling wordt tegengesproken door de overwegingen in de punten 16 en 17 van het bestreden arrest.
127 Wat de vraag betreft of het hoofd van afdeling C op de hoogte was van de in punt 105 van het bestreden arrest bedoelde verlengingen van het ziekteverlof van rekwirante, is de vaststelling van het Gerecht in punt 102 van dat arrest in tegenspraak met de vaststellingen in de punten 11, 16 en 18 ervan.
128 Rekwirante verwijt het Gerecht dat het in de punten 103 en 105 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat het hoofd van afdeling C niet volledig op de hoogte was van de verlengingen van haar ziekteverlof, terwijl in de punten 6, 11, 13 en 16 van dat arrest melding wordt gemaakt van haar berichten over de stand van dit verlof.
129 De vermelding in punt 147 van het bestreden arrest dat in de e-mails tussen rekwirante en het hoofd van afdeling C en de secretaris van afdeling A geen precieze datum voor haar terugkeer van ziekteverlof was vermeld, wordt tegengesproken door de vaststelling in punt 18 van dat arrest.
130 Volgens de Commissie is het tweede middel deels niet-ontvankelijk, deels niet ter zake dienend en deels ongegrond.
Beoordeling door het Hof
– Eerste en derde onderdeel van het tweede middel
131 Om het eerste en het derde onderdeel van het tweede middel te onderzoeken, moet er om te beginnen aan worden herinnerd dat het Gerecht in de punten 97 en 98 van het bestreden arrest het door rekwirante in haar repliek in eerste aanleg aangevoerde argument heeft onderzocht dat het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure onderdeel uitmaakte van voortdurend psychisch geweld jegens haar.
132 In punt 98 van dat arrest, waarnaar rekwirante in dit eerste onderdeel verwijst, is het Gerecht tot de slotsom gekomen dat uit rekwirantes schrifturen niet bleek dat er uitdrukkelijk een dergelijk argument was geformuleerd in het verzoekschrift in eerste aanleg of dat een dergelijk argument verband hield met een in het verzoekschrift geformuleerd middel of argument. Bijgevolg heeft het Gerecht dit argument niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 84, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering.
133 Met het eerste onderdeel van het tweede middel stelt rekwirante dat het Gerecht ambtshalve had moeten onderzoeken of de betrokken besluiten al dan niet in overeenstemming waren met de artikelen 59 en 90 van het Statuut, aangezien het daarin gaat om regels van openbare orde.
134 Artikel 59 van het Statuut betreft het ziekteverlof van ambtenaren en de materiële voorwaarden waaronder het TABG de invaliditeitscommissie kan inschakelen, terwijl artikel 90 van dat Statuut betrekking heeft op het nemen van een besluit door het TABG jegens een ambtenaar en op de mogelijkheid voor deze laatste om een klacht in te dienen tegen een voor hem bezwarend besluit.
135 In dit verband zij eraan herinnerd dat uit de regels inzake het procesverloop bij de rechterlijke instanties van de Unie – en met name uit artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 76 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht – volgt dat het geding in beginsel wordt bepaald en afgebakend door de partijen en dat de Unierechter niet ultra petita mag beslissen.
136 Hoewel bepaalde middelen – zoals een middel inzake ontbrekende of ontoereikende motivering van de beschikking in kwestie, dat wezenlijke vormvoorschriften betreft – ambtshalve mogen en zelfs moeten worden aangevoerd, mag een middel inzake de wettigheid ten gronde van deze beschikking, dat betrekking heeft op schending van de Verdragen of van enige uitvoeringsregeling daarvan in de zin van artikel 263 VWEU, alleen door de Unierechter worden onderzocht indien de verzoekende partij het heeft aangevoerd (arrest van 10 december 2013, Commissie/Ierland e.a., C‑272/12 P, EU:C:2013:812, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
137 Een middel ontleend aan schending van artikel 59 van het Statuut kan dus niet ambtshalve worden opgeworpen.
138 Wat artikel 90 van het Statuut betreft, heeft rekwirante niet toegelicht waarom de betrokken besluiten in strijd zouden zijn met deze bepaling en welk aan die bepaling ontleend middel het Gerecht volgens haar ambtshalve had moeten opwerpen. Bijgevolg voldoet dit deel van haar betoog niet aan de in punt 151 van het onderhavige arrest uiteengezette vereisten en moet het niet-ontvankelijk worden verklaard.
139 Met betrekking tot het derde onderdeel van het tweede middel, volgens hetwelk het Gerecht artikel 84, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering onjuist heeft uitgelegd en toegepast, zij eraan herinnerd dat volgens de bewoordingen van deze bepaling in de loop van het geding geen nieuwe middelen mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op juridische of feitelijke gegevens waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
140 Zoals in punt 132 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, is het door rekwirante in haar repliek in eerste aanleg aangevoerde argument dat het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure onderdeel uitmaakte van voortdurend psychisch geweld jegens haar, door het Gerecht niet-ontvankelijk verklaard uit hoofde van artikel 84, lid 1, van zijn Reglement, op grond dat het, zoals uiteengezet in punt 98 van het bestreden arrest, niet was gebaseerd op juridische of feitelijke gegevens waarvan eerst in de loop van de behandeling was gebleken, en het derhalve een nieuw middel in de zin van die bepaling vormde.
141 Door aldus te oordelen heeft het Gerecht in zijn redenering blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
142 Aangezien rekwirante zich in casu, zoals blijkt uit punt 97 van het bestreden arrest, had beroepen op de inleiding van de invaliditeitsprocedure, niet om een nieuwe feitelijke of juridische grond aan te voeren ter rechtvaardiging van de nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van het verzoek om bijstand, maar om het bestaan te staven van het psychische geweld waarop zij zich in haar verzoekschrift had beroepen, kon het Gerecht dit argument namelijk niet kwalificeren als een „nieuw middel” in de zin van artikel 84, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering, zonder de strekking van die bepaling te miskennen.
143 Evenwel moet worden vastgesteld dat het besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure is genomen op 21 mei 2021 en dus na de vaststelling van het besluit tot afwijzing van het verzoek om bijstand, dat dateert van 4 december 2020. Zoals ook het Gerecht in herinnering heeft gebracht in punt 81 van het bestreden arrest, moet de Unierechter, wat de rechtmatigheid van een besluit tot afwijzing van een verzoek om bijstand zoals het litigieuze besluit betreft, de gegrondheid van dat besluit beoordelen in het licht van de gegevens die – met name door de verzoeker om bijstand – ter kennis van de instelling waren gebracht op het moment waarop zij haar besluit nam (zie in die zin arrest van 26 januari 1989, Koutchoumoff/Commissie, 224/87, EU:C:1989:38, punt 20). Dit besluit tot inleiding van de invaliditeitsprocedure kan dus geen afbreuk doen aan de gegrondheid van de beoordelingen van het Gerecht.
144 Derhalve moet het eerste onderdeel van het tweede middel worden verklaard en het derde onderdeel daarvan dit middel worden afgewezen als niet ter zake dienend.
– Tweede onderdeel van het tweede middel
145 In het kader van het tweede onderdeel van het tweede middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het niet heeft opgemerkt dat de betrokken beschikking ontoereikend was gemotiveerd.
146 Zoals het Gerecht in punt 72 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht, is een handeling toereikend gemotiveerd wanneer deze tot stand komt in een context die de betrokken ambtenaar bekend is, zodat hij de strekking ervan kan begrijpen (zie in die zin arresten van 1 juni 1983, Seton/Commissie, 36/81, 37/81 en 218/81, EU:C:1983:152, punt 48, en 12 november 1996, Ojha/Commissie, C‑294/95 P, EU:C:1996:434, punt 18). Hieruit volgt volgens het Gerecht dat een motivering niet uitputtend hoeft te zijn, maar juist moet worden geacht te volstaan wanneer daarin de feiten en rechtsoverwegingen worden uiteengezet die in het bestek van het besluit van wezenlijk belang zijn (zie in die zin arresten van 27 april 2023, Casa Regina Apostolorum della Pia Società delle Figlie di San Paolo/Commissie, C‑492/21 P, EU:C:2023:354, punt 49, en 30 juni 2022, Fakro/Commissie, C‑149/21 P, EU:C:2022:517, punt 190).
147 In punt 73 van dat arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat de motiveringsplicht in casu niet inhoudt dat het TABG specifiek moet ingaan op alle door rekwirante overgelegde documenten. Deze rechter heeft daaraan toegevoegd dat uit het besluit tot afwijzing van het verzoek om bijstand, zoals aangevuld bij besluit R/138/21 tot afwijzing van de klacht, niet bleek dat die verplichting was geschonden, aangezien deze handelingen voldoende gemotiveerd waren en rekwirante in staat stelden om ze voor het Gerecht aan te vechten en het Gerecht in staat stelden om de rechtmatigheid ervan te onderzoeken.
148 Zoals het Gerecht terecht heeft vastgesteld in punt 73 van dat arrest, was het besluit tot afwijzing van het verzoek om bijstand, zoals aangevuld bij besluit R/138/21 tot afwijzing van het bezwaar, voldoende gemotiveerd, zodat rekwirante deze besluiten voor het Gerecht kon aanvechten en het Gerecht de wettigheid ervan kon toetsen.
149 In die omstandigheden moet het tweede onderdeel van het tweede middel ongegrond worden verklaard.
– Vierde onderdeel van het tweede middel
150 Met het vierde onderdeel van het tweede middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet te erkennen dat er sprake was van psychisch geweld jegens haar in de zin van artikel 12 bis van het Statuut, terwijl, ten eerste, de Commissie had moeten afzien van de inleiding van de invaliditeitsprocedure en, ten tweede, de context en het cumulatieve effect van de handelingen van het hoofd van afdeling C neerkwamen op dergelijk psychisch geweld.
151 In de eerste plaats moet het gedeelte van rekwirantes betoog betreffende het feit dat de Commissie ten aanzien van haar had moeten afzien van het inleiden van een invaliditeitsprocedure, niet-ontvankelijk worden verklaard. Volgens artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof moeten de aangevoerde middelen en juridische argumenten nauwkeurig aangeven tegen welke rechtsoverwegingen van de beslissing van het Gerecht zij zijn gericht. Zo moet een hogere voorziening volgens vaste rechtspraak, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de betreffende hogere voorziening of van het middel in kwestie, duidelijk aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij gericht is, en welke juridische argumenten die vordering specifiek staven (arrest van 28 september 2023, Changmao Biochemical Engineering/Commissie, C‑123/21 P, EU:C:2023:708, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In casu voldoet het betoog van rekwirante niet aan deze vereisten, aangezien het enkel verwijst naar het gedrag van de Commissie, zonder te verwijzen naar een van de rechtsoverwegingen van het bestreden arrest (zie naar analogie arrest van 29 juni 2023, TUIfly/Commissie, C‑763/21 P, EU:C:2023:528, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
152 Wat in de tweede plaats het argument betreft waarmee rekwirante het Gerecht verwijt dat het het in de punten 107 en 108 van het bestreden arrest bedoelde gedrag van het hoofd van afdeling C niet als psychisch geweld heeft aangemerkt en geen rekening heeft gehouden met de context waarin dit gedrag plaatsvond en met het cumulatieve effect van de handelingen van dat afdelingshoofd, volstaat de vaststelling dat het Gerecht in de punten 99 tot en met 111 van het bestreden arrest dit gedrag in detail heeft onderzocht, rekening houdend met de context ervan, zoals met name het feit dat het afdelingshoofd niet op de hoogte was van de verlenging van rekwirantes ziekteverlof.
153 Niettemin heeft het Gerecht in punt 107 van dat arrest erkend dat het ongepast was dat het hoofd van afdeling C contact opnam met rekwirante om haar te verzoeken om informatie over zaak G, de dag nadat zij met betrekking tot die zaak een verklaring van belangenconflict had ingediend. In punt 108 van dat arrest heeft het Gerecht evenwel zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting kunnen oordelen dat dit gedrag van het hoofd van afdeling C op zich niet kon neerkomen op psychisch geweld, temeer daar het rekwirante vrijstond om geen gevolg te geven aan het verzoek van het hoofd van afdeling C, aangezien deze laatste niet had aangedrongen op het verkrijgen van de gevraagde inlichtingen.
154 Het vierde onderdeel van het tweede middel moet dus gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond worden verklaard.
– Vijfde onderdeel van het tweede middel
155 Met het vijfde onderdeel van het tweede middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het niet heeft geoordeeld dat het gedrag van het hoofd van afdeling C had moeten leiden tot de inleiding van een onderzoek om na te gaan of deze persoon de krachtens de artikelen 11 bis, 12 en 12 bis van het Statuut op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen.
156 Volgens de in punt 151 van het onderhavige arrest bedoelde rechtspraak moet een hogere voorziening duidelijk aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke juridische argumenten die vordering specifiek staven, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening of het betrokken middel.
157 In casu geeft rekwirante niet aan op welke punten van het bestreden arrest het vijfde onderdeel van het tweede middel betrekking heeft, noch wat de relevantie is van de eventuele inleiding van een tuchtprocedure tegen het hoofd van afdeling C, welke kwestie losstaat van die van de toetsing van de wettigheid van het besluit tot afwijzing van het verzoek om bijstand, waarop het tweede middel van de hogere voorziening betrekking heeft.
158 Het vijfde onderdeel van het tweede middel moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard.
– Zesde onderdeel van het tweede middel
159 Met het zesde onderdeel van het tweede middel betoogt rekwirante in wezen dat het Gerecht, door het gedrag van de Commissie niet naar behoren te verhelpen, de artikelen 11 bis en 59 van het Statuut, het recht op waardigheid, het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens, zoals neergelegd in respectievelijk de artikelen 1, 7 en 8 van het Handvest, heeft geschonden. Ten tweede heeft het Gerecht in de punten 107 en 108 van het bestreden arrest de artikelen 11 en 21 van het Statuut geschonden door te concluderen dat er onvoldoende bewijs was om aan te tonen dat sprake was van psychisch geweld, terwijl het hoofd van afdeling C ongepast gedrag had vertoond.
160 Het eerste onderdeel van dit betoog komt er in werkelijkheid op neer dat het Gerecht wordt verweten onvoldoende rekening te hebben gehouden met de overgelegde bewijsstukken. Het staat echter niet aan het Hof om in hogere voorziening zijn eigen beoordeling van het bewijs in de plaats te stellen van die van het Gerecht, en met name de keuzen van het Gerecht in het kader van dat onderzoek te bekritiseren wanneer het besluit om zich te baseren op bepaalde aan zijn beoordeling voorgelegde bewijstukken en andere af te wijzen, tenzij het vaststelt dat het die bewijzen onjuist heeft opgevat (zie in die zin onder meer beschikking van 22 juni 2023, QN/Commissie, C‑720/22 P, EU:C:2023:536, punt 32).
161 Wat het tweede onderdeel van dat betoog betreft, moet worden opgemerkt dat het Gerecht in punt 108 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat het gedrag van het hoofd van afdeling C op zich geen psychisch geweld kan vormen. Het Gerecht heeft er namelijk op gewezen dat rekwirante in de betrokken e-mail de mogelijkheid was gelaten om geen gevolg te geven aan het verzoek van het hoofd van afdeling C en dat bovendien uit het dossier niet bleek dat deze laatste erop had aangedrongen om de gevraagde inlichtingen te verkrijgen. Op 25 september 2020 heeft het hoofd van afdeling C, na rekwirante te hebben meegedeeld dat de verklaring van belangenconflict was aanvaard, haar bevestigd dat zij van de betrokken zaak was ontheven en dat zij bijgevolg geen lopende zaken meer had binnen haar afdeling.
162 In het kader van het zesde onderdeel van het tweede middel geeft rekwirante niet met de overeenkomstig de in punt 151 van het onderhavige arrest bedoelde rechtspraak vereiste mate van nauwkeurigheid aan op welke onjuiste rechtsopvatting de redenering van het Gerecht zou berusten.
163 Het zesde onderdeel van het tweede middel moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard.
– Zevende onderdeel van het tweede middel
164 Met het zevende onderdeel van het tweede middel stelt rekwirante dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de bewijslast voor psychisch geweld op het slachtoffer rust.
165 In dit verband volstaat het op te merken dat deze stelling op een onjuiste lezing van het bestreden arrest berust.
166 In punt 78 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat, wanneer er uit hoofde van artikel 90, lid 1, van het Statuut bij de administratie een verzoek om bijstand in de zin van artikel 24 van het Statuut wordt ingediend, deze administratie op grond van de bijstandsplicht, en indien zij wordt geconfronteerd met een incident dat in een ordelijke, rustige ambtelijke sfeer geen pas geeft, met de nodige inzet moet optreden. Voorts moet zij met de door de omstandigheden van het concrete geval vereiste spoed en zorg optreden om de feiten te achterhalen en daar, met kennis van zaken, de passende consequenties aan te verbinden. Hiertoe volstaat het dat de ambtenaar of functionaris die aanspraak maakt op de bescherming van zijn instelling, een begin van bewijs levert van de aanvallen waarvan hij naar eigen zeggen het slachtoffer is geweest. Is dit het geval, dan dient de betrokken instelling passende maatregelen te nemen, en met name een administratief onderzoek in te stellen teneinde in samenwerking met de klager de feiten vast te stellen die aan zijn klacht ten grondslag liggen.
167 In de punten 80 en 94 van dat arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat wanneer, zoals in casu, de verklaringen in het verzoek om bijstand betrekking hebben op psychisch geweld, het aan de verzoeker om bijstand staat om een begin van bewijs van dat geweld te leveren aan de hand van de definitie in artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut, die luidt: „iedere vorm van opzettelijk onbehoorlijk gedrag […] dat zich gedurende lange tijd herhaaldelijk of systematisch voordoet in de vorm van gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften die de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of de psychische integriteit van de [verzoeker] kunnen aantasten”.
168 Anders dan rekwirante stelt, heeft het Gerecht in het kader van zijn beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit tot afwijzing van het verzoek om bijstand dus niet uitgesloten dat de betrokken instelling verplicht was om passende maatregelen te nemen, met name door een administratief onderzoek in te stellen teneinde de aan de klacht ten grondslag liggende feiten vast te stellen.
169 Het klopt dat het Gerecht heeft geoordeeld dat deze verplichting van de betrokken instelling vooronderstelt dat de betrokken ambtenaar of functionaris een begin van bewijs levert van het bestaan van de gedragingen waarvan hij stelt het slachtoffer te zijn geweest. Daarmee heeft het Gerecht echter geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De administratie kan immers niet worden verplicht een administratief onderzoek in te stellen op basis van loutere beweringen van een ambtenaar of functionaris (arrest van 7 december 2023, HV en HW/ECDC, C‑615/22 P, EU:C:2023:961, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
170 Het zevende onderdeel van het tweede middel moet dus ongegrond worden verklaard.
– Achtste onderdeel van het tweede middel
171 Voor het onderzoek van het achtste onderdeel van het tweede middel, volgens hetwelk het Gerecht artikel 21 van het Statuut heeft geschonden, zij eraan herinnerd dat het Gerecht in punt 104 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat het hoofd van afdeling C met betrekking tot de e-mails van 26 en 31 augustus 2020 had gespecificeerd dat de door haar gevraagde werkzaamheden pas na afloop van rekwirantes ziekteverlof hoefden te worden uitgevoerd.
172 Wat de in punt 108 van het bestreden arrest bedoelde e-mail van 8 september 2020 betreft, heeft het Gerecht ook vastgesteld dat rekwirante in die e-mail de mogelijkheid was gelaten om geen gevolg te geven aan het verzoek van het hoofd van afdeling C.
173 Opgemerkt zij dat rekwirante in haar hogere voorziening niet heeft uitgelegd waarom deze feitelijke vaststellingen van het Gerecht in strijd zouden zijn met artikel 21 van het Statuut, dat bepaalt dat ambtenaren hun meerderen moeten bijstaan en adviseren en verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de hun toevertrouwde taken. Rekwirante heeft in die hogere voorziening weliswaar ook aangevoerd dat het verzoek van het hoofd van afdeling C haar in een situatie had gebracht waarin zij ofwel haar verplichting krachtens artikel 11 bis van het Statuut om geen enkele zaak te behandelen waarin zij direct of indirect een „persoonlijk belang” had, ofwel haar verplichting krachtens artikel 21 van het Statuut om haar hiërarchieke meerderen bij te staan en te adviseren, moest schenden, maar zij heeft niet voldoende duidelijk gemaakt hoe die omstandigheid, indien deze als bewezen wordt beschouwd, aantoont dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
174 Het achtste onderdeel van het tweede middel moet dus ongegrond worden verklaard.
– Negende onderdeel van het tweede middel
175 Met het negende onderdeel van het tweede middel betoogt rekwirante dat het Gerecht, in strijd met de algemene aanbevelingen van de Commissie op het gebied van gezondheid op het werk, heeft nagelaten de weigering van de Commissie om haar verzoek om flexibele werktijden in te willigen en de verzoeken om extra werk te verrichten buiten het kader van haar tewerkstelling, te onderzoeken.
176 Dienaangaande volstaat de vaststelling dat rekwirante zich in haar verzoekschrift in eerste aanleg niet had beklaagd over de weigering van de Commissie om haar verzoek om flexibele werktijden in te willigen, noch over een gebrek aan naleving van de algemene aanbevelingen van de Commissie op het gebied van gezondheid op het werk, zodat deze argumenten als nieuw moeten worden beschouwd.
177 Volgens vaste rechtspraak zou, mocht een partij worden toegestaan om een middel dat zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd voor het eerst voor het Hof aan te voeren, dit betekenen dat die partij wordt toegestaan om bij het Hof, dat in hogere voorziening een beperkte bevoegdheid heeft, een geschil aanhangig te maken met een ruimere strekking dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen. In hogere voorziening is het Hof dan ook alleen bevoegd om te oordelen over de rechtsbeslissing die is gegeven ten aanzien van de middelen en argumenten die voor de rechter in eerste aanleg zijn aangevoerd (arrest van 27 februari 2025, OA/Parlement, C‑32/24 P, EU:C:2025:118, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
178 In die omstandigheden moet het negende onderdeel van het tweede middel niet-ontvankelijk worden verklaard.
– Tiende onderdeel van het tweede middel
179 Met het tiende onderdeel van het tweede middel verwijt rekwirante het Gerecht verschillende feiten en bewijsstukken onjuist te hebben opgevat.
180 In dit verband zij eraan herinnerd dat de gestelde onjuiste opvatting duidelijk moet blijken uit de stukken van het dossier, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw hoeven te worden beoordeeld. Een dergelijke onjuiste opvatting veronderstelt dat het Gerecht de grenzen van een redelijke beoordeling van het bewijs kennelijk heeft overschreden. In dit verband volstaat het niet om aan te tonen dat een document kan worden opgevat op een wijze die verschilt van die van het Gerecht. Daartoe moet de rekwirant precies aangeven welke elementen het Gerecht volgens hem onjuist heeft opgevat en aantonen welke fouten in de analyse het Gerecht tot die onjuiste opvatting hebben gebracht (arrest van 27 maart 2025, XH/Commissie, C‑91/23 P, EU:C:2025:219, punten 28 en 49).
181 Gelet op deze vereisten volstaat het in de punten 113 tot en met 117 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog van rekwirante niet om de gestelde onjuiste opvattingen aan te tonen.
182 Het tiende onderdeel van het tweede middel moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard.
– Elfde onderdeel van het tweede middel
183 Met het elfde onderdeel van het tweede middel betoogt rekwirante dat het Gerecht om de in de punten 118 tot en met 122 van het onderhavige arrest uiteengezette redenen de in artikel 7 van het Handvest en artikel 8 EVRM verankerde bescherming van het privéleven en de in artikel 8 van het Handvest neergelegde bescherming van persoonsgegevens onjuist heeft beoordeeld.
184 In dit verband moet worden opgemerkt dat rekwirantes stellingen met betrekking tot punt 143 van het bestreden arrest berusten op een onjuiste premisse, aangezien het Gerecht in dat punt van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat, volgens de rechtspraak van het EHRM, het „privéleven” een ruim begrip is en er geen principiële reden bestaat om beroeps- of handelsactiviteiten uit te sluiten van dit begrip in de zin van artikel 8 EVRM.
185 Opgemerkt zij immers dat het Gerecht in punt 145 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht dat, volgens de rechtspraak van het EHRM (EHRM, 22 februari 2018, Libert tegen Frankrijk, CE:ECHR:2018:0222JUD000058813, §§ 24 en 25), om te kunnen concluderen dat vanaf de werkplek verzonden e-mails onder de artikelen 7 en 8 van het Handvest vallen, zij niet-professionele gegevens moeten bevatten, dat wil zeggen gegevens die tot het privéleven van de betrokkene behoren.
186 Anders dan rekwirante stelt, heeft het Gerecht, door deze rechtspraak in herinnering te brengen en toe te passen, de professionele context dus niet als doorslaggevend criterium beschouwd.
187 Wat rekwirantes stelling betreft dat de vaststelling van het Gerecht, in punt 147 van het bestreden arrest, dat de kwestie van het ziekteverlof in de betrokken e-mails slechts vaag en in een beroepsmatige context aan de orde is gesteld, wordt tegengesproken door de punten 6, 11, 12 en 15 van het bestreden arrest, volstaat de opmerking dat deze berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Waar het Gerecht in punt 147 van het bestreden arrest verwijst naar de omstandigheid dat rekwirantes ziekteverlof vaag en in een beroepsmatige context aan de orde is gesteld, staat dit in verband met de e-mails tussen het hoofd van afdeling C en de secretaris van afdeling A enerzijds en rekwirante anderzijds.
188 Alleen de punten 6 en 11 van het bestreden arrest hebben betrekking op dergelijke e-mails. Verder beperkt rekwirante zich met betrekking tot deze punten tot een samenvatting van de inhoud ervan en een aanduiding van de gevolgen die zij uit die punten trekt, zonder evenwel met de nodige nauwkeurigheid uit te leggen in welk opzicht die punten in tegenspraak zijn met punt 147 van het bestreden arrest. Deze stelling is dus niet-ontvankelijk.
189 Wat de stelling van rekwirante betreft dat het Gerecht is voorbijgegaan aan de rechtspraak van het EHRM inzake de negatieve en positieve verplichtingen van de verdragsluitende staten met betrekking tot de bescherming van het privéleven, aan het vereiste dat enige inmenging in de privésfeer rechtmatig moet zijn, aan de beoordelingsmarge die deze staten hierbij hebben en aan het vereiste van een effectieve rechtsbescherming tegen een dergelijke inmenging, moet worden vastgesteld dat een dergelijke bewering te vaag is en dus niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
190 Met betrekking tot rekwirantes argument dat het Gerecht de artikelen 7 en 8 van het Handvest heeft geschonden door in punt 149 van het bestreden arrest te oordelen dat er geen sprake is van een schending van haar „recht op gezondheid”, volstaat het om eraan te herinneren dat het Gerecht in dat punt heeft geoordeeld dat het TABG, gelet op de vaststellingen in de punten 99 tot en met 115 van dat arrest, geen beoordelingsfout had gemaakt door te oordelen dat rekwirante geen begin van bewijs had geleverd van psychisch geweld als gevolg van verplichtingen om werk te verrichten of van een verzoek om tijdens haar ziekteverlof haar kantoor te verhuizen.
191 Met dit argument wordt in werkelijkheid beoogd de feitelijke beoordelingen van het Gerecht ter discussie te stellen, die, bij gebreke van een onjuiste opvatting van de gegevens waarop het Gerecht zich heeft gebaseerd, niet vatbaar zijn voor toetsing door het Hof in het stadium van de hogere voorziening.
192 Bijgevolg moet dit argument niet-ontvankelijk worden verklaard.
193 Het elfde onderdeel van het tweede middel moet dus gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
– Twaalfde onderdeel van het tweede middel
194 In het kader van het twaalfde onderdeel van het tweede middel betoogt rekwirante dat de motivering van het bestreden arrest op verschillende punten tegenstrijdig is.
195 In de eerste plaats heeft het Gerecht in punt 100 van dat arrest geoordeeld dat de in de punten 17 en 20 van het onderhavige arrest vermelde e‑mailuitwisselingen van 8 en 9 juni 2020 geen tot rekwirante gericht verzoek om werkzaamheden uit te voeren bevatten, hetgeen volgens haar wordt tegengesproken door de vaststellingen van het Gerecht in de punten 7, 9 en 10 van het bestreden arrest.
196 Vastgesteld moet echter worden dat uit deze elektronische uitwisselingen van 8 en 9 juni 2020, die in de punten 7, 9 en 10 van het bestreden arrest zijn vermeld, niet blijkt dat deze een dergelijk verzoek bevatten.
197 Ten eerste heeft het Gerecht namelijk in punt 7 van dat arrest verwezen naar een e-mail die een lid van afdeling A op 8 juni 2020 aan rekwirante en het hoofd van afdeling A had gezonden. Het Gerecht heeft er weliswaar op gewezen dat deze e-mail, die betrekking had op de drie in punt 13 van het onderhavige arrest genoemde zaken, opmerkingen en suggesties bevatte voor de volgende stappen in de behandeling van die zaken, maar een dergelijke vaststelling impliceert niet dat dit lid van afdeling A rekwirante had verzocht om werkzaamheden uit te voeren, gesteld al dat dit lid daartoe bevoegd was. Overigens heeft het Gerecht in punt 7 van het bestreden arrest vastgesteld dat het hoofd van afdeling A op die e-mail had geantwoord dat het betrokken lid van afdeling A, gelet op rekwirantes verlof, het hoofd van afdeling C moest raadplegen om te vernemen of laatstgenoemde de betrokken zaken wenste af te sluiten vóór de reorganisatie van OLAF op 16 juni 2020, dan wel of zij wilde wachten op de terugkeer van rekwirante van ziekteverlof, wat na die datum zou zijn.
198 Ten tweede heeft het Gerecht in punt 9 van het bestreden arrest opgemerkt dat de secretaris van afdeling A rekwirante op 8 juni 2020 een e-mail had gestuurd over haar wijziging van kantoor in verband met de in punt 14 van het onderhavige arrest bedoelde interne reorganisatie van OLAF. In deze e‑mail werd haar inderdaad gevraagd of zij, gelet op haar ziekteverlof tot en met 22 juni 2020, een derde toestemming zou verlenen om vóór die datum de verhuizing van haar spullen voor te bereiden. Een dergelijk verzoek om toestemming kan echter niet worden gelijkgesteld met een tot rekwirante gericht verzoek om werkzaamheden te verrichten.
199 Ten derde heeft het Gerecht in punt 10 van het bestreden arrest vastgesteld dat het hoofd van afdeling C op 9 juni 2020 de in punt 7 van dat arrest vermelde e-mails had beantwoord door aan te geven dat het haar, gelet op de omstandigheden, zeer moeilijk leek om de betrokken zaken vóór 16 juni 2020 af te sluiten. Ook hier moet worden geoordeeld dat een dergelijke vaststelling niet kan impliceren dat er sprake is van een tot rekwirante gericht verzoek om werkzaamheden uit te voeren.
200 Wat in de tweede plaats de vermeende tegenstrijdigheid tussen de punten 101 en 14 van het bestreden arrest betreft, zij eraan herinnerd dat het Gerecht zich in dat eerste punt heeft uitgesproken over de in punt 14 van het bestreden arrest vermelde e-mails van 1 juli 2020, waarin het hoofd van afdeling C rekwirante vragen stelde over zaak E. In dit verband heeft het Gerecht benadrukt dat deze uitwisselingen weliswaar bestonden in een verzoek om informatie over die zaak met het oog op de analyse van het door rekwirante opgestelde verslag, maar dat het hoofd van afdeling C ook had verduidelijkt dat er pas een antwoord van rekwirante werd verwacht nadat zij met ziekteverlof was teruggekeerd.
201 Deze overwegingen van het Gerecht zijn geenszins in tegenspraak met de vaststelling in punt 14 van het bestreden arrest dat, ten eerste, het hoofd van afdeling C op 1 juli 2020 twee e-mails aan rekwirante heeft gezonden waarin zij haar vragen over zaak E stelde, en, ten tweede, rekwirante daar op 6 juli op heeft geantwoord.
202 In de derde plaats betoogt rekwirante dat de vaststelling van het Gerecht in punt 102 van het bestreden arrest betreffende de beleefde toon van de aan haar gerichte e-mails, waaronder de uitnodiging voor een videoconferentie, in tegenspraak is met de in de punten 11 en 12 van dat arrest uiteengezette feiten.
203 Dit argument van rekwirante berust op een onjuiste lezing van punt 102 van het bestreden arrest.
204 In dat punt heeft het Gerecht gewezen op de beleefde en respectvolle toon van alle in de punten 100 en 101 van het bestreden arrest genoemde e-mails tussen het hoofd van afdeling C en rekwirante.
205 Ten eerste geven deze vaststelling en die in de punten 11 en 12 van het bestreden arrest geen blijk van enige tegenstrijdige motivering. Terwijl de in de punten 100 en 101 van het bestreden arrest bedoelde e-mails dateren van 8 en 9 juni 2020 en 1 juli 2020, dateren de e-mails bedoeld in de punten 11 en 12 van dat arrest immers van 23 juni 2020.
206 Ten tweede, zelfs al wordt ervan uitgegaan dat rekwirante in werkelijkheid de lezing die het Gerecht heeft gegeven aan de in de punten 100 en 101 van dat arrest bedoelde e-mails wilt betwisten door zich te baseren op de e-mails bedoeld in de punten 11 en 12 van dat arrest, moet een dergelijk argument worden afgewezen, aangezien het, zoals in punt 160 van het onderhavige arrest reeds in herinnering is gebracht, niet aan het Hof staat om in hogere voorziening zijn eigen beoordeling van het bewijs in de plaats te stellen van die van het Gerecht.
207 Wat het argument van rekwirante betreft dat de vermelding in punt 103 van het bestreden arrest van het feit dat rekwirante het betrokken werk pas hoefde te verrichten na haar terugkeer van ziekteverlof, in tegenspraak is met de vaststellingen van het Gerecht in de punten 16 en 17 van dat arrest, dient te worden vastgesteld dat rekwirante met dit betoog in werkelijkheid niet ziet op punt 103 van het bestreden arrest, maar op punt 104 daarvan, aangezien het Gerecht juist in dit laatste punt heeft geoordeeld dat het hoofd van afdeling C, wat de e-mails van 26 en 31 augustus 2020 betreft, erop had toegezien te verduidelijken dat het door haar gevraagde werk pas na afloop van rekwirantes ziekteverlof hoefde te worden uitgevoerd.
208 Deze overweging van het Gerecht is echter niet in tegenspraak met de punten 16 en 17 van het bestreden arrest.
209 Het klopt dat het Gerecht in punt 16 van het bestreden arrest heeft opgemerkt dat het hoofd van afdeling C rekwirante had verzocht om de inhoud van een nieuw ontwerpeindverslag in zaak E goed te keuren en haar had gevraagd of zij bepaalde verificaties bij het EOB kon verrichten, hetgeen neerkomt op een aan rekwirante gericht verzoek om werkzaamheden uit te voeren. In datzelfde punt van het bestreden arrest heeft het Gerecht echter ook opgemerkt dat dit afdelingshoofd in een tweede aan rekwirante gerichte e-mail had verduidelijkt dat de e-mail van 26 augustus 2020, die – ter goedkeuring – een nieuw ontwerpeindverslag in een zaak bevatte, haar was toegestuurd om deze bij terugkeer van ziekteverlof te behandelen. In punt 104 van het bestreden arrest heeft het Gerecht op algemene wijze verwezen naar de e-mails van 26 en 31 augustus 2020, zonder te beweren dat deze laatste verduidelijking was gemaakt in de eerste e-mail van 26 augustus 2020.
210 In punt 17 van het bestreden arrest heeft het Gerecht weliswaar opgemerkt dat het hoofd van afdeling C in een eerste e-mail van 31 augustus 2020 had aangeduid op rekwirante te rekenen om bij haar terugkeer van verlof meerdere zaken af te sluiten, en dat zij haar op dezelfde dag nog twee andere e-mails had gestuurd, die respectievelijk een gewijzigd ontwerpeindverslag in een zaak en een nieuw eindverslag in een andere zaak bevatten, maar dit afdelingshoofd had verduidelijkt dat rekwirante deze pas bij haar terugkeer van ziekteverlof diende te behandelen.
211 In de vierde plaats is de vaststelling van het Gerecht in punt 105 van het bestreden arrest dat het hoofd van afdeling C niet op de hoogte was van de opeenvolgende verlengingen van haar ziekteverlof, volgens rekwirante in tegenspraak met de punten 6, 11, 13, 16 en 18 van dat arrest.
212 In dit verband moet worden vastgesteld dat punt 6 van het bestreden arrest betrekking heeft op een e-mail die rekwirante op 2 juni 2020 aan de leden van afdeling A heeft gezonden, maar dat dit punt geen melding bevat van de kennis van de kant van het hoofd van afdeling C van rekwirantes ziekteverlof.
213 In punt 11 van het bestreden arrest heeft het Gerecht evenmin vastgesteld dat het hoofd van afdeling C op de hoogte was van de verlengingen van dat verlof. Integendeel, in dit punt wordt juist vermeld dat rekwirante deze ambtenaar enkel in antwoord op haar e-mail heeft meegedeeld dat zij nog steeds met ziekteverlof was.
214 Punt 13 van het bestreden arrest vermeldt enkel dat de secretaris van afdeling A rekwirante op 30 juni 2020 een nieuwe e-mail heeft gestuurd met de vraag of zij een besluit had genomen over de verhuizing van haar kantoor.
215 In punt 16 van het bestreden arrest heeft het Gerecht aangegeven dat het rekwirante was die, in antwoord op een e-mail van het hoofd van afdeling C van 26 augustus 2020, laatstgenoemde in kennis stelde van de verlenging van haar ziekteverlof.
216 In punt 18 van het bestreden arrest heeft het Gerecht enkel opgemerkt dat rekwirante op 6 september 2020 op de e-mail van het hoofd van afdeling C van 31 augustus 2020 heeft geantwoord dat haar ziekteverlof was verlengd en dat de betrokken zaken zonder haar tussenkomst konden worden afgesloten.
217 In de vijfde plaats betoogt rekwirante dat de vaststelling, in punt 147 van het bestreden arrest, dat in de tussen haar en het hoofd van afdeling C en de secretaris van afdeling A uitgewisselde e-mails geen specifieke datum was vermeld voor haar terugkeer van ziekteverlof, wordt tegengesproken door de inhoud van punt 18 van dat arrest.
218 In dit verband volstaat het eraan te herinneren dat het Gerecht in punt 18 van het bestreden arrest heeft opgemerkt dat rekwirante op 6 september 2020 op de e-mail van het hoofd van afdeling C van 31 augustus 2020 heeft geantwoord dat haar ziekteverlof was verlengd en dat de betrokken zaken zonder haar tussenkomst konden worden afgesloten.
219 Daaruit blijkt echter niet dat het Gerecht heeft vastgesteld dat er een precieze datum is aangeduid waarop rekwirante zou terugkeren van ziekteverlof.
220 Aangezien geen van de verschillende argumenten die rekwirante aanvoert om hard te maken dat het Gerecht zijn arrest tegenstrijdig heeft gemotiveerd, gegrond is gebleken, moet het twaalfde onderdeel van het tweede middel ongegrond worden verklaard.
221 Bijgevolg moet het tweede middel in zijn geheel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond worden verklaard.
222 Aangezien alle tot staving van de hogere voorziening aangevoerde middelen zijn afgewezen, moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
Kosten
223 Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd.
224 Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in haar eigen kosten en in die van de Commissie.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) XH wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van de Europese Commissie.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 10 september 2024, C-29/22, ECLI:EU:C:2024:725
- HvJ EU 28 september 2023, C-123/21, ECLI:EU:C:2023:708
- HvJ EU 25 juni 2020, C-14/19, ECLI:EU:C:2020:492
- HvJ EU 10 december 2013, C-272/12, ECLI:EU:C:2013:812
- HvJ EU 18 maart 1997, C-282/95, ECLI:EU:C:1997:159
- HvJ EU 14 februari 1989, 346/87, ECLI:EU:C:1989:59