HvJ EU 29 januari 2026, C-654/24, ECLI:EU:C:2026:57

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

29 januari 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Sociale politiek – Richtlijn 1999/70/EG – Raamovereenkomst EVV, Unice en CEEP inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Clausule 4 – Non-discriminatiebeginsel – Vergoeding die wordt toegekend in de vorm van een elektronische kaart om de bijscholing van docenten te bevorderen en hun beroepsvaardigheden te verbeteren – Toekenning die is voorbehouden aan docenten in vaste dienst – Discriminatie van docenten met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd – Nationale rechtspraak op grond waarvan het betreffende voordeel niet achteraf aan de betrokken docenten kan worden toegekend wanneer zij niet langer deel uitmaken van het onderwijsstelsel – Vervanging, onder bepaalde voorwaarden, door een recht op vergoeding van de geleden schade”

In zaak C‑654/24 [Bariello] ( i ),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunale ordinario di Ravenna (rechter in eerste aanleg Ravenna, Italië) bij beslissing van 8 oktober 2024, ingekomen bij het Hof op 8 oktober 2024, in de procedure

M.M.

tegen

Ministero dell’Istruzione e del Merito,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, J. Passer, E. Regan, D. Gratsias en B. Smulders (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– M.M., vertegenwoordigd door S. Solidoro, avvocato,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino als gemachtigde, bijgestaan door L. Fiandaca, avvocata dello Stato,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Delaude en D. Recchia als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van clausule 4 van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (hierna: „raamovereenkomst”), die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB 1999, L 175, blz. 43), alsmede van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen M.M., voormalig docent met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, en het Ministero dell’Istruzione e del Merito (ministerie van Onderwijs en Verdiensten, Italië; hierna: „ministerie”) over de weigering om haar voor de schooljaren 2020/2021 tot en met 2023/2024 de jaarlijkse vergoeding toe te kennen in de vorm van een elektronische kaart waarmee docenten verschillende goederen en diensten kunnen kopen, die wordt toegekend om de bijscholing van docenten te bevorderen en hun beroepsvaardigheden te verbeteren.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Volgens artikel 1 van richtlijn 1999/70 is deze gericht op „de uitvoering van de [...] raamovereenkomst”.

4 Clausule 2 („Werkingssfeer”) van de raamovereenkomst bepaalt in punt 1 het volgende: „Deze overeenkomst is van toepassing op werknemers met een contract voor bepaalde tijd die werken uit hoofde van een arbeidsovereenkomst of een arbeidsverhouding, als omschreven bij wet, collectieve overeenkomsten of gebruiken in iedere lidstaat.”

5 Clausule 3 van de raamovereenkomst, met als opschrift „Definities”, luidt als volgt: „In deze overeenkomst wordt verstaan onder: 1. ‚werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd’: iemand met een rechtstreeks tussen een werkgever en een werknemer aangegane arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding voor bepaalde tijd waarvan het einde wordt bepaald door objectieve voorwaarden zoals het bereiken van een bepaald tijdstip, het voltooien van een bepaalde taak of het intreden van een bepaalde gebeurtenis; 2. ‚vergelijkbare werknemer in vaste dienst’: een werknemer met een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding voor onbepaalde tijd, in dezelfde vestiging, die hetzelfde of soortgelijk werk verricht of dezelfde of een soortgelijke functie uitoefent, waarbij rekening wordt gehouden met kwalificaties/bekwaamheden. [...]”

6 Clausule 4 („Non-discriminatiebeginsel”) van de raamovereenkomst bepaalt in punt 1: „Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden worden werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd louter op grond van het feit dat zij voor bepaalde tijd werken, niet minder gunstig behandeld dan vergelijkbare werknemers in vaste dienst, tenzij het verschil in behandeling om objectieve redenen gerechtvaardigd is.”

Italiaans recht

7 Artikel 1 van legge n. 107 – Riforma del sistema nazionale di istruzione e formazione e delega per il riordino delle disposizioni legislative vigenti (wet nr. 107 inzake de hervorming van het nationaal onderwijs‑ en opleidingsstelsel en de delegatie van bevoegdheid om de bestaande wetgeving te herzien) van 13 juli 2015 (GURI nr. 162 van 15 juli 2015; hierna: „wet nr. 107/2015”) bepaalt in de leden 121 en 122: „121. Ter ondersteuning van de bijscholing van docenten en ter bevordering van hun beroepsvaardigheden wordt de elektronische kaart voor de nascholing en opleiding van docenten in vaste dienst bij alle soorten onderwijsinstellingen ingevoerd, met inachtneming van het in lid 123 genoemde uitgavenplafond. De kaart met een nominale waarde van 500 EUR per schooljaar kan worden gebruikt voor de aankoop van boeken en leerboeken, ook in digitale vorm, en van publicaties en tijdschriften die nuttig zijn voor bijscholing; voor de aankoop van hard- en software; voor de inschrijving voor nascholingen en cursussen ter beoordeling van de beroepsvaardigheden die worden uitgevoerd door organisaties die bij het [ministerie] zijn geaccrediteerd; voor bachelor‑ of masteropleidingen – gespecialiseerd of van één cyclus – in verband met het beroepsprofiel, of voor cursussen van de derde cyclus of universitaire masteropleidingen in verband met het beroepsprofiel; voor het bijwonen van theatervoorstellingen en filmvertoningen; voor toegang tot musea, tentoonstellingen, culturele manifestaties, live-uitvoeringen, en voor initiatieven die stroken met de activiteiten die in het kader van het driejarige opleidingsplan voor scholen en het nationale opleidingsplan als bedoeld in lid 124 zijn vastgesteld. Het bedrag op de kaart vormt geen aanvullend salaris of belastbaar inkomen. 122. Bij besluit van de voorzitter van de ministerraad, in overleg met het [ministerie] en het ministerie van Economie en Financiën, dat moet worden vastgesteld binnen zestig dagen na de datum van inwerkingtreding van deze wet, worden de criteria en de procedures vastgesteld voor de toewijzing en het gebruik van de in lid 121 bedoelde kaart, het toe te wijzen bedrag, binnen de grenzen van de in lid 123 genoemde beschikbare middelen, rekening houdend met het openbaar systeem voor de digitale identiteit, alsmede de procedures voor de verlening van de aan die kaart verbonden faciliteiten en voordelen.”

8 Het decreto del Presidente del Consiglio dei Ministri recante Disciplina delle modalità di assegnazione e utilizzo della Carta elettronica per l’aggiornamento e la formazione del docente di ruolo delle istituzioni scolastiche di ogni ordine e grado (decreet van de voorzitter van de ministerraad tot regeling van de modaliteiten voor de toekenning en het gebruik van de elektronische kaart voor de nascholing en opleiding van docenten in vaste dienst bij alle soorten onderwijsinstellingen) van 28 november 2016 (GURI nr. 281 van 1 december 2016), dat is vastgesteld krachtens artikel 1, lid 122, van wet nr. 107/2015, bepaalt in artikel 3, lid 2: „Na beëindiging van de dienst kan geen gebruik meer worden gemaakt van de kaart [bedoeld in artikel 1, lid 121, van wet nr. 107/2015].”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

9 Tijdens de vier schooljaren 2020/2021 tot en met 2023/2024 heeft het ministerie M.M. tewerkgesteld als docent met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

10 Aangezien haar voor deze schooljaren geen recht op de elektronische kaart als bedoeld in artikel 1, lid 121, van wet nr. 107/2015 (hierna: „betrokken elektronische kaart”) werd toegekend, heeft M.M. op 5 april 2024 bij de verwijzende rechter, de Tribunale ordinario di Ravenna (rechter in eerste aanleg Ravenna, Italië), beroep ingesteld waarin zij vordert dat het ministerie ertoe wordt veroordeeld om haar, primair, overeenkomstig de voorwaarden voor de toekenning en het gebruik van de betrokken elektronische kaart, de jaarlijkse vergoeding van 500 EUR te verstrekken waarop deze kaart in elk schooljaar recht geeft en, subsidiair, een totaalbedrag van 2000 EUR te betalen.

11 De verwijzende rechter zet om te beginnen uiteen dat de betrokken elektronische kaart, die tot doel heeft de bijscholing van docenten te ondersteunen, wordt aangeboden in de vorm van een internetapplicatie die een aankoopcode of een aankoopbon voor de docent genereert voor de goederen of diensten die hij eerder heeft geselecteerd, en dat de betrokken handelaar deze kaart alleen kan accepteren voor producten die aan het regelgevingskader voldoen. Na de aankoop van een product of dienst krijgt de handelaar een vordering tot betaling van het overeenkomstige bedrag op het ministerie.

12 Deze rechter verduidelijkt bovendien dat de betrokken elektronische kaart aanvankelijk krachtens artikel 1, lid 121, van wet nr. 107/2015 uitsluitend werd toegekend aan docenten in vaste dienst. Uit de beschikking van 18 mei 2022, Ministero dell’istruzione (Elektronische kaart) (C‑450/21, EU:C:2022:411), volgt evenwel dat deze wet in strijd is met clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst, aangezien docenten als M.M., die een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd hebben, van het voordeel van deze kaart zijn uitgesloten.

13 Volgens de verwijzende rechter leek uit deze beschikking voor docenten met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd een recht op toekenning van de betrokken elektronische kaart voort te vloeien. De Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) heeft bij beslissing nr. 29961/2023 van 4 oktober 2023 de modaliteiten voor het instellen van een beroep in rechte ter verkrijging van een dergelijk recht echter in meerdere opzichten beperkt door met name te oordelen dat personen aan wie ten onrechte het voordeel van deze kaart is onthouden, alleen dan achteraf nog recht hebben op de toekenning van deze kaart wanneer zij, op de datum waarop de rechter uitspraak heeft gedaan over hun recht, nog deel uitmaakten van het onderwijsstelsel omdat zij een vervangingsopdracht hadden, op de reservelijsten voor vervangingen stonden of docenten in vaste dienst waren geworden.

14 Indien de betrokkene ondertussen het onderwijsstelsel heeft verlaten, zoals het geval is bij M.M. – haar laatste arbeidsovereenkomst was op 30 juni 2024 geëindigd, waarna zij geen onderwijsfunctie meer had en evenmin op die reservelijsten was ingeschreven –, vervalt daarentegen de aan de betrokken elektronische kaart verbonden geldelijke verplichting met terugwerkende kracht en moet het verzoek om toekenning van die kaart ten gronde worden afgewezen.

15 Het is juist dat de Corte suprema di cassazione in dat arrest heeft geoordeeld dat een voormalige docent in een dergelijke situatie in plaats van een verzoek om toekenning van de betrokken elektronische kaart, een verzoek kan indienen om vergoeding van de schade die is geleden omdat deze kaart niet werd toegekend.

16 Voor een dergelijke schadevordering gelden echter een aantal aanvullende, zowel materiële als procedurele voorwaarden. Zo moet de betrokkene met name aanvoeren en bewijzen dat hij een bepaalde specifieke schade heeft geleden, anders dan uitsluitend het verlies van een bedrag van 500 EUR per jaar. Bovendien geldt er geen vermoeden dat er schade is geleden en indien de rechter de schade naar billijkheid kan ramen, zou een dergelijke raming in beginsel een lager compensatiebedrag opleveren dan deze 500 EUR per jaar.

17 Gelet op deze voorwaarden zou een door M.M. ingesteld beroep in het onderhavige geval moeten worden verworpen, aangezien zij met name niet heeft aangevoerd of aangetoond dat er sprake is van specifieke schade die verschilt van het loutere verlies van het economische voordeel van 500 EUR per jaar.

18 Volgens de verwijzende rechter zijn die voorwaarden in strijd met het discriminatieverbod van clausule 4 van de raamovereenkomst, aangezien zij niet van toepassing zijn op docenten die in vaste dienst zijn.

19 Bovendien is deze rechter van oordeel dat de schade in het onderhavige geval bestaat in het feit dat M.M., in strijd met clausule 4, het aan de betrokken elektronische kaart verbonden bedrag is onthouden, waarbij hij opmerkt dat het feit dat een dergelijk bedrag niet wordt uitbetaald, voor de rechter in de regel voldoende is om de betrokkene automatisch een bedrag toe te kennen ter vergoeding van die schade, vermeerderd met rente.

20 Indien een voormalige docent met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan specifieke voorwaarden zou moeten voldoen om vergoeding te kunnen verkrijgen van de schade die hij heeft geleden doordat de betrokken elektronische kaart niet werd toegekend, zou dit bijgevolg afbreuk doen aan de nuttige werking van het Unierecht en aan het recht van een dergelijke docent op een doeltreffende voorziening in rechte in de zin van artikel 47 van het Handvest.

21 De verwijzende rechter voegt daaraan ten eerste toe dat dergelijke voorwaarden niet kunnen worden gerechtvaardigd door het doel van de invoering van de betrokken elektronische kaart, dat erin bestaat de bijscholing van docenten te bevorderen, aangezien met deze kaart gangbare consumptiegoederen kunnen worden gekocht die niet in strikte zin voor een opleiding zijn bestemd, maar waarbij alleen de mogelijkheid van een zodanig gebruik bestaat.

22 Ten tweede zijn er geen praktische of juridische belemmeringen om een docent die niet langer deel uitmaakt van het onderwijsstelsel de aan de betrokken elektronische kaart verbonden vergoeding van 500 EUR toe te kennen of om hem een automatische schadeloosstelling ter hoogte van het bedrag van die vergoeding uit te keren, aangezien naar Italiaans recht de nakoming van een geldelijke verplichting altijd mogelijk is en deze verplichting niet met terugwerkende kracht kan komen te vervallen.

23 Volgens de verwijzende rechter is het dus in strijd met clausule 4 van de raamovereenkomst, zoals uitgelegd door het Hof in zijn in punt 12 van het onderhavige arrest bedoelde beschikking, dat M.M. met terugwerkende kracht de toekenning, in de vorm van de betrokken elektronische kaart, van een totaalbedrag van 2000 EUR voor de schooljaren 2020/2021 tot en met 2023/2024 is onthouden op de enkele grond dat zij geen deel meer uitmaakt van het onderwijsstelsel.

24 In deze omstandigheden heeft de Tribunale ordinario di Ravenna de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet clausule 4 van de raamovereenkomst [...] aldus worden uitgelegd (ook met het oog op de nuttige werking van het Unierecht en de waarborging van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte in de zin van artikel 47 van het Handvest) dat zij zich verzet tegen de beperkingen die in de motivering van [het verzoek om een prejudiciële beslissing] zijn beschreven en in de nationale rechtspraak zijn ingevoerd voor de toekenning van de [betrokken elektronische kaart] voor het geval dat de verzoeker niet langer deel uitmaakt van het onderwijsstelsel? Is het derhalve ook voor voormalige docenten (personen die niet langer deel uitmaken van het onderwijsstelsel) noodzakelijk en toereikend om, teneinde betaling te verkrijgen van de bedragen waarop zij tijdens hun arbeidsverhouding recht zouden hebben gehad op grond van de [betrokken elektronische kaart] (500 EUR per jaar), bij de rechter een vordering in te stellen tot betaling van deze bedragen op de voor de [betrokken elektronische kaart] bepaalde wijze, dan wel rechtstreeks in gereed geld als wettig betaalmiddel, zonder verdere verplichtingen met betrekking tot vorderingen, stellingen of bewijs?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

Ontvankelijkheid

25 De Italiaanse regering betoogt dat de gestelde vraag om verschillende redenen niet-ontvankelijk is. Ten eerste maakt deze vraag geen onderscheid tussen de verschillende categorieën docenten met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, terwijl met name de categorie docenten die belast was met vervangingen van korte duur hoe dan ook geen recht had op toekenning van de betrokken elektronische kaart. Ten tweede is deze vraag niet begrijpelijk voor zover zij, wat de strekking ervan betreft, verwijst naar de volledige motivering van het verzoek om een prejudiciële beslissing. Ten derde betreft deze vraag een verschil in behandeling dat niet gebaseerd is op het feit dat de arbeidsverhouding voor bepaalde tijd is aangegaan, maar enkel op het gegeven dat de betrokken docent het onderwijsstelsel heeft verlaten, ongeacht de reden daarvoor. Ten vierde en ten slotte is verzoekster in het hoofdgeding niet langer in dienst, zodat de raamovereenkomst niet meer op haar van toepassing is.

26 In herinnering moet worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak op vragen betreffende het Unierecht een vermoeden van relevantie rust. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 4 september 2025, Pelavi, C‑253/24, EU:C:2025:660, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27 In casu merkt de verwijzende rechter op dat M.M. in essentie verzoekt om haar voor de schooljaren 2020/2021 tot en met 2023/2024, toen zij als docent met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd werkte, de vergoeding te betalen die bij de betrokken elektronische kaart hoort. Deze rechter is van oordeel dat dit verzoek in beginsel moet worden toegewezen, maar zet uiteen dat hij dat niet kan doen vanwege de voorwaarden die in de rechtspraak van de Corte suprema di cassazione aan de toekenning achteraf van een dergelijke kaart worden gesteld.

28 Om te beginnen blijkt deze rechter, in tegenstelling tot wat de Italiaanse regering beweert, dus van de premisse uit te gaan dat M.M. niet behoort tot een categorie docenten die hoe dan ook is uitgesloten van het voordeel van de betrokken elektronische kaart.

29 Vervolgens moet worden opgemerkt dat de verwijzende rechter in het verzoek om een prejudiciële beslissing de draagwijdte van de in de rechtspraak van de Corte suprema di cassazione gestelde voorwaarden, zoals uiteengezet in de punten 13 tot en met 16 van het onderhavige arrest, nauwkeurig beschrijft. De bewoordingen van deze vraag verwijzen weliswaar naar de „motivering” van dit verzoek, maar dit neemt niet weg dat deze vraag, los van de preciseringen in deze motivering, op zichzelf begrijpelijk is.

30 Bovendien moet worden vastgesteld dat het onderzoek van het argument van de Italiaanse regering dat de uit de rechtspraak van de Corte suprema di cassazione voortvloeiende voorwaarden van toepassing zijn ongeacht de duur van de arbeidsverhouding van de betrokkenen, zodat zij niet discriminerend zijn in de zin van clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst, de inhoudelijke beoordeling van de gestelde vraag betreft.

31 Ten slotte beroept deze regering zich voor haar stelling dat de raamovereenkomst niet van toepassing is op het hoofdgeding ten onrechte erop dat M.M. ten tijde van haar verzoek niet meer in dienst was. Uit de door de verwijzende rechter verstrekte preciseringen blijkt immers dat het verzoek om toekenning van de betrokken elektronische kaart betrekking heeft op tijdvakken waarin M.M. docent met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd was en dus een „werknemer met een contract voor bepaalde tijd” in de zin van clausule 2, punt 1, van de raamovereenkomst, gelezen in samenhang met clausule 3, punt 1, ervan.

32 Aangezien de met clausule 4 van de raamovereenkomst strijdige discriminatie, waarvan M.M. stelt het slachtoffer te zijn, betrekking heeft op de diensttijd die zij als werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd heeft vervuld, is het feit dat zij die hoedanigheid inmiddels heeft verloren, irrelevant (zie in die zin arrest van 18 oktober 2012, Valenza e.a., C‑302/11–C‑305/11, EU:C:2012:646, punt 35).

33 Hieruit volgt dat de prejudiciële vraag ontvankelijk is.

Ten gronde

34 Met zijn enige vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst, gelezen in het licht van het in artikel 47 van het Handvest neergelegde beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, aldus moet worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan nationale rechtspraak op grond waarvan, bij een vordering van een docent met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor een schadeloosstelling voor het feit dat hem als gevolg van een met deze eerste bepaling strijdige nationale regeling onterecht een financieel voordeel van 500 EUR per jaar werd onthouden dat wordt toegekend door middel van een elektronische kaart waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht die bestemd zijn voor de bijscholing van docenten, ten eerste voor de toekenning achteraf van deze kaart de voorwaarde geldt dat deze docent nog deel moet uitmaken van het onderwijsstelsel en ten tweede deze docent, indien deze kaart niet achteraf wordt toegekend, alleen onder bepaalde specifieke voorwaarden aanspraak kan maken op vergoeding van de schade die wegens die niet-toekenning werd geleden.

35 Vooraf zij eraan herinnerd dat het Hof in zijn beschikking van 18 mei 2022, Ministero dell’istruzione (Elektronische kaart) (C‑450/21, EU:C:2022:411, punt 48), in essentie reeds voor recht heeft verklaard dat clausule 4 van de raamovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan het voordeel van de betrokken elektronische kaart alleen toekomt aan onderwijzend personeel in vaste dienst van een ministerie en niet aan onderwijzend personeel met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van dat ministerie.

36 In het onderhavige geval heeft het hoofdgeding betrekking op dezelfde nationale regeling als die welke aan de orde was in de zaak die tot die beschikking heeft geleid, te weten artikel 1, leden 121 en 122, van wet nr. 107/2015, dat voorziet in de invoering van een „elektronische kaart voor de nascholing en opleiding van docenten in vaste dienst bij alle soorten onderwijsinstellingen [...] met een nominale waarde van 500 EUR per schooljaar”.

37 In deze context gaat de verwijzende rechter uit van de premisse dat docenten met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, zoals M.M., van wie vaststaat dat hun in strijd met clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst het voordeel van de betrokken elektronische kaart is onthouden, recht hebben op de toekenning achteraf van die kaart of althans op uitbetaling van het bedrag dat de nominale waarde ervan vormt.

38 Uit de rechtspraak van de Corte suprema di cassazione die dateert van na die beschikking volgt echter dat een rechtsvordering die ertoe strekt dit recht te doen gelden aan voorwaarden is onderworpen. Zo zet de verwijzende rechter ten eerste uiteen dat deze docenten nog in dienst moeten zijn op de datum van de beslissing op hun verzoek om hun achteraf een dergelijke kaart toe te kennen, zodat zij geen recht meer hebben op deze kaart wanneer zij ondertussen „het onderwijsstelsel hebben verlaten”, hetgeen het geval is wanneer deze docenten niet langer als vervanger optreden, niet meer zijn ingeschreven op de reservelijsten voor vervangingen en geen vaste docenten zijn geworden. Ten tweede hebben deze docenten in die situatie enkel de mogelijkheid om een vordering in te stellen tot vergoeding van de schade die zij hebben geleden omdat hun die kaart niet werd toegekend, welke vordering evenwel slechts kan worden toegewezen indien is voldaan aan bepaalde aanvullende materiële en procedurele voorwaarden, zoals die in punt 16 van het onderhavige arrest zijn genoemd.

39 Voor de beantwoording van de gestelde vraag moet dus in de eerste plaats worden onderzocht of dergelijke voorwaarden in strijd zijn met clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst voor zover zij, zoals de verwijzende rechter lijkt aan te nemen, ertoe leiden dat werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden minder gunstig worden behandeld dan vergelijkbare werknemers in vaste dienst zonder dat daarvoor objectieve redenen bestaan.

40 In dit verband zij er ten eerste aan herinnerd dat, zoals blijkt uit punt 31 van het onderhavige arrest, de gestelde vraag berust op de premisse dat een docent als M.M., voor de periode waarin er werkzaamheden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd worden verricht, binnen de werkingssfeer van de raamovereenkomst valt in de zin van clausule 2, punt 1, ervan, gelezen in samenhang met clausule 3, punt 1. Bovendien kan aan deze premisse, zoals in punt 32 van het onderhavige arrest is vermeld, niet worden afgedaan door de omstandigheid dat de betrokkene die hoedanigheid inmiddels heeft verloren.

41 Bovendien moet de betrokken elektronische kaart ten tweede worden geacht te behoren tot de „arbeidsvoorwaarden” in de zin van clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst (arrest van 3 juli 2025, Lalfi, C‑268/24, EU:C:2025:526, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42 Wat ten derde in het bijzonder de kwestie betreft of er sprake is van een verschil in behandeling in de zin van clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst, zij eraan herinnerd dat het volstaat dat de betrokken werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd minder gunstig worden behandeld dan werknemers in vaste dienst die in een vergelijkbare situatie verkeren, opdat die eersten zich op deze clausule kunnen beroepen (arrest van 3 juli 2025, Lalfi, C‑268/24, EU:C:2025:526, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43 Een verschil in behandeling dat is gebaseerd op een ander criterium dan de bepaalde of de onbepaalde duur van de arbeidsverhouding valt juist niet onder het verbod van clausule 4 van de raamovereenkomst (arrest van 4 september 2025, Gnattai, C‑543/23, EU:C:2025:653, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44 In het onderhavige geval lijkt de verwijzende rechter van oordeel te zijn dat de in zijn vraag bedoelde voorwaarden een verschil in behandeling in de zin van clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst inhouden ten nadele van docenten met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, aangezien deze voorwaarden waaraan laatstgenoemden moeten voldoen als zij een rechtsvordering instellen, „niet van toepassing zijn op docenten die in vaste dienst zijn”.

45 De Italiaanse regering stelt van haar kant, zoals in de punten 25 en 30 van het onderhavige arrest is opgemerkt, dat diezelfde voorwaarden integendeel van toepassing zijn op alle docenten, met inbegrip van docenten die in vaste dienst zijn, ingeval zij het onderwijsstelsel hebben verlaten, ongeacht de reden daarvoor.

46 Aan de hand van de aanwijzingen van de verwijzende rechter kan echter niet worden vastgesteld of de in de rechtspraak van de Corte suprema di cassazione gestelde voorwaarden al dan niet ook van toepassing zijn op docenten in vaste dienst, wanneer hun, net als een docent met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zoals M.M., om andere redenen dan die welke verband houden met de duur van hun arbeidsverhouding, ten onrechte het voordeel van de betrokken elektronische kaart is onthouden en zij in het kader van een rechtsvordering waarmee zij daarvoor een schadeloosstelling willen verkrijgen, pas achteraf om toekenning van die kaart verzoeken nadat zij het onderwijsstelsel al hebben verlaten. Het staat aan de verwijzende rechter om de ter zake nodige verificaties te verrichten.

47 Indien deze rechter na afloop van deze verificaties vaststelt dat deze voorwaarden niet gelden voor alle docenten die het onderwijsstelsel hebben verlaten en achteraf om toekenning van de betrokken elektronische kaart hebben verzocht, maar slechts voor voormalige docenten met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en niet ook voor voormalige docenten die in vaste dienst waren, moet worden vastgesteld dat de toepassing van die voorwaarden leidt tot een voor deze eerste docenten nadelig verschil in behandeling in de zin van clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst ten opzichte van voormalige docenten die in vaste dienst waren.

48 In dat geval staat het aan die rechter om te beoordelen of deze twee categorieën voormalige docenten zich in vergelijkbare situaties bevinden en zo ja of er in voorkomend geval sprake is van „objectieve redenen” in de zin van clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst die dit verschil in behandeling kunnen rechtvaardigen, met dien verstande dat het dossier waarover het Hof beschikt geen aanwijzingen bevat dat voor de in dit verband te verrichten beoordeling heel andere gegevens zullen moeten worden gebruikt dan de gegevens die het Hof in de zaak die heeft geleid tot de beschikking van 18 mei 2022, Ministero dell’istruzione (Elektronische kaart) (C‑450/21, EU:C:2022:411), en de zaak die heeft geleid tot het arrest van 3 juli 2025, Lalfi (C‑268/24, EU:C:2025:526), in aanmerking heeft genomen om vast te stellen dat clausule 4, punt 1, in de weg stond aan een regeling die het voordeel van deze elektronische kaart voorbehield aan docenten in vaste dienst en docenten met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd daarvan uitsloot, zelfs al waren docenten belast met vervangingen van korte duur.

49 Indien de verwijzende rechter daarentegen vaststelt dat deze voorwaarden zonder onderscheid van toepassing zijn op alle in punt 47 van het onderhavige arrest bedoelde docenten, kan daardoor geen verschil in behandeling in de zin van clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst worden geacht tot stand te komen, ook al is de nationale regeling op grond waarvan docenten met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aanvankelijk het voordeel van de betrokken elektronische kaart werd onthouden, in strijd met die clausule.

50 Gelet op de door de verwijzende rechter geuite twijfels moet in de tweede plaats worden nagegaan of de in de prejudiciële vraag bedoelde voorwaarden die zijn vastgesteld in de rechtspraak van de Corte suprema di cassazione niettemin in strijd kunnen zijn met clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst omdat zij, ook al zijn zij niet discriminerend, afbreuk doen aan het nuttig effect van deze bepaling of aan het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte, aangezien aan voormalige docenten met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd het voordeel van de betrokken elektronische kaart werd onthouden op grond van een nationale regeling die volgens de in punt 35 van het onderhavige arrest bedoelde beschikking in strijd is met clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst.

51 Dienaangaande zij in herinnering gebracht dat ten eerste uit vaste rechtspraak volgt dat wanneer een met het Unierecht strijdige discriminatie is vastgesteld en zolang er geen maatregelen zijn genomen om de gelijke behandeling te herstellen, de eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel alleen kan worden gewaarborgd door de leden van de benadeelde groep dezelfde voordelen toe te kennen als die welke de leden van de bevoordeelde groep genieten. De benadeelde personen moeten dus in dezelfde positie worden geplaatst als de personen die het betrokken voordeel genieten (arrest van 9 maart 2017, Milkova, C‑406/15, EU:C:2017:198, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52 In dat geval dient de nationale rechter elke nationale discriminerende bepaling buiten beschouwing te laten, zonder dat hij de opheffing ervan door de wetgever heeft te vragen of af te wachten, en dient hij op de leden van de benadeelde groep dezelfde regeling toe te passen als op de leden van de andere groep. Deze verplichting geldt ongeacht of er in het nationale recht bepalingen bestaan die hem hiertoe de bevoegdheid verlenen (arrest van 9 maart 2017, Milkova, C‑406/15, EU:C:2017:198, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53 In dit verband heeft het Hof gepreciseerd dat die oplossing slechts kan worden toegepast wanneer er een bruikbaar referentiekader bestaat (arrest van 9 maart 2017, Milkova, C‑406/15, EU:C:2017:198, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54 Dit is in het hoofdgeding het geval, aangezien de nationale regeling die geldt voor de toekenning van de betrokken elektronische kaart aan docenten in vaste dienst het enige bruikbare referentiekader blijft zolang de nationale wetgever geen maatregelen heeft vastgesteld om de gelijke behandeling te herstellen.

55 Derhalve moet gewaarborgd zijn dat docenten met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op dezelfde wijze worden behandeld als op grond van de nationale regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, bij docenten in vast dienst het geval is (zie naar analogie arrest van 22 januari 2019, Cresco Investigation, C‑193/17, EU:C:2019:43, punt 83).

56 Ten tweede moet, om een dergelijke gelijke behandeling te waarborgen, op volledige en samenhangende wijze rekening worden gehouden met alle kernpunten van deze nationale regeling maar dan ontdaan van het discriminerende bestanddeel, die bepalend zijn voor de toekenning van de voordelen die in die regeling zijn bedoeld, waaronder in voorkomend geval de voorwaarden die de toekenning ervan kunnen beperken.

57 Aangaande dit laatste kan immers niet worden geoordeeld dat, door rekening te houden met dergelijke voorwaarden, aan de vaststelling dat die nationale regeling discriminerend is het nuttig effect wordt ontnomen en dat is zelfs niet het geval indien door die voorwaarden de toekenning van een voordeel als de betrokken elektronische kaart is uitgesloten, aangezien een dergelijke uitsluiting dan slechts ontstaat omdat op de personen van de benadeelde groep dezelfde regeling wordt toegepast als die welke van toepassing is op de personen van de bevoordeelde groep (zie in die zin arrest van 15 mei 2025, Melbán en Sergamo, C‑623/23 en C‑626/23, EU:C:2025:358, punten 88 en 89).

58 In het onderhavige geval betoogt de Italiaanse regering dat de in de rechtspraak van de Corte suprema di cassazione gestelde voorwaarden intrinsiek verband houden met het doel van de invoering van de betrokken elektronische kaart, namelijk de bijscholing van docenten te stimuleren, aangezien dit doel niet meer kan worden bereikt nadat de betrokkenen het onderwijsstelsel hebben verlaten, hetgeen wordt bevestigd door artikel 3, lid 2, van het in punt 8 van het onderhavige arrest vermelde decreet van de voorzitter van de ministerraad, volgens hetwelk „[n]a beëindiging van de dienst [...] geen gebruik meer [kan] worden gemaakt van de [betreffende elektronische] kaart”. Deze voorwaarden worden overigens gerechtvaardigd door de aard van het betrokken voordeel, aangezien artikel 1, lid 121, van wet nr. 107/2015 in dit verband bepaalt dat „[h]et bedrag op [deze] kaart [...] geen aanvullend salaris of belastbaar inkomen [vormt]”. De toekenning van deze kaart aan docenten die het onderwijsstelsel verlaten, zou derhalve in strijd zijn met het doel en de aard ervan, onverminderd het recht van de betrokkenen om vergoeding te vorderen van de schade die zij hebben geleden doordat de betrokken elektronische kaart niet werd toegekend.

59 In die omstandigheden blijkt dat de voorwaarden die in de rechtspraak van de Corte suprema di cassazione zijn gesteld aan rechtsvorderingen voor schadeloosstelling wegens het feit dat onterecht de aan de elektronische kaart verbonden voordelen werden onthouden, indien overeenkomstig de in punt 50 van het onderhavige arrest geformuleerde premisse wordt vastgesteld dat die voorwaarden niet discriminerend zijn, deel uitmaken van de kernpunten van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling en dus van het referentiekader, zodat de toepassing ervan niet kan worden geacht afbreuk te doen aan de nuttige werking van het in clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst neergelegde beginsel van gelijke behandeling, hetgeen in voorkomend geval evenwel door de verwijzende rechter moet worden nagegaan.

60 In een dergelijk geval moet op grond van dat kader en met name van die voorwaarden de betrokken elektronische kaart achteraf worden toegekend aan docenten wie dit voordeel ten onrechte is ontzegd, voor zover zij nog steeds in het onderwijsstelsel werkzaam zijn, terwijl docenten die het onderwijsstelsel hebben verlaten zich kunnen beroepen op hun, in dat geval ook tot het referentiekader behorende, recht op vergoeding van de geleden schade.

61 Wat ten derde dit recht op schadevergoeding betreft, zij eraan herinnerd dat maatregelen die erop gericht zijn met het Unierecht strijdige discriminatie op te heffen – daaronder begrepen individuele maatregelen waarbij aan personen uit de benadeelde categorie dezelfde voordelen worden toegekend als die welke personen uit de bevoordeelde categorie genieten – het Unierecht ten uitvoer brengen, waarbij moet worden voldaan aan de in dat recht neergelegde vereisten (arrest van 20 april 2023, Landespolizeidirektion Niederösterreich en Finanzamt Österreich, C‑650/21, EU:C:2023:300, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

62 Dit is het geval met een recht op schadevergoeding dat deel uitmaakt van de kernpunten van het betrokken referentiekader en dat dus moet worden uitgebreid tot de personen die tot de benadeelde categorie behoren, teneinde de eerbiediging van het in clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst neergelegde beginsel van gelijke behandeling overeenkomstig de in punt 51 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak te verzekeren.

63 Tot de vereisten van het Unierecht die dus met betrekking tot dit recht op schadevergoeding in acht moeten worden genomen, behoren die welke voortvloeien uit het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte [zie in die zin arrest van 20 februari 2024, X (Geen motivering van de beëindiging), C‑715/20, EU:C:2024:139, punt 77] dat een herbevestiging van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming vormt (arrest van 12 januari 2023, Nemzeti Adatvédelmi és Információszabadság Hatóság, C‑132/21, EU:C:2023:2, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

64 Uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie blijkt echter niet in welk opzicht de rechtsmiddelen waarover M.M. beschikt om zijn recht op schadevergoeding geldend te maken, niet voldoen aan de vereisten van het Unierecht, met name die van artikel 47 van het Handvest, mits de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid in acht worden genomen.

65 In dit verband moet wat deze beginselen betreft in herinnering worden gebracht dat het bij gebreke van een Unieregeling ter zake een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elk van de lidstaten is om, krachtens het beginsel van de procedurele autonomie van die staten, de bevoegde rechterlijke instanties aan te wijzen en de procedureregels vast te stellen voor beroepen die worden ingesteld ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen (zie arrest van 8 september 2011, Rosado Santana, C‑177/10, EU:C:2011:557, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

66 Evenwel mogen in dit kader, zoals uit vaste rechtspraak volgt, de procedureregels voor beroepen die worden ingesteld ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, niet ongunstiger zijn dan die voor soortgelijke nationale beroepen (gelijkwaardigheidsbeginsel) en mogen zij de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (arrest van 8 september 2011, Rosado Santana, C‑177/10, EU:C:2011:557, punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

67 Hieruit volgt dat het in het in punt 62 van het onderhavige arrest bedoelde geval aan de verwijzende rechter staat om zich ervan te vergewissen dat M.M. voor die rechter of, in voorkomend geval, voor een andere rechter daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om zijn recht op vergoeding van de geleden schade geldend te maken volgens bewijs-, procedurele of andere regels die niet ongunstiger zijn dan die welke gelden voor soortgelijke beroepen naar nationaal recht en met name voor alle beroepen voor voormalige docenten in vaste dienst die ertoe strekken de toekenning achteraf van de betrokken elektronische kaart te verkrijgen, en welke regels de uitoefening van dat recht op schadevergoeding niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken.

68 Aangezien dit recht juist strekt tot vergoeding van de schade die is geleden omdat de betrokken elektronische kaart niet is toegekend, is het op zich echter niet in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel om van de betrokkene te verlangen dat hij met het oog op de uitoefening van dat recht stelt en bewijst dat er sprake is van specifieke schade anders dan die in verband met enkel het verlies van het bedrag van 500 EUR per jaar, of om als vergoeding een geldbedrag toe te kennen dat niet even hoog is als de waarde van de betrokken elektronische kaart, met name wanneer blijkt dat de geleden schade geringer is.

69 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat zij niet in de weg staat aan nationale rechtspraak op grond waarvan, bij een vordering van een docent met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor een schadeloosstelling voor het feit dat hem als gevolg van een met deze bepaling strijdige nationale regeling onterecht een financieel voordeel van 500 EUR per jaar werd onthouden dat wordt toegekend door middel van een elektronische kaart waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht die bestemd zijn voor de bijscholing van docenten, ten eerste voor de toekenning achteraf van deze kaart de voorwaarde geldt dat deze docent nog deel moet uitmaken van het onderwijsstelsel en ten tweede deze docent, indien deze kaart niet achteraf wordt toegekend, alleen onder bepaalde specifieke voorwaarden aanspraak kan maken op vergoeding van de schade die wegens die niet-toekenning werd geleden, mits al deze voorwaarden ook gelden voor docenten in vaste dienst die erom verzoeken deze kaart achteraf toe te kennen, en de procedureregels voor de uitoefening van dit recht op schadevergoeding bovendien in overeenstemming zijn met de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid.

Kosten

70 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

Clausule 4, punt 1, van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd,

moet aldus worden uitgelegd dat

zij niet in de weg staat aan nationale rechtspraak op grond waarvan, bij een vordering van een docent met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor een schadeloosstelling voor het feit dat hem als gevolg van een met deze bepaling strijdige nationale regeling onterecht een financieel voordeel van 500 EUR per jaar werd onthouden dat wordt toegekend door middel van een elektronische kaart waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht die bestemd zijn voor de bijscholing van docenten, ten eerste voor de toekenning achteraf van deze kaart de voorwaarde geldt dat deze docent nog deel moet uitmaken van het onderwijsstelsel en ten tweede deze docent, indien deze kaart niet achteraf wordt toegekend, alleen onder bepaalde specifieke voorwaarden aanspraak kan maken op vergoeding van de schade die wegens die niet-toekenning werd geleden, mits al deze voorwaarden ook gelden voor docenten in vaste dienst die erom verzoeken deze kaart achteraf toe te kennen, en de procedureregels voor de uitoefening van dit recht op schadevergoeding bovendien in overeenstemming zijn met de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Italiaans.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken