HvJ EU 4 september 2025, C-543/23, ECLI:EU:C:2025:653

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

4 september 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Sociaal beleid – Raamovereenkomst EVV, Unice en CEEP inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Clausule 4 – Leerkrachten die beroepservaring hebben opgedaan in bepaalde onderwijsinstellingen waarvan de werking en organisatie niet onder de bevoegdheid van de staat vallen – Aanstelling in vaste dienst bij staatsonderwijsinstellingen – Vaststelling van de anciënniteit met het oog op de vaststelling van de bezoldiging – Nationale regeling op grond waarvan diensttijdvakken die vervuld zijn in bepaalde onderwijsinstellingen waarvan de werking en organisatie niet onder de bevoegdheid van de staat vallen, niet in aanmerking worden genomen – Verschil in behandeling dat op een ander criterium is gebaseerd dan de bepaalde of onbepaalde duur van de arbeidsverhouding – Artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Toepasselijkheid – Geen tenuitvoerbrenging van het Unierecht”

In zaak C‑543/23 [Gnattai] ( i ),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunale di Padova (rechter in eerste aanleg Padua, Italië) bij beslissing van 14 augustus 2023, ingekomen bij het Hof op 28 augustus 2023, in de procedure

AR

tegen

Ministero dell’Istruzione e del Merito,

in tegenwoordigheid van:

Anief – Associazione Professionale e Sindacale,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, N. Jääskinen, A. Arabadjiev (rapporteur), M. Condinanzi en R. Frendo, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: G. Chiapponi, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 maart 2025,

gelet op de opmerkingen van:

– AR, vertegenwoordigd door G. Rinaldi en N. Zampieri, avvocati,

– Anief – Associazione Professionale e Sindacale, vertegenwoordigd door A. Dal Ferro, F. Ganci en W. Miceli, avvocati,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino en G. Palmieri als gemachtigden, bijgestaan door A. Berti Suman en L. Fiandaca, avvocati dello Stato,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Delaude en D. Recchia als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 juni 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 157 VWEU, van de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), van clausule 4, punt 1, van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (hierna: „raamovereenkomst”), die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB 1999, L 175, blz. 43), van richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (PB 2000, L 180, blz. 22), van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB 2000, L 303, blz. 16), van artikel 14 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”) en van het op 18 oktober 1961 te Turijn ondertekende Europees Sociaal Handvest, zoals herzien (hierna: „Europees Sociaal Handvest”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen AR en het Ministero dell’Istruzione e del Merito (ministerie van Onderwijs en Verdienste, Italië; hierna: „ministerie van Onderwijs”) over de vaststelling van de anciënniteit van AR.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Volgens Clausule 1 van de raamovereenkomst heeft deze tot doel de kwaliteit van arbeid voor bepaalde tijd te verbeteren door de toepassing van het non-discriminatiebeginsel te waarborgen, en een kader vast te stellen om misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd te voorkomen.

4 Clausule 2 („Werkingssfeer”) van de raamovereenkomst bepaalt in lid 1: „Deze overeenkomst is van toepassing op werknemers met een contract voor bepaalde tijd die werken uit hoofde van een arbeidsovereenkomst of een arbeidsverhouding, als omschreven bij wet, collectieve overeenkomsten of gebruiken in iedere lidstaat.”

5 Clausule 3 van deze raamovereenkomst heeft als opschrift „Definities” en luidt als volgt: „In deze overeenkomst wordt verstaan onder: 1. ‚werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd’: iemand met een rechtstreeks tussen een werkgever en een werknemer aangegane arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding voor bepaalde tijd waarvan het einde wordt bepaald door objectieve voorwaarden zoals het bereiken van een bepaald tijdstip, het voltooien van een bepaalde taak of het intreden van een bepaalde gebeurtenis; 2. ‚vergelijkbare werknemer in vaste dienst’: een werknemer met een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding voor onbepaalde tijd, in dezelfde vestiging, die hetzelfde of soortgelijk werk verricht of dezelfde of een soortgelijke functie uitoefent, waarbij rekening wordt gehouden met kwalificaties/bekwaamheden. Indien in dezelfde vestiging geen vergelijkbare werknemer in vaste dienst werkzaam is, wordt de vergelijking gemaakt op basis van de geldende collectieve overeenkomst of, bij ontstentenis van een geldende collectieve overeenkomst, overeenkomstig de wetgeving, de nationale collectieve overeenkomsten of gebruiken.”

6 In clausule 4 („Non-discriminatiebeginsel”) van de raamovereenkomst wordt het volgende bepaald: „1. Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden worden werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd louter op grond van het feit dat zij voor bepaalde tijd werken, niet minder gunstig behandeld dan vergelijkbare werknemers in vaste dienst, tenzij het verschil in behandeling om objectieve redenen gerechtvaardigd is. [...] 4. Vaststelling van de anciënniteit met betrekking tot bepaalde arbeidsvoorwaarden geschiedt voor werknemers met arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aan de hand van dezelfde criteria als voor werknemers in vaste dienst, behalve wanneer verschillende periodes van anciënniteit op basis van objectieve gronden gerechtvaardigd zijn.”

Italiaans recht

7 Artikel 485 van decreto legislativo n. 297 – Approvazione del testo unico delle disposizioni legislative vigenti in materia di istruzione, relative alle scuole di ogni ordine e grado (wetsbesluit nr. 297 houdende goedkeuring van de geconsolideerde tekst van de onderwijswetgeving voor scholen van ieder type en niveau) van 16 april 1994 (GURI nr. 115 van 19 mei 1994; gewoon supplement nr. 79; hierna: „wetsbesluit nr. 297/1994”) bepaalt: „1. Voor het onderwijzend personeel in het secundair onderwijs en de scholen voor kunstzinnige vorming die bij openbare en daarmee gelijkgestelde scholen, met inbegrip van scholen in het buitenland, als leerkracht zonder vaste aanstelling hebben gewerkt [wordt de verrichte diensttijd] voor juridische en financiële doeleinden [...] erkend als diensttijd met vaste aanstelling [...]. 2. Voor dezelfde doeleinden en in dezelfde mate als die welke in lid 1 zijn vastgesteld, wordt voor het in dat lid bedoelde personeel de diensttijd erkend die werd vervuld in scholen verbonden aan openbare meisjesinternaten en de diensttijd als leerkrachten, al dan niet met vaste aanstelling, in openbare of erkende basisscholen, met inbegrip van de scholen verbonden aan voornoemde internaten en in het buitenland gelegen scholen, alsmede van volksscholen en gesubsidieerde private scholen. 3. Voor dezelfde doeleinden en in dezelfde mate als die welke in lid 1 zijn vastgesteld, worden voor leerkrachten in basisscholen de diensten erkend die zij hebben vervuld als leerkracht zonder vaste aanstelling in openbare basisscholen, basisscholen verbonden aan openbare meisjesinternaten, of erkende scholen, openbare en daarmee gelijkgestelde scholen voor secundair onderwijs en kunstzinnige vorming, aan volksscholen en gesubsidieerde private scholen [...]”.

8 Artikel 1 van legge n. 62 – Norme per la parità scolastica e disposizioni sul diritto allo studio e all’istruzione (wet nr. 62 houdende regels voor de gelijkheid van onderwijs en bepalingen inzake het recht op studie en onderwijs) van 10 maart 2000 (GURI nr. 67 van 21 maart 2000; hierna: „wet nr. 62/2000”) bepaalt: „1. Onverminderd de bepalingen in artikel 33, lid 2, van de grondwet bestaat het nationale onderwijsstelsel uit openbare scholen, particuliere paritaire scholen en gemeentelijke paritaire scholen. De Republiek heeft zich als prioritair doel gesteld het onderwijsaanbod uit te breiden en levenslang leren vanaf de kindertijd voor iedereen mogelijk te maken. 2. Voor alle doeleinden van de geldende regelgeving, met name wat betreft de bevoegdheid om rechtsgeldige diploma’s af te geven, worden onder ‚paritaire scholen’ verstaan de niet-openbare onderwijsinstellingen, met inbegrip van de gemeentelijke scholen, die vanaf de kleuterschool in overeenstemming zijn met het algemene onderwijsstelsel en aansluiten bij de onderwijsbehoeften van gezinnen en die voldoen aan de kwaliteits- en doelmatigheidseisen zoals bedoeld in de leden 4, 5 en 6. 3. Particuliere paritaire scholen genieten onbeperkte vrijheid op het gebied van de culturele en pedagogisch-didactische methodiek. Met inachtneming van het onderwijsconcept van de school is het onderwijs gebaseerd op de liberale beginselen die in de grondwet zijn vastgelegd. Aangezien de paritaire scholen een openbare dienst verlenen, laten zij iedereen toe die hun onderwijsconcept aanvaardt en zich inschrijft, met inbegrip van leerlingen en studenten met een beperking. Het onderwijsconcept bepaalt in voorkomend geval de culturele of religieuze oriëntatie. Buitenschoolse activiteiten die het aanhangen van een bepaalde ideologie of geloofsbelijdenis veronderstellen of vereisen, zijn voor leerlingen echter niet verplicht. 4. De status van ‚paritaire school’ wordt toegekend aan niet‑openbare scholen die hiertoe een aanvraag indienen, zich uitdrukkelijk verplichten de bepalingen van leden 2 en 3 uit te voeren en aan de volgende eisen voldoen: a) zij beschikken over een onderwijsconcept dat in overeenstemming is met de beginselen van de grondwet en een plan voor het onderwijsaanbod dat aan de toepasselijke wet- en regelgeving voldoet; zij verstrekken een verklaring waarin de naam wordt aangegeven van de persoon die de administratie verzorgt en maken hun balansen openbaar; b) zij beschikken over lokalen, meubilair en leermiddelen die geschikt zijn voor het schooltype en aan de geldende eisen voldoen; c) de collegiale organen van de school zijn ingesteld en werken op basis van democratische participatie; d) de school laat alle leerlingen toe wier ouders daarom verzoeken, op voorwaarde dat zij beschikken over een geldig kwalificatiebewijs voor toelating tot de klas die zij willen bezoeken; e) zij passen alle geldende regels inzake de inclusie van gehandicapte of kansarme leerlingen toe; f) zij organiseren complete opleidingen: de gelijkstelling kan niet worden verleend voor afzonderlijke klassen, behalve bij de invoering van nieuwe complete opleidingen, die met de eerste klas moeten beginnen; g) de leerkrachten hebben een onderwijsbevoegdheid behaald; h) het administratief en onderwijzend personeel beschikt over individuele arbeidsovereenkomsten die in overeenstemming zijn met de nationale sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten.”

9 Artikel 2, lid 2, van decreto-legge n. 255 – Disposizioni urgenti per assicurare l’ordinato avvio dell’anno scolastico 2001/2002 (wetgevend besluit nr. 255 houdende spoedmaatregelen ter verzekering van een ordelijke start van het schooljaar 2001/2002) van 3 juli 2001 (GURI nr. 153 van 4 juli 2001; hierna: „wetgevend besluit nr. 255/2001”) bepaalt dat het ministerie van Onderwijs, in plaats van openbare vergelijkende onderzoeken te organiseren met het oog op de aanstelling in vaste dienst van onderwijzend personeel, permanente ranglijsten van geschikte kandidaten, thans geldig tot de uitputting ervan, kan gebruiken in het kader waarvan „de sinds 1 september 2000 in de paritaire scholen verrichte onderwijsdiensten [...] in dezelfde mate in aanmerking [worden] genomen als de dienst die in openbare scholen wordt verricht”.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

10 AR, een leraar met onderwijsbevoegdheid voor Italiaans, geschiedenis en aardrijkskunde, heeft in de periode van 2002 tot en met 2007 op basis van vijf arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd gewerkt bij een „paritaire” school in de zin van artikel 1, lid 2, van wet nr. 62/2000.

11 Op 1 september 2008 is AR door het ministerie van Onderwijs voor onbepaalde tijd aangeworven om in een openbare school als leraar aan de slag te gaan. Bij zijn aanwerving werd zijn loopbaan gereconstrueerd en werd hij door dit ministerie in de salarisschaal „geen anciënniteit” ingedeeld. Dat ministerie was namelijk in wezen van mening dat artikel 485 van wetsbesluit nr. 297/1994 niet toestond om voor de berekening van de anciënniteit van verzoeker in het hoofdgeding rekening te houden met de jaren die hij in dienst van die paritaire school had gewerkt.

12 AR heeft bij de Tribunale di Padova (rechter in eerste aanleg Padua, Italië), de verwijzende rechter, beroep ingesteld dat ertoe strekte dat het ministerie van Onderwijs de anciënniteit die hij in het kader van zijn dienstbetrekking bij de paritaire school zou hebben opgebouwd in aanmerking moest nemen, waarbij hij aanvoerde dat artikel 485 van wetsbesluit nr. 297/1994 in strijd is met clausule 4 van de raamovereenkomst en met de artikelen 20 en 21 van het Handvest.

13 Op 25 februari 2022 is de vakbond zonder winstoogmerk Anief Associazione Professionale e Sindacale in de procedure voor deze rechterlijke instantie tussengekomen.

14 De verwijzende rechter preciseert dat het ministerie van Onderwijs krachtens wetsbesluit nr. 297/1994 drie soorten particuliere scholen als gelijkwaardig aan openbare scholen heeft erkend, te weten erkende scholen, wettelijk erkende scholen en met openbare scholen gelijkgestelde scholen. In dit wetsbesluit is bovendien bepaald dat de beroepservaring die leerkrachten hebben opgedaan in het kader van de uitoefening van hun functie bij met name de met de openbare scholen gelijkgestelde scholen en de erkende scholen in aanmerking moet worden genomen bij de reconstructie van de loopbaan van deze leerkrachten wanneer zij door dit ministerie in vaste dienst worden aangesteld.

15 Wet nr. 62/2000 heeft deze drie categorieën particuliere scholen vervangen door één enkele categorie scholen, de zogenoemde „paritaire scholen”. Op grond van artikel 2, lid 2, van wetsbesluit nr. 255/2001 wordt de beroepservaring die leerkrachten hebben opgedaan in het kader van een dienstverband bij een school die na 1 september 2000 als een paritaire school is erkend, voor de aanstelling in vaste dienst van deze leerkrachten door dit ministerie gelijkgesteld met beroepservaring die is opgedaan in het kader van een dienstverband bij openbare scholen. Uit de rechtspraak van de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) blijkt echter dat wanneer de loopbaan van deze leerkrachten bij hun aanstelling in vaste dienst door het ministerie van Onderwijs wordt gereconstrueerd, die eerdere beroepservaring niet in aanmerking kan worden genomen voor de bepaling van de anciënniteitsschaal waarin zij moeten worden ingedeeld, met name omdat er geen wettelijke bepaling is die een dergelijke inaanmerkingneming toestaat.

16 De verwijzende rechter betwijfelt of het met clausule 4 van de raamovereenkomst verenigbaar is dat de beroepservaring die in paritaire scholen is opgedaan niet in aanmerking wordt genomen bij de vaststelling van de bezoldiging van die leerkrachten.

17 Deze niet-inaanmerkingneming zou er immers op neerkomen dat leerkrachten die in het kader van arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd op paritaire scholen hebben gewerkt, minder gunstig worden behandeld dan leerkrachten die eenzelfde periode in openbare scholen hebben gewerkt op basis van overeenkomsten voor onbepaalde tijd, wier onderwijservaring in aanmerking wordt genomen voor de vaststelling van hun bezoldiging, op grond dat de eerstgenoemde leerkrachten niet zijn geslaagd voor een vergelijkend onderzoek dat toegang geeft tot de openbare dienst.

18 De situaties van deze twee categorieën leerkrachten zijn vergelijkbaar, aangezien er geen enkel verschil bestaat tussen de rol, opleiding, taken en verplichtingen van een leerkracht in vaste dienst die zijn functie in een openbare school uitoefent, en die van een leerkracht met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die zijn functie uitoefent op een paritaire school, en de Corte suprema di cassazione heeft erkend dat deze twee categorieën scholen „in alle opzichten” gelijk zijn.

19 De verwijzende rechter is voorts van oordeel dat het feit dat bij de vaststelling van de bezoldiging geen rekening is gehouden met de in de paritaire scholen opgedane ervaring, niet wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat deze scholen particuliere instellingen zijn. De uit de ervaring voortvloeiende bekwaamheid staat immers los van de particuliere of openbare hoedanigheid van de werkgever. Bovendien heeft de nationale wetgever toegestaan dat voor de berekening van de anciënniteit zowel rekening wordt gehouden met tijdvakken waarin onderwijsdiensten bij particuliere werkgevers zijn gepresteerd als met tijdvakken waarin onderwijsdiensten bij openbare werkgevers zijn gepresteerd, met inbegrip van onderwijsdiensten welke door leerkrachten met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in openbare scholen zijn gepresteerd.

20 Deze niet-inaanmerkingneming wordt evenmin gerechtvaardigd door de verschillen tussen de wijze van aanstelling van leerkrachten op de paritaire scholen en de wijze van aanstelling van leerkrachten op openbare scholen. Het bestaan van een openbaar vergelijkend onderzoek dat toegang geeft tot de vaste dienst in openbare scholen is namelijk niet relevant aangezien artikel 485 van wetsbesluit nr. 297/1994 bepaalt dat voor de berekening van de anciënniteit bij de aanstelling in vaste dienst door het ministerie van Onderwijs zowel rekening wordt gehouden met diensttijdvakken die zijn vervuld op scholen waar de leerkrachten via een vergelijkend onderzoek in dienst worden genomen als met diensttijdvakken die zijn vervuld op scholen waar dit niet het geval is.

21 Volgens de verwijzende rechter is het voorts in strijd met het in de artikelen 20 en 21 van het Handvest neergelegde beginsel van gelijke behandeling dat in paritaire scholen verrichte onderwijswerkzaamheden niet in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de bezoldiging. In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling een ongerechtvaardigd verschil in behandeling invoert tussen leerkrachten van paritaire scholen en leerkrachten van met name de met de openbare scholen gelijkgestelde scholen en de erkende scholen, die in 2000 zijn omgezet in „paritaire scholen”. De ervaring die bij een paritaire school is opgedaan, zou namelijk van hogere kwaliteit en waardevoller zijn dan die welke bij andere particuliere scholen is opgedaan. Alleen laatstgenoemde ervaring kan op grond van artikel 485 van wetsbesluit nr. 297/1994 in aanmerking worden genomen voor de erkenning van een bepaalde anciënniteit in de dienst.

22 Bovendien is artikel 485 in strijd met het algemene beginsel van gelijke behandeling, aangezien het een verschil in behandeling invoert tussen leerkrachten van paritaire scholen en leerkrachten met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van openbare scholen.

23 Volgens de verwijzende rechter is het Handvest van toepassing op de onderhavige zaak, aangezien, ten eerste, deze ertoe strekt vast te stellen of de in artikel 485 van wetsbesluit nr. 297/1994 bedoelde niet-inaanmerkingneming van in paritaire scholen verrichte arbeid voor bepaalde tijd in overeenstemming is met de door de raamovereenkomst nagestreefde doelstelling om de kwaliteit van arbeid voor bepaalde tijd te verbeteren door de naleving van het non-discriminatiebeginsel te waarborgen, en, ten tweede, verzoeker in het hoofdgeding een„werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd” in de zin van clausule 3, punt 1, van deze raamovereenkomst is. Bovendien is een handeling van nationaal recht een handeling die „het recht van de Unie ten uitvoer [brengt]” in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, aangezien zij betrekking heeft op een materie die onder de bevoegdheid van de Unie valt. De onderhavige zaak, die betrekking heeft op de voorwaarden waaronder de door leerkrachten met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd vervulde tijdvakken waarin onderwijsdiensten zijn gepresteerd in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van hun bezoldiging bij hun aanstelling in vaste dienst door het ministerie van Onderwijs, valt zonder twijfel onder de „tenuitvoerlegging van het Unierecht” in de zin van dat artikel 51, lid 1, aangezien zij betrekking heeft op de uitlegging van clausule 4 van de raamovereenkomst. In dit verband moet worden onderzocht of artikel 485 van wetsbesluit nr. 297/1994 verenigbaar is met de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie op het gebied van arbeidsvoorwaarden, zoals die ook zijn neergelegd in artikel 157 VWEU, artikel 14 EVRM, het Europees Sociaal Handvest en de richtlijnen 2000/43 en 2000/78.

24 De Tribunale di Padova heeft daarom de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moeten clausule 4, punt 1, van de [raamovereenkomst] en het algemene Unierechtelijke beginsel van non-discriminatie op het gebied van arbeidsvoorwaarden, gelezen in het licht van artikel 21 van het [Handvest], aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling als de regeling van artikel 485 van wetsbesluit nr. 297/1994, waarin volgens de uitlegging die daaraan is gegeven door de Corte Suprema di Cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) [zie Cass. S.L. (arbeidskamer) arresten nr. 32386/2019, nr. 33134/2019 en nr. 33137/2019], is bepaald dat werknemers met arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in een paritaire school als bedoeld in wet nr. 62/2000 in het kader van de reconstructie van hun loopbaan minder gunstig worden behandeld dan ambtenaren met een aanstelling in vaste dienst bij het Ministero dell’Istruzione e del Merito (ministerie van Onderwijs en Verdienste), op de enkele grond dat zij geen sollicitatieprocedure op basis van een algemeen vergelijkend onderzoek hebben doorlopen of les hebben gegeven op een wettelijk erkende paritaire school, ondanks het feit dat leerkrachten met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in paritaire scholen zich in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met de situatie van leerkrachten in vaste dienst bij openbare scholen wat betreft de aard van het werk en de opleidings- en arbeidsvoorwaarden, waarbij zij dezelfde taken uitvoeren en beschikken over dezelfde disciplinaire, pedagogische, methodologisch-didactische, organisatorische, relationele en onderzoeksvaardigheden, die zij hebben verworven door onderwijservaring op te doen, die door diezelfde nationale regeling als identiek wordt erkend met het oog op de aanstelling voor onbepaalde tijd op basis van de permanente ranglijsten van geschikte kandidaten, thans geldig tot de uitputting ervan (zie artikel 2, lid 2, van wetgevend besluit nr. 255/2001)? 2) Moeten de algemene Unierechtelijke beginselen van gelijkheid, gelijke behandeling en non-discriminatie op het gebied van arbeid, die ook zijn verankerd in de artikelen 20 en 21 van het [Handvest], in artikel 14 [EVRM] (van belang krachtens artikel 52 van het Handvest), in het [Europees Sociaal Handvest], in artikel 157 VWEU en in [richtlijn 2000/43 en in richtlijn 2000/78], in het kader van de toepassing van richtlijn 1999/70, aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een bepaling zoals die van artikel 485 van wetsbesluit nr. 297/1994, op grond waarvan voor de bezoldiging bij het reconstrueren van de loopbaan uitsluitend rekening mag worden gehouden met de tijdvakken waarin onderwijsdiensten zijn gepresteerd in dienst van hetzelfde ministerie [van Onderwijs], of van erkende scholen, gelijkgestelde scholen, gesubsidieerde private scholen, volksscholen of van meisjesinternaten, waarbij de leerkrachten met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in een paritaire school voor de reconstructie van hun loopbaan (na hun aanstelling in vaste dienst bij dat ministerie) minder gunstig worden behandeld en worden gediscrimineerd, omdat aan hen geen aanvullende bezoldiging wordt toegekend in verband met de anciënniteit, die wel wordt toegekend aan leerkrachten met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij openbare scholen, gemeentelijke scholen, erkende scholen, gelijkgestelde scholen, gesubsidieerde private scholen, volksscholen en meisjesinternaten, die zich in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met de situatie van leerkrachten van paritaire scholen wat betreft de aard van het werk, de taken, de professionele diensten en verplichtingen, en die wat betreft de opleidings- en arbeidsvoorwaarden vergelijkbaar is met die van leerkrachten van paritaire scholen als bedoeld in wet nr. 62/2000, aangezien zij dezelfde taken uitvoeren en door het opdoen van ervaring in het onderwijs dezelfde disciplinaire, pedagogische, methodologisch-didactische, organisatorische, relationele en onderzoeksvaardigheden verwerven als leerkrachten van paritaire scholen? 3) Moeten het begrip ‚vergelijkbare werknemer in vaste dienst’ bedoeld in clausule 4, punt 1, van de [raamovereenkomst] en de algemene Unierechtelijke beginselen van gelijkheid, gelijke behandeling en non-discriminatie op het gebied van arbeid, die zijn verankerd in de artikelen 20 en 21 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat de diensten die zijn verricht door een werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in een paritaire school, in het kader van de erkenning van de anciënniteitstoelagen moeten worden gelijkgesteld aan de diensten die zijn verricht bij openbare scholen, erkende scholen, [gelijkgestelde scholen], volksscholen, gesubsidieerde private scholen, en meisjesinternaten, aangezien deze leerkrachten dezelfde taken uitvoeren en dezelfde professionele verplichtingen hebben en beschikken over dezelfde disciplinaire, pedagogische, methodologisch-didactische, organisatorische, relationele en onderzoeksvaardigheden? 4) Indien wordt vastgesteld dat artikel 485 van wetsbesluit nr. 297/1994 in strijd is met het Unierecht, verplicht het Handvest de nationale rechter dan om de onverenigbare nationale bepaling buiten toepassing te laten?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste en derde prejudiciële vraag

Ontvankelijkheid van de derde vraag

25 Vooraf zij opgemerkt dat de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen onder meer aanvoert dat de derde vraag niet-ontvankelijk is, aangezien de verwijzende rechter geen enkel verband heeft gelegd tussen artikel 21 van het Handvest, waarop die vraag betrekking heeft, en de nationale regeling die in het hoofdgeding aan de orde is.

26 Bovendien heeft deze vraag betrekking op het verschil in behandeling tussen, enerzijds, leerkrachten die werkzaam zijn met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan paritaire scholen in de zin van artikel 1, lid 2, van wet nr. 62/2000 en, anderzijds, leerkrachten aan particuliere scholen – vóór de oprichting van paritaire scholen – en aan openbare scholen, eveneens werkzaam met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat aan het non-discriminatiebeginsel in de raamovereenkomst uitsluitend uitvoering en invulling is gegeven met betrekking tot verschillen in behandeling tussen werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en werknemers in vaste dienst die zich in een vergelijkbare situatie bevinden, met uitsluiting van verschillen in behandeling tussen bepaalde categorieën personeel met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

27 In dit verband moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat, voor zover het in het vorige punt uiteengezette argument betrekking heeft op de vraag of het non-discriminatiebeginsel en de raamovereenkomst van toepassing zijn op een verschil in behandeling als dat in het hoofdgeding, deze problematiek de grond van de derde vraag betreft en niet de ontvankelijkheid ervan, zodat zij moet worden beoordeeld in het kader van een onderzoek ten gronde van die vraag (zie naar analogie arrest van 19 september 2024, Consiglio nazionale delle Ricerche, C‑439/23, EU:C:2024:773, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28 In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat het – volgens vaste rechtspraak van het Hof – in het kader van de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het Unierecht te komen, noodzakelijk is dat deze rechter nauwgezet de vereisten met betrekking tot de inhoud van een verzoek om een prejudiciële beslissing naleeft zoals die uitdrukkelijk zijn vermeld in artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering, dat de verwijzende rechter wordt geacht te kennen (arrest van 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi, C‑561/19, EU:C:2021:799, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29 Zo is het onontbeerlijk dat, zoals is bepaald in artikel 94, onder c), van het Reglement voor de procesvoering, de verwijzingsbeslissing een uiteenzetting bevat van de redenen die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht om zich over de uitlegging of de geldigheid van een aantal Unierechtelijke bepalingen vragen te stellen alsook het verband tussen die bepalingen en de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wettelijke regeling (arrest van 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi, C‑561/19, EU:C:2021:799, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30 In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de verwijzende rechter genoegzaam heeft uiteengezet welk verband hij legt tussen de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling en de in de artikelen 20 en 21 van het Handvest neergelegde beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie, en heeft gepreciseerd waarom de uitlegging van die beginselen hem noodzakelijk lijkt.

31 Derhalve is de derde vraag ontvankelijk.

Ten gronde

32 Vooraf moet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter met zijn eerste en zijn derde vraag verzoekt om uitlegging van clausule 4 van de raamovereenkomst en van de in de artikelen 20 en 21 van het Handvest neergelegde beginselen van gelijkheid en non-discriminatie.

33 In dit verband zij eraan herinnerd dat het in artikel 21, lid 1, van het Handvest neergelegde non-discriminatiebeginsel een bijzondere uitdrukking is van het gelijkheidsbeginsel, dat een algemeen beginsel van Unierecht is en is neergelegd in artikel 20 van het Handvest (zie in die zin arrest van 18 april 2024, Dumitrescu e.a./Commissie en Hof van Justitie, C‑567/22 P–C‑570/22 P, EU:C:2024:336, punten 65 en 66).

34 Met betrekking tot de verschillen in behandeling tussen werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en werknemers in vaste dienst die zich in een vergelijkbare situatie bevinden, is aan deze beginselen uitvoering en invulling gegeven in richtlijn 1999/70, en met name in clausule 4 van de raamovereenkomst, die is opgenomen in de bijlage bij deze richtlijn [zie in die zin beschikking van 11 november 2010, Vino, C‑20/10, EU:C:2010:677, punt 56, en arrest van 15 december 2022, Presidenza del Consiglio dei Ministri e.a. (Universitaire onderzoekers), C‑40/20 en C‑173/20, EU:C:2022:985, punt 87].

35 Aangezien de eerste en de derde vraag betrekking hebben op een dergelijk verschil in behandeling, moeten zij in casu uitsluitend worden onderzocht in het licht van die richtlijn en de raamovereenkomst (zie in die zin arrest van 25 juli 2018, Vernaza Ayovi, C‑96/17, EU:C:2018:603, punt 20, en naar analogie arrest van 15 mei 2025, Melbán en Sergamo, C‑623/23 en C‑626/23, EU:C:2025:358, punt 49).

36 Met zijn eerste en derde vraag, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter dus in wezen te vernemen of clausule 4 van de raamovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling die niet bepaalt dat voor de vaststelling van de anciënniteit en de bezoldiging van leerkrachten bij hun aanstelling in vaste dienst bij een staatsonderwijsinstelling rekening wordt gehouden met de diensttijdvakken die deze leerkrachten eerder hebben vervuld in het kader van een arbeidsverhouding voor bepaalde tijd bij bepaalde onderwijsinstellingen waarvan de werking en de organisatie niet onder de bevoegdheid van de staat vallen, maar die krachtens deze regeling met staatsonderwijsinstellingen worden gelijkgesteld, terwijl die regeling bepaalt dat diensttijdvakken die zijn vervuld door leerkrachten die zijn tewerkgesteld bij staatsonderwijsinstellingen, met name in vaste dienst, wel in aanmerking worden genomen voor de vaststelling van hun anciënniteit en bezoldiging.

37 Wat de toepasselijkheid van de raamovereenkomst op een leerkracht in de situatie van AR betreft, zij eraan herinnerd dat deze raamovereenkomst van toepassing is op alle werknemers die in het kader van een arbeidsverhouding voor bepaalde tijd met hun werkgever tegen betaling arbeid verrichten. Het enkele feit dat een werknemer in vaste dienst is getreden, sluit niet uit dat hij zich in bepaalde omstandigheden kan beroepen op het in clausule 4 van de raamovereenkomst neergelegde non-discriminatiebeginsel (zie in die zin arresten van 18 oktober 2012, Valenza e.a., C‑302/11–C‑305/11, EU:C:2012:646, punten 33 en 34, en 19 september 2024, Consiglio nazionale delle Ricerche, C‑439/23, EU:C:2024:773, punt 38).

38 Aangezien AR voor de verwijzende rechter aanvoert dat er ten aanzien van hem sprake is van een ongelijke behandeling met betrekking tot de inaanmerkingneming van de als werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd vervulde tijdvakken waarin onderwijsdiensten zijn gepresteerd, moet worden geoordeeld dat de raamovereenkomst in beginsel van toepassing is op een leraar in de situatie van AR.

39 Clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst bevat een verbod om, met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd louter op grond van het feit dat zij op basis van een overeenkomst voor bepaalde tijd werken, minder gunstig te behandelen dan vergelijkbare werknemers in vaste dienst, tenzij het verschil in behandeling om objectieve redenen gerechtvaardigd is. Punt 4 van deze clausule bevat hetzelfde verbod ten aanzien van de vaststelling van de anciënniteit met betrekking tot bepaalde arbeidsvoorwaarden (arrest van 19 september 2024, Consiglio nazionale delle Ricerche, C‑439/23, EU:C:2024:773, punt 31).

40 In dit verband heeft het Hof reeds voor recht verklaard dat regels als die van artikel 485 van wetsbesluit nr. 297/1994, betreffende de diensttijd die moet worden vervuld met het oog op de indeling in een salarisgroep, onder het begrip „arbeidsvoorwaarden” in de zin van clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst vallen (zie naar analogie arrest van 19 september 2024, Consiglio nazionale delle Ricerche, C‑439/23, EU:C:2024:773, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41 Niettemin blijkt uit de in punt 34 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak dat aan het non-discriminatiebeginsel in clausule 4 van de raamovereenkomst uitsluitend toepassing en invulling is gegeven met betrekking tot verschillen in behandeling tussen werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en werknemers in vaste dienst die zich in een vergelijkbare situatie bevinden.

42 Deze clausule ziet er namelijk op dat het non-discriminatiebeginsel wordt toegepast op werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd teneinde te voorkomen dat dit type arbeidsverhouding door een werkgever wordt gebruikt om deze werknemers rechten te onthouden die wel toekomen aan werknemers in vaste dienst [zie in die zin arresten van 22 januari 2020, Baldonedo Martín, C‑177/18, EU:C:2020:26, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 15 december 2022, Presidenza del Consiglio dei Ministri e.a. (Universitaire onderzoekers), C‑40/20 en C‑173/20, EU:C:2022:985, punt 88].

43 Hieruit volgt dat een verschil in behandeling dat is gebaseerd op een ander criterium dan de bepaalde of de onbepaalde duur van de arbeidsverhouding, niet onder het verbod van clausule 4 van de raamovereenkomst valt (zie in die zin arrest van 22 januari 2020, Baldonedo Martín, C‑177/18, EU:C:2020:26, punten 53 en 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44 In casu moet worden opgemerkt dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 32 tot en met 35 van haar conclusie in wezen heeft benadrukt, het uit artikel 485 van wetsbesluit nr. 297/1994 voortvloeiende verschil in behandeling niet is gebaseerd op het bepaalde of het onbepaalde karakter van de duur van de arbeidsverhouding, maar op de aard van de onderwijsinstelling waar de betrokken werknemers beroepservaring hebben opgedaan.

45 Uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens blijkt namelijk dat het feit dat de diensttijdvakken die als leraar met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in een „paritaire school” zijn vervuld, niet in aanmerking worden genomen in het kader van de reconstructie van de loopbaan van leerkrachten bij hun aanstelling in vaste dienst door het ministerie van Onderwijs, het gevolg is van het ontbreken van de vermelding van „paritaire scholen” in dat artikel 485.

46 De niet-inaanmerkingneming van diensttijden die als leraar aan een paritaire school zijn vervuld, heeft dus zowel betrekking op arbeid voor bepaalde tijd als op arbeid die in vaste dienst op die scholen is verricht.

47 Deze omstandigheid wordt overigens bevestigd door verzoeker in het hoofdgeding zelf, die in zijn bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen aanvoert dat het nationale recht niet voorziet in de mogelijkheid om „rekening te houden met de dienst die voor bepaalde tijd op paritaire scholen is verricht, en evenmin met die welke in vaste dienst op die scholen is verricht”.

48 Voorts blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens in wezen ook dat, naast het feit dat het nationale recht bepaalt dat de door leerkrachten in vaste dienst van openbare scholen verrichte arbeid en de dienovereenkomstige anciënniteit in hun bezoldiging worden weerspiegeld, de tijdvakken van arbeid die zij aan deze scholen als leraar met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd hebben vervuld op grond van artikel 485 van wetsbesluit nr. 297/1994 in aanmerking kunnen worden genomen in het kader van de reconstructie van hun loopbaan bij hun aanstelling in vaste dienst door het ministerie van Onderwijs.

49 In die omstandigheden moet, gesteld al dat kan worden aangenomen dat leerkrachten die voordat zij door het ministerie van Onderwijs in vaste dienst zijn aangesteld voor bepaalde tijd in dienst zijn geweest op „paritaire” scholen in de zin van artikel 1, lid 2, van wet nr. 62/2000, en leerkrachten die in vaste dienst in openbare scholen zijn aangesteld, „in dezelfde instelling” in de zin van clausule 3, punt 2, van de raamovereenkomst werken, en dat deze twee groepen werknemers zich, gelet op de in de rechtspraak van het Hof vastgestelde criteria, in vergelijkbare situaties bevinden, zodat laatstgenoemde leerkrachten kunnen worden aangemerkt als „vergelijkbare werknemers in vaste dienst” in de zin van clausule 3, punt 2, van die raamovereenkomst, worden geoordeeld dat een verschil in behandeling als dat welk voortvloeit uit artikel 485 van dat wetsbesluit niet onder het verbod van clausule 4 van die raamovereenkomst valt.

50 Gelet op een en ander moet op de eerste en de derde vraag worden geantwoord dat clausule 4 van de raamovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling die niet bepaalt dat voor de vaststelling van de anciënniteit en de bezoldiging van leerkrachten bij hun aanstelling in vaste dienst bij een staatsonderwijsinstelling rekening wordt gehouden met de diensttijdvakken die deze leerkrachten eerder hebben vervuld in het kader van een arbeidsverhouding voor bepaalde tijd of in vaste dienst bij bepaalde onderwijsinstellingen waarvan de werking en de organisatie niet onder de bevoegdheid van de staat vallen, maar die krachtens deze regeling met staatsonderwijsinstellingen worden gelijkgesteld, terwijl die regeling bepaalt dat diensttijdvakken die zijn vervuld door leerkrachten die zijn tewerkgesteld bij staatsonderwijsinstellingen, met name in vaste dienst, wel in aanmerking worden genomen voor de vaststelling van hun anciënniteit en bezoldiging.

Tweede vraag

51 Vooraf zij opgemerkt dat de verwijzende rechter met zijn tweede vraag verzoekt om uitlegging van de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie in het kader van arbeidsbetrekkingen, die met name zijn neergelegd in het EVRM en het Europees Sociaal Handvest. Het is evenwel vaste rechtspraak dat het Hof niet bevoegd is tot uitlegging van het EVRM [zie in die zin arrest van 10 februari 2022, Bezirkshauptmannschaft Hartberg-Fürstenfeld (Verjaringstermijn), C‑219/20, EU:C:2022:89, punt 15 en aldaar aangehaalde rechtspraak] en het Europees Sociaal Handvest [arrest van 29 juli 2024, CU en ND (Sociale bijstand – Indirecte discriminatie), C‑112/22 en C‑223/22, EU:C:2024:636, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

52 Hieruit volgt dat het Hof niet bevoegd is om uitspraak te doen over de tweede vraag, voor zover deze betrekking heeft op de uitlegging van de bepalingen van het EVRM en van het Europees Sociaal Handvest.

53 Gelet op de in de punten 28 en 29 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak moet bovendien worden opgemerkt, zoals de Commissie dit heeft gedaan, dat de verwijzende rechter niet voldoende nauwkeurig en duidelijk heeft uiteengezet waarom hij van mening is dat de uitlegging van artikel 157 VWEU en van de richtlijnen 2000/43 en 2000/78 noodzakelijk of nuttig is voor de beslechting van het hoofdgeding, noch welk verband hij ziet tussen die Unierechtelijke bepalingen en de op dat geding toepasselijke nationale wettelijke regeling.

54 Bijgevolg is de tweede vraag niet-ontvankelijk voor zover zij betrekking heeft op de uitlegging van artikel 157 VWEU en de richtlijnen 2000/43 en 2000/78.

55 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn tweede vraag in wezen wenst te vernemen of de in de artikelen 20 en 21 van het Handvest neergelegde beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die niet bepaalt dat bij de vaststelling van de anciënniteit en de bezoldiging van leerkrachten bij hun aanstelling in vaste dienst bij een staatsonderwijsinstelling rekening wordt gehouden met de eerder door deze leerkrachten vervulde diensttijdvakken wanneer zij voor bepaalde tijd in dienst waren van bepaalde onderwijsinstellingen waarvan de werking en de organisatie niet onder de bevoegdheid van de staat vallen, maar die op grond van die regeling worden gelijkgesteld met staatsonderwijsinstellingen, ook al bepaalt die regeling dat voor diezelfde doeleinden rekening wordt gehouden met de diensttijdvakken die deze leerkrachten hebben vervuld wanneer zij voor bepaalde tijd in dienst waren van andere onderwijsinstellingen, met name die van de staat.

56 Volgens vaste rechtspraak is het Hof, wanneer een juridische situatie niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt, niet bevoegd om daarover uitspraak te doen en kunnen de eventueel aangevoerde bepalingen van het Handvest op zich niet de grondslag vormen voor die bevoegdheid (arrest van 24 februari 2022, Viva Telecom Bulgaria, C‑257/20, EU:C:2022:125, punt 128 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

57 De bepalingen van het Handvest zijn ingevolge artikel 51, lid 1, ervan namelijk uitsluitend tot de lidstaten gericht wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Artikel 6, lid 1, VEU en artikel 51, lid 2, van het Handvest preciseren dat het Handvest het toepassingsgebied van het recht van de Unie niet verder uitbreidt dan de bevoegdheden van de Europese Unie reiken, geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de Unie schept en de in de Verdragen omschreven bevoegdheden en taken niet wijzigt. Het Hof moet het recht van de Unie dus binnen de grenzen van zijn bevoegdheden in het licht van het Handvest uitleggen (arrest van 17 maart 2021, Consulmarketing, C‑652/19, EU:C:2021:208, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

58 Dienaangaande is het zo dat het begrip „het recht van de Unie ten uitvoer brengen” in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest blijkens de rechtspraak van het Hof veronderstelt dat er tussen een Unierechtelijke handeling en de betrokken nationale maatregel een verband bestaat dat verder gaat dan het dicht bij elkaar liggen van de betrokken materies of de indirecte invloed van de ene materie op de andere (arrest van 22 januari 2020, Baldonedo Martín, C‑177/18, EU:C:2020:26, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

59 Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet er, om te bepalen of een nationale regeling „het recht van de Unie ten uitvoer brengt” in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, onder meer worden nagegaan of zij de uitvoering van een Unierechtelijke bepaling beoogt, wat de aard van deze regeling is en of zij niet andere doelstellingen nastreeft dan die waarop het Unierecht ziet, ook al zou die regeling dit recht indirect kunnen beïnvloeden, en of er een Unierechtelijke regeling bestaat die specifiek is voor deze materie of deze kan beïnvloeden (arrest van 22 januari 2020, Baldonedo Martín, C‑177/18, EU:C:2020:26, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

60 Zoals blijkt uit het onderzoek van de eerste en de derde prejudiciële vraag, verzet clausule 4 van de raamovereenkomst zich in casu niet tegen een nationale regeling als artikel 485 van wetsbesluit nr. 297/1994, aangezien het verschil in behandeling dat deze nationale bepaling teweegbrengt, niet is gebaseerd op de bepaalde of onbepaalde duur van de arbeidsverhouding van de betrokken werknemers. Zoals de advocaat-generaal in punt 50 van haar conclusie heeft opgemerkt, bestaat er dus geen rechtstreeks verband tussen de toepassing van dat artikel 485 en het in die clausule neergelegde non‑discriminatiebeginsel.

61 Bovendien blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt niet dat artikel 485 een verband vertoont met enige andere bepaling van het Unierecht.

62 Bijgevolg kan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling niet worden geacht „het recht van de Unie ten uitvoer te brengen” in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest.

63 Het verschil in behandeling dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling teweegbrengt, kan dus niet worden beoordeeld in het licht van de waarborgen in het Handvest en met name in de artikelen 20 en 21 ervan.

64 In deze omstandigheden moet worden vastgesteld, dat het Hof niet bevoegd is om op de tweede vraag te antwoorden.

Vierde vraag

65 Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat het deze rechter verplicht artikel 485 van wetsbesluit nr. 297/1994 buiten toepassing te laten ingeval deze nationale bepaling onverenigbaar met dat recht wordt geacht.

66 Gelet op het antwoord op de eerste tot en met de derde vraag hoeft de vierde vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

67 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

Clausule 4 van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd,

moet aldus worden uitgelegd dat

zij zich niet verzet tegen een nationale regeling die niet bepaalt dat voor de vaststelling van de anciënniteit en de bezoldiging van leerkrachten bij hun aanstelling in vaste dienst bij een staatsonderwijsinstelling rekening wordt gehouden met de diensttijdvakken die deze leerkrachten eerder hebben vervuld in het kader van een arbeidsverhouding voor bepaalde tijd of in vaste dienst bij bepaalde onderwijsinstellingen waarvan de werking en de organisatie niet onder de bevoegdheid van de staat vallen, maar die krachtens deze regeling met staatsonderwijsinstellingen worden gelijkgesteld, terwijl die regeling bepaalt dat diensttijdvakken die zijn vervuld door leerkrachten die zijn tewerkgesteld bij staatsonderwijsinstellingen, met name in vaste dienst, wel in aanmerking worden genomen voor de vaststelling van hun anciënniteit en bezoldiging.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Italiaans.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in