HvJ EU 29 januari 2026, C-562/24, ECLI:EU:C:2026:55

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

29 januari 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Wederzijdse erkenning van beslissingen tot confiscatie – Kaderbesluit 2006/783/JBZ – Artikel 8, lid 2, onder d) – Grond tot weigering van erkenning en tenuitvoerlegging – Rechten van belanghebbenden – Derden te goeder trouw – Hypothecaire schuldeiser – Onroerend goed dat de opbrengst uit het strafbare feit vormt – Procedure voor de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen tot confiscatie – Vóór de vaststelling van die beslissing ingeschreven gerechtelijke hypotheek”

In zaak C‑562/24 [Munik] ( i ),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Okrožno sodišče v Kopru (rechter in eerste aanleg Koper, Slovenië) bij beslissing van 5 juni 2024, ingekomen bij het Hof op 20 augustus 2024, in de procedure die is ingeleid door

S. H. d.o.o.,

M. A. d.o.o.,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, J. Passer, E. Regan (rapporteur), D. Gratsias en B. Smulders, rechters,

advocaat-generaal: N. Emiliou,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– de Sloveense regering, vertegenwoordigd door J. Morela als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door U. Babovič en I. Zaloguin als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 8, lid 2, onder d), van kaderbesluit 2006/783/JBZ van de Raad van 6 oktober 2006 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen tot confiscatie (PB 2006, L 328, blz. 59) en artikel 17, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure inzake de erkenning en tenuitvoerlegging in Slovenië van een door een Italiaanse rechter jegens S. H. d.o.o. gegeven beslissing tot confiscatie van aan deze vennootschap toebehorende onroerende goederen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Kaderbesluit 2006/783

3 De overwegingen 1, 8 en 9 van kaderbesluit 2006/783 luiden als volgt: „(1) De Europese Raad heeft tijdens zijn bijeenkomst in Tampere van 15 en 16 oktober 1999 onderstreept dat het beginsel van wederzijdse erkenning de hoeksteen van de justitiële samenwerking binnen de Unie zou moeten worden zowel in burgerrechtelijke als in strafzaken. [...] (8) Met het onderhavige kaderbesluit wordt beoogd de samenwerking tussen de lidstaten inzake de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen tot confiscatie van voorwerpen te vergemakkelijken, doordat de lidstaten een door een in strafzaken bevoegde rechterlijke instantie van een andere lidstaat gegeven beslissing tot confiscatie moeten erkennen en op hun grondgebied ten uitvoer moeten leggen. Dit kaderbesluit past in dezelfde context als kaderbesluit 2005/212/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, alsmede van de daarbij gebruikte hulpmiddelen en de door middel daarvan verkregen voorwerpen [(PB 2005, L 68, blz. 49)]. Het doel van dat kaderbesluit is, ervoor te zorgen dat alle lidstaten effectieve regels hebben om te bepalen wanneer opbrengsten van misdrijven kunnen worden geconfisqueerd, onder meer inzake de bewijslast voor de herkomst van voorwerpen in het bezit van een persoon die is veroordeeld voor een strafbaar feit dat te maken heeft met georganiseerde criminaliteit. (9) Samenwerking tussen de lidstaten, op basis van het beginsel van wederzijdse erkenning en onmiddellijke tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, veronderstelt het vertrouwen dat de te erkennen en ten uitvoer te leggen beslissingen steeds zullen worden gegeven overeenkomstig de beginselen van legaliteit, subsidiariteit en proportionaliteit. Een andere voorwaarde is dat de rechten van partijen of derden te goeder trouw geëerbiedigd worden. In dit verband zou erop moeten worden toegezien dat natuurlijke of rechtspersonen geen onterechte vorderingen kunnen indienen.”

4 Artikel 1 van kaderbesluit 2006/783, met als opschrift „Doel”, bepaalt: „1. Met dit kaderbesluit wordt beoogd de regels vast te stellen volgens welke een lidstaat een door een in strafzaken bevoegde rechter van een andere lidstaat gegeven beslissing tot confiscatie erkent en ten uitvoer legt. 2. Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 [VEU], wordt aangetast, en ook alle verplichtingen die op de rechterlijke autoriteiten ter zake rusten, blijven onverlet.”

5 Artikel 2 van dit kaderbesluit, „Definities”, luidt als volgt: „In dit kaderbesluit wordt verstaan onder: a) beslissingsstaat: de lidstaat waarin een rechter in het kader van een strafprocedure een beslissing tot confiscatie heeft opgelegd; b) tenuitvoerleggingsstaat: de lidstaat waaraan de beslissing tot confiscatie met het oog op tenuitvoerlegging is toegezonden; c) beslissing tot confiscatie: een onherroepelijke straf of maatregel, opgelegd door een rechter na een procedure in verband met één of meer strafbare feiten, die leidt tot het blijvend ontnemen van voorwerpen; d) voorwerpen: goederen van enigerlei aard, lichamelijk of onlichamelijk, roerend of onroerend, alsmede rechtsbescheiden waaruit de eigendom of andere rechten ten aanzien van die goederen blijken, en ten aanzien waarvan de rechter van de beslissingsstaat heeft beslist dat zij: i) de opbrengst zijn van een strafbaar feit dan wel met de gehele of gedeeltelijke waarde van die opbrengst overeenstemmen, of ii) een hulpmiddel voor dat strafbare feit vormen; [...] e) opbrengst: elk economisch voordeel dat uit strafbare feiten is verkregen. Dit kunnen alle voorwerpen zijn; f) hulpmiddelen: alle voorwerpen die op enigerlei wijze, geheel of gedeeltelijk, zijn gebruikt of zijn bestemd om te worden gebruikt om één of meer strafbare feiten te begaan; [...]”

6 Artikel 7 van dat kaderbesluit, „Erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen”, bepaalt in lid 1: „De bevoegde autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat gaan zonder verdere formaliteit over tot de erkenning van een overeenkomstig de artikelen 4 en 5 toegezonden beslissing tot confiscatie en nemen onverwijld de nodige maatregelen met het oog op de tenuitvoerlegging ervan, tenzij de bevoegde autoriteiten beslissen zich te beroepen op één van de in artikel 8 genoemde gronden om de beslissing niet te erkennen of ten uitvoer te leggen, dan wel op één van de in artikel 10 genoemde gronden om de tenuitvoerlegging op te schorten.”

7 Artikel 8 van voornoemd kaderbesluit, „Gronden tot weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging”, bepaalt in de leden 2 en 4: „2. De bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat, zoals omschreven in het recht van die staat, kan tevens weigeren de beslissing tot confiscatie te erkennen en ten uitvoer te leggen, indien vaststaat dat: [...] d) de rechten van belanghebbenden, met inbegrip van derden te goeder trouw, naar het recht van de tenuitvoerleggingsstaat de tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie onmogelijk maken, ook wanneer dit het gevolg is van de toepassing van rechtsmiddelen overeenkomstig artikel 9; [...] 4. De bevoegde autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat zorgen er in het bijzonder voor dat zij de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat op passende wijze raadplegen voordat zij besluiten een beslissing tot confiscatie niet te erkennen en niet ten uitvoer te leggen op grond van lid 2, of de tenuitvoerlegging te beperken op grond van lid 3. Raadpleging is verplicht indien het aannemelijk is dat het besluit gebaseerd zal worden op: [...] – lid 2, onder d), en er geen kennisgeving op grond van artikel 9, lid 3, plaatsvindt, [...]”

8 Artikel 9 van kaderbesluit 2006/783, „Rechtsmiddelen in de tenuitvoerleggingsstaat tegen erkenning en tenuitvoerlegging”, luidt: „1. Iedere lidstaat treft de nodige regelingen om ervoor te zorgen dat belanghebbenden, met inbegrip van derden te goeder trouw, rechtsmiddelen kunnen instellen tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing tot confiscatie in de zin van artikel 7 teneinde hun rechten te beschermen. De vordering wordt bij een rechter in de tenuitvoerleggingsstaat ingediend overeenkomstig het nationale recht van die staat. De vordering kan krachtens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat schorsende werking hebben. [...] 3. Indien een vordering wordt ingesteld bij een rechter in de tenuitvoerleggingsstaat, wordt de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat daarvan in kennis gesteld.

9 Artikel 10 van dit kaderbesluit betreft, getuige het opschrift ervan, opschorting van de tenuitvoerlegging.

Regelgeving inzake gemeenschappelijke minimumvoorschriften op het gebied van beslissingen tot confiscatie

– Kaderbesluit 2005/212

10 Overweging 3 van kaderbesluit 2005/212 luidt: „Uit punt 50, onder b), van het [actieplan van de Raad en de Commissie over hoe de bepalingen van het Verdrag van Amsterdam inzake de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid het best kunnen worden uitgevoerd (PB 1999, C 19, blz. 1)] volgt dat de nationale voorschriften betreffende de inbeslagneming en confiscatie van opbrengsten van misdrijven, rekening houdend met de rechten van derden die te goeder trouw zijn, binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam verbeterd en, waar nodig, onderling aangepast moeten worden.”

11 Artikel 1 van dit kaderbesluit, „Definities”, luidt als volgt: „Voor de toepassing van dit kaderbesluit wordt verstaan onder: – opbrengsten: elk economisch voordeel dat uit strafbare feiten is verkregen. Dit kunnen alle voorwerpen zijn zoals gedefinieerd in het volgende streepje; – voorwerpen: goederen van enigerlei aard, lichamelijk of onlichamelijk, roerend of onroerend, alsmede rechtsbescheiden waaruit de eigendom of andere rechten ten aanzien van die goederen blijken; – hulpmiddelen: alle voorwerpen die op enigerlei wijze, geheel of gedeeltelijk, zijn gebruikt of zijn bestemd om te worden gebruikt om één of meer strafbare feiten te begaan; [...]”

– Richtlijn 2014/42

12 De overwegingen 24 en 33 van richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie (PB 2014, L 127, blz. 39) luiden: „(24) Het is een gebruikelijke en steeds algemenere praktijk dat de verdachte of beklaagde voorwerpen overdraagt aan een derde, medewetende partij om confiscatie te vermijden. Het huidige rechtskader van de Unie bevat geen bindende voorschriften over de confiscatie van aan derden overgedragen voorwerpen. Het is daarom steeds noodzakelijker om de confiscatie van aan derden overgedragen of door derden verworven voorwerpen toe te staan. Met verwerving door derden wordt bijvoorbeeld bedoeld dat voorwerpen direct of indirect, bijvoorbeeld via een tussenpersoon, door de derde partij zijn verkregen van een verdachte of beklaagde, ook indien het strafbare feit in zijn opdracht of te zijnen voordele is gepleegd, en wanneer een beklaagde geen voorwerpen heeft die kunnen worden geconfisqueerd. Een dergelijke confiscatie zou ten minste mogelijk moeten zijn in gevallen waarin de derden wisten of hadden moeten weten dat het doel van de overdracht of de verwerving het vermijden van confiscatie was, en dit op grond van concrete feiten en omstandigheden, bijvoorbeeld het feit dat de overdracht kosteloos werd uitgevoerd, of tegen een bedrag dat beduidend onder de marktwaarde lag. De regels inzake confiscatie bij derden gelden zowel voor natuurlijke personen als voor rechtspersonen. Er mag in geen geval afbreuk worden gedaan aan de rechten van derden te goeder trouw. [...] (33) Deze richtlijn raakt in aanzienlijke mate de rechten van personen, niet alleen die van de verdachte of beklaagde, maar ook van derden die zelf niet worden vervolgd. Bijgevolg moeten specifieke waarborgen en rechtsmiddelen worden bepaald, die garanderen dat hun grondrechten bij de uitvoering van deze richtlijn worden geëerbiedigd. Dit houdt onder andere in dat derden die beweren eigenaar van de betrokken voorwerpen te zijn, of die aanspraak menen te kunnen maken op andere rechten op het voorwerp (‚zakelijke rechten’, ‚ius in re’), zoals het recht op vruchtgebruik, het recht hebben om te worden gehoord. De bevriezingsbeslissing moet zo spoedig mogelijk na de tenuitvoerlegging ervan aan de betrokkene worden meegedeeld. De bevoegde instanties kunnen de kennisgeving van de beslissing aan de betrokkene echter uitstellen als dat in verband met het onderzoek vereist is.”

13 Artikel 6 van die richtlijn, „Confiscatie bij een derde”, luidt: „1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de confiscatie mogelijk te maken van opbrengsten, of andere voorwerpen waarvan de waarde overeenkomt met opbrengsten, die door een verdachte of beklaagde al dan niet rechtstreeks aan derden zijn overgemaakt, of die door derden zijn verworven van een verdachte of beklaagde, ten minste wanneer die derden wisten of hadden moeten weten dat het doel van de overdracht of de verwerving het vermijden van confiscatie was, en dit op grond van concrete feiten en omstandigheden, bijvoorbeeld het feit dat de overdracht of verwerving kosteloos werd uitgevoerd, of tegen een bedrag dat beduidend onder de marktwaarde lag. 2. Lid 1 wordt aldus uitgelegd dat geen afbreuk wordt gedaan aan de rechten van derden te goeder trouw.”

Sloveens recht

14 Artikel 210 („Gronden tot weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging”) van de Zakon o sodelovanju v kazenskih zadevah z državami članicami Evropske unije (wet inzake justitiële samenwerking in strafzaken met de lidstaten van de Europese Unie) (hierna: „wet inzake justitiële samenwerking in strafzaken”) bepaalt in lid 1, punt 8: „De nationale rechter legt een beslissing van een bevoegde rechter van een andere lidstaat tot confiscatie van voorwerpen of opbrengsten niet ten uitvoer indien: [...] 8. de tenuitvoerlegging inbreuk zou maken op de rechten van derden te goeder trouw; [...]”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

15 S. H., een vennootschap naar Kroatisch recht, en twee Italiaanse staatsburgers, zijn in Italië onherroepelijk veroordeeld voor de strafbare feiten van deelname aan een criminele organisatie, oplichting met verzwarende omstandigheden en witwassen, omdat zij personen hadden misleid door hen te beloven om hun geld te beleggen in het platform Forex, terwijl dit geld in werkelijkheid onder de daders werd verdeeld en voor persoonlijke doeleinden werd gebruikt, waaronder voor de aankoop van onroerende goederen in Italië, Slovenië en Kroatië.

16 Op 15 oktober 2018 werd er tegen S. H. een faillissementsprocedure ingeleid bij de Trgovački sud v Pazinu (handelsrechter Pazin, Kroatië).

17 Op 18 oktober 2018 en 12 februari 2019 heeft M. A. d.o.o, in het kader van een in Slovenië tegen S. H. gevoerde procedure van gedwongen tenuitvoerlegging, twee gerechtelijke hypotheken gevestigd op een onroerend goed van S. H. in Plavje (Slovenië) tot zekerheidstelling van twee schuldvorderingen van 42861,00 EUR en 5335,12 EUR, vermeerderd met rente en kosten, die voortvloeiden uit dwangbevelen van de Okrajno sodišče v Ljubljani (rechter in eerste aanleg Ljubljana, Slovenië) van respectievelijk 4 juni en 24 september 2018.

18 Bij vonnis van 9 maart 2019 (hierna: „beslissing tot confiscatie”), dat op 18 april 2019 in kracht van gewijsde is gegaan, heeft de giudice per le indagini preliminari del Tribunale di Pordenone (rechter‑commissaris van de rechtbank Pordenone, Italië) de confiscatie gelast van de onroerende goederen die de opbrengst vormen van de strafbare feiten waarvoor S. H. is veroordeeld, waaronder met name een onroerend goed in Koper (Slovenië) en een in Plavje, waarbij het eigendomsrecht daarover is overgeschreven naar de Republiek Slovenië en, indien dit niet mogelijk zou zijn, de confiscatie van voorwerpen, geld of andere in handen van de veroordeelden zijnde opbrengsten van misdrijven die gelijkstaan aan de waarde van de opbrengst van het misdrijf. Bij deze beslissing werd tevens conservatoir beslag gelegd op de in Slovenië gelegen goederen.

19 De beslissing tot confiscatie is met het oog op de erkenning en tenuitvoerlegging ervan toegezonden aan de bevoegde Sloveense autoriteiten. Overeenkomstig deze beslissing werd er in de loop van de in Italië aanhangige strafprocedure ten gunste van de Republiek Slovenië een beslissing tot bevriezing van de goederen, vergezeld van een verbod op vervreemding en nieuwe bezwaring daarvan, ingeschreven in het kadaster van laatstgenoemde lidstaat.

20 Bij beschikking van 5 april 2019 is er in de Republiek Slovenië, op verzoek van M. A., bij de Okrožno sodišče v Kopru (rechter in eerste aanleg Koper, Slovenië) een faillissementsprocedure tegen S. H. ingeleid met het oog op het bepalen van de failliete boedel, omdat M. A. van mening was dat de onroerende goederen die in het kadaster als eigendom van S. H. waren ingeschreven, deel moesten uitmaken van die boedel. In het kader van deze procedure heeft M. A. haar voorrangsrecht kenbaar gemaakt. De Republiek Slovenië heeft daarentegen geen schuldvorderingen ingediend. De betrokken rechter heeft in het kader van die procedure toestemming gegeven voor de verkoop van de onroerende goederen, maar de procedure voor de verkoop van de twee onroerende goederen is nietig verklaard.

21 Bij vonnis van 3 juli 2019 heeft de giudice per le indagini preliminari del Tribunale di Pordenone de confiscatie van deze onroerende goederen gelast.

22 Op 9 december 2020 werd de tegen S. H. bij de Trgovački sud v Pazinu ingeleide faillissementsprocedure definitief afgesloten. S. H. werd op 8 februari 2021 uit het Kroatische handelsregister geschrapt.

23 Bij beschikking van 30 november 2022 heeft de rechter‑commissaris van Koper de erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie gelast, wat heeft geleid tot de inschrijving in het kadaster van de eigendom van de in Koper en Plavje gelegen onroerende goederen op naam van de Republiek Slovenië.

24 Zowel de curator van S. H. als M. A. hebben tegen deze beschikking beroep ingesteld bij de Okrožno sodišče v Kopru. De curator voerde aan dat die beschikking inbreuk maakte op eigendomsrechten en andere zakelijke rechten alsmede op rechten van derden, aangezien de Republiek Slovenië haar schuldvordering of haar voorkeursrecht had moeten doen gelden tijdens de faillissementsprocedure. M. A. betoogde dat zij een te goeder trouw handelende derde was, aangezien zij hypotheken had ingeschreven op een van de betrokken onroerende goederen, zodat de in artikel 210, lid 1, punt 8, van de wet inzake justitiële samenwerking in strafzaken genoemde grond voor weigering van erkenning en tenuitvoerlegging van toepassing was op de beslissing tot confiscatie.

25 De Okrožno sodišče v Kopru heeft deze beroepen bij uitspraak van 31 januari 2023 afgewezen. Deze rechter was met name van oordeel dat het feit dat M. A. gerechtelijke hypotheken had gevestigd op een aan S. H. toebehorend onroerend goed in Plavje, voordat het verbod tot vervreemding en nieuwe bezwaring ten gunste van de Republiek Slovenië was ingeschreven in het kadaster, geen afbreuk doet aan de rechtmatigheid van de beschikking tot erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie. Aangezien die beschikking geen afbreuk deed aan de rechten van derden, was de in artikel 210, lid 1, punt 8, van de wet inzake justitiële samenwerking in strafzaken opgenomen grond voor weigering van erkenning en tenuitvoerlegging volgens deze rechter niet van toepassing.

26 M. A. heeft tegen deze uitspraak grondwettelijk beroep ingesteld bij de Ustavno sodišče (grondwettelijk hof, Slovenië). Bij arrest van 19 oktober 2023 heeft deze rechter die uitspraak vernietigd en de zaak terugverwezen naar de Okrožno sodišče v Kopru, de verwijzende rechter, voor een nieuwe uitspraak.

27 In dit verband blijkt uit de verwijzingsbeslissing ook dat de verwijzende rechter volgens de Ustavno sodišče ten onrechte heeft geoordeeld dat hypothecaire schuldeisers geen „derden te goeder trouw” in de zin van artikel 8, lid 2, onder d), van kaderbesluit 2006/783 zijn, zonder het Hof krachtens artikel 267 VWEU om een prejudiciële beslissing te hebben verzocht.

28 Volgens de Ustavno sodišče heeft het Hof zich nog niet uitgesproken over de vraag in welke omstandigheden hypothecaire schuldeisers kunnen worden beschouwd als „derden te goeder trouw” in de zin van die bepaling. De uitlegging van het begrip „derde te goeder trouw” hangt volgens hem af van de met dat kaderbesluit nagestreefde doelstellingen, zoals de verbetering van de tenuitvoerlegging van confiscatiemaatregelen, met name om mogelijk te maken dat slachtoffers van strafbare feiten worden hersteld in de toestand waarin ze zich bevonden voordat die strafbare feiten werden gepleegd. In een situatie als die in het hoofdgeding zou het echter, om de belangen van een hypothecaire schuldeiser te beschermen, volstaan om deze schuldeiser de mogelijkheid te bieden tot preferentiële betaling van zijn door een zekerheid op de geconfisqueerde goederen gedekte vordering, zodat het niet nodig zou zijn om de tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie volledig te weigeren.

29 Tegen deze achtergrond heeft de Okrožno sodišče v Kopru de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moeten artikel 8, lid 2, onder d), van kaderbesluit [2006/783] en artikel 17, lid 1, van het [Handvest] aldus worden uitgelegd dat ook houders van gerechtelijke hypotheken die zijn ingeschreven vóór de erkenning van een beslissing van een rechter van een andere lidstaat of vóór de bevriezing van de goederen met het oog op de tenuitvoerlegging, moeten worden beschouwd als derden wier rechten in aanmerking moeten worden genomen in de procedure voor de tenuitvoerlegging van een beslissing tot confiscatie van onrechtmatig verkregen goederen?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

30 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 8, lid 2, onder d), van kaderbesluit 2006/783, gelezen in het licht van artikel 17, lid 1, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat de bevoegde rechterlijke autoriteit van de lidstaat van tenuitvoerlegging de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing tot confiscatie die in een andere lidstaat is uitgevaardigd jegens een onroerend goed dat de „opbrengst” van een strafbaar feit vormt, zoals gedefinieerd in artikel 2, onder e), van dat kaderbesluit, kan weigeren op grond dat de rechten van een hypothecaire schuldeiser – vanwege diens hoedanigheid als „derde te goeder trouw” in de zin van dat artikel 8, lid 2, onder d), ervan – de tenuitvoerlegging van die beslissing onmogelijk maken, wanneer deze schuldeiser in de lidstaat van tenuitvoerlegging een gerechtelijke hypotheek op dat onroerend goed heeft ingeschreven vóór de inleiding in die lidstaat van de procedure tot erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie.

31 Om deze vraag te kunnen beantwoorden moet worden bepaald wat de draagwijdte is van het begrip „derde te goeder trouw” als bedoeld in artikel 8, lid 2, onder d), van kaderbesluit 2006/783.

32 In dit verband is het vaste rechtspraak dat voor de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 19 juni 2025, Lietuvos bankas, C‑671/23, EU:C:2025:457, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33 Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 8, lid 2, onder d), van kaderbesluit 2006/783 betreft, zij eraan herinnerd dat deze bepalen dat de bevoegde rechterlijke autoriteit van de lidstaat van tenuitvoerlegging kan weigeren een beslissing tot confiscatie te erkennen en ten uitvoer te leggen indien „de rechten van belanghebbenden, met inbegrip van derden te goeder trouw”, naar het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging de tenuitvoerlegging van die beslissing onmogelijk maken, „ook wanneer dit het gevolg is van de toepassing van rechtsmiddelen overeenkomstig artikel 9” van dit kaderbesluit.

34 Volgens lid 1 van artikel 9 van kaderbesluit 2006/783 moeten de lidstaten de nodige regelingen treffen om ervoor te zorgen dat „belanghebbenden, met inbegrip van derden te goeder trouw, rechtsmiddelen kunnen instellen tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing tot confiscatie [...] teneinde hun rechten te beschermen”.

35 Aldus volgt uit de bewoordingen van artikel 8, lid 2, onder d), van kaderbesluit 2006/783, gelezen in samenhang met die van artikel 9, lid 1, daarvan, dat, hoewel deze bepalingen geen verduidelijking bevatten van het begrip „belanghebbende” of het daaronder vallende begrip „derden te goeder trouw”, personen wier rechten in de weg kunnen staan aan de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing tot confiscatie in de zin van de eerste van die bepalingen, samenvallen – zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft betoogd – met de personen die overeenkomstig die tweede bepaling moeten beschikken over een doeltreffende voorziening in rechte tegen een dergelijke beslissing.

36 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat deze personen, naast degenen die schuldig zijn bevonden aan een strafbaar feit, ook derden omvatten wier voorwerpen zijn getroffen door een beslissing tot confiscatie [zie in die zin en naar analogie arresten van 14 januari 2021, Okrazhna prokuratura – Haskovo en Apelativna prokuratura – Plovdiv, C‑393/19, EU:C:2021:8, punt 61; 21 oktober 2021, Okrazhna prokuratura – Varna, C‑845/19 en C‑863/19, EU:C:2021:864, punt 76, en 12 mei 2022, RR en JG (Bevriezing van voorwerpen van derden), C‑505/20, EU:C:2022:376, punt 34].

37 Wat in de tweede plaats de context van artikel 8, lid 2, onder d), van kaderbesluit 2006/783 betreft, moet worden opgemerkt dat dit kaderbesluit, zoals blijkt uit overweging 8 ervan, nauw verbonden is met de gemeenschappelijke minimumvoorschriften inzake beslissingen tot confiscatie in kaderbesluit 2005/212 en in richtlijn 2014/42, waarbij laatstgenoemd kaderbesluit gedeeltelijk is vervangen. Door ervoor te zorgen dat alle lidstaten effectieve regels hebben om te bepalen wanneer opbrengsten van misdrijven kunnen worden geconfisqueerd, versterken deze gemeenschappelijke voorschriften immers het wederzijdse vertrouwen dat noodzakelijk is voor de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen tot confiscatie.

38 Er zij op gewezen dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 2014/42, betreffende een confiscatie bij een derde, van de lidstaten verlangt dat zij de nodige maatregelen nemen om de confiscatie mogelijk te maken van „opbrengsten” of „voorwerpen” zoals gedefinieerd in artikel 2, punten 1 en 2, van deze richtlijn, waarvan de waarde overeenkomt met opbrengsten die door een verdachte of beklaagde al dan niet rechtstreeks aan derden zijn overgemaakt, of die door derden zijn verworven van een verdachte of beklaagde, „ten minste wanneer die derden wisten of hadden moeten weten dat het doel van de overdracht of de verwerving het vermijden van confiscatie was”, waarbij, overeenkomstig artikel 6, lid 2, van die richtlijn, lid 1 daarvan geen afbreuk mag doen „aan de rechten van derden te goeder trouw”.

39 Zoals in overweging 24 van die richtlijn wordt benadrukt, maken daders van strafbare feiten immers vaak gebruik van een derde om de confiscatie van hun voorwerpen te voorkomen. Zoals in overweging 33 van deze richtlijn wordt opgemerkt, kan voor dit doel het houderschap van zakelijke rechten, waaronder hypotheekrechten, worden aangewend.

40 Aldus blijkt uit deze bepalingen van richtlijn 2014/42 dat de confiscatie van de opbrengst van een strafbaar feit die aan een derde is overgedragen of door een derde is verworven alleen kan worden verhinderd indien vaststaat dat deze derde niet wist dat de verdachte of beklaagde met die overdracht of verwerving confiscatie beoogde te voorkomen (zie in die zin arrest van 21 oktober 2021, Okrazhna prokuratura – Varna, C‑845/19 en C‑863/19, EU:C:2021:864, punt 69).

41 Uit het voorgaande volgt dat een hypothecaire schuldeiser kan worden beschouwd als een „belanghebbende” met de hoedanigheid van „derde te goeder trouw” in de zin van artikel 8, lid 2, onder d), van kaderbesluit 2006/783, wiens rechten kunnen worden aangetast door een beslissing tot confiscatie van een onroerend goed dat de opbrengst van een strafbaar feit vormt, wanneer deze schuldeiser vóór de vaststelling van die beslissing – en dus vóór inleiding van de procedure tot erkenning daarvan – een gerechtelijke hypotheek op dat onroerend goed heeft ingeschreven, mits wordt aangetoond dat deze derde niet wist of niet had kunnen weten dat de verdachte of beklaagde met die hypotheek beoogde de confiscatie te ontlopen door een zakelijk recht op dat onroerend goed over te dragen aan die derde.

42 Deze uitlegging is volledig in overeenstemming met de doelstellingen van dat kaderbesluit.

43 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat dit kaderbesluit – zoals blijkt uit artikel 1, lid 1, gelezen in samenhang met de overwegingen 1 en 8 ervan, – tot doel heeft om overeenkomstig het beginsel van wederzijdse erkenning, dat de hoeksteen van de gerechtelijke samenwerking in zowel burgerlijke als strafrechtelijke zaken vormt, en teneinde deze samenwerking te vergemakkelijken, beoogt de regels vast te stellen volgens welke een lidstaat een door een in strafzaken bevoegde rechter van een andere lidstaat gegeven beslissing tot confiscatie erkent en op zijn grondgebied ten uitvoer legt (zie in die zin arresten van 10 januari 2019, ET, C‑97/18, EU:C:2019:7, punt 16, en 19 maart 2020, Agro In 2001,C‑234/18, EU:C:2020:221, punt 55).

44 Uit vaste rechtspraak van het Hof blijkt dat het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten en het beginsel van wederzijdse erkenning, dat zelf op het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten berust, beide van fundamenteel belang zijn in het Unierecht, aangezien zij de mogelijkheid bieden om een ruimte zonder binnengrenzen te verwezenlijken en in stand te houden (arrest van 10 januari 2019, ET, C‑97/18, EU:C:2019:7, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45 De bevoegde rechterlijke autoriteiten van de lidstaat van tenuitvoerlegging zijn dan ook overeenkomstig artikel 7 van kaderbesluit 2006/783 verplicht om zonder verdere formaliteit over te gaan tot de erkenning van een overeenkomstig de bepalingen van dat kaderbesluit toegezonden beslissing tot confiscatie, en om onverwijld de nodige maatregelen met het oog op de tenuitvoerlegging daarvan te nemen (arrest van 10 januari 2019, ET, C‑97/18, EU:C:2019:7, punt 18).

46 Deze autoriteiten kunnen dus alleen op basis van de expliciet in dat kaderbesluit neergelegde gronden eventueel weigeren de beslissing tot confiscatie te erkennen of ten uitvoer te leggen (zie in die zin arrest van 10 januari 2019, ET, C‑97/18, EU:C:2019:7, punt 19).

47 Zoals blijkt uit artikel 1, lid 2, van dat kaderbesluit, moet het beginsel van wederzijdse erkenning immers worden verzoend met de eerbiediging van de grondrechten, zoals die zijn neergelegd in met name het Handvest.

48 Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof gaat de confiscatie van een voorwerp gepaard met een aanzienlijke aantasting van de rechten van personen, aangezien deze leidt tot de definitieve ontneming van het recht op eigendom van dat voorwerp, welk grondrecht is verankerd in artikel 17 van het Handvest, dat in lid 1 onder meer bepaalt dat eenieder het recht heeft de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen, in eigendom te bezitten, te gebruiken en erover te beschikken (zie in die zin arrest van 14 januari 2021, Okrazhna prokuratura – Haskovo en Apelativna prokuratura – Plovdiv, C‑393/19, EU:C:2021:8, punten 52 en 55).

49 Om een passend evenwicht te vinden tussen het beginsel van wederzijdse erkenning en de eerbiediging van dit grondrecht beoogt artikel 8, lid 2, onder d), van kaderbesluit 2006/783 de bescherming van de rechten van belanghebbende derden te goeder trouw te waarborgen, net als overigens, zoals blijkt uit overweging 3 van kaderbesluit 2005/212 en overweging 33 van richtlijn 2014/42, de in deze Uniehandelingen vastgestelde gemeenschappelijke minimumvoorschriften inzake beslissingen tot confiscatie (zie in die zin arrest van 21 oktober 2021, Okrazhna prokuratura – Varna, C‑845/19 en C‑863/19, EU:C:2021:864, punt 77).

50 Hieruit volgt dat de bevoegde rechterlijke autoriteit van de lidstaat van tenuitvoerlegging krachtens artikel 8, lid 2, onder d), van kaderbesluit 2006/783 de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing tot confiscatie die in een andere lidstaat is uitgevaardigd jegens een onroerend goed dat de opbrengst van een strafbaar feit vormt, kan weigeren wanneer die tenuitvoerlegging afbreuk zou doen aan de rechten van een hypothecaire schuldeiser die een gerechtelijke hypotheek op dat onroerend goed heeft ingeschreven vóór de inleiding in die lidstaat van de procedure tot erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie, mits deze schuldeiser een derde is en kan worden geacht „te goeder trouw” te zijn in de zin van die bepaling.

51 In casu is het uiteindelijk aan de verwijzende rechter om zich over dit laatste punt uit te spreken, na vast te stellen onder welke omstandigheden in de lidstaat van tenuitvoerlegging de executoriale titels zijn afgegeven waarop de hypothecaire schuldvordering van M. A. is gebaseerd, die voortvloeien uit de twee in punt 17 van dit arrest genoemde rechterlijke beslissingen.

52 Het Hof is immers niet bevoegd om de bepalingen van Unierecht op een concreet geval toe te passen, maar enkel om uitspraak te doen over de uitlegging daarvan. Volgens vaste rechtspraak kan het Hof echter in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde gerechtelijke samenwerking op grond van de gegevens van het dossier de nationale rechter de uitleggingselementen van het Unierecht verschaffen die voor deze rechter van waarde kunnen zijn bij de beoordeling van de gevolgen van deze of gene Unierechtelijke bepaling (arrest van 18 mei 2021, Asociația Forumul Judecătorilor din România e.a.,C‑83/19, C‑127/19, C‑195/19, C‑291/19, C‑355/19 en C‑397/19, EU:C:2021:393, punt 201 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53 In dit verband moet worden opgemerkt dat het feit dat de gerechtelijke hypotheken in het hoofdgeding door M. A. zijn ingeschreven niet alleen vóór de inleiding van de procedure tot erkenning van de beslissing tot confiscatie in de lidstaat van tenuitvoerlegging, maar ook vóór de vaststelling van die beslissing in de beslissingslidstaat, een factor kan zijn die erop duidt dat er geen sprake is van frauduleus gedrag en dat M. A. dus te goeder trouw heeft gehandeld.

54 Het staat echter aan de verwijzende rechter om, in voorkomend geval na raadpleging van de bevoegde autoriteiten van de beslissingslidstaat overeenkomstig artikel 8, lid 4, van kaderbesluit 2006/783, alle omstandigheden van het geval te onderzoeken en met name het feit dat de betrokken gerechtelijke hypotheken in de lidstaat van tenuitvoerlegging zijn ingeschreven na inleiding van de faillissementsprocedure betreffende de schuldenaar in de lidstaat waar zij is gevestigd, terwijl niet kan worden uitgesloten dat de procedure die tot de vaststelling van de beslissing tot confiscatie heeft geleid, reeds liep in de beslissingslidstaat. Dergelijke omstandigheden kunnen immers aantonen dat er sprake is van frauduleus gedrag en dus dat de schuldeiser niet te goeder trouw heeft gehandeld.

55 Gelet op al het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 8, lid 2, onder d), van kaderbesluit 2006/783, gelezen in het licht van artikel 17, lid 1, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat de bevoegde rechterlijke autoriteit van de lidstaat van tenuitvoerlegging de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing tot confiscatie die in een andere lidstaat is uitgevaardigd jegens een onroerend goed dat de „opbrengst” van een strafbaar feit vormt, zoals gedefinieerd in artikel 2, onder e), van dat kaderbesluit, kan weigeren op grond dat de rechten van een hypothecaire schuldeiser – vanwege diens hoedanigheid als „derde te goeder trouw” in de zin van dat artikel 8, lid 2, onder d), ervan – de tenuitvoerlegging van die beslissing onmogelijk maken, wanneer deze schuldeiser in de lidstaat van tenuitvoerlegging een gerechtelijke hypotheek op dat onroerend goed heeft ingeschreven vóór de inleiding in die lidstaat van de procedure tot erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie, met dien verstande dat het aan de verwijzende rechter staat om te bepalen of die schuldeiser kan worden geacht „te goeder trouw” te zijn in de zin van die bepaling, rekening houdend met alle omstandigheden rond de afgifte in de lidstaat van tenuitvoerlegging van de executoriale titel waarop de hypothecaire schuldvordering is gebaseerd.

Kosten

56 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 8, lid 2, onder d), van kaderbesluit 2006/783/JBZ van de Raad van 6 oktober 2006 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen tot confiscatie, gelezen in het licht van artikel 17, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

moet aldus worden uitgelegd dat

de bevoegde rechterlijke autoriteit van de lidstaat van tenuitvoerlegging de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing tot confiscatie die in een andere lidstaat is uitgevaardigd jegens een onroerend goed dat de „opbrengst” van een strafbaar feit vormt, zoals gedefinieerd in artikel 2, onder e), van dat kaderbesluit, kan weigeren op grond dat de rechten van een hypothecaire schuldeiser – vanwege diens hoedanigheid als „derde te goeder trouw” in de zin van dat artikel 8, lid 2, onder d), ervan – de tenuitvoerlegging van die beslissing onmogelijk maken, wanneer deze schuldeiser in de lidstaat van tenuitvoerlegging een gerechtelijke hypotheek op dat onroerend goed heeft ingeschreven vóór de inleiding in die lidstaat van de procedure tot erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie, met dien verstande dat het aan de verwijzende rechter staat om te bepalen of die schuldeiser kan worden geacht „te goeder trouw” te zijn in de zin van die bepaling, rekening houdend met alle omstandigheden rond de afgifte in de lidstaat van tenuitvoerlegging van de executoriale titel waarop de hypothecaire schuldvordering is gebaseerd.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Sloveens.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken