HvJ EU 4 juni 2026, C-326/25, ECLI:EU:C:2026:453

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

4 juni 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Politiële samenwerking – Schengeninformatiesysteem – Besluit 2007/533/JBZ – Verordening (EU) 2018/1862 – Signalering van een motorvoertuig met het oog op inbeslagneming of gebruik als bewijsmateriaal in een strafprocedure – Bevel tot afgifte van een in het Schengeninformatiesysteem gesignaleerd voertuig – Nationale regelgeving die uitsluit dat de persoon die in het bezit was van het gesignaleerde voorwerp deelneemt aan de administratieve en gerechtelijke procedure tot afgifte van het voorwerp aan de signalerende lidstaat”

In zaak C‑326/25,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Varhoven administrativen sad (hoogste bestuursrechter, Bulgarije) bij beslissing van 9 mei 2025, ingekomen bij het Hof op 13 mei 2025, in de procedure

CY

tegen

Vremenno prenaznachen na dlazhnost nachalnik na 03 Rayonno upravlenie na Stolichna direktsia na vatreshnite raboti,

wijst

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: I. Ziemele, kamerpresident, A. Kumin en M. Bošnjak (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: D. Spielmann,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door N. Schaeffer en I. Zaloguin als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, artikel 38, lid 1, en artikel 39, lid 1, van besluit 2007/533/JBZ van de Raad van 12 juni 2007 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (PB 2007, L 205, blz. 63; hierna: „SIS II-besluit”), gelezen in het licht van de bescherming van de grondrechten zoals gewaarborgd door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen CY, een Bulgaars staatsburger die in overeenstemming met het Bulgaarse recht is geregistreerd als rechtmatige eigenaar van een voertuig dat in beslag is genomen naar aanleiding van een door de Bondsrepubliek Duitsland in het Schengeninformatiesysteem (hierna: „SIS”) opgenomen signalering, en de Vremenno prenaznachen na dlazhnost nachalnik na 03 Rayonno upravlenie pri Stolichna direktsia na vatreshnite raboti (waarnemend directeur van de derde arrondissementsdienst van de hoofdstedelijke directie voor binnenlandse zaken, Bulgarije) over de rechtmatigheid van het door deze directeur gegeven bevel om het betrokken voertuig naar Duitsland te repatriëren.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

SIS II-besluit

3 Overweging 34 van het SIS II-besluit luidde als volgt: „Dit besluit is in overeenstemming met de grondrechten en beginselen die met name door het [Handvest] worden erkend.”

4 Artikel 1 van dit besluit bepaalde: „1. Hierbij wordt het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) ingesteld. 2. SIS II heeft tot doel, overeenkomstig het bepaalde in dit besluit, met behulp van de via dit systeem verstrekte informatie, te zorgen voor een hoog niveau van veiligheid in een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht in de Europese Unie, onder meer door handhaving van de openbare orde en veiligheid en vrijwaring van de veiligheid op het grondgebied van de lidstaten, en de bepalingen van deel III, titel IV, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (het EG-Verdrag) inzake het personenverkeer op hun grondgebied toe te passen.”

5 Artikel 38 van dit besluit, met als opschrift „Doelstellingen en voorwaarden”, bepaalde: „1. Gegevens over voorwerpen die met het oog op inbeslagneming of als bewijsmiddel in een strafprocedure worden gezocht, worden in SIS II opgenomen. 2. Onderstaande categorieën van gemakkelijk identificeerbare voorwerpen worden opgenomen: a) motorvoertuigen met een cilinderinhoud van meer dan 50 cc, vaartuigen en luchtvaartuigen; […]”

6 Artikel 39 („Tenuitvoerlegging van de in een signalering gevraagde maatregel”) van dat besluit luidde: „1. Blijkt uit een bevraging dat er met betrekking tot een aangetroffen voorwerp een signalering bestaat, dan neemt de autoriteit die zulks heeft geconstateerd, contact op met de signalerende autoriteit, teneinde de nodige maatregelen overeen te komen. Daartoe mogen overeenkomstig dit besluit persoonsgegevens worden verstrekt. 2. De in lid 1 bedoelde informatie wordt verstrekt via de uitwisseling van aanvullende informatie. 3. De lidstaat die het voorwerp aantreft, neemt overeenkomstig het nationale recht de nodige maatregelen.”

Uitvoeringsverordening 2018/1862

7 In de overwegingen 1, 7, 38 en 72 van verordening (EU) 2018/1862 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, tot wijziging en intrekking van besluit 2007/533/JBZ van de Raad en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1986/2006 van het Europees Parlement en de Raad en besluit 2010/261/EU van de Commissie (PB 2018, L 312, blz. 56), staat te lezen: „(1) Het Schengeninformatiesysteem (SIS) is een essentieel instrument voor de toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis zoals dat is opgenomen in het kader van de Europese Unie. SIS is een van de belangrijkste compenserende maatregelen die bijdragen tot de handhaving van een hoog niveau van veiligheid in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht in de Unie, door ondersteuning te bieden bij de operationele samenwerking tussen nationale bevoegde autoriteiten, met name grenswachters, de politie, douaneautoriteiten, immigratieautoriteiten en autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van strafbare feiten of tenuitvoerleggen van strafrechtelijke sancties. […] (7) Signaleringen in SIS bevatten uitsluitend informatie die nodig is […]om een persoon of een voorwerp te identificeren en voor de te ondernemen actie. Daarom moeten lidstaten waar nodig aanvullende informatie in verband met signaleringen uitwisselen. […] (38) In het geval van signaleringen van voorwerpen met het oog op inbeslagname of gebruik als bewijsmateriaal in een strafprocedure moeten de desbetreffende voorwerpen in beslag worden genomen overeenkomstig het nationale recht dat bepaalt of en in welke omstandigheden een voorwerp in beslag moet worden genomen, vooral wanneer het in het bezit is van de rechtmatige eigenaar. […] (72) Deze verordening eerbiedigt grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het [Handvest] zijn neergelegd. […]”

8 Artikel 1 („Algemene doelstelling van SIS”) van verordening 2018/1862 luidt: „SIS heeft tot doel met behulp van de via dit systeem gecommuniceerde informatie een hoog niveau van veiligheid te garanderen in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht in de Europese Unie, onder meer door handhaving van de openbare orde en veiligheid en vrijwaring van de veiligheid op het grondgebied van de lidstaten, en heeft eveneens tot doel de toepassing te garanderen van de bepalingen van het derde deel, titel V, hoofdstukken 4 en 5, VWEU inzake het verkeer van personen op het grondgebied van de lidstaten.”

9 Artikel 2 („Onderwerp”) van deze verordening bepaalt in lid 1: „Bij deze verordening worden de voorwaarden en procedures vastgesteld voor het invoeren en verwerken in SIS van signaleringen van personen en voorwerpen, en voor het uitwisselen van aanvullende informatie en extra gegevens met het oog op de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken.”

10 Artikel 3 („Definities”) van die verordening luidt als volgt: „Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: 1) ‚signalering’: een in SIS ingevoerde reeks gegevens aan de hand waarvan de bevoegde autoriteiten een persoon of een voorwerp kunnen identificeren met het oog op het uitvoeren van een specifieke actie; 2) ‚aanvullende informatie’: andere informatie dan de in SIS opgeslagen signaleringsgegevens, die gerelateerd is aan signaleringen in SIS en die via de SIRENE-bureaus moet worden uitgewisseld: […] b) bij een hit zodat de passende actie kan worden ondernomen; […] 7) ‚hit’: een match die voldoet aan de volgende criteria: a) hij is bevestigd door: i) de eindgebruiker, of ii) de bevoegde autoriteit overeenkomstig de nationale procedures, indien de betrokken match gebaseerd was op de vergelijking van biometrische gegevens; en b) er wordt om verdere acties verzocht; […] 9) ‚signalerende lidstaat’: de lidstaat die de signalering in SIS heeft ingevoerd; 10) ‚uitvoerende lidstaat’: de lidstaat die de gevraagde actie naar aanleiding van een hit uitvoert of heeft uitgevoerd; […]”

11 Artikel 7 („N.SIS-instantie en SIRENE-bureau”) van deze verordening bepaalt in lid 2, eerste alinea, het volgende: „Elke lidstaat wijst een nationale autoriteit aan die 24 uur per dag, zeven dagen per week operationeel is en die ervoor zorgt dat alle aanvullende informatie overeenkomstig het SIRENE-handboek wordt uitgewisseld en beschikbaar is (het Sirene-bureau). Elk SIRENE-bureau fungeert als een centraal contactpunt voor zijn lidstaat voor de uitwisseling van aanvullende informatie in verband met signaleringen, en om het nemen van de gevraagde actie te vergemakkelijken wanneer signaleringen van personen of voorwerpen in SIS zijn ingevoerd en die personen of voorwerpen na een hit worden gelokaliseerd.”

12 Artikel 38 („Doelstellingen en voorwaarden voor het invoeren van signaleringen”) van verordening 2018/1862, bepaalt in de leden 1 en 2: „1. De lidstaten voeren signaleringen van voorwerpen die met het oog op inbeslagname of als bewijsmiddel in een strafprocedure worden gezocht, in SIS in. 2. Signaleringen worden in de onderstaande categorieën gemakkelijk identificeerbare voorwerpen ingevoerd: a) motorvoertuigen, ongeacht het gebruikte aandrijvingssysteem; […]”

13 Artikel 39 („Uitvoering van de in een signalering gevraagde actie”) van die verordening luidt: „1. Blijkt uit een doorzoeking dat met betrekking tot een aangetroffen voorwerp een signalering bestaat, dan neemt de bevoegde autoriteit het voorwerp overeenkomstig het nationaal recht van [haar] lidstaat in beslag en neemt zij contact op met de signalerende autoriteit, teneinde de nodige maatregelen overeen te komen. Daartoe mogen overeenkomstig deze verordening ook persoonsgegevens worden verstrekt. 2. De in lid 1 bedoelde informatie wordt verstrekt via de uitwisseling van aanvullende informatie. 3. De uitvoerende lidstaat neemt overeenkomstig het nationaal recht de gevraagde maatregelen.”

14 Artikel 55 („Wissing van signaleringen”) van die verordening bepaalt in lid 5: „Een signalering van een voorwerp met het oog op inbeslagname of gebruik als bewijsmateriaal in een strafrechtelijke procedure op grond van artikel 38 wordt gewist wanneer: a) het voorwerp in beslag is genomen of een gelijkwaardige maatregel is genomen en naar aanleiding daarvan de nodige aanvullende informatie is uitgewisseld door de betrokken SIRENE-bureaus, of op het voorwerp een andere gerechtelijke of bestuursrechtelijke procedure van toepassing wordt; b) de signalering is verstreken overeenkomstig artikel 53, of c) de bevoegde autoriteit van de signalerende lidstaat daartoe heeft besloten.”

15 Artikel 68 („Rechtsmiddelen”) van deze verordening bepaalt in lid 1: „Onverminderd de bepalingen inzake rechtsmiddelen van verordening (EU) 2016/679 [van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1)] en richtlijn (EU) 2016/680 [van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB 2016, L 119, blz. 89),] heeft eenieder het recht om naar aanleiding van een hem betreffende signalering bij elke naar het nationale recht van elke lidstaat bevoegde instantie, waaronder de rechter, beroep in te stellen met het oog op inzage, rectificatie, wissing en op het verkrijgen van informatie of schadevergoeding in verband met zijn signalering.”

16 Artikel 78 („Intrekking”) van verordening 2018/1862 bepaalt in de eerste alinea: „Verordening (EG) nr. 1986/2006 van het Europees Parlement en de Raad, besluit 2007/533/JBZ en besluit 2010/261/EU worden ingetrokken met ingang van de in artikel 79, lid 5, eerste alinea, bepaalde datum van toepassing van deze verordening.”

17 Artikel 79 („Inwerkingtreding, aanvang van werkzaamheden en toepassing”) van deze verordening bepaalt in de leden 2 en 5: „2. Uiterlijk op 28 december 2021 neemt de [Europese] Commissie een besluit tot vaststelling van de datum waarop ingevolge deze verordening SIS-werkzaamheden aanvangen, nadat zij heeft gecontroleerd dat aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) de voor de toepassing van deze verordening vereiste uitvoeringshandelingen zijn vastgesteld; b) de lidstaten hebben aan de Commissie meegedeeld dat de nodige technische en juridische maatregelen zijn genomen om SIS-gegevens te verwerken en aanvullende informatie uit te wisselen op grond van deze verordening, […] 5. Deze verordening is van toepassing met ingang van de datum die overeenkomstig lid 2 is vastgesteld.”

Uitvoeringsbesluit C(2021) 92

18 Artikel 1 („Onderwerp”) van uitvoeringsbesluit C(2021) 92 final van de Commissie van 15 januari 2021 tot vaststelling van de technische voorschriften voor het invoeren, bijwerken, wissen en doorzoeken van gegevens in het Schengeninformatiesysteem (SIS) en andere uitvoeringsmaatregelen op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken [hierna: „uitvoeringsbesluit C(2021) 92”], bepaalt: „Dit besluit bevat technische voorschriften die nodig zijn voor de uniforme toepassing van [SIS] op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, met name: […] (b) regels, onder meer inzake gegevenskwaliteit en markering, om gegevens over personen en voorwerpen in SIS in te voeren, bij te werken, te wissen en te doorzoeken; […]”

19 Artikel 3 („Mechanismen om de gegevenskwaliteit te controleren bij de invoering van alfanumerieke gegevens in SIS”) van uitvoeringsbesluit C(2021) 92 bepaalt in lid 1: „SIS bevat de volgende mechanismen om de gegevenskwaliteit te controleren bij de invoering van alfanumerieke gegevens: (a) het gebruik van codetabellen om te garanderen dat de gegevens op uniforme wijze worden ingevoerd, zoals bepaald in artikel 4; […]”

20 Artikel 4 („Codetabellen”) van dit uitvoeringsbesluit bepaalt in lid 1: „De codetabellen voor de ‚reden van signalering’, de ‚te ondernemen actie’ en het ‚soort strafbaar feit’ zijn opgenomen in bijlage I, delen A en B, bij dit besluit.”

21 Artikel 5 („Concordantie tussen ‚reden van signalering’ en ‚te ondernemen actie’”) van dat uitvoeringsbesluit bepaalt in lid 1: „Bij elke ‚reden van signalering’ in de eerste kolom van de tabel in bijlage I, deel A, moet de gevraagde ‚te ondernemen actie’ een van de overeenkomstige acties in de tweede kolom van die tabel zijn.”

22 Bijlage I bij dat uitvoeringsbesluit heeft als opschrift „Codetabellen”. Deel A ervan („‚Reden van signalering’ en ‚te ondernemen actie’”), beschrijft met name de te ondernemen actie in geval van een hit voor een signalering met betrekking tot voorwerpen met het oog op inbeslagname ervan of op gebruik als bewijsmateriaal in een strafprocedure. Deze bijlage luidt als volgt: Reden van signalering Te ondernemen actie […] […] Inbeslagname van voorwerp – artikel 38 van verordening (EU) 2018/1862 Overeenkomstig het nationale recht: – het voorwerp in beslag nemen of alle noodzakelijke beschermingsmaatregelen nemen; – de identiteit vaststellen van de persoon in wiens bezit het voorwerp is aangetroffen; – contact opnemen met het nationale Sirene-bureau. Voorwerp dat wordt gezocht met het oog op gebruik als bewijsmateriaal in een strafprocedure – artikel 38 van verordening (EU) 2018/1862 Overeenkomstig het nationale recht: – het voorwerp in beslag nemen of alle noodzakelijke beschermingsmaatregelen nemen; – zorgen dat geen bewijsmateriaal verloren gaat dat kan dienen voor een strafrechtelijk onderzoek in het kader van een strafrechtelijke procedure; – de identiteit vaststellen van de persoon in wiens bezit het voorwerp is aangetroffen; – contact opnemen met het nationale Sirene-bureau.

Sirene-handboek (Politie)

23 Artikel 1 [„Onderwerp – Sirene-handboek (Politie)”], van uitvoeringsbesluit C(2021) 7901 final van de Commissie van 18 november 2021 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de taken van de Sirene-bureaus en de uitwisseling van aanvullende informatie over signaleringen in het Schengeninformatiesysteem op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken („Sirene-handboek – Politie”) [hierna: „Sirene-handboek (Politie)”] luidt: „Bij dit besluit wordt het Sirene-handboek vastgesteld met: a) regels betreffende de taken van de Sirene-bureaus op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken; b) regels en procedures voor de bilaterale of multilaterale uitwisseling van aanvullende informatie tussen de Sirene-bureaus op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken; c) regels en procedures voor de uitwisseling van aanvullende informatie tussen de Sirene-bureaus en het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken; en d) regels inzake de verenigbaarheid en prioriteit van signaleringen op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken.”

24 Onder het opschrift „Procedures voor de uitwisseling van aanvullende informatie na een treffer met betrekking tot een signalering van een voorwerp met het oog op inbeslagneming of gebruik als bewijsmateriaal” bepaalt artikel 50 van het Sirene-handboek (Politie) welke stappen de signalerende lidstaat en de uitvoerende lidstaat moeten nemen bij een treffer met betrekking tot een SIS-signalering op grond van artikel 38 van verordening 2018/1862, waarbij wordt aangegeven welke formulieren daartoe moeten worden gebruikt.

Bijlage bij aanbeveling C(2023) 2152 van de Commissie

25 Onderafdeling 6.5 [„Specifieke bepalingen betreffende te ondernemen acties (per signaleringscategorie)”], van de bijlage bij aanbeveling C(2023) 2152 final van de Commissie van 31 maart 2023 tot vaststelling van een praktisch handboek voor gebruik door de bevoegde autoriteiten en de Sirene-bureaus van de lidstaten bij de uitvoering van taken in verband met het Schengeninformatiesysteem („SIS-handboek”) luidt als volgt: „[…] 6.5.7 Signaleringen van voorwerpen met het oog op inbeslagneming of gebruik als bewijsmateriaal […] Repatriëring van voorwerpen De repatriëring van voorwerpen (voertuigen, luchtvaartuigen, vaartuigen, containers, enz.) is een procedure waarin een voorwerp aan de rechtmatige eigenaar wordt overhandigd of uit de lidstaat waar het is aangetroffen wordt overgebracht naar de lidstaat van onderzoek. Repatriëring vindt plaats na een hit in het SIS en nadat de officiële procedures zijn doorlopen. Over het algemeen genomen zijn de Sirene-bureaus niet belast met de uitwisseling van informatie tijdens repatriëringsprocedures (aangezien dat buiten het bereik van de SIS-procedure valt). […] […]”

Bulgaars recht

Grondwet van de Republiek Bulgarije

26 Artikel 120 van de grondwet van de Republiek Bulgarije bepaalt: „(1) De rechterlijke instanties toetsen de wettigheid van handelingen van de administratieve autoriteiten. (2) Natuurlijke personen en rechtspersonen kunnen tegen alle bestuurshandelingen opkomen die op hen betrekking hebben, met uitzondering van die welke uitdrukkelijk bij wet zijn genoemd.”

Wet inzake het ministerie van Binnenlandse Zaken

27 Artikel 84 van de Zakon za Ministerstvoto na vatreshnite raboti (wet betreffende het ministerie van Binnenlandse Zaken) van 28 mei 2014 (DV nr. 53 van 27 juni 2014, blz. 2), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt: „(1) De politieautoriteiten kunnen een voorwerp dat met het oog op opsporing is gesignaleerd in SIS en/of in de databanken van de Internationale Criminele Politieorganisatie (Interpol), voorlopig in beslag nemen. (2) De persoon bij wie het in lid 1 bedoelde gezochte voorwerp zich bevindt, wordt verzocht dit vrijwillig af te geven. Van de vrijwillige afgifte van het voorwerp wordt een proces-verbaal opgemaakt dat wordt ondertekend door de persoon die het aangetroffen voorwerp heeft afgegeven. De persoon ontvangt een afschrift. […] (5) […] Gedurende de voorlopige inbeslagneming wordt het voorwerp bewaard bij de territoriale eenheid van de Glavna Direktsia ‚Granichna politsia’ [(algemene directie ‚Grenspolitie’, Bulgarije)], het kantoor van de grenspolitie, de scheepshaven van de grenspolitie of de districtsdienst van de regionale directie van het ministerie van Binnenlandse Zaken, waar het is afgegeven of waardoor het in beslag is genomen. (6) […] Het proces-verbaal als bedoeld in lid 2 of lid 3 wordt onverwijld en uiterlijk binnen 24 uur ter goedkeuring voorgelegd aan het hoofd van de territoriale eenheid van de algemene directie ‚Grenspolitie’, het kantoor van de grenspolitie, de scheepshaven van de grenspolitie of de districtsdienst van de regionale directie van het ministerie van Binnenlandse Zaken, waar het voorwerp wordt bewaard. De afgifte of inbeslagneming wordt ter kennis gebracht van de lidstaat die de signalering in SIS of de gegevensbank van Interpol heeft ingevoerd. (7) De kennisgeving aan de lidstaat die de signalering in SIS of in de gegevensbank van Interpol heeft ingevoerd, geschiedt door de bevoegde gespecialiseerde dienst van het ministerie van Binnenlandse Zaken. (8) […] Indien de signalerende lidstaat binnen 60 dagen om afgifte van het gezochte voorwerp verzoekt, wordt het voorwerp bij besluit van de bevoegde directeur overeenkomstig lid 6 binnen zeven dagen aan de in het verzoek aangewezen persoon afgegeven. (9) […] Indien de signalerende lidstaat niet binnen 60 dagen om afgifte van het gezochte voorwerp verzoekt, wordt het voorwerp bij besluit van de desbetreffende directeur overeenkomstig lid 6 binnen zeven dagen teruggegeven aan de persoon door wie het voorwerp is afgegeven of bij wie het in beslag is genomen. (10) […] Van de afgifte overeenkomstig de leden 8 en 9 wordt een proces-verbaal opgemaakt. […]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

28 Op 6 juni 2024 werd CY aan een politiecontrole onderworpen terwijl hij achter het stuur zat van een voertuig met een Bulgaars kenteken dat hij bij een handelaar had gekocht (hierna: „betrokken voertuig”).

29 Bij deze controle is vastgesteld dat het chassisnummer van het betrokken voertuig identiek was aan dat in een signalering die de Duitse autoriteiten op 14 mei 2024 in het SIS hadden ingevoerd en die betrekking had op een voertuig dat werd gezocht met het oog op gebruik als bewijs in een strafprocedure.

30 Op 7 juni 2024 is het Sirene-bureau in Duitsland op de hoogte gesteld dat CY het betrokken voertuig vrijwillig aan de Bulgaarse autoriteiten had afgegeven.

31 In zijn antwoord heeft het Duitse Sirene-bureau het Bulgaarse Sirene-bureau meegedeeld dat het betrokken voertuig in zijn nationale databanken was geregistreerd als gezocht in het kader van een op 13 augustus 2022 gepleegd strafbaar feit van onrechtmatige toe-eigening dat op 14 mei 2024 aan de Duitse politieautoriteiten was gemeld. Het Duitse Sirene-bureau heeft er ook op gewezen dat AutoEuropa Ldnk – naar verluidt tevens de rechtmatige eigenaar van het betrokken voertuig – het voertuig terug wou, en dat, op basis van opeenvolgende mandaten, KL deze onderneming in Bulgarije vertegenwoordigde in verband met de teruggave van dit voertuig.

32 Bij een bevel dat is uitgevaardigd op grond van artikel 84, lid 8, van de wet inzake het ministerie van Binnenlandse Zaken, in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, heeft de waarnemend directeur van de derde arrondissementsdienst van de hoofdstedelijke directie voor binnenlandse zaken de afgifte van het betrokken voertuig aan KL gelast.

33 CY heeft de rechtmatigheid van dit bevel tot afgifte betwist bij de Administrativen sad Sofia-grad (bestuursrechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije), die heeft geweigerd dat beroep in behandeling te nemen. Overeenkomstig vaste nationale rechtspraak heeft deze rechter geoordeeld dat CY niet de adressaat van dat bevel was. Volgens de Bulgaarse regeling, met name artikel 120, lid 2, van de grondwet van de Republiek Bulgarije, is het recht van beroep evenwel niet afhankelijk van de voorwaarde dat een persoon formeel de hoedanigheid heeft van adressaat van de betrokken bestuurshandeling, maar van het feit dat de subjectieve rechten van die persoon zijn geschonden.

34 CY heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de Varhoven administrativen sad (hoogste bestuursrechter, Bulgarije), de verwijzende rechter.

35 De verwijzende rechter vraagt zich af of een regeling van een lidstaat die een persoon die in die lidstaat geregistreerd staat als eigenaar van een door een andere lidstaat in het SIS gesignaleerd voorwerp niet toestaat deel te nemen aan de administratieve en gerechtelijke procedure voor de uitvoering van maatregelen tot repatriëring van dat voorwerp naar de signalerende lidstaat, verenigbaar is met het SIS II-besluit.

36 In die omstandigheden heeft de Varhoven administrativen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moeten artikel 39 en artikel 38, lid 1, van [het SIS II-besluit], gelezen in samenhang met overweging 34 van dat besluit, aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een nationale regeling die niet bepaalt dat de naar nationaal recht geregistreerde eigenaar van een voorwerp in de zin van artikel 38, lid 1, van het besluit kan deelnemen aan administratieve en gerechtelijke procedures in verband met de toepassing van maatregelen [voor de teruggave van het voorwerp], waarbij hij belanghebbende bij die maatregelen is op grond van een signalering als bedoeld in artikel 39, lid 1, van het besluit, rekening houdend met de in het [Handvest] en in overweging 34 van [dat] besluit neergelegde bescherming van de grondrechten? 2) Staat de in artikel 1 van [het SIS II-besluit] neergelegde doelstelling van [het SIS] in de weg aan de toepassing van het beginsel van een doeltreffende voorziening in rechte overeenkomstig artikel 47 van het Handvest, indien de maatregelen die volgens het nationale recht zijn genomen door de autoriteiten van de lidstaat waar het voorwerp is aangetroffen, afbreuk doen aan de rechten en legitieme belangen van de persoon bij wie [dat] voorwerp is aangetroffen?”

Op het hoofdgeding toepasselijke bepalingen

37 Vooraf zij eraan herinnerd dat een verzoek om een prejudiciële beslissing moet worden onderzocht in het licht van alle bepalingen van de Verdragen en van het afgeleide recht die relevant kunnen zijn voor het aan de orde gestelde probleem. De omstandigheid dat een verwijzende rechterlijke instantie bij de formulering van haar vraag heeft verwezen naar bepaalde voorschriften van het Unierecht, staat er niet aan in de weg dat het Hof die instantie alle uitleggingsgegevens verschaft die nuttig kunnen zijn voor de beslechting van de aldaar aanhangige zaak, ongeacht of die al dan niet in haar vragen worden genoemd (zie in die zin arrest van 16 juni 2022, Obshtina Razlog, C‑376/21, EU:C:2022:472, punt 51).

38 In zijn verzoek om een prejudiciële beslissing verwijst de verwijzende rechter naar artikel 1, artikel 38, lid 1, artikel 39, lid 1, en overweging 34 van het SIS II-besluit. Wat de toepasselijkheid ratione temporis van deze bepalingen betreft, moet worden opgemerkt dat dit besluit overeenkomstig artikel 78, eerste alinea, ervan is ingetrokken bij verordening 2018/1862 en dat uit artikel 79, leden 2 en 5, ervan volgt dat deze intrekking van kracht is geworden op 7 maart 2023, na de vaststelling van uitvoeringsbesluit (EU) 2023/201 van de Commissie van 30 januari 2023 tot vaststelling van de datum waarop de werking van het Schengeninformatiesysteem aanvangt op grond van verordening (EU) 2018/1861 van het Europees Parlement en de Raad en verordening (EU) 2018/1862 van het Europees Parlement en de Raad (PB 2023, L 27, blz. 29).

39 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat de signalering voor het betrokken voertuig op 14 mei 2024 in het SIS is opgenomen, dat wil zeggen na de datum waarop de relevante bepalingen van het SIS II-besluit zijn ingetrokken. Bijgevolg is verordening 2018/1862 van toepassing op het hoofdgeding.

40 Opgemerkt zij evenwel dat de bewoordingen van de artikelen 1, 38 en 39 van het SIS II-besluit, op enkele in casu irrelevante wijzigingen na, in essentie overeenkomen met die van respectievelijk de artikelen 1, 38 en 39 van verordening 2018/1862. Hetzelfde geldt respectievelijk voor overweging 34 van het SIS II-besluit en overweging 72 van die verordening.

41 Tevens moet worden benadrukt dat uitvoeringsbesluit C(2021) 92 van toepassing was op 14 mei 2024, dat wil zeggen op de datum waarop de signalering van het betrokken voertuig in het SIS is opgenomen.

42 Ten slotte is het Sirene-handboek (Politie) dat ratione temporis van toepassing is op het hoofdgeding, het handboek dat voortvloeit uit uitvoeringsbesluit C(2021) 7901 final, dat later is ingetrokken bij uitvoeringsbesluit C(2025) 3011 final van de Commissie van 21 mei 2025 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de taken van de Sirene-bureaus en de uitwisseling van aanvullende informatie over signaleringen in het Schengeninformatiesysteem op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken („Sirene-handboek – Politie”) en tot intrekking van de uitvoeringsbesluiten C(2024) 290 en C(2021) 7901 final.

43 Hieruit volgt dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing moet worden beantwoord in het licht van de artikelen 1, 38 en 39 van verordening 2018/1862 en de relevante bepalingen van uitvoeringsbesluit C(2021) 92 en het Sirene-handboek (Politie).

Eerste vraag

44 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de artikelen 38 en 39 van verordening 2018/1862, gelezen in het licht van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat die aan een persoon die in die lidstaat de hoedanigheid van rechtmatige eigenaar heeft van een voorwerp dat door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat in het SIS is gesignaleerd, niet het recht toekent om deel te nemen aan de administratieve en gerechtelijke procedures betreffende de repatriëring van dat voorwerp naar die andere lidstaat.

45 Voor de beantwoording van deze vraag moet vooraf worden vastgesteld of een dergelijke wettelijke beperking met betrekking tot de procedure tot afgifte in de uitvoerende lidstaat van een in het SIS gesignaleerd voorwerp met het oog op inbeslagneming of gebruik als bewijsmateriaal in een strafprocedure in de signalerende lidstaat, binnen de werkingssfeer van artikel 39 van verordening 2018/1862 valt.

46 Artikel 38, lid 2, onder a), van verordening 2018/1862 bepaalt weliswaar dat een motorvoertuig, zoals het betrokken voertuig, in het SIS kan worden gesignaleerd, maar de procedure die de lidstaten bij een dergelijke signalering moeten volgen, wordt geregeld in artikel 39 van die verordening.

47 Wat die bepaling betreft, dient eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan de bepaling deel uitmaakt (arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 26 maart 2026, Isergartler, C‑618/24, EU:C:2026:251, punt 29).

48 Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 39 van verordening 2018/1862 betreft, zij opgemerkt dat deze bepaling voorschrijft dat wanneer uit een doorzoeking blijkt dat met betrekking tot een aangetroffen voorwerp een signalering bestaat, de bevoegde autoriteit het voorwerp dan overeenkomstig haar nationale recht in beslag neemt en contact opneemt met de signalerende autoriteit, teneinde de nodige maatregelen overeen te komen. Er wordt echter niets gezegd over de aard of de inhoud van deze maatregelen, aangezien artikel 39, lid 3, van verordening 2018/1862 enkel bepaalt dat de uitvoerende lidstaat de door de signalerende lidstaat gevraagde maatregelen neemt overeenkomstig zijn nationale recht.

49 Uit de bewoordingen van artikel 39 van verordening 2018/1862 volgt dus dat de Uniewetgever de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende lidstaat de verplichting heeft willen opleggen om het gesignaleerde voorwerp in beslag te nemen en contact op te nemen met de autoriteiten van de signalerende staat om te beslissen welke maatregelen vervolgens moeten worden genomen, waarbij de lidstaten dienaangaande een ruime beoordelingsmarge wordt gelaten.

50 Zoals in punt 40 van dit arrest is opgemerkt, komen de bewoordingen van artikel 39 van verordening 2018/1862 in essentie overeen met die van artikel 39 van het SIS II-besluit, waarover het Hof reeds heeft geoordeeld dat dit artikel slechts in algemene bewoordingen beschrijft hoe de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende lidstaat gevolg moeten geven aan een treffer met betrekking tot een signalering in SIS II op basis van artikel 38 van dat besluit, en dat de Uniewetgever de lidstaten dienaangaande een ruime beoordelingsmarge heeft willen laten door ervoor te kiezen om in artikel 39 van het SIS II-besluit niet nader aan te geven welke maatregelen de lidstaten krachtens artikel 38 van dat besluit precies moeten nemen wanneer zij uitvoering geven aan een signalering in SIS II [zie in die zin arrest van 15 december 2022, Lietuvos Respublikos vidaus reikalų ministerija (Registratie van een gesignaleerd voertuig), C‑88/21, EU:C:2022:982, punten 37 en 38].

51 Wat in de tweede plaats de context van artikel 39 van verordening 2018/1862 betreft, moet erop worden gewezen dat geen enkele andere bepaling van deze verordening preciseert welk soort maatregelen de lidstaat waarin het gesignaleerde voorwerp is gevonden, moet nemen, afgezien van de inbeslagneming van dat voorwerp.

52 Voorts bepaalt artikel 55, lid 1, van verordening 2018/1862 weliswaar dat signaleringen met het oog op aanhouding van een persoon ten behoeve van overlevering of uitlevering van die persoon op grond van artikel 26 van die verordening worden gewist zodra de betrokken persoon is overgeleverd of uitgeleverd aan de bevoegde autoriteiten van de signalerende lidstaat, maar artikel 55, lid 5, onder a), van die verordening schrijft voor dat een op grond van artikel 38 van die verordening in het SIS opgenomen signalering wordt gewist wanneer het voorwerp in beslag is genomen en naar aanleiding daarvan aanvullende informatie is uitgewisseld door de betrokken Sirene-bureaus. Hieruit kan worden opgemaakt dat de op artikel 38 van verordening 2018/1862 gebaseerde signalering louter door die uitwisseling haar doel heeft bereikt en dat de repatriëring van een gesignaleerd voorwerp bijgevolg niet valt onder de uitvoering van de maatregel die krachtens deze verordening moet worden genomen door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar dat voorwerp is gelokaliseerd.

53 Bovendien bepaalt uitvoeringsbesluit C(2021) 92 – dat met name tot doel heeft ervoor te zorgen dat eindgebruikers die een signalering in het SIS opnemen, de gepaste actie kiezen die moet worden ondernomen met betrekking tot de reden van signalering – niet dat deze maatregel in het geval van een signalering op grond van artikel 38 van verordening 2018/1862 de teruggave van het gesignaleerde voorwerp omvat. Volgens artikel 5 van uitvoeringsbesluit C(2021) 92, gelezen in samenhang met bijlage I, deel A, bij dat besluit, bestaat de handelwijze van de lidstaat waarin het gesignaleerde voorwerp is aangetroffen erin het voorwerp in beslag te nemen, alle noodzakelijke beschermingsmaatregelen te nemen om het te bewaren met het oog op het gebruik ervan als bewijsmateriaal in een strafprocedure, de identiteit vast te stellen van de persoon in wiens bezit het voorwerp is aangetroffen en contact op te nemen met het Sirene-bureau van de signalerende lidstaat.

54 Het Sirene-handboek (Politie) dat de regels vaststelt voor de taken van de Sirene-bureaus op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, bevat evenmin een bepaling of formulier betreffende de uitwisseling van informatie met het oog op de afgifte van het gesignaleerde voorwerp of betreffende de praktische aspecten van een dergelijke afgifte.

55 Aan deze overwegingen moet nog worden toegevoegd dat het „SIS-handboek”, dat als bijlage bij aanbeveling C(2023) 2152 is opgenomen en weliswaar geen bindende werking heeft, maar wel een hulpmiddel vormt bij de uitlegging van artikel 39 van verordening 2018/1862, onder het opschrift „Repatriëring van voorwerpen” aangeeft dat een dergelijke repatriëring plaatsvindt „na een hit in het SIS en nadat de officiële procedures zijn doorlopen” en dat „over het algemeen genomen […] de Sirene-bureaus niet belast [zijn] met de uitwisseling van informatie tijdens repatriëringsprocedures (aangezien dat buiten het bereik van de SIS-procedure valt)”.

56 Wat in de derde plaats de doelstelling van verordening 2018/1862 betreft, blijkt uit de artikelen 1 en 2 van die verordening, gelezen in het licht van overweging 1 ervan, dat zij in het algemeen tot doel heeft bij te dragen tot de handhaving van een hoog niveau van veiligheid in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht van de Unie, en meer in het bijzonder daartoe regels vast te stellen die de werking van het SIS en de uitwisseling van informatie tussen de autoriteiten van de lidstaten mogelijk maken door de operationele samenwerking tussen de politie en de gerechtelijke autoriteiten in strafzaken te bevorderen aan de hand van de door het SIS verstrekte informatie.

57 Een uitlegging van artikel 39 van verordening 2018/1862 in die zin dat het de lidstaten niet verplicht bij voorbaat vastgelegde bepaalde maatregelen te nemen, maar hun een ruime beoordelingsmarge laat om vast te stellen welke maatregelen moeten worden genomen met betrekking tot het gesignaleerde voorwerp nadat het in beslag is genomen, is niet in strijd met dat doel en waarborgt de bijdrage tot de versterking van het niveau van veiligheid in een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht van de Unie die gepaard gaat met de verstrekking van informatie over voorwerpen met het oog op inbeslagneming of gebruik als bewijsmateriaal in een strafprocedure en het uitwisselen van informatie tussen de betrokken lidstaten met het oog op de vaststelling van de nodige maatregelen [zie in die zin arrest van 15 december 2022, Lietuvos Respublikos vidaus reikalų ministerija (Registratie van een gesignaleerd voertuig), C‑88/21, EU:C:2022:982, punt 42].

58 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat met betrekking tot voorwerpen die op grond van artikel 38 van verordening 2018/1862 in het SIS zijn gesignaleerd, uit artikel 39 van deze verordening geen enkele verplichting voortvloeit met betrekking tot de andere maatregelen dan de inbeslagneming van het gesignaleerde voorwerp en het contact tussen de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende lidstaat en de signalerende lidstaat. Artikel 39 van verordening 2018/1862 regelt bijgevolg noch het besluit tot repatriëring van het voorwerp waarop een dergelijke signalering betrekking heeft, noch de procedureregels voor de vaststelling van dat besluit, aangezien die regels onder het nationale recht vallen.

59 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 39 van verordening 2018/1862 aldus moet worden uitgelegd dat de nationale regels betreffende de vaststelling van een maatregel tot afgifte van een op grond van artikel 38 van deze verordening in het SIS gesignaleerd voorwerp bij besluit van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende lidstaat in antwoord op het verzoek van de signalerende lidstaat, niet binnen de werkingssfeer van die verordening vallen.

Tweede vraag

60 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de doelstelling van het SIS, zoals uiteengezet in artikel 1 van verordening 2018/1862, voorrang moet hebben boven het in artikel 47 van het Handvest neergelegde beginsel van een doeltreffende voorziening in rechte in een situatie waarin, als gevolg van de signalering in het SIS, overeenkomstig het recht van de uitvoerende lidstaat genomen maatregelen in die lidstaat afbreuk kunnen doen aan de rechten en legitieme belangen van de persoon die in het bezit was van het gesignaleerde voorwerp.

61 Vooraf zij eraan herinnerd dat in artikel 51, lid 1, van het Handvest staat te lezen dat de bepalingen van het Handvest tot de lidstaten zijn gericht uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. In dit verband heeft het Hof verduidelijkt dat het begrip „ten uitvoer brengen van het Unierecht” vereist dat er een zekere mate van een verband bestaat dat verder gaat dan het dicht bij elkaar liggen van de betrokken materies of de indirecte invloed van de ene materie op de andere (arresten van 6 maart 2014, Siragusa, C‑206/13, EU:C:2014:126, punt 24, en 5 maart 2026, AESTE, C‑210/24, EU:C:2026:145, punt 66).

62 Hieruit volgt dat de in de rechtsorde van de Unie gewaarborgde grondrechten toepassing kunnen vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst, maar niet daarbuiten (arresten van 26 februari 2013, Åkerberg Fransson, C‑617/10, EU:C:2013:105, punt 19, en 15 januari 2026, Imballaggi Piemontesi, C‑588/24, EU:C:2026:14, punt 37).

63 Wanneer de Unierechtelijke bepalingen op het betrokken gebied een aspect niet regelen en aan de lidstaten geen specifieke verplichting opleggen voor een gegeven situatie, valt de nationale regeling die een lidstaat met betrekking tot dat aspect uitvaardigt dus buiten de werkingssfeer van het Handvest en kan de betrokken situatie niet worden beoordeeld in het licht van de bepalingen van het Handvest.

64 In casu blijkt uit het antwoord op de eerste vraag dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling niet kan worden geacht het Unierecht ten uitvoer te brengen in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest.

65 Derhalve behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

66 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 39 van verordening (EU) 2018/1862 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, tot wijziging en intrekking van besluit 2007/533/JBZ van de Raad en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1986/2006 van het Europees Parlement en de Raad en besluit 2010/261/EU van de Commissie

moet aldus worden uitgelegd dat

de nationale regels betreffende de vaststelling van een maatregel tot afgifte van een op grond van artikel 38 van deze verordening in het Schengeninformatiesysteem gesignaleerd voorwerp bij besluit van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende lidstaat in antwoord op het verzoek van de signalerende lidstaat, niet binnen de werkingssfeer van die verordening vallen.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Bulgaars.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken