HvJ EU 26 maart 2026, C-618/24, ECLI:EU:C:2026:251

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

26 maart 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EU) nr. 650/2012 – Artikelen 1, 3 en 4 – Werkingssfeer – Begrip ‚erfopvolging’ – Wettelijk legaat dat wordt toegekend ter erkenning van de zorg die de mantelzorger aan de overledene heeft verleend toen deze nog in leven was – Algemene bevoegdheid van een gerecht van een lidstaat om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel”

In zaak C‑618/24 [Isergartler] ( i ),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) bij beslissing van 10 september 2024, ingekomen bij het Hof op 24 september 2024, in de procedure

XK,

TR,

VQ

tegen

SM,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, M. Condinanzi, N. Jääskinen (rapporteur), R. Frendo en A. Kornezov, rechters,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– XK, TR en VQ, vertegenwoordigd door M. Kinberger, Rechtsanwalt,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wasmeier en W. Wils als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4 van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB 2012, L 201, blz. 107).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds XK, TR en VQ, die in Duitsland wonen, en anderzijds SM, woonachtig in Oostenrijk, in het kader van de erfopvolgingsprocedure die is ingeleid na het overlijden, in 2021, van de voormalige partner van SM, die tot aan haar overlijden door SM als mantelzorger werd verzorgd.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 De overwegingen 7 tot en met 9, 11, 14, 34 en 59 van verordening nr. 650/2012 luiden als volgt: „(7) De goede werking van de interne markt moet worden vergemakkelijkt door het wegnemen van de belemmeringen voor het vrije verkeer van personen die thans moeilijkheden ondervinden om hun rechten te doen gelden in het kader van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen. In de Europese justitiële ruimte moeten burgers op voorhand hun erfopvolging kunnen organiseren. De rechten van erfgenamen en legatarissen, van andere personen die de erflater na staan en van schuldeisers van de nalatenschap moeten daadwerkelijk worden gegarandeerd. (8) Om deze doelstellingen te bereiken, moeten in deze verordening bepalingen worden samengebracht inzake rechterlijke bevoegdheid, inzake toepasselijk recht, inzake erkenning – of, naargelang van het geval, aanvaarding –, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging van beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen, en inzake het tot stand brengen van een Europese erfrechtverklaring. (9) Het toepassingsgebied van deze verordening moet alle burgerrechtelijke aspecten van erfopvolging in de nalatenschap van een overleden persoon omvatten, namelijk elke vorm van overgang en overdracht van goederen, rechten en verplichtingen bij overlijden, ongeacht of het gaat om een onder een uiterste wilsbeschikking vrijwillige overgang en overdracht dan wel om overgang in het geval van erfopvolging bij versterf. […] (11) Deze verordening dient niet van toepassing te zijn op andere onderdelen van het burgerlijk recht dan het erfrecht. Een aantal zaken die geacht kunnen worden verband te houden met het erfrecht, dienen ten behoeve van de duidelijkheid uitdrukkelijk te worden uitgesloten van het toepassingsgebied van deze verordening. […] (14) Rechten en goederen die op een andere wijze dan door erfopvolging zijn ontstaan of zijn overgedragen, bijvoorbeeld door schenking, moeten eveneens van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten. Het is niettemin het recht dat krachtens deze verordening is aangewezen als het op de erfopvolging toepasselijke recht, dat bepaalt of schenkingen of andere vormen van beschikking onder de levenden met zakenrechtelijke werking voorafgaand aan het overlijden, het voorwerp zullen uitmaken van inbreng of inkorting met het oog op de berekening van de erfdelen van de rechthebbenden volgens het op de erfopvolging toepasselijke recht. […] (34) Met het oog op een ordelijke rechtspleging moet worden voorkomen dat in verschillende lidstaten onderling onverenigbare beslissingen worden gegeven. Daarom moet deze verordening voorzien in algemene procedureregels die vergelijkbaar zijn met die welke vervat zijn in andere regelgeving van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in civiele zaken. […] (59) Gelet op de algemene doelstelling van deze verordening, namelijk de wederzijdse erkenning van in de lidstaten gegeven beslissingen in erfrechtzaken, ongeacht of deze beslissingen in contentieuze of niet-contentieuze procedures zijn gewezen, moeten in deze verordening regels betreffende de erkenning, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging van beslissingen worden vastgelegd die gelijkaardig zijn aan die welke de Unie reeds op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken heeft vastgesteld.”

4 Artikel 1 van deze verordening, met als opschrijft „Toepassingsgebied”, luidt als volgt: „1. Deze verordening is van toepassing op de erfopvolging in de nalatenschappen van overleden personen. […] 2. Deze verordening is niet van toepassing op: […] e) andere onderhoudsverplichtingen dan die welke ontstaan als gevolg van overlijden; […] g) rechten en goederen die ontstaan, overgaan of worden overgedragen op andere wijze dan door erfopvolging, bijvoorbeeld door middel van schenkingen, gemeenschappelijk eigendom dat overgaat op de langstlevende, pensioenregelingen, verzekeringsovereenkomsten en regelingen van soortgelijke aard, onverminderd artikel 23, lid 2, onder i); […]”

5 Artikel 3 van die verordening, met als opschrift „Definities”, bepaalt in lid 1, onder a): „In deze verordening wordt verstaan onder: a) ‚erfopvolging’: de erfopvolging in de nalatenschap van een overleden persoon, waaronder wordt begrepen elke vorm van overgang of overdracht van goederen, rechten en verplichtingen naar aanleiding van een overlijden, ongeacht of het gaat om een vrijwillige overgang of overdracht krachtens een uiterste wilsbeschikking, dan wel om een overgang middels erfopvolging bij versterf”.

6 Volgens artikel 4 van die verordening, met als opschrift „Algemene bevoegdheid”, zijn de gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel.

7 Artikel 21 van verordening nr. 650/2012, met het opschrift „Algemene regel”, bepaalt in lid 1: „Tenzij in deze verordening anders is bepaald, is op de erfopvolging in haar geheel het recht van de staat van toepassing, waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had.”

8 Artikel 22 van die verordening, met als opschrift „Rechtskeuze”, bepaalt in lid 1: „Een persoon kan als het recht dat zijn erfopvolging in het geheel beheerst, het recht van de staat kiezen, waarvan hij op het tijdstip van de rechtskeuze of op het tijdstip van overlijden de nationaliteit bezit. […]”

9 Artikel 23 van die verordening, met als opschrift „Toepassingsgebied van het toepasselijke recht”, bepaalt in de leden 1 en 2: „1. Het krachtens artikel 21 of artikel 22 aangewezen recht beheerst de vererving van de gehele nalatenschap. 2. Dit recht regelt in het bijzonder: […] h) het beschikbare deel van de nalatenschap, de wettelijke erfdelen en andere beperkingen van de bevoegdheid om bij uiterste wil te beschikken, alsmede de mogelijke vorderingen van personen die de erflater na stonden op de nalatenschap of op de erfgenamen; i) de verplichting tot inbreng en inkorting van schenkingen, voorschotten of legaten bij het vaststellen van de erfdelen van de verschillende rechthebbenden, […] […]”

Oostenrijks recht

10 § 677 van het Allgemeines bürgerliches Gesetzbuch (algemeen burgerlijk wetboek), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „ABGB”), bepaalt: „1. Een naaste van de overledene die deze in de laatste drie jaar voor zijn dood ten minste zes maanden in niet slechts geringe mate heeft verzorgd, heeft recht op een wettelijk legaat, tenzij een schenking is gedaan of een beloning is overeengekomen. 2. Onder verzorging wordt verstaan elke activiteit die bedoeld is om een zorgbehoevende persoon zoveel mogelijk de noodzakelijke zorg en hulp te waarborgen en hem beter in staat te stellen een zelfstandig, op zijn behoeften afgestemd leven te leiden. 3. Naasten zijn personen die behoren tot de kring van wettelijke erfgenamen van de overledene, hun echtgenoot, hun geregistreerde partner of levensgezel en hun kinderen, alsmede de levensgezel van de overledene en diens kinderen.”

11 § 678 ABGB bepaalt: „1. De hoogte van het legaat hangt af van de aard, de duur en de omvang van de verleende zorg. 2. Het legaat is in ieder geval naast het wettelijk erfdeel verschuldigd. Behoudens wanneer de erflater aldus heeft beschikt, is het naast andere tegemoetkomingen uit de nalatenschap verschuldigd. Het legaat kan slechts worden ingetrokken in geval er sprake is van een ontervingsgrond.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

12 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de voormalige partner van SM in 2021 is overleden en dat zij tot haar overlijden in Oostenrijk woonde.

13 Bij beslissing van het Bezirksgericht Zell am See (rechter in eerste aanleg Zell am See, Oostenrijk) is de nalatenschap van de erflaatster toegewezen aan XK, TR en VQ, die allen in Duitsland wonen.

14 SM, die de erflaatster gedurende de drie jaar voorafgaand aan haar overlijden als mantelzorger heeft verzorgd, vordert betaling van een bedrag van 57200 EUR dat hem verschuldigd zou zijn voor de zorg die hij aan de erflaatster tijdens haar leven heeft verleend, waarbij hij zich beroept op § 677 ABGB, die in dit verband voorziet in de toekenning van een „wettelijk legaat” (hierna: „zorglegaat”).

15 Het Landesgericht Salzburg (rechter in eerste aanleg Salzburg, Oostenrijk) heeft het dienaangaande door SM ingestelde beroep afgewezen wegens het ontbreken van internationale bevoegdheid. Deze rechter was van oordeel dat het zorglegaat weliswaar naar nationaal recht de vorm van een wettelijk legaat heeft, maar in werkelijkheid dient ter vergoeding van de verzorging die de mantelzorger aan de erflater heeft verleend toen deze nog in leven was. Bijgevolg moet een dergelijke maatregel volgens die rechter worden aangemerkt als een onder het verbintenissenrecht vallende „schuldvordering”, die dus niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 650/2012 valt.

16 SM heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij het Oberlandesgericht Linz (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaten Opper-Oostenrijk en Salzburg, Linz, Oostenrijk), dat dit hoger beroep bij vonnis van 12 juni 2024 heeft toegewezen. Deze rechter heeft in wezen geoordeeld dat de werkingssfeer van verordening nr. 650/2012 zich uitstrekt tot alle civielrechtelijke aspecten van de erfopvolging. Aangezien het zorglegaat een wettelijk legaat vormt dat naar zijn aard vergelijkbaar is met een wettelijk erfdeel, kan de omstandigheid dat de grondslag voor een dergelijke vordering tijdens het leven van de erflater is ontstaan, volgens deze rechter niet rechtvaardigen dat deze verordening buiten toepassing wordt gelaten. Tegen deze achtergrond heeft deze rechter zich bevoegd verklaard om uitspraak te doen.

17 XK, TR en VQ hebben tegen het vonnis van het Oberlandesgericht Linz cassatieberoep ingesteld bij het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk), de verwijzende rechter. Zij betogen in wezen dat het zorglegaat niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 650/2012 valt.

18 SM betoogt daarentegen dat het zorglegaat vergelijkbaar is met het recht op een wettelijk erfdeel en dus moet worden geacht onder het begrip „erfopvolging” in de zin van verordening nr. 650/2012 te vallen.

19 In deze context vraagt de verwijzende rechter zich af of het zorglegaat binnen de werkingssfeer van verordening nr. 650/2012 valt en in het bijzonder onder artikel 4 daarvan.

20 In dit verband wijst deze rechter er om te beginnen op dat het zorglegaat naar Oostenrijks recht een legaat is dat losstaat van enige door de erflater opgestelde testamentaire beschikking. Het is vergelijkbaar met een wettelijk erfdeel en is naast een dergelijk erfdeel verschuldigd, aangezien de begunstigde het zorglegaat alleen kan worden ontzegd indien er een grond voor onterving bestaat. Niettemin kunnen er ook paralellen worden getrokken met regels van verbintenissenrecht of regels inzake ongerechtvaardigde verrijking, aangezien het zorglegaat ertoe dient ter vergoeding van bepaalde diensten. De verwijzende rechter is voorts van oordeel dat het zorglegaat de wilsautonomie van de betrokkene met betrekking tot verdeling van zijn nalatenschap beperkt.

21 Vervolgens verduidelijkt deze rechter dat de rechtsleer verdeeld is over de vraag of het zorglegaat onder het erfrecht dan wel onder het verbintenissenrecht valt.

22 Ten slotte benadrukt deze rechter dat hij uiteindelijk geneigd is om te oordelen dat het zorglegaat onder het begrip „erfopvolging” in de zin van artikel 4 van verordening nr. 650/2012 valt. Hij verwijst in dit verband naar, ten eerste, de erfrechtelijke gevolgen ervan en, ten tweede, de ruime uitlegging die in de rechtspraak van het Hof is gegeven aan het begrip „erfopvolging in de nalatenschap van een overleden persoon” in de zin van deze verordening.

23 Tegen deze achtergrond heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld: „Moet artikel 4 van [verordening nr. 650/2012] aldus worden uitgelegd dat een vordering uit hoofde van een ‚Pflegevermächtnis’ (zorglegaat) zoals bedoeld in § 677 [ABGB] moet worden gekwalificeerd als een ‚aangelegenheid die de erfopvolging betreft’?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

24 Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak is van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de hem voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren. Daarnaast kan het Hof bepalingen van het Unierecht in aanmerking nemen waarnaar niet wordt verwezen in de vraag van de verwijzende rechter [zie in die zin arresten van 20 maart 1986, Tissier, 35/85, EU:C:1986:143, punt 9, en 5 december 2019, Centraal Justitieel Incassobureau (Erkenning en tenuitvoerlegging van geldelijke sancties), C‑671/18, EU:C:2019:1054, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

25 De omstandigheid dat de verwijzende rechter in zijn vragen formeel heeft verwezen naar bepaalde specifieke bepalingen van het Unierecht staat er niet aan in de weg dat het Hof hem alle uitleggingsgegevens verschaft die nuttig kunnen zijn voor de uitspraak in het hoofdgeding door uit alle door deze rechter verschafte gegevens, en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geding, uitlegging behoeven (zie in die zin arresten van 29 november 1978, Redmond, 83/78, EU:C:1978:214, punt 26, en 22 januari 2026, Secab, C‑423/23, EU:C:2026:32, punt 29).

26 In dit verband blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de verwijzende rechter met zijn vraag wenst te vernemen of het zorglegaat valt onder het begrip „erfopvolging” in de zin van artikel 4 van verordening nr. 650/2012, op grond waarvan de gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had, algemeen bevoegd zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel. Deze vraag houdt dus ook in dat moet worden beoordeeld of een maatregel als het zorglegaat binnen de werkingssfeer van die verordening zoals omschreven in artikel 1 ervan valt. Voorts moet rekening worden gehouden met artikel 3, lid 1, onder a), van deze verordening, waarin het begrip „erfopvolging” wordt gedefinieerd. Bijgevolg vereist beantwoording van de door de verwijzende rechter gestelde vraag een uitlegging van artikel 4 van deze verordening, gelezen in samenhang met artikel 1 en artikel 3, lid 1, onder a), daarvan.

27 Wat voorts het zorglegaat betreft, blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de Oostenrijkse wetgeving een legaat toekent na het overlijden van een persoon wiens nalatenschap, los van enige door de erflater vastgestelde testamentaire beschikking, openstaat voor bepaalde naasten van de erflater vanwege de zorg die zij hem gedurende een bepaalde periode vóór dat overlijden hebben verleend, mits zij voor deze zorg geen enkele schenking of vergoeding hebben ontvangen. Daarnaast is dit legaat altijd verschuldigd naast het wettelijk erfdeel, aangezien de begunstigde het zorglegaat alleen kan worden ontzegd indien er een grond voor onterving bestaat.

28 Derhalve moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 4 van verordening nr. 650/2012, gelezen in samenhang met artikel 1 en artikel 3, lid 1, onder a), daarvan, aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „erfopvolging” in de zin van dat artikel 4 een wettelijk legaat omvat dat na het overlijden van een erflater, los van enige door deze erflater opgestelde testamentaire beschikking, wordt toegekend aan bepaalde naasten van de erflater vanwege de zorg die zij hem gedurende een bepaalde periode voorafgaand aan dat overlijden hebben verleend, mits zij voor deze zorg geen enkele schenking of vergoeding hebben ontvangen, waarbij dit legaat altijd naast het wettelijk erfdeel verschuldigd is, aangezien de begunstigde het zorglegaat alleen kan worden ontzegd indien er een grond voor onterving bestaat.

29 Bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling moet niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan de bepaling deel uitmaakt (arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 8 mei 2025, Pielatak, C‑410/23, EU:C:2025:325, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30 Wat in de eerste plaats de bewoordingen van de relevante bepalingen van verordening nr. 650/2012 betreft, zij eraan herinnerd dat artikel 4 ervan bepaalt dat de gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd zijn om uitspraak te doen over „de erfopvolging in haar geheel”.

31 Wat het begrip „erfopvolging” in de zin van deze verordening betreft, moet worden vastgesteld dat deze verordening volgens artikel 1, lid 1, ervan van toepassing is op „de erfopvolging in de nalatenschappen van overleden personen”.

32 Voorts verduidelijkt artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 650/2012 dat voor de toepassing van deze verordening onder het begrip „erfopvolging” wordt verstaan „de erfopvolging in de nalatenschap van een overleden persoon, waaronder wordt begrepen elke vorm van overgang of overdracht van goederen, rechten en verplichtingen naar aanleiding van een overlijden, ongeacht of het gaat om een vrijwillige overgang of overdracht krachtens een uiterste wilsbeschikking, dan wel om een overgang middels erfopvolging bij versterf”.

33 Het klopt dat, zoals de Commissie heeft opgemerkt, de Duitse taalversie van artikel 1, lid 1, en artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 650/2012, die betrekking hebben op respectievelijk de werkingssfeer van deze verordening en de daarin opgenomen definities, verwijst naar het begrip „erfopvolging in de nalatenschap van een overleden persoon” („Rechtsnachfolge von Todes wegen”), terwijl die van artikel 4 van deze verordening, dat de kwestie van de algemene bevoegdheid van de gerechten van de betrokken lidstaat regelt, verwijst naar het begrip „erfopvolging” („Erbsachen”). Dit neemt echter niet weg dat in een groot aantal andere taalversies van die verordening, zoals de Bulgaarse, de Deense, de Engelse, de Finse, de Franse, de Italiaanse, de Kroatische, de Litouwse, de Maltese, de Spaanse en de Zweedse taalversie, deze bepalingen een dergelijk terminologisch verschil niet vertonen.

34 In dit verband is het vaste rechtspraak dat de in een van de taalversies van een Unierechtelijke bepaling gebruikte formulering niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling kan dienen of daartoe voorrang kan hebben boven de andere taalversies. Wanneer er verschillen zijn tussen deze versies, moet bij de uitlegging van de betrokken bepaling worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan deze een onderdeel vormt (zie arresten van 27 maart 1990, Cricket St Thomas, C‑372/88, EU:C:1990:140, punten 18 en 19, en 4 september 2025, Hakamp, C‑203/24, EU:C:2025:662, punt 34).

35 Hoe dan ook wijst niets erop dat de Uniewetgever aan de begrippen „erfopvolging in de nalatenschappen van overleden personen” en „erfopvolging” in de zin van verordening nr. 650/2012 verschillende betekenissen heeft willen toekennen, zodat moet worden aangenomen dat zij samenvallen.

36 Niettemin moet er ook aan worden herinnerd dat artikel 1, lid 2, van deze verordening gevallen opsomt die zijn uitgesloten van de werkingssfeer ervan. In het bijzonder sluit artikel 1, lid 2, onder g), van verordening nr. 650/2012 „rechten en goederen die ontstaan, overgaan of worden overgedragen op andere wijze dan door erfopvolging, bijvoorbeeld door middel van schenkingen” uit van de werkingssfeer van deze verordening. Voorts verduidelijkt artikel 1, lid 2, onder e), van deze verordening dat ook „andere onderhoudsverplichtingen dan die welke ontstaan als gevolg van overlijden” zijn uitgesloten.

37 Deze uitsluitingen moeten echter strikt worden uitgelegd [zie in die zin arrest van 9 september 2021, UM (Overeenkomst tot eigendomsoverdracht bij overlijden), C‑277/20, EU:C:2021:708, punt 34].

38 In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat een bepaling in een overeenkomst inzake erfopvolging die net als een „schenking” in de zin van artikel 1, lid 2, onder g), van verordening nr. 650/2012 bestaat in een donatie, maar enkel van kracht wordt bij het overlijden van de erflater, niet onder deze uitsluiting en dus wel binnen de werkingssfeer van deze verordening valt [zie in die zin arrest van 9 september 2021, UM (Overeenkomst tot eigendomsoverdracht bij overlijd), C‑277/20, EU:C:2021:708, punt 35].

39 Bovendien moet worden benadrukt dat het Hof zich, wat de werkingssfeer van verordening nr. 650/2012 betreft, heeft gebaseerd op de vaststelling dat het hoofddoel van een regel van nationaal recht de erfopvolging van de overledene betrof en niet op kwesties die verband houden met een van de in artikel 1, lid 2, van deze verordening genoemde uitsluitingen, zoals kwesties in verband met het huwelijksvermogensstelsel, om te oordelen dat deze regel voor de toepassing van die verordening betrekking had op erfopvolging (zie in die zin arrest van 1 maart 2018, Mahnkopf, C‑558/16, EU:C:2018:138, punt 40).

40 Hieruit volgt dat het begrip „erfopvolging” in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 650/2012 ruim is gedefinieerd, aangezien het, zoals opgemerkt in punt 32 van het onderhavige arrest, „elke vorm van overgang of overdracht van goederen, rechten en verplichtingen naar aanleiding van een overlijden” omvat, met inbegrip van vormen waarvan het hoofddoel betrekking heeft op de erfopvolging van de overledene en die bij het overlijden van de erflater van kracht worden.

41 In de tweede plaats doet geen enkel aspect van de context van artikel 4 van deze verordening alsmede artikel 1 en artikel 3, lid 1, onder a), daarvan af aan deze uitlegging. In het bijzonder blijkt uit overweging 9 van de verordening dat deze van toepassing moet zijn op „alle burgerrechtelijke aspecten van erfopvolging in de nalatenschap van een overleden persoon, namelijk elke vorm van overgang en overdracht van goederen, rechten en verplichtingen bij overlijden”. Bovendien bepaalt artikel 23, lid 1, van deze verordening dat het overeenkomstig artikel 21 of 22 ervan aangewezen recht de „vererving van de gehele nalatenschap” beheerst.

42 Wat in de derde plaats de doelstellingen van verordening nr. 650/2012 betreft, blijkt ten eerste uit de overwegingen 7 en 8 ervan dat de verordening er met name toe strekt erfgenamen en legatarissen, andere personen die de erflater na staan en schuldeisers van de nalatenschap te helpen hun rechten te doen gelden in het kader van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen (arrest van 21 juni 2018, Oberle, C‑20/17, EU:C:2018:485, punt 49).

43 Ten tweede wordt in overweging 34, in verband met de in overweging 59 genoemde algemene doelstelling van deze verordening, namelijk wederzijdse erkenning van in de lidstaten gegeven beslissingen in erfrechtzaken, onderstreept dat de verordening ernaar streeft te voorkomen dat in verschillende lidstaten onderling onverenigbare beslissingen worden gegeven. Die doelstelling sluit aan bij het beginsel van eenheid van erfopvolging, dat met name in artikel 23, lid 1, van verordening nr. 650/2012 wordt geconcretiseerd. Dat lid bepaalt dat het krachtens die verordening aangewezen recht „de vererving van de gehele nalatenschap” beheerst. Dit beginsel van eenheid van de erfopvolging ligt ook ten grondslag aan de regel in artikel 4 van die verordening, aangezien ook dat artikel verduidelijkt dat volgens deze regel de gerechten van de lidstaten bevoegd zijn om uitspraak te doen „over de erfopvolging in haar geheel” (arrest van 21 juni 2018, Oberle, C‑20/17, EU:C:2018:485, punten 53‑55).

44 Uit de rechtspraak blijkt ook dat met verordening nr. 650/2012 wordt beoogd te bevorderen dat de erfopvolging als een eenheid wordt behandeld om zo aan een doeltreffende oplossing van geschillen betreffende erfopvolging bij te dragen. Zo heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat een uitlegging van de bepalingen van deze verordening die leidt tot versnippering van de nalatenschap niet verenigbaar zou zijn met de doelstellingen van de verordening [arrest van 7 april 2022, V A en Z A (Subsidiaire bevoegdheid op het gebied van erfopvolging), C‑645/20, EU:C:2022:267, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

45 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat een maatregel als het zorglegaat dient ter vergoeding van bepaalde verrichte diensten. In die zin vertoont het zorglegaat dus zekere overeenkomsten met een verbintenissenrechtelijke schuldvordering, aangezien het ertoe strekt de naasten van de erflater te vergoeden voor de zorg die zij hem hebben verleend zonder daar bij leven een schenking of een overeengekomen vergoeding voor te hebben ontvangen.

46 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt echter dat deze maatregel, los van het feit dat deze in het nationale recht wordt gekwalificeerd als „legaat”, structureel nauw verbonden is met de erfopvolging, aangezien het zorglegaat pas in werking treedt na het overlijden van de erflater en de desbetreffende regeling dus nauw samenhangt met die erfopvolging. In het bijzonder wordt het zorglegaat volgens het toepasselijke Oostenrijkse recht toegepast ongeacht enige testamentaire beschikking van de erflater en altijd naast het wettelijk erfdeel, en kan het alleen worden ontzegd wanneer er een grond voor onterving bestaat. Bovendien komt het zorglegaat alleen ten goede aan „naasten” van de erflater, welk begrip wordt gedefinieerd als personen die behoren tot de kring van wettelijke erfgenamen van de overledene, hun echtgenoot, hun geregistreerde partner of levensgezel en hun kinderen, alsmede de levensgezel van de overledene en diens kinderen. Hieruit volgt dat het hoofddoel van het zorglegaat betrekking heeft op de rechten van de mantelzorger in het kader van de erfopvolging.

47 Tevens moet worden opgemerkt dat verordening nr. 650/2012 een maatregel als het zorglegaat niet uitdrukkelijk van haar werkingssfeer uitsluit en dat een dergelijke maatregel evenmin onder een van de in punt 36 van het onderhavige arrest genoemde uitsluitingen of onder een van de in artikel 1, lid 2, van verordening nr. 650/2012 opgesomde uitsluitingsgevallen valt.

48 Uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens blijkt dus, onder voorbehoud van de door deze rechter te verrichten verificaties, dat het zorglegaat hoofdzakelijk betrekking heeft op erfopvolging in de zin van verordening nr. 650/2012.

49 Hieruit volgt dat, gelet op de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens, een maatregel als het zorglegaat binnen de werkingssfeer van verordening nr. 650/2012 valt.

50 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 4 van verordening nr. 650/2012, gelezen in samenhang met artikel 1 en artikel 3, lid 1, onder a), daarvan, aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „erfopvolging” in de zin van dat artikel 4 een wettelijk legaat omvat dat na het overlijden van een erflater, los van enige door deze erflater opgestelde testamentaire beschikking, wordt toegekend aan bepaalde naasten van de erflater vanwege de zorg die zij hem gedurende een bepaalde periode voorafgaand aan dat overlijden hebben verleend, mits zij voor deze zorg geen enkele schenking of vergoeding hebben ontvangen, waarbij dit legaat altijd naast het wettelijk erfdeel verschuldigd is, aangezien de begunstigde het zorglegaat alleen kan worden ontzegd indien er een grond voor onterving bestaat.

Kosten

51 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 4 van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring, gelezen in samenhang met artikel 1 en artikel 3, lid 1, onder a), daarvan,

moet aldus worden uitgelegd dat

het begrip „erfopvolging” in de zin van dat artikel 4 een wettelijk legaat omvat dat na het overlijden van een erflater, los van enige door deze erflater opgestelde testamentaire beschikking, wordt toegekend aan bepaalde naasten van de erflater vanwege de zorg die zij hem gedurende een bepaalde periode voorafgaand aan dat overlijden hebben verleend, mits zij voor deze zorg geen enkele schenking of vergoeding hebben ontvangen, waarbij dit legaat altijd naast het wettelijk erfdeel verschuldigd is, aangezien de begunstigde het zorglegaat alleen kan worden ontzegd indien er een grond voor onterving bestaat.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Duits.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in