HvJ EU 19 mei 2026, C-350/24, ECLI:EU:C:2026:407

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

19 mei 2026 ( *1 )

[Zoals gerectificeerd bij beschikking van 8 juli 2026]

„Prejudiciële verwijzing – Artikel 50 VEU – Artikel 288 VWEU – Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie – Nationale rechter die wordt aangezocht vóór het eind van de overgangsperiode van dit akkoord – Toepassing door de aangezochte rechters van het recht van een andere lidstaat – Wetgeving van het Verenigd Koninkrijk tot omzetting van een richtlijn – Richtlijn 2006/54/EG – Toepasselijkheid van het Unierecht – Beginsel van wederzijds vertrouwen – Beginsel van Unierechtconforme uitlegging van het nationale recht”

In zaak C‑350/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) bij beslissing van 3 mei 2024, ingekomen bij het Hof op 14 mei 2024, in de procedure

HJ

tegen

Crédit agricole Corporate & Investment Bank SA,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, T. von Danwitz, vicepresident, F. Biltgen (rapporteur), C. Lycourgos, I. Jarukaitis, I. Ziemele, J. Passer en O. Spineanu-Matei, kamerpresidenten, N. Piçarra, A. Kumin, N. Jääskinen, D. Gratsias, B. Smulders, S. Gervasoni en N. Fenger, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: C. Di Bella, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 24 juni 2025,

gelet op de opmerkingen van:

– HJ, vertegenwoordigd door A. Lyon-Caen, avocat,

– Crédit agricole Corporate & Investment Bank SA, vertegenwoordigd door D. Célice, avocat,

– de Franse regering, vertegenwoordigd door F. du Couëdic, O. Duprat-Mazaré, B. Fodda, T. Lechevallier, H. Nunes da Silva en B. Travard als gemachtigden,

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en D. Lutostańska als gemachtigden,

– de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Fuller als gemachtigde, bijgestaan door A. Mayer en J. Pobjoy, barristers,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Delaude, H. Krämer en E. E. Schmidt als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 september 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB 2020, L 29, blz. 7), goedgekeurd bij besluit (EU) 2020/135 van de Raad van 30 januari 2020 (PB 2020, L 29, blz. 1) (hierna: „terugtrekkingsakkoord”), en van artikel 288 VWEU.

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen HJ en haar werkgever, Crédit agricole Corporate & Investment Bank SA (hierna: „CACIB”), over discriminatie op grond van haar geslacht en psychisch geweld waarvan zij het slachtoffer zou zijn geweest.

Toepasselijke bepalingen

Internationaal recht

3 Artikel 70 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 (United Nations Treaty Series, deel 1155, blz. 331; hierna: „Verdrag van Wenen”), met als opschrift „Gevolgen van de beëindiging van een verdrag”, bepaalt in lid 1: „De beëindiging van een verdrag krachtens zijn bepalingen of overeenkomstig dit Verdrag a) ontslaat de partijen van de verplichting de uitvoering van het verdrag voort te zetten; b) tast geen enkel recht, geen enkele verplichting of geen enkele rechtspositie van partijen aan, die door de uitvoering van het verdrag vóór zijn beëindiging is ontstaan.”

Unierecht

VEU en VWEU

4 Artikel 50, leden 2 en 3, VEU bepaalt: „2. De lidstaat die besluit zich terug te trekken, geeft kennis van zijn voornemen aan de Europese Raad. In het licht van de richtsnoeren van de Europese Raad sluit de [Europese] Unie na onderhandelingen met deze staat een akkoord over de voorwaarden voor zijn terugtrekking, waarbij rekening wordt gehouden met het kader van de toekomstige betrekkingen van die staat met de Unie. […] 3. De Verdragen zijn niet meer van toepassing op de […] staat [die zich uit de Unie terugtrekt,] met ingang van de datum van inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord of, bij gebreke daarvan, na verloop van twee jaar na de in lid 2 bedoelde kennisgeving, tenzij de Europese Raad met instemming van de betrokken lidstaat met eenparigheid van stemmen tot verlenging van deze termijn besluit.”

5 Artikel 288 VWEU bepaalt: „Teneinde de bevoegdheden van de Unie te kunnen uitoefenen, stellen de instellingen verordeningen, richtlijnen, besluiten, aanbevelingen en adviezen vast. Een verordening heeft een algemene strekking. Zij is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Een richtlijn is verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen. Een besluit is verbindend in al zijn onderdelen. Indien de adressaten worden vermeld, is het alleen voor hen verbindend. Aanbevelingen en adviezen zijn niet verbindend.”

Terugtrekkingsakkoord

6 De tweede, de zevende, de achtste en de elfde alinea van de preambule van het terugtrekkingsakkoord luiden als volgt: „STREVEND naar de vaststelling van regelingen voor de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie en Euratom, met inachtneming van het kader voor hun toekomstige betrekkingen, […] VASTBESLOTEN voor een ordelijk verloop van de terugtrekking te zorgen door middel van diverse scheidingsbepalingen waarmee ontwrichting moet worden voorkomen en burgers en marktdeelnemers alsook justitiële en administratieve autoriteiten in de Unie en in het Verenigd Koninkrijk rechtszekerheid moet worden geboden, zonder de mogelijkheid uit te sluiten dat het akkoord of de akkoorden over de toekomstige betrekkingen voorrang krijgen boven relevante scheidingsbepalingen, OVERWEGEND dat het in het belang van zowel de Unie als het Verenigd Koninkrijk is om een overgangs- of uitvoeringsperiode vast te stellen, tijdens welke – in weerwil van alle gevolgen van de terugtrekking uit de Unie van het Verenigd Koninkrijk wat betreft de deelname van het Verenigd Koninkrijk aan de instellingen, organen en instanties van de Unie, en met name de beëindiging, op de datum van inwerkingtreding van dit akkoord, van de mandaten van alle leden van instellingen, organen en instanties van de Unie die benoemd, aangewezen of verkozen zijn in verband met het lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk van de Unie – het recht van de Unie, met inbegrip van internationale overeenkomsten, van toepassing dient te zijn op en in het Verenigd Koninkrijk, en zulks, in de regel, met dezelfde gevolgen als voor de lidstaten, teneinde ontwrichting in de periode waarin over het akkoord of de akkoorden over de toekomstige betrekkingen wordt onderhandeld, te voorkomen, […] OVERWEGEND dat het, om de correcte uitlegging en toepassing van dit akkoord en de naleving van de verplichtingen uit hoofde van dit akkoord te garanderen, van wezenlijk belang is om bepalingen vast te stellen die een algeheel beheerskader waarborgen, in het bijzonder bindende regels voor geschillenbeslechting en handhaving die geheel in overeenstemming zijn met de respectieve rechtsordes van de Unie en van het Verenigd Koninkrijk, alsook met de status van derde land van het Verenigd Koninkrijk[.]”

7 Artikel 1 van dit akkoord, met als opschrift „Doelstelling”, luidt als volgt: „Dit akkoord bevat de regelingen voor de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk […] uit de Europese Unie […] en uit de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie […].”

8 Artikel 4 van dit akkoord, met als opschrift “Methoden en beginselen met betrekking tot de gevolgen, de uitvoering en de toepassing van dit akkoord”, bepaalt in de leden 4 en 5: „4. De bepalingen van dit akkoord die verwijzen naar het recht van de Unie, of naar begrippen of bepalingen daarin, worden in het kader van hun uitvoering en toepassing uitgelegd overeenkomstig de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie die is vastgesteld voor het eind van de overgangsperiode [als bedoeld in artikel 126 van dit akkoord (hierna: ‚overgangsperiode’)]. 5. Bij de uitlegging en toepassing van dit akkoord houden de justitiële en administratieve autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk terdege rekening met de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie die is vastgesteld na het eind van de overgangsperiode.”

9 Artikel 66 van dit akkoord, met als opschrift „Het in contractuele en niet-contractuele aangelegenheden toepasselijke recht”, dat is opgenomen in titel VI van deel drie ervan, met als opschrift „Lopende justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken”, luidt als volgt: „In het Verenigd Koninkrijk zijn de volgende handelingen als volgt van toepassing: a) verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad [van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB 2008, L 177, blz. 6; hierna: ‚Rome I-verordening’)] is van toepassing op overeenkomsten die voor het eind van de overgangsperiode zijn gesloten; b) verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad [van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II) (PB 2007, L 199, blz. 40)] is van toepassing op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich voor het eind van de overgangsperiode hebben voorgedaan.”

10 Artikel 67 van het terugtrekkingsakkoord, met als opschrift „Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en daarmee verband houdende samenwerking tussen centrale autoriteiten”, bepaalt het volgende: „1. In het Verenigd Koninkrijk, alsook in de lidstaten in situaties waarbij het Verenigd Koninkrijk is betrokken, zijn ten aanzien van gerechtelijke procedures die voor het eind van de overgangsperiode zijn ingeleid en ten aanzien van procedures of vorderingen die met dergelijke gerechtelijke procedures verband houden […], de volgende handelingen of bepalingen van toepassing: a) de bepalingen inzake de rechterlijke bevoegdheid van verordening (EU) nr. 1215/2012 [van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1)]; b) de bepalingen inzake de rechterlijke bevoegdheid van verordening (EU) 2017/1001 [van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1)], verordening (EG) nr. 6/2002 [van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen (PB 2002, L 3, blz. 1)], verordening (EG) nr. 2100/94 [van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PB 1994, L 227, blz. 1)] en verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad [van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1)] en van richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad [van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB 1997, L 18, blz. 1)]; c) de bepalingen inzake de rechterlijke bevoegdheid van verordening (EU) nr. 2201/2003 [van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003, L 338, blz. 1)]; d) de bepalingen inzake de rechterlijke bevoegdheid van verordening (EU) nr. 4/2009 [van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (PB 2009, L 7, blz. 1)]. […]”

11 Artikel 86 van het terugtrekkingsakkoord, met als opschrift „Bij het Hof van Justitie van de Europese Unie aanhangige zaken”, bepaalt het volgende: „1. Het Hof van Justitie van de Europese Unie blijft bevoegd uitspraak te doen in alle procedures die voor het eind van de overgangsperiode door of tegen het Verenigd Koninkrijk zijn ingesteld. Deze bevoegdheid is van toepassing op alle procedurele fasen, met inbegrip van beroepsprocedures bij het Hof van Justitie en procedures bij het Gerecht, indien de zaak naar het Gerecht wordt terugverwezen. 2. Het Hof van Justitie van de Europese Unie blijft bevoegd bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen naar aanleiding van verzoeken van rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk die voor het eind van de overgangsperiode zijn ingediend. 3. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden procedures geacht bij het Hof van Justitie van de Europese Unie te zijn ingesteld en worden verzoeken om een prejudiciële beslissing geacht te zijn ingediend op het tijdstip dat de indiening van de procesinleiding is geregistreerd ter griffie van het Hof van Justitie of het Gerecht, naargelang het geval.”

12 Artikel 87 van dit akkoord, met als opschrift „Nieuwe zaken voor het Hof van Justitie”, luidt als volgt: „1. Indien de Europese Commissie van mening is dat het Verenigd Koninkrijk voor het eind van de overgangsperiode een verplichting krachtens de Verdragen of deel vier van dit akkoord niet is nagekomen, kan de Europese Commissie de zaak binnen vier jaar na het eind van de overgangsperiode aanhangig maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie overeenkomstig de voorschriften die zijn vastgesteld in artikel 258 VWEU of artikel 108, lid 2, tweede alinea, VWEU, naargelang het geval. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd voor dergelijke zaken. 2. Als het Verenigd Koninkrijk een in artikel 95, lid 1, van dit akkoord bedoeld besluit niet naleeft of in de rechtsorde van het Verenigd Koninkrijk geen rechtsgevolg geeft aan een besluit als bedoeld in die bepaling, dat gericht was tot een in het Verenigd Koninkrijk verblijvende of daar gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon, kan de Europese Commissie de zaak binnen vier jaar na de datum van het betrokken besluit voor het Hof van Justitie van de Europese Unie brengen overeenkomstig de vereisten die zijn vastgesteld in artikel 258 VWEU of artikel 108, lid 2, tweede alinea, VWEU, naargelang het geval. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd voor dergelijke zaken. 3. Bij de besluitvorming om zaken overeenkomstig dit artikel aanhangig te maken, past de Commissie met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk dezelfde beginselen toe als ten aanzien van een lidstaat.”

13 Volgens artikel 126 van dat akkoord, met als opschrift „Overgangsperiode”, begon de overgangsperiode op de datum van inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord en eindigde deze op 31 december 2020.

14 Artikel 127 van dat akkoord, met als opschrift „Omvang van de overgang”, luidt als volgt: „1. Tenzij in dit akkoord anders is bepaald, is tijdens de overgangsperiode het recht van de Unie van toepassing op en in het Verenigd Koninkrijk. […] 3. Tijdens de overgangsperiode heeft het krachtens lid 1 toepasselijke recht van de Unie ten aanzien van en in het Verenigd Koninkrijk dezelfde rechtsgevolgen als in de Unie en haar lidstaten en wordt dit recht overeenkomstig dezelfde methoden en algemene beginselen uitgelegd en toegepast als die welke in de Unie toepasselijk zijn. […] 6. Tenzij anders is bepaald in dit akkoord, worden verwijzingen naar de lidstaten in het krachtens lid 1 toepasselijke recht van de Unie, met inbegrip van de wijze waarop het door de lidstaten ten uitvoer wordt gelegd en toegepast, tijdens de overgangsperiode zodanig begrepen dat deze het Verenigd Koninkrijk omvatten. […]”

15 Artikel 185, vierde alinea, van het terugtrekkingsakkoord is als volgt verwoord: „Delen twee en drie, met uitzondering van artikel 19, artikel 34, lid 1, artikel 44 en artikel 96, lid 1, alsook titel I van deel zes en de artikelen 169 tot en met 181 zijn van toepassing vanaf het eind van de overgangsperiode.”

Verdrag van Rome

16 Het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (PB 1980, L 266, blz. 1; hierna: „Verdrag van Rome”) bepaalt in artikel 3, lid 1: „Een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen. De rechtskeuze moet uitdrukkelijk zijn gedaan of voldoende duidelijk blijken uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. Bij hun keuze kunnen partijen het toepasselijke recht aanwijzen voor de overeenkomst in haar geheel of voor slechts een onderdeel daarvan.”

17 Artikel 14, lid 1, van het Verdrag van Rome bepaalt: „Het recht dat ingevolge dit Verdrag de overeenkomst beheerst, is van toepassing voor zover het ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst wettelijke vermoedens vestigt of regels over de verdeling van de bewijslast bevat.”

Rome I-verordening

18 Artikel 24 van de Rome I-verordening, met als opschrift „Verhouding tot het Verdrag van Rome”, bepaalt: „1. Deze verordening vervangt het Verdrag van Rome in de lidstaten, uitgezonderd ten aanzien van de grondgebieden van de lidstaten die onder de territoriale werkingssfeer van dat Verdrag vallen en waarop deze verordening niet van toepassing is overeenkomstig artikel 299 van het [EG-]Verdrag. 2. Voor zover deze verordening in de plaats komt van het Verdrag van Rome, geldt elke verwijzing naar dat Verdrag als een verwijzing naar deze verordening.”

19 Overeenkomstig artikel 29, tweede alinea, is de Rome I-verordening van toepassing sinds 17 december 2009, met uitzondering van artikel 26, dat sinds 17 juni 2009 van toepassing is.

Richtlijn 2006/54/EG

20 Overweging 30 van richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (PB 2006, L 204, blz. 23) luidt als volgt: „Voor een effectieve handhaving van het beginsel van gelijke behandeling is het van groot belang dat regels voor de bewijslast worden vastgesteld. Zoals het Hof van Justitie heeft geoordeeld, moet derhalve worden bepaald dat de bewijslast bij de verweerder wordt gelegd indien er sprake is van kennelijke discriminatie, behalve in procedures waarin de rechter of een andere bevoegde nationale instantie de feiten moet onderzoeken. Wel moet worden verduidelijkt dat de beoordeling van de feiten die directe of indirecte discriminatie kunnen doen vermoeden, blijft toekomen aan de relevante nationale instantie, overeenkomstig de nationale wetgeving of praktijk. Voorts behouden de lidstaten het recht om in alle fasen van de procedures een voor de eiser gunstigere bewijsregeling in te voeren.”

21 Artikel 17 van deze richtlijn, met als opschrift „Verdediging van rechten”, bepaalt in lid 1: „De lidstaten zorgen ervoor dat eenieder die zich door niet-toepassing van het beginsel van gelijke behandeling benadeeld acht, na eventueel beroep op andere bevoegde instanties, waaronder, wanneer zij dat passend achten, bemiddelingsprocedures, toegang krijgt tot gerechtelijke procedures, voor de naleving van de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen, zelfs na beëindiging van de verhouding waarin de discriminatie zou hebben plaatsgevonden.”

22 Artikel 19 van die richtlijn, met als opschrift „Bewijslast”, bepaalt in de leden 1 en 2: „1. De lidstaten nemen, overeenkomstig hun nationale rechtsstelsels, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat wanneer iemand die zich door niet-toepassing te zijnen aanzien van het beginsel van gelijke behandeling benadeeld acht, voor de rechter of een andere bevoegde instantie feiten aanvoert die directe of indirecte discriminatie kunnen doen vermoeden, de verweerder moet bewijzen dat het beginsel van gelijke behandeling niet is geschonden. 2. Lid 1 belet de lidstaten niet voor de eiser gunstiger regels in te voeren.”

Recht van het Verenigd Koninkrijk

23 Artikel 136 van de Equality Act 2010 (wet inzake gelijke behandeling van 2010), met als opschrift „Bewijslast”, bepaalt: „(1) Dit artikel is van toepassing op elke procedure die betrekking heeft op een schending van deze wet. (2) Indien er feiten zijn waaruit de rechter, bij gebreke van enige andere verklaring, kan afleiden dat een persoon (A) de betreffende bepalingen heeft geschonden, moet de rechter deze schending als bewezen beschouwen. (3) Lid 2 is evenwel niet van toepassing indien A aantoont dat hij de betreffende bepalingen niet heeft geschonden.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

24 Verzoekster in het hoofdgeding is door CACIB in dienst genomen op grond van een arbeidsovereenkomst van 17 januari 2007 waarop het recht van het Verenigd Koninkrijk van toepassing was, en in het kader waarvan zij voor het laatst werkzaam was als „customer information system officer in het Verenigd Koninkrijk”. Op 28 augustus 2013 is zij met ziekteverlof gegaan.

25 Omdat zij meende het slachtoffer te zijn geweest van discriminatie op grond van haar geslacht, alsmede van psychisch geweld, heeft verzoekster in het hoofdgeding op 23 september 2013 bij de conseil de prud’hommes (arbeidsrechter, Frankrijk) vorderingen ingesteld tot betaling van diverse bedragen ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst en als schadevergoeding.

26 Bij vonnis van 26 juni 2019 heeft de arbeidsrechter de vorderingen van verzoekster in het hoofdgeding afgewezen. Zij heeft hoger beroep ingesteld bij de cour d’appel de Versailles (rechter in tweede aanleg Versailles, Frankrijk).

27 Bij uitspraak van 27 mei 2021 heeft de cour d’appel de Versailles geoordeeld dat verzoekster in het hoofdgeding niet had aangetoond dat er sprake was van discriminatie of discriminerende intimidatie en represailles in de zin van de wet inzake gelijke behandeling van 2010, waarbij richtlijn 2006/54 in het recht van het Verenigd Koninkrijk is omgezet.

28 Verzoekster in het hoofdgeding heeft tegen deze uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk), de verwijzende rechter. Zij betoogt met name dat de cour d’appel de Versailles uitspraak heeft gedaan op basis van een uitlegging van de wet inzake gelijke behandeling van 2010 die niet in overeenstemming is met artikel 19 van richtlijn 2006/54, welk artikel de rechter verplicht tot een algemene beoordeling van de feiten om vast te stellen of zij discriminatie kunnen doen vermoeden, aangezien deze rechter na een onderzoek van achtereenvolgens elk van de aangevoerde discriminerende situaties heeft geoordeeld dat zij geen voorname feiten had aangevoerd waarmee zij kon aantonen dat er sprake was van discriminatie in de zin van de wet inzake gelijke behandeling van 2010. De cour d’appel de Versailles heeft zich bovendien ook gebaseerd op een uitlegging van de wet inzake gelijke behandeling van 2010 die niet in overeenstemming is met artikel 19 van richtlijn 2006/54 door de bewijslast voor de gestelde discriminatie in het hoofdgeding op te leggen aan verzoekster, aangezien hij heeft geoordeeld dat de door verzoekster in het hoofdgeding aangevoerde omstandigheid dat uit de door haar overgelegde stukken bleek dat de expats bij CACIB hoofdzakelijk mannen waren, bij gebreke van gegevens betreffende de sollicitatie van vrouwen naar een dergelijk verblijf in het buitenland niet volstond om discriminatie van vrouwen te kunnen doen vermoeden.

29 In de eerste plaats merkt de verwijzende rechter op dat het hoofdgeding de vraag opwerpt welke gevolgen de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie heeft voor de rol van de nationale rechter die het recht van het Verenigd Koninkrijk tot omzetting van een richtlijn moet toepassen in een gerechtelijke procedure die is ingesteld vóór het eind van de overgangsperiode, terwijl de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt zich na het eind van die periode moet uitspreken. Hoewel het Verenigd Koninkrijk nog lid van de Unie was op de datum van de feiten van het hoofdgeding, de datum waarop verzoekster in het hoofdgeding de betrokken rechtsvordering heeft ingesteld en de datum waarop de arbeidsrechter uitspraak heeft gedaan, was dit immers niet meer het geval op de datum waarop de cour d’appel de Versailles uitspraak heeft gedaan.

30 Gelet hierop vraagt de verwijzende rechter zich af of het Unierecht van toepassing was op de datum waarop de cour d’appel de Versailles uitspraak heeft gedaan, aangezien het Unierecht op die datum, dus na de datum van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie, geen rechtsgevolgen meer sorteerde in de rechtsorde van het Verenigd Koninkrijk. Hij vraagt zich bovendien af of het terugtrekkingsakkoord met terugwerkende kracht afbreuk heeft gedaan aan de toepassing van het Unierecht op geschillen die vóór het eind van de overgangsperiode zijn ontstaan, en dus aan de verplichting van de nationale rechter om het op die geschillen toepasselijke recht van het Verenigd Koninkrijk in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen. In dit verband formuleert de verwijzende rechter twee hypothesen: ofwel zou kunnen worden geoordeeld dat na het eind van de overgangsperiode een deel van het Unierecht in het recht van het Verenigd Koninkrijk is gehandhaafd, maar dat er geen verplichting meer bestaat om laatstgenoemd recht in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen; ofwel zou kunnen worden geoordeeld dat de feiten van het hoofdgeding dateren van vóór het eind van de overgangsperiode en dat de betrokken procedure vóór het eind van de overgangsperiode is ingeleid, zodat de wettelijke regeling van het Verenigd Koninkrijk tot omzetting van richtlijn 2006/54, te weten de wet inzake gelijke behandeling van 2010, door de aangezochte rechter in overeenstemming met het Unierecht moet worden uitgelegd, zelfs indien hij na het eind van de overgangsperiode uitspraak doet.

31 In de tweede plaats merkt de verwijzende rechter op dat het hoofdgeding de vraag opwerpt of het beginsel van Unierechtconforme uitlegging van het nationale recht, dat geldt voor de nationale rechter, ook van toepassing is wanneer deze rechter het recht van een andere lidstaat moet toepassen. Hij herinnert eraan dat het beginsel van wederzijds vertrouwen volgens de rechtspraak van het Hof vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen [advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014, EU:C:2014:2454, punt 191]. Evenwel blijkt ook uit deze rechtspraak dat bij de toepassing van het nationale recht, ongeacht of het daarbij gaat om bepalingen die dateren van eerdere of latere datum dan de betrokken richtlijn, de nationale rechter dit zo veel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van deze richtlijn, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 288 VWEU te voldoen (arrest van 13 november 1990, Marleasing, C‑106/89, EU:C:1990:395, punt 8).

32 Volgens de verwijzende rechter kan niet worden uitgesloten dat hetzelfde geldt indien de nationale rechter het recht van een andere lidstaat zou moeten toepassen. Een dergelijke benadering vindt steun in de rechtspraak van het Hof op grond waarvan de rechter bij wie een geding aanhangig is, de wetgeving van de lidstaat waarvan de gerechten in een forumkeuzebeding zijn aangewezen moet toepassen door die wetgeving in overeenstemming met het Unierecht en met name met een richtlijn uit te leggen (arresten van 18 november 2020, DelayFix, C‑519/19, EU:C:2020:933, punt 51, en 8 december 2022, Luxury Trust Automobil, C‑247/21, EU:C:2022:966, punt 67). Het Hof heeft zich echter nog niet uitdrukkelijk over een dergelijke vraag uitgesproken.

33 In de derde plaats wil de verwijzende rechter weten of de nationale rechter die het recht van een andere lidstaat toepast en vaststelt dat hij dit recht onmogelijk overeenkomstig het Unierecht kan uitleggen, daarbij dezelfde rol vervult als bij de toepassing van zijn eigen nationale recht en, zo ja, of het in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde beginsel van non-discriminatie, zoals geconcretiseerd in richtlijn 2006/54, hem ertoe kan brengen dit recht zelfs in een geschil tussen particulieren buiten toepassing te laten.

34 Tegen deze achtergrond heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet het [terugtrekkingsakkoord] aldus worden uitgelegd dat de rechter die uitspraak doet ná het eind van de overgangsperiode terwijl de feiten dateren van vóór deze datum en/of de procedure vóór die datum is ingeleid, een regeling van het Verenigd Koninkrijk tot omzetting van artikel 19 van richtlijn [2006/54] moet aanmerken als een regeling van een lidstaat tot omzetting van een richtlijn? 2) Moet artikel 288 VWEU aldus worden uitgelegd dat een nationale rechterlijke instantie die uitspraak dient te doen in een geschil tussen particulieren en verplicht is om het recht van een andere lidstaat toe te passen, de bepalingen van dat recht moet uitleggen in overeenstemming met een richtlijn, zonder dat het beginsel van wederzijds vertrouwen zich daartegen verzet? 3) Indien de nationale rechter van oordeel is dat een dergelijke richtlijnconforme uitlegging onmogelijk is, moet hij dit recht dan, net zoals hij voor zijn eigen nationale recht zou doen, buiten toepassing laten wanneer een algemeen beginsel van het Unierecht of een bepaling van het primaire recht, zoals geconcretiseerd in een richtlijn, in het geding is?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Ontvankelijkheid

35 CACIB en de Commissie voeren aan dat de vragen van de verwijzende rechter niet-ontvankelijk zijn.

36 Zij betogen dat uit de bewoordingen van artikel 136 van de wet inzake gelijke behandeling van 2010 blijkt dat dit artikel een regel tot aanpassing van de bewijslast bevat, die identiek is aan die van artikel 19 van richtlijn 2006/54. Artikel 136 is dus in overeenstemming met het Unierecht. Volgens hen heeft de vraag die de verwijzende rechter moet beantwoorden bovendien geen betrekking op de uitlegging van artikel 136 in het licht van het Unierecht, maar enkel op de wijze waarop de feitenrechters de feitelijke gegevens hebben beoordeeld waarop verzoekster in het hoofdgeding zich beriep voor het vermoeden dat er sprake is van discriminatie.

37 CACIB voert aan dat de verwijzende rechter, ten eerste, hoe dan ook de door de cour d’appel de Versailles in aanmerking genomen of afgewezen feitelijke gegevens niet verstrekt, noch gegevens over de motivering of de analyse van die rechter, en onvoldoende uiteenzet waarom de gestelde vragen nuttig zijn voor de beslechting van het hoofdgeding. Bijgevolg moeten deze vragen niet-ontvankelijk worden verklaard op grond dat zij algemeen en hypothetisch zijn. Ten tweede is de verwijzende rechter volgens zijn rechtspraak niet bevoegd om na te gaan of de hoven van beroep zich houden aan de uitlegging en toepassing van een buitenlandse wet, aangezien een dergelijke vraag een feitelijke vraag is die niet door de verwijzende rechter in hogere voorziening kan worden getoetst. Ten derde is de verwijzende rechter niet bevoegd om het Hof na de overgangsperiode om een prejudiciële beslissing te verzoeken.

38 Volgens vaste rechtspraak is het in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU uitsluitend een zaak van de nationale rechter bij wie het geding aanhangig is en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de door hem aan het Hof voorgelegde vragen te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof dan ook in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arresten van 21 april 1988, Pardini, 338/85, EU:C:1988:194, punt 8, en 24 juli 2023, Lin, C‑107/23 PPU, EU:C:2023:606, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39 Uit de bewoordingen van artikel 267 VWEU volgt echter dat de gevraagde prejudiciële beslissing voor de verwijzende rechterlijke instantie „noodzakelijk” moet zijn „voor het wijzen van haar vonnis” in de bij haar aanhangige zaak. Het Hof kan dus slechts weigeren te antwoorden op een door een nationale rechterlijke instantie gestelde prejudiciële vraag wanneer de gevraagde uitlegging van een regel van Unierecht kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen [arrest van 16 mei 2024, INSS (Verlof van een moeder in een eenoudergezin), C‑673/22, EU:C:2024:407, punten 22, 23 en 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

40 Volgens vaste rechtspraak in het kader van de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties impliceert de noodzaak om te komen tot een uitlegging van het Unierecht die nuttig is voor de nationale rechter, dat deze rechter nauwgezet voldoet aan de vereisten betreffende de inhoud van een verzoek om een prejudiciële beslissing zoals die uitdrukkelijk zijn vermeld in artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Het is in het bijzonder onontbeerlijk dat de verwijzingsbeslissing, zoals is bepaald in artikel 94, onder c), van het Reglement voor de procesvoering, de uiteenzetting bevat van de redenen die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht om over de uitlegging van specifieke bepalingen van het Unierecht vragen te stellen, alsook van het verband tussen die bepalingen en de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wettelijke regeling (zie in die zin arrest van 28 november 2023, Gemeente Ans, C‑148/22, EU:C:2023:924, punten 44 en 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41 In het onderhavige geval blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de verwijzende rechter zich in het kader van een bij hem aanhangig geding afvraagt welke gevolgen de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie heeft voor de rol van een nationale rechter die het recht van het Verenigd Koninkrijk tot omzetting van een Europese richtlijn moet toepassen in een gerechtelijke procedure die is ingesteld vóór het eind van de overgangsperiode, terwijl de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt zich na het eind van die periode moet uitspreken. De verwijzende rechter merkt voorts op dat het hoofdgeding de vraag opwerpt of het beginsel van Unierechtconforme uitlegging van het nationale recht, dat geldt voor de nationale rechter, van toepassing is wanneer deze rechter het recht van een andere lidstaat moet toepassen.

42 Wat in de eerste plaats het argument van CACIB betreft dat de verwijzende rechter niet bevoegd is om het Hof na het eind van de overgangsperiode te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de conforme uitlegging van het recht van het Verenigd Koninkrijk waarbij een richtlijn in zijn interne rechtsorde is omgezet, volstaat het op te merken dat de vragen van de verwijzende rechter betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, met inbegrip van het terugtrekkingsakkoord dat daarvan deel uitmaakt. Derhalve was de verwijzende rechter, een nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet, overeenkomstig artikel 267 VWEU bevoegd en in beginsel verplicht om het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken. Artikel 86, lid 2, van het terugtrekkingsakkoord verleent het Hof de noodzakelijke bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op verzoeken van rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk die vóór het eind van de overgangsperiode zijn ingediend, aangezien artikel 267 VWEU na de terugtrekking van die staat uit de Unie niet meer van toepassing is op zijn rechterlijke instanties. Artikel 86, lid 2, van dat akkoord kan niet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan de mogelijkheid of, naargelang het geval, de verplichting van de nationale rechterlijke instanties om het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing met het oog op de uitlegging van het Unierecht in zaken die verband houden met het Verenigd Koninkrijk.

43 In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter niet heeft uiteengezet, zoals artikel 94, onder c), van het Reglement voor de procesvoering vereist, waarom hij van oordeel is dat het onmogelijk is om de wet inzake gelijke behandeling van 2010 in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen, en waarom een antwoord op deze vraag noodzakelijk is om zijn vonnis in de bij hem aanhangige zaak te wijzen.

44 Gelet hierop beschikt het Hof met betrekking tot de derde vraag, die op deze situatie betrekking heeft, niet over de gegevens die noodzakelijk zijn om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven. Deze vraag moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard.

45 In de derde plaats wenst de verwijzende rechter met zijn eerste en tweede vraag in essentie te vernemen of het terugtrekkingsakkoord afbreuk heeft gedaan aan de toepasselijkheid van het Unierecht op een geding als het hoofdgeding en, indien dat niet het geval is, of een nationale rechterlijke instantie het op bij haar aanhangige geding toepasselijke recht van een andere lidstaat of een daarmee gelijkgestelde staat in overeenstemming met het Unierecht moet uitleggen.

46 Een antwoord op de eerste vraag, die de toepasselijkheid van het Unierecht betreft, is noodzakelijk voor de verwijzende rechter om zijn vonnis in de bij hem aanhangige zaak te wijzen. In die omstandigheden heeft het bezwaar inzake het feit dat dit recht niet is toegepast, geen betrekking op de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing maar op de inhoud van de gestelde vraag.

47 Voorts kan het argument van CACIB dat de verwijzende rechter volgens zijn rechtspraak niet bevoegd is om na te gaan of de hoven van beroep zich houden aan de uitlegging en toepassing van het buitenlandse recht, niet afdoen aan de ontvankelijkheid van de tweede vraag aangezien dit argument betrekking heeft op de uitlegging van het nationale recht, dat uitsluitend tot de bevoegdheid van deze rechter behoort.

48 Bijgevolg zijn de eerste en de tweede vraag ontvankelijk.

Ten gronde

Eerste vraag

49 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 50, lid 3, VEU, gelezen in samenhang met de artikelen 126 en 127 van het terugtrekkingsakkoord, aldus moet worden uitgelegd dat dit akkoord afbreuk heeft gedaan aan de toepasselijkheid van artikel 19 van richtlijn 2006/54 op een op de einddatum van de overgangsperiode aanhangig geding over gestelde discriminatie die zich vóór die datum heeft voorgedaan in het kader van de uitvoering van een arbeidsovereenkomst waarop het recht van het Verenigd Koninkrijk van toepassing was.

50 Er zij aan herinnerd dat de Verdragen op grond van artikel 50, lid 3, VEU niet meer van toepassing zijn op de lidstaat die zich uit de Unie terugtrekt, met ingang van de datum van inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord of, bij gebreke daarvan, na verloop van twee jaar na de kennisgeving van het voornemen tot terugtrekking, tenzij de Europese Raad met instemming van de betrokken lidstaat met eenparigheid van stemmen tot verlenging van deze termijn besluit.

51 Krachtens artikel 50, lid 3, VEU zijn de Verdragen sinds de datum van inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord, te weten 1 februari 2020, dus niet langer van toepassing op het Verenigd Koninkrijk, zodat dit land sinds die datum niet langer een lidstaat is (arrest van 9 juni 2022, Préfet du Gers en Institut national de la statistique et des études économiques, C‑673/20, EU:C:2022:449, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52 Volgens de zevende alinea van de preambule heeft het terugtrekkingsakkoord echter tot doel om voor een ordelijk verloop van de terugtrekking te zorgen door middel van diverse scheidingsbepalingen waarmee ontwrichting moet worden voorkomen en burgers en marktdeelnemers alsook justitiële en administratieve autoriteiten in de Unie en in het Verenigd Koninkrijk rechtszekerheid moet worden geboden.

53 In dit verband wordt in het terugtrekkingsakkoord uitdrukkelijk verklaard dat de toepassing van het Unierecht in het Verenigd Koninkrijk, op enkele uitzonderingen na, werd verlengd tot en met 31 december 2020, de einddatum van de overgangsperiode. Volgens de achtste alinea van de preambule van het terugtrekkingsakkoord is het immers in het belang van zowel de Unie als het Verenigd Koninkrijk om een overgangsperiode vast te stellen waarin het Unierecht, met inbegrip van internationale overeenkomsten, van toepassing dient te zijn op en in het Verenigd Koninkrijk, met in de regel dezelfde gevolgen als voor de lidstaten, teneinde ontwrichting te voorkomen in de periode waarin over het akkoord of de akkoorden over de toekomstige betrekkingen wordt onderhandeld.

54 Volgens artikel 126 van het terugtrekkingsakkoord loopt de overgangsperiode, die in deel vier van dit akkoord wordt geregeld, vanaf de datum van inwerkingtreding ervan, te weten 1 februari 2020, tot en met 31 december 2020. Artikel 127, lid 1, van dat akkoord preciseert dat, tenzij anders is bepaald, het Unierecht tijdens die periode van toepassing is op en in het Verenigd Koninkrijk. Artikel 127, lid 3, van het terugtrekkingsakkoord bepaalt voorts dat tijdens die periode het krachtens lid 1 toepasselijke Unierecht ten aanzien van en in het Verenigd Koninkrijk dezelfde rechtsgevolgen heeft als in de Unie en haar lidstaten, en dit recht overeenkomstig de in de Unie toepasselijke methoden en algemene beginselen wordt uitgelegd en toegepast. Bovendien bepaalt artikel 127, lid 6, van dat akkoord dat, tenzij in het akkoord anders is bepaald, verwijzingen naar de lidstaten in het krachtens lid 1 toepasselijke Unierecht, met inbegrip van de wijze waarop het door de lidstaten ten uitvoer wordt gelegd en toegepast, tijdens deze periode zodanig worden begrepen dat deze het Verenigd Koninkrijk omvatten.

55 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat het terugtrekkingsakkoord geen algemene bepaling bevat die de vraag regelt of het Unierecht van toepassing is op gedingen die aan het eind van de overgangsperiode aanhangig zijn en betrekking hebben op vóór die datum ontstane contractuele betrekkingen.

56 Dit neemt niet weg dat in het terugtrekkingsakkoord uitdrukkelijk wordt erkend dat het Unierecht ook na het eind van de overgangsperiode van toepassing kan zijn op bepaalde contractuele betrekkingen en geschillen. Artikel 185, vierde alinea, van het terugtrekkingsakkoord bepaalt immers dat deel twee en deel drie ervan– die de artikelen 9 tot en met 125 omvatten – met uitzondering van artikel 19, artikel 34, lid 1, artikel 44 en artikel 96, lid 1, ervan, en voorts titel I van deel zes van dat akkoord – die de artikelen 158 tot en met 163 omvat – alsmede de artikelen 169 tot en met 181 die zijn opgenomen in titel III van dat deel, vanaf het eind van de overgangsperiode van toepassing zijn.

57 Volgens deel drie van het terugtrekkingsakkoord, met als opschrift „Scheidingsbepalingen”, met name titel VI („Lopende justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken”) blijven bepaalde Unierechtelijke regels na het eind van de overgangsperiode van toepassing op geschillen die vóór het eind van die periode zijn ontstaan en na het eind van die periode nog aanhangig zijn.

58 Zoals in artikel 66 van het terugtrekkingsakkoord is bepaald, geldt dit met name voor de Rome I-verordening, die in het Verenigd Koninkrijk van toepassing blijft op overeenkomsten die vóór het eind van de overgangsperiode zijn gesloten, en voor verordening nr. 864/2007, die van toepassing blijft op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich vóór die datum hebben voorgedaan.

59 Evenzo bepaalt artikel 67 van het terugtrekkingsakkoord dat bepaalde Unierechtelijke regels inzake de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen van toepassing blijven op gerechtelijke procedures die vóór het eind van de overgangsperiode zijn ingeleid. Het is dus mogelijk dat de nationale rechterlijke instanties de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk moeten erkennen en dat de lidstaten in beginsel bepaalde beslissingen van die rechterlijke instanties ten uitvoer moeten leggen.

60 Uit de algemene opzet van het terugtrekkingsakkoord volgt dus dat de partijen bij dit akkoord, overeenkomstig het rechtszekerheidsbeginsel, de stabiliteit van de vóór het eind van de overgangsperiode bestaande rechtssituaties hebben willen waarborgen.

61 In dit verband is het juist dat dit akkoord, zoals blijkt uit de tweede en de elfde alinea van de preambule van het terugtrekkingsakkoord, is gesloten met het oog op de vaststelling van de regelingen voor de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie, met name „met inachtneming van het kader voor hun toekomstige betrekkingen”, en wel „geheel in overeenstemming […] met de respectieve rechtsordes van de Unie en van het Verenigd Koninkrijk, alsook met de status van derde land van het Verenigd Koninkrijk”, waarbij het Unierecht, met inbegrip van de algemene beginselen ervan en onder andere het rechtszekerheidsbeginsel, na de overgangsperiode in beginsel niet meer op dat land van toepassing is. Niettemin zij eraan herinnerd dat dit akkoord artikel 50 VEU als rechtsgrondslag heeft, waarvan lid 2 de Unie de bevoegdheid toekent om te onderhandelen over en een akkoord te sluiten over de voorwaarden voor de terugtrekking. In dat akkoord moeten namelijk op alle onder de Verdragen vallende gebieden alle kwesties worden geregeld die verband houden met de scheiding tussen de Unie en de lidstaat die zich uit de Unie terugtrekt (zie in die zin arrest van 16 november 2021, Governor of Cloverhill Prison e.a., C‑479/21 PPU, EU:C:2021:929, punten 48 en 50). Gelet hierop moet worden geoordeeld dat deze partijen daartoe met het hetzelfde akkoord uitvoering hebben willen geven aan onder andere het rechtszekerheidsbeginsel als onderdeel van het Unierecht.

62 Het terugtrekkingsakkoord moet dus worden uitgelegd in het licht van het rechtszekerheidsbeginsel, waarvan het de naleving beoogt te waarborgen.

63 Volgens vaste rechtspraak vereist het rechtszekerheidsbeginsel, waarvan het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen het rechtstreekse uitvloeisel is, dat rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn, alsmede dat hun toepassing voorzienbaar is voor de justitiabelen, in het bijzonder wanneer die regels nadelige gevolgen kunnen hebben voor particulieren en ondernemingen (zie in die zin arresten van 2 december 2009, Aventis Pasteur, C‑358/08, EU:C:2009:744, punt 47, en 5 september 2024, Novo Banco e.a., C‑498/22–C‑500/22, EU:C:2024:686, punt 95).

64 Het rechtszekerheidsbeginsel verzet zich ertegen dat een nieuwe materiële rechtsregel met terugwerkende kracht wordt toegepast, namelijk op een situatie die vóór de inwerkingtreding ervan is ontstaan, en dat verlangt dat elke feitelijke situatie in de regel, behoudens uitdrukkelijke bepaling van het tegendeel, wordt beoordeeld volgens de op het desbetreffende tijdstip geldende bepalingen (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, Twenty First Capital, C‑174/23, EU:C:2024:654, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

65 Hieruit volgt dat het terugtrekkingsakkoord bij gebreke van een uitdrukkelijke bepaling, overeenkomstig het rechtszekerheidsbeginsel, waarvan dit akkoord de naleving beoogt te waarborgen, niet aldus kan worden uitgelegd dat de Unie en het Verenigd Koninkrijk zijn overeengekomen om met terugwerkende kracht een einde te maken aan de toepassing van vrijwel het gehele Unierecht op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan uit een vóór het eind van de overgangsperiode gesloten overeenkomst waarop het recht van het Verenigd Koninkrijk van toepassing was.

66 Bovendien moet worden vastgesteld dat artikel 50, lid 3, VEU niet uitdrukkelijk bepaalt dat het Unierecht in de betrokken lidstaat na diens terugtrekking uit de Unie niet langer van toepassing is op situaties die zijn ontstaan vóór de terugtrekking.

67 Een dergelijke uitlegging vindt steun in artikel 70, lid 1, van het Verdrag van Wenen, dat de beëindiging van internationale verdragen regelt en, zoals de advocaat-generaal in punt 58 van haar conclusie heeft benadrukt, het internationaal gewoonterecht codificeert.

68 Ook al bindt het Verdrag van Wenen noch de Unie noch de lidstaten, sommige bepalingen ervan weerspiegelen regels van internationaal gewoonterecht die als zodanig verbindend zijn voor de instellingen van de Unie en deel uitmaken van de rechtsorde van de Unie (zie in die zin arresten van 16 juni 1998, Racke, C‑162/96, EU:C:1998:293, punten 24, 45 en 46; 25 februari 2010, Brita, C‑386/08, EU:C:2010:91, punt 42, en 27 februari 2018, Western Sahara Campaign UK, C‑266/16, EU:C:2018:118, punt 58).

69 Zo het Verdrag van Wenen – net als artikel 50, lid 3, VEU – in artikel 70, lid 1, onder a), weliswaar bepaalt dat de beëindiging van een internationaal verdrag de partijen ontslaat van de verplichting om de uitvoering van het verdrag voort te zetten, preciseert punt b) van deze bepaling evenwel dat een dergelijke beëindiging geen rechten en verplichtingen van partijen aantast die vóór die beëindiging zijn ontstaan door de uitvoering van het verdrag en door de aldus gecreëerde rechtssituatie. Artikel 70, lid 1, van het Verdrag van Wenen preciseert bovendien dat deze beginselen van toepassing zijn tenzij dit verdrag anders bepaalt of de partijen anders overeenkomen.

70 In die omstandigheden kan bij gebreke van een uitdrukkelijke bepaling in de Verdragen en het terugtrekkingsakkoord, gelet op het fundamentele belang van het rechtszekerheidsbeginsel, niet worden geoordeeld dat de Unie en het Verenigd Koninkrijk zijn overeengekomen om met terugwerkende kracht een einde te maken aan de toepassing van het Unierecht op een op de einddatum van de overgangsperiode aanhangig geding over gestelde discriminatie die zich vóór die datum heeft voorgedaan in het kader van de uitvoering van een arbeidsovereenkomst waarop het recht van het Verenigd Koninkrijk van toepassing was.

71 Wat in de tweede plaats meer in het bijzonder de in artikel 19 van richtlijn 2006/54 bedoelde regel betreft, staat in overweging 30 van deze richtlijn te lezen dat het voor een effectieve handhaving van het beginsel van gelijke behandeling van groot belang is dat regels voor de bewijslast worden vastgesteld. Hieruit volgt dat artikel 19, lid 1, van die richtlijn niet kan worden beschouwd als een zuivere procedureregel die aan het eind van de overgangsperiode niet langer van toepassing is op het Verenigd Koninkrijk. De in dat artikel opgenomen regel is veeleer een materieelrechtelijke regel die de arbeidsverhouding regelt die is ontstaan uit een vóór het eind van de overgangsperiode gesloten overeenkomst, zodat deze regel ook na het eind van die periode van toepassing blijft op geschillen betreffende die verhouding.

72 Elke andersluidende uitlegging zou leiden tot een ernstige beperking van de draagwijdte van het rechtszekerheidsbeginsel alsmede van de daadwerkelijke uitvoering van het beginsel van gelijke behandeling, dat het voorwerp is van richtlijn 2006/54. De omvang van de door deze richtlijn geboden bescherming zou dan immers afhangen van de toevallige omstandigheid dat de procedures inzake geschillen over de door deze richtlijn ontstane rechten en verplichtingen al dan niet vóór het eind van de overgangsperiode zijn beëindigd. Een particulier die, zoals verzoekster in het hoofdgeding, zijn beroep vóór het eind van de overgangsperiode bij de bevoegde nationale rechterlijke instanties heeft ingesteld, dus op een tijdstip waarop er geen twijfel over bestond dat het recht van het Verenigd Koninkrijk in overeenstemming met het Unierecht moest worden uitgelegd, zou zich dan voor de betrokken nationale rechter niet meer op de hem door het Unierecht verleende rechten kunnen beroepen op de enkele grond dat deze rechter na het eind van de overgangsperiode uitspraak heeft gedaan.

73 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 50, lid 3, VEU, gelezen in samenhang met de artikelen 126 en 127 van het terugtrekkingsakkoord, aldus moet worden uitgelegd dat dit akkoord geen afbreuk heeft gedaan aan de toepasselijkheid van artikel 19 van richtlijn 2006/54 op een op de einddatum van de overgangsperiode aanhangig geding over gestelde discriminatie die zich vóór die datum heeft voorgedaan in het kader van de uitvoering van een arbeidsovereenkomst waarop het recht van het Verenigd Koninkrijk van toepassing was.

Tweede vraag

74 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 288 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat de nationale rechter bij de uitlegging en toepassing van het recht van een andere lidstaat ter uitvoering van een richtlijn verplicht is om het beginsel van Unierechtconforme uitlegging van het nationale recht in acht te nemen, net als bij de uitlegging en toepassing van zijn eigen recht.

– Verplichting voor de nationale rechters om bij de toepassing van het recht van een andere lidstaat het beginsel van Unierechtconforme uitlegging van het nationale recht in acht te nemen

75 Er zij aan herinnerd dat het Unierecht hierdoor wordt gekenmerkt dat het zijn oorsprong vindt in een autonome rechtsbron, namelijk de Verdragen, dat het voorrang heeft boven het recht van de lidstaten en dat een hele reeks op de onderdanen van de lidstaten en op de lidstaten zelf toepasselijke bepalingen rechtstreekse werking heeft. Deze wezenlijke kenmerken van het Unierecht hebben geleid tot een gestructureerd netwerk van beginselen, regels en onderling samenhangende juridische betrekkingen tussen de Unie en haar lidstaten en tussen de lidstaten onderling (arresten van 6 maart 2018, Achmea, C‑284/16, EU:C:2018:158, punt 33, en 24 juni 2019, Popławski, C‑573/17, EU:C:2019:530, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

76 Het beginsel van voorrang van het Unierecht houdt in dat dit recht voorrang heeft op het recht van de lidstaten. Dit beginsel verplicht dus alle instanties van de lidstaten om volle werking te verlenen aan de verschillende normen van de Unie, aangezien het recht van de lidstaten niet kan afdoen aan de werking die op het grondgebied van die staten aan deze verschillende normen is verleend (arrest van 24 juni 2019, Popławski, C‑573/17, EU:C:2019:530, punten 53 en 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

77 Om de doeltreffendheid van alle Unierechtelijke bepalingen te waarborgen verplicht het voorrangsbeginsel met name de nationale rechters om hun nationale recht zo veel mogelijk in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen (arrest van 24 juni 2019, Popławski, C‑573/17, EU:C:2019:530, punt 57).

78 Dit beginsel van conforme uitlegging is inherent aan het stelsel van de Verdragen, aangezien het de nationale rechter in staat stelt om binnen het kader van zijn bevoegdheden de volle werking van het Unierecht te verzekeren bij de beslechting van het bij hem aanhangige geding (arrest van 24 juni 2019, Popławski, C‑573/17, EU:C:2019:530, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

79 Volgens vaste rechtspraak kunnen met een richtlijn op zich geen verplichtingen worden opgelegd aan particulieren en kan een richtlijn als zodanig dus niet tegen hen worden ingeroepen (arresten van 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a., C‑397/01–C‑403/01, EU:C:2004:584, punt 108, en 19 januari 2010, Kücükdeveci, C‑555/07, EU:C:2010:21, punt 46). De uit een richtlijn voortvloeiende verplichting van de lidstaten om het ermee beoogde doel te verwezenlijken, alsook de op hen rustende verplichting om alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van die verplichting te verzekeren, gelden echter voor alle autoriteiten van de lidstaten en dus, binnen het kader van hun bevoegdheden, ook voor alle rechterlijke instanties (zie in die zin arresten van 10 april 1984, von Colson en Kamann, 14/83, EU:C:1984:153, punt 26; 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a., C‑397/01–C‑403/01, EU:C:2004:584, punt 110, en 19 januari 2010, Kücükdeveci, C‑555/07, EU:C:2010:21, punt 47).

80 Hieruit volgt dat de nationale rechters bij de toepassing van het nationale recht, en met name van een speciaal ter uitvoering van een richtlijn vastgestelde nationale regeling, het nationale recht zo veel mogelijk moeten uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 288, derde alinea, VWEU te voldoen (arresten van 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a., C‑397/01–C‑403/01, EU:C:2004:584, punt 113 en 12 december 2024, Getin Holding e.a., C‑118/23, EU:C:2024:1013, punt 75).

81 Het is juist dat het Hof heeft geoordeeld dat er bepaalde grenzen zijn aan het beginsel van Unierechtconforme uitlegging van het nationale recht. Zo wordt de verplichting van de nationale rechter om bij de uitlegging en toepassing van de relevante bepalingen van zijn nationale recht uit te gaan van de inhoud van een richtlijn begrensd door de algemene rechtsbeginselen, met name het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht, en kan deze verplichting niet dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht (arresten van 4 juli 2006, Adeneler e.a., C‑212/04, EU:C:2006:443, punt 110, en 5 juni 2025, Nuratau, C‑349/24, EU:C:2025:397, punt 45).

82 Niettemin vereist het beginsel van Unierechtconforme uitlegging van het nationale recht dat de nationale rechters binnen hun bevoegdheden, met inachtneming van het gehele nationale recht en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, al het mogelijke doen om de volle werking van de betrokken richtlijn te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling (arresten van 4 juli 2006, Adeneler e.a., C‑212/04, EU:C:2006:443, punt 111, en 5 juni 2025, Nuratau, C‑349/24, EU:C:2025:397, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

83 Indien een dergelijke conforme uitlegging niet mogelijk is, zijn de nationale rechters verplicht om, in het kader van hun bevoegdheden, de voor de justitiabelen uit het Unierecht voortvloeiende rechtsbescherming en de volle werking van dat recht te verzekeren en daarbij zo nodig, op eigen gezag, iedere nationale bepaling buiten toepassing te laten die strijdig is met een Unierechtelijke bepaling met rechtstreekse werking in het geschil dat aan hen is voorgelegd (zie in dit verband arresten van 24 juni 2019, Popławski, C‑573/17, EU:C:2019:530, punt 61, en 12 december 2024, Getin Holding e.a., C‑118/23, EU:C:2024:1013, punt 76).

84 Wanneer een nationale rechter bij wie een geschil tussen particulieren aanhangig is, het recht van een andere lidstaat ter uitvoering van een richtlijn moet toepassen, is hij verplicht om met inachtneming van de algemene rechtsbeginselen de bepalingen van dat recht in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen.

85 In dat verband heeft het Hof eerder geoordeeld dat de nationale rechter bij wie een geding aanhangig is over de geldigheid van een forumkeuzebeding die overeenkomstig artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 moet worden beoordeeld op grond van de wetgeving van de lidstaat waarvan de gerechten in dat beding zijn aangewezen, verplicht is om die wetgeving toe te passen en daarbij in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen (zie in die zin arrest van 18 november 2020, DelayFix, C‑519/19, EU:C:2020:933, punt 51).

86 Voorts heeft het Hof geoordeeld dat een Oostenrijkse rechter bij wie een btw-geding aanhangig is, gehouden is om het op dat geding toepasselijke recht, ongeacht of dat het recht van de lidstaat van de tussenhandelaar of dat van de lidstaat van de eindafnemer is, overeenkomstig het Unierecht uit te leggen (zie in die zin arrest van 8 december 2022, Luxury Trust Automobil, C‑247/21, EU:C:2022:966, punt 67).

87 Hieruit volgt dat wanneer de nationale rechters in het kader van een geding zoals het hoofdgeding het recht van een andere lidstaat moeten toepassen op grond van de regels van het Verdrag van Rome, dat door de Rome I-verordening is vervangen, zij met betrekking tot het recht van die andere lidstaat het beginsel van Unierechtconforme uitlegging van het nationale recht in acht moeten nemen.

88 Hieraan moet worden toegevoegd dat de toepassing van het beginsel van Unierechtconforme uitlegging van het nationale recht bijdraagt tot de eerbiediging van het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten, dat in het Unierecht van wezenlijk belang is aangezien het ertoe strekt te waarborgen dat de door de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties gegeven beslissingen in overeenstemming zijn met het Unierecht [advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014, EU:C:2014:2454, punt 191].

89 Dit beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht in acht nemen (zie in die zin arrest van 19 december 2024, Tudmur, C‑185/24 en C‑189/24, EU:C:2024:1036, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hieruit volgt dat een nationale rechterlijke instantie die een bepaling van het recht van een andere lidstaat in overeenstemming met het Unierecht uitlegt, slechts doet wat zij overeenkomstig het beginsel van wederzijds vertrouwen mag veronderstellen dat de rechterlijke instanties van die andere lidstaat zouden doen indien zij die bepaling moeten uitleggen.

90 Bijgevolg vereist het beginsel van wederzijds vertrouwen dat de nationale rechterlijke instanties erop vertrouwen dat het Unierecht in de andere lidstaten correct wordt toegepast. Wanneer deze rechterlijke instanties in het bijzonder in een geding inzake burgerlijke en handelszaken op grond van de regels van het door de Rome I-verordening vervangen Verdrag van Rome, het recht van een andere lidstaat toepassen, trachten zij de inhoud van dit recht en de daaraan door de rechterlijke instanties van deze lidstaat gegeven uitlegging te onderzoeken overeenkomstig de beginselen die van toepassing zijn op de rol van de aangezochte rechter, en moeten zij ervan uitgaan dat dit recht en die uitlegging in overeenstemming zijn met het Unierecht.

91 [Zoals gerectificeerd bij beschikking van 8 juli 2026] Wanneer de nationale rechterlijke instanties ernstige twijfels hebben over de verenigbaarheid met een richtlijn van een regeling van een andere lidstaat waarbij die richtlijn is omgezet, moeten zij zich dus vergewissen van de aan die regeling te geven uitlegging door in voorkomend geval gebruik te maken van de mechanismen van justitiële samenwerking, met name de mechanismen waarmee informatie over buitenlands recht kan worden verkregen, zoals het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken, dat is opgericht bij beschikking 2001/470/EG van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de oprichting van een Europese justitiële netwerk in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 174, blz. 25) of het Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht van 7 juni 1968 (United Nations Treaty Series, deel 720-II, nr. 10346, blz. 147).

92 Indien er twijfels blijven bestaan, hebben deze rechterlijke instanties, naargelang van het geval, ook de mogelijkheid of zelfs de verplichting om het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat het, in antwoord op vragen die erop zijn gericht de verwijzende rechter in staat te stellen om te beoordelen of de bepalingen van een andere lidstaat in overeenstemming zijn met het Unierecht, die rechter de gegevens over de uitlegging van het Unierecht kan verschaffen die hem in staat zullen stellen om de bij hem opgeworpen rechtsvraag op te lossen (zie in die zin arrest van 23 november 1989, Eau de Cologne & Parfümerie-Fabrik 4711, C‑150/88, EU:C:1989:594, punt 12 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

93 Uit deze overwegingen volgt dat het toezicht op de verenigbaarheid met het Unierecht van het recht van een lidstaat op grond van het beginsel van wederzijds vertrouwen hoofdzakelijk berust bij de rechter van die lidstaat en, subsidiair, bij de rechters van de andere lidstaten die in voorkomend geval het betrokken nationale recht op een bij hen aanhangig geding moeten toepassen.

94 Wanneer een nationale rechterlijke instantie op grond van de regels van de Rome I-verordening of, zoals in het hoofdgeding, die van het Verdrag van Rome, het recht van een andere lidstaat moet toepassen op een bij haar aanhangig geding, moet zij zich ervan vergewissen dat het Unierecht wordt geëerbiedigd en is zij derhalve, net als de rechter van die andere lidstaat, verplicht om het betrokken nationale recht in overeenstemming met het Unierecht toe te passen en, in voorkomend geval, om elke bepaling van het betrokken nationale recht buiten toepassing te laten die volgens haar niet in overeenstemming met het Unierecht kan worden toegepast.

95 De voorgaande overwegingen gelden ook wanneer een nationale rechterlijke instantie, zoals in het hoofdgeding, een wettelijke regeling van het Verenigd Koninkrijk tot uitvoering van artikel 19 van richtlijn 2006/54 moet toepassen op een geding dat aanhangig was op de einddatum van de in artikel 126 van het terugtrekkingsakkoord bedoelde overgangsperiode en betrekking heeft op gestelde discriminatie die zich vóór die datum heeft voorgedaan in het kader van de uitvoering van een arbeidsovereenkomst waarop het recht van het Verenigd Koninkrijk van toepassing was en is gesloten vóór het eind van de in artikel 126 van het terugtrekkingsakkoord bedoelde overgangsperiode. Zoals blijkt uit het antwoord op de eerste vraag blijft artikel 19 immers ook na afloop van die periode van toepassing op dit geding.

– Toezicht op de naleving door de nationale rechters van het beginsel van Unierechtconforme uitlegging van het nationale recht bij de toepassing van het recht van een andere lidstaat

96 Uit de verwijzingsbeslissing en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen blijkt dat verzoekster in het hoofdgeding in het kader van haar bij de verwijzende rechter ingestelde cassatieberoep betoogt dat de uitspraak van de cour d’appel de Versailles een uitlegging van het op het hoofdgeding toepasselijke recht van het Verenigd Koninkrijk bevat die niet in overeenstemming is met het Unierecht, en met name met richtlijn 2006/54.

97 Volgens de in de verwijzingsbeslissing vermelde vaste rechtspraak van de verwijzende rechter is de „toepassing en uitlegging van het buitenlandse recht door de feitenrechters soeverein”. Voorts blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de rol van de cassatierechter beperkt is tot de toetsing van motiveringsgebreken en de onjuiste opvatting van het buitenlandse recht, zodat hij enkel nagaat of de feitenrechters de inhoud van dat recht hebben onderzocht zonder dat hij de onjuiste uitlegging of onjuiste toepassing van dat recht kan afkeuren.

98 Ter terechtzitting voor het Hof heeft de Franse regering aangegeven dat de verwijzende rechter volgens zijn vaste rechtspraak het recht van een andere lidstaat weliswaar als „rechtsregel” kwalificeert maar dit recht gelijkstelt met een feitelijk gegeven, zodat zijn toezicht op de verenigbaarheid met het Unierecht van de toepassing van dat buitenlandse recht door de feitenrechters beperkt is wanneer een geding dat onder dat buitenlandse recht valt bij hem aanhangig wordt gemaakt in het kader van een cassatieberoep.

99 Bijgevolg blijkt dat wanneer bij de verwijzende rechter een geding tussen particulieren aanhangig is dat onder het recht van een andere lidstaat of een daarmee gelijkgestelde staat valt, hij in het kader van een cassatieberoep eveneens slechts beperkt kan nagaan of de toepassing van dat recht door de feitenrechters verenigbaar is met het Unierecht.

100 Zoals uit het voorgaande blijkt, moet artikel 288 VWEU aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter bij de uitlegging en toepassing van het recht van een andere lidstaat ter uitvoering van een richtlijn verplicht is om het beginsel van Unierechtconforme uitlegging van het nationale recht in acht te nemen, net als bij de uitlegging en toepassing van zijn eigen recht.

101 De toetsing door de cassatierechter in antwoord op een middel inzake de uitlegging van het recht van een andere lidstaat door een lagere rechter die in strijd is met een richtlijn, kan niet worden beperkt op de enkele grond dat deze rechter het buitenlandse recht in het algemeen gelijkstelt met een feitelijk gegeven, omdat anders de uit artikel 288, derde alinea, VWEU voortvloeiende verplichting voor alle autoriteiten van de lidstaten, met inbegrip van de rechterlijke instanties, om het door een richtlijn voorgeschreven resultaat te bereiken niet wordt nagekomen. Deze toetsing moet betrekking hebben op de naleving door de lagere rechter van de verplichting om het nationale recht in overeenstemming met het door de richtlijn voorgeschreven resultaat uit te leggen. Zoals blijkt uit de punten 84 en 94 hierboven bestaat deze verplichting ongeacht of het recht van de aangezochte lidstaat dan wel het recht van een andere lidstaat moet worden uitgelegd.

102 Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 288 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat de nationale rechter bij de uitlegging en toepassing van het recht van een andere lidstaat ter uitvoering van een richtlijn verplicht is om het beginsel van Unierechtconforme uitlegging van het nationale recht in acht te nemen, net als bij de uitlegging en toepassing van zijn eigen recht.

Kosten

103 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 50, lid 3, VEU, gelezen in samenhang met de artikelen 126 en 127 van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, goedgekeurd bij besluit (EU) 2020/135 van de Raad van 30 januari 2020, moet aldus worden uitgelegd dat dit akkoord geen afbreuk heeft gedaan aan de toepasselijkheid van artikel 19 van richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep, op een geding dat aanhangig was op de einddatum van de in artikel 126 bedoelde overgangsperiode en betrekking heeft op gestelde discriminatie die zich vóór die datum heeft voorgedaan in het kader van de uitvoering van een arbeidsovereenkomst waarop het recht van het Verenigd Koninkrijk van toepassing was.

2) Artikel 288 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter bij de uitlegging en toepassing van het recht van een andere lidstaat ter uitvoering van een richtlijn verplicht is om het beginsel van Unierechtconforme uitlegging van het nationale recht in acht te nemen, net als bij de uitlegging en toepassing van zijn eigen recht.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken