HvJ EU 5 september 2024, C-498/22, ECLI:EU:C:2024:686

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

5 september 2024 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Sanering en liquidatie van kredietinstellingen – Richtlijn 2001/24/EG – Artikelen 3 en 6 – Saneringsmaatregel die is vastgesteld ten aanzien van een kredietinstelling – Overdracht van de verplichtingen en aansprakelijkheden van deze kredietinstelling aan een ‚overbruggingsbank’ en dit voordat een vordering in rechte werd ingesteld strekkende tot betaling van een schuldvordering jegens die kredietinstelling – Retrocessie van sommige van deze verplichtingen en aansprakelijkheden aan dezelfde kredietinstelling – Recht van de lidstaat waar de betrokken procedure is geopend (lex concursus) – Gevolgen van een saneringsmaatregel in andere lidstaten – Wederzijdse erkenning – Gevolgen van het verzuim van de plicht om de saneringsmaatregel bekend te maken – Artikelen 17, 21, 38 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Eigendomsrecht – Effectieve rechterlijke bescherming – Consumentenbescherming – Richtlijn 93/13/EG – Artikel 6, lid 1 – Oneerlijke bedingen – Rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel – Hoedanigheid van de ‚overbruggingsbank’ om in rechte te worden aangesproken”

In de gevoegde zaken C‑498/22 tot en met C‑500/22,

betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) bij beslissingen van 19 juli 2022, ingekomen bij het Hof op 21 en 22 juli 2022, in de procedures

Novo Banco SA – Sucursal en España,

Banco de Portugal,

Fundo de Resolução

tegen

C.F.O. (C‑498/22),

J.M.F.T.,

M.H.D.S. (C‑499/22),

Proyectos, Obras y Servicios de Badajoz SL (C‑500/22),

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, O. Spineanu-Matei, J.‑C. Bonichot, S. Rodin en L. S. Rossi (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 oktober 2023,

gelet op de opmerkingen van:

– Novo Banco SA – Sucursal en España, vertegenwoordigd door B. Fiestas Muñoz, N. Rodríguez Fernández en A. Suberviola Pagola, abogados,

– Banco de Portugal en Fundo de Resolução, vertegenwoordigd door C. García Vega en J. M. Rodríguez Cárcamo, abogados,

– C.F.O., vertegenwoordigd door J. M. Arroyo Lorenzo, abogado, en I. C. Covadonga Juliá Corujo, procuradora,

– J.M.F.T. en M.H.D.S., vertegenwoordigd door J. A. Ballesteros Garrido, abogado,

– Proyectos, Obras y Servicios de Badajoz SL, vertegenwoordigd door J. M. Aguado Maestro, abogado,

– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door L. Aguilera Ruiz en A. Gavela Llopis als gemachtigden,

– de Portugese regering, vertegenwoordigd door P. Barros da Costa, M. Esménio en A. Rodrigues als gemachtigden, bijgestaan door R. Esteves de Oliveira en P. Pinheiro, advogados,

– het Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Etienne, P. López-Carceller en A. Tamás als gemachtigden,

– de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door G. Rugge en A. Westerhof Löfflerová als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. L. Buendía Sierra, A. Nijenhuis, N. Ruiz García en D. Triantafyllou als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 maart 2024,

het navolgende

Arrest

1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 3, lid 2, en artikel 6 van richtlijn 2001/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen (PB 2001, L 125, blz. 15), van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29), van de artikelen 17, 21, 38 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), en van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel.

2 Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van gedingen tussen, enerzijds, Novo Banco SA – Sucursal en España (hierna: „Novo Banco”), gesteund door Banco de Portugal (Portugese centrale bank) en het Fundo de Resolução (afwikkelingsfonds, Portugal) en, anderzijds, meerdere cliënten van Novo Banco, over de gevolgen van de saneringsmaatregelen die zijn genomen ten aanzien van de Portugese kredietinstelling Banco Espíritu Santo SA (hierna: „BES Portugal”) en haar Spaanse bijkantoor (hierna: „BES Spanje”) – die op haar beurt is opgevolgd door Novo Banco – voor verschillende overeenkomsten betreffende financiële producten en diensten.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 2001/24

3 De overwegingen 3, 4, 6, 7, 11, 12 en 16 van richtlijn 2001/24 luiden als volgt: „(3) Deze richtlijn past in het communautaire wetgevingskader dat tot stand is gekomen bij richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen [(PB 2000, L 126, blz. 1)]. Hieruit volgt dat zolang de kredietinstelling werkzaam is, zij met haar bijkantoren één enkel geheel vormt dat is onderworpen aan toezicht door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de voor de gehele [Europese Unie] geldende vergunning is verleend. (4) Het zou zeer ongepast zijn het geheel dat de kredietinstelling met haar bijkantoren vormt, op te breken wanneer er saneringsmaatregelen moeten worden vastgesteld of er een liquidatieprocedure moet worden geopend. […] (6) De administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst, dienen als enige bevoegd te zijn tot het vaststellen en uitvoeren van saneringsmaatregelen overeenkomstig de in deze lidstaat geldende wetgeving en praktijken. Aangezien het onbegonnen werk is de in de lidstaten geldende wetgevingen en praktijken te harmoniseren, is het dienstig over te gaan tot wederzijdse erkenning door de lidstaten van de maatregelen die elke lidstaat treft om kredietinstellingen waaraan hij vergunning heeft verleend weer levensvatbaar te maken. (7) Gewaarborgd moet worden dat de door de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst vastgestelde maatregelen voor de sanering van kredietinstellingen, alsmede de maatregelen, vastgesteld door de personen of organen die door deze bevoegde instanties zijn aangewezen om het beheer over deze saneringsmaatregelen te voeren, in alle lidstaten rechtswerking hebben, met inbegrip van de maatregelen die opschorting van de betalingen, opschorting van executie of verlaging van de schuldvorderingen kunnen behelzen, alsmede elke andere maatregel die de reeds bestaande rechten van derden kan aantasten. […] (11) Ter inlichting van derden moet de tenuitvoerlegging van saneringsmaatregelen worden bekendgemaakt in de lidstaten waar zich bijkantoren bevinden wanneer die maatregelen de uitoefening van bepaalde rechten van derden kunnen doorkruisen. (12) Het beginsel van gelijke behandeling van de schuldeisers met betrekking tot hun toegang tot rechtsmiddelen vergt dat de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst het nodige doen om de schuldeisers van de lidstaat van ontvangst in staat te stellen die rechtsmiddelen binnen de daarvoor gestelde termijn in te stellen. […] (16) De gelijke behandeling van de schuldeisers vereist dat de liquidatie van de kredietinstelling plaatsvindt overeenkomstig de beginselen van eenheid en universaliteit, die de exclusieve bevoegdheid veronderstellen van de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst, alsmede de erkenning van hun beslissingen, die in de overige lidstaten zonder verdere formaliteiten de daaraan bij het recht van de lidstaat van herkomst toegekende rechtsgevolgen moeten kunnen sorteren, tenzij in deze richtlijn anders is bepaald.”

4 Artikel 1, lid 1, van richtlijn 2001/24 bepaalt: „Deze richtlijn is van toepassing op kredietinstellingen en hun in een andere lidstaat dan die van de statutaire zetel opgerichte bijkantoren, in de zin van artikel 1, punten 1 en 3, van richtlijn [2000/12], behoudens de voorwaarden en uitzonderingen van artikel 2, lid 3, van die richtlijn.”

5 In artikel 2, zevende streepje, van richtlijn 2001/24 worden „saneringsmaatregelen” gedefinieerd als „maatregelen die bestemd zijn om de financiële positie van een kredietinstelling in stand te houden of te herstellen, en die van dien aard zijn dat zij de bestaande rechten van derden kunnen aantasten, met inbegrip van maatregelen die opschorting van de betaling, opschorting van executiemaatregelen of verlaging van de schuldvorderingen mogelijk maken.”

6 Titel II („Saneringsmaatregelen”) van deze richtlijn omvat de artikelen 3 tot en met 8 ervan.

7 Artikel 3 („Vaststelling van saneringsmaatregelen – toepasselijk recht”) van die richtlijn luidt als volgt: „1. Alleen de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst zijn bevoegd te beslissen om ten aanzien van een kredietinstelling, met inbegrip van haar in andere lidstaten gevestigde bijkantoren, een of meer saneringsmaatregelen ten uitvoer te leggen. 2. De saneringsmaatregelen worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en de procedures van de lidstaat van herkomst, tenzij in deze richtlijn anders is bepaald. Deze maatregelen hebben overeenkomstig de wetgeving van deze lidstaat en zonder verdere formaliteiten volledige rechtswerking in de gehele [Unie], ook jegens derden in de andere lidstaten en zelfs indien de op dezen toepasselijke voorschriften van de lidstaat van ontvangst niet in dergelijke maatregelen voorzien of de tenuitvoerlegging daarvan afhankelijk stellen van voorwaarden die niet zijn vervuld. Saneringsmaatregelen hebben rechtswerking in de gehele [Unie] zodra zij die hebben in de lidstaat waar zij worden getroffen.”

8 In artikel 6 van die richtlijn, met als opschrift „Bekendmaking”, is het volgende bepaald: „1. Wanneer de tenuitvoerlegging van saneringsmaatregelen waartoe overeenkomstig artikel 3, leden 1 en 2, is besloten, de rechten van derden in een lidstaat van ontvangst kan raken en er tegen de beslissing waarbij de maatregel wordt gelast in de lidstaat van herkomst beroep openstaat, maken de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst, de bewindvoerder of elke in de lidstaat van herkomst daartoe gemachtigde persoon een uittreksel uit hun beslissing bekend in het [Publicatieblad van de Europese Unie], alsmede in twee nationale dagbladen van iedere lidstaat van ontvangst, zodat tijdig beroep kan worden ingesteld. 2. Het in lid 1 bedoelde uittreksel uit de beslissing wordt zo spoedig mogelijk via de meest geschikte kanalen toegezonden aan het Bureau voor officiële publicaties [van de Europese Unie], alsmede aan twee nationale dagbladen van iedere lidstaat van ontvangst. 3. Het Bureau voor officiële publicaties [van de Europese Unie] maakt het uittreksel uiterlijk twaalf dagen na de toezending bekend. 4. Het bekend te maken uittreksel uit de beslissing vermeldt in de officiële taal of talen van de betrokken lidstaten onder meer het onderwerp van de beslissing, de rechtsgrondslag, de beroepstermijnen – met vooral, in bevattelijke vorm, de uiterste datum waarop beroep kan worden ingesteld –, en het volledige adres van de instantie of rechter die voor het beroep bevoegd is. 5. De saneringsmaatregelen zijn van toepassing onafhankelijk van de maatregelen van de leden 1, 2 en 3 en hebben volledige rechtswerking jegens schuldeisers, tenzij de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst, of de wetgeving van die lidstaat betreffende deze maatregelen, anders bepalen.”

9 Artikel 32 („Aanhangige rechtsgedingen”) van richtlijn 2001/24 luidt: „De gevolgen van saneringsmaatregelen of liquidatieprocedures voor een aanhangig rechtsgeding betreffende een goed of recht waarover de kredietinstelling het beheer en de beschikking heeft verloren, worden uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat waar het rechtsgeding aanhangig is.”

Richtlijn 2014/59

10 Overweging 65 van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190) is als volgt verwoord: „Als instelling die geheel of gedeeltelijk eigendom is van een of meer overheidsinstanties of onder de zeggenschap van de afwikkelingsautoriteit staat, dient een overbruggingsinstelling hoofdzakelijk om ervoor te zorgen dat de essentiële financiële dienstverlening aan de cliënten van de falende instelling verzekerd blijft en dat de essentiële financiële activiteiten worden voortgezet. De overbruggingsinstelling moet als een levensvatbaar going concern worden geëxploiteerd en weer op de markt worden gebracht zodra de omstandigheden passend zijn en binnen de in deze richtlijn vastgestelde termijn, of worden geliquideerd indien zij niet levensvatbaar is.”

11 Artikel 83 van richtlijn 2014/59 heeft als opschrift „Procedurele verplichtingen van afwikkelingsautoriteiten” en bepaalt: „1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de afwikkelingsautoriteiten zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk na het nemen van een afwikkelingsmaatregel voldoen aan de in de leden 2, 3 en 4 vastgelegde vereisten. […] 4. De afwikkelingsautoriteit maakt via de volgende middelen hetzij een kopie van de maatregel of het instrument door middel waarvan de afwikkelingsmaatregel is genomen, hetzij een bericht waarin de gevolgen van de afwikkelingsmaatregel, en met name de gevolgen ervan voor kleine klanten en, in voorkomend geval, de voorwaarden en de in de artikelen 69, 70 en 71 bedoelde opschortings- of beperkingsperiode, worden samengevat, bekend of laat een dergelijke kopie of een dergelijk bericht bekendmaken: a) op haar officiële website; b) op de website van de bevoegde overheid indien deze verschilt van de afwikkelingsautoriteit, en op de website van de [Europese Bankautoriteit (EBA)]; c) op de website van de instelling in afwikkeling; d) indien de aandelen, andere eigendomsinstrumenten of schuldinstrumenten van de instelling in afwikkeling ter verhandeling op een gereglementeerde markt worden toegelaten, de voor de bekendmaking van gereglementeerde informatie met betrekking tot de instelling in afwikkeling overeenkomstig artikel 21, lid 1, van richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad [van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van richtlijn 2001/34/EG (PB 2004, L 390, blz. 38)] gebruikte middelen. […]”

12 Artikel 117 („Wijziging van richtlijn [2001/24]”), punt 1, van richtlijn 2014/59 bepaalt dat aan artikel 1 van richtlijn 2001/24 een vijfde lid wordt toegevoegd, met de bewoordingen „[a]rtikelen 4 en 7 van deze richtlijn zijn niet van toepassing indien artikel 83 van richtlijn [2014/59] van toepassing is.”

13 Krachtens artikel 130, lid 1, van richtlijn 2014/59, is de omzettingstermijn ervan vastgesteld op 31 december 2014.

14 Overeenkomstig artikel 131 van deze richtlijn is deze in werking getreden op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het [Publicatieblad van de Europese Unie], namelijk 2 juli 2014.

Richtlijn 93/13

15 Artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 luidt als volgt: „Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.”

16 In artikel 6, lid 1, van deze richtlijn wordt het volgende bepaald: „De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

17 Artikel 7, lid 1, van die richtlijn luidt: „De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”

Spaans recht

18 Ley 6/2005 sobre saneamiento y liquidación de las entidades de crédito (wet 6/2005 inzake sanering en liquidatie van kredietinstellingen) van 22 april 2005 (BOE nr. 97 van 23 april 2005, blz. 13912), heeft richtlijn 2001/24 in de Spaanse rechtsorde omgezet.

19 Artikel 19, lid 1, van deze wet bepaalt: „Wanneer een saneringsmaatregel is vastgesteld of een liquidatieprocedure is ingeleid inzake een in een lidstaat van de Europese Unie geaccrediteerde kredietinstelling die in Spanje ten minste een bijkantoor heeft of diensten verricht, heeft die maatregel of procedure zonder andere formaliteiten volledige werking in Spanje vanaf het moment dat deze rechtsgevolgen verkrijgt in de lidstaat waar de maatregel is vastgesteld of de procedure is ingeleid.”

Portugees recht

20 De artikelen 145‑C en volgende van de Regime Geral das Instituições de Crédito e Sociedas Financeiras (algemene regeling inzake kredietinstellingen en financiële vennootschappen), goedgekeurd bij Decreto-Lei [que] Aprova o Regime Geral das Instituições de Crédito e Sociedades Financeiras (wetsbesluit tot goedkeuring van de algemene regeling inzake kredietinstellingen en financiële vennootschappen) van 31 december 1992 (Diário da República, serie I-A, nr. 301-A/2012, hierna: „RGICSF”), zijn ingevoegd bij Decreto-Lei no 31-A/2012 (wetsbesluit nr. 31‑A/2012) van 10 februari 2012 (Diário da República, 1e serie, nr. 30 van 10 februari 2012). Deze artikelen regelen de sanerings- en afwikkelingsmaatregelen van kredietinstellingen en financiële vennootschappen.

Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

Zaak C‑498/22

21 Op 11 december 2006 heeft C.F.O., een consument, bij BES Spanje een hypothecaire lening afgesloten die een zogenaamd „bodembeding” met een minimale rente van 2 % bevat.

22 Bij arrest van 9 mei 2013 heeft de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje), verklaard dat een dergelijk beding door gebrek aan transparantie oneerlijk was. C.F.O. heeft BES Spanje daarop verzocht het betrokken beding buiten toepassing te laten. BES Spanje heeft de toepassing van dit beding met ingang van juni 2013 gestaakt.

23 Op grond van het RGICSF en tegen de achtergrond van de ernstige financiële moeilijkheden van BES Portugal, heeft de raad van bestuur van de Portugese centrale bank bij besluit van 3 augustus 2014, gewijzigd bij besluit van 11 augustus 2014 (hierna: „besluit van augustus 2014”), zogenaamde „afwikkelingsmaatregelen” voor deze kredietinstelling vastgesteld.

24 Bij besluit van augustus 2014 heeft de Portugese centrale bank een „overbruggingsbank” of „overbruggingsinstelling” opgericht, Novo Banco, waaraan de in bijlage 2 bij dat besluit omschreven activa, passiva en andere, niet-vermogensbestanddelen van BES Portugal werden overgedragen.

25 In deze bijlage 2 waren een aantal passiva vermeld die evenwel van de overdracht aan Novo Banco waren uitgesloten en dus in het vermogen van BES Portugal bleven. Deze passiva omvatten de in lid 1, onder b), v), van deze bijlage 2 genoemde passiva, namelijk „elke aansprakelijkheid of onvoorziene verplichting, in het bijzonder die welke voortvloeien uit fraude of uit de schending van reglementaire, strafrechtelijke of administratieve bepalingen of besluiten.”

26 Na de in punt 24 van het onderhavige arrest genoemde overdracht is Novo Banco de hypothecaire schuldeiser geworden van de op 11 december 2006 afgesloten lening, en is zij begonnen met het factureren van de maandelijkse aflossingen aan C.F.O.

27 Op 3 oktober 2014 heeft de Banco de España (Spaanse centrale bank) een mededeling in het Boletín del Estado gepubliceerd, waarin werd aangegeven dat de Portugese centrale bank bij besluit van augustus 2014 aan BES Portugal een afwikkelingsmaatregel had opgelegd, die bestond in de gedeeltelijke overdracht van de activiteiten van BES Portugal aan Novo Banco, die de gewone activiteiten van BES Portugal zonder onderbreking zou voortzetten. Deze maatregel werd aangemerkt als saneringsmaatregel in de zin van artikel 2 van richtlijn 2001/24.

28 Op 29 december 2015 heeft de Portugese centrale bank twee besluiten vastgesteld tot wijziging en verduidelijking van bijlage 2 bij het besluit van augustus 2014 (hierna: „besluiten van 29 december 2015”).

29 In de besluiten van 29 december 2015 werd onder meer verduidelijkt dat „inzonderheid vanaf dat moment de volgende passiva van BES Portugal niet aan Novo Banco [waren] overgedragen: […] v) alle schuldvorderingen en schadeloosstellingen in verband met de vermeende nietigverklaring van bepaalde bedingen in leningsovereenkomsten waarbij BES Portugal de kredietverstrekker was.”

30 Na de uitspraak van het arrest van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a. (C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, EU:C:2016:980), heeft C.F.O. in januari 2017 verzocht om terugbetaling van de bedragen die BES Spanje had geïnd op grond van het bodembeding in de hypothecaire lening.

31 Bij brief van 21 maart 2017 heeft Novo Banco dit verzoek afgewezen, op grond dat BES Spanje volledig transparant had gehandeld inzake de informatie over dit bodembeding, die was verstrekt in het op 24 november 2006 ondertekende bod.

32 Op 4 mei 2017 heeft C.F.O. beroep in rechte ingesteld tegen Novo Banco, ertoe strekkende dat ten eerste werd vastgesteld dat het beding in kwestie oneerlijk en daarmee nietig was, en ten tweede dat Novo Banco werd veroordeeld tot terugbetaling aan C.F.O. van de bedragen die op grond van dat beding onterecht waren geïnd.

33 Novo Banco heeft aangevoerd dat dit beroep niet-ontvankelijk was omdat zij niet in rechte kon worden aangesproken, aangezien de schuldvordering die ten gunste van C.F.O. had kunnen ontstaan, bestaande in de terugbetaling van de bedragen die BES Spanje uit hoofde van het betrokken bodembeding had geïnd, bij de saneringsmaatregelen van de Portugese centrale bank inzake BES Portugal niet aan Novo Banco was overgedragen.

34 Zowel de rechter in eerste aanleg als de Audiencia Provincial (rechter in tweede aanleg, Spanje) in hoger beroep hebben de door Novo Banco opgeworpen exceptie afgewezen en C.F.O. in het gelijk gesteld.

35 Novo Banco heeft dan ook cassatieberoep ingesteld bij de Tribunal Supremo, de verwijzende rechter, die de Portugese centrale bank en het afwikkelingsfonds heeft toegelaten tot interventie ter ondersteuning van het cassatieberoep.

36 De verwijzende rechter merkt ten eerste op dat de jegens BES Portugal genomen saneringsmaatregelen onder het Unierecht vallen, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld in het arrest van 5 mei 2022, BPC Lux 2 e.a. (C‑83/20, EU:C:2022:346, punten 28‑30), zodat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie moet worden beschouwd als een uitvoering van het recht van de Unie in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest.

37 Ten tweede herinnert deze rechter eraan dat de besluiten van augustus 2014 en van 29 december 2015 weliswaar als saneringsmaatregelen worden aangemerkt in de zin van richtlijn 2001/24 – zoals het Hof reeds heeft geoordeeld in het arrest van 29 april 2021, Banco de Portugal e.a. (C‑504/19, EU:C:2021:335) – en derden kunnen treffen, maar dat deze besluiten in strijd met artikel 6, leden 1 tot en met 4, van deze richtlijn niet zijn bekendgemaakt. In dit verband benadrukt de verwijzende rechter dat de informatie die de Portugese centrale bank op haar website – in het Engels en het Portugees – en in de Spaanse media had verspreid over de crisis bij BES Portugal en de oprichting van Novo Banco zeer algemeen was, en de betrokken cliënten niet in staat stelde om na te gaan welke passiva waren uitgesloten van de vermogensoverdracht in kwestie en om zich rekenschap te geven van de beperking van hun rechten die deze uitsluiting meebracht. De mededelingen van Novo Banco aan haar cliënten strekten er overigens veeleer toe elke mogelijkheid uit te sluiten dat deze cliënten door de betrokken saneringsmaatregelen hadden kunnen worden getroffen. Voorts merkt de verwijzende rechter op dat de door de Spaanse centrale bank gepubliceerde mededeling waarnaar in punt 27 van het onderhavige arrest wordt verwezen, evenmin voldeed aan de voorwaarden in die bepaling.

38 Het feit dat geen bekendmaking had plaatsgevonden in de door artikel 6, leden 1 tot en met 4, van richtlijn 2001/24 voorgeschreven bewoordingen heeft nagenoeg alle in Spanje woonachtige cliënten van de betrokken bank belet om beroep in rechte in te stellen tegen de besluiten van de Portugese centrale bank, zodat zij beroepen hebben ingediend tegen Novo Banco, waarbij deze laatste echter de ontvankelijkheid ervan betwist op grond dat bij de saneringsmaatregelen niet de verplichting aan haar was overgedragen om de bedragen terug te betalen die deze cliënten hadden betaald op grond van een oneerlijk beding.

39 Volgens de verwijzende rechter kan artikel 6, lid 5, van richtlijn 2001/24, dat bepaalt dat saneringsmaatregelen onafhankelijk van de bekendmakingsmaatregelen van artikel 6, leden 1 tot en met 3, van die richtlijn van toepassing zijn en rechtswerking hebben, niet als dekmantel dienen om de bekendmaking, in de lidstaat van ontvangst, van de beperkingen of van de ontneming van rechten die deze maatregelen voor de cliënten van de betrokken entiteit meebrengen en van de beroepen en procedures in rechte waarover de getroffen personen beschikken, langdurig achterwege te laten.

40 De verwijzende rechter vraagt zich dan ook af of de in artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24 opgenomen verplichting om in de lidstaat van ontvangst de gevolgen van in de lidstaat van herkomst vastgestelde saneringsmaatregelen te erkennen, verenigbaar kan zijn met het in artikel 47 van het Handvest neergelegde beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, het in artikel 21, lid 2, ervan neergelegde verbod van iedere discriminatie op grond van nationaliteit en het rechtszekerheidsbeginsel, wanneer deze maatregelen niet in de door artikel 6, leden 1 tot en met 4, van deze richtlijn voorgeschreven bewoordingen zijn bekendgemaakt.

41 Ten derde merkt de verwijzende rechter op dat Novo Banco inhoudelijk heeft geantwoord op het verzoek om terugbetaling van C.F.O. en daarbij heeft benadrukt dat de „bank volledig transparant [had] gehandeld”. Bijgevolg heeft C.F.O. zijn beroep in rechte ingesteld in de overtuiging dat Novo Banco, als bankinstelling die onder zeggenschap staat van een overheidsinstantie die overeenkomstig het Unierecht handelt, alle verplichtingen en aansprakelijkheden van BES Spanje in verband met die overeenkomst had overgenomen.

42 De verwijzende rechter vraagt zich dan ook af of de in artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24 neergelegde verplichting om de gevolgen van saneringsmaatregelen te erkennen in overeenstemming is met artikel 47 van het Handvest en met het rechtszekerheidsbeginsel in een situatie waarin een consument die in de lidstaat van ontvangst woont, terecht heeft kunnen vertrouwen op het gedrag van een overbruggingsbank, die onder toezicht stond van een overheidsinstantie van de lidstaat van herkomst.

43 Ten vierde en ten slotte vraagt de verwijzende rechter zich af of het volgens het Unierecht, in het bijzonder artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, rechtmatig is dat de contractuele verhouding als gevolg van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde saneringsmaatregelen is „opgeknipt”. Volgens deze rechter is de betrokken consument immers gebonden aan zijn verplichtingen jegens Novo Banco en betaalt hij aan deze laatste de maandelijkse aflossingen van de hypothecaire lening die aanvankelijk met BES Spanje was gesloten, terwijl Novo Banco wordt ontslagen van de verplichting tot terugbetaling van de bedragen die BES Spanje op grond van het bodembeding in kwestie heeft ontvangen, wat ertoe leidt dat deze consument de financiële gevolgen van een oneerlijk beding draagt, aangezien hij deze bedragen hoe dan ook niet van BES Portugal kan terugvorderen omdat die insolvabel is.

44 In deze context vindt de verwijzende rechter het ongepast dat de consumentenrechten niet prevaleren boven de stabiliteit van het financiële stelsel. Hij merkt in dit verband op dat het Hof in het arrest van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a. (C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, EU:C:2016:980), heeft geoordeeld dat de rechtspraak van de Tribunal Supremo die een beperking oplegde aan de terugbetaling vanwege nietigverklaring van bodembedingen in overeenkomsten van hypotheekleningen tussen een verkoper en een consument, om het toen in een ernstige crisis verkerende Spaanse financiële stelsel stabiel te houden, in strijd was met artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13.

45 Voorts is de verwijzende rechter van mening dat de erkenning van de gevolgen van saneringsmaatregelen, op grond waarvan de betrokken consument in de praktijk geen recht heeft op terugbetaling van de krachtens een oneerlijk beding betaalde bedragen – terwijl deze consument tegelijkertijd gehouden blijft de maandelijkse aflossingen van de door hem gesloten hypothecaire lening volledig na te komen – een met artikel 17 van het Handvest strijdige onevenredige inmenging in het eigendomsrecht van die consument kan vormen.

46 In deze omstandigheden heeft de Tribunal Supremo de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Is een uitlegging van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24 die impliceert dat in een lidstaat van ontvangst de gevolgen worden erkend van een besluit van de bevoegde administratieve autoriteit van de lidstaat van herkomst dat niet op de door artikel 6, leden 1 tot en met 4, van [die richtlijn] vereiste wijze bekend is gemaakt, verenigbaar met het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte van artikel 47 van het [Handvest], het algemene rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het in artikel 21, lid 2, van het Handvest verankerde verbod van iedere discriminatie op grond van nationaliteit? 2) Is een uitlegging van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24 die impliceert dat in een lidstaat van ontvangst de gevolgen worden erkend van een besluit van de bevoegde administratieve autoriteit van de lidstaat van herkomst waarbij bepaalde verplichtingen en aansprakelijkheden zijn uitgesloten van de overdracht van de gewone activiteiten en een aantal vermogensbestanddelen van de bank waarop de saneringsmaatregelen worden toegepast aan een ‚overbruggingsbank’, verenigbaar met het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte van artikel 47 van het Handvest en het algemene rechtszekerheidsbeginsel, wanneer het latere handelen van de ‚overbruggingsbank’, waarover de zeggenschap wordt uitgeoefend door een overheidsinstantie die het Unierecht toepast, bij de cliënten van de lidstaat van ontvangst het gewettigd vertrouwen heeft gewekt dat zij de aansprakelijkheden en verplichtingen van de aan de saneringsmaatregel onderworpen bank met betrekking tot die cliënten had overgenomen? 3) Is een uitlegging van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24 die impliceert dat in een lidstaat van ontvangst de gevolgen worden erkend van een besluit van de bevoegde administratieve autoriteit van de lidstaat van herkomst waarbij de activapositie van een hypothecaire leningsovereenkomst wordt overgedragen aan een ‚overbruggingsbank’, maar de verplichting tot terugbetaling van de uit hoofde van een bodembeding van die overeenkomst door de leningnemende consument betaalde bedragen op de niet-levensvatbare bank blijft rusten, verenigbaar met het grondrecht op eigendom van artikel 17 van het Handvest, het beginsel van een hoog niveau van consumentenbescherming van artikel 38 van het Handvest[, artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13] en het algemene rechtszekerheidsbeginsel?”

Zaak C‑499/22

47 J.M.F.T. en M.H.D.S. hebben een effectenrekening geopend bij BES Spanje en met die bank een overeenkomst voor het beheer van een beleggingsportefeuille gesloten.

48 Op 3 oktober 2007 hebben zij een atypische financiële overeenkomst (hierna: „AFO”) gesloten met BES Spanje, die een zeer risicovol en complex financieel product betrof, met een variabele rente die was gekoppeld aan de evolutie van de aandelen van andere kredietinstellingen. De AFO is beëindigd op 11 oktober 2014 doordat zij is opgezegd en met verlies is geliquideerd door Novo Banco, die BES Spanje ondertussen was opgevolgd.

49 J.M.F.T. en M.H.D.S. hebben op 28 april 2008 met BES Spanje tevens een overeenkomst gesloten inzake een gestructureerd financieel product, die op 28 april 2013 is afgelopen en door BES Spanje met verlies is geliquideerd.

50 In augustus 2014 heeft J.M.F.T. verschillende mededelingen van Novo Banco ontvangen, waarin werd aangegeven dat de bankrelatie van de cliënten van BES Spanje na de besluiten van de Portugese centrale bank aangaande BES Portugal zonder onderbreking werd voortgezet door de nieuwe entiteit Novo Banco, en een financieel overzicht werd gegeven van de AFO.

51 Op 17 april 2017 hebben J.M.F.T. en M.H.D.S. beroep in rechte ingesteld tegen Novo Banco, waarbij zij primair hebben verzocht om nietigverklaring van de twee financiële overeenkomsten wegens dwaling, vanwege de gebrekkige informatie die BES Spanje hun had verstrekt, en om terugbetaling van de door elke partij ontvangen bedragen, vermeerderd met rente vanaf de datum van elke betaling. Subsidiair hebben J.M.F.T. en M.H.D.S. gevorderd dat Novo Banco werd veroordeeld tot vergoeding van de schade die zij door verwerving van de twee betrokken financiële producten hadden geleden, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de betekening van dit beroep.

52 Novo Banco heeft aangevoerd dat dit beroep niet-ontvankelijk was omdat zij niet in rechte kon worden aangesproken, aangezien de schuldvordering die ten gunste van J.M.F.T. en M.H.D.S. had kunnen ontstaan, namelijk terugbetaling van wat zij hadden betaald voor de financiële producten vanwege de mogelijke nietigheid van de betrokken overeenkomsten, dan wel vergoeding van de schade doordat deze cliënten niet waren geïnformeerd over de risico’s van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde financiële instrumenten, bij de door de Portugese centrale bank jegens BES Portugal getroffen saneringsmaatregelen niet was overgedragen aan Novo Banco.

53 Het beroep is in eerste aanleg toegewezen.

54 De Audiencia Provincial heeft het hoger beroep van Novo Banco toegewezen voor zover het betrekking had op de overeenkomst van 28 april 2008, op grond dat die overeenkomst op 28 april 2013 door BES Spanje was geliquideerd, dus voordat Novo Banco werd opgericht in het kader van de maatregelen tot sanering van BES Portugal. Volgens deze rechter had de betrokken transactie dus geen gevolgen meer voordat deze maatregelen werden genomen, zodat er uit hoofde van deze overeenkomst geen verplichtingen of aansprakelijkheden waren overgedragen aan de overbruggingsbank.

55 De Audiencia Provincial heeft daarentegen het in eerste aanleg uitgesproken vonnis bevestigd voor zover het betrekking had op de AFO, die door Novo Banco werd beheerd en vervolgens in oktober 2014 door laatstgenoemde werd vereffend. Deze rechter heeft er ook op gewezen dat het besluit van augustus 2014 geen gestructureerde producten als de AFO maar wel de door de vestigingen van BES Portugal uitgegeven schuldinstrumenten uitsloot van de overdracht.

56 In het kader van de hogere voorzieningen die tegen dit arrest zijn ingesteld bij de Tribunal Supremo, waaronder de hogere voorziening van Novo Banco, ondersteund door de Portugese centrale bank en het afwikkelingsfonds, vraagt die rechterlijke instantie zich af – op gronden die in wezen vergelijkbaar zijn met die welke in de punten 37 tot en met 42 van het onderhavige arrest met betrekking tot de verwijzingsbeslissing in zaak C‑498/22 zijn uiteengezet – of de in artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24 neergelegde verplichting om in de lidstaat van ontvangst de gevolgen van de in de lidstaat van herkomst genomen saneringsmaatregelen te erkennen, rechtmatig is in het licht van de bepalingen en beginselen van het Unierecht die in die verwijzingsbeslissing met uitzondering van richtlijn 93/13 zijn vermeld.

57 In deze omstandigheden heeft de Tribunal Supremo de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Is een uitlegging van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24 die impliceert dat in een lidstaat van ontvangst de gevolgen worden erkend van een besluit van de bevoegde administratieve autoriteit van de lidstaat van herkomst dat niet op de door artikel 6, leden 1 tot en met 4, van [die richtlijn] vereiste wijze bekend is gemaakt, verenigbaar met het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte van artikel 47 van het [Handvest], het algemene rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het in artikel 21, lid 2, van het Handvest verankerde verbod van iedere discriminatie op grond van nationaliteit? 2) Is een uitlegging van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24 die impliceert dat in een lidstaat van ontvangst de gevolgen worden erkend van een besluit van de bevoegde administratieve autoriteit van de lidstaat van herkomst waarbij bepaalde verplichtingen en aansprakelijkheden zijn uitgesloten van de overdracht van de gewone activiteiten en een aantal vermogensbestanddelen van de bank waarop de saneringsmaatregelen worden toegepast aan een ‚overbruggingsbank’, verenigbaar met het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte van artikel 47 van het Handvest en het algemene rechtszekerheidsbeginsel, wanneer het latere handelen van de ‚overbruggingsbank’, waarover de zeggenschap wordt uitgeoefend door een overheidsinstantie die het Unierecht toepast, bij de cliënten van de lidstaat van ontvangst het gewettigd vertrouwen heeft gewekt dat zij de aansprakelijkheden en verplichtingen van de aan de saneringsmaatregel onderworpen bank met betrekking tot die cliënten had overgenomen? 3) Is een uitlegging van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24 die impliceert dat in een lidstaat van ontvangst de gevolgen worden erkend van een besluit van de bevoegde administratieve autoriteit van de lidstaat van herkomst waarbij de activapositie van de contractuele betrekkingen die met de gesaneerde bank zijn aangegaan, wordt overgedragen aan een ‚overbruggingsbank’, maar de verplichting tot terugbetaling van de overeenkomsten die wegens dwaling zijn nietig verklaard omdat de bank te weinig informatie had verstrekt, op de niet-levensvatbare bank blijft rusten, verenigbaar met het grondrecht op eigendom van artikel 17 van het Handvest, het beginsel van een hoog niveau van consumentenbescherming van artikel 38 van het Handvest, en het algemene rechtszekerheidsbeginsel?”

Zaak C‑500/22

58 Op 17 november 2014 heeft Proyectos, Obras y Servicios de Badajoz SL (hierna: „POSB”) op de secundaire markt de preferente obligatie „Senior Bond NB 6,875 % maturity July 2016” gekocht, die op 15 juli 2016 is vervallen, voor een bedrag van 100000 EUR.

59 Deze obligatie was uitgegeven door BES, maar op het moment dat deze door POSB middels een externe beleggingsmaatschappij werd aangeschaft maakte dit niet-achtergestelde schuldinstrument deel uit van het vermogen van Novo Banco, waaraan het volgens het besluit van augustus 2014 was overgedragen.

60 In juli 2015 heeft Novo Banco aan POSB het obligatierendement over de periode 2014‑2015 betaald.

61 Toen die obligatie verviel, heeft Novo Banco geen obligatierendement over de periode 2015‑2016 betaald en evenmin de nominale waarde ervan aan POSB terugbetaald.

62 In antwoord op de klacht van laatstgenoemde heeft Novo Banco verklaard dat haar weigering om te betalen was gebaseerd op de besluiten van 29 december 2015 waarbij de Portugese centrale bank de passiva in verband met die obligatie had „herovergedragen” van Novo Banco aan BES. Deze besluiten voorzagen namelijk in de „heroverdracht” van niet-achtergestelde obligaties van Novo Banco aan BES, met inbegrip van de rechten en verplichtingen uit de in bijlage 2B bij die besluiten genoemde niet-achtergestelde schuldinstrumenten, waaronder de „Senior Bond NB 6,875 % maturity July 2016”.

63 Op 25 juni 2017 heeft POSB beroep in rechte ingesteld tegen Novo Banco, strekkende tot betaling van de opbrengst van die obligatie voor de periode 2015‑2016 en tot terugbetaling van de obligatie ten belope van de nominale waarde ervan.

64 Novo Banco heeft aangevoerd dat dit beroep niet-ontvankelijk was omdat zij niet in rechte kon worden aangesproken, aangezien de passiva in verband met die obligatie aan BES Portugal waren „herovergedragen”.

65 Zowel de rechter in eerste aanleg als de Audiencia Provincial in hoger beroep hebben de door Novo Banco opgeworpen exceptie verworpen en het beroep toegewezen.

66 In het kader van de hogere voorziening die bij de Tribunal Supremo is ingesteld door Novo Banco, ondersteund door de Portugese centrale bank en het afwikkelingsfonds, vraagt die rechterlijke instantie zich in de eerste plaats af of de in artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24 neergelegde verplichting om in de lidstaat van ontvangst de gevolgen van de in de lidstaat van herkomst genomen saneringsmaatregelen te erkennen, rechtmatig is in het licht van artikel 47 van het Handvest, het rechtszekerheids- en het gelijkheidsbeginsel, en het in artikel 21, lid 2, van het Handvest vastgestelde verbod van iedere discriminatie op grond van nationaliteit, op gronden die in wezen vergelijkbaar zijn met die welke in de punten 37 tot en met 40 van het onderhavige arrest met betrekking tot de verwijzingsbeslissing in zaak C‑498/22 zijn uiteengezet.

67 In de tweede plaats merkt de verwijzende rechter op dat het bezit van een niet-achtergesteld schuldbewijs POSB de bescherming verleent van het fundamentele recht op eigendom dat is neergelegd in artikel 17 van het Handvest. Volgens deze rechter houdt de „heroverdracht” aan BES Portugal van de aansprakelijkheden en verplichtingen die aan dat schuldinstrument verbonden zijn, in de praktijk evenwel een ontneming van het eigendomsrecht van die bank in, omdat BES Portugal een insolvente bank zonder activa is.

68 Het is juist dat de verwijzende rechter zich ten volle bewust is van het feit dat het in artikel 17 van het Handvest neergelegde grondrecht niet absoluut is en dat de houder van een dergelijk recht zijn eigendom mag worden ontnomen in het algemeen belang, in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits het verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed.

69 De verwijzende rechter merkt op dat een van deze gevallen zich voordoet wanneer aandeelhouders en schuldeisers worden geconfronteerd met afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van een niet-levensvatbare bank. Hij wijst er evenwel op dat POSB noch aandeelhouder noch schuldeiser van BES Portugal is, maar op het moment van de aankoop van het niet-achtergestelde schuldbewijs schuldeiser is geworden van een gekapitaliseerde en solvabele bank, te weten Novo Banco.

70 De verwijzende rechter is dan ook van mening dat de ontneming van eigendom aan POSB – zonder dat tijdig een billijke vergoeding is betaald – op basis van de bevoegdheden tot „heroverdracht” die aan de Portugese centrale bank zijn verleend bij een besluit van diezelfde autoriteit dat niet overeenkomstig richtlijn 2001/24 is bekendgemaakt, een schending van het rechtszekerheidsbeginsel en een onevenredige inmenging in het in artikel 17 van het Handvest neergelegde grondrecht op eigendom kan vormen.

71 In deze omstandigheden heeft de Tribunal Supremo de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Is een uitlegging van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24 die impliceert dat in een lidstaat van ontvangst de gevolgen worden erkend van een besluit van de bevoegde administratieve autoriteit van de lidstaat van herkomst dat niet op de door artikel 6, leden 1 tot en met 4, van [die richtlijn vereiste wijze bekend is gemaakt, verenigbaar met het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte van artikel 47 van het [Handvest], het algemene rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het in artikel 21, lid 2, van het Handvest verankerde verbod van iedere discriminatie op grond van nationaliteit? 2) Is een uitlegging van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24 die impliceert dat in een lidstaat van ontvangst de gevolgen worden erkend van een besluit van de bevoegde administratieve autoriteit van de lidstaat van herkomst waarbij bepaalde verplichtingen en aansprakelijkheden op grond van een niet-achtergesteld schuldinstrument dat is gekocht door een derde, terwijl die verplichtingen en aansprakelijkheden tot het vermogen van de ‚overbruggingsbank’ behoorden, opnieuw worden overdragen aan de niet-levensvatbare bank waartegen afwikkelingsmaatregelen worden genomen, in overeenstemming met het fundamentele recht op eigendom zoals bedoeld in artikel 17 van het [Handvest], en met het algemene rechtszekerheidsbeginsel?”

Procedure bij het Hof

72 Overeenkomstig artikel 54 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof heeft de president van het Hof bij beschikking van 27 september 2022 beslist de zaken C‑498/22 tot en met C‑500/22 te voegen voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag in de zaken C‑498/22 tot en met C‑500/22

73 Met zijn eerste vraag in de zaken C‑498/22 tot en met C‑500/22 wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 2, en artikel 6 van richtlijn 2001/24, gelezen tegen de achtergrond van artikel 21, lid 2, en artikel 47, eerste alinea, van het Handvest en het rechtszekerheidsbeginsel, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich, wanneer de bij artikel 6, lid 1, van deze richtlijn opgelegde bekendmaking niet is verricht, verzetten tegen de erkenning, door een rechter in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst, van de gevolgen van een saneringsmaatregel die is vastgesteld ten aanzien van een kredietinstelling voordat de zaak bij die rechter aanhangig is gemaakt en in het kader waarvan de verplichtingen en aansprakelijkheden van deze instelling gedeeltelijk zijn overgedragen aan een overbruggingsbank.

74 Zoals de verwijzende rechter opmerkt, staat vast dat het besluit van augustus 2014 en de besluiten van 29 december 2015, die de Portugese centrale bank ten aanzien van BES Portugal heeft vastgesteld en waarbij een deel van de activa en passiva van deze kredietinstelling aan de overbruggingsbank Novo Banco is overgedragen, saneringsmaatregelen in de zin van richtlijn 2001/24 vormen.

75 Zoals met name uit de overwegingen 4 en 16 van richtlijn 2001/24 blijkt, is deze richtlijn gebaseerd op de beginselen van eenheid en universaliteit en legt zij het beginsel vast van wederzijdse erkenning van saneringsmaatregelen, alsook van de gevolgen ervan (zie in die zin arrest van 29 april 2021, Banco de Portugal e.a.,C‑504/19, EU:C:2021:335, punt 33), zonder een harmonisatie van de nationale wetgeving ter zake te beogen (zie in die zin arrest van 13 september 2022, Banka Slovenije,C‑45/21, EU:C:2022:670, punt 121 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

76 Volgens artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24 worden de saneringsmaatregelen in beginsel immers ten uitvoer gelegd overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de lidstaat van herkomst. Ten eerste blijkt uit de tweede alinea van deze bepaling dat dergelijke maatregelen overeenkomstig de wetgeving van deze lidstaat en zonder verdere formaliteiten volledige rechtswerking hebben in de gehele Unie, ook jegens derden in de andere lidstaten en zelfs indien de op dezen toepasselijke voorschriften van de lidstaat van ontvangst niet in dergelijke maatregelen voorzien of de tenuitvoerlegging daarvan afhankelijk stellen van voorwaarden die niet zijn vervuld. Ten tweede hebben saneringsmaatregelen overeenkomstig de derde alinea van die bepaling rechtswerking in de gehele Unie zodra zij die hebben in de lidstaat van herkomst.

77 Aldus stipuleren deze bepalingen dat in beginsel het recht van de lidstaat waar de procedure is geopend (lex concursus) de maatregelen ter sanering van kredietinstellingen en de gevolgen ervan beheerst, behoudens uitzonderingen die in bepaalde, in richtlijn 2001/24 uitdrukkelijk vermelde gevallen een noodzakelijke versoepeling van het beginsel van toepassing van het recht van de lidstaat van herkomst vereisen (zie in die zin arrest van 29 april 2021, Banco de Portugal e.a.,C‑504/19, EU:C:2021:335, punten 34 en 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

78 Wat de bekendmaking van dergelijke saneringsmaatregelen betreft, moet om te beginnen worden opgemerkt dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 2001/24 bepaalt dat wanneer de tenuitvoerlegging van saneringsmaatregelen waartoe overeenkomstig artikel 3, leden 1 en 2, van deze richtlijn is besloten, de rechten van derden in de lidstaat van ontvangst kan raken en er tegen de beslissing waarbij deze maatregelen worden gelast in de lidstaat van herkomst beroep openstaat, de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst, de bewindvoerder of elke in die lidstaat daartoe gemachtigde persoon een uittreksel uit hun beslissing bekendmaken in het Publicatieblad van de Europese Unie, alsmede in twee nationale dagbladen van iedere lidstaat van ontvangst, zodat tijdig beroep kan worden ingesteld.

79 Artikel 6, lid 1, van richtlijn 2001/24 stelt aldus de verplichting om saneringsmaatregelen bekend te maken afhankelijk van de vervulling van twee cumulatieve voorwaarden. Ten eerste moeten deze maatregelen de rechten van derden in de lidstaat van ontvangst kunnen raken en ten tweede moet er beroep openstaan tegen de beslissing waarbij de maatregel wordt gelast in de lidstaat van herkomst.

80 Zoals de verwijzende rechter geneigd is aan te nemen, lijkt met betrekking tot de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde saneringsmaatregelen aan deze voorwaarden te zijn voldaan. In Portugal kan immers – zoals de Portugese regering in haar schriftelijke opmerkingen bevestigt en overeenkomstig de bepalingen van het RGICSF – beroep worden ingesteld tegen een besluit van de Portugese centrale bank tot vaststelling van dergelijke maatregelen, onder de voorwaarden van de wettelijke regeling inzake bestuursrechtelijke geschillen. Voorts kunnen de particulieren in de hoofdgedingen, die allen in de lidstaat van ontvangst wonen of er zijn gevestigd en cliënten zijn van de kredietinstelling waarop deze maatregelen betrekking hebben, door deze maatregelen worden geraakt.

81 In het kader van de onderhavige prejudiciële verwijzingen hoeft dus niet te worden onderzocht of dergelijke voorwaarden geldig zijn in het licht van artikel 47 van het Handvest.

82 Vervolgens moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst overeenkomstig artikel 6, lid 4, van richtlijn 2001/24 het uittreksel uit de beslissing, het onderwerp van de beslissing, de rechtsgrondslag, de beroepstermijnen – met vooral, in bevattelijke vorm, de uiterste datum waarop beroep kan worden ingesteld – en het volledige adres van de instantie of rechter die voor het beroep bevoegd is, bekendmaken.

83 Aangezien de verplichting voor de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst om met name informatie over de beroepstermijnen bekend te maken logischerwijs slechts betrekking kan hebben op beroepen die in die lidstaat kunnen worden ingesteld, moet worden geoordeeld dat artikel 6, leden 1 tot en met 4, van richtlijn 2001/24 tot doel heeft de informatieverstrekking aan de schuldeisers van de betrokken kredietinstelling te regelen, zodat zij in de lidstaat van herkomst hun recht van beroep tegen de besluiten waarbij saneringsmaatregelen ten aanzien van die instelling worden gelast, kunnen uitoefenen met inachtneming van het beginsel van gelijke behandeling van deze schuldeisers, zoals dat in overweging 12 van deze richtlijn in herinnering is gebracht.

84 Ten slotte zij eraan herinnerd dat volgens artikel 6, lid 5, van richtlijn 2001/24 de saneringsmaatregelen onafhankelijk van de maatregelen van de leden 1, 2 en 3 van toepassing zijn, en volledige rechtswerking hebben jegens schuldeisers, tenzij de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst, of de wetgeving van die lidstaat betreffende deze maatregelen, anders bepalen.

85 Hieruit volgt dat het verzuim om de in de lidstaat van herkomst vastgestelde saneringsmaatregelen bekend te maken volgens de voorschriften en modaliteiten van artikel 6, leden 1 tot en met 4, van richtlijn 2001/24, niet tot gevolg heeft dat afbreuk wordt gedaan aan de beginselen van eenheid, universaliteit en wederzijdse erkenning van de gevolgen van die maatregelen in de lidstaat van ontvangst, zoals deze beginselen in de punten 75 en 76 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht. Een dergelijke niet-bekendmaking kan er dus niet toe leiden dat deze maatregelen nietig worden of dat de gevolgen ervan niet kunnen worden tegengeworpen in de lidstaat van ontvangst.

86 Niettemin moet worden vastgesteld dat richtlijn 2001/24 louter uitsluit dat het verzuim om de saneringsmaatregelen bekend te maken kan leiden tot de nietigheid van die maatregelen of tot de niet-tegenwerpbaarheid van de gevolgen ervan in de lidstaat van ontvangst, zonder dat deze richtlijn voorziet in andere soorten sancties, laat staan deze harmoniseert. Bijgevolg staat het aan de interne rechtsorde van elke lidstaat om de procedurele voorschriften vast te stellen die ervoor moeten zorgen dat de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, worden beschermd. Deze voorschriften mogen evenwel niet ongunstiger zijn dan die welke gelden voor soortgelijke, de handhaving van het nationale recht betreffende rechtsmiddelen (gelijkwaardigheidsbeginsel) en mogen de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (arrest van 20 september 2018, Rudigier,C‑518/17, EU:C:2018:757, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

87 Tevens zij eraan herinnerd dat wanneer de lidstaten het Unierecht ten uitvoer brengen, zij moeten zorgen voor de eerbiediging van het in artikel 47, eerste alinea, van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte, dat het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming opnieuw bevestigt [arrest van 15 april 2021, Belgische Staat (Gegevens die dateren van na het overdrachtsbesluit), C‑194/19, EU:C:2021:270, punt 43].

88 Zoals in punt 83 van het onderhavige arrest is verduidelijkt, heeft de in artikel 6 van richtlijn 2001/24 bedoelde bekendmaking tot doel in de lidstaat van herkomst de bescherming te waarborgen van het recht van beroep van de belanghebbenden tegen de besluiten waarbij saneringsmaatregelen ten aanzien van een kredietinstelling worden gelast, waaronder met name het recht van de in de lidstaat van ontvangst gevestigde schuldeisers van die instelling om beroep in te stellen.

89 Hieruit volgt dat, wanneer saneringsmaatregelen niet overeenkomstig de vereisten van artikel 6 van richtlijn 2001/24 zijn bekendgemaakt, het recht van de lidstaat van herkomst aan personen wier door het Unierecht gewaarborgde rechten door dergelijke maatregelen worden aangetast en die in de lidstaat van ontvangst gevestigd zijn of wonen, de mogelijkheid moet bieden om tegen die maatregelen beroep in te stellen binnen een redelijke termijn vanaf het tijdstip waarop zij van die maatregelen in kennis zijn gesteld, er kennis van hebben gekregen of daarvan redelijkerwijs kennis hadden moeten krijgen.

90 Dienaangaande heeft het Hof erkend dat de vaststelling van redelijke beroepstermijnen die gelden op straffe van verval, verenigbaar is met het doeltreffendheidsbeginsel, in het belang van de rechtszekerheid, die zowel de belanghebbende als de betrokken overheidsdienst beschermt (zie in die zin arrest van 24 maart 2009, Danske Slagterier,C‑445/06, EU:C:2009:178, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat het niet als buitensporig moeilijk kan worden beschouwd wanneer beroepstermijnen worden opgelegd die pas ingaan op de datum waarop de betrokkene kennis van de voor hem bezwarende maatregelen heeft gekregen, of althans had moeten krijgen (zie in die zin arrest van 7 november 2019, Flausch e.a.,C‑280/18, EU:C:2019:928, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

91 Derhalve moet de verwijzende rechter ten eerste – en los van de omstandigheid dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 77 en 86 van zijn conclusie heeft opgemerkt, de bepalingen van richtlijn 2014/59 niet van toepassing zijn op de hoofdgedingen – in het bijzonder rekening houden met de informatie die de Portugese autoriteiten overeenkomstig artikel 83, lid 4, van deze richtlijn hebben bekendgemaakt en met de door BES Portugal en/of Novo Banco verstrekte informatie, om te bepalen vanaf welk tijdstip de cliënten in de hoofdgedingen kennis van de besluiten van de Portugese centrale bank hebben gekregen of hadden moeten krijgen. Ten tweede zal de verwijzende rechter de opmerkingen van de Portugese regering in aanmerking moeten nemen, die in voorkomend geval zijn bevestigd door de rechtspraak van de rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst, volgens welke het procesrecht van die lidstaat waarborgt dat bij gebreke van bekendmaking van een administratief besluit zoals een besluit van de Portugese centrale bank tot sanering van een kredietinstelling, tegen dat besluit beroep kan worden ingesteld vanaf het tijdstip waarop de benadeelde personen kennis krijgen of hadden moeten krijgen van dat besluit of van de uitvoering ervan indien dit eerder plaatsvindt.

92 Verder verzet artikel 47, eerste alinea, van het Handvest zich er niet tegen dat redelijke beroepstermijnen worden opgelegd om op te komen tegen een besluit van een nationale autoriteit waarmee het Unierecht ten uitvoer wordt gelegd en dat een van de rechten die particulieren aan het Unierecht ontlenen, kan schenden.

93 Bovendien vereist noch artikel 47 van het Handvest noch het doeltreffendheidsbeginsel dat het beroep dat volgens het recht van de lidstaat van herkomst kan worden ingesteld tegen een besluit waarbij een nationale autoriteit een saneringsmaatregel vaststelt, een opschortende werking heeft op grond waarvan de gevolgen van dat besluit van rechtswege worden opgeschort in afwachting van de uitkomst van een dergelijk beroep.

94 Wat vervolgens het in artikel 21, lid 2, van het Handvest gewaarborgde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit betreft, wordt noch gesteld noch bewezen dat de krachtens artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24 vereiste erkenning van de gevolgen van de saneringsmaatregelen in de lidstaat van ontvangst, verschillend wordt toegepast naargelang de nationaliteit van de justitiabele.

95 Wat ten slotte het rechtszekerheidsbeginsel betreft, zij eraan herinnerd dat dit beginsel vereist dat rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn en dat hun toepassing voorzienbaar is voor de justitiabelen, met name wanneer die regels nadelige gevolgen kunnen hebben voor particulieren en ondernemingen. Inzonderheid vereist dat beginsel dat een regeling de belanghebbenden in staat stelt de omvang van de verplichtingen die zij hun oplegt, nauwkeurig te kennen, en dat deze laatsten ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen (zie in die zin arrest van 29 april 2021, Banco de Portugal e.a.,C‑504/19, EU:C:2021:335, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

96 In casu moet de lidstaat van ontvangst volgens de bepalingen van richtlijn 2001/24 zonder verdere formaliteiten ervoor zorgen dat de gevolgen van de in de lidstaat van herkomst vastgestelde saneringsmaatregelen op zijn grondgebied worden erkend, ook al zijn deze maatregelen niet bekendgemaakt overeenkomstig artikel 6, lid 1, van deze richtlijn. Voorts moet worden vastgesteld dat op het tijdstip waarop de cliënten van Novo Banco in 2017 hun respectieve beroepen bij de Spaanse rechterlijke instanties hebben ingesteld, zowel de Portugese als de Spaanse autoriteiten reeds verschillende bekendmakingsmaatregelen met betrekking tot de saneringsmaatregelen hadden genomen. Hieruit volgt dat, onder voorbehoud van door de verwijzende rechter te verrichten verificatie, de cliënten van Novo Banco ten tijde van het instellen van hun respectieve beroepen over alle noodzakelijke elementen beschikten om met kennis van zaken een beslissing te nemen over het instellen van deze beroepen en om de entiteit tegen wie deze beroepen moesten worden gericht met zekerheid te identificeren.

97 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 2, en artikel 6 van richtlijn 2001/24, gelezen tegen de achtergrond van artikel 21, lid 2, en artikel 47, eerste alinea, van het Handvest en het rechtszekerheidsbeginsel, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich, wanneer de bij artikel 6, lid 1, van deze richtlijn opgelegde bekendmaking niet is verricht, niet verzetten tegen de erkenning, door een rechter in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst, van de gevolgen van een saneringsmaatregel die is vastgesteld ten aanzien van een kredietinstelling voordat de zaak bij die rechter aanhangig is gemaakt en in het kader waarvan de verplichtingen en aansprakelijkheden van deze instelling gedeeltelijk zijn overgedragen aan een overbruggingsbank.

Tweede vraag in de zaken C‑498/22 en C‑499/22

98 Met zijn tweede vraag in de zaken C‑498/22 en C‑499/22 wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24, gelezen tegen de achtergrond van artikel 47, eerste alinea, van het Handvest en van het rechtszekerheidsbeginsel, aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat in de lidstaat van ontvangst de gevolgen worden erkend van een saneringsmaatregel die in de lidstaat van herkomst is vastgesteld ten aanzien van een kredietinstelling en in het kader waarvan de verplichtingen en aansprakelijkheden van deze instelling gedeeltelijk zijn overgedragen aan een overbruggingsbank waarover zeggenschap wordt uitgeoefend door een overheidsinstantie die het Unierecht toepast, wanneer de cliënten van deze overbruggingsbank stellen dat zij er gewettigd op mochten vertrouwen dat die overbruggingsbank – gelet op haar latere handelen – ook de passiva had overgenomen die overeenkwamen met alle verplichtingen en aansprakelijkheden van die kredietinstelling ten aanzien van deze cliënten.

99 Vooraf moet worden opgemerkt dat deze vraag berust op de premisse dat de cliënten van een overbruggingsbank als Novo Banco, waarvan het kapitaal met het oog op de uiteindelijke privatisering ervan tijdelijk in handen is van een overheidsinstantie van een lidstaat, zich ten aanzien van die overbruggingsbank op het vertrouwensbeginsel kunnen beroepen.

100 Volgens de rechtspraak van het Hof is het vertrouwensbeginsel een van de fundamentele beginselen van de Unie (arrest van 26 juli 2017, Europa Way en Persidera, C‑560/15, EU:C:2017:593, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en moet dit in acht worden genomen door de instellingen van de Europese Unie, maar ook door de lidstaten wanneer zij maatregelen vaststellen ter uitvoering van het Unierecht, met name bij de uitoefening van de hun bij de richtlijnen van de Unie verleende bevoegdheden (zie in die zin arresten van 26 juli 2017, Europa Way en Persidera, C‑560/15, EU:C:2017:593, punt 79, en 17 november 2022, Avicarvil Farms,C‑443/21, EU:C:2022:899, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

101 Iedere justitiabele bij wie een administratieve autoriteit met door haar gedane precieze toezeggingen gegronde verwachtingen heeft gewekt, kan zich op het vertrouwensbeginsel beroepen (arresten van 9 juli 2015, Salomie en Oltean, C‑183/14, EU:C:2015:454, punt 44, en 20 januari 2022, Air Berlin,C‑165/20, EU:C:2022:42, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

102 Het Hof heeft daarentegen niet aanvaard dat dit beginsel kan worden ingeroepen ten aanzien van een privaatrechtelijke marktdeelnemer teneinde aanspraak te maken op het recht op aftrek van de voorbelasting (btw) (zie in die zin arrest van 21 februari 2018, Kreuzmayr,C‑628/16, EU:C:2018:84, punt 47), of in het kader van een geding tussen uitsluitend nationale administratieve autoriteiten (zie in die zin arrest van 31 maart 2022, Smetna palata na Republika Bulgaria,C‑195/21, EU:C:2022:239, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak), zodat het recht van een justitiabele om zich op dit beginsel te beroepen Unierechtelijk enkel geldt voor precieze toezeggingen die hem door een overheidsinstantie zijn gedaan.

103 In dit geval zou het aanmerken, zoals de advocaat-generaal in punt 98 van zijn conclusie heeft opgemerkt, van een overbruggingsbank – zoals Novo Banco – als een administratieve autoriteit die het Unierecht ten uitvoer brengt, terwijl zij is opgericht als een privaatrechtelijke kredietinstelling die niet over een van het gemene recht afwijkende bevoegdheid beschikt om een taak van openbare dienst te vervullen, ertoe leiden dat verder wordt gegaan dan de gevallen waarin de justitiabele zich op het vertrouwensbeginsel kan beroepen. Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat het maatschappelijk kapitaal van deze kredietinstelling tijdelijk onder zeggenschap stond van een overheidsinstantie – zoals het afwikkelingsfonds – met het oog op de privatisering ervan. Deze enkele omstandigheid maakt immers van een kredietinstelling die actief is op de concurrerende markt voor bank- en financiële diensten geen nationale administratieve autoriteit.

104 Op de tweede vraag in de zaken C‑498/22 en C‑499/22 dient dan ook te worden geantwoord dat artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24, gelezen tegen de achtergrond van artikel 47, eerste alinea, van het Handvest en het rechtszekerheidsbeginsel, aldus moet worden uitgelegd dat particulieren zich niet op het vertrouwensbeginsel kunnen beroepen ten aanzien van een overbruggingsbank, die een privaatrechtelijke instelling is, geen bevoegdheden heeft die buiten het gemene recht vallen en is opgericht in het kader van maatregelen tot sanering van een kredietinstelling waarvan zij aanvankelijk cliënten waren, om die overbruggingsbank aansprakelijk te stellen voor de precontractuele en contractuele verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomsten die eerder zijn gesloten met die kredietinstelling. De enkele omstandigheid dat deze kredietinstelling tijdelijk onder zeggenschap stond van een overheidsinstantie met het oog op de privatisering ervan maakt van die kredietinstelling, die actief is op de concurrerende markt voor bank- en financiële diensten, geen nationale administratieve autoriteit.

Derde vraag in de zaken C‑498/22 en C‑499/22 en tweede vraag in zaak C‑500/22

105 Met zijn derde vraag in de zaken C‑498/22 en C‑499/22 en zijn tweede vraag in zaak C‑500/22 wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 47 van het Handvest en het rechtszekerheidsbeginsel aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich er tegen verzetten dat in de lidstaat van ontvangst de gevolgen worden erkend van saneringsmaatregelen die in de lidstaat van herkomst zijn vastgesteld op grond van richtlijn 2001/24, waarbij een overbruggingsbank wordt opgericht en de verplichting om de uit hoofde van precontractuele of contractuele aansprakelijkheid verschuldigde bedragen te betalen deel blijft uitmaken van de passiva van de bank waarop deze maatregelen betrekking hebben. Bovendien vraagt de verwijzende rechter zich in de zaken C‑498/22 en C‑499/22 af of een dergelijke erkenning verenigbaar is met artikel 38 van het Handvest en, in zaak C‑498/22, met artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13.

106 Om te beginnen moet het met name door Novo Banco aangevoerde betoog worden verworpen dat de derde vraag in zaak C‑499/22 niet-ontvankelijk is omdat deze vraag alleen betrekking heeft op het beginsel dat is neergelegd in artikel 38 van het Handvest, aangezien geen enkele bepaling van afgeleid recht inzake consumentenbescherming, waaronder richtlijn 93/13, van toepassing is in de onderhavige zaak. Ten eerste vormt de erkenning in de lidstaat van ontvangst van de gevolgen van een in de lidstaat van herkomst vastgestelde maatregel tot sanering van een kredietinstelling, die de verplichting van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24 omzet, immers een uitvoering van het recht van de Unie in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest. Dit laatste is dus van toepassing op het hoofdgeding in zaak C‑499/22 en de vraag in kwestie moet ten gronde worden beantwoord. Ten tweede blijkt hoe dan ook uit de bewoordingen van die vraag dat de verwijzende rechter het Hof niet alleen vraagt of het in artikel 38 van het Handvest neergelegde beginsel in acht is genomen, maar ook of het door artikel 17 van het Handvest gewaarborgde eigendomsrecht is geëerbiedigd.

107 Er moet dus achtereenvolgens worden onderzocht of artikel 17 van het Handvest, het rechtszekerheidsbeginsel, artikel 38 van het Handvest en artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich er tegen verzetten dat de gevolgen worden erkend van saneringsmaatregelen die in de lidstaat van herkomst zijn vastgesteld op grond van richtlijn 2001/24, waarbij een overbruggingsbank wordt opgericht en de verplichting om de uit hoofde van precontractuele of contractuele aansprakelijkheid verschuldigde bedragen te betalen deel blijft uitmaken van de passiva van de bank waarop deze maatregelen betrekking hebben.

Artikel 17 van het Handvest

108 Krachtens artikel 17, lid 1, van het Handvest heeft eenieder het recht om de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen, in eigendom te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken en mag niemand zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang, in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits het verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed. Het gebruik van de goederen kan bij wet worden geregeld, voor zover het algemeen belang dit vereist. Voorts kunnen overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest beperkingen worden gesteld op de uitoefening van de in het Handvest neergelegde rechten en vrijheden, zoals het eigendomsrecht, mits deze beperkingen bij wet worden gesteld, de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen en, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

109 Wat in de eerste plaats de bij artikel 17, lid 1, van het Handvest verleende bescherming betreft, deze bescherming ziet volgens vaste rechtspraak op rechten met een vermogenswaarde waaruit vanuit het oogpunt van de betrokken rechtsorde een verworven rechtspositie voortvloeit op basis waarvan deze rechten door en ten gunste van de houder ervan autonoom kunnen worden uitgeoefend (zie in die zin arrest van 1 augustus 2022, HOLD Alapkezelő,C‑352/20,EU:C:2022:606, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zo heeft het Hof erkend dat aandelen en op de kapitaalmarkten verhandelbare obligaties dergelijke rechten vormen die in aanmerking komen voor de door artikel 17, lid 1, van het Handvest gewaarborgde bescherming (zie in die zin arrest van 5 mei 2022, BPC Lux 2 e.a.,C‑83/20, EU:C:2022:346, punten 40 en 43).

110 Derhalve moet worden nagegaan of de situatie die in elk van de hoofdgedingen aan de orde is, een recht met een vermogenswaarde betreft waaruit een verworven rechtspositie voortvloeit die de autonome uitoefening van deze rechten door en ten gunste van de houder ervan mogelijk maakt.

111 Wat om te beginnen de door POSB op de secundaire kapitaalmarkt verworven preferente obligatie betreft, waarover het in het hoofdgeding in zaak C‑500/22 gaat, lijdt het in het licht van de in punt 109 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak geen twijfel dat een dergelijke preferente obligatie een vermogenswaarde heeft, met name voor zover zij in beginsel de betaling van de jaarlijkse obligatierendementen en, op de vervaldag, de terugbetaling van de nominale waarde ervan meebrengt en de houder ervan een verworven rechtspositie verleent die een autonome uitoefening van de daaruit voortvloeiende rechten mogelijk maakt.

112 Wat vervolgens de in het hoofdgeding in zaak C‑498/22 aan de orde zijnde schuldvordering betreft, blijkt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) betreffende artikel 1 van het op 20 maart 1952 te Parijs ondertekende Aanvullend Protocol nr. 1 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat het begrip „vermogensbestanddelen” zowel „bestaande eigendom” als „vermogenswaarden” kan omvatten, met inbegrip van schuldvorderingen, op basis waarvan de belanghebbende kan stellen ten minste een „gewettigde verwachting” te hebben dat hij het daadwerkelijke genot van een eigendomsrecht verkrijgt. Wanneer het betrokken vermogensbelang een schuldvordering is, kan het alleen als „vermogenswaarde” worden aangemerkt als het een toereikende rechtsgrondslag heeft, met name wanneer het wordt bevestigd door vaste rechtspraak (zie in die zin EHRM, 28 september 2004, Kopecký tegen Slowakije, CE:ECHR:2004:0928JUD004491298, §§ 35 en 52, en EHRM, 20 maart 2018, Radomilja e.a. tegen Kroatië, CE:ECHR:2018:0320JUD003768510, § 142).

113 Zoals de advocaat-generaal in punt 111 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft de schuldvordering waarover het in het hoofdgeding in zaak C‑498/22 gaat betrekking op de principiële verplichting voor een kredietinstelling om de rente terug te betalen die is ontvangen uit hoofde van een oneerlijk verklaard bodembeding in een met een consument gesloten hypothecaire leningsovereenkomst, zonder dat de terugbetaling van die rente daarbij kan worden beperkt tot de periode na de verklaring dat het beding oneerlijk is, overeenkomstig de rechtspraak inzake de uitlegging van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 [zie in die zin arresten van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a.,C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, EU:C:2016:980, punten 61 en 62, en 15 juni 2023, Bank M. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst), C‑520/21, EU:C:2023:478, punten 57 en 58]. Hieruit volgt dat de houder van die schuldvordering ten minste kan stellen een „gewettigde verwachting” te hebben dat hij het daadwerkelijke genot van een eigendomsrecht verkrijgt, zodat hij aanspraak kan maken op de door artikel 17, lid 1, van het Handvest gewaarborgde bescherming.

114 Wat ten slotte de in het hoofdgeding in zaak C‑499/22 aan de orde zijnde schuldvordering betreft, te weten de vordering met betrekking tot de gebrekkige precontractuele informatie over de risico’s van het financieel instrument waarop J.M.F.T. en M.H.D.S. bij BES Portugal hebben ingeschreven, en voor zover de rechter aan de hand van de omstandigheden van elk concreet geval moet beoordelen of de precontractuele informatie volstaat, zowel wat de inhoud als de omvang ervan betreft, staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of deze schuldvordering voldoet aan de in punt 110 van het onderhavige arrest gestelde voorwaarden, en met name of volgens de nationale rechtspraak ter zake voldoende vaststaat dat een kredietinstelling precontractuele informatie moet verstrekken opdat de persoon die zich op niet-nakoming van een dergelijke verplichting beroept, een „gewettigde verwachting” kan hebben dat hij het daadwerkelijke genot van die vordering verkrijgt.

115 Wat in de tweede plaats de vraag betreft of, met betrekking tot deze vorderingen, de erkenning in de lidstaat van ontvangst van de gevolgen van de overeenkomstig artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24 ten aanzien van BES Portugal vastgestelde saneringsmaatregelen een ontneming van eigendom in de zin van artikel 17, lid 1, tweede volzin, van het Handvest oplevert, dan wel veeleer moet worden beschouwd als een reglementering van het gebruik van de goederen in de zin van artikel 17, lid 1, derde volzin, van het Handvest, heeft het Hof geoordeeld dat de vaststelling door de lidstaat van herkomst van deze saneringsmaatregelen, die met name voorzien in de overdracht van activa van een kredietinstelling aan een overbruggingsbank, een reglementering van het gebruik van de goederen in de zin van laatstgenoemde bepaling vormt die afbreuk kan doen aan het eigendomsrecht van de schuldeisers van die kredietinstelling, zoals obligatiehouders, van wie de schuldvorderingen niet zijn overgedragen aan die overbruggingsbank (zie in die zin arrest van 5 mei 2022, BPC Lux 2 e.a.,C‑83/20, EU:C:2022:346, punt 50).

116 De omstandigheid dat de gevolgen van de saneringsmaatregelen in de ontvangende lidstaat van toepassing zijn verklaard krachtens de uit artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24 voortvloeiende verplichting tot wederzijdse erkenning van deze maatregelen, doet niet af aan deze analyse, zoals de advocaat-generaal in punt 117 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt.

117 Nagegaan moet dan nog worden of, overeenkomstig artikel 17, lid 1, derde volzin, juncto artikel 52, lid 1, van het Handvest, de gevolgen in de lidstaat van ontvangst van de saneringsmaatregelen op grond waarvan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde schuldvorderingen tot de passiva van BES Spanje worden gerekend, bij wet zijn vastgesteld, de wezenlijke inhoud van het eigendomsrecht eerbiedigen en evenredig zijn, met dien verstande dat het evenredigheidsbeginsel van artikel 52, lid 1, van het Handvest moet worden gewaarborgd in het licht van het algemeen belang dat ter rechtvaardiging van dergelijke saneringsmaatregelen wordt aangevoerd [zie naar analogie arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond), C‑235/17, EU:C:2019:432, punten 88 en 89].

118 Om te beginnen vloeien de met de betrokken saneringsmaatregelen gepaard gaande beperkingen van de rechten van de schuldeisers van de kredietinstelling en de erkenning van de gevolgen ervan in de lidstaat van ontvangst in casu voort uit zowel de bepalingen van richtlijn 2001/24 als de nationale wettelijke regeling tot omzetting van deze richtlijn, hetzij – in Portugal – het RGICSF op basis waarvan deze maatregelen zijn vastgesteld, hetzij – in Spanje – wet 6/2005 op grond waarvan de gevolgen van die maatregelen in die lidstaat zijn erkend. Hoewel de schuldvordering die in het hoofdgeding in zaak C‑500/22 aan de orde is, en waarover BES Portugal het beheer en de beschikking heeft verloren krachtens het besluit van augustus 2014, met terugwerkende kracht opnieuw aan de passiva van BES Portugal is overgedragen krachtens de besluiten van 29 december 2015, blijkt voorts dat in de mogelijkheid om die maatregelen met terugwerkende kracht te wijzigen, niet alleen specifiek is voorzien in de relevante bepalingen van het RGICSF maar ook in het besluit van augustus 2014, zonder dat volgens de rechtspraak richtlijn 2001/24 zich verzet tegen een dergelijke wijziging door de lidstaat van herkomst (zie in die zin arrest van 29 april 2021, Banco de Portugal e.a.,C‑504/19, EU:C:2021:335, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hieruit volgt dat de beperkingen van de rechten van de schuldeisers van de betrokken kredietinstelling bij wet worden gesteld in de zin van artikel 52, lid 1, van het Handvest.

119 Aangezien voorts de maatregelen tot sanering van de betrokken kredietinstelling en de erkenning van de gevolgen ervan in de lidstaat van ontvangst geen ontneming van eigendom kunnen vormen, maar – zoals in punt 115 van het onderhavige arrest is opgemerkt – een reglementering van het gebruik van de goederen betreffen, kunnen zij geen afbreuk doen aan de wezenlijke inhoud of aan de kern van het eigendomsrecht (zie in die zin arrest van 5 mei 2022, BPC Lux 2 e.a.,C‑83/20, EU:C:2022:346, punt 53).

120 Bovendien moet worden geconstateerd dat de vaststelling van die maatregelen en de erkenning van de gevolgen ervan in de lidstaat van ontvangst, zoals zij voortvloeien uit richtlijn 2001/24, beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang in de zin van artikel 17, lid 1, derde volzin, en artikel 52, lid 1, van het Handvest. Zoals het Hof reeds heeft erkend, beantwoordt de vaststelling van afwikkelingsmaatregelen in de bankensector immers aan een door de Unie nagestreefde doelstelling van algemeen belang, namelijk de stabiliteit van het bankstelsel en van de eurozone in het bijzonder te waarborgen en een systeemrisico te voorkomen (zie in die zin arresten van 20 september 2016, Ledra Advertising e.a./Commissie en ECB, C‑8/15 P–C‑10/15 P, EU:C:2016:701, punten 71 en 72, en 5 mei 2022, BPC Lux 2 e.a.,C‑83/20, EU:C:2022:346, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

121 Wat ten slotte de vraag betreft of de beperkingen die de saneringsmaatregelen en de erkenning van de gevolgen ervan in de lidstaat van ontvangst inhouden ten aanzien van de uitoefening van de in artikel 17, lid 1, van het Handvest bedoelde rechten, verder gaan dan nodig is om de doelstellingen van algemeen belang in het hoofdgeding te bereiken, zij in herinnering gebracht dat, ten eerste, de lidstaten gelet op de bijzondere economische context over een ruime beoordelingsmarge beschikken wanneer zij beslissingen van economische aard nemen en dat zij het best kunnen bepalen met welke maatregelen het nagestreefde doel kan worden verwezenlijkt (zie in die zin arrest van 5 mei 2022, BPC Lux 2 e.a.,C‑83/20, EU:C:2022:346, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

122 Zoals de advocaat-generaal in punt 119 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, hebben saneringsmaatregelen slechts zin indien de passiva en de activa van de niet-levensvatbare kredietinstelling – in casu BES Portugal – worden gesorteerd ter verwezenlijking van de doelstellingen van algemeen belang die met deze maatregelen worden nagestreefd, te weten de stabiliteit van het bankstelsel te waarborgen en een systeemrisico te voorkomen.

123 Ten tweede en zoals de Spaanse en de Portugese regering in hun schriftelijke opmerkingen in wezen hebben aangegeven, lijken deze maatregelen en de erkenning van de gevolgen ervan in de lidstaat van ontvangst in overeenstemming te zijn met het evenredigheidsbeginsel, aangezien krachtens de bepalingen van het RGICSF schuldeisers van wie de vorderingen niet zijn overgedragen aan de overbruggingsbank recht hebben op een bedrag dat niet lager is dan het bedrag dat zij zouden ontvangen als de betrokken kredietinstelling was geliquideerd volgens een normale insolventieprocedure (zie in die zin arrest van 5 mei 2022, BPC Lux 2 e.a.,C‑83/20, EU:C:2022:346, punt 58).

124 Niettemin dient in herinnering te worden geroepen dat de in het hoofdgeding in zaak C‑500/22 aan de orde zijnde schuldvordering voortvloeit uit een verkoopovereenkomst die niet met BES Portugal maar met Novo Banco is gesloten, en die betrekking had op een obligatie die op het tijdstip van de sluiting van die overeenkomst krachtens het besluit van augustus 2014 deel uitmaakte van het vermogen van Novo Banco, aangezien de passiva in verband met deze obligatie slechts ten gevolge van de besluiten van 29 december 2015 in de passiva van BES Portugal waren opgenomen.

125 Zoals in punt 118 van het onderhavige arrest is aangehaald, klopt het dat richtlijn 2001/24 zich er niet tegen verzet dat de lidstaat van herkomst de op de saneringsmaatregelen van toepassing zijnde wettelijke regeling wijzigt, zelfs al doet hij dat met terugwerkende kracht.

126 Daaruit volgt evenwel niet automatisch dat dergelijke saneringsmaatregelen met terugwerkende kracht in geen geval inbreuk kunnen maken op het in artikel 17 van het Handvest gewaarborgde eigendomsrecht. Overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest en zoals in punt 117 van het onderhavige arrest is aangegeven, moeten deze saneringsmaatregelen immers het evenredigheidsbeginsel in acht nemen, met dien verstande dat dit beginsel moet worden gewaarborgd in het licht van het algemeen belang dat ter rechtvaardiging van die maatregelen wordt aangevoerd.

127 In casu staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of aan dit laatste vereiste is voldaan, in het bijzonder rekening houdend met, ten eerste, het feit dat lid 2 van bijlage 2 bij het besluit van augustus 2014 uitdrukkelijk voorzag in de mogelijkheid om bepaalde activa en passiva tussen Novo Banco en BES Portugal over te dragen of „opnieuw over te dragen” en, ten tweede, dat het in zaak C‑500/22 om een professionele schuldeiser gaat.

Rechtszekerheidsbeginsel

128 Wat de vermeende schending van het rechtszekerheidsbeginsel betreft, waarvan de vereisten in punt 95 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht, moet worden benadrukt dat saneringsmaatregelen volgens artikel 2, zevende streepje, van richtlijn 2001/24 maatregelen zijn die bestemd zijn om de financiële positie van een kredietinstelling in stand te houden of te herstellen en die van dien aard zijn dat zij de bestaande rechten van derden kunnen aantasten, met inbegrip van maatregelen die verlaging van de schuldvorderingen mogelijk maken. Deze maatregelen hebben krachtens de wetgeving van de lidstaat waar zij worden getroffen en zonder verdere formaliteiten rechtswerking in de gehele Europese Unie, ook jegens derden in de andere lidstaten, overeenkomstig artikel 3, lid 2, van die richtlijn.

129 Aangezien vaststaat dat het besluit van augustus 2014 en de besluiten van 29 december 2015 saneringsmaatregelen zijn in de zin van richtlijn 2001/24, die zijn vastgesteld op grond van het RGICSF en waarbij de passiva en de activa van de niet-levensvatbare kredietinstelling worden gesorteerd, konden de schuldeisers in de hoofdgedingen verwachten dat bepaalde aansprakelijkheden, zoals die welke voortvloeien uit de onjuistheid van de door BES Portugal verstrekte precontractuele informatie waarover het in het hoofdgeding van zaak C‑499/22 gaat, of bepaalde onvoorziene verplichtingen zoals die welke in de hoofdgedingen van de zaken C‑498/22 en C‑500/22 aan de orde zijn, niet aan de overbruggingsbank in kwestie zouden worden overgedragen. Uit bijlage 2, lid 1, onder b), v), van het besluit van augustus 2014, blijkt overigens dat „elke aansprakelijkheid of [elke] onvoorziene verplichting, in het bijzonder die welke voortvloeien uit fraude of uit de schending van reglementaire, strafrechtelijke of administratieve bepalingen of besluiten”, in het vermogen van BES Portugal bleef.

130 Zoals in punt 118 van het onderhavige arrest is vermeld, heeft BES Portugal evenwel krachtens het besluit van augustus 2014 het beheer en de beschikking over de in zaak C‑500/22 aan de orde zijnde schuldvordering verloren, en werd deze schuldvordering pas krachtens de besluiten van 29 december 2015 met terugwerkende kracht opnieuw opgenomen in de passiva van BES Portugal, overeenkomstig de relevante bepalingen van het RGICSF.

131 Zoals het Hof heeft opgemerkt, verzet het rechtszekerheidsbeginsel zich tegen de retroactieve toepassing van een nieuwe regel, tenzij dit voor een doel van algemeen belang noodzakelijk is en het gewettigd vertrouwen van de betrokkenen naar behoren in acht is genomen (arrest van 25 januari 2022, VYSOČINA WIND,C‑181/20, EU:C:2022:51, punten 49 en 59).

132 In dit verband kan de wijziging met terugwerkende kracht van de identiteit van de schuldenaar van de in zaak C‑500/22 aan de orde zijnde vordering redelijkerwijs worden gerechtvaardigd door de doelstelling van algemeen belang die erin bestaat de stabiliteit van het bankstelsel te waarborgen en een systeemrisico te voorkomen. Gelet op de in punt 127 van het onderhavige arrest genoemde elementen is het niet uitgesloten dat het gewettigd vertrouwen van de schuldeiser in die zaak naar behoren in acht is genomen, hetgeen de verwijzende rechter hoe dan ook moet nagaan.

Artikel 38 van het Handvest en artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13

133 Ten slotte moet worden ingegaan op de vragen van de verwijzende rechter in de zaken C‑498/22 en C‑499/22 aan de hand waarvan hij wil achterhalen of de betrokken saneringsmaatregelen en de erkenning van de gevolgen ervan in de lidstaat van ontvangst verenigbaar zijn met de consumentenbescherming.

134 Wat in de eerste plaats zaak C‑499/22 betreft, zij opgemerkt dat deze vragen uitsluitend betrekking hebben op de uitlegging van artikel 38 van het Handvest, dat bepaalt dat in het beleid van de Unie zorg wordt gedragen voor een hoog niveau van consumentenbescherming. De verwijzende rechter geeft echter niet aan of de cliënten van Novo Banco die aanleiding hebben gegeven tot deze zaak, consumenten zijn krachtens een Unierechtelijke handeling waaraan zij in voorkomend geval rechten kunnen ontlenen.

135 Antwoorden op dit onderdeel van de derde vraag in zaak C‑499/22 zou dan ook neerkomen op het geven van rechtsgeleerd advies over een hypothetische kwestie, zonder rekening te houden met de taak die aan het Hof is opgedragen in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde rechterlijke samenwerking (zie in die zin arrest van 22 februari 2022, Stichting Rookpreventie Jeugd e.a.,C‑160/20, EU:C:2022:101, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

136 In de tweede plaats ligt dit evenwel anders voor het hoofdgeding in zaak C‑498/22. Uit de motivering van het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt immers dat C.F.O. in het kader van dat geding, als consument krachtens richtlijn 93/13, terugbetaling met terugwerkende kracht vordert van de bedragen die ten onrechte zijn betaald op grond van het oneerlijk verklaarde bodembeding in de hypothecaire leningsovereenkomst die hij aanvankelijk met BES Spanje had gesloten en die op grond van de in Spanje erkende saneringsmaatregelen aan Novo Banco is overgedragen. Meer in het bijzonder voert C.F.O. aan dat, gelet op de uitlegging die het Hof aan artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 heeft gegeven in het arrest van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a. (C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, EU:C:2016:980), het oneerlijke karakter van het bodembeding ertoe leidt dat Novo Banco alle bedragen moet terugbetalen die C.F.O. op grond van dat beding ten onrechte heeft betaald.

137 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de uit artikel 38 van het Handvest voortvloeiende verplichting om in het beleid van de Unie zorg te dragen voor een hoog niveau van consumentenbescherming, in het bijzonder geldt voor de uitvoering van richtlijn 93/13 (zie in die zin arrest van 19 december 2019, Bondora,C‑453/18 en C‑494/18, EU:C:2019:1118, punt 40).

138 Richtlijn 93/13 verplicht de lidstaten derhalve, gezien de aard en het gewicht van het openbare belang van de bescherming van consumenten, om in doeltreffende en geschikte middelen te voorzien om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers. Hiertoe dienen de nationale rechters oneerlijke bedingen buiten toepassing te laten opdat zij geen dwingende gevolgen hebben voor de betrokken consument, tenzij de consument zich daartegen verzet [arrest van 15 juni 2023, Bank M. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst), C‑520/21, EU:C:2023:478, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

139 Een oneerlijk contractueel beding moet in beginsel geacht worden nooit te hebben bestaan, zodat het geen gevolgen heeft ten aanzien van de betrokken consument. Derhalve moet de vaststelling in rechte dat een dergelijk beding oneerlijk is, in beginsel tot gevolg hebben dat de situatie waarin de consument rechtens en feitelijk zonder dat beding zou hebben verkeerd, wordt hersteld [arresten van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a., C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, ECLI:EU:C:2016:980, punt 61, en 15 juni 2023, Bank M. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst), C‑520/21, EU:C:2023:478, punt 57].

140 In dit verband heeft het Hof verduidelijkt dat de verplichting voor de nationale rechter om een oneerlijk contractueel beding tot betaling van bedragen die onverschuldigd blijken, buiten toepassing te laten, in beginsel tot een terugbetalingsplicht leidt die overeenkomt met deze bedragen. Het ontbreken van een dergelijke terugbetalingsplicht zou immers afbreuk kunnen doen aan de afschrikkende werking die artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, ervan, heeft willen hechten aan de vaststelling dat bedingen in de tussen een consument en een verkoper gesloten overeenkomst oneerlijk zijn [arrest van 15 juni 2023, Bank M. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst), C‑520/21, EU:C:2023:478, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

141 Ondanks deze principiële vaststellingen heeft het Hof evenwel ook erkend dat de bescherming van de consument niet absoluut is (zie in die zin arrest van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a., C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, ECLI:EU:C:2016:980, punt 68).

142 Bovendien heeft het Hof weliswaar erkend dat het algemeen belang er duidelijk bij gebaat is dat een sterke en eenvormige bescherming van investeerders en schuldeisers in de gehele Unie wordt verzekerd, maar dat belang kan niet in alle gevallen worden geacht voorrang te hebben boven het algemeen belang dat erin bestaat de stabiliteit van het bankstelsel te waarborgen [zie in die zin arresten van 8 november 2016, Dowling e.a.,C‑41/15, EU:C:2016:836, punt 54, en 5 mei 2022, Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular), C‑410/20, EU:C:2022:351, punt 36].

143 Zoals in punt 120 van het onderhavige arrest is vastgesteld, beantwoordt de vaststelling van saneringsmaatregelen en de erkenning van de gevolgen ervan in de lidstaat van ontvangst, zoals zij voortvloeien uit richtlijn 2001/24, juist aan een door de Unie nagestreefde doelstelling van algemeen belang, namelijk de stabiliteit van het bankstelsel te waarborgen en een systeemrisico te voorkomen.

144 In casu impliceert de erkenning van de gevolgen van de saneringsmaatregelen in de lidstaat van ontvangst overeenkomstig richtlijn 2001/24 dat de aansprakelijkheid en de onvoorziene verplichtingen in verband met de toepassing van te veel rente voor de toepassingsperiode van de hypothecaire leningsovereenkomst, die dateert van vóór de vaststelling van het besluit van augustus 2014, in het vermogen van BES Portugal blijven. De uit artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 voortvloeiende bescherming van de consument tegen het gebruik van oneerlijke bedingen in met een verkoper gesloten overeenkomsten kan niet zover gaan dat zij voorbijgaat aan de verdeling van de financiële aansprakelijkheid tussen de falende kredietinstelling en de overbruggingsbank, zoals die is vastgelegd in de door de lidstaat van herkomst vastgestelde saneringsmaatregelen.

145 Indien de door richtlijn 93/13 geboden bescherming elke in de lidstaat van ontvangst woonachtige consument die schuldeiser is van de falende kredietinstelling zou toestaan om de erkenning te ondermijnen van de maatregelen waarbij de lidstaat van herkomst tot verdeling van de financiële aansprakelijkheid tussen de kredietinstelling en de overbruggingsbank heeft besloten, bestaat immers het gevaar dat het optreden van de overheidsinstanties van die lidstaat, dat tot doel heeft de stabiliteit van het bankstelsel te waarborgen, zijn nuttige werking verliest in alle lidstaten waar de falende kredietinstelling bijkantoren heeft.

146 In dit verband moet nog worden verduidelijkt dat de onderhavige zaken gelet op, ten eerste, het met deze maatregelen en met de erkenning van de gevolgen ervan in de andere lidstaten nagestreefde doel om te voorkomen dat, gezien de sterke integratie van de bankmarkten in de Unie, het falen van een kredietinstelling indirect systeemschade kan veroorzaken die de stabiliteit van die markten en, meer in het algemeen, van de interne markt van de Unie aantast en, ten tweede, het feit dat de bevoegde Portugese autoriteit in casu ten aanzien van BES Portugal saneringsmaatregelen heeft vastgesteld, duidelijk verschillen van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a. (C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, EU:C:2016:980).

147 Gelet op een en ander dient op de derde vraag in de zaken C‑498/22 en C‑499/22 en op de tweede vraag in zaak C‑500/22 te worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen tegen de achtergrond van artikel 38 van het Handvest, en artikel 17 van het Handvest en het rechtszekerheidsbeginsel, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich er in beginsel niet tegen verzetten dat in de lidstaat van ontvangst de gevolgen worden erkend van saneringsmaatregelen die in de lidstaat van herkomst zijn vastgesteld op grond van richtlijn 2001/24, waarbij een overbruggingsbank wordt opgericht en de verplichting om de uit hoofde van precontractuele of contractuele aansprakelijkheid verschuldigde bedragen te betalen deel blijft uitmaken van de passiva van de kredietinstelling waarop deze maatregelen betrekking hebben.

Kosten

148 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 3, lid 2, en artikel 6 van richtlijn 2001/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen, gelezen tegen de achtergrond van artikel 21, lid 2, en artikel 47, eerste alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het rechtszekerheidsbeginsel, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich, wanneer de bij artikel 6, lid 1, van deze richtlijn opgelegde bekendmaking niet is verricht, niet verzetten tegen de erkenning, door een rechter in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst, van de gevolgen van een saneringsmaatregel die is vastgesteld ten aanzien van een kredietinstelling voordat de zaak bij die rechter aanhangig is gemaakt en in het kader waarvan de verplichtingen en aansprakelijkheden van deze instelling gedeeltelijk zijn overgedragen aan een overbruggingsbank.

2) Artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24, gelezen tegen de achtergrond van artikel 47, eerste alinea, van het Handvest van de grondrechten en het rechtszekerheidsbeginsel, moet aldus worden uitgelegd dat particulieren zich niet op het vertrouwensbeginsel kunnen beroepen ten aanzien van een overbruggingsbank, die een privaatrechtelijke instelling is, geen bevoegdheden heeft die buiten het gemene recht vallen en is opgericht in het kader van maatregelen tot sanering van een kredietinstelling waarvan zij aanvankelijk cliënten waren, om die overbruggingsbank aansprakelijk te stellen voor de precontractuele en contractuele verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomsten die eerder zijn gesloten met die kredietinstelling. De enkele omstandigheid dat deze kredietinstelling tijdelijk onder zeggenschap stond van een overheidsinstantie met het oog op de privatisering ervan maakt van die kredietinstelling, die actief is op de concurrerende markt voor bank- en financiële diensten, geen nationale administratieve autoriteit.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in