HvJ EU 23 april 2026, C-744/24, ECLI:EU:C:2026:337

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)

23 april 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Kredietovereenkomsten voor consumenten – Richtlijn 2008/48/EG – Artikel 3, onder j) – Artikel 10, lid 2, onder f) – Begrip ‚debetrentevoet’ – Begrip ‚opgenomen kredietbedrag’ – Artikel 3, onder g) – Begrip ‚totale kosten van het krediet voor de consument’ – Heffing van rente over het bedrag van de kredietkosten – Verzekeringspremie”

In zaak C‑744/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Rejonowy we Włodawie (rechter in eerste aanleg Włodawa, Polen) bij beslissing van 20 september 2024, ingekomen bij het Hof op 24 oktober 2024, in de procedure

P.W.

tegen

Bank Polska Kasa Opieki S.A.,

wijst

HET HOF (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: F. Schalin, kamerpresident, M. Gavalec en Z. Csehi (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: L. Medina,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– P.W., vertegenwoordigd door A. Bieniek, adwokat,

– Bank Polska Kasa Opieki S.A., vertegenwoordigd door A. Cudna-Wagner, radca prawny, en B. Miąskiewicz, adwokat,

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Kienapfel, P. Ondrůšek en M. Owsiany-Hornung als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, onder j), en artikel 10, lid 2, onder f) en g), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2021/2167 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2021 (PB 2021, L 438, blz. 1) (hierna: „richtlijn 2008/48”), gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel alsmede van artikel 3, leden 1 en 2, artikel 4, lid 1, en artikel 5 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen P.W., een consument, en Bank Polska Kasa Opieki S.A, een bankinstelling (hierna: „bank”), over de betaling van een schuldvordering die voortvloeit uit een consumentenkredietovereenkomst.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 93/13

3 Artikel 1, lid 1, van richtlijn 93/13 luidt: „Deze richtlijn strekt tot de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument.”

4 Artikel 3 van deze richtlijn bepaalt: „1. Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. 2. Een beding wordt steeds geacht niet het voorwerp van afzonderlijke onderhandeling te zijn geweest wanneer het, met name in het kader van een toetredingsovereenkomst, van tevoren is opgesteld en de consument dientengevolge geen invloed op de inhoud ervan heeft kunnen hebben. [...]”

5 Artikel 4 van die richtlijn is als volgt verwoord: „1. Onverminderd artikel 7 worden voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft. 2. De beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen heeft geen betrekking op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de toereikendheid van enerzijds de prijs en vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.”

6 In artikel 5 van richtlijn 93/13 is bepaald: „In het geval van overeenkomsten waarvan alle of bepaalde aan de consument voorgestelde bedingen schriftelijk zijn opgesteld, moeten deze bedingen steeds duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. In geval van twijfel over de betekenis van een beding, prevaleert de voor de consument gunstigste interpretatie. Deze uitleggingsregel is niet van toepassing in het kader van de in artikel 7, lid 2, bedoelde procedures.”

Richtlijn 2008/48

7 De overwegingen 19, 31 en 43 van richtlijn 2008/48 luiden als volgt: „(19) Opdat consumenten met kennis van zaken kunnen beslissen, moeten zij vóór het sluiten van de kredietovereenkomst de nodige informatie krijgen over de kredietvoorwaarden, de kredietkosten en zijn verplichtingen, die zij mogen meenemen en nader bestuderen. Om voor een zo groot mogelijke transparantie te zorgen en aanbiedingen vergelijkbaar te maken, dient deze informatie met name ook het in de gehele Europese Unie op uniforme wijze vastgestelde jaarlijkse kostenpercentage [(JKP)] van het krediet te omvatten. Aangezien het [JKP] vooralsnog slechts aan de hand van een voorbeeld kan worden gegeven, moet dit voorbeeld representatief zijn. [...] [...] (31) De kredietovereenkomst moet in duidelijke en beknopte vorm alle noodzakelijke informatie bevatten over de rechten en plichten die voor de consument daaruit voortvloeien, zodat hij daar kennis van kan nemen. [...] (43) [...] Ondanks de uniforme wiskundige formule voor de berekening van het [JKP], is dat in richtlijn 87/102/EEG [van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (PB 1987, L 42, blz. 48)] bepaalde [JKP] tot dusver nog niet in de gehele Gemeenschap volledig vergelijkbaar. In de afzonderlijke lidstaten wordt bij de berekening van uiteenlopende kostenfactoren uitgegaan. Het is derhalve noodzakelijk in de richtlijn het begrip ‚totale kosten van het krediet voor de consument’ duidelijk en uitvoerig te definiëren.”

8 In artikel 1 („Onderwerp”) van richtlijn 2008/48 is bepaald: „Deze richtlijn heeft tot doel bepaalde aspecten van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake consumentenkredietovereenkomsten te harmoniseren.”

9 Artikel 3 („Definities”) van deze richtlijn bepaalt: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: [...] g) ‚totale kosten van het krediet voor de consument’: alle kosten, met inbegrip van rente, commissielonen, belastingen en vergoedingen van welke aard ook, die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever bekend zijn, met uitzondering van notariskosten; dit omvat ook de kosten in verband met nevendiensten met betrekking tot de kredietovereenkomst, met name verzekeringspremies, indien, daarenboven, het sluiten van een dienstencontract verplicht is om het krediet, in voorkomend geval op de geadverteerde voorwaarden, te verkrijgen; h) ‚het totale door de consument te betalen bedrag’: de som van het totale kredietbedrag en de totale kosten van het krediet voor de consument; i) ‚[JKP]’: de totale kosten van het krediet voor de consument, uitgedrukt in een percentage op jaarbasis van het totale kredietbedrag, indien toepasselijk te vermeerderen met de kosten bedoeld in artikel 19, lid 2; j) ‚debetrentevoet’: de rentevoet, uitgedrukt op jaarbasis en toegepast in een vast of variabel percentage; [...] l) ‚totaal kredietbedrag’: het plafond of de som van alle bedragen die op grond van een kredietovereenkomst beschikbaar worden gesteld; [...]”

10 Artikel 10 („In de kredietovereenkomst te vermelden informatie”) van die richtlijn luidt: „1. De kredietovereenkomst wordt op papier of op een andere duurzame drager opgesteld. Elke overeenkomstsluitende partij krijgt een exemplaar van de kredietovereenkomst. Dit artikel doet geen afbreuk aan nationale voorschriften inzake de geldigheid van het sluiten van kredietovereenkomsten, mits deze voorschriften overeenstemmen met het Gemeenschapsrecht. 2. In de kredietovereenkomst worden op duidelijke en beknopte wijze vermeld: [...] d) het totale kredietbedrag en de voorwaarden voor kredietopneming; [...] f) de debetrentevoet, de voorwaarden die de toepassing van deze rentevoet regelen, en, voor zover beschikbaar, indices of referentierentevoeten die betrekking hebben op de aanvankelijke debetrentevoet, en de termijnen, voorwaarden en procedures voor wijziging ervan. Indien naargelang van de verschillende omstandigheden verschillende debetrentevoeten worden toegepast, wordt deze informatie met betrekking tot alle toepasselijke rentevoeten verstrekt; g) het [JKP] en het totale door de consument te betalen bedrag, berekend bij het sluiten van de kredietovereenkomst; alle bij de berekening van dit percentage gebruikte hypothesen worden vermeld; [...]”

11 Artikel 19 („Berekening van het [JKP]”) van richtlijn 2008/48 bepaalt in de leden 1 en 2: „1. Het [JKP], gelijk aan de contante waarde, op jaarbasis, van alle tussen de kredietgever en de consument overeengekomen of overeen te komen verbintenissen (kredietopnemingen, aflossingen en kosten), wordt berekend volgens de wiskundige formule in deel I van bijlage I. 2. Om het [JKP] te berekenen, bepaalt men de totale kosten van het krediet voor de consument, met uitzondering van kosten die hij moet betalen wegens niet-naleving van een in de kredietovereenkomst opgenomen verplichting en de andere kosten dan de aankoopprijs die hij bij het afnemen van goederen of diensten in elk geval moet betalen, ook indien contant wordt betaald. De kosten voor het beheer van een rekening waarop zowel betalingen als kredietopnemingen worden geboekt, de kosten voor het gebruik van een betaalmiddel waarmee zowel betalingen als kredietopnemingen kunnen worden verricht, en de overige kosten voor betalingsverrichtingen worden in de totale kosten van het krediet voor de consument meegerekend, tenzij de opening van de rekening facultatief is en de kosten voor de rekening duidelijk en afzonderlijk in de kredietovereenkomst of een andere met de consument gesloten overeenkomst zijn vastgesteld.”

12 Artikel 22 („Harmonisatie en dwingend karakter van de richtlijn”) van deze richtlijn luidt: „1. In zoverre deze richtlijn geharmoniseerde bepalingen bevat, mogen de lidstaten geen bepalingen handhaven of invoeren in hun nationale wetgeving die afwijken van die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld. Artikel 16 bis, leden 3 en 4, beletten de lidstaten echter niet om strengere bepalingen ter bescherming van de consument te handhaven of in te voeren. [...] 3. De lidstaten dragen er tevens zorg voor dat de bepalingen die zij ter uitvoering van deze richtlijn vaststellen, niet kunnen worden omzeild door overeenkomsten een bijzondere vorm te geven, met name door kredietopnemingen of kredietovereenkomsten die onder deze richtlijn vallen op te nemen in kredietovereenkomsten die, door de aard of het doel ervan, buiten de werkingssfeer ervan zouden kunnen vallen. [...]”

13 In deel I van bijlage I bij die richtlijn is het volgende opgenomen: „[...] De basisvergelijking ter bepaling van het [JKP] geeft op jaarbasis de gelijkheid weer tussen de som van de geactualiseerde waarden van de kredietopnemingen enerzijds, en de som van de geactualiseerde waarden van de aflossingen en kosten anderzijds [...]”.

Pools recht

Wet houdende het burgerlijk wetboek

14 Artikel 3851, lid 1, van de ustawa Kodeks cywilny (wet houdende het burgerlijk wetboek) van 23 april 1964, in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (Dz. U. van 2022, volgnr. 1360), luidt: „Bedingen in een consumentenovereenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, binden de consument niet indien zijn rechten en verplichtingen daarin worden vastgesteld op een wijze die in strijd is met de goede zeden en dit een grove schending van zijn belangen inhoudt (oneerlijke bedingen). Dat geldt niet voor de bepalingen inzake de voornaamste prestaties van de partijen, waaronder de prijs of de vergoeding, indien deze eenduidig zijn geformuleerd.”

Wet op het consumentenkrediet

15 Bij de Ustawa o kredycie konsumenckim (wet op het consumentenkrediet) van 12 mei 2011 (Dz. U. 2011 nr. 126, volgnr. 715) wordt richtlijn 2008/48 in Pools recht omgezet.

16 In artikel 5, punten 6, 6a en 10, van deze wet, in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „wet op het consumentenkrediet”) is bepaald: „6) de totale kosten van het krediet – alle kosten die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen, met name: a) rente, vergoedingen, commissielonen, belastingen en marges die de kredietgever bekend zijn, en b) de kosten voor aanvullende diensten, met name verzekeringen, indien deze noodzakelijk zijn om het krediet te verkrijgen of om het tegen de aangeboden voorwaarden te verkrijgen, met uitzondering van de door de consument te betalen notariskosten; 6a) niet-rentekosten van het krediet – alle kosten die de consument in verband met de consumentenkredietovereenkomst moet dragen, met uitzondering van de rente; [...] 10) debetrentevoet – de rentevoet, uitgedrukt op jaarbasis en toegepast in een vast of variabel percentage op het opgenomen kredietbedrag;”

17 Artikel 30 van die wet luidt: „1. In de consumentenkredietovereenkomst moet worden vermeld: [...] 6) de debetrentevoet, de voorwaarden die de toepassing van deze rentevoet regelen en de termijnen, voorwaarden en procedures met betrekking tot de wijziging van de rentevoet, alsook de index of referentierentevoet, voor zover die van toepassing is op de aanvankelijke debetrentevoet; indien de consumentenkredietovereenkomst in verschillende rentevoeten voorziet, wordt voornoemde informatie met betrekking tot alle toepasselijke rentevoeten gedurende de looptijd van de overeenkomst verstrekt; [...]”

18 Artikel 45, lid 1, van de wet op het consumentenkrediet is als volgt verwoord: „Indien de kredietgever artikel 29, lid 1, artikel 30, lid 1, punten 1 tot en met 8, 10, 11 en 14 tot en met 17, en de artikelen 31 tot en met 33, artikel 33a, en de artikelen 36a tot en met 36c schendt, betaalt de consument het krediet zonder rente en andere aan de kredietgever verschuldigde kredietkosten terug binnen de termijn en op de wijze die in de overeenkomst zijn vastgesteld, nadat hij bij de kredietgever een schriftelijke verklaring in die zin heeft ingediend.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

19 Op 26 mei 2022 hebben P.W. en de bank een consumentenkredietovereenkomst gesloten in de vorm van een modelovereenkomst. P.W. en de bank hebben niet afzonderlijk onderhandeld over de contractuele bedingen. Het bedrag van het consumentenkrediet dat P.W. aldus is aangegaan, was 150000 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 34400 EUR). Van dit bedrag is 133214,92 PLN (ongeveer 30550 EUR) daadwerkelijk aan P.W. uitbetaald, terwijl de resterende 16785,08 PLN (ongeveer 3850 EUR) bestemd waren voor de betaling van een „vrijwillige” kredietverzekering. Het afsluiten van deze vrijwillige verzekering ging gepaard met een verlaging van de rentevoet van het krediet.

20 De totale door P.W. verschuldigde som bedroeg 207073,53 PLN (ongeveer 47500 EUR). Overeenkomstig artikel 6, lid 1, van de kredietovereenkomst bedroegen de totale kosten van het krediet 73858,61 PLN (ongeveer 16950 EUR). Deze kosten omvatten rente ten bedrage van 57073,53 PLN (ongeveer 13100 EUR) en de in het voorgaande punt genoemde verzekeringspremie van 16785,08 PLN (ongeveer 3850 EUR). De rentevoet bedroeg 8,49 % per jaar (met een basisrentevoet van 4,36 % en een marge van 4,13 %. Deze rentevoet is toegepast op het bedrag dat daadwerkelijk aan P.W. was uitbetaald ter uitvoering van de overeenkomst, vermeerderd met de verzekeringspremie. Het in de kredietovereenkomst vermelde JKP bedroeg 12,57 %. De looptijd van deze overeenkomst werd vastgesteld op 96 maanden.

21 Bij brief van 18 augustus 2023 heeft P.W. overeenkomstig artikel 45, lid 1 van de wet op het consumentenkrediet een verklaring aan de bank gestuurd om de sanctie van de „kosteloze kredietverstrekking” in te roepen. Volgens P.W. is de bank haar verplichtingen namelijk niet nagekomen, met name doordat de grondslag van de renteberekening onduidelijk was vastgesteld, een onjuist JKP was vermeld en de kredietgever de kosten en commissielonen eenzijdig kon wijzigen. Hij heeft bijgevolg verzocht om terugbetaling van de reeds betaalde kredietkosten van 14428,83 PLN (ongeveer 3310 EUR). De bank heeft aan dat verzoek geen gevolg gegeven.

22 Bij verzoekschrift van 25 oktober 2023 heeft P.W. een vordering ingesteld bij de Sąd Rejonowy we Włodawie (rechter in eerste aanleg Włodawa, Polen), de verwijzende rechter. Hij verzocht die rechter om, ten eerste, te verklaren voor recht dat het krediet mag worden afgelost zonder rente en andere kredietkosten, binnen de in de overeenkomst gestelde termijn en volgens de daarin vastgestelde voorwaarden en, ten tweede, de bank te veroordelen tot betaling van 30051,76 PLN (ongeveer 6900 EUR), namelijk het bedrag van de reeds terugbetaalde contractuele rente en de verzekeringspremie, vermeerderd met wettelijke nalatigheidsrente. Ter ondersteuning van zijn vordering voert P.W. met name aan dat de rentevoet werd toegepast op de niet-rentekosten van het krediet.

23 De bank is van mening dat het JKP correct is berekend. P.W. heeft er in zijn kredietaanvraag om gevraagd dat de bank de verzekeringskosten in het krediet opnam, waardoor het kredietbedrag werd verhoogd. De bank beklemtoont ook dat de kredietovereenkomst duidelijk aangaf dat de rentevoet op dit aldus vastgestelde bedrag wordt toegepast. Zij voegt daaraan toe dat P.W. geen commissielonen heeft betaald en dat de kredietkosten uitsluitend bestaan uit contractuele rente en de verzekeringspremie. Die kosten worden gedetailleerd beschreven in de „Informatiefiche over het consumentenkrediet”, die integraal deel uitmaakt van de kredietovereenkomst.

24 De verwijzende rechter twijfelt of deze praktijk van de bank, waarbij rente wordt geheven over een bedrag dat naast het kredietkapitaal ook de niet-rentekosten van het krediet omvat, dat wil zeggen over een bedrag dat niet volledig aan de kredietnemer is uitbetaald, verenigbaar is met richtlijn 2008/48. Hij verduidelijkt in dat verband dat de „niet-rentekosten” in de zin van artikel 5, punt 6a, van de wet op het consumentenkrediet onder meer vergoedingen, commissielonen, belastingen en marges omvatten voor zover die de kredietgever bekend zijn, alsook de kosten in verband met nevendiensten, met name verzekeringen, wanneer de betaling daarvan noodzakelijk is om het krediet te verkrijgen of om het te verkrijgen onder de aangeboden voorwaarden.

25 Tegen deze achtergrond heeft de Sąd Rejonowy we Włodawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 10, lid 2, onder f), gelezen in samenhang met artikel 3, onder j), van richtlijn 2008/48/EG, in de context van het beginsel van de doeltreffendheid van het Unierecht en van het doel van deze richtlijn en in het licht van artikel 3, leden 1 en 2, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een praktijk om in consumentenkredietovereenkomsten waarover tussen de verkoper (kredietverstrekker) en de consument (kredietnemer) niet afzonderlijk is onderhandeld bedingen op te nemen die erin voorzien dat niet alleen rente in rekening wordt gebracht over het bedrag dat aan de consument wordt uitgekeerd maar ook over de niet-rentekosten van het krediet (dat wil zeggen het door de consument verschuldigde commissieloon of andere vergoedingen, die geen deel uitmaken van het aan de consument uitgekeerde kredietbedrag maar wel van het totale bedrag dat hij uit hoofde van zijn verbintenis uit de consumentenkredietovereenkomst moet betalen)? 2) Moet artikel 10, lid 2, onder f) en g), van richtlijn 2008/48, in de context van het beginsel van de doeltreffendheid van het Unierecht en van het doel van deze richtlijn en in het licht van artikel 5 van richtlijn 93/13 aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de praktijk om in consumentenkredietovereenkomsten waarover tussen de verkoper (kredietverstrekker) en de consument (kredietnemer) niet afzonderlijk is onderhandeld bedingen op te nemen waarin uitsluitend het rentepercentage van het krediet wordt aangegeven en de in cijfers uitgedrukte totale gekapitaliseerde rente die door de consument moet worden betaald uit hoofde van zijn verplichting in het kader van de overeenkomst, zonder dat de consument er ondubbelzinnig [en] uitdrukkelijk van in kennis wordt gesteld dat de grondslag voor de berekening van die (in cijfers uitgedrukte) gekapitaliseerde rente een ander bedrag is dan het daadwerkelijk aan hem uitgekeerde bedrag, namelijk de som van het uitgekeerde kredietbedrag en de niet-rentekosten van het krediet (dat wil zeggen het door de consument verschuldigde commissieloon of andere vergoedingen, die geen deel uitmaken van het aan de consument uitgekeerde kredietbedrag maar wel van het totale bedrag dat hij uit hoofde van zijn verbintenis uit de consumentenkredietovereenkomst moet betalen)?”

26 Bij brief van 20 november 2025 heeft de bank meegedeeld dat zij het in punt 22 van het onderhavige arrest bedoelde verzoek van verzoeker in het hoofdgeding heeft ingewilligd. In antwoord op een vraag van het Hof heeft de verwijzende rechter in een brief van 18 december 2025 verduidelijkt dat het hoofdgeding nog steeds aanhangig is.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Ontvankelijkheid

27 De bank betwist de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen.

28 Om te beginnen zijn de vragen van de verwijzende rechter volgens de bank hypothetisch, aangezien zij berusten op de onjuiste premisse dat er niet werd onderhandeld over de contractuele bedingen waarop die vragen betrekking hebben. Voorts is de tweede vraag niet relevant, aangezien de aan P.W. verstrekte informatie over het feit dat de aan de vrijwillige verzekering verbonden kosten rente genereren, duidelijk en begrijpelijk blijkt uit zowel de kredietovereenkomst als de informatiefiche.

29 Vervolgens vloeit het hypothetische karakter van de prejudiciële vragen voort uit het feit dat het hoofdgeding geen betrekking heeft op een commissieloon of andere door de bank in rekening gebrachte vergoedingen, maar op een vrijwillige verzekeringspremie, die geenszins kredietkosten voor de kredietnemer ten gunste van de bank vormt, maar rechtstreeks op de rekening van de verzekeraar wordt gestort. Volgens de definitie van de „totale kosten van het krediet voor de consument” in artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48, komt een dergelijke premie overeen met de kosten in verband met nevendiensten met betrekking tot de kredietovereenkomst, en valt zij derhalve onder een afzonderlijke categorie van kosten.

30 De bank betoogt dat de verwijzende rechter het Hof niet de feitelijke en juridische gegevens heeft verstrekt die nodig zijn om een zinvol antwoord te kunnen geven op de gestelde vragen, zodat het verzoek niet voldoet aan de vereisten van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. In het bijzonder heeft de verwijzende rechter zich beperkt tot het weergeven van standpunten van partijen zonder deze te verifiëren en heeft hij het begrip „niet-rentekosten van het krediet” op incoherente wijze gebruikt door als criterium te hanteren dat deze kosten bestaan uit alle bedragen die in het krediet zijn opgenomen zonder rechtstreeks aan de consument te worden uitbetaald. Die rechter houdt aldus geen rekening met het feit dat de middelen die worden aangewend voor de terugbetaling van leningen, namelijk ter consolidatie van schulden, evenmin aan de consument worden uitgekeerd om daar vrij over te beschikken, terwijl buiten kijf staat dat zij rente kunnen genereren.

31 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat er volgens vaste rechtspraak een vermoeden van relevantie rust op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek van een nationale rechter om een prejudiciële beslissing wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 19 december 2024, Tudmur, C‑185/24 en C‑189/24, EU:C:2024:1036, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak),

32 In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat P.W. bij de verwijzende rechter een vordering tegen de bank heeft ingesteld die er met name toe strekt te doen verklaren voor recht dat het krediet zonder rente en andere kredietkosten mag worden afgelost, op grond dat er contractuele rente in rekening is gebracht over de niet-rentekosten van het krediet. Deze rechter verduidelijkt dat hij twijfelt of deze praktijk van de bank, waarbij rente wordt berekend over een bedrag dat zowel het kredietkapitaal als de niet-rentekosten van het krediet omvat – terwijl die kosten niet daadwerkelijk aan de kredietnemer worden betaald – verenigbaar is met richtlijn 2008/48.

33 Tegen deze achtergrond verzoekt de verwijzende rechter met zijn vragen het Hof om uitlegging van verschillende bepalingen van richtlijn 2008/48, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel en van een aantal bepalingen van richtlijn 93/13.

34 Die vragen hebben dus daadwerkelijk betrekking op de uitlegging van Unierechtelijke bepalingen die relevant zijn voor de beslechting van het hoofdgeding. Aangezien alleen de verwijzende rechter het juridische en feitelijke kader van de hoofdgedingen onder zijn eigen verantwoordelijkheid vaststelt, staat het niet aan het Hof om na te gaan op welke premissen die vragen gebaseerd zijn.

35 Om het Hof in staat te stellen een uitlegging van het Unierecht te geven die nuttig is voor de nationale rechter, bepaalt artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering met name dat het prejudiciële verzoek een summier overzicht bevat van het voorwerp van het geschil en de relevante feiten zoals die door de verwijzende rechter zijn vastgesteld, of althans, ten minste een uiteenzetting van de feitelijke gegevens waarop de vragen berusten. Dat verzoek moet ook een uiteenzetting bevatten van de redenen die deze rechter ertoe hebben gebracht om zich over de uitlegging of de geldigheid van bepalingen van het recht van de Unie vragen te stellen, alsook het verband tussen die bepalingen en de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wettelijke regeling.

36 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat de verwijzende rechter zijn eigen vaststellingen, in tegenstelling tot de uiteenlopende standpunten van de partijen in het hoofdgeding, weliswaar zeer beknopt heeft uiteengezet, maar dit neemt niet weg dat het Hof, gelet op de overwegingen in de punten 32 en 33 van dit arrest, beschikt over de gegevens die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord op de gestelde vragen te geven.

37 De prejudiciële vragen zijn derhalve ontvankelijk.

Ten gronde

38 Om te beginnen moet, voor zover de verwijzende rechter de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verzekeringspremie aanmerkt als „niet-rentekosten van het krediet”, eraan worden herinnerd dat dit begrip niet is opgenomen in richtlijn 2008/48, maar in het Poolse recht, meer bepaald, in artikel 5, punt 6a, van de wet op het consumentenkrediet (zie in die zin arrest van 26 maart 2020, Mikrokasa en Revenue Niestandaryzowany Sekurytyzacyjny Fundusz Inwestycyjny Zamknięty, C‑779/18, EU:C:2020:236, punten 40 en 42).

39 Het Hof heeft naar dit begrip verwezen in het arrest van 26 maart 2020, Mikrokasa en Revenue Niestandaryzowany Sekurytyzacyjny Fundusz Inwestycyjny Zamknięty (C‑779/18, EU:C:2020:236), waarbij het in punt 40 van dat arrest heeft aangegeven dat dat begrip een subcategorie vormt van de „totale kosten van het krediet” in de zin van artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48, die alle kosten omvatten, met inbegrip van rente.

40 Vervolgens moet worden opgemerkt dat de prejudiciële vragen betrekking hebben op de totale kosten van het aan P.W. verstrekte krediet, die naast rente een bedrag van 16785,08 PLN omvatten voor de betaling van een zogenaamde „vrijwillige” kredietverzekering. De verwijzende rechter twijfelt of de praktijk van de bank, waarbij rente wordt geheven over het aan P.W. ingevolge de overeenkomst uitgekeerde bedrag, vermeerderd met de niet-rentekosten van het krediet, verenigbaar is met richtlijn 2008/48. Hij preciseert daarbij dat onder de niet-rentekosten van het krediet onder meer de kosten vallen in verband met nevendiensten – zoals verzekeringen – wanneer de betaling daarvan noodzakelijk is om het krediet te verkrijgen of om het te verkrijgen onder de in het aanbod gestelde voorwaarden.

41 Dienaangaande zij opgemerkt dat het „vrijwillige” karakter van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietverzekering betekent dat deze niet vereist is om het krediet als zodanig te verkrijgen. Aangezien het afsluiten van deze kredietverzekering gepaard ging met een verlaging van de rentevoet van het krediet, was die kredietverzekering evenwel vereist om het krediet te verkrijgen onder de aangeboden voorwaarden. In die omstandigheden valt de verzekeringspremie, die volgens artikel 6, lid 1, van de kredietovereenkomst deel uitmaakt van de totale kosten van het krediet, aldus onder het begrip „totale kosten van het krediet voor de consument” in de zin van artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48.

42 Voor zover de verwijzende rechter de „niet-rentekosten van het krediet” gelijkstelt met een bedrag dat niet aan de kredietnemer wordt uitbetaald, moet tot slot worden benadrukt dat de kwalificatie van een bepaald bedrag als „totale kosten van het krediet voor de consument” in de zin van dat artikel 3, onder g), die de kredietnemer overeenkomstig de kredietovereenkomst moet dragen, niet afhangt van de omstandigheid dat dit bedrag al dan niet op de bankrekening van de kredietnemer is gestort.

43 Het gegeven dat de geleende bedragen eerst op de bankrekening van de kredietnemer worden gestort alvorens te worden gebruikt voor de aankoop van goederen of diensten of voor het voldoen van bepaalde kosten, dan wel dat de kredietgever deze rechtstreeks aan de schuldeisers van de kredietnemer betaalt, is namelijk aleatorisch van aard en kan als zodanig geen invloed hebben op de kwalificatie ervan als kredietkosten.

Eerste vraag

44 Volgens vaste rechtspraak is het, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geschil kan oplossen. Daartoe dient het Hof in voorkomend geval de voorgelegde vragen te herformuleren. Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven (zie arresten van 29 november 1978, Redmond, 83/78, EU:C:1978:214, punt 26; 28 november 2000, Roquette Frères, C‑88/99, EU:C:2000:652, punt 18, en 2 december 2025, Russmedia Digital en Inform Media Press, C‑492/23, EU:C:2025:935, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45 In casu moet de verwijzende rechter zich in het bij hem aanhangige geding uitspreken over de vraag of een praktijk van de bank, waarbij rente wordt geheven over een bedrag dat naast het kredietkapitaal ook de niet-rentekosten van het krediet omvat, dat wil zeggen over een bedrag dat niet volledig aan de kredietnemer is uitbetaald, verenigbaar is met richtlijn 2008/48.

46 Derhalve moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 3, onder g) en j), van richtlijn 2008/48, gelezen in samenhang met artikel 10, lid 2, van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat in consumentenkredietovereenkomsten bedingen worden opgenomen waarin is bepaald dat de rentevoet niet enkel op het totale bedrag van het krediet wordt toegepast, maar ook op de bedragen die worden bestemd voor de betaling van de aan dit krediet verbonden kosten en die daardoor deel uitmaken van de totale kosten van het krediet voor de consument.

47 Er zij eraan herinnerd dat richtlijn 2008/48 volgens artikel 1 ervan tot doel heeft bepaalde aspecten van de voorschriften van de lidstaten inzake consumentenkredietovereenkomsten te harmoniseren.

48 Uit artikel 22, lid 1, van deze richtlijn volgt dat, in zoverre deze richtlijn geharmoniseerde bepalingen bevat, de lidstaten geen nationale bepalingen mogen handhaven of invoeren die afwijken van de in deze richtlijn vastgestelde bepalingen.

49 Zoals blijkt uit de definities uit artikel 3 van die richtlijn houdt het begrip „totale kosten van het krediet voor de consument” verband met het „totale kredietbedrag” en het „totale door de consument te betalen bedrag” voor de berekening van het JKP (arrest van 16 juli 2020, Soho Group, C‑686/19, EU:C:2020:582, punt 38).

50 Aangezien artikel 3 van die richtlijn voor die begrippen niet verwijst naar nationaal recht, moeten die begrippen worden opgevat als een autonoom Unierechtelijk begrip, dat op het grondgebied van de Unie uniform moet worden uitgelegd (arrest van 16 juli 2020, Soho Group, C‑686/19, EU:C:2020:582, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51 Wat om te beginnen het begrip „totaal kredietbedrag” in de zin van richtlijn 2008/48 betreft, wordt dit in artikel 3, onder l), ervan gedefinieerd als het plafond of de som van alle bedragen die op grond van een kredietovereenkomst beschikbaar worden gesteld.

52 Vervolgens volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de Uniewetgever, om een uitgebreide bescherming van de consumenten te waarborgen, in artikel 3, onder g), van die richtlijn het begrip „totale kosten van het krediet voor de consument” ruim omschrijft als zijnde alle kosten, met inbegrip van rente, belastingen en vergoedingen van welke aard ook, die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever bekend zijn, met uitzondering van notariskosten (arrest van 26 maart 2020, Mikrokasa en Revenue Niestandaryzowany Sekurytyzacyjny Fundusz Inwestycyjny Zamknięty, C‑779/18, EU:C:2020:236, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Voorts houdt het JKP overeenkomstig artikel 3, onder i), van die richtlijn de „totale kosten van het krediet voor de consument” in, uitgedrukt als een percentage op jaarbasis van het totale kredietbedrag, indien toepasselijk te vermeerderen met de kosten bedoeld in artikel 19, lid 2, van die richtlijn.

53 Tot slot zij opgemerkt dat, aangezien het begrip „het totale door de consument te betalen bedrag” in artikel 3, onder h), van richtlijn 2008/48 wordt gedefinieerd als „de som van het totale kredietbedrag en de totale kosten van het krediet voor de consument”, de begrippen „totaal kredietbedrag” en „totale kosten van het krediet voor de consument” elkaar uitsluiten en het totale kredietbedrag geen van de bedragen kan omvatten die behoren tot de totale kosten van het krediet voor de consument (arresten van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová, C‑377/14, EU:C:2016:283, punt 85, en 16 juli 2020, Soho Group, C‑686/19, EU:C:2020:582, punt 42).

54 Richtlijn 2008/48 voorziet dus in een omvattende regeling van de verdeling van de bedragen waarop consumentenkredietovereenkomsten betrekking hebben (arrest van 16 juli 2020, Soho Group, C‑686/19, EU:C:2020:582, punt 43).

55 Aangaande het begrip „debetrentevoet”, dat in artikel 3, onder j), van richtlijn 2008/48 is gedefinieerd als „de rentevoet [zoals] toegepast [op het opgenomen kredietbedrag]”, zij opgemerkt dat het totale kredietbedrag en het bedrag van de kredietopneming alle aan de consument beschikbaar gestelde bedragen omvatten. Hieronder vallen derhalve niet de bedragen die door de kredietgever worden bestemd voor de betaling van de aan het betrokken krediet verbonden kosten en die niet daadwerkelijk worden uitbetaald aan die consument (arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová, C‑377/14, EU:C:2016:283, punt 91).

56 In de punten 87 en 88 van het arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová (C‑377/14, EU:C:2016:283), heeft het Hof benadrukt dat de berekening van het JKP afhankelijk is van het totale kredietbedrag en dat de basisvergelijking ter bepaling van het JKP op jaarbasis volgens richtlijn 2008/48 de gelijkheid weergeeft tussen de som van de geactualiseerde waarden van de kredietopnemingen enerzijds, en de som van de geactualiseerde waarden van de aflossingen en kosten anderzijds. Op grond daarvan heeft het Hof geoordeeld dat het bedrag van de kredietopneming in de zin van deel I van bijlage I bij deze richtlijn overeenkomt met het totale kredietbedrag in de zin van artikel 3, onder l), van die richtlijn.

57 Derhalve kan noch in het totale kredietbedrag in de zin van artikel 3, onder l), en artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48, noch in het bedrag van de kredietopneming in de zin van artikel 3, onder j), van richtlijn 2008/48 enig bedrag worden opgenomen dat bestemd is voor de nakoming van de uit hoofde van het betrokken krediet overeengekomen verbintenissen, zoals administratiekosten, rente, commissielonen en alle andere vergoedingen van welke aard ook, die de consument moet betalen (zie in die zin arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová, C‑377/14, EU:C:2016:283, punt 86).

58 Dit geldt ook voor de verzekeringskosten die door de verwijzende rechter zijn aangemerkt als niet-rentekosten van het krediet en die, zoals blijkt uit de punten 39 en 41 van het onderhavige arrest, een subcategorie vormen van de „totale kosten van het krediet voor de consument” in de zin van artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48.

59 Opgemerkt zij dat deze oplossing, zoals die voortvloeit uit de arresten van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová (C‑377/14, EU:C:2016:283); 26 maart 2020, Mikrokasa en Revenue Niestandaryzowany Sekurytyzacyjny Fundusz Inwestycyjny Zamknięty (C‑779/18, EU:C:2020:236), en 16 juli 2020, Soho Group (C‑686/19, EU:C:2020:582), niet tot gevolg heeft dat de soorten kosten of vergoedingen die de kredietgever in het kader van een kredietovereenkomst aan de consument kan opleggen, worden beperkt.

60 De kredietgever kan namelijk afzien van de toepassing van de contractuele rentevoet op het bedrag van de kredietkosten, en tegelijkertijd een geleidelijke waardevermindering van geld in de tijd opvangen door een verhoudingsgewijs hogere debetrentevoet toe te passen, die de kosten weerspiegelt van het niet-ontvangen van rente over het bedrag van de kredietkosten. Zo kan de kredietgever het krediet ook toegankelijk maken voor consumenten die niet over een startkapitaal beschikken om de kosten te financieren die voortvloeien uit het sluiten van de kredietovereenkomst.

61 Een dergelijke oplossing strookt bovendien met de doelstellingen van richtlijn 2008/48.

62 Er zij namelijk aan herinnerd dat deze richtlijn werd vastgesteld met een tweeledig doel: waarborgen dat alle consumenten van de Unie een hoog en gelijkwaardig niveau van bescherming van hun belangen genieten en de totstandkoming van een goed functionerende interne markt voor consumentenkrediet vergemakkelijken. Blijkens overweging 19 van deze richtlijn beoogt deze richtlijn met name te waarborgen dat de consument vóór het sluiten van de kredietovereenkomst de nodige informatie krijgt, met name over het JKP in de gehele Unie, zodat hij de gehanteerde percentages kan vergelijken (arrest van 16 juli 2020, Soho Group, C‑686/19, EU:C:2020:582, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak),

63 Zoals in wezen blijkt uit de overwegingen 31 en 43 van richtlijn 2008/48, is de voorlichting van de consument over de totale kosten van het krediet, in de vorm van een rentevoet die volgens één wiskundige formule is berekend, uiterst belangrijk. Deze informatie draagt immers bij tot de doorzichtigheid van de markt aangezien zij de consument in staat stelt kredietaanbiedingen te vergelijken. Voorts kan de consument aan de hand daarvan beoordelen waartoe hij zich verbindt (arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová, C‑377/14, EU:C:2016:283, punt 90 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

64 Een dergelijke doorzichtigheid van de markt zou worden ondermijnd indien het mogelijk zou zijn om een onderscheid te maken tussen verschillende rentevoeten en met name tussen de debetrentevoet die van toepassing is op het opgenomen kredietbedrag en andere rentevoeten die in de lidstaten worden toegepast op gecrediteerde bedragen die niet onder deze definitie van het opgenomen kredietbedrag vallen.

65 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3, onder g) en j), van richtlijn 2008/48, gelezen in samenhang met artikel 10, lid 2, van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat in consumentenkredietovereenkomsten bedingen worden opgenomen waarin is bepaald dat de rentevoet niet enkel op het totale bedrag van het krediet wordt toegepast, maar ook op de bedragen die worden bestemd voor de betaling van de aan dit krediet verbonden kosten en die daardoor deel uitmaken van de totale kosten van het krediet voor de consument.

Tweede vraag

66 Aangezien de verzekeringskosten, als onderdeel van de „totale kosten van het krediet voor de consument” in de zin van artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48 niet mogen worden opgenomen in het bedrag van de kredietopneming in de zin van artikel 3, onder j), van deze richtlijn, hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

67 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 3, onder g) en j), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2021/2167 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2021, gelezen in samenhang met artikel 10, lid 2, van deze richtlijn,

moet aldus worden uitgelegd dat

het zich ertegen verzet dat in consumentenkredietovereenkomsten bedingen worden opgenomen waarin is bepaald dat de rentevoet niet enkel op het totale bedrag van het krediet wordt toegepast, maar ook op de bedragen die worden bestemd voor de betaling van de aan dit krediet verbonden kosten en die daardoor deel uitmaken van de totale kosten van het krediet voor de consument.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Pools.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken