HvJ EU 16 april 2026, C-229/24, ECLI:EU:C:2026:298
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
16 april 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Harmonisatie van wetgevingen – Eengemaakte markt voor financiële diensten – Verordening (EU) nr. 596/2014 – Marktmisbruik – Handel met voorwetenschap – Artikel 7, lid 1, onder a) – Begrip ‚voorwetenschap’ – Criteria – Openbaar karakter van de informatie – Artikel 17 – Openbaarmaking van voorwetenschap door een uitgevende instelling – Besluit van een aanbestedende dienst om een overheidsopdracht niet te gunnen aan een inschrijvende onderneming – Voortijdige verkoop van aandelen van die onderneming – Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1055 – Artikel 2 – Middelen voor de openbaarmaking van voorwetenschap”
In zaak C‑229/24 [Brännelius] ( i ),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Högsta domstol (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Zweden) bij beslissing van 21 maart 2024, ingekomen bij het Hof op 26 maart 2024, in de procedure
TK,
OP
tegen
Riksåklagaren,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, M. Condinanzi (rapporteur) en N. Jääskinen, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: C. Strömholm, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 3 april 2025,
gelet op de opmerkingen van:
– TK, vertegenwoordigd door C.‑J. Allansson en M. Schmauch, advokater,
– OP, vertegenwoordigd door C. Cedermark en M. Schmauch, advokater,
– de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Baroutas en K. Boskovits als gemachtigden,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en D. Lutostańska als gemachtigden,
– de Noorse regering, vertegenwoordigd door F. Bergsjø en D. M. Myr als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Auvret, C. Faroghi en M. Wasmeier als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 juli 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, lid 1, onder a), en artikel 17 van verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijnen 2003/124[/EG], 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie (PB 2014, L 173, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafrechtelijke procedure tegen TK en OP wegens vermeende handel met voorwetenschap.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 596/2014
3 De overwegingen 2, 23, 24 en 49 van verordening nr. 596/2014 luiden als volgt: „(2) Voor een geïntegreerde, efficiënte en transparante financiële markt is marktintegriteit nodig. Een goede werking van de effectenmarkten en vertrouwen van het publiek in de markten zijn noodzakelijke voorwaarden voor economische groei en welvaart. Marktmisbruik schaadt de integriteit van de financiële markten en schendt het vertrouwen van het publiek in effecten en derivaten. […] (23) Het essentiële kenmerk van handel met voorwetenschap is dat een oneerlijk voordeel wordt behaald uit voorwetenschap ten nadele van derde partijen die niet van deze informatie op de hoogte zijn en dat, in het verlengde hiervan, sprake is van ondermijning van de integriteit van financiële markten en het beleggersvertrouwen. Bijgevolg is het verbod op handel met voorwetenschap van toepassing wanneer een persoon die over voorwetenschap beschikt ongerechtvaardigd voordeel haalt uit het voordeel dat deze informatie hem verschaft door in overeenstemming met deze informatie transacties aan te gaan door voor eigen rekening of voor rekening van een derde, direct of indirect, financiële instrumenten waar die wetenschap betrekking op heeft te kopen of te verkopen, of te proberen deze instrumenten te kopen of te verkopen, of een koop- of verkoopopdracht met betrekking tot deze instrumenten te annuleren of te wijzigen, of te proberen te annuleren of te wijzigen. […] (24) Wanneer een rechtspersoon of een natuurlijke persoon die over voorwetenschap beschikt, handelend voor eigen rekening of voor rekening van een derde, direct of indirect, financiële instrumenten waar die voorwetenschap betrekking op heeft koopt of verkoopt, of probeert deze te kopen of te verkopen, moet dit inhouden dat die persoon die wetenschap heeft gebruikt. Dit vermoeden geldt onverminderd de rechten van verdediging. De vraag of een persoon het verbod op handel met voorwetenschap heeft overtreden, of een poging daartoe heeft ondernomen, moet worden beantwoord op basis van de doelstelling van deze verordening, die erin bestaat de integriteit van de financiële markten te beschermen en het beleggersvertrouwen te vergroten, dat op zijn beurt berust op de zekerheid dat beleggers op voet van gelijkheid zullen verkeren en beschermd worden tegen het misbruik van voorwetenschap. […] (49) De openbaarmaking van voorwetenschap door een uitgevende instelling is van wezenlijk belang om handel met voorwetenschap te vermijden en ervoor te zorgen dat beleggers niet worden misleid. Uitgevende instellingen moeten daarom worden verplicht het publiek zo snel mogelijk op de hoogte te brengen van voorwetenschap. Deze verplichting kan onder bijzondere omstandigheden evenwel schade toebrengen aan de legitieme belangen van uitgevende instellingen. In dergelijke omstandigheden moet worden toegestaan dat openbaarmaking later plaatsvindt, op voorwaarde dat het niet waarschijnlijk is dat uitstel misleiding van het publiek tot gevolg heeft en de uitgevende instelling de vertrouwelijkheid van de informatie kan waarborgen. De uitgevende instelling moet voorwetenschap alleen openbaar maken indien zij een verzoek om toelating tot de handel voor het financieel instrument heeft ingediend of daarvoor toestemming heeft gegeven.”
4 Artikel 1 van deze verordening bepaalt: „In deze verordening wordt een gemeenschappelijk regelgevend kader vastgelegd inzake handel met voorwetenschap, wederrechtelijke mededeling van voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik), en ook maatregelen ter voorkoming van marktmisbruik teneinde de integriteit van de financiële markten in de Unie te waarborgen en de bescherming van beleggers en hun vertrouwen in die markten te versterken.”
5 Artikel 7 van die verordening heeft als opschrift „Voorwetenschap” en bepaalt in de leden 1 en 4: „1. Voor de toepassing van deze verordening omvat voorwetenschap de volgende soorten informatie: a) niet openbaar gemaakte informatie die concreet is en die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking heeft op een of meer uitgevende instellingen of op een of meer financiële instrumenten en die, indien zij openbaar zou worden gemaakt, een significante invloed zou kunnen hebben op de koers van deze financiële instrumenten of daarvan afgeleide financiële instrumenten; […] 4. Voor de toepassing van lid 1 wordt onder informatie die, indien deze openbaar zou worden gemaakt, waarschijnlijk een significante invloed zou hebben op de koers van financiële instrumenten, daarvan afgeleide financiële instrumenten, daaraan gerelateerde spotcontracten voor grondstoffen of geveilde producten gebaseerd op emissierechten, informatie verstaan waarvan een redelijk handelende belegger waarschijnlijk gebruik zou maken om er zijn beleggingsbeslissingen ten dele op te baseren. […]”
6 Artikel 8 van deze verordening, met als opschrift „Handel met voorwetenschap”, bepaalt: „1. Voor de toepassing van deze verordening doet handel met voorwetenschap zich voor wanneer een persoon die over voorwetenschap beschikt die informatie gebruikt om, voor eigen rekening of voor rekening van derden, rechtstreeks of middellijk financiële instrumenten te verwerven of te vervreemden waarop die informatie betrekking heeft. Het gebruik van voorwetenschap door het annuleren of aanpassen van een order met betrekking tot een financieel instrument waarop de informatie betrekking heeft terwijl de order werd geplaatst voordat de betrokken persoon over de voorwetenschap beschikte, wordt eveneens als handel met voorwetenschap beschouwd. […] 2. Voor de toepassing van deze verordening is sprake van het aanbevelen van een derde om tot handel met voorwetenschap over te gaan, of is sprake van het aanzetten van een derde om tot handel met voorwetenschap over te gaan, indien de persoon over voorwetenschap beschikt en: a) op basis van die informatie aanbeveelt dat een derde financiële instrumenten waarop die voorwetenschap betrekking heeft verwerft of vervreemdt, of die derde ertoe aanzet die financiële instrumenten te verwerven of te vervreemden, of b) op basis van die informatie aanbeveelt dat een derde een order betreffende een financieel instrument waarop die voorwetenschap betrekking heeft annuleert of wijzigt, of die persoon ertoe aanzet een order te annuleren of te wijzigen. 3. Het gebruik van de in lid 2 bedoelde aanbevelingen of aansporingen komt neer op handel met voorwetenschap als bedoeld in dit artikel indien de persoon die de aanbeveling of aansporing gebruikt, weet of zou moeten weten dat deze op voorwetenschap is gebaseerd. 4. Dit artikel is van toepassing op iedere persoon die over voorwetenschap beschikt omdat deze persoon: a) lid is van de bestuurs-, leidinggevende of toezichthoudende organen van de uitgevende instelling of deelnemer aan de emissierechtenhandel; b) deelneemt in het kapitaal van de uitgevende instelling […]; c) toegang heeft tot de informatie uit hoofde van de uitoefening van werk, beroep of functie; […] Dit artikel is tevens van toepassing op iedere persoon die in het bezit is van voorwetenschap onder andere omstandigheden dan de in de eerste alinea genoemde omstandigheden en weet of zou moeten weten dat het voorwetenschap betreft. […]”
7 Artikel 14 van verordening nr. 596/2014, met als opschrift „Verbod op handel met voorwetenschap en wederrechtelijke mededeling van voorwetenschap”, luidt als volgt: „Het is verboden om: a) te handelen met voorwetenschap of trachten te handelen met voorwetenschap; b) iemand anders aan te raden om te handelen met voorwetenschap of iemand anders ertoe aan te zetten om te handelen met voorwetenschap, of c) voorwetenschap wederrechtelijk mee te delen.”
8 In hoofdstuk 3 („Voorschriften inzake openbaarmaking”) van deze verordening is artikel 17 („Openbaarmaking van voorwetenschap”) opgenomen, waarin het volgende is bepaald: „1. Een uitgevende instelling maakt voorwetenschap die rechtstreeks betrekking heeft op die uitgevende instelling, zo snel mogelijk openbaar. De uitgevende instelling zorgt ervoor dat de voorwetenschap op zodanige wijze openbaar wordt gemaakt dat deze snel toegankelijk is en volledig, op correcte wijze en tijdig kan worden beoordeeld door het publiek, en in voorkomend geval wordt bekendgemaakt in het officieel aangewezen mechanisme als bedoeld in artikel 21 van richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad [van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van richtlijn 2001/34/EG (PB 2004, L 390, blz. 38)]. De uitgevende instelling mag de openbaarmaking van voorwetenschap niet combineren met marketing met betrekking tot haar eigen activiteiten. De uitgevende instelling plaatst alle voorwetenschap waarvan de openbaarmaking verplicht is op haar website en zorgt ervoor dat die informatie gedurende een periode van minstens vijf jaar toegankelijk blijft. […] 4. Een uitgevende instelling of een deelnemer aan een emissierechtenmarkt kan op eigen verantwoordelijkheid de openbaarmaking van voorwetenschap uitstellen mits aan elk van de volgende voorwaarden wordt voldaan: a) onmiddellijke openbaarmaking zou waarschijnlijk schade toebrengen aan de rechtmatige belangen van de uitgevende instelling of de deelnemer aan een emissierechtenmarkt; b) het is niet waarschijnlijk dat het publiek door het uitstel van de openbaarmaking zou worden misleid; c) de uitgevende instelling of de deelnemer aan een emissierechtenmarkt is in staat om de vertrouwelijkheid van de betreffende informatie te garanderen. […] Als een uitgevende instelling of een deelnemer aan een emissierechtenmarkt de openbaarmaking van voorwetenschap heeft uitgesteld krachtens het onderhavige lid, stelt deze de in lid 3 bedoelde bevoegde autoriteit daarvan onmiddellijk nadat de informatie openbaar is gemaakt op de hoogte en zet hij schriftelijk uiteen op welke wijze aan de in dit lid opgenomen voorwaarden voor het uitstel is voldaan. Als alternatief kunnen de lidstaten bepalen dat een afschrift van een dergelijke toelichting enkel op verzoek van de in lid 3 bedoelde bevoegde autoriteit hoeft te worden [overgelegd]. 5. Om de stabiliteit van het financieel systeem te waarborgen kan een uitgevende instelling die een kredietinstelling of een andere financiële instelling is, op eigen verantwoordelijkheid de openbaarmaking van voorwetenschap, met inbegrip van informatie die gerelateerd is aan een tijdelijk liquiditeitsprobleem en in het bijzonder informatie over de noodzaak van tijdelijke liquiditeitssteun van een centrale bank of een kredietverstrekker in laatste instantie, uitstellen, mits aan elk van de volgende voorwaarden wordt voldaan: a) openbaarmaking van de voorwetenschap leidt mogelijkerwijs tot ondermijning van de financiële stabiliteit van de uitgevende instelling en van het financieel systeem; b) het uitstel van de openbaarmaking is in het algemeen belang; c) de vertrouwelijkheid van de betreffende informatie kan worden gewaarborgd, en d) de in lid 3 bedoelde bevoegde autoriteit heeft op basis van de naleving van de voorwaarden onder a), b) en c) met het uitstel ingestemd. […] 7. Indien de openbaarmaking van voorwetenschap opgeschort is overeenkomstig leden 4 en 5 en het vertrouwelijke karakter van de voorwetenschap niet langer is gegarandeerd, maakt de uitgevende instelling of de deelnemer aan een emissierechtenmarkt deze informatie zo snel mogelijk openbaar. Dit lid heeft onder andere betrekking op situaties waarin een gerucht uitdrukkelijk betrekking heeft op voorwetenschap waarvan de openbaarmaking is opgeschort overeenkomstig de voorwaarden van de leden 4 of 5, en wanneer het gerucht voldoende nauwkeurig is om te concluderen dat het vertrouwelijke karakter van de informatie in kwestie niet langer is gegarandeerd. […] 9. Voorwetenschap met betrekking tot uitgevende instellingen waarvan de financiële instrumenten zijn toegelaten tot de handel op een […] groeimarkt [van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s)], mag op de website van het handelsplatform worden gepubliceerd in plaats van op de website van de uitgevende instelling, indien het handelsplatform verkiest deze mogelijkheid aan te beiden aan uitgevende instellingen op de betreffende markt. […]”
Richtlijn 2014/57
9 Artikel 3 van richtlijn 2014/57/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende strafrechtelijke sancties voor marktmisbruik (richtlijn marktmisbruik) (PB 2014, L 173, blz. 179), met als opschrift „Handel met voorwetenschap, en aanbevelen of aanzetten van een ander tot handel met voorwetenschap”, bepaalt het volgende: „1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat handel met voorwetenschap, het aanbevelen of aanzetten van een ander tot handel met voorwetenschap als bedoeld in leden 2 tot en met 8, ten minste in ernstige gevallen en indien opzettelijk gepleegd, als strafbaar feit worden aangemerkt. 2. Voor de toepassing van deze richtlijn is er sprake van handel met voorwetenschap indien een persoon die over voorwetenschap beschikt die informatie gebruikt door, voor eigen rekening of voor rekening van derden, direct of indirect financiële instrumenten te verwerven of te vervreemden waarop die informatie betrekking heeft. 3. Dit artikel is van toepassing op iedere persoon die over voorwetenschap beschikt omdat hij: a) lid is van de bestuurlijke, leidinggevende of toezichthoudende organen van de uitgevende instelling of de deelnemer aan de emissierechtenmarkt; b) deelneemt in het kapitaal van de uitgevende instelling of de deelnemer aan de emissierechtenmarkt; c) toegang heeft tot de informatie uit hoofde van de uitoefening van werk, een beroep of functies, […] […] Dit artikel is tevens van toepassing op eenieder die voorwetenschap heeft verkregen onder andere omstandigheden dan de in de eerste alinea genoemde omstandigheden en die weet dat het voorwetenschap betreft. […] 6. Voor de toepassing van deze richtlijn is sprake van een aanbeveling aan een derde om tot handel met voorwetenschap over te gaan, of is sprake van het aanzetten van een derde om tot handel met voorwetenschap over te gaan, indien de persoon over voorwetenschap beschikt en: a) een derde op basis van die informatie aanbeveelt of ertoe aanzet financiële instrumenten waarop die voorwetenschap betrekking heeft te verwerven of te vervreemden, of b) een derde op basis van die informatie aanbeveelt of ertoe aanzet een opdracht betreffende een financieel instrument waarop die voorwetenschap betrekking heeft in te trekken of aan te passen. […]”
Uitvoeringsverordening 2016/1055
10 Overweging 1 van uitvoeringsverordening (EU) 2016/1055 van de Commissie van 29 juni 2016 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot de technische middelen voor een passende openbaarmaking van voorwetenschap en voor het uitstellen van de openbaarmaking van voorwetenschap overeenkomstig verordening [nr. 596/2014] van het Europees Parlement en de Raad (PB 2016, L 173, blz. 47) luidt als volgt: „De bescherming van beleggers vereist een effectieve en tijdige openbaarmaking van voorwetenschap door uitgevende instellingen en deelnemers aan een emissierechtenmarkt. Om beleggers op het niveau van de Unie gelijke toegang tot voorwetenschap te waarborgen, moet deze voorwetenschap kosteloos, gelijktijdig en zo snel mogelijk voor alle categorieën van beleggers in de hele Unie openbaar worden gemaakt en moet deze informatie aan de media worden medegedeeld met het oog op een effectieve verspreiding ervan onder het publiek.”
11 Artikel 2 van deze verordening, met als opschrift „Middelen voor de openbaarmaking van voorwetenschap”, is als volgt verwoord: „1. Uitgevende instellingen en deelnemers aan een emissierechtenmarkt maken voorwetenschap openbaar met behulp van technische middelen die zorgen voor: a) de verspreiding van voorwetenschap: i) onder een zo groot mogelijk publiek op niet-discriminerende basis; ii) gratis; iii) en gelijktijdig in de hele Unie. b) Voorwetenschap wordt meegedeeld, hetzij direct, hetzij via een derde partij, aan de media waarop het publiek redelijkerwijs kan vertrouwen voor een effectieve verspreiding ervan. Deze mededeling vindt plaats met behulp van elektronische middelen die ervoor zorgen dat de volledigheid, integriteit en vertrouwelijkheid van de informatie tijdens de verzending wordt gehandhaafd, en vermeldt duidelijk: i) dat de meegedeelde informatie voorwetenschap betreft; ii) de naam van de uitgevende instelling of deelnemer aan een emissierechtenmarkt: de volledige wettelijke benaming; iii) de identiteit van de persoon die de kennisgeving doet: naam, voornaam en functie in de uitgevende instelling of bij de deelnemer aan een emissierechtenmarkt; iv) het onderwerp van de voorwetenschap; v) de datum en het tijdstip van de mededeling aan de media. Uitgevende instellingen en deelnemers aan een emissierechtenmarkt dragen zorg voor de volledigheid, integriteit en vertrouwelijkheid door eventuele tekortkomingen of storingen in de mededeling van voorwetenschap onverwijld te verhelpen. […]”
Zweeds recht
Wet op de persvrijheid (1949:105)
12 Hoofdstuk 2, § 1, van de tryckfrihetsförordning (1949:105) [wet op de persvrijheid (1949:105) (SFS 1949, nr. 105)], in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt: „Teneinde de vrijheid van meningsuiting, vrije en pluralistische informatie en vrije artistieke schepping te bevorderen, heeft eenieder recht op toegang tot overheidsdocumenten.”
13 § 4 van hoofdstuk 2 van die wet luidt als volgt: „Een document is een overheidsdocument indien het bij een overheidsinstantie berust en, overeenkomstig § 9 of § 10, wordt geacht door een overheidsinstantie te zijn ontvangen of door haar te zijn opgesteld.”
14 § 15 van hoofdstuk 2 van de wet op de persvrijheid bepaalt het volgende: „Eenieder die verzoekt om een overheidsdocument dat openbaar kan worden gemaakt, moet onmiddellijk of zo spoedig mogelijk en kosteloos ter plaatse toegang hebben tot dat document, zodat het kan worden gelezen, beluisterd of op een andere wijze kan worden begrepen. Een document kan ook worden overgeschreven, afgebeeld of op een geluidsdrager worden vastgelegd. Indien een document niet kan worden verstrekt zonder een deel ervan openbaar te maken dat niet openbaar mag worden gemaakt, moeten de delen van het document die wel openbaar mogen worden gemaakt, in de vorm van een afschrift of kopie ter beschikking worden gesteld van de verzoeker. […]”
Wet inzake sancties voor marktmisbruik op de effectenmarkt (2016:1307)
15 Bij de lag om straff för marknadsmissbruk på värdepappersmarknaden (2016:1307) [wet inzake sancties voor marktmisbruik op de effectenmarkt (2016:1307) (SFS 2016, nr. 1307)], in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, is richtlijn 2014/57 omgezet in Zweeds recht.
16 § 4 van hoofdstuk 1 van deze wet luidt als volgt: „In deze wet wordt verstaan onder: […] ‚voorwetenschap’: de in artikel 7 van verordening [nr. 596/2014] bedoelde informatie; […]”
17 § 1, lid 1, eerste alinea, punt 1, van hoofdstuk 2 van deze wet bepaalt: „Wordt veroordeeld wegens handel met voorwetenschap: degene die over voorwetenschap beschikt en die voor zichzelf of voor een andere persoon de financiële instrumenten waarop de informatie betrekking heeft aankoopt of verkoopt door middel van handel op de effectenmarkt, of die een order met betrekking tot dergelijke financiële instrumenten wijzigt of annuleert, […] Op dit strafbare feit staat een gevangenisstraf van maximaal twee jaar. Indien er sprake is van verzwarende omstandigheden, wordt de dader veroordeeld tot een gevangenisstraf van minimaal zes maanden tot maximaal zes jaar wegens verzwaarde handel met voorwetenschap. […]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
18 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Umeå kommunföretag AB (hierna: „gemeentelijk bedrijf”), een naamloze vennootschap naar Zweeds recht waarin de Umeå kommun (gemeente Umeå, Zweden) een wettelijke bestuursbevoegdheid uitoefent, in het voorjaar van 2018 een aanbestedingsprocedure heeft uitgeschreven voor elektrische bussen en laadstations.
19 Twee vennootschappen hebben een offerte ingediend. Een daarvan was Hybricon Bus Systems AB (hierna: „Hybricon”), een naamloze vennootschap naar Zweeds recht. Drie andere vennootschappen hadden belangstelling getoond om deel te nemen aan de aanbesteding, maar mochten hun offerte niet indienen.
20 Bij besluit van 14 mei 2018 heeft het gemeentelijk bedrijf de opdracht niet aan Hybricon maar aan de andere inschrijvende vennootschap gegund. Op dezelfde dag heeft het gemeentelijk bedrijf om 14.34 uur de vijf betrokken vennootschappen alsook tweeëntwintig andere personen die hadden aangegeven de aanbestedingsprocedure te willen volgen zonder zelf deel te nemen, per e-mail in kennis gesteld van de uitkomst van de aanbestedingsprocedure.
21 Bij Hybricon werd deze e-mail ontvangen door een operationeel directeur die in eerste instantie verantwoordelijk was voor de contacten met het gemeentelijk bedrijf in het kader van deze aanbestedingsprocedure. Kort daarna heeft deze directeur aan OP een bericht gestuurd met het dringende verzoek om zijn aandelen in Hybricon te verkopen. OP heeft op zijn beurt dat verzoek doorgestuurd naar TK, die eveneens aandelen had in die vennootschap.
22 Op 14 mei 2018 om 14.37 uur heeft TK op de Zweedse beurs opdracht gegeven tot verkoop van 73000 aandelen in Hybricon. Enkele minuten later, om 14.40 uur, heeft ook OP 31000 aandelen in de vennootschap verkocht.
23 Op diezelfde dag, om 15.22 uur, heeft Hybricon een persbericht gepubliceerd op haar website, waarin werd aangekondigd dat de opdracht niet aan haar was gegund. De publicatie van die informatie heeft geleid tot een sterke koersdaling van het aandeel Hybricon op de beurs. OP en TK hebben hun verliezen weten te beperken omdat zij hun aandelen in de vennootschap hadden verkocht.
24 Naar aanleiding van deze transacties zijn OP en TK strafrechtelijk vervolgd wegens handel met voorwetenschap, hetgeen verboden is volgens de wet inzake sancties voor misbruik van de effectenmarkt. De tingsrätt (rechter in eerste aanleg, Zweden) heeft hen wegens strafbare voorwetenschap veroordeeld tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf en tot een taakstraf. 51508 Zweedse kronen (SEK) (ongeveer 4830 EUR) van het vermogen van OP en 146536 SEK (ongeveer 13741 EUR) van het vermogen van TK werd verbeurdverklaard. Volgens de tingsrätt betrof de informatie dat de opdracht niet aan Hybricon was gegund „voorwetenschap”, aangezien deze informatie concreet was en rechtstreeks betrekking had op Hybricon en waarschijnlijk een invloed zou hebben op de koers van de aandelen van die vennootschap. Deze rechter was van oordeel dat deze informatie niet kon worden geacht openbaar te zijn gemaakt voordat het persbericht van Hybricon was uitgestuurd, zoals vermeld in het vorige punt van dit arrest.
25 In hoger beroep is de Svea hovrätt (rechter in tweede aanleg Stockholm, Zweden) tot dezelfde slotsom gekomen als de tingsrätt. Deze rechter heeft de door de tingsrätt vastgestelde straf slechts in die zin gewijzigd dat aan OP en TK een voorwaardelijke straf in combinatie met 150 dagboeten werd opgelegd in plaats van een taakstraf.
26 OP en TK hebben vervolgens tegen de uitspraak in tweede aanleg van de Svea hovrätt cassatieberoep ingesteld bij de Högsta domstol (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Zweden). Met hun cassatieberoepen vorderen zij vrijspraak. Zij voeren daarbij aan dat de informatie dat de betrokken opdracht niet aan Hybricon was gegund, geen voorwetenschap meer vormde nadat het besluit tot gunning door het gemeentelijk bedrijf aan de betrokken adressaten was verzonden. Zij betogen dat dit besluit een overheidsdocument was geworden dat niet onder de geheimhoudingsregeling viel omdat dit naar Zweeds recht openbaar toegankelijk was op verzoek van iedere belanghebbende.
27 De Riksåklagar (nationaal openbaar aanklager, Zweden) heeft daarentegen geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de Svea hovrätt. Volgens hem was het gunningsbesluit weliswaar een overheidsdocument geworden op het moment dat het aan de betrokken adressaten was toegezonden, maar kon dit besluit niettemin onder de geheimhoudingsregeling van het nationale recht vallen en betrof het „voorwetenschap” tot de bekendmaking van het persbericht door Hybricon.
28 De Högsta domstol heeft verzoekers toestemming verleend om cassatieberoep in te stellen. Aangezien de informatie uit het gunningsbesluit „voorwetenschap” vormde tot de bekendmaking van het persbericht door Hybricon, waren volgens die rechter de rechter in eerste aanleg en de appelrechter van oordeel dat de verzending van het gunningsbesluit door het gemeentelijk bedrijf aan de betrokken adressaten de informatie niet openbaar maakte, zodat zij nog steeds „voorwetenschap” in de zin van verordening nr. 596/2014 vormde.
29 Derhalve is de belangrijkste vraag voor de verwijzende rechter op welk tijdstip de informatie in het gunningsbesluit moet worden geacht openbaar te zijn gemaakt en daardoor ophoudt „voorwetenschap” te vormen in de zin van artikel 7, lid 1, onder a), van verordening nr. 596/2014.
30 Volgens deze rechter kan uit deze bepaling niet worden afgeleid dat alle informatie die niet op de in artikel 17 van deze verordening voorgeschreven wijze openbaar is gemaakt, moet worden geacht niet openbaar te zijn gemaakt. Volgens de verklaringen van de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) kan voorwetenschap namelijk op een andere wijze openbaar worden gemaakt dan door een openbaarmaking als bedoeld in artikel 17, onder meer door middel van door derden getroffen maatregelen. Bovendien heeft het Hof nog geen aanwijzingen gegeven over de vereisten waaraan moet worden voldaan opdat informatie niet langer als „voorwetenschap” wordt beschouwd.
31 In deze omstandigheden heeft de Högsta domstol de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Is het noodzakelijk dat openbaarmaking heeft plaatsgevonden op de wijze als bedoeld in artikel 17 van [verordening nr. 596/2014], opdat informatie kan worden geacht openbaar te zijn gemaakt overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a), van de verordening? 2) Indien openbaarmaking op een andere wijze mogelijk is, welke omstandigheden moeten dan in aanmerking worden genomen bij de beoordeling of informatie moet worden geacht openbaar te zijn gemaakt in de zin van artikel 7, lid 1, onder a), van [die] verordening?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
32 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 7, lid 1, onder a), van verordening nr. 596/2014 aldus moet worden uitgelegd dat informatie slechts kan worden geacht openbaar te zijn gemaakt en dus niet langer „voorwetenschap” in de zin van deze bepaling vormt indien zij openbaar is gemaakt volgens de voorschriften als bedoeld in artikel 17 van deze verordening.
33 Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, omvat de in artikel 7, lid 1, onder a), van verordening nr. 596/2014 opgenomen definitie van het begrip „voorwetenschap” vier wezenlijke bestanddelen. Ten eerste gaat het om informatie die concreet is. Ten tweede is deze informatie niet openbaar gemaakt. Ten derde heeft zij rechtstreeks of middellijk betrekking op een of meer financiële instrumenten of de emittenten ervan. Ten vierde zou zij, indien zij openbaar werd gemaakt, een aanzienlijke invloed kunnen hebben op de koers van deze financiële instrumenten of daarvan afgeleide financiële instrumenten (arresten van 11 maart 2015, Lafonta, C‑628/13, EU:C:2015:162, punt 24; 15 maart 2022, Autorité des marchés financiers, C‑302/20, EU:C:2022:190, punt 33, en 19 maart 2026, Finansinspektionen, C‑363/24, EU:C:2026:215, punt 29).
34 In het onderhavige geval verzoekt de verwijzende rechter om verduidelijking van het tweede bestanddeel van dit begrip teneinde te bepalen of, in het hoofdgeding, een besluit tot gunning van een opdracht dat door een Zweeds gemeentelijk bedrijf is verzonden aan vijf vennootschappen, waaronder de vennootschap waaraan die opdracht is gegund en de niet-gekozen inschrijver, in casu Hybricon, alsook aan andere specifiek geïdentificeerde adressaten die belangstelling hadden getoond om die procedure te volgen, moet worden geacht openbaar te zijn gemaakt en daardoor niet langer „voorwetenschap” te zijn geweest in de zin van artikel 7, lid 1, onder a), van verordening nr. 596/2014 vóór Hybricon een persbericht openbaar had gemaakt over het feit dat die opdracht niet aan haar was gegund.
35 In het bijzonder wenst deze rechter in essentie na te gaan of TK en OP, twee aandeelhouders van de niet-gekozen inschrijvende vennootschap die deze informatie vóór de openbaarmaking van dat persbericht hebben ontvangen van een directeur van die vennootschap, strafrechtelijk kunnen worden vervolgd wegens handel met voorwetenschap in de zin van artikel 8 van die verordening. TK en OP hebben na ontvangst van deze informatie immers opdracht gegeven tot verkoop van hun aandelen in Hybricon, waardoor zij hun verliezen hebben weten te beperken voordat de koers van deze aandelen na de openbaarmaking van dat persbericht was gedaald.
36 Tegen die achtergrond en los van de vraag of eveneens is voldaan aan de andere in punt 33 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden, moet het Hof de verwijzende rechter een nuttig antwoord verstrekken.
37 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 7, lid 1, onder a), van verordening nr. 596/2014 het begrip „voorwetenschap” definieert en als voorwaarde stelt dat het gaat om „niet openbaar gemaakte informatie”. Hieruit volgt dat informatie die openbaar is gemaakt, in die zin dat zij is verspreid of aan het publiek bekend is gemaakt, niet meer kan worden beschouwd als „voorwetenschap” in de zin van deze bepaling.
38 Het klopt dat de verspreiding of openbaarmaking van voorwetenschap aan het publiek als zodanig niet betekent dat deze informatie niet langer als „voorwetenschap” kan worden beschouwd. Daartoe moet een dergelijke verspreiding of openbaarmaking met name plaatsvinden volgens bepaalde voorwaarden en criteria en moet daarmee op niet-discriminerende wijze een zo groot mogelijk aantal beleggers en andere marktdeelnemers op de betrokken markten worden bereikt.
39 Artikel 7 van verordening nr. 596/2014 verduidelijkt echter niet op welke wijze informatie openbaar moet worden gemaakt om niet langer als „voorwetenschap” te worden beschouwd en verwijst ook niet naar andere bepalingen van deze verordening. Evenmin laat deze bepaling het aan de lidstaten over om de inhoud van dat begrip te definiëren, zodat het moet worden beschouwd als een autonoom Unierechtelijk begrip.
40 Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, vereisen de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel dat de bewoordingen van een Unierechtelijke bepaling die voor de vaststelling van de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk verwijst naar het recht van de lidstaten, in de regel in de gehele Unie autonoom en op eenvormige wijze dienen te worden uitgelegd, los van de kwalificaties die de lidstaten eraan hebben gegeven en rekening houdend met de bewoordingen van de betrokken bepaling alsmede met de context van die bepaling en de doelstelling die wordt nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt [zie in die zin arresten van 9 september 2021, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl (Volgend verzoek om internationale bescherming), C‑18/20, EU:C:2021:710, punt 32, en 30 november 2021, LR Ģenerālprokuratūra, C‑3/20, EU:C:2021:969, punt 79].
41 Aangezien de bewoordingen van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 596/2014 geen nadere aanwijzingen bevatten over de wijze waarop informatie openbaar moet worden gemaakt om niet langer te worden beschouwd als „voorwetenschap” in de zin van deze bepaling, en bij gebreke van enige verwijzing naar andere bepalingen van deze verordening of naar de beoordelingsmarge van de lidstaten met betrekking tot de invulling van dit begrip, moet rekening worden gehouden met de context van artikel 7 van die verordening, en met name met artikel 17 ervan. Artikel 17, dat deel uitmaakt van hoofdstuk 3 („Voorschriften inzake openbaarmaking”) van verordening nr. 596/2014, regelt de openbaarmaking van voorwetenschap, zoals blijkt uit het opschrift van dat artikel.
42 Uit artikel 17 van verordening nr. 596/2014 blijkt dat de Uniewetgever de uitgevende instelling een bepalende rol heeft willen toekennen bij de openbaarmaking van voorwetenschap, door haar concrete verplichtingen op te leggen met betrekking tot de voorwaarden en de criteria waaraan een dergelijke openbaarmaking moet voldoen.
43 In het bijzonder is een uitgevende instelling overeenkomstig artikel 17, lid 1, eerste alinea, van deze verordening verplicht voorwetenschap die rechtstreeks op haar betrekking heeft „zo snel mogelijk” openbaar te maken.
44 Zoals in overweging 49 van die verordening is uiteengezet, is het van wezenlijk belang dat de uitgevende instellingen de voorwetenschap waarover zij beschikken openbaar maken, teneinde handel met voorwetenschap te vermijden en ervoor te zorgen dat beleggers niet worden misleid. Uitgevende instellingen moeten daarom worden verplicht het publiek zo snel mogelijk op de hoogte te brengen van voorwetenschap.
45 Daarnaast zorgt de uitgevende instelling er volgens artikel 17, lid 1, tweede alinea, van die verordening voor dat de voorwetenschap op zodanige wijze openbaar wordt gemaakt dat deze snel toegankelijk is en volledig, op correcte wijze en tijdig kan worden beoordeeld door het publiek, en in voorkomend geval wordt bekendgemaakt in het officieel aangewezen mechanisme als bedoeld in artikel 21 van richtlijn 2004/109.
46 Hieruit volgt dat de openbaarmaking van voorwetenschap overeenkomstig artikel 17, lid 1, van verordening nr. 596/2014 niet alleen zo snel mogelijk en zonder onnodige vertraging moet plaatsvinden, maar ook moet voldoen aan bijzondere vereisten inzake betrouwbaarheid alsook gemakkelijk en op volledige, niet-discriminerende wijze toegankelijk moet zijn voor alle beleggers en andere marktdeelnemers op de betrokken markten.
47 Wat in de eerste plaats het vereiste van de snelheid van de verspreiding van dergelijke informatie betreft, wordt het belang van een zo snel mogelijke openbaarmaking door de uitgevende instelling of de deelnemer aan de emissierechtenmarkt met name bevestigd door de leden 4 en 5 van artikel 17. Krachtens deze bepalingen kan de openbaarmaking van voorwetenschap slechts in uitzonderlijke omstandigheden en onder strikte voorwaarden – waaraan cumulatief moet zijn voldaan en die in die bepalingen zijn opgesomd – worden uitgesteld teneinde de stabiliteit van het financiële systeem te handhaven.
48 Overeenkomstig artikel 17, lid 4, van verordening nr. 596/2014 is dit met name het geval wanneer, ten eerste, de onmiddellijke openbaarmaking van voorwetenschap waarschijnlijk schade zou toebrengen aan de rechtmatige belangen van de uitgevende instelling of de deelnemer aan een emissierechtenmarkt, ten tweede, het niet waarschijnlijk is dat het publiek door het uitstel van de openbaarmaking zou worden misleid en, ten derde, de uitgevende instelling of de deelnemer aan een emissierechtenmarkt in staat is om de vertrouwelijkheid van die informatie te garanderen.
49 Artikel 17, lid 4, derde alinea, van deze verordening bepaalt dat een uitgevende instelling of een deelnemer aan een emissierechtenmarkt die de openbaarmaking van voorwetenschap heeft uitgesteld krachtens lid 4, de bevoegde autoriteit daarvan onmiddellijk op de hoogte stelt nadat de informatie openbaar is gemaakt en schriftelijk uiteenzet op welke wijze aan de in het vorige punt genoemde voorwaarden is voldaan.
50 Voorts bepaalt artikel 17, lid 7, van die verordening dat de uitgevende instelling of de deelnemer aan een emissierechtenmarkt deze voorwetenschap zo snel mogelijk openbaar maakt indien het vertrouwelijke karakter van de voorwetenschap niet langer is gegarandeerd. Uit deze bepaling volgt dus dat voorwetenschap zo snel mogelijk en zonder onnodige vertraging openbaar moet worden gemaakt wanneer het essentiële vereiste dat die voorwetenschap vertrouwelijk is niet langer kan worden gewaarborgd.
51 Wat in de tweede plaats de vereisten betreft inzake betrouwbaarheid en een gemakkelijke en volledige toegang tot voorwetenschap voor alle beleggers en andere marktdeelnemers van de betrokken markten, zij eraan herinnerd dat het doel van verordening nr. 596/2014 blijkens de overwegingen 2 en 24 en artikel 1 ervan erin bestaat de integriteit van de financiële markten te beschermen en het beleggersvertrouwen in die markten te vergroten, dat op zijn beurt berust op met name de zekerheid dat beleggers op voet van gelijkheid zullen verkeren en beschermd zullen worden tegen het misbruik van voorwetenschap. Het in artikel 14 van deze verordening neergelegde verbod op handel met voorwetenschap en wederrechtelijke mededeling van voorwetenschap heeft dus tot doel om de gelijkheid van de beleggers die deelnemen aan een beurstransactie te waarborgen, door te vermijden dat een van hen die over voorwetenschap beschikt en bijgevolg – zoals uit overweging 23 van die verordening naar voren komt – een voordeel heeft ten opzichte van andere beleggers, daarvan profiteert ten nadele van de anderen, die hiervan niet op de hoogte zijn (arrest van 19 maart 2026, Finansinspektionen, C‑363/24, EU:C:2026:215, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 Vastgesteld moet worden dat de uitgevende instelling van een financieel instrument, juist vanwege haar positie, die noodzakelijkerwijs impliceert dat zij rechtstreeks kennis heeft van de voordelen en risico’s van het betrokken financiële instrument, het best geplaatst is om te beoordelen of informatie voldoet aan de in punt 33 van het onderhavige arrest beschreven kenmerken van „voorwetenschap” en om ervoor te zorgen dat zo snel mogelijk nauwkeurige, volledige en correcte informatie over dat financiële instrument wordt verspreid.
53 Hieruit volgt dat de beoordeling die de uitgevende instelling kan verrichten met betrekking tot de wezenlijke bestanddelen van het begrip „voorwetenschap” wegens haar rechtstreekse kennis van het betreffende financiële instrument, in beginsel betrouwbaarder en geloofwaardiger is dan een beoordeling die kan worden gemaakt door een derde die over dergelijke informatie beschikt.
54 Juist om die reden baseren het publiek en met name de financiëlemarktdeelnemers en de beleggers – in het bijzonder kleine aandeelhouders – hun vertrouwen en beleggingsbeslissingen terecht op de aldus door de uitgevende instelling openbaar gemaakte informatie.
55 Niettemin moet worden benadrukt dat artikel 17 van verordening nr. 596/2014 vanuit contextueel oogpunt moet worden uitgelegd in het licht van de bepalingen van uitvoeringsverordening 2016/1055, waarin de uitvoeringsvoorschriften van dat artikel zijn vastgesteld.
56 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat – zoals wordt bevestigd in overweging 1 van uitvoeringsverordening 2016/1055 – het vereiste van een effectieve en tijdige openbaarmaking van voorwetenschap door uitgevende instellingen en deelnemers aan een emissierechtenmarkt tot doel heeft om de bescherming van beleggers te waarborgen.
57 In dit verband, en om beleggers op het niveau van de Unie gelijke toegang tot voorwetenschap te waarborgen, zijn in artikel 2 van deze uitvoeringsverordening de technische middelen voor de openbaarmaking van deze informatie vastgesteld.
58 Overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder a), van die uitvoeringsverordening maken uitgevende instellingen en deelnemers aan een emissierechtenmarkt voorwetenschap openbaar met behulp van technische middelen die zorgen voor de verspreiding van voorwetenschap onder een zo groot mogelijk publiek op niet-discriminerende basis, gratis en gelijktijdig in de hele Unie.
59 Zoals staat te lezen in overweging 1 van uitvoeringsverordening 2016/1055 moet deze informatie voor alle categorieën van beleggers in de hele Unie openbaar worden gemaakt en moet zij aan de media worden meegedeeld met het oog op een effectieve verspreiding ervan onder het publiek.
60 Bovendien is in artikel 2, lid 1, onder b), van deze uitvoeringsverordening bepaald dat voorwetenschap „hetzij direct, hetzij via een derde partij” wordt meegedeeld aan de media waarop het publiek redelijkerwijs kan vertrouwen voor een effectieve verspreiding ervan. Deze mededeling vindt plaats met behulp van elektronische middelen die ervoor zorgen dat de volledigheid, integriteit en vertrouwelijkheid van de informatie tijdens de verzending wordt gehandhaafd.
61 Uit deze bepaling blijkt dat de Uniewetgever niet alleen heeft voorzien in de directe mededeling van de betreffende voorwetenschap aan het publiek door de uitgevende instelling, maar ook heeft bepaald dat dergelijke informatie kan worden verspreid via derden die daartoe zijn aangewezen door die uitgevende instelling, mits de openbaarmaking van deze voorwetenschap effectief en rechtmatig is.
62 Het valt dan ook niet uit te sluiten dat de openbaarmaking van voorwetenschap door derden die hiertoe geschikt zijn wegens hun band met de uitgevende instelling, alsook door media waarop het publiek redelijkerwijs kan vertrouwen voor de verspreiding van dergelijke informatie, kan voldoen aan de vereisten van een niet-discriminerende, kosteloze verspreiding onder een zo groot mogelijk publiek. In een dergelijk geval moet de voorwetenschap worden geacht openbaar te zijn gemaakt en dus niet langer onderworpen te zijn aan de geheimhoudingsregelingen die op voorwetenschap van toepassing zijn.
63 In casu kan de omstandigheid dat het besluit tot gunning van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde opdracht door het gemeentelijk bedrijf is toegezonden aan Hybricon, aan de andere ondernemingen die hebben deelgenomen aan de aanbestedingsprocedure, alsook aan de tweeëntwintig personen die hadden aangegeven de procedure te willen volgen zonder zelf deel te nemen, niet tot gevolg hebben dat deze informatie niet langer als „voorwetenschap” kan worden aangemerkt.
64 Het enkele feit dat voor de mededeling van de uitkomst van een aanbestedingsprocedure wordt volstaan met een kennisgeving aan een beperkte kring van adressaten doet geen afbreuk aan de kwalificatie van die informatie als „voorwetenschap”, aangezien een dergelijke kennisgeving geen niet-discriminerende openbaarmaking vormt aan alle beleggers die in die uitkomst geïnteresseerd zouden kunnen zijn.
65 Het is evenwel aan de verwijzende rechter om vast te stellen of een of meer van de betrokken adressaten eventueel door de uitgevende instelling waren belast met de openbaarmaking van die voorwetenschap, overeenkomstig de vereisten die in punt 62 van het onderhavige arrest zijn uiteengezet.
66 Evenmin kan uit het feit dat de informatie in het besluit tot gunning van de betrokken opdracht naar Zweeds recht toegankelijk was voor het publiek – voor zover iedere belanghebbende de bevoegde autoriteit om toegang tot die informatie kon verzoeken en kennis kon nemen van de inhoud ervan – worden afgeleid dat die informatie openbaar is gemaakt in de zin van artikel 7, lid 1, onder a), van verordening nr. 596/2014 en dus niet langer „voorwetenschap” vormt.
67 Er moet namelijk een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds informatie die voor het publiek toegankelijk is en die individueel aan een persoon ter beschikking wordt gesteld na een daartoe strekkend verzoek en met inachtneming van een specifieke daartoe vastgestelde procedure en anderzijds informatie die openbaar wordt gemaakt en gelijktijdig op niet-discriminerende wijze wordt verspreid onder een onbeperkte en onbepaalde kring van personen, overeenkomstig de ter zake gestelde vereisten in artikel 17 van deze verordening en artikel 2, lid 1, van uitvoeringsverordening 2016/1055.
68 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 7, lid 1, onder a), van verordening nr. 596/2014 aldus moet worden uitgelegd dat informatie slechts kan worden geacht openbaar te zijn gemaakt en dus niet langer „voorwetenschap” in de zin van die bepaling vormt indien zij openbaar is gemaakt volgens de voorschriften en met inachtneming van de vereisten als bedoeld in artikel 17 van deze verordening en artikel 2, lid 1, van uitvoeringsverordening 2016/1055.
Tweede vraag
69 Indien de eerste prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord, wenst de verwijzende rechter met zijn tweede vraag in essentie van het Hof te vernemen welke omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen om te beoordelen of voorwetenschap moet worden geacht openbaar te zijn gemaakt en dus niet langer „voorwetenschap” in de zin van artikel 7, lid 1, onder a), van verordening nr. 596/2014 vormt.
70 Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeft deze vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
71 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 7, lid 1, onder a), van verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijnen 2003/124[/EG], 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie
moet aldus worden uitgelegd dat
informatie slechts kan worden geacht openbaar te zijn gemaakt en dus niet langer „voorwetenschap” in de zin van die bepaling vormt indien zij openbaar is gemaakt volgens de voorschriften en met inachtneming van de vereisten als bedoeld in artikel 17 van deze verordening en artikel 2, lid 1, van uitvoeringsverordening (EU) 2016/1055 van de Commissie van 29 juni 2016 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot de technische middelen voor een passende openbaarmaking van voorwetenschap en voor het uitstellen van de openbaarmaking van voorwetenschap overeenkomstig verordening nr. 596/2014.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Zweeds.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.