HvJ EU 19 maart 2026, C-363/24, ECLI:EU:C:2026:215

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

19 maart 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Verordening (EU) nr. 596/2014 – Marktmisbruik – Artikel 7, lid 1 – Begrip ‚voorwetenschap’ – Artikel 7, lid 2 – Informatie die ‚concreet’ is – E‑mail die informatie bevat over de plaatsing van een persoon op een lijst van personen met voorwetenschap – Geen vermelding van de redenen voor de plaatsing op deze lijst – Juiste beoordeling van de omstandigheden – Juiste informatie – Noodzaak”

In zaak C‑363/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Högsta domstol (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Zweden) bij beslissing van 8 mei 2024, ingekomen bij het Hof op 17 mei 2024, in de procedure

Finansinspektionen

tegen

Carnegie Investment Bank AB,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Vierde kamer, M. Condinanzi (rapporteur), N. Jääskinen en R. Frendo, rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 mei 2025,

gelet op de opmerkingen van:

– Finansinspektionen, vertegenwoordigd door M. Eiderbrant en E. Leijonram als gemachtigden,

– Carnegie Investment Bank AB, vertegenwoordigd door M. Bengtsson, N. Rockborn en D. Waerme, advokater,

– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en R. Kanitz als gemachtigden,

– de Finse regering, vertegenwoordigd door M. Pere als gemachtigde,

– de Noorse regering, vertegenwoordigd door E. Skjelland en B. Stankovic als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Auvret en M. Björkland als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 juli 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, lid 2, van verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijnen 2003/124, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie (PB 2014, L 173, blz. 1, met rectificatie in PB 2016, L 287, blz. 320).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Finansinspektion (financiële toezichthoudende autoriteit, Zweden) en Carnegie Investment Bank AB (hierna: „Carnegie”), een in Zweden gevestigde bank, over een verzoek van deze autoriteit om Carnegie te veroordelen tot betaling van een boete wegens overtreding van het verbod op handel met voorwetenschap, als bedoeld in de artikelen 8 en 14 van verordening nr. 596/2014.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Verordening nr. 596/2014

3 De overwegingen 2, 14 en 24 van verordening nr. 596/2014 luiden als volgt: „(2) Voor een geïntegreerde, efficiënte en transparante financiële markt is marktintegriteit nodig. Een goede werking van de effectenmarkten en vertrouwen van het publiek in de markten zijn noodzakelijke voorwaarden voor economische groei en welvaart. Marktmisbruik schaadt de integriteit van de financiële markten en schendt het vertrouwen van het publiek in effecten en derivaten. […] (14) Redelijk handelende beleggers baseren hun beleggingsbeslissingen op informatie die reeds voor hen beschikbaar is, d.w.z. op vooraf beschikbare informatie. De vraag of een redelijk handelende belegger bij het nemen van een beleggingsbeslissing met een bepaalde inlichting waarschijnlijk rekening zou houden, moet derhalve worden beoordeeld op basis van de vooraf beschikbare informatie. Bij een dergelijke beoordeling moet rekening worden gehouden met de verwachte invloed van de inlichting in kwestie gelet op het geheel van activiteiten van de betrokken uitgevende instelling, de betrouwbaarheid van de informatiebron en alle andere marktvariabelen die onder de gegeven omstandigheden van invloed kunnen zijn op de financiële instrumenten, de desbetreffende spotcontracten voor grondstoffen of de geveilde producten op basis van de emissierechten. […] (24) […] De vraag of een persoon het verbod op handel met voorwetenschap heeft overtreden, of een poging daartoe heeft ondernomen, moet worden beantwoord op basis van de doelstelling van deze verordening, die erin bestaat de integriteit van de financiële markten te beschermen en het beleggersvertrouwen te vergroten, dat op zijn beurt berust op de zekerheid dat beleggers op voet van gelijkheid zullen verkeren en beschermd worden tegen het misbruik van voorwetenschap.”

4 Artikel 1 van deze verordening bepaalt: „In deze verordening wordt een gemeenschappelijk regelgevend kader vastgelegd inzake handel met voorwetenschap, wederrechtelijke mededeling van voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik), en ook maatregelen ter voorkoming van marktmisbruik teneinde de integriteit van de financiële markten in de Unie te waarborgen en de bescherming van beleggers en hun vertrouwen in die markten te versterken.”

5 Artikel 7 („Voorwetenschap”) van die verordening bepaalt: „1. Voor de toepassing van deze verordening omvat voorwetenschap de volgende soorten informatie: a) niet openbaar gemaakte informatie die concreet is en die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking heeft op een of meer uitgevende instellingen of op een of meer financiële instrumenten en die, indien zij openbaar zou worden gemaakt, een significante invloed zou kunnen hebben op de koers van deze financiële instrumenten of daarvan afgeleide financiële instrumenten; […] 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt informatie geacht concreet te zijn indien zij betrekking heeft op een situatie die bestaat of waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij zal ontstaan, dan wel op een gebeurtenis die heeft plaatsgevonden of waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij zal plaatsvinden, en indien de informatie specifiek genoeg is om er een conclusie uit te trekken omtrent de mogelijke invloed van bovenbedoelde situatie of gebeurtenis op de koers van de financiële instrumenten of daarvan afgeleide financiële instrumenten, de daaraan gerelateerde spotcontracten voor grondstoffen of de geveilde, op emissierechten gebaseerde producten. […] […] 4. Voor de toepassing van lid 1 wordt onder informatie die, indien deze openbaar zou worden gemaakt, waarschijnlijk een significante invloed zou hebben op de koers van financiële instrumenten, daarvan afgeleide financiële instrumenten, daaraan gerelateerde spotcontracten voor grondstoffen of geveilde producten gebaseerd op emissierechten, informatie verstaan waarvan een redelijk handelende belegger waarschijnlijk gebruik zou maken om er zijn beleggingsbeslissingen ten dele op te baseren. […]”

6 Artikel 8 („Handel met voorwetenschap”) van verordening nr. 596/2014 bepaalt in lid 1: „Voor de toepassing van deze verordening doet handel met voorwetenschap zich voor wanneer een persoon die over voorwetenschap beschikt die informatie gebruikt om, voor eigen rekening of voor rekening van derden, rechtstreeks of middellijk financiële instrumenten te verwerven of te vervreemden waarop die informatie betrekking heeft. Het gebruik van voorwetenschap door het annuleren of aanpassen van een order met betrekking tot een financieel instrument waarop de informatie betrekking heeft terwijl de order werd geplaatst voordat de betrokken persoon over de voorwetenschap beschikte, wordt eveneens als handel met voorwetenschap beschouwd. […]”

7 Artikel 9 („Legitieme gedragingen”) van deze verordening bepaalt in de leden 3 en 6: „3. Voor de toepassing van de artikelen 8 en 14 betekent het enkele feit dat een persoon beschikt over voorwetenschap in het geval van een verwerving of een vervreemding niet automatisch dat deze persoon die informatie heeft gebruikt en aldus met voorwetenschap heeft gehandeld op basis van een verwerving of een vervreemding, indien deze persoon een transactie sluit voor het verwerven of vervreemden van financiële instrumenten wanneer die transactie te goeder trouw plaatsvindt in het kader van de uitoefening van een opeisbaar geworden verplichting en niet om het verbod op handel met voorwetenschap te omzeilen, en: a) die verplichting voortvloeit uit een order die is geplaatst of een overeenkomst die is gesloten voordat de persoon in kwestie over die voorwetenschap beschikte, of b) de transactie is uitgevoerd om te voldoen aan een wettelijke of reguleringsverplichting die is ontstaan voordat de persoon in kwestie over die voorwetenschap beschikte. […] 6. Onverminderd de leden 1 tot en met 5 van dit artikel kan een inbreuk op het verbod op handel met voorwetenschap zoals bedoeld in artikel 14 worden geacht zich te hebben voorgedaan indien de bevoegde autoriteit vaststelt dat voor de orders, transacties of gedragingen in kwestie een onrechtmatige reden schuilgaat.”

8 Artikel 14 („Verbod op handel met voorwetenschap en wederrechtelijke mededeling van voorwetenschap”) van deze verordening luidt als volgt: „Het is verboden om: a) te handelen met voorwetenschap of trachten te handelen met voorwetenschap; b) iemand anders aan te raden om te handelen met voorwetenschap of iemand anders ertoe aan te zetten om te handelen met voorwetenschap, of c) voorwetenschap wederrechtelijk mee te delen.”

9 Artikel 17 („Openbaarmaking van voorwetenschap”) van die verordening bepaalt in de leden 1 en 4: „1. Een uitgevende instelling maakt voorwetenschap die rechtstreeks betrekking heeft op die uitgevende instelling, zo snel mogelijk openbaar. […] 4. Een uitgevende instelling of een deelnemer aan een emissierechtenmarkt kan op eigen verantwoordelijkheid de openbaarmaking van voorwetenschap uitstellen mits aan elk van de volgende voorwaarden wordt voldaan: a) onmiddellijke openbaarmaking zou waarschijnlijk schade toebrengen aan de rechtmatige belangen van de uitgevende instelling of de deelnemer aan een emissierechtenmarkt; b) het is niet waarschijnlijk dat het publiek door het uitstel van de openbaarmaking zou worden misleid; c) de uitgevende instelling of de deelnemer aan een emissierechtenmarkt is in staat om de vertrouwelijkheid van de betreffende informatie te garanderen. […]”

10 Artikel 18 („Lijsten van personen met voorwetenschap”) van verordening nr. 596/2014 bepaalt het volgende: „1. Uitgevende instellingen of personen die namens hen of voor hun rekening handelen, dienen: a) een lijst op te stellen van de personen die toegang hebben tot voorwetenschap en die bij hen, op basis van een arbeidscontract, werkzaam zijn of anderszins taken verrichten in het kader waarvan zij toegang hebben tot voorwetenschap, zoals adviseurs, accountants of ratingbureaus (de lijst van insiders); b) de lijst van insiders voortdurend bij te werken overeenkomstig lid 4, en c) de lijst van insiders desgevraagd zo snel mogelijk ter beschikking te stellen van de bevoegde autoriteit. […] 3. De lijst van insiders vermeldt in ieder geval: a) de identiteit van alle personen die toegang hebben tot voorwetenschap; b) de reden voor opname op de lijst van insiders; c) de datum en het tijdstip waarop die personen toegang tot voorwetenschap hebben gekregen, en d) de datum waarop de lijst van insiders is opgesteld. […]”

11 Artikel 19 („Transacties door leidinggevenden”) van verordening nr. 596/2014 is als volgt geformuleerd: „1. Personen met leidinggevende verantwoordelijkheid, evenals nauw verbonden personen, moeten de uitgevende instelling of de deelnemer aan de emissierechtenmarkt en de in lid 2, tweede alinea, bedoelde bevoegde autoriteit op de hoogte stellen van: a) met betrekking tot uitgevende instellingen, alle transacties voor hun eigen rekening met betrekking tot aandelen of schuldinstrumenten van die uitgevende instelling, of afgeleide of andere financiële instrumenten die ermee zijn verbonden; b) met betrekking tot deelnemers aan markten voor emissierechten, alle transacties voor hun eigen rekening in verband met emissierechten, de daarop gebaseerde te veilen producten of daaraan gerelateerde derivaten. Dergelijke kennisgevingen vinden onverwijld plaats en niet later dan drie werkdagen na de datum van de transactie. De eerste alinea is van toepassing zodra het totale bedrag van de transacties binnen een kalenderjaar de in lid 8 of 9 bedoelde drempel heeft bereikt. 2. Voor de toepassing van artikel 1 en onverminderd het recht van de lidstaten om meldingsverplichtingen op te leggen niet zijnde de in dit artikel bedoelde, moeten alle transacties die voor eigen rekening van de in lid 1 bedoelde personen zijn uitgevoerd, door deze personen aan de bevoegde autoriteiten worden gemeld. […]”

Uitvoeringsverordening 2016/347

12 Artikel 2 van uitvoeringsverordening (EU) 2016/347 van de Commissie van 10 maart 2016 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot de precieze indeling van lijsten van personen met voorwetenschap en voor het bijwerken van lijsten van personen met voorwetenschap overeenkomstig verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad (PB 2016, L 65, blz. 49) bepaalde: „1. Uitgevende instellingen, deelnemers aan markten voor emissierechten, veilingplatforms, veilingmeesters en de veilingtoezichthouder, of namens hen of voor hun rekening optredende personen, zorgen ervoor dat hun lijst van personen met voorwetenschap is onderverdeeld in verschillende afdelingen voor de verschillende voorwetenschap. […] Elke afdeling van de lijst van personen met voorwetenschap bevat uitsluitend nadere gegevens van personen die toegang hebben tot de voorwetenschap welke voor die afdeling van belang is. 2. De in lid 1 bedoelde personen kunnen een bijkomende afdeling toevoegen aan hun lijst van personen met voorwetenschap met de nadere gegevens van personen die steeds toegang hebben tot alle voorwetenschap (hierna ‚personen met permanente voorwetenschap’ genoemd). De nadere gegevens van personen met permanente voorwetenschap die zijn opgenomen in de in de eerste alinea bedoelde bijkomende afdeling, worden niet opgenomen in de andere afdelingen van de in lid 1 bedoelde lijst van personen met voorwetenschap. […]”

Zweeds recht

13 De lag (2016:1306) med kompletterande bestämmelser till EU:s marknadsmissbruksförordning [wet (2016:1306) betreffende bepalingen ter aanvulling van de verordening marktmisbruik] van 20 december 2016 (SFS 2016, nr. 1306) bevat bepalingen ter aanvulling van verordening nr. 596/2014.

14 § 1, punt 1, van hoofdstuk 5 van deze wet bepaalt dat de Finansinspektion verplicht is om actie te ondernemen tegen elke persoon die het verbod op handel met voorwetenschap heeft overtreden. Blijkens § 3, punt 6, van dit hoofdstuk kan een dergelijke actie worden uitgevoerd door het opleggen van een boete.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

15 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de onderneming Varvtre AB op de datum van de feiten in het hoofdgeding eigendom was van BAK, die toen eveneens de algemeen directeur en grootaandeelhouder was van de beursgenoteerde Zweedse spelontwikkelingsonderneming Starbreeze AB. Varvtre had een zogenoemde „depositolening” afgesloten bij Carnegie. Deze lening hield in dat zij van deze bank een krediet kreeg in ruil voor het in pand geven van aandelen in het depot van de bank als zekerheid.

16 Meer bepaald kreeg Varvtre volgens deze overeenkomst een krediet van 35 miljoen Zweedse kronen (SEK) (ongeveer 3275131 EUR) in ruil voor de verpanding van Starbreeze-aandelen tot een bepaalde waarde. In die overeenkomst was bepaald dat deze aandelen slechts tot een bepaalde waarde als zekerheid konden worden gebruikt en dat Carnegie het recht had het krediet te beëindigen voor onmiddellijke betaling indien de zekerheid voor dat krediet niet langer toereikend was. In dergelijke omstandigheden had Carnegie ook het recht om het panddeposito naar eigen goeddunken te gebruiken.

17 Door een koersdaling van de aandelen van Starbreeze werd het krediet van Varvtre bij Carnegie overgekrediteerd. Op 14 november 2018 bedroeg de overmatige schuldenlast ongeveer 5 miljoen SEK (ongeveer 467875 EUR). De volgende ochtend heeft Carnegie op grond van de bepalingen van de betrokken overeenkomst een procedure tot verkoop van de in pand gegeven Starbreeze-aandelen ingeleid.

18 Op 15 november 2018, om 13.32 uur, heeft het hoofd communicatie van Starbreeze, die ook BAK en Varvtre bijstond in hun betrekkingen met Carnegie, een e‑mail naar Carnegie gestuurd waarin stond dat BAK was geregistreerd in het „transparantieregister” van Starbreeze en vanaf 13.33 uur niet meer mocht verkopen (hierna: „e‑mail van 15 november 2018”). Om 13.35 uur is bij Starbreeze een lijst van personen met voorwetenschap (hierna: „lijst van insiders”) opgesteld en om 13.37 uur is BAK op deze lijst opgenomen. Carnegie heeft aangevoerd dat de informatie in deze e‑mail niet juist was omdat BAK op het moment van de verzending ervan nog niet op de lijst van insiders was opgenomen.

19 Volgens het hoofd communicatie van Starbreeze was BAK op de lijst van personen met voorwetenschap opgenomen omdat hij te horen had gekregen dat de financieel directeur van Starbreeze ontslag had genomen. De e‑mail van 15 november 2018 bevatte echter geen informatie over de reden waarom BAK op de lijst van insiders van Starbreeze was opgenomen. Zo was er volgens Carnegie geen informatie die rechtstreeks of middellijk verband hield met Starbreeze en die voorwetenschap vormde. Voorts heeft Carnegie aangevoerd dat de informatie in verband met het ontslag van de financieel directeur geen voorwetenschap vormde.

20 Nadat Carnegie de e‑mail van 15 november 2018 had ontvangen, is de verkoop van Starbreeze-aandelen die in de loop van die ochtend van start was gegaan, opgeschort. In de namiddag heeft Carnegie die verkoopprocedure hervat. Na 15 november 2018 en tot en met 19 november 2018 is in totaal voor iets meer dan 16 miljoen SEK (ongeveer 1497202 EUR) aan Starbreeze-aandelen verkocht. Varvtre heeft dankzij deze verkoop de verliezen met ongeveer 4,9 miljoen SEK (ongeveer 426000 EUR) kunnen beperken.

21 Op 23 november 2018 heeft Starbreeze een persbericht gepubliceerd waarin onder meer stond geschreven dat de verkoopopbrengsten van het bedrijf lager waren dan verwacht en dat de financieel directeur van het bedrijf die functie niet langer bekleedde.

22 De Finansinspektion heeft een vordering ingesteld tegen Carnegie en geëist dat deze bank zou worden veroordeeld tot het betalen van een boete van 35 miljoen SEK (ongeveer 3045000 EUR) wegens schending van het verbod op handel met voorwetenschap als bedoeld in de artikelen 8 en 14 van verordening nr. 596/2014. Als reden voor deze vordering voerde de Finansinspektion aan dat Carnegie, doordat zij de e‑mail van 15 november 2018 had ontvangen, op het moment van de verkoop van de Starbreeze-aandelen toegang had tot voorwetenschap.

23 De Tingsrätt (rechter in eerste aanleg, Zweden) was van oordeel dat de informatie in de e‑mail voorwetenschap vormde en heeft die vordering toegewezen. Met name kon de informatie in de e‑mail naar het oordeel van die rechter alleen zo worden geïnterpreteerd dat er negatieve informatie was met betrekking tot Starbreeze. Voorts heeft de Tingsrätt geoordeeld dat uit deze informatie conclusies konden worden getrokken met betrekking tot het mogelijke effect op de prijs van Starbreeze-aandelen, ongeacht de exacte informatie die tot het opstellen van de lijst van insiders van deze onderneming had geleid.

24 De Svea hovrätt (rechter in tweede aanleg Stockholm, Zweden) heeft dit vonnis van de Tingsrätt gewijzigd en de vordering van de Finansinspektion verworpen op grond dat de informatie in de e‑mail van 15 november 2018 geen voorwetenschap vormde. Volgens de Svea hovrätt was die informatie niet van dien aard dat de ontvanger kon begrijpen waarom BAK werd geacht over voorwetenschap te beschikken en daardoor niet mocht verkopen. De ontvanger van die e‑mail kon daarom ook niet begrijpen dat de informatie zelf van invloed kon zijn op de ontwikkeling van de prijs van Starbreeze-aandelen. Volgens deze rechter kon de inhoud van die e‑mail eerder als „vaag” of „algemeen” worden aangemerkt, en kon deze derhalve als niet concreet worden beschouwd.

25 De Finansinspektion heeft tegen deze beslissing van de Svea hovrätt hogere voorziening ingesteld bij de Högsta domstol (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Zweden), de verwijzende rechter. Deze rechter merkt op dat informatie concreet moet zijn, wil zij „voorwetenschap” vormen in de zin van verordening nr. 596/2014. In het hoofdgeding rijst volgens hem echter de vraag of uit dit vereiste volgt dat het niet volstaat dat informatie wordt verstrekt waaruit blijkt dat een persoon op een lijst van insiders is opgenomen en geacht werd geen aandelen te mogen verkopen, maar dat de ontvanger van de informatie ook in staat moet zijn geweest om de onderliggende omstandigheden te begrijpen die ertoe hebben geleid dat deze persoon op die lijst van insiders is opgenomen. Voorts rijst in dat geval de vraag hoe gedetailleerd en met welke mate van zekerheid deze ontvanger conclusies kan trekken over die omstandigheden.

26 In deze omstandigheden heeft de Högsta domstol de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Kan een mededeling dat een bepaalde persoon is opgenomen op een lijst van personen met voorwetenschap en geen aandelen van een uitgevende instelling mag verkopen, van een voldoende concrete aard zijn om voorwetenschap te vormen in de zin van artikel 7, lid 2, van [verordening nr. 596/2014], zelfs als de redenen voor de opname van de persoon op de lijst niet duidelijk zijn? 2) Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend luidt, onder welke voorwaarden dan? 3) Is het voor de beoordeling of een mededeling als bedoeld in de eerste vraag voorwetenschap uitmaakt, van belang of de beoordeling van de uitgevende instelling volgens welke de omstandigheden die hebben geleid tot de opname van de persoon op de lijst van personen met voorwetenschap, voorwetenschap vormden, juist was? 4) Is het voor de beoordeling of een mededeling als bedoeld in de eerste vraag voorwetenschap vormt, relevant of de informatie in de mededeling juist was?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste en tweede vraag

27 Met zijn eerste en tweede vraag, die samen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 7, lid 2, van verordening nr. 596/2014 aldus worden uitgelegd dat een mededeling van een uitgevende instelling dat een persoon op een lijst van insiders is geplaatst en geen aandelen van deze uitgevende instelling mag verkopen, informatie kan uitmaken die voldoende „concreet” is in de zin van dat artikel 7, leden 1 en 2, om als „voorwetenschap” te worden aangemerkt, zelfs als uit die mededeling niet blijkt waarom die persoon op die lijst is geplaatst.

28 Vooraf zij erop gewezen dat verordening nr. 596/2014 met ingang van 3 juli 2016 richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik) (PB 2003, L 96, blz. 16) heeft opgeheven en vervangen. Artikel 7, lid 1, van deze verordening komt in wezen overeen met artikel 1, punt 1, van die richtlijn, zodat de rechtspraak betreffende die laatste bepaling relevant is voor de uitlegging van dit artikel 7, lid 1.

29 Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, omvat de definitie van het begrip „voorwetenschap” in artikel 7, lid 1, van verordening nr. 596/2014 vier essentiële bestanddelen. In de eerste plaats gaat het om informatie die concreet is. In de tweede plaats is deze informatie niet openbaar gemaakt. In de derde plaats heeft zij rechtstreeks of middellijk betrekking op een of meer financiële instrumenten of de uitgevende instellingen ervan. In de vierde plaats zou zij, indien zij openbaar werd gemaakt, een significante invloed kunnen hebben op de koers van deze financiële instrumenten of daarvan afgeleide financiële instrumenten (zie in die zin arresten van 11 maart 2015, Lafonta, C‑628/13, EU:C:2015:162, punt 24, en 15 maart 2022, Autorité des marchés financiers, C‑302/20, EU:C:2022:190, punt 33).

30 Voorts wordt informatie volgens artikel 7, lid 2, van deze verordening met het oog op de toepassing van lid 1 van dit artikel 7 geacht „concreet” te zijn indien zij aan twee voorwaarden voldoet, namelijk indien zij ten eerste betrekking heeft op een situatie die bestaat of waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij zal ontstaan, dan wel op een gebeurtenis die heeft plaatsgevonden of waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij zal plaatsvinden, en ten tweede specifiek genoeg is om er een conclusie uit te trekken omtrent de mogelijke invloed van die situatie of gebeurtenis op de koers van financiële instrumenten of daarvan afgeleide financiële instrumenten.

31 In de onderhavige zaak zou de vermeende voorwetenschap vervat zijn in de e‑mail van 15 november 2018 waarbij het hoofd communicatie van Starbreeze aan Carnegie heeft laten weten dat BAK, destijds de algemeen directeur en grootaandeelhouder van Starbreeze, net op de lijst van insiders van deze laatste onderneming was geplaatst, en dat dit gepaard ging met een verbod voor BAK om Starbreeze-aandelen te verkopen.

32 De eerste in punt 30 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarde zal worden onderzocht in het kader van de behandeling van de derde en de vierde vraag.

33 Wat betreft de tweede in dat punt 30 genoemde voorwaarde, heeft het Hof verduidelijkt dat het om vast te stellen dat de informatie in kwestie kan worden geacht „specifiek genoeg” te zijn volstaat dat deze informatie concreet of specifiek genoeg is om een grondslag te kunnen vormen voor de beoordeling of de in die informatie vermelde situatie of gebeurtenis van invloed kan zijn op de koers van de financiële instrumenten waarop die informatie betrekking heeft. Dientengevolge is op grond van artikel 7, leden 1 en 2, van verordening nr. 596/2014 enkel „vage of algemene informatie waaruit geen conclusies kunnen worden getrokken omtrent de mogelijke invloed ervan op de koers van de betrokken financiële instrumenten” uitgesloten van het begrip „voorwetenschap” (zie in die zin arrest van 15 maart 2022, Autorité des marchés financiers, C‑302/20, EU:C:2022:190, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dit dient dus per geval te worden onderzocht (zie in die zin arrest van 15 maart 2022, Autorité des marchés financiers, C‑302/20, EU:C:2022:190, punten 41 en 42).

34 Hieruit volgt dat om na te gaan of aan de tweede in punt 30 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarde is voldaan, dus of informatie „specifiek genoeg” is in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 596/2014, op basis van een beoordeling van de specifieke omstandigheden van elk geval moet worden vastgesteld of uit die informatie een conclusie kan worden getrokken omtrent de mogelijke invloed van de daarin genoemde situatie of gebeurtenis op de koers van de betrokken financiële instrumenten.

35 In licht van deze verduidelijkingen dient te worden vastgesteld dat de verplichting van uitgevende instellingen om de personen die toegang hebben tot voorwetenschap en die bij hen op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam zijn of anderszins taken verrichten in het kader waarvan zij toegang hebben tot voorwetenschap op een lijst van insiders te plaatsen, en die lijst bij te werken en aan de bevoegde autoriteiten te verstrekken, voortvloeit uit artikel 18 van verordening nr. 596/2014 en dus verband houdt met de interne organisatie van de betrokken uitgevende instelling, onder toezicht van de bevoegde autoriteit waaraan de lijst van insiders moet worden verstrekt overeenkomstig artikel 18, lid 1, onder c).

36 Bijgevolg kan een bericht dat een dergelijke persoon op de lijst van insiders van een uitgevende instelling is geplaatst in beginsel als zodanig en zonder nadere verduidelijkingen over de context waarin de plaatsing van die persoon op deze lijst een invloed kan hebben op de koers van de betrokken financiële instrumenten, niet voldoen aan de voorwaarde dat informatie, om „voorwetenschap” in de zin van artikel 7, lid 1, van deze verordening te vormen, onder meer een significante invloed moet kunnen hebben op die koers.

37 Dat geldt niet alleen wanneer dat bericht gaat over de plaatsing op de lijst van een persoon die wegens de aard van zijn taken steeds toegang heeft tot alle voorwetenschap en die de uitgevende instelling om die reden als „persoon met permanente voorwetenschap” op de lijst kan hebben geplaatst, indien zij gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid die artikel 2, lid 2, van uitvoeringsverordening 2016/347 haar biedt om een bijkomende afdeling betreffende die specifieke categorie van personen met voorwetenschap aan haar lijst van insiders toe te voegen, maar ook wanneer het gaat over de plaatsing op de lijst van een „persoon met occasionele voorwetenschap”, die af en toe toegang heeft tot een of meer inlichtingen die voorwetenschap uitmaken.

38 Toch kan niet a priori worden uitgesloten dat een mededeling dat een persoon is opgenomen op de lijst van insiders van een uitgevende instelling wegens andere vermeldingen daarbij, bijvoorbeeld dat deze persoon geen aandelen van die uitgevende instelling mag verkopen, of de omstandigheden waarin deze mededeling is gedaan, wordt geacht „specifiek genoeg” te zijn in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 596/2014 omdat zij rechtstreeks aan het licht brengt of impliceert dat er sprake is van een onderliggende gebeurtenis die een invloed zou kunnen hebben op de koers van de betrokken financiële instrumenten of daarvan afgeleide financiële instrumenten.

39 Daartoe moet met name worden nagegaan of het gelet op de situatie in een welbepaald geval vaststaat dat de ontvanger van een mededeling met dergelijke informatie daar rechtstreeks of middellijk gebruik van kan maken om aandelen te kopen of te verkopen, waardoor hij zich in een gunstigere bevindt dan andere beleggers.

40 In dit verband zij eraan herinnerd dat het doel van verordening nr. 596/2014, blijkens de overwegingen 2 en 24 en artikel 1 ervan, erin bestaat de integriteit van de financiële markten van de Unie te waarborgen en het vertrouwen van de beleggers in deze markten te vergroten, welk vertrouwen onder meer berust op de omstandigheid dat zij op voet van gelijkheid verkeren en dat zij zullen worden beschermd tegen het ongeoorloofde gebruik van voorwetenschap. Met het verbod op handel met voorwetenschap en wederrechtelijke mededeling van voorwetenschap van artikel 14 van deze verordening wordt beoogd de gelijkheid van de partijen bij een beurstransactie te waarborgen, door te vermijden dat een van de medecontractanten die over voorwetenschap beschikt en derhalve een voordeel heeft ten opzichte van de andere beleggers, hiervan profiteert ten nadele van de anderen, die hiervan niet op de hoogte zijn (zie in die zin arrest van 15 maart 2022, Autorité des marchés financiers, C‑302/20, EU:C:2022:190, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41 Het staat aan de verwijzende rechter om in het licht van de situatie in het hoofdgeding na te gaan of is aangetoond dat de mededeling in kwestie voldoet aan de voorwaarden van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 596/2014 om te worden beschouwd als „specifiek genoeg” en dus „voorwetenschap” kan vormen, als bedoeld in dat artikel 7, lid 1.

42 Bij dat onderzoek moet die rechter om te beginnen met name rekening houden met de inhoud van de e‑mail van 15 november 2018 en met de identiteit van de daarin genoemde personen en de rol die zij bij de betrokken uitgevende instelling vervullen.

43 Wat dit laatste betreft, moet worden benadrukt dat BAK, als algemeen directeur en grootaandeelhouder van Starbreeze, in casu weliswaar noodzakelijkerwijs toegang moest hebben tot commerciële informatie die „voorwetenschap” in de zin van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 596/2014 kon vormen, gelet op zijn rol en de functies die hij binnen Starbreeze uitoefende, maar dat deze omstandigheid overeenkomstig de bepalingen van artikel 19 van deze verordening niet op zichzelf tot gevolg had dat hij de financiële instrumenten van die onderneming niet mocht verhandelen. Bovendien kan, overeenkomstig hetgeen in punt 36 van het onderhavige arrest is uiteengezet, een mededeling betreffende het enkele feit dat BAK op de lijst van insiders van Starbreeze is geplaatst, in beginsel niet de mate van concreetheid vertonen die bij gebreke van nadere verduidelijkingen vereist is opdat het eerste in punt 29 van dit arrest genoemde bestanddeel wordt vastgesteld, en dus om „voorwetenschap” in de zin van artikel 7, lid 1, van die verordening te kunnen vormen.

44 Daarentegen kan het feit dat de informatie in de e‑mail van 15 november 2018 niet alleen inhield dat BAK op de lijst van insiders van Starbreeze was geplaatst maar ook dat dit gepaard ging met een verbod voor BAK om aandelen van deze onderneming te verkopen, van invloed zijn op de verificatie van de tweede in punt 30 van het onderhavige arrest bedoelde voorwaarde en dus op het onderzoek van het eerste bestanddeel van het in punt 29 van dit arrest genoemde begrip „voorwetenschap”, betreffende de mate van concreetheid van de betrokken informatie.

45 Er zij namelijk op gewezen dat, hoewel informatie over het enkele feit dat een persoon op de lijst van insiders van een onderneming is geplaatst, in beginsel en als zodanig neutraal staat tegenover de vraag of het voor een belegger opportuun zou zijn om aandelen van die onderneming te kopen of te verkopen, de toevoeging van aanvullende informatie over een aan deze persoon opgelegd verbod om aandelen van die onderneming te verkopen noodzakelijkerwijs impliceert dat deze persoon kennis heeft van een gebeurtenis die negatief is voor de belangen van die onderneming en die een belegger die daarvan op de hoogte is er dus toe zou kunnen aanzetten om dergelijke aandelen eerder te verkopen dan te kopen, of in ieder geval de beslissingen van een deze belegger op de betrokken markt zou kunnen beïnvloeden wanneer hij hiervan kennisneemt.

46 Hieruit volgt dat dergelijke informatie, die niet alleen gaat over de plaatsing van een persoon op de lijst van insiders van een uitgevende instelling maar ook over het feit dat aan deze persoon een verbod is opgelegd om aandelen van die uitgevende instelling te verkopen, hoewel een belegger daaruit niet de onderliggende reden voor die plaatsing op de lijst kan afleiden, in bepaalde omstandigheden door een redelijk handelende belegger waarschijnlijk zal worden gebruikt om er zijn beleggingsbeslissingen ten dele op te baseren, in de zin van artikel 7, lid 4, van verordening nr. 596/2014, in welk geval het vierde in punt 29 van het onderhavige arrest genoemde bestanddeel, namelijk dat de informatie in kwestie, indien zij openbaar zou worden gemaakt, een significante invloed zou kunnen hebben op de koers van de betrokken financiële instrumenten, vervuld is.

47 In dit verband moet worden benadrukt dat de verificatie of de informatie specifiek genoeg is, juist bedoeld is om na te gaan of deze voldoende concreet is om, indien zij openbaar zou worden gemaakt, een significante invloed te kunnen uitoefenen op de koers van de betrokken financiële instrumenten of op de koers van daarvan afgeleide financiële instrumenten.

48 Overigens heeft het Hof reeds geoordeeld dat informatie die, indien zij openbaar zou worden gemaakt, „een significante invloed zou kunnen hebben” op de koers van de betrokken effecten in de zin van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 596/2014, in de regel ook moet worden geacht te voldoen aan de in die bepaling gestelde voorwaarde dat die informatie „concreet” is, aangezien informatie in beginsel geen dergelijke invloed kan hebben indien zij op zichzelf niet concreet is (zie in die zin arrest van 15 maart 2022, Autorité des marchés financiers, C‑302/20, EU:C:2022:190, punt 55).

49 In die omstandigheden zou uit de aan Carnegie toegezonden mededeling dat BAK op de lijst van insiders van Starbreeze was geplaatst, samen met de aanvullende informatie dat hij geen aandelen van deze onderneming mocht verkopen, een conclusie kunnen worden getrokken over de koers van de financiële instrumenten van deze onderneming, zodat deze als „specifiek genoeg” in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 596/2014 zou kunnen worden aangemerkt. Een dergelijke mededeling zou dus kunnen voldoen aan de voorwaarden om „voorwetenschap” in de zin van dat artikel 7, lid 1, te vormen, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan.

50 Vervolgens moet de verwijzende rechter bij de toepassing van de artikelen 8 en 14 van verordening nr. 596/2014 ook rekening houden met de specifieke context waarin de vermeende voorwetenschap is medegedeeld.

51 Zoals in de punten 15 tot en met 17 van het onderhavige arrest is uiteengezet, blijkt namelijk uit de verwijzingsbeslissing dat de procedure voor de verkoop van de door Varvtre gehouden Starbreeze-aandelen door Carnegie is ingeleid ter uitoefening van het pandrecht op de aandelen die laatstgenoemde krachtens de tussen Varvtre en Carnegie gesloten „depositolening” tot zekerheid hield.

52 Meer bepaald had Varvtre overeenkomstig die overeenkomst van deze bank een krediet verkregen in ruil voor het in pand geven van aandelen in het depot van de bank als zekerheid. In die overeenkomst was bepaald dat de aandelen slechts tot een bepaalde waarde als zekerheid konden worden gebruikt en dat Carnegie het recht had het krediet te beëindigen voor onmiddellijke betaling indien de zekerheid voor dat krediet niet langer toereikend was. In dergelijke omstandigheden had Carnegie volgens de overeenkomst in kwestie ook het recht om het panddeposito naar eigen goeddunken te gebruiken.

53 Nu is het juist ten gevolge van de daling van de koers van de Starbreeze-aandelen, die overigens vóór de verzending van de e‑mail van 15 november 2018 is geconstateerd, dat het krediet van Varvtre bij Carnegie overgekrediteerd werd, en dat laatstgenoemde de ochtend van 15 november 2018 op grond van de bepalingen van de betrokken overeenkomst een procedure tot verkoop van de door Varvtre in pand gegeven Starbreeze-aandelen heeft ingeleid.

54 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 9, lid 3, van verordening nr. 596/2014 bepaalt dat voor de toepassing van de artikelen 8 en 14 het enkele feit dat een persoon beschikt over voorwetenschap in het geval van een verwerving of een vervreemding niet automatisch betekent dat deze persoon die informatie heeft gebruikt en aldus met voorwetenschap heeft gehandeld op basis van een verwerving of een vervreemding, indien deze persoon een transactie sluit voor het verwerven of vervreemden van financiële instrumenten wanneer die transactie te goeder trouw plaatsvindt in het kader van de uitoefening van een opeisbaar geworden verplichting en niet om het verbod op handel met voorwetenschap te omzeilen, en die verplichting voortvloeit uit een order die is geplaatst of een overeenkomst die is gesloten voordat de persoon in kwestie over die voorwetenschap beschikte, en die transactie is uitgevoerd om te voldoen aan een wettelijke of reguleringsverplichting die is ontstaan voordat de persoon in kwestie over die voorwetenschap beschikte.

55 Artikel 9, lid 6, van deze verordening vult deze bepaling aan door in de mogelijkheid te voorzien dat een inbreuk op het verbod op handel met voorwetenschap als bedoeld in artikel 14 van die verordening wordt geacht zich te hebben voorgedaan indien de bevoegde autoriteit vaststelt dat achter de orders, transacties of gedragingen in kwestie een onrechtmatige reden schuilgaat.

56 Indien de verwijzende rechter tot de conclusie komt dat de e‑mail van 15 november 2018 voorwetenschap bevatte, dient hij dus met name, rekening houdend met alle omstandigheden van het hoofdgeding, na te gaan of het opschorten en vervolgens voortzetten door Carnegie van de procedure voor de verkoop van de door Varvtre in pand gegeven Starbreeze-aandelen na de verzending van die e‑mail onder artikel 9, lid 3, van verordening nr. 596/2014 zou kunnen vallen, hetgeen met name veronderstelt dat wordt aangetoond dat er sprake is van een opeisbaar geworden verplichting voor Carnegie waardoor de voortzetting van die verkoopprocedure objectief noodzakelijk is geworden.

57 Gelet op een en ander moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 7, lid 2, van verordening nr. 596/2014 aldus moet worden uitgelegd dat een mededeling van een uitgevende instelling dat een persoon op een lijst van insiders is geplaatst en geen aandelen van deze uitgevende instelling mag verkopen, informatie kan uitmaken die voldoende „concreet” is in de zin van artikel 7, leden 1 en 2, om als „voorwetenschap” te worden aangemerkt, zelfs als uit die mededeling niet blijkt om welke reden die persoon op de lijst is geplaatst, indien kan worden aangetoond dat die mededeling door een redelijk handelende belegger waarschijnlijk zou worden gebruikt om er zijn beleggingsbeslissingen ten dele op te baseren, zodat degene die hierover beschikt een voordeel verkrijgt ten opzichte van degenen die hiervan niet op de hoogte zijn doordat hij zich in een gunstiger positie bevindt dan andere beleggers om financiële instrumenten te verhandelen.

Derde en vierde vraag

58 Met zijn derde en vierde vraag, die samen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 7, lid 1, van verordening nr. 596/2014 aldus moet worden uitgelegd dat ter beantwoording van de vraag of een mededeling „voorwetenschap” uitmaakt, moet worden nagegaan of, ten eerste, de beoordeling van de uitgevende instelling volgens welke de omstandigheden die hebben geleid tot de plaatsing van de persoon op de lijst van insiders voorwetenschap vormden, juist was en of, ten tweede, de informatie in die mededeling ook juist was.

59 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat het begrip „voorwetenschap” als bedoeld in artikel 7, lid 1, van verordening nr. 596/2014 objectief moet worden toegepast, zodat de beoordeling, door de uitgevende instelling, of informatie „voorwetenschap” uitmaakt evenals de vraag of die beoordeling juist of onjuist is, in beginsel irrelevant zijn om te bepalen of de betrokken informatie onder dat begrip valt.

60 In casu lijken de twijfels van de verwijzende rechter in essentie te zijn gebaseerd op de door Carnegie aangevoerde en in punt 18 van het onderhavige arrest genoemde omstandigheid dat de e‑mail van 15 november 2018 onjuiste informatie bevatte, aangezien die e‑mail haar was toegezonden om 13.32 uur, dat wil zeggen enkele minuten voordat de lijst van insiders van Starbreeze werd opgesteld en dus voordat BAK daarop is geplaatst.

61 Om de derde en de vierde vraag te beantwoorden moet vooraf worden vastgesteld dat de juistheid van de betrokken informatie niet behoort tot de vier essentiële bestanddelen van het begrip „voorwetenschap”, die uitputtend zijn opgesomd in artikel 7, lid 1, van verordening nr. 596/2014 en in herinnering zijn gebracht in punt 29 van het onderhavige arrest. Het onderzoek of informatie juist is, kan echter relevant bij het onderzoek of deze „concreet” is in de zin van artikel 7, lid 2, van die verordening.

62 Zoals in punt 30 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, bepaalt artikel 7, lid 2, van verordening nr. 596/2014 dat informatie voor de toepassing van lid 1 ervan wordt geacht „concreet” te zijn indien zij aan twee voorwaarden voldoet, namelijk dat zij ten eerste betrekking heeft op een situatie die bestaat of waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij zal ontstaan, dan wel op een gebeurtenis die heeft plaatsgevonden of waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij zal plaatsvinden, en ten tweede specifiek genoeg is om er een conclusie uit te trekken omtrent de mogelijke invloed van die situatie of gebeurtenis op de koers van financiële instrumenten of daarvan afgeleide financiële instrumenten.

63 Wat de eerste voorwaarde betreft, heeft het Hof reeds geoordeeld dat deze met name betrekking heeft op toekomstige situaties of gebeurtenissen waarvan het op basis van een globale beoordeling van de reeds beschikbare gegevens reëel is te veronderstellen dat zij zullen ontstaan of plaatsvinden (zie in die zin arrest van 28 juni 2012, Geltl, C‑19/11, EU:C:2012:397, punt 56).

64 Hieruit volgt dat informatie om aan deze eerste voorwaarde te voldoen ten minste een zekere mate van aannemelijkheid moet hebben, dat wil zeggen dat er een redelijke kans moet bestaan dat de in deze informatie genoemde gebeurtenis plaatsvindt, zoals de advocaat-generaal in essentie heeft opgemerkt in punt 64 van zijn conclusie.

65 Bijgevolg kan informatie worden geacht „concreet” te zijn in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 596/2014 indien daarin melding wordt gemaakt van een situatie of een concrete gebeurtenis die in haar geheel kan worden beoordeeld en die zich reeds heeft voorgedaan of zich kan voordoen en redelijkerwijs kan worden verwacht.

66 Zoals in essentie blijkt uit de punten 46 en 47 van het onderhavige arrest, is informatie in beginsel „specifiek genoeg” in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 596/2014 indien een redelijk handelende belegger er waarschijnlijk gebruik van zou maken om zijn beleggingsbeslissingen er ten dele op te baseren, in de zin van artikel 7, lid 4, van deze verordening. Bijgevolg moet de aannemelijkheid van informatie voor de toepassing van de eerste in punt 30 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarde worden beoordeeld vanuit het oogpunt van een redelijk handelende belegger, aangezien alleen informatie betreffende omstandigheden waarvan het voldoende waarschijnlijk is dat zij zich voordoen of zullen voordoen opdat een dergelijke belegger daarmee rekening zou houden, aan die voorwaarde kan voldoen. Volgens overweging 14 van die verordening gaat het om een beoordeling vooraf, die wordt verricht op het tijdstip waarop die informatie wordt gebruikt en waarbij met name rekening wordt gehouden met de betrouwbaarheid van de informatiebron en met alle andere variabelen die onder de gegeven omstandigheden van invloed kunnen zijn op de koers van de betrokken financiële instrumenten.

67 Daarbij leidt het feit dat informatie onjuist is gebleken niet tot de gevolgtrekking dat een belegger daarvan geen gebruik kan hebben gemaakt bij zijn beleggingsbeslissingen indien de informatie, hoewel onjuist, aannemelijk was en dus voldeed aan de eerste in punt 30 van het onderhavige arrest voorwaarde op het moment dat zij aan de betrokken belegger is meegedeeld en door deze laatste is gebruikt. Hetzelfde geldt voor informatie die wordt voorgesteld als betreffende een reeds bestaande situatie of een gebeurtenis die reeds heeft plaatsgevonden, terwijl het in werkelijkheid gaat om een ophanden zijnde of te verwachten situatie of gebeurtenis.

68 Wat de tweede voorwaarde van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 596/2014 betreft, is het, zoals in de punten 30 en 34 van het onderhavige arrest is opgemerkt, om vast te stellen deze aan voorwaarde is voldaan, van belang na te gaan of uit de informatie een conclusie kan worden getrokken omtrent de mogelijke invloed van de daarin genoemde situatie of gebeurtenis op de koers van de betrokken financiële instrumenten of van daarvan afgeleide financiële instrumenten.

69 Het is juist dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de daadwerkelijke invloed van een publicatie op de koers van de effecten waarop deze publicatie betrekking heeft, een ex-postbewijs kan vormen dat de informatie over die publicatie concreet was (arrest van 15 maart 2022, Autorité des marchés financiers, C‑302/20, EU:C:2022:190, punt 56). Het feit dat informatie niet daadwerkelijk een dergelijke invloed heeft, in voorkomend geval omdat zij onjuist blijkt te zijn voordat zij openbaar wordt gemaakt of omdat de toekomstige gebeurtenis waarop zij betrekking heeft niet plaatsvindt, volstaat echter niet om aan te tonen dat die informatie niet specifiek genoeg was opdat daaruit een conclusie zou kunnen worden getrokken omtrent de mogelijke invloed ervan op de koers van bepaalde financiële instrumenten, en dus opdat voldaan zou zijn aan de tweede in punt 30 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarde, op het moment dat een belegger kennis heeft gekregen van de informatie en er gebruik van heeft gemaakt zonder dat zij openbaar was gemaakt.

70 Informatie die aannemelijk is en specifiek genoeg is om potentieel de koers van financiële instrumenten van een uitgevende instelling te beïnvloeden, kan immers, indien zij openbaar wordt gemaakt, een significante invloed hebben op de koers van de financiële instrumenten van een uitgevende instelling, en degene die daarover beschikt dus een economisch voordeel verschaffen ten opzichte van alle andere marktdeelnemers die er niet van op de hoogte zijn, zonder dat de houder van die informatie blootstaat aan dezelfde risico’s als die marktdeelnemers, ook als die informatie of bepaalde details ervan onjuist zijn of achteraf onjuist blijken te zijn. Zoals de advocaat-generaal in punt 71 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, vormt het feit dat aannemelijke informatie niet juist is derhalve geen belemmering voor de houder van deze informatie om op de financiële markten een voordeel te behalen ten opzichte van andere beleggers die niet over die informatie beschikken.

71 Evenzo beschikt een persoon die ervan in kennis wordt gesteld dat een uitgevende instelling een persoon op een lijst van insiders heeft geplaatst of op het punt staat om dat te doen, en dat deze plaatsing op de lijst gepaard gaat met een aan die persoon opgelegde verkoopverbod, over informatie die voorwetenschap in de zin van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 596/2014 kan vormen, ongeacht of de beoordeling door de uitgevende instelling van de aan die informatie ten grondslag liggende omstandigheden, zoals de elementen die hebben geleid tot de plaatsing van de betrokkene op die lijst van insiders, in casu tot de plaatsing van BAK op de lijst van insiders van Starbreeze, niet op alle punten juist is of geheel onjuist is.

72 Bijgevolg kan informatie die bij een onderzoek achteraf onjuist blijkt te zijn, desalniettemin „voorwetenschap” in de zin van deze bepaling vormen indien kan worden aangetoond dat zij op de datum waarop zij is meegedeeld als aannemelijk kon worden beschouwd en de houder ervan een economisch voordeel kon verschaffen ten opzichte van andere beleggers om financiële instrumenten te verhandelen.

73 Dit geldt des te meer wanneer, zoals in casu, de onjuistheid van de betrokken informatie, zoals vermeld in punt 18 van het onderhavige arrest, er niet in bestaat dat BAK niet daadwerkelijk op de lijst van insiders van Starbreeze zou zijn geplaatst, maar uitsluitend in het feit dat hij nog niet op die lijst was geplaatst toen de e‑mail van 15 november 2018 werd verzonden, maar pas vijf minuten daarna.

74 Gelet op een en ander moet op de derde en de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 7, lid 1, van verordening nr. 596/2014 aldus moet worden uitgelegd dat ter beantwoording van de vraag of een mededeling „voorwetenschap” uitmaakt in de zin van deze bepaling, moet worden nagegaan of daarin melding wordt gemaakt van een situatie of een concrete gebeurtenis die in haar geheel kan worden beoordeeld en die zich reeds heeft voorgedaan of zich kan voordoen en redelijkerwijs kan worden verwacht. Daarbij kan informatie die bij een onderzoek achteraf onjuist blijkt te zijn, desalniettemin „voorwetenschap” in de zin van die bepaling vormen indien kan worden aangetoond dat zij op de datum waarop zij is meegedeeld als aannemelijk kon worden beschouwd en de houder ervan een economisch voordeel kon verschaffen ten opzichte van andere beleggers om financiële instrumenten te verhandelen.

Kosten

75 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 7, lid 2, van verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijnen 2003/124, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie moet aldus worden uitgelegd dat een mededeling van een uitgevende instelling dat een persoon op een lijst van insiders is geplaatst en geen aandelen van deze uitgevende instelling mag verkopen, informatie kan uitmaken die voldoende „concreet” is in de zin van artikel 7, leden 1 en 2, om als „voorwetenschap” te worden aangemerkt, zelfs als uit die mededeling niet blijkt om welke reden die persoon op de lijst is geplaatst, indien kan worden aangetoond dat die mededeling door een redelijk handelende belegger waarschijnlijk zou worden gebruikt om er zijn beleggingsbeslissingen ten dele op te baseren, zodat degene die hierover beschikt een voordeel verkrijgt ten opzichte van degenen die hiervan niet op de hoogte zijn doordat hij zich in een gunstiger positie bevindt dan andere beleggers om financiële instrumenten te verhandelen.

2) Artikel 7, lid 1, van verordening nr. 596/2014 moet aldus worden uitgelegd dat ter beantwoording van de vraag of een mededeling „voorwetenschap” uitmaakt in de zin van deze bepaling, moet worden nagegaan of daarin melding wordt gemaakt van een situatie of een concrete gebeurtenis die in haar geheel kan worden beoordeeld en die zich reeds heeft voorgedaan of zich kan voordoen en redelijkerwijs kan worden verwacht. Daarbij kan informatie die bij een onderzoek achteraf onjuist blijkt te zijn, desalniettemin „voorwetenschap” in de zin van die bepaling vormen indien kan worden aangetoond dat zij op de datum waarop zij is meegedeeld als aannemelijk kon worden beschouwd en de houder ervan een economisch voordeel kon verschaffen ten opzichte van andere beleggers om financiële instrumenten te verhandelen.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Zweeds.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in