HvJ EU 16 april 2026, C-496/24, ECLI:EU:C:2026:296

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

16 april 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Harmonisatie van wetgevingen – Intellectuele eigendom – Auteursrecht en naburige rechten – Richtlijn 2001/29/EG – Artikel 2 – Reproductierecht – Artikel 3, lid 1 – Recht van mededeling van werken aan het publiek – Artikel 5, lid 2, onder b) – Uitzondering voor ‚kopieën voor privégebruik’ – Billijke compensatie – Betaalde streamingdienst – Offline streaming copy – Artikel 5, lid 5”

In zaak C‑496/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij beslissing van 12 juli 2024, ingekomen bij het Hof op 17 juli 2024, in de procedure

Stichting Onderhandelingen Thuiskopievergoeding,

Stichting de Thuiskopie

tegen

HP Nederland BV,

Dell BV,

Stichting Overlegorgaan Blanco Informatiedragers,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: K. Jürimäe, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, F. Schalin (rapporteur), M. Gavalec en Z. Csehi, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: A. Lamote, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 juni 2025,

gelet op de opmerkingen van:

– Stichting Onderhandelingen Thuiskopievergoeding, vertegenwoordigd door S. M. Kingma en M. E. A. Möhring, advocaten,

– Stichting de Thuiskopie, vertegenwoordigd door T. Cohen Jehoram en J. J. Valk, advocaten,

– HP Nederland BV, Dell BV en Stichting Overlegorgaan Blanco Informatiedragers, vertegenwoordigd door A. P. Groen, A. M. van Aerde en J. A. Visser, advocaten,

– de Franse regering, vertegenwoordigd door B. Dourthe en B. Herbaut als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P.‑J. Loewenthal, J. Samnadda en P. Vanden Heede als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 oktober 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5, lid 2, onder b), juncto artikel 5, lid 5, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van twee gedingen tussen, ten eerste, Stichting Onderhandelingen Thuiskopievergoeding (hierna: „SONT”) en, ten tweede, Stichting de Thuiskopie (hierna: „SdT”), enerzijds, en HP Nederland BV (hierna: „HP”), Dell BV en Stichting Overlegorgaan Blanco Informatiedragers, anderzijds. Die gedingen hadden betrekking op een vergoeding die van HP en Dell was gevorderd om de billijke compensatie te financieren die aan de auteursrechthebbenden wordt betaald op grond van de uitzondering voor kopieën voor privégebruik (hierna ook: „thuiskopie”), in het kader van een dienst bestaande in de mededeling van kopieën van werken die kunnen worden afgespeeld zonder dat daarvoor internettoegang vereist is (offline streaming copies), die wordt verricht samen met een streamingdienst op aanvraag van muziekstukken of audiovisuele werken via het internet.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 De overwegingen 5, 10, 23 tot en met 25, 31, 32, 35, 38 en 39 van richtlijn 2001/29 luiden: „(5) De technologische ontwikkeling heeft de vectoren voor schepping, productie en exploitatie in aantal en verscheidenheid doen toenemen. Hoewel voor de bescherming van de intellectuele eigendom geen behoefte aan nieuwe concepten bestaat, zullen het huidige auteursrecht en de huidige naburige rechten moeten worden aangepast en aangevuld om adequaat op economische gegevenheden zoals nieuwe exploitatievormen te kunnen reageren. [...] (10) Auteurs en uitvoerend kunstenaars moeten, willen zij hun scheppende en artistieke arbeid kunnen voortzetten, een passende beloning voor het gebruik van hun werk ontvangen, evenals de producenten om dat werk te kunnen financieren. De productie van fonogrammen, films en multimediaproducten, en van diensten, zoals ‚diensten-op-aanvraag’, vereist aanzienlijke investeringen. Een adequate rechtsbescherming van de intellectuele eigendomsrechten is noodzakelijk om de mogelijkheid tot het verkrijgen van een dergelijke beloning en de mogelijkheid van een behoorlijk rendement van dergelijke investeringen te waarborgen. [...] (23) Deze richtlijn moet het recht van de auteur van mededeling van werken aan het publiek verder harmoniseren. Aan dit recht moet een ruime betekenis worden gegeven die iedere mededeling omvat die aan niet op de plaats van oorsprong van de mededeling aanwezig publiek wordt gedaan. Dit recht dient zich uit te strekken tot elke dergelijke doorgifte of wederdoorgifte van een werk aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van uitzending. Dit recht heeft geen betrekking op enige andere handeling. (24) Het in artikel 3, lid 2, bedoelde recht van beschikbaarstelling voor het publiek, van in artikel 3, lid 2, bedoeld materiaal wordt geacht alle handelingen te bestrijken waarbij zulk materiaal beschikbaar wordt gesteld voor niet op de plaats van oorsprong van de beschikbaarstelling aanwezige leden van het publiek, en geen andere handelingen te bestrijken. (25) De rechtsonzekerheid ten aanzien van de aard en het niveau van de bescherming van doorgifte-op-aanvraag van onder het auteursrecht vallende werken en onder naburige rechten vallend materiaal door netwerken moet worden weggenomen door voor een geharmoniseerde bescherming op het niveau van de Gemeenschap te zorgen. Er moet duidelijk worden gemaakt dat alle door de richtlijn erkende rechthebbenden een uitsluitend recht hebben om door het auteursrecht beschermde werken en ander materiaal door middel van interactieve doorgifte op aanvraag voor het publiek beschikbaar te stellen. Zulke interactieve doorgiften op aanvraag worden gekenmerkt door het feit dat zij voor leden van het publiek op de door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn. [...] (31) Er moet een rechtvaardig evenwicht van rechten en belangen worden gewaarborgd tussen de verschillende categorieën rechthebbenden en tussen de verschillende categorieën rechthebbenden en gebruikers van beschermd materiaal. De in de lidstaten geldende beperkingen en restricties op de rechten moeten opnieuw worden bezien in het licht van de nieuwe elektronische omgeving. De huidige verschillen in beperkingen en restricties op bepaalde aan toestemming onderworpen handelingen hebben directe negatieve gevolgen voor de werking van de interne markt op het gebied van het auteursrecht en de naburige rechten. Deze verschillen zullen ten gevolge van de verdere ontwikkeling van grensoverschrijdende exploitatie van werken en grensoverschrijdende activiteiten wellicht nog belangrijker worden. Met het oog op de goede werking van de interne markt moet meer eenheid in de omschrijving van dergelijke beperkingen en restricties worden gebracht. De mate waarin dergelijke beperkingen en restricties worden geharmoniseerd, moet worden bepaald aan de hand van de gevolgen ervan voor de goede werking van de interne markt. (32) Deze richtlijn bevat een uitputtende opsomming van de beperkingen en restricties op het reproductierecht en het recht van mededeling aan het publiek. Sommige beperkingen en restricties zijn enkel van toepassing op het reproductierecht, wanneer dit passend is. Bij het opstellen van deze lijst is zowel rekening gehouden met de verschillende rechtstradities in de lidstaten als met het vereiste van een goed functionerende interne markt. De lidstaten passen deze beperkingen en restricties op coherente wijze toe. Dit zal worden beoordeeld bij het onderzoek van de uitvoeringswetgeving in de toekomst. [...] (35) Rechthebbenden dienen, in bepaalde uitzonderlijke gevallen, een billijke compensatie te ontvangen om hen naar behoren te compenseren voor het gebruik van hun beschermde werken of ander beschermd materiaal. Bij de bepaling van de vorm, de modaliteiten en het mogelijke niveau van die billijke compensatie moet rekening worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van elk geval. Bij de beoordeling van deze omstandigheden zou een zinvol criterium worden gevormd door het mogelijke nadeel voor de rechthebbenden als resultaat van de betreffende handeling. In gevallen waarin de rechthebbenden reeds betaling in een andere vorm hebben ontvangen, bijvoorbeeld als onderdeel van een licentierecht, is eventueel geen specifieke of afzonderlijke betaling nodig. Bij de bepaling van het niveau van de billijke compensatie dient ten volle rekening te worden gehouden met de mate waarin gebruik wordt gemaakt van de in deze richtlijn bedoelde technische voorzieningen. In bepaalde situaties waar de schade voor de rechthebbende minimaal zou zijn, is het mogelijk dat geen betalingsverplichting ontstaat. [...] (38) Het moet de lidstaten worden toegestaan om ten aanzien van bepaalde vormen van reproductie van geluidsmateriaal, beeldmateriaal en audiovisueel materiaal voor privégebruik, in een beperking of restrictie op het reproductierecht te voorzien, welke gepaard gaat met een billijke compensatie. Dit kan de invoering of verdere toepassing omvatten van vergoedingsstelsels om het nadeel voor de rechthebbenden te compenseren. Hoewel de verschillen tussen de bestaande vergoedingsstelsels de werking van de interne markt beïnvloeden zullen zij, wat de analoge reproductie voor privégebruik betreft, wellicht geen noemenswaardige gevolgen voor de ontwikkeling van de informatiemaatschappij hebben. Het is aannemelijk dat het digitaal kopiëren voor privégebruik op grotere schaal zal plaatsvinden en een grotere economische impact zal hebben. Daarom moet terdege rekening worden gehouden met de verschillen tussen digitaal en analoog kopiëren voor privégebruik, en moet in bepaalde gevallen een onderscheid tussen beide worden gemaakt. (39) De lidstaten moeten, wanneer zij de beperking of restrictie voor het kopiëren voor privégebruik toepassen, naar behoren rekening houden met de technologische en economische ontwikkelingen, met name wat het digitaal kopiëren voor privégebruik en de vergoedingsstelsels betreft, wanneer doeltreffende technische beveiligingsvoorzieningen beschikbaar zijn. Dergelijke beperkingen of restricties mogen geen belemmering vormen voor de toepassing van technische voorzieningen of het gebruik daarvan in geval van verboden omzeilingspraktijken.”

4 In artikel 2 („Reproductierecht”) van die richtlijn is bepaald: „De lidstaten voorzien ten behoeve van: a) auteurs, met betrekking tot hun werken, b) uitvoerend kunstenaars, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitvoeringen, c) producenten van fonogrammen, met betrekking tot hun fonogrammen, d) producenten van de eerste vastleggingen van films, met betrekking tot het origineel en de kopieën van hun films, en e) omroeporganisaties, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitzendingen, ongeacht of deze uitzendingen via de ether of per draad plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen, in het uitsluitende recht, de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie van dit materiaal, met welke middelen en in welke vorm ook, toe te staan of te verbieden.”

5 Artikel 3 („Recht van mededeling van werken aan het publiek en recht van beschikbaarstelling van ander materiaal voor het publiek”) van die richtlijn bepaalt in lid 1: „De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.”

6 Artikel 4 („Distributierecht”) van die richtlijn luidt als volgt: „1. De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, elke vorm van distributie onder het publiek van het origineel van hun werken of kopieën daarvan, door verkoop of anderszins, toe te staan of te verbieden. 2. Het distributierecht met betrekking tot het origineel of kopieën van een werk is in de Gemeenschap alleen dan uitgeput, wanneer de eerste verkoop of andere eigendomsovergang van dat materiaal in de Gemeenschap geschiedt door de rechthebbende of met diens toestemming.”

7 Artikel 5 („Beperkingen en restricties”) van richtlijn 2001/29 bepaalt in lid 2, onder b), en lid 5: „2. De lidstaten kunnen beperkingen of restricties op het in artikel 2 bedoelde reproductierecht stellen ten aanzien van: [...] b) de reproductie, op welke drager dan ook, door een natuurlijke persoon voor privégebruik gemaakt, en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk, mits de rechthebbenden een billijke compensatie ontvangen waarbij rekening wordt gehouden met het al dan niet toepassen van de in artikel 6 bedoelde technische voorzieningen op het betrokken werk of het betrokken materiaal; [...] 5. De in de leden 1, 2, 3 en 4 bedoelde beperkingen en restricties mogen slechts in bepaalde bijzondere gevallen worden toegepast mits daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van werken of ander materiaal en de wettige belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden geschaad.”

8 Artikel 6 („Verplichtingen inzake technische voorzieningen”) van die richtlijn bepaalt in de leden 1 en 3: „1. De lidstaten voorzien in een passende rechtsbescherming tegen het omzeilen van doeltreffende technische voorzieningen door een persoon die weet of redelijkerwijs behoort te weten dat hij aldus handelt. [...] 3. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder ‚technische voorzieningen’ verstaan technologie, inrichtingen of onderdelen die in het kader van hun normale werking dienen voor het voorkomen of beperken van handelingen ten aanzien van werken of ander materiaal, die niet zijn toegestaan door de houders van auteursrechten [of] wettelijk vastgelegde naburige rechten [...]. Technische voorzieningen worden geacht ‚doeltreffend’ te zijn indien het gebruik van een beschermd werk of ander beschermd materiaal wordt gecontroleerd door de rechthebbenden door toepassing van een controle op de toegang of een beschermingsprocédé zoals encryptie, versluiering of een andere transformatie van het werk of ander materiaal of een kopieerbeveiliging die de beoogde bescherming bereikt.”

Nederlands recht

9 Artikel 1 van de Auteurswet van 23 september 1912 (Stb. 1912, 308), in de versie zoals van toepassing op het hoofdgeding, bepaalt: „Het auteursrecht is het uitsluitend recht van den maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, of van diens rechtverkrijgenden, om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld.”

10 In artikel 16c van die wet is bepaald: „1 Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd het reproduceren van het werk of een gedeelte ervan op een voorwerp dat bestemd is om een werk ten gehore te brengen, te vertonen of weer te geven, mits het reproduceren geschiedt zonder direct of indirect commercieel oogmerk en uitsluitend dient tot eigen oefening, studie of gebruik van de natuurlijke persoon die de reproductie vervaardigt. 2 Voor het reproduceren, bedoeld in het eerste lid, is ten behoeve van de maker of diens rechtverkrijgenden een billijke vergoeding verschuldigd. De verplichting tot betaling van de vergoeding rust op de fabrikant of de importeur van de voorwerpen, bedoeld in het eerste lid. [...]”

Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

11 Op grond van artikel 16c, lid 2, Auteurswet hebben SdT en SONT van HP en Dell, in hun hoedanigheid van producenten van ICT-apparatuur, betaling gevorderd van een thuiskopievergoeding wegens de dienst bestaande in de mededeling van offline streaming copies die wordt verricht samen met een streamingdienst op aanvraag van muziekstukken of audiovisuele werken via het internet. Stichting Overlegorgaan Blanco Informatiedragers, HP en Dell hebben bij de rechtbank Den Haag (Nederland) een vordering ingesteld tegen SdT en SONT, omdat zij van mening waren dat die vergoeding niet verschuldigd was voor offline streaming copies.

12 Bij vonnis van 18 september 2019 heeft deze rechter die vordering afgewezen. Dat vonnis is gewijzigd bij arrest van 22 maart 2022 van het gerechtshof Den Haag (Nederland), dat heeft geoordeeld dat voor offline streaming copies geen billijke compensatie in de zin van artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 en artikel 16c van de Auteurswet verschuldigd was, aangezien die kopieën niet als een „thuiskopie” in de zin van laatstgenoemde bepaling konden worden gekwalificeerd.

13 SdT en SONT hebben tegen dat arrest cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden, de verwijzende rechter.

14 Bij deze rechter is de vraag aan de orde of het maken van een offline streaming copy, gelet op de omstandigheden waaronder die wordt gemaakt, kan worden aangemerkt als een reproductie voor privégebruik in de zin van artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29. De verwijzende rechter geeft in dit verband de volgende preciseringen.

15 Offline streaming copies zijn downloads of kopieën van werken (muziek, films) die offline beschikbaar worden gesteld aan een gebruiker van een betaalde streamingdienst. De gebruiker kan deze gedownloade kopieën dus ook afspelen wanneer hij geen internettoegang heeft. De offline streaming copy wordt aangeboden als integraal onderdeel van de abonnementsdienst van de aanbieder, zodat de aanbieder daar een commercieel doel mee nastreeft.

16 De gang van zaken bij het maken van een offline streaming copy is als volgt: eerst selecteert de gebruiker – via de daarvoor bestemde functie in de app van de streamingdienst – het downloadbare werk dat hij offline wil gebruiken. Vervolgens plaatst de aanbieder van die dienst de door de gebruiker aangewezen content op een door de aanbieder speciaal geselecteerd en door de gebruiker ter beschikking gesteld deel van het geheugen van diens apparaat, zonder dat de gebruiker de opslaglocatie kan kiezen of daar enige keuzevrijheid in heeft. Evenmin kan de gebruiker de content verplaatsen. De aanbieder slaat die content op in een door hem bepaalde encryptiemethode en alleen hij kan die content decrypten. De content blijft dankzij technische beschermingsvoorzieningen uitsluitend binnen de streamingapp toegankelijk en kan door de gebruiker niet naar een ander medium worden overgedragen. Na het verstrijken van een bepaalde termijn, met name bij het eindigen van het abonnement, in andere door de gebruikersvoorwaarden bestreken gevallen of wanneer de auteursrechthebbende zijn toestemming intrekt, wordt de op het apparaat van de gebruiker opgeslagen content automatisch verwijderd. De rechthebbende behoudt de controle over de betrokken werken. Hij bepaalt welke werken aan abonnees ter beschikking worden gesteld en hij kan (doen) bewerkstelligen dat de toegang tot de offline streaming copies wordt geblokkeerd of dat een download wordt verwijderd.

17 Tegen deze achtergrond heeft de Hoge Raad der Nederlanden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Kan een [offline streaming copy], mede gelet op de driestappentoets [van] art. 5 lid 5 [van richtlijn 2001/29], worden aangemerkt als een ‚reproductie [...] door een natuurlijke persoon voor privégebruik gemaakt, en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk’ als bedoeld in art. 5 lid 2, onder b, [van deze richtlijn]? 2) Verzetten de doelstellingen van [richtlijn 2001/29], waaronder een hoog niveau van auteursrechtbescherming, een rechtvaardig evenwicht tussen de belangen van de rechthebbende en de belangen van de gebruiker, en een coherente en techniekneutrale toepassing door de lidstaten van de beperkingen en restricties, zich tegen een nationale regeling op grond waarvan de uitzondering voor thuiskopieën niet mede offline streaming copies omvat? 3) Is voor het antwoord op een of meer van de voorgaande vragen van belang of de rechthebbenden een vergoeding per gemaakte offline streaming copy ontvangen, dan wel of zij een vergoeding ontvangen die is gebaseerd op het aantal keren dat een offline streaming copy door de gebruiker van de streamingdienst wordt afgespeeld?”

Opmerkingen vooraf

18 Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof is om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geschil kan beslechten. Daartoe dient het Hof in voorkomend geval de voorgelegde vragen te herformuleren. Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de bepalingen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven (zie in die zin arresten van 29 november 1978, Redmond, 83/78, EU:C:1978:214, punt 26; 28 november 2000, Roquette Frères, C‑88/99, EU:C:2000:652, punt 18, en 2 december 2025, Russmedia Digital en Inform Media Press, C‑492/23, EU:C:2025:935, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

19 In dit verband moet worden opgemerkt dat met de eerste en de tweede vraag van de verwijzende rechter wordt beoogd vast te stellen of het maken van offline streaming copies in omstandigheden als die welke in de punten 15 en 16 van het onderhavige arrest zijn beschreven, onder de uitzondering voor kopieën voor privégebruik in de zin van artikel 5, lid 2, onder b), juncto artikel 5, lid 5, van richtlijn 2001/29, kan vallen.

20 Dat artikel 5, lid 5, bepaalt dat de beperkingen en restricties met betrekking tot het reproductierecht slechts in bepaalde bijzondere gevallen mogen worden toegepast mits daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van werken of ander materiaal en de wettige belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden geschaad.

21 Zoals volgt uit de bewoordingen van die bepaling geeft deze derhalve enkel een nadere precisering van de voorwaarden voor toepassing van de door artikel 5, lid 2, van richtlijn 2001/29 toegestane beperkingen en restricties met betrekking tot het reproductierecht, welke voorwaarden inhouden dat deze beperkingen en restricties slechts van toepassing zijn in bepaalde bijzondere gevallen en dat daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van werken of ander materiaal en de wettige belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden geschaad. Artikel 5, lid 5, van deze richtlijn definieert dus niet de materiële inhoud van de verschillende in lid 2 van dat artikel genoemde beperkingen en restricties, maar speelt pas een rol op het moment waarop deze door de lidstaten worden toegepast (arrest van 10 april 2014, ACI Adam e.a., C‑435/12, EU:C:2014:254, punt 25).

22 Het Hof leidt hieruit af dat artikel 5, lid 5, van richtlijn 2001/29 niet is bedoeld om effect te hebben op de materiële inhoud van artikel 5, lid 2, van deze richtlijn, en met name niet om de reikwijdte van de daarin vastgestelde beperkingen en restricties uit te breiden (zie in die zin arrest van 10 april 2014, ACI Adam e.a., C‑435/12, EU:C:2014:254, punt 26).

23 Hieruit volgt dat de eerste en de tweede vraag aldus moeten worden geherformuleerd dat zij uitsluitend betrekking hebben op de uitlegging van artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29.

Eerste en tweede vraag

24 Met zijn eerste en tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat, wanneer de aanbieder van een streamingdienst een beschermd werk door middel van een offline streaming copy beschikbaar stelt op het apparaat van de eindgebruiker die erom verzoekt, zonder dat deze gebruiker technisch in staat is om buiten die dienst om over die kopie te beschikken en waarbij wordt gewaarborgd dat de houder van het auteursrecht op dat werk er controle over behoudt, zodat hij eventueel de toegang tot die kopie kan blokkeren, deze beschikbaarstelling onder de in die bepaling neergelegde uitzondering voor kopieën voor privégebruik valt.

25 Allereerst zij opgemerkt dat artikel 5, lid 2, van richtlijn 2001/29 voorziet in beperkingen of restricties met betrekking tot het in artikel 2 van deze richtlijn bedoelde reproductierecht. De werkingssfeer van de in artikel 5, lid 2, onder b), van deze richtlijn neergelegde uitzondering voor kopieën voor privégebruik is dus beperkt tot reproductiehandelingen, met uitsluiting van met name handelingen die vallen onder de mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3 van deze richtlijn.

26 Derhalve moet worden onderzocht of een offline streaming copy van een beschermd werk die door de aanbieder van een streamingdienst wordt gemaakt onder de in de punten 15 en 16 van het onderhavige arrest beschreven omstandigheden, een reproductie in de zin van dat artikel 2 vormt, dan wel valt onder de in artikel 3 van die richtlijn bedoelde rechten en in het bijzonder onder het recht van mededeling van werken aan het publiek.

27 Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 bepaalt dat de lidstaten ten behoeve van auteurs voorzien in het uitsluitende recht om de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.

28 Uit die bepaling komt naar voren dat het begrip „mededeling [...] aan het publiek” twee cumulatieve elementen met elkaar verbindt, namelijk een handeling bestaande in een mededeling van een werk en de mededeling daarvan aan een publiek (arrest van 19 december 2019, Nederlands Uitgeversverbond en Groep Algemene Uitgevers, C‑263/18, EU:C:2019:1111, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: „arrest Tom Kabinet”).

29 Wat ten eerste het begrip „handeling bestaande in een mededeling” betreft, moet worden benadrukt dat dit begrip zich uitstrekt tot elke doorgifte van een beschermd werk aan niet op de plaats van oorsprong van de mededeling aanwezig publiek, ongeacht het gebruikte technische middel of procedé (zie in die zin arrest van 29 november 2017, VCAST, C‑265/16, EU:C:2017:913, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest Tom Kabinet, punt 62).

30 Voorts dient te worden opgemerkt dat elke doorgifte of wederdoorgifte van een werk waarbij een specifieke technische werkwijze wordt gebruikt, in beginsel individueel moet worden toegestaan door de auteur van het betrokken werk (arrest van 29 november 2017, VCAST, C‑265/16, EU:C:2017:913, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31 Bovendien heeft het Hof met betrekking tot het begrip „beschikbaarstelling [...] voor het publiek” in de zin van deze bepaling, dat valt onder het ruimere begrip „mededeling [...] aan het publiek”, geoordeeld dat een handeling alleen als handeling van beschikbaarstelling voor het publiek kan worden beschouwd indien zij voldoet aan beide in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 gestelde voorwaarden, namelijk dat het betrokken publiek toegang heeft tot het beschermde werk of materiaal in kwestie op een individueel gekozen plaats én een individueel gekozen tijdstip, zonder dat het van beslissend belang is of de leden van dit publiek gebruikmaken van die mogelijkheid (zie in die zin arrest Tom Kabinet, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 Wat meer in het bijzonder de beschikbaarstelling betreft van een beschermd werk of beschermd materiaal voor het publiek op een zodanige wijze dat het voor iedereen toegankelijk is op de individueel gekozen plaats en tijd, is volgens de toelichting op het voorstel voor een richtlijn „de beslissende handeling het ‚voor het publiek beschikbaar stellen van het werk’, d.w.z. het aanbieden van het werk op een openbaar toegankelijke site, hetgeen voorafgaat aan het stadium van de daadwerkelijke ‚transmissie-op-aanvraag’ van het werk” en doet „[h]et [...] niet ter zake of het werk daadwerkelijk door iemand is opgevraagd of niet” (arrest Tom Kabinet, punt 64). Hetzelfde geldt in principe wanneer het werk ter beschikking wordt gesteld via een streamingplatform waarop de gebruiker kan verzoeken dat een kopie op zijn apparaat wordt gemaakt zodat het op een door hem individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk is.

33 Ten tweede kunnen beschermde werken slechts onder het begrip „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 vallen wanneer zij ook daadwerkelijk aan een „publiek” worden meegedeeld, waarbij deze mededeling ziet op een onbepaald aantal potentiële ontvangers (zie in die zin arrest Tom Kabinet, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34 Uit de toelichting op het voorstel voor een richtlijn volgt tevens dat het recht van mededeling aan het publiek ook geldt wanneer verschillende personen tussen wie geen onderlinge relatie bestaat (leden van het publiek), individueel op verschillende plaatsen en tijdstippen toegang kunnen verkrijgen tot een werk dat het publiek op een website kan raadplegen, en dat het publiek bestaat uit de individuele leden ervan (arrest Tom Kabinet, punt 67).

35 In dit verband heeft het Hof reeds de gelegenheid gehad om te verduidelijken dat het begrip „publiek” een bepaalde de‑minimisdrempel inhoudt, waardoor een te klein aantal betrokkenen niet onder dit begrip valt, en dat voorts in overweging moet worden genomen wat de cumulatieve gevolgen zijn als een beschermd werk door middel van downloaden beschikbaar wordt gesteld aan potentiële ontvangers. Derhalve moet met name rekening worden gehouden met het aantal personen dat tegelijkertijd toegang heeft tot hetzelfde werk, maar ook met het aantal dat daar achtereenvolgens toegang toe kan hebben (arrest Tom Kabinet, punt 68).

36 In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde functie van offline streaming, die een lokale kopie van beschermde werken op het apparaat van de gebruiker van het streamingplatform impliceert, ter beschikking staat van een groep abonnees op zodanige wijze dat deze voor elke abonnee op een door hem individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk is. Een dergelijke dienst moet dus in beginsel worden beschouwd als de mededeling van een werk aan het publiek in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29. Evenzo lijkt het erop dat iedere belangstellende, zich op dergelijke streamingplatforms kan abonneren en dat meerdere abonnees tegelijkertijd om toegang tot eenzelfde werk voor offline streaming kunnen verzoeken. Derhalve dient te worden geoordeeld dat het aantal personen dat via die functie gelijktijdig of achtereenvolgens toegang kan hebben tot hetzelfde werk, aanzienlijk is.

37 Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, die daarbij rekening dient te houden met alle relevante elementen, moet de beschikbaarstelling van een beschermd werk door middel van een offline streaming copy door de aanbieder van een streamingdienst op het apparaat van de eindgebruiker en op diens verzoek dus worden beschouwd als een beschikbaarstelling van een werk voor het publiek op zodanige wijze dat dit voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk is in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29.

38 In een dergelijk geval kan de betrokken handeling niet worden aangemerkt als een reproductiehandeling in de zin van artikel 2 van deze richtlijn, zodat deze handeling, overeenkomstig hetgeen in punt 25 van het onderhavige arrest is uiteengezet, niet binnen de werkingssfeer van artikel 5, lid 2, onder b), van die richtlijn kan vallen.

39 Indien de verwijzende rechter evenwel oordeelt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde handelingen moeten worden aangemerkt als reproductiehandelingen in de zin van dat artikel 2, zal hij vervolgens moeten nagaan of is voldaan aan de voorwaarden van dat artikel 5, lid 2, onder b), teneinde te bepalen of de gevorderde billijke compensatie daadwerkelijk door verweersters in het hoofdgeding moet worden betaald.

40 Artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 bepaalt dat de lidstaten een beperking op het reproductierecht kunnen stellen ten aanzien van de reproductie, op welke drager dan ook, door een natuurlijke persoon voor privégebruik gemaakt, en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk, mits de rechthebbenden een billijke compensatie ontvangen.

41 In dat verband dient te worden gepreciseerd dat het Hof heeft geoordeeld dat het maken van een kopie voor privégebruik door een natuurlijke persoon moet worden beschouwd als een handeling die de betrokken rechthebbende kan benadelen, aangezien zij wordt gemaakt zonder vooraf toestemming te vragen aan die rechthebbende (arrest van 29 november 2017, VCAST, C‑265/16, EU:C:2017:913, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42 In dit verband blijkt uit artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29, gelezen in samenhang met artikel 6 van deze richtlijn, dat de natuurlijke persoon over een kopie van het betrokken werk moet beschikken en daarover controle moet hebben om een reproductie voor privégebruik te maken. Een reproductiehandeling valt immers enkel onder de in artikel 5, lid 2, onder b), van die richtlijn gestelde uitzondering wanneer zij wordt verricht door of op initiatief van een natuurlijke persoon. Dit kan echter niet het geval zijn wanneer de auteursrechthebbende van het betrokken werk door middel van in dat artikel 6 bedoelde technische voorzieningen die handeling technisch verhindert. Zoals de advocaat-generaal in punt 14 van zijn conclusie heeft opgemerkt, blijkt bovendien uit de rechtspraak dat natuurlijke personen slechts voor de uitzondering voor kopieën voor privégebruik in aanmerking komen wanneer zij eerder toegang tot het werk hebben verkregen in de vorm die de bron van de reproductie vormt. Voorts moet die toegang rechtmatig zijn geweest, dat wil zeggen verkregen met toestemming van de auteursrechthebbende. De uitzondering voor kopieën voor privégebruik mag deze rechthebbende niet het recht ontnemen om de toegang te verbieden of toe te staan tot de werken of ander materiaal waarvan natuurlijke personen privékopieën wensen te maken (zie in die zin arrest van 29 november 2017, VCAST, C‑265/16, EU:C:2017:913, punt 39).

43 In casu beschikken de gebruikers van een streamingdienst echter niet over de bron van de kopie en krijgen zij pas toegang tot de betrokken werken, in de vorm van offline streaming copies, nadat een kopie van die werken is gemaakt. Het door de gebruiker geselecteerde werk wordt immers ter beschikking gesteld door de aanbieder van een streamingdienst die het op een deel van het geheugen van het apparaat van de gebruiker plaatst onder de in punt 16 van het onderhavige arrest vermelde omstandigheden. In deze context beperkt de aanbieder van een streamingdienst zich ook niet tot het leveren van een eenvoudige reproductiedienst aan de gebruiker, maar stelt hij het werk ter beschikking van de gebruiker in de vorm van een offline streaming copy, terwijl hij de controle daarover behoudt. Zoals de advocaat-generaal in punt 15 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is het in dat verband irrelevant dat de gebruiker zich tevens toegang tot dezelfde werken kan verschaffen via streaming. De streaming is namelijk niet de bron van de offline streaming copy en de daadwerkelijke gebruikmaking van de toegang tot specifieke werken via deze weg is geen voorwaarde voor het verkrijgen van een dergelijke offline streaming copy.

44 In deze omstandigheden dient te worden vastgesteld dat een natuurlijke persoon pas toegang krijgt tot het betrokken werk nadat de aanbieder van de streamingdienst er een kopie van heeft gemaakt, zodat die kopie niet kan worden geacht te zijn gemaakt door die persoon in de zin van artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29. Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, is de bron van de kopie immers in handen van de aanbieder van de streamingdienst en niet van de natuurlijke persoon in kwestie.

45 Bovendien zij eraan herinnerd dat, nadat de aanbieder van de streamingdienst op verzoek van de gebruiker de offline streaming copy heeft gemaakt, deze gebruiker er niet vrijelijk over beschikt. Zoals in punt 16 van dit arrest is uiteengezet, heeft deze aanbieder immers maatregelen getroffen waardoor, met name door middel van een encryptiemethode, die kopie door de gebruiker niet kan worden verplaatst, overgedragen of gereproduceerd. Voorts wordt die kopie automatisch gewist bij het eindigen van het abonnement van de gebruiker of in andere door de gebruikersvoorwaarden bestreken gevallen en kan zij worden verwijderd wanneer de auteursrechthebbende zijn toestemming intrekt. Aangezien deze rechthebbende een dergelijke controle handhaaft, dient te worden aangenomen, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, dat de offline streaming copy met toestemming van die rechthebbende wordt gemaakt, zodat geen schade kan worden vastgesteld in de zin van de in punt 41 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.

46 Voorts moet worden benadrukt dat de in het vorige punt van het onderhavige arrest genoemde maatregelen in dergelijke omstandigheden onder het begrip „technische voorzieningen” vallen, dat in artikel 6, lid 3, van richtlijn 2001/29 wordt gedefinieerd als technologie, inrichtingen of onderdelen die in het kader van hun normale werking met name dienen voor het voorkomen of beperken van handelingen ten aanzien van werken of ander materiaal, die niet zijn toegestaan door de houders van auteursrechten. Zoals blijkt uit de artikelen 2 tot en met 4 van deze richtlijn, omvatten deze handelingen de reproductie, de mededeling van werken aan het publiek en de beschikbaarstelling ervan voor het publiek, alsmede de distributie van het origineel van werken of kopieën daarvan. Dat begrip is ruim omschreven en hieronder valt ook de toepassing van een controle op de toegang of een beschermingsprocedé zoals encryptie, versluiering of een andere transformatie van het werk of ander materiaal of een kopieerbeveiliging (zie in die zin arrest van 23 januari 2014, Nintendo e.a., C‑355/12, EU:C:2014:25, punten 24, 25 en 27).

47 In casu zijn de technische voorzieningen die de aanbieder van een streamingdienst voor offline streaming copies heeft getroffen, bedoeld om te voorkomen dat gebruikers deze kopieën buiten de betrokken dienst kunnen verplaatsen, overdragen of reproduceren, en om te waarborgen dat de auteursrechthebbende controle behoudt over die kopieën. Aldus heeft die rechthebbende de mogelijkheid om de toegang tot de offline streaming copy eventueel te blokkeren, zodat gebruikers er niet over kunnen beschikken indien deze rechthebbende dit niet toestaat. Bijgevolg kan een kopie waarvoor dergelijke technische voorzieningen gelden die deze rechthebbende beschermen tegen de handelingen waarvoor zijn toestemming is vereist, in beginsel niet worden aangemerkt als een „kopie voor privégebruik” in de zin van artikel 5, lid 2, onder b), van die richtlijn.

48 Gelet op een en ander dient op de eerste en de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de aanbieder van een streamingdienst een beschermd werk door middel van een offline streaming copy beschikbaar stelt op het apparaat van de eindgebruiker die erom verzoekt, zonder dat deze gebruiker technisch in staat is om buiten die dienst om over die kopie te beschikken en waarbij wordt gewaarborgd dat de houder van het auteursrecht op dat werk er controle over behoudt, zodat hij eventueel de toegang tot die kopie kan blokkeren, deze beschikbaarstelling niet onder de in die bepaling neergelegde uitzondering voor kopieën voor privégebruik valt.

Derde vraag

49 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat het voor de toepassing van de in die bepaling neergelegde uitzondering van belang is dat voor het maken van een offline streaming copy van het betrokken werk of voor het gebruik ervan een vergoeding is betaald aan de houder van het auteursrecht op dat werk uit hoofde van een licentie die deze kopie toestaat.

50 In herinnering moet worden gebracht dat volgens artikel 2 van richtlijn 2001/29 de lidstaten aan auteurs het uitsluitende recht verlenen om de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie, met welke middelen en in welke vorm ook, van hun werk, toe te staan of te verbieden, al staat het de lidstaten krachtens artikel 5, lid 2, van deze richtlijn vrij om uitzonderingen op en beperkingen van dit recht vast te stellen (arrest van 10 april 2014, ACI Adam e.a., C‑435/12, EU:C:2014:254, punt 21).

51 Het Hof heeft in dit verband geoordeeld dat wanneer de lidstaten de uitzondering voor het kopiëren voor privégebruik in hun nationale recht invoeren, zij met name volgens dat artikel 5, lid 2, onder b), dienen te voorzien in de betaling van een „billijke compensatie” aan de houders van het uitsluitende reproductierecht (zie in die zin arresten van 21 oktober 2010, Padawan, C‑467/08, EU:C:2010:620, punt 30, en 16 juni 2011, Stichting de Thuiskopie, C‑462/09, EU:C:2011:397, punt 22).

52 Het is juist dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat, indien een lidstaat krachtens artikel 5, lid 2, van richtlijn 2001/29 heeft besloten om binnen de materiële werkingssfeer van deze bepaling elk recht van de rechthebbenden om reproducties van hun werken voor privégebruik toe te staan, uit te sluiten, een eventuele handeling van die rechthebbenden waarbij toestemming wordt verleend, in het recht van die staat zonder rechtsgevolgen blijft. Het Hof heeft hieruit afgeleid dat een dergelijke handeling niet van invloed is op de schade die aan de rechthebbenden wordt toegebracht vanwege de invoering van de betrokken maatregel waarbij een recht wordt ontnomen en bijgevolg geen invloed kan hebben op de billijke compensatie, ongeacht of die compensatie krachtens de toepasselijke bepaling van deze richtlijn verplicht dan wel facultatief is (arrest van 5 maart 2015, Copydan Bändkopi, C‑463/12, EU:C:2015:144, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53 Die vaststelling geldt evenwel slechts in het in punt 42 van het onderhavige arrest vermelde geval waarin natuurlijke personen kunnen beschikken over een kopie van het betrokken werk en daarover controle kunnen uitoefenen. De houder van het auteursrecht op dat werk beschikt namelijk steeds over de mogelijkheid om technische voorzieningen als bedoeld in artikel 6 van richtlijn 2001/29 te treffen en zodoende niet-toegestane reproductiehandelingen te verhinderen of te beperken, zelfs al zijn zij voor privégebruik bestemd. In die zin dient te worden vastgesteld dat artikel 6, lid 1, van deze richtlijn bepaalt dat de lidstaten moeten voorzien in een passende rechtsbescherming tegen het omzeilen van doeltreffende technische voorzieningen. De in het vorige punt van het onderhavige arrest genoemde rechtspraak kan derhalve niet aldus worden uitgelegd dat deze uitzondering een recht voor natuurlijke personen inhoudt om een kopie van een werk voor privégebruik te maken en dat elke toestemming van een auteursrechthebbende zonder rechtsgevolgen blijft, ook wanneer deze rechthebbende de controle over zijn werk behoudt door middel van technische voorzieningen.

54 Het is ook vanuit dit perspectief dat de rechtspraak van het Hof dient te worden begrepen waarin wordt benadrukt dat de Uniewetgever deze uitzondering heeft willen voorbehouden aan de gevallen waarin de privékopie van het betrokken werk de houder van het auteursrecht op dat werk schade heeft berokkend doordat deze de mogelijkheid verliest om zijn uitsluitend recht uit te oefenen. In die zin vertolkt het woord „compenseren” in de overwegingen 35 en 38 van richtlijn 2001/29 de wil van die wetgever om te voorzien in een specifieke vergoedingsregeling die wordt toegepast wanneer er sprake is van schade voor de rechthebbenden, welke schade in beginsel de verplichting doet ontstaan om de rechthebbenden te compenseren (zie in die zin arrest van 21 oktober 2010, Padawan, C‑467/08, EU:C:2010:620, punt 41).

55 Omgekeerd betekent dit dat die billijke compensatie niet kan worden verkregen wanneer de houder van het auteursrecht op het werk waarvan een kopie is gemaakt, via technische voorzieningen de controle over dat werk heeft behouden en toestemming heeft verleend voor die kopie, met name door middel van een licentie.

56 In het onderhavige geval suggereert de verwijzende rechter dat het mogelijk is dat de houder van de rechten op het betrokken werk via een licentievergoeding die hij van de aanbieder van de streamingdienst bedingt, een vergoeding ontvangt die mede is gebaseerd op het aantal keren dat een offline streaming copy door de gebruiker van deze dienst wordt afgespeeld. Op grond van deze omstandigheden en de eventueel getroffen technische voorzieningen kan worden geoordeeld dat de rechthebbende toezicht kan houden op het gebruik van zijn beschermde werken door personen met rechtmatige toegang daartoe, en dat het toestaan van offline streaming copies behoort tot de normale exploitatie door de rechthebbende, waarvoor de rechthebbende een vergoeding kan bedingen via zijn auteursrecht.

57 In dit verband dient te worden gepreciseerd dat de vergoedingsvoorwaarden die zijn opgenomen in de licentieovereenkomst op grond waarvan de aanbieder van een streamingdienst offline streaming copies mag maken op de apparaten van eindgebruikers, niet van belang zijn voor de vaststelling of deze kopieën onder de in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 neergelegde uitzondering voor kopieën voor privégebruik vallen. Het is enkel van belang dat de houder van de rechten die het betrokken werk beschermen, de controle over dat werk heeft behouden via technische voorzieningen en dat hij toestemming heeft kunnen verlenen voor die kopieën, aangezien dit betekent dat deze houder in dat geval zijn recht heeft uitgeoefend om het gebruik ervan toe te staan of te verbieden, en dat die kopieën bijgevolg niet kunnen worden beschouwd als de oorzaak van door hem geleden schade.

58 In het in punt 42 van het onderhavige arrest vermelde geval waarin natuurlijke personen kunnen beschikken over een kopie van het betrokken werk en daarover controle kunnen uitoefenen, heeft de toestemming van de houder van het auteursrecht op dat werk daarentegen geen rechtsgevolgen. In dat geval ontbreekt een grond voor eventuele vergoedingen die in ruil voor deze toestemming worden betaald, aangezien de reproductiehandelingen die onder de uitzondering voor kopieën voor privégebruik in de zin van artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 vallen, slechts recht geven op een billijke compensatie in de zin van die bepaling.

59 Gelet op een en ander dient op de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat het voor de toepassing van de in die bepaling neergelegde uitzondering van geen belang is dat voor het maken van een offline streaming copy van het betrokken werk of voor het gebruik ervan een vergoeding is betaald aan de houder van het auteursrecht op dat werk uit hoofde van een licentie die deze kopie toestaat, voor zover de houder van het auteursrecht op het betrokken werk geen technische voorzieningen heeft getroffen en die houder dus geen toestemming voor die handeling heeft kunnen geven.

Kosten

60 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij moet aldus worden uitgelegd dat wanneer de aanbieder van een streamingdienst een beschermd werk door middel van een offline streaming copy beschikbaar stelt op het apparaat van de eindgebruiker die erom verzoekt, zonder dat deze gebruiker technisch in staat is om buiten die dienst om over die kopie te beschikken en waarbij wordt gewaarborgd dat de houder van het auteursrecht op dat werk er controle over behoudt, zodat hij eventueel de toegang tot die kopie kan blokkeren, deze beschikbaarstelling niet onder de in die bepaling neergelegde uitzondering voor kopieën voor privégebruik valt.

2) Artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 moet aldus worden uitgelegd dat het voor de toepassing van de in die bepaling neergelegde uitzondering van geen belang is dat voor het maken van een offline streaming copy van het betrokken werk of voor het gebruik ervan een vergoeding is betaald aan de houder van het auteursrecht op dat werk uit hoofde van een licentie die deze kopie toestaat, voor zover de houder van het auteursrecht op het betrokken werk geen technische voorzieningen heeft getroffen en die houder dus geen toestemming voor die handeling heeft kunnen geven.

Jürimäe Lenaerts Schalin Gavalec Csehi Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 16 april 2026. De griffier A. Calot Escobar De kamerpresident K. Jürimäe

( *1 ) Procestaal: Nederlands.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken