HvJ EU 26 maart 2026, C-62/25, ECLI:EU:C:2026:256
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)
26 maart 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Richtlijn 98/6/EG – Prijsaanduiding van producten – Artikel 2, onder a) – Begrip ‚verkoopprijs’ – Onlineverkoop – Forfaitaire verwerkingskosten bij een bestelling met een totale waarde onder een minimumbedrag – Uitsluiting van die kosten van de verkoopprijs van het betrokken product”
In zaak C‑62/25,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) bij beslissing van 23 januari 2025, ingekomen bij het Hof op 29 januari 2025, in de procedure
Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände – Verbraucherzentrale Bundesverband e.V.
tegen
JZ,
wijst
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: O. Spineanu-Matei, kamerpresident, N. Piçarra (rapporteur) en N. Fenger, rechters,
advocaat-generaal: N. Emiliou,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände – Verbraucherzentrale Bundesverband e.V., vertegenwoordigd door P. Wassermann, Rechtsanwalt,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en P. Wagner als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Kienapfel en B.‑R. Killmann als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, onder a), van richtlijn 98/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende de bescherming van de consument inzake de prijsaanduiding van aan de consument aangeboden producten (PB 1998, L 80, blz. 27).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen het Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände – Verbraucherzentrale Bundesverband e.V. (federatie van consumentenorganisaties, Duitsland; hierna: „BV”) en JZ, een exploitant van een webwinkel, over de eventuele verplichting om forfaitaire verwerkingskosten die bij een bestelling onder een minimumbedrag verschuldigd zijn op te nemen in de verkoopprijs van de op zijn website aangeboden goederen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 De overwegingen 2, 6 en 12 van richtlijn 98/6 luiden: „(2) […] [H]et [is] van belang […] de consumenten een hoog beschermingsniveau te garanderen, en […] de [Europese] Gemeenschap […] [moet] daartoe […] bijdragen door middel van specifieke acties die het door de lidstaten gevoerde beleid inzake precieze, doorzichtige en ondubbelzinnige informatie aan de consumenten over de prijs van aan hen aangeboden producten, steunen en aanvullen; […] (6) […] [D]e verplichting tot aanduiding van de verkoopprijs en de prijs per meeteenheid [levert] een aanzienlijke bijdrage […] tot een betere voorlichting van de consumenten, aangezien zulks de consument op de eenvoudigste wijze optimale mogelijkheden biedt om de prijs van de producten te beoordelen en te vergelijken, zodat hij op basis van eenvoudige vergelijkingen weloverwogen keuzes kan maken; […] (12) […] [E]en regelgeving op communautair niveau kan zorgen voor een homogene en doorzichtige voorlichting ten behoeve van alle consumenten in het kader van de interne markt”.
4 Artikel 1 van deze richtlijn is als volgt verwoord: „Doel van deze richtlijn is te voorzien in de aanduiding van de verkoopprijs en de prijs per meeteenheid van de producten die een verkoper aan de consument aanbiedt, teneinde de voorlichting aan de consument te verbeteren en een prijsvergelijking te vergemakkelijken.”
5 Artikel 2 van die richtlijn bepaalt: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: a) verkoopprijs: de uiteindelijke prijs voor een eenheid van het product of een gegeven hoeveelheid van het product, met inbegrip van de [belasting over de toegevoegde waarde (btw)] en alle overige belastingen; […]”
6 In artikel 4, lid 1, van die richtlijn is bepaald: „De verkoopprijs en de prijs per meeteenheid moeten ondubbelzinnig, gemakkelijk herkenbaar en goed leesbaar zijn. […]”
Duits recht
7 § 2, punt 3, van de Preisangabenverordnung (besluit inzake prijsaanduiding), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „PAngV”), luidt als volgt: „Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: […] 3. ‚totale prijs’: de prijs, met inbegrip van omzetbelasting en andere prijsbestanddelen, die voor een product of een dienst moet worden betaald.”
8 In § 3, lid 1, PAngV is bepaald: „Eenieder die als ondernemer goederen of diensten aan consumenten aanbiedt, of die als aanbieder van goederen of diensten bij consumenten reclame maakt met prijsaanduidingen van deze goederen of diensten, is verplicht om de totale prijs te vermelden.”
9 § 6, leden 1 en 2, PAngV luidt: „(1) Eenieder die als ondernemer goederen of diensten aan consumenten aanbiedt met het oog op het sluiten van een overeenkomst op afstand, moet naast de krachtens § 3, leden 1 en 2, en § 4, leden 1 en 2, vereiste informatie vermelden 1. dat de voor de goederen of diensten gevraagde prijzen [btw] en andere prijsbestanddelen omvatten, en 2. of er vervoers-, leverings‑ of verzendkosten of andere bijkomende kosten verschuldigd zijn. (2) Indien er vervoers-, leverings‑ of verzendkosten of andere bijkomende kosten verschuldigd zijn, moet het bedrag ervan worden vermeld, voor zover deze redelijkerwijs vooraf kunnen worden berekend.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
10 JZ verkoopt via de website www.staubsaugerservice.de verbruiksartikelen, accessoires en reserveonderdelen voor stofzuigers. Op 1 juni 2022 bood hij op deze site filterzakken voor stofzuigers aan voor de prijs van 14,90 EUR. Bovenaan de internetpagina stond te lezen: „Gratis levering binnen 24 uur in heel Duitsland” en „Gratis verzending”.
11 Rechts naast de prijsaanduiding stond er een asterisk. Door de cursor daarover te bewegen verscheen de volgende vermelding: „Inclusief btw, exclusief bijkomende kosten”. De prijsaanduiding als zodanig wijzigde niet. Door op de asterisk te klikken werd de gebruiker doorgestuurd naar een subpagina met de volgende informatie: „Bijkomende kosten […] Afhankelijk van de bestelwaarde kunnen niet-restitueerbare forfaitaire verwerkingskosten van 3,95 EUR (vanaf een bestelwaarde van 11 EUR) of 9 EUR (bestelwaarde van minder dan 11 EUR) in rekening worden gebracht. Vanaf een bestelwaarde van 29 EUR zijn in het algemeen geen forfaitaire verwerkingskosten of toeslagen verschuldigd.”
12 Nadat de klant het gekozen product in zijn winkelmandje had geplaatst, verscheen bij de raadpleging van de inhoud van dit mandje een prijsaanduiding van 14,90 EUR, alsook een bedrag van 3,95 EUR met de toelichting „toeslag/korting toeslag voor kleine bestellingen (niet van toepassing bij aankopen vanaf 29 EUR)”.
13 Aangezien het BV deze prijsaanduiding als oneerlijk beschouwde, heeft het een vordering ingesteld bij het Landgericht Hannover (rechter in eerste aanleg Hannover, Duitsland), met name om JZ te doen veroordelen tot het staken van het aanbieden van goederen op internet met aanduiding van prijzen waarin de forfaitaire verwerkingskosten niet zijn inbegrepen. Deze rechter heeft die vordering toegewezen.
14 Naar aanleiding van het hoger beroep van JZ heeft het Oberlandesgericht Celle (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Nedersaksen, Celle, Duitsland) de vordering van het BV afgewezen en daarbij geoordeeld dat de verwerkingskosten, die uitsluitend in rekening worden gebracht wanneer de totale waarde van de bestelling – die het betrokken product en eventueel andere producten omvat – lager is dan een bepaald bedrag, afzonderlijk moeten worden vermeld, aangezien zij geen bestanddeel vormen van de totale prijs van het betrokken product.
15 Het BV heeft tegen deze beslissing beroep in Revision ingesteld bij het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland), de verwijzende rechter. Volgens die rechter vloeit het antwoord op de vraag of forfaitaire verwerkingskosten waarvan de klant slechts is vrijgesteld indien de waarde van zijn bestelling een bepaald bedrag overschrijdt, moeten worden opgenomen in de verkoopprijs voor een eenheid van het product in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 98/6, niet duidelijk voort uit de bewoordingen van die bepaling, die de verkoopprijs definieert als de „uiteindelijke prijs voor een eenheid van het product” maar ook voor „een gegeven hoeveelheid van het product”.
16 Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof volgens welke de verkoopprijs van een product alle onvermijdbare en voorzienbare elementen van de prijs moet bevatten die verplicht ten laste van de consument komen en de tegenprestatie in geld voor de aankoop van dit product vormen, vraagt die rechter zich meer bepaald af of de betrokken forfaitaire verwerkingskosten voor de consument onvermijdbaar en voorzienbaar zijn. Hij is geneigd te oordelen dat deze kosten niet moeten worden opgenomen in de verkoopprijs in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 98/6. Volgens hem kan misleiding van de consument het best worden voorkomen door de verkoopprijs zonder forfaitaire verwerkingskosten te vermelden en de consument te waarschuwen dat deze kosten verschuldigd zijn bij bestellingen onder een bepaalde drempel, waarbij het bedrag van die kosten wordt vermeld.
17 In deze omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet een vast bedrag voor de verwerkingskosten dat alleen niet verschuldigd is wanneer de totale waarde van de bestelling een minimumbedrag overschrijdt, worden opgenomen in de voor een eenheid van het product te vermelden verkoopprijs in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn [98/6]?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
18 Met zijn enige vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 2, onder a), van richtlijn 98/6 aldus moet worden uitgelegd dat forfaitaire verwerkingskosten die, ten eerste, variëren naargelang het totale bedrag van de bestelling die de koper heeft geplaatst voor het betrokken product alsook, in voorkomend geval, voor andere producten en, ten tweede, uitsluitend verschuldigd zijn wanneer de totale waarde van die bestelling lager is dan een minimumbedrag, vallen onder het begrip „verkoopprijs”.
19 Artikel 2, onder a), van richtlijn 98/6 definieert de verkoopprijs als „de uiteindelijke prijs voor een eenheid van het product of een gegeven hoeveelheid van het product, met inbegrip van de btw en alle overige belastingen”.
20 De verkoopprijs moet als uiteindelijke prijs alle onvermijdbare en voorzienbare elementen van deze prijs bevatten die verplicht ten laste van de consument komen en de tegenprestatie in geld voor de aankoop van het betrokken product vormen [zie in die zin arrest van 29 juni 2023, Verband Sozialer Wettbewerb (Statiegeldverpakkingen), C‑543/21, EU:C:2023:527, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
21 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat de forfaitaire verwerkingskosten enkel verschuldigd zijn ingeval het totale bedrag van de aangekochte producten lager is dan een minimumbedrag. Voorts varieert het bedrag van deze forfaitaire verwerkingskosten, wanneer zij verschuldigd zijn, naargelang het totale bedrag van de aangekochte producten.
22 Hoewel die forfaitaire verwerkingskosten deel uitmaken van de tegenprestatie in geld voor de aankoop van het betrokken product, kunnen zij niet worden geacht „verplicht” ten laste te komen van de consument. De consument kan namelijk de betaling van deze kosten vermijden door meerdere – zelfs verschillende –producten te kopen, zodat het vereiste minimumbedrag wordt bereikt. Het is echter aan de verwijzende rechter om na te gaan of het daadwerkelijk mogelijk is om de betaling van forfaitaire verwerkingskosten te vermijden, met name gelet op de hoogte van dat minimumbedrag.
23 Het opnemen van die kosten in de „verkoopprijs” in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 98/6 zou aldus het definitieve karakter van die prijs in de zin van de in punt 20 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak kunnen ondermijnen. Bijgevolg mogen zij niet worden opgenomen in de „verkoopprijs”.
24 Voor die uitlegging is steun te vinden in de door richtlijn 98/6 nagestreefde doelstellingen, die worden vermeld in artikel 1 van deze richtlijn, gelezen in het licht van overweging 6 ervan, namelijk de voorlichting aan de consument verbeteren en de vergelijking van de verkoopprijzen van door handelaren aan consumenten aangeboden producten vergemakkelijken, opdat de consument weloverwogen keuzen kan maken. Dienaangaande wordt in overweging 12 van die richtlijn gepreciseerd dat deze ertoe strekt een homogene en doorzichtige voorlichting ten behoeve van alle consumenten in het kader van de interne markt te waarborgen.
25 Voorts moet de verkoopprijs van aan consumenten aangeboden producten op grond van artikel 4, lid 1, van die richtlijn, gelezen in het licht van overweging 2 ervan, ondubbelzinnig, gemakkelijk herkenbaar en goed leesbaar zijn, opdat die informatie aan de consument precies, doorzichtig en ondubbelzinnig is.
26 In casu zijn ten eerste forfaitaire verwerkingskosten alleen bij bepaalde aankopen van het betrokken product verschuldigd, namelijk wanneer het totale bedrag van de bestelling lager is dan een minimumbedrag. Ten tweede kunnen naargelang het totale aankoopbedrag verschillende forfaitaire verwerkingskosten verschuldigd zijn. In deze omstandigheden zou het opnemen van het bedrag van die kosten in de verkoopprijs van het product in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 98/6 het risico met zich brengen dat consumenten tot onjuiste prijsvergelijkingen komen [zie naar analogie arrest van 29 juni 2023, Verband Sozialer Wettbewerb (Statiegeldverpakkingen), C‑543/21, EU:C:2023:527, punt 26].
27 Daarentegen stelt de verwijzende rechter terecht dat de duidelijke vermelding van het bedrag van de eventueel verschuldigde forfaitaire verwerkingskosten, afzonderlijk en naast de verkoopprijs van het betrokken product, de consument in staat stelt om de prijzen van dat product te beoordelen en te vergelijken en om weloverwogen keuzen te maken op basis van eenvoudige vergelijkingen, overeenkomstig de in punt 24 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte doelstellingen van richtlijn 98/6 en het in overweging 2 van die richtlijn gestelde vereiste dat deze prijzen doorzichtig en ondubbelzinnig zijn [zie naar analogie arrest van 29 juni 2023, Verband Sozialer Wettbewerb (Statiegeldverpakkingen), C‑543/21, EU:C:2023:527, punt 27].
28 In deze context is een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument in staat om de prijs van het product en het bedrag aan eventuele forfaitaire kosten bij elkaar op te tellen teneinde te bepalen welk totaalbedrag bij de aankoop moet worden betaald [zie naar analogie arrest van 29 juni 2023, Verband Sozialer Wettbewerb (Statiegeldverpakkingen), C‑543/21, EU:C:2023:527, punt 28].
29 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 2, onder a), van richtlijn 98/6 aldus moet worden uitgelegd dat forfaitaire verwerkingskosten die, ten eerste, variëren naargelang het totale bedrag van de bestelling die de koper heeft geplaatst voor het betrokken product alsook, in voorkomend geval, voor andere producten en, ten tweede, uitsluitend verschuldigd zijn wanneer de totale waarde van die bestelling lager is dan een door de verkoper vastgesteld minimumbedrag, niet vallen onder het begrip „verkoopprijs”, voor zover deze kosten duidelijk worden vermeld en dit bedrag niet zodanig is vastgesteld dat de betaling van deze kosten in de praktijk onvermijdelijk is.
Kosten
30 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 2, onder a), van richtlijn 98/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende de bescherming van de consument inzake de prijsaanduiding van aan de consument aangeboden producten
moet aldus worden uitgelegd dat
forfaitaire verwerkingskosten die, ten eerste, variëren naargelang het totale bedrag van de bestelling die de koper heeft geplaatst voor het betrokken product alsook, in voorkomend geval, voor andere producten en, ten tweede, uitsluitend verschuldigd zijn wanneer de totale waarde van die bestelling lager is dan een door de verkoper vastgesteld minimumbedrag, niet vallen onder het begrip „verkoopprijs”, voor zover deze kosten duidelijk worden vermeld en dit bedrag niet zodanig is vastgesteld dat de betaling van deze kosten in de praktijk onvermijdelijk is.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.