HvJ EU 26 maart 2026, C-239/24, ECLI:EU:C:2026:249

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer),

26 maart 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid – Justitiële samenwerking in strafzaken – Artikel 82, lid 2, VWEU – Wetgevende bevoegdheid van de Unie – Richtlijn 2012/29/EU – Minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten – Artikel 2, lid 1, onder a) – Begrip ‚slachtoffer’ – Extraterritoriale bevoegdheid van de strafrechter van een lidstaat – Niet-toepasselijkheid van deze richtlijn”

In zaak C‑239/24 [Aurnois] ( i ),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de cour d’appel de Bruxelles (België) bij beslissing van 12 december 2023, ingekomen bij het Hof op 2 april 2024, in de procedure ingeleid door

FP,

LD,

in tegenwoordigheid van:

Federaal procureur,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, O. Spineanu-Matei, S. Rodin, N. Piçarra (rapporteur) en N. Fenger, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– FP en LD, vertegenwoordigd door M. Alié, advocaat,

– de Federale procureur, vertegenwoordigd door A. d’Oultremont, federaal magistraat,

– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door A. Pagáčová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino als gemachtigde, bijgestaan door L. Fiandaca, avvocato dello Stato,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Hottiaux en J. Vondung als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van kaderbesluit 2001/220/JBZ (PB 2012, L 315, blz. 57).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure die FP en LD in België hebben ingeleid tegen verschillende leiders van het Koninkrijk Saudi-Arabië wegens misdaden tegen de mensheid die zouden zijn gepleegd tegen hun zus, SX, een Saoedische onderdaan en activiste voor vrouwenrechten.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Primair recht

3 Artikel 82, lid 2, VWEU bepaalt: „Voor zover nodig ter bevordering van de wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie, kunnen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure bij richtlijnen minimumvoorschriften vaststellen. In die minimumvoorschriften wordt rekening gehouden met de verschillen tussen de rechtstradities en rechtsstelsels van de lidstaten. Deze minimumvoorschriften hebben betrekking op: a) de wederzijdse toelaatbaarheid van bewijs tussen de lidstaten; b) de rechten van personen in de strafvordering; c) de rechten van slachtoffers van misdrijven; d) andere specifieke elementen van de strafvordering, die door de Raad vooraf bij besluit worden bepaald. Voor de aanneming van dit besluit, besluit de Raad met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement. De vaststelling van de in dit lid bedoelde minimumvoorschriften belet de lidstaten niet een hoger niveau van bescherming voor personen te handhaven of in te voeren.”

Richtlijn 2012/29

4 De overwegingen 3, 4, 13 en 50 van richtlijn 2012/29 luiden als volgt: „(3) Artikel 82, lid 2, [VWEU] voorziet in de vaststelling van minimumvoorschriften die in de lidstaten van toepassing zijn ter bevordering van de wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie, in het bijzonder met betrekking tot de rechten van slachtoffers van misdrijven. (4) […] [D]eze richtlijn [strekt] ertoe de beginselen van kaderbesluit 2001/220/JBZ [van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van slachtoffers in strafprocedures (PB 2001, L 82, blz. 1)] te herzien en aan te vullen en de slachtofferbescherming in de gehele Unie, met name in het kader van strafprocedures, naar een aanzienlijk hoger niveau te tillen. […] (13) Deze richtlijn is van toepassing met betrekking tot strafbare feiten die in de Unie zijn gepleegd en op strafprocedures die in de Unie plaatsvinden. Zij verleent alleen rechten aan slachtoffers van buiten de Unie gepleegde strafbare feiten, indien de desbetreffende strafprocedures in de Unie plaatsvinden. Aangiften die zijn gedaan bij bevoegde autoriteiten buiten de Unie, zoals ambassades, geven geen aanleiding tot de in deze richtlijn opgenomen verplichtingen. […] (50) De in deze richtlijn opgenomen verplichting tot toezending van aangiften mag geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de lidstaten om een procedure te beginnen, noch aan de regels betreffende geschillen in verband met de uitoefening van rechtsmacht, zoals bepaald in kaderbesluit 2009/948/JBZ van de Raad van 30 november 2009 over het voorkomen en beslechten van geschillen over de uitoefening van rechtsmacht bij strafprocedures [PB 2009, L 328, blz. 42].”

5 Volgens artikel 1, lid 1, eerste alinea, ervan heeft deze richtlijn tot doel ervoor te zorgen dat slachtoffers van strafbare feiten passende informatie, ondersteuning en bescherming krijgen en aan de strafprocedure kunnen deelnemen.

6 Artikel 2, lid 1, van deze richtlijn bevat onder meer de volgende definities: „a) ‚slachtoffer’: i) een natuurlijke persoon die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit schade, met inbegrip van lichamelijke, geestelijke of emotionele schade of economisch nadeel, heeft geleden; ii) familieleden van een persoon wiens overlijden rechtstreeks veroorzaakt is door een strafbaar feit en die schade hebben geleden als gevolg van het overlijden van die persoon; b) ‚familieleden’: de echtgenoot, de persoon die met het slachtoffer in een vaste intieme relatie, in een gemeenschappelijk huishouden en duurzaam en ononderbroken samenwoont, de bloedverwanten in rechte lijn, de broers en zussen, en de personen die van het slachtoffer afhankelijk zijn.”

Belgisch recht

7 Artikel 10 van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het wetboek van strafvordering (Belgisch Staatsblad van 25 april 1878, blz. 1265), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „VTSV”), bepaalt: „Een vreemdeling, behoudens deze genoemd in de artikelen 6 en 7, § 1, kan in België vervolgd worden wanneer hij zich buiten het grondgebied van het Rijk schuldig maakt: […] 1°bis aan een ernstige schending van het internationaal humanitair recht, in boek II, titel Ibis van het Strafwetboek omschreven, gepleegd tegen een persoon die, op het moment van de feiten, een Belgische onderdaan is (of een in België erkende vluchteling en die er zijn gewone verblijfplaats heeft, in de zin van het [Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, United Nations Treaty Series, deel 189, blz. 150, nr. 2545 (1954), in werking getreden op 22 april 1954 en aangevuld door het Protocol betreffende de status van vluchtelingen, gesloten te New York op 31 januari 1967 en in werking getreden op 4 oktober 1967], of een persoon die sedert minstens drie jaar effectief, gewoonlijk en wettelijk in België verblijft. De vervolging, met inbegrip van het onderzoek, kan slechts plaatsgrijpen op vordering van de federale procureur, die eventuele klachten beoordeelt. Ingeval, met toepassing van de voorgaande leden, een klacht aanhangig is gemaakt bij de federale procureur, vordert hij dat de onderzoeksrechter naar deze klacht een onderzoek instelt, behalve indien: 1° de klacht kennelijk niet gegrond is; of 2° de feiten bedoeld in de klacht niet overeenstemmen met een kwalificatie van de misdrijven bedoeld in boek II, titel Ibis, van het Strafwetboek; of 3° uit deze klacht geen ontvankelijke strafvordering kan volgen; of […] Indien de federale procureur van oordeel is dat een of meer van de voorwaarden bedoeld in het derde lid, 1°, 2° en 3°, vervuld zijn, doet hij voor de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Brussel vorderingen die beogen te beslissen, naargelang van het geval, dat er geen reden is tot vervolging of dat de strafvordering niet ontvankelijk is. Enkel de federale procureur wordt gehoord. […]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

8 Op 2 december 2021 hebben FP en LD (hierna: „klagers”) bij het federaal parket een klacht ingediend tegen verschillende leiders van het Koninkrijk Saudi-Arabië wegens misdaden tegen de mensheid als bedoeld in het Belgische strafwetboek, die zouden zijn gepleegd tegen hun zus, SX, een Saoedische onderdaan en vrouwenrechtenactiviste. Klagers stellen aldus de onderdrukking door het Saudische regime aan de kaak, niet alleen van hun zus, maar ook van een groot aantal andere personen die het slachtoffer zouden zijn geweest van willekeurige en onrechtmatige arrestaties en detentie, foltering, onmenselijke behandeling, gedwongen verdwijningen en moorden.

9 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de klagers aanvoeren dat zij niet alleen indirecte slachtoffers zijn, maar ook directe slachtoffers van de ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht die zouden zijn gepleegd tegen hun zus. Als naasten van een persoon die het slachtoffer is van dergelijke schendingen, zouden zij namelijk geestelijke of emotionele schade kunnen lijden als gevolg van de psychologische impact en het trauma dat door deze schendingen wordt veroorzaakt, alsook materiële schade, met name in geval van arbeidsongeschiktheid als gevolg van een dergelijk trauma.

10 Klagers stellen dan ook dat zij „slachtoffers” zijn in de zin van artikel 2, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2012/29 en dat dit begrip valt onder het begrip „persoon tegen wie een ernstige schending van het internationaal humanitair recht is gepleegd” als bedoeld in artikel 10, eerste alinea, 1° bis, VTSV. Aangezien de aangeklaagde feiten zich hebben voorgedaan tussen 2018 en 2021, dat wil zeggen na de registratie van klagers in België als ingezetenen, voldoen zij bovendien ook aan de criteria van laatstgenoemde bepaling om in België niet-onderdanen te vervolgen voor feiten die buiten het nationale grondgebied zijn gepleegd.

11 Naar aanleiding van de in punt 8 van het onderhavige arrest vermelde klacht heeft de federale procureur de kamer van inbeschuldigingstelling van de cour d’appel de Bruxelles (België), de verwijzende rechter, voorgesteld om de Belgische rechterlijke instanties onbevoegd te verklaren en de strafvervolging overeenkomstig artikel 10, vierde alinea, VTSV niet-ontvankelijk te verklaren. Volgens hem is niet voldaan aan de voorwaarden van het eerste lid, 1° bis, van dit artikel met betrekking tot strafbare feiten die in Saudi-Arabië zijn gepleegd tegen de zus van klagers. De federale procureur heeft aldus geweigerd om hun op grond van artikel 10, eerste lid, 1° bis, VTSV de hoedanigheid te verlenen van „personen tegen wie een ernstige schending van het internationaal humanitair recht is gepleegd”.

12 De verwijzende rechter zet uiteen dat overeenkomstig artikel 10, eerste lid, 1° bis, VTSV de passieve persoonlijke bevoegdheid van de Belgische rechterlijke instanties ten aanzien van misdrijven die buiten het nationale grondgebied zijn gepleegd door een andere persoon dan een eigen onderdaan, wordt erkend wanneer, ten eerste, de aangeklaagde feiten een ernstige schending van het internationaal humanitair recht vormen en, ten tweede, deze schending is gepleegd tegen een persoon die de Belgische nationaliteit bezit, in België de vluchtelingenstatus heeft of sinds ten minste drie jaar in deze lidstaat verblijft.

13 Deze rechter stelt vast dat SX, de zus van klagers, het slachtoffer is geweest van misdaden die op het eerste gezicht een ernstige schending van het internationaal humanitair recht kunnen vormen, maar dat zij ten tijde van de feiten niet de Belgische nationaliteit bezat, in België niet de vluchtelingenstatus had en evenmin op het grondgebied van deze lidstaat verbleef. In die omstandigheden moet volgens hem de extraterritoriale bevoegdheid van de Belgische rechterlijke instanties worden uitgesloten op grond van artikel 10, eerste lid, 1° bis, VTSV.

14 De verwijzende rechter merkt op dat, om de extraterritoriale bevoegdheid van de Belgische rechterlijke instanties te doen ontstaan, artikel 10, eerste lid, 1° bis, niet verwijst naar het begrip (direct of indirect) „slachtoffer”, maar naar het begrip „persoon tegen wie een ernstige schending van het internationaal humanitair recht is gepleegd” en die „op het moment van de feiten, een Belgische onderdaan is of een in België erkende vluchteling en die er zijn gewone verblijfplaats heeft”. Hij verduidelijkt dat dit laatste begrip een strikte band met België vereist om te voorkomen dat klachten worden ingediend door personen die zich op het nationale grondgebied vestigen met als enig doel bij de Belgische rechter een zaak aan te spannen wegens strafbare feiten waarvan zij stellen buiten dat grondgebied het slachtoffer te zijn geworden.

15 Aangezien klagers ten eerste hebben aangevoerd dat zij moeten worden aangemerkt als „slachtoffers” in de zin van artikel 2, lid 1, onder a), van richtlijn 2012/29 en ten tweede dat dit begrip aldus moet worden opgevat dat het valt onder het begrip „persoon tegen wie een ernstige schending van het internationaal humanitair recht is gepleegd” als bedoeld in artikel 10, eerste lid, 1° bis, VTSV, is de verwijzende rechter van oordeel dat de uitlegging van dat artikel 2, lid 1, onder a), noodzakelijk is om de draagwijdte van laatstgenoemd begrip te bepalen en dus te beslissen of in casu is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van strafvervolging in België.

16 Deze rechter merkt evenwel op dat het Hof van Cassatie (België) in een arrest van 17 december 2003 heeft geoordeeld dat er geen regel van internationaal recht bestaat op grond waarvan het Koninkrijk België universele rechtsmacht moet uitoefenen ten aanzien van misdaden tegen de mensheid. Voorts stelt hij vast dat zowel artikel 5 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing van 10 december 1984 [United Nations Treaty Series, deel 1465, blz. 85, nr. 24841 (1987)] als artikel 9 van het Internationaal Verdrag van 20 december 2006 ter bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning [United Nations Treaty Series, deel 2716, blz. 3, nr. 48088 (2010)] alleen voorziet in de mogelijkheid voor de verdragsluitende staten om hun passieve rechtsmacht vast te stellen „wanneer zij dat passend achten”.

17 In deze omstandigheden heeft de cour d’appel de Bruxelles de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld: „1) Moet artikel 2, lid 1, onder a), i), van richtlijn [2012/29] aldus worden uitgelegd dat het begrip ‚slachtoffers’ ook de naaste familieleden omvat van een persoon die, in het kader van een ernstige schending van het internationaal humanitair recht, het slachtoffer zou zijn geweest van gedwongen verdwijning of foltering, waardoor die familieleden toegang zouden krijgen tot de in de richtlijn omschreven rechten, rekening houdend met het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijningen [van 20 december 2006] en het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing [van 10 december 1984]? 2) Moet artikel 2, lid 1, onder a), i), van richtlijn [2012/29] aldus worden uitgelegd dat het begrip ‚slachtoffers’ ook de familieleden omvat die mentale of emotionele schade, dan wel materieel verlies zouden hebben geleden, welke rechtstreeks is veroorzaakt door een ernstige schending van het internationaal humanitair recht die inzonderheid tegen een naaste is gepleegd, waardoor die familieleden toegang zouden krijgen tot de in [die] richtlijn omschreven rechten?”

Procedure bij het Hof

18 Bij een verzoek om inlichtingen van 29 mei 2024 heeft het Hof de verwijzende rechter verzocht te verduidelijken waarom hij van mening is dat er een verband bestaat tussen het hoofdgeding, dat betrekking heeft op de extraterritoriale bevoegdheid waarin het Belgische recht voorziet voor misdaden tegen de mensheid, en de bepalingen van richtlijn 2012/29.

19 Bij brief, ingekomen ter griffie van het Hof op 11 juli 2024, heeft de verwijzende rechter het Hof meegedeeld dat hij op 12 november 2024 een terechtzitting zou houden om de aldus door het Hof gestelde vraag aan het contradictoir debat tussen de partijen in het hoofdgeding te onderwerpen, en dat hij het verzoek om inlichtingen pas na die terechtzitting zou kunnen beantwoorden.

20 Op 12 juli 2024 heeft de president van het Hof, de advocaat-generaal en de rechter-rapporteur gehoord, besloten de behandeling van de zaak te schorsen tot de ontvangst van het antwoord van de verwijzende rechter op het verzoek om inlichtingen.

21 Op 29 januari 2025 heeft de verwijzende rechter in antwoord op het verzoek om inlichtingen bij het Hof de schriftelijke opmerkingen ingediend die klagers en de federale procureur bij hem hadden ingediend.

22 Op 5 februari 2025 heeft de president van het Hof, de advocaat-generaal en de rechter-rapporteur gehoord, besloten de door de verwijzende rechter neergelegde documenten aan het dossier toe te voegen, deze samen met het verzoek om inlichtingen ter kennis van de partijen in het hoofdgeding en de belanghebbenden te brengen, en de procedure te hervatten.

Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

23 De federale procureur betoogt dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is. De Commissie betwijfelt ook of dit verzoek ontvankelijk is.

24 Volgens de federale procureur is geen enkele bepaling van richtlijn 2012/29 bedoeld om de voorwaarden te regelen voor de ontvankelijkheid van de strafvervolging die bij de nationale rechterlijke instanties wordt ingesteld wegens buiten het nationale grondgebied gepleegde misdaden, zodat artikel 2, lid 1, onder a), i), van deze richtlijn, waarop de prejudiciële vragen betrekking hebben, niet van toepassing is op het hoofdgeding. In die omstandigheden is de vraag of deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat een naast familielid van een slachtoffer van een ernstige schending van het internationaal humanitair recht ook als „slachtoffer” kan worden aangemerkt en dus aanspraak kan maken op de in die richtlijn neergelegde rechten, irrelevant voor de beslechting van dit geding.

25 De Commissie merkt op dat richtlijn 2012/29 geen enkele bepaling bevat over de vaststelling van de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de lidstaten in strafzaken en dat zij alleen van toepassing is op strafprocedures waarvoor een dergelijke bevoegdheid reeds is vastgesteld. In het algemeen bevat het Unierecht geen enkele regel die relevant is voor de uitlegging van een bepaling van nationaal recht die de uitoefening van de extraterritoriale rechterlijke bevoegdheid in strafzaken regelt, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is.

26 Bovendien baseert de Commissie haar twijfels over de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing op het feit dat de verwijzende rechter zich in antwoord op het in punt 18 van het onderhavige arrest vermelde verzoek om inlichtingen niet uitdrukkelijk heeft uitgesproken over de redenen waarom hij van mening is dat er een verband bestaat tussen het hoofdgeding en de bepalingen van deze richtlijn, en zich ertoe heeft beperkt de schriftelijke opmerkingen van klagers en de federale procureur dienaangaande door te zenden.

27 Volgens vaste rechtspraak rust een vermoeden van relevantie op de vragen inzake de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek van een nationale rechter om een prejudiciële beslissing wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 1 augustus 2025, Alace en Canpelli, C‑758/24 en C‑759/24, EU:C:2025:591, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28 In casu vraagt de verwijzende rechter zich in essentie af of het begrip „persoon tegen wie een ernstige schending van het internationaal humanitair recht is gepleegd” als bedoeld in artikel 10, eerste lid, 1° bis, VTSV aldus moet worden opgevat dat dit begrip het begrip „slachtoffer” omvat, zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, onder a), van richtlijn 2012/29, waarvan hij om uitlegging verzoekt teneinde te beslissen of is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van strafvervolging in België. Mocht het Hof oordelen dat deze richtlijn van toepassing is op het hoofdgeding, dan zou de uitlegging van dit begrip „slachtoffer” van invloed zijn op de beslechting van dit geding.

29 Wanneer niet duidelijk blijkt dat de uitlegging van richtlijn 2012/29 geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, dan ziet de exceptie van niet-toepasselijkheid van deze richtlijn op het hoofdgeding niet op de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing, maar betreft zij de grond van de gestelde vragen [zie in die zin arresten van 4 oktober 2024, Bezirkshauptmannschaft Landeck (Poging tot het verkrijgen van toegang tot op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens),C‑548/21, EU:C:2024:830, punt 67, en 17 oktober 2024, FA.RO. di YK & C., C‑16/23, EU:C:2024:886, punt 48].

Beantwoording van de prejudiciële vragen

30 Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2012/29 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „slachtoffer” in de zin van deze bepaling ook ziet op de naaste familieleden van een persoon die een ernstige schending van het internationaal humanitair recht heeft ondergaan, of althans op diegenen van hen wier geestelijke of emotionele integriteit is aangetast of die een rechtstreeks door die schending veroorzaakt materieel verlies hebben geleden.

31 Zoals in punt 28 van het onderhavige arrest is opgemerkt, dient deze rechter in het kader van het bij hem aanhangige geding een bepaling van nationaal recht uit te leggen, namelijk artikel 10, eerste lid, 1° bis, VTSV, op grond waarvan de nationale rechterlijke instanties bevoegd zijn om kennis te nemen van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht die buiten het nationale grondgebied zijn gepleegd tegen een persoon die de Belgische nationaliteit heeft, in België de vluchtelingenstatus heeft of sinds ten minste drie jaar in deze lidstaat verblijft. Daartoe wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of deze bepaling in overeenstemming met artikel 2, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2012/29 moet worden uitgelegd.

32 In deze context moet om te beginnen worden onderzocht of richtlijn 2012/29 van toepassing is in het kader van een geding over de bevoegdheid van de strafrechters van een lidstaat om kennis te nemen van feiten die buiten zijn grondgebied zijn gepleegd, hetgeen de draagwijdte van bepalingen van nationaal recht die in een dergelijke bevoegdheid voorzien, zou kunnen beïnvloeden.

33 Er zij aan herinnerd dat deze richtlijn is vastgesteld op de grondslag van artikel 82, lid 2, VWEU. Zoals blijkt uit overweging 3 van deze richtlijn, machtigt deze bepaling van het VWEU de Uniewetgever om minimumvoorschriften vast te stellen die in de lidstaten van toepassing zijn, teneinde de wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie te bevorderen, met name wat betreft de rechten van slachtoffers van misdrijven, maar ook de rechten van personen in de strafprocedure en de wederzijdse toelaatbaarheid van bewijsmateriaal tussen de lidstaten, zoals bepaald in artikel 82, lid 2, onder a) tot en met c), VWEU.

34 In dit verband moet worden opgemerkt dat richtlijn 2012/29, overeenkomstig de titel ervan, minimumnormen vaststelt voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten. In overweging 4 van die richtlijn wordt opgemerkt dat deze richtlijn ertoe strekt de beginselen van kaderbesluit 2001/220 te herzien en aan te vullen en de slachtofferbescherming in de gehele Unie, met name in het kader van strafprocedures, naar een aanzienlijk hoger niveau te tillen.

35 Richtlijn 2012/29 heeft volgens artikel 1, lid 1, eerste alinea, ervan tot doel ervoor te zorgen dat slachtoffers van strafbare feiten passende informatie, ondersteuning en bescherming krijgen en aan de strafprocedure kunnen deelnemen.

36 Voor de toepassing van deze richtlijn wordt in artikel 2, lid 1, onder a), i), het begrip „slachtoffer” gedefinieerd als een natuurlijke persoon die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit schade, met inbegrip van lichamelijke, geestelijke of emotionele schade of economisch nadeel, heeft geleden. Dit begrip omvat volgens artikel 2, lid 1, onder a), ii), van die richtlijn ook familieleden van een persoon wiens overlijden rechtstreeks veroorzaakt is door een strafbaar feit en die schade hebben geleden als gevolg van het overlijden van die persoon. Voorts definieert artikel 2, lid 1, onder b), van deze richtlijn „familieleden” als de echtgenoot, de persoon die met het slachtoffer in een vaste intieme relatie, in een gemeenschappelijk huishouden en duurzaam en ononderbroken samenwoont, de bloedverwanten in rechte lijn, de broers en zussen, en de personen die van het slachtoffer afhankelijk zijn.

37 Richtlijn 2012/29 voorziet in wezen in een reeks rechten die deze slachtoffers in het kader van nationale strafprocedures moeten genieten. Ten eerste voorziet deze richtlijn met betrekking tot informatie en ondersteuning onder meer in het recht om te begrijpen en te worden begrepen, het recht om informatie te ontvangen vanaf het eerste contact met een bevoegde autoriteit en het recht op informatie over de zaak. Ten tweede voorziet deze richtlijn, wat de deelname aan de strafprocedure betreft, onder meer in het recht om te worden gehoord en het recht op rechtsbijstand. Ten derde waarborgt deze richtlijn op het gebied van de bescherming van slachtoffers, met inbegrip van slachtoffers met specifieke behoeften en kinderen, het recht om contact tussen het slachtoffer en de dader te vermijden en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

38 Alleen overweging 13 van richtlijn 2012/29 verwijst naar „slachtoffers van buiten de Unie gepleegde strafbare feiten” en verduidelijkt dat deze richtlijn alleen de toepassing van de daarin neergelegde verplichtingen met zich meebrengt in het kader van strafprocedures in de Unie. De toekenning van rechten aan deze slachtoffers veronderstelt dus dat de lidstaten hun bevoegdheid hebben uitgeoefend om strafvervolging in te stellen. Zoals de federale procureur en de Commissie in hun schriftelijke opmerkingen terecht hebben opgemerkt, is deze richtlijn slechts van toepassing op strafprocedures waarvoor vooraf een dergelijke bevoegdheid is vastgesteld.

39 Deze vaststelling wordt bevestigd door overweging 50 van dezelfde richtlijn, waaruit blijkt dat deze richtlijn geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de lidstaten om een strafprocedure te beginnen, noch aan de toepassing van de regels betreffende geschillen in verband met de uitoefening van rechtsmacht bij strafprocedures, zoals bepaald in kaderbesluit 2009/948.

40 Gelet op een en ander moet richtlijn 2012/29 aldus worden uitgelegd dat zij niet van toepassing is in het kader van een geding over de bevoegdheid van de strafrechters van een lidstaat om kennis te nemen van feiten die buiten zijn grondgebied zijn gepleegd, en de draagwijdte van bepalingen van nationaal recht die in een dergelijke bevoegdheid voorzien, niet kan beïnvloeden.

Kosten

41 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van kaderbesluit 2001/220/JBZ

moet aldus worden uitgelegd dat

zij niet van toepassing is in het kader van een geding over de bevoegdheid van de strafrechters van een lidstaat om kennis te nemen van feiten die buiten zijn grondgebied zijn gepleegd, en de draagwijdte van bepalingen van nationaal recht die in een dergelijke bevoegdheid voorzien, niet kan beïnvloeden.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken