HvJ EU 12 maart 2026, C-597/24, ECLI:EU:C:2026:198

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)

12 maart 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Sociaal beleid – Gelijke behandeling in arbeid en beroep – Richtlijn 2000/78/EG – Verbod van discriminatie op grond van een handicap – Artikel 2, lid 2 – Recht van een leerkracht met een handicap om overgeplaatst te worden naar een bepaald gebied – Artikel 5 – Redelijke aanpassingen voor personen met een handicap – Voorrang voor mobiliteit binnen een en hetzelfde gebied ten opzichte van mobiliteit tussen verschillende gebieden”

In zaak C‑597/24 [Zirvatta] ( i ),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) bij beslissing van 10 september 2024, ingekomen bij het Hof op 16 september 2024, in de procedure

C.M.

tegen

Ministero dell’Istruzione e del Merito,

in tegenwoordigheid van:

Ufficio Scolastico Regionale per la Lombardia,

Ambito Territoriale di Mantova,

Ufficio Scolastico Regionale per la Calabria,

wijst

HET HOF (Tiende kamer),

samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún (rapporteur), president van de Vijfde kamer, waarnemend voor de president van de Tiende kamer, E. Regan en D. Gratsias, rechters,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino als gemachtigde, bijgestaan door D. D’Alberti, avvocato dello Stato, en M. T. Lubrano Lobianco, procuratore dello Stato,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Recchia en E. Schmidt als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, lid 2, onder b), i), en artikel 5, van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB 2000, L 303, blz. 16).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen C.M., een leerkracht met een handicap, en de Ministero dell’Istruzione e del Merito (ministerie van Onderwijs en Verdiensten, Italië) over het verzoek van C.M. om te worden overgeplaatst naar een andere provincie dan die waar zij haar functie uitoefent.

Toepasselijke bepalingen

Internationaal recht

3 Artikel 1 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, gesloten te New York op 13 december 2006 en goedgekeurd namens de Europese Gemeenschap bij besluit 2010/48/EG van de Raad van 26 november 2009 (PB 2010, L 23, blz. 35; hierna: „VN‑Verdrag”), bepaalt: „Doel van dit verdrag is het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid te bevorderen, beschermen en waarborgen, en ook de eerbiediging van hun inherente waardigheid te bevorderen. Personen met een handicap zijn onder meer personen met langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving.”

4 Artikel 2 van dit verdrag luidt: „Voor de toepassing van dit verdrag wordt verstaan onder: […] ‚discriminatie op grond van handicap’: elk onderscheid en elke uitsluiting of beperking op grond van een handicap dat of die ten doel of tot gevolg heeft dat de erkenning, het genot of de uitoefening, op voet van gelijkheid met anderen van de mensenrechten en fundamentele vrijheden in het politieke, economische, sociale, culturele of burgerlijke leven, of op andere gebieden aangetast of onmogelijk gemaakt wordt. Het omvat alle vormen van discriminatie, met inbegrip van de weigering van redelijke aanpassingen; ‚redelijke aanpassingen’: noodzakelijke en passende wijzigingen, en aanpassingen die geen disproportionele of onevenredige, of onnodige last opleggen, indien zij in een specifiek geval nodig zijn om te waarborgen dat personen met een handicap alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid met anderen kunnen genieten of uitoefenen; […]”

5 Artikel 5 van dat verdrag bepaalt: „1. De staten die partij zijn erkennen dat eenieder gelijk is voor de wet en zonder aanziens des persoons recht heeft op dezelfde bescherming door, en hetzelfde voordeel van de wet. […] 4. Specifieke maatregelen die nodig zijn om de feitelijke gelijkheid van personen met een handicap te bespoedigen of verwezenlijken, worden niet aangemerkt als discriminatie in de zin van dit verdrag.”

6 Artikel 27, lid 1, van dat verdrag luidt: „De staten die partij zijn erkennen het recht van personen met een handicap op werk, op voet van gelijkheid met anderen; dit omvat het recht op de mogelijkheid in het levensonderhoud te voorzien door middel van in vrijheid gekozen of aanvaard werk op een arbeidsmarkt en in een werkomgeving die open zijn, waarbij niemand wordt uitgesloten, en die toegankelijk zijn voor personen met een handicap. De staten die partij zijn waarborgen en bevorderen de verwezenlijking van het recht op werk, met inbegrip van personen die gehandicapt raken tijdens de uitoefening van hun functie, door het nemen van passende maatregelen, onder meer door middel van wetgeving, teneinde onder andere: […] g) personen met een handicap in dienst te nemen in de publieke sector; […]”

Unierecht

7 De overwegingen 16, 20 en 21 van richtlijn 2000/78 luiden: „(16) Maatregelen gericht op aanpassing van de werkplek aan de behoeften van personen met een handicap vervullen bij de bestrijding van discriminatie op grond van een handicap een belangrijke rol. […] (20) Er moeten passende, dat wil zeggen doeltreffende en praktische maatregelen worden getroffen die gericht zijn op aanpassing van de werkplek aan de behoeften van de werknemer met een handicap, bijvoorbeeld aanpassing van gebouwen, uitrusting, arbeidsritme, en taakverdeling, of voorzien in opleidings‑ en integratiemiddelen. (21) Wanneer wordt nagegaan of de betrokken maatregelen geen onevenredige belasting veroorzaken, moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de financiële en andere kosten, alsmede met de omvang en de financiële middelen van de organisatie of onderneming, en met de mogelijkheid om overheidsgeld of andere vormen van steun te verkrijgen.”

8 Artikel 1 („Onderwerp”) van die richtlijn bepaalt: „Deze richtlijn heeft tot doel met betrekking tot arbeid en beroep een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling toegepast kan worden.”

9 Artikel 2 („Het begrip discriminatie”) van die richtlijn luidt als volgt: „1. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder het beginsel van gelijke behandeling verstaan de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden. 2. Voor de toepassing van lid 1 is er: a) ‚directe discriminatie’, wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden; b) ‚indirecte discriminatie’, wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaalde godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, in vergelijking met andere personen bijzonder benadeelt, i) tenzij die bepaling, maatstaf of handelwijze objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn, […] […] 5. Deze richtlijn laat de nationale wettelijke bepalingen onverlet die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor de openbare veiligheid, de handhaving van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de volksgezondheid en de bescherming van de rechten en vrijheden van derden.”

10 Artikel 3 („Werkingssfeer”) van die richtlijn bepaalt in lid 1, onder a) en c): „Binnen de grenzen van de aan de [Europese] Gemeenschap verleende bevoegdheden, is deze richtlijn zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing met betrekking tot: a) de voorwaarden voor toegang tot arbeid in loondienst of als zelfstandige en tot een beroep, met inbegrip van de selectie‑ en aanstellingscriteria, ongeacht de tak van activiteit en op alle niveaus van de beroepshiërarchie, met inbegrip van bevorderingskansen; […] c) werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van ontslag en beloning;”

11 Artikel 5 („Redelijke aanpassingen voor gehandicapten”) van richtlijn 2000/78 luidt: „Teneinde te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot personen met een handicap nageleefd wordt, wordt voorzien in redelijke aanpassingen. Dit houdt in dat de werkgever, naargelang de behoefte, in een concrete situatie passende maatregelen neemt om een persoon met een handicap in staat te stellen toegang tot arbeid te hebben, in arbeid te participeren of daarin vooruit te komen dan wel om een opleiding te genieten, tenzij deze maatregelen voor de werkgever een onevenredige belasting vormen. Wanneer die belasting in voldoende mate wordt gecompenseerd door bestaande maatregelen in het kader van het door de lidstaten gevoerde beleid inzake personen met een handicap, mag zij niet als onevenredig worden beschouwd.”

12 Artikel 7 („Positieve acties en specifieke maatregelen”) van die richtlijn is als volgt verwoord: „1. Het beginsel van gelijke behandeling belet niet dat een lidstaat, om volledige gelijkheid in het beroepsleven te waarborgen, specifieke maatregelen handhaaft of treft om de nadelen verband houdende met een van de in artikel 1 genoemde gronden te voorkomen of te compenseren. 2. Met betrekking tot personen met een handicap vormt het beginsel van gelijke behandeling geen beletsel voor het recht van de lidstaten om maatregelen te handhaven of vast te stellen ter bescherming van de gezondheid en de veiligheid op de arbeidsplek, noch voor maatregelen die erop gericht zijn om voorzieningen of faciliteiten te scheppen of te handhaven om de opneming van personen met een handicap in het arbeidsproces te behouden of te bevorderen.”

Italiaans recht

Wet nr. 104/1992

13 In artikel 21 van legge n. 104 – Legge-quadro per l’assistenza, l’integrazione sociale e i diritti delle persone handicappate (wet nr. 104 – kaderwet inzake bijstand, sociale integratie en rechten van personen met een handicap) van 5 februari 1992 (GURI nr. 39 van 17 februari 1992, gewoon supplement nr. 30; hierna: „wet nr. 104/1992”) is het volgende bepaald: „1. Een persoon met een handicap met een invaliditeitsgraad van meer dan twee derde of met een handicap die is opgenomen in de eerste, de tweede en de derde categorie van tabel A in de bijlage bij [legge n. 648 – Riordinamento delle disposizioni sulle pensioni di guerra (wet nr. 648 houdende reorganisatie van de bepalingen inzake oorlogspensioenen) van 10 augustus 1950 (GURI nr. 200 van 1 september 1950)], die door overheidsinstanties in dienst wordt genomen na geslaagd te zijn voor een vergelijkend examen of op een andere grond, heeft het recht om bij voorrang een keuze te maken uit de beschikbare functies. 2. De in lid 1 bedoelde personen hebben voorrang bij overplaatsing op verzoek.”

14 Artikel 33, lid 6, van die wet luidt als volgt: „Een meerderjarige met een ernstige handicap kan afwisselend gebruikmaken van het verlof bedoeld in de leden 2 en 3, heeft het recht om, voor zover mogelijk, de werkplek te kiezen die het dichtst bij zijn woonplaats ligt, en mag niet zonder zijn toestemming naar een andere standplaats worden overgeplaatst.”

Wetsbesluit nr. 297

15 Artikel 465, lid 1, van decreto legislativo n. 297 – Approvazione del testo unico delle disposizioni legislative vigenti in materia di istruzione, relative alle scuole di ogni ordine e grado (wetsbesluit nr. 297 houdende goedkeuring van de geconsolideerde tekst van de onderwijswetgeving voor alle vormen en niveaus van onderwijs) van 16 april 1994 (GURI nr. 115 van 19 mei 1994, gewoon supplement nr. 79; hierna: „wetsbesluit nr. 297/1994”) luidt: „Totdat artikel 470, lid 1, is uitgevoerd, hebben verzoeken om overplaatsing binnen dezelfde provincie voorrang op verzoeken om overplaatsing vanuit een andere provincie.”

16 Artikel 470 van dat wetsbesluit bepaalt het volgende: „1. In specifieke overeenkomsten tussen de vakbonden en het [Ministero dell’Istruzione, dell’Università e della Ricerca (ministerie van Onderwijs, Universiteiten en Onderzoek)] worden het tijdschema en de nadere bepalingen vastgelegd om arbeidsmobiliteit (verandering van vak of van onderwijsniveau) en territoriale mobiliteit op één lijn te brengen en de verdeling tussen de posten die zijn voorbehouden aan mobiliteit tussen provincies en die welke zijn voorbehouden aan vaste aanstellingen, af te schaffen, zodat deze posten kunnen worden ingevuld met de resterende posten die na voltooiing van de maatregelen inzake arbeidsmobiliteit en territoriale mobiliteit in de loop van elk schooljaar nog vacant en beschikbaar zijn. 2. De in lid 1 bedoelde overeenkomsten bepalen ook de volgorde van prioriteit tussen de verschillende mobiliteitsmaatregelen, de criteria en de nadere bepalingen voor het opstellen van de desbetreffende lijsten, alsmede de criteria voor het definitief vaststellen van de veranderingen van vak en van onderwijsniveau in het kader van de in artikel 479 bedoelde toewijzingsprocedures, waarbij overgangen naar ondersteunende posten afhankelijk zijn van het bezit van het vereiste vakdiploma. Voor de in dit artikel bedoelde veranderingen van onderwijsniveau wordt geen rekening gehouden met de anciënniteit.”

17 Artikel 601 van dat wetsbesluit luidt: „1. De artikelen 21 en 33 van [wet nr. 104/1992] zijn van toepassing op het personeel waarnaar in deze geconsolideerde tekst wordt verwezen. 2. De [bovengenoemde] regels hebben voorrang op het gebied van aanstelling in vaste dienst, indienstneming als tijdelijk personeel en mobiliteit.”

Wetsbesluit nr. 216

18 Artikel 3, lid 3 bis, van decreto legislativo n. 216 – Attuazione della direttiva 2000/78/CE per la parità di trattamento in materia di occupazione e di condizioni di lavoro e della direttiva n. 2014/54/UE relativa alle misure intese ad agevolare l’esercizio dei diritti conferiti ai lavoratori nel quadro della libera circolazione dei lavoratori (wetsbesluit nr. 216 betreffende de omzetting van richtlijn 2000/78 voor gelijke behandeling in arbeid en beroep en van richtlijn 2014/54/EU betreffende maatregelen om de uitoefening van de in de context van het vrije verkeer van werknemers aan werknemers verleende rechten te vergemakkelijken) van 9 juli 2003 (GURI nr. 187 van 13 augustus 2003), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, bepaalt: „Teneinde te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot personen met een handicap wordt nageleefd, zijn werkgevers uit de overheids‑ en de particuliere sector verplicht om op de werkplek te voorzien in redelijke aanpassingen, zoals omschreven in het [VN‑Verdrag], dat op grond van [legge n. 18 – Ratifica ed esecuzione della Convenzione delle Nazioni Unite sui diritti delle persone con disabilità, con Protocollo opzionale, fatta a New York il 13 dicembre 2006 e istituzione dell’Osservatorio nazionale sulla condizione delle persone con disabilità (wet nr. 18 ter ratificatie en uitvoering van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap met het bijbehorende facultatief protocol, gesloten te New York op 13 december 2006, en tot oprichting van een nationaal waarnemingscentrum voor de situatie van personen met een handicap) van 3 maart 2009 (GURI nr. 61 van 14 maart 2009)] geratificeerd is, opdat wordt gewaarborgd dat personen met een handicap volledig gelijk zijn aan de andere werknemers. Werkgevers uit de overheidssector dienen het in dit lid bepaalde uit te voeren zonder dat dit voor de overheidsfinanciën tot nieuwe of hogere lasten leidt en met de personele, financiële en materiële middelen die op grond van de geldende wetgeving beschikbaar zijn.”

Nationale collectieve arbeidsovereenkomst betreffende het onderwijspersoneel voor de vierjarige wettelijke periode 2006‑2009 en de tweejarige economische periode 2006‑2007

19 In artikel 10, lid 1, van de contratto collettivo nazionale di lavoro relativo al personale del Comparto scuola per il quadriennio normativo 2006‑2009 e biennio economico 2006‑2007 (nationale collectieve arbeidsovereenkomst betreffende het onderwijspersoneel voor de vierjarige wettelijke periode 2006‑2009 en de tweejarige economische periode 2006‑2007) van 27 november 2007 is bepaald: „De criteria en nadere bepalingen voor de uitvoering van de territoriale mobiliteit […] van het personeel waarnaar in deze overeenkomst wordt verwezen, worden vastgesteld in nationale aanvullende onderhandelingen […].”

CCNI

20 Artikel 6, lid 2, van de contratto collettivo nazionale integrativo concernente la mobilità del personale docente, educativo ed A.T.A. per l’a.s. 2017/2018 (aanvullende nationale collectieve overeenkomst inzake mobiliteit van onderwijzend, pedagogisch, ondersteunend, technisch en administratief personeel in scholen voor het schooljaar 2017/2018) van 11 april 2017 (hierna: „CCNI”) luidt: „Mobiliteit binnen provincies heeft voorrang op mobiliteit tussen provincies […].”

21 Artikel 13, lid 1, CCNI bepaalt: „1. Voorrangssysteem „De in dit artikel genoemde voorrangsregels zijn systematisch gegroepeerd per categorie en worden volgens de onderstaande rangorde in aanmerking genomen bij de maatregelen inzake mobiliteit – uitsluitend territoriaal – waarop zij van toepassing zijn, met uitzondering van punt I, dat ook van toepassing is op de maatregelen inzake arbeidsmobiliteit. […] I) Invaliditeit en ernstige gezondheidsproblemen Bij territoriale mobiliteit en arbeidsmobiliteit wordt, ongeacht de provincie van herkomst van de betrokkene, absolute voorrang gegeven aan alle onderwijzend personeel dat zich in een van de volgende situaties bevindt: 1) personeel dat blind is […]; 2) personeel dat hemodialyse nodig heeft […]. De leerkracht heeft voorrang bij alle aangegeven schoolvoorkeuren en bij alle voorkeuren met het oog op de aanstelling in vaste dienst in het gebied. […] III) Personeel met een handicap en personeel dat speciale en voortdurende zorg nodig heeft In het kader van overplaatsingsprocedures wordt voorrang gegeven aan schoolpersoneel dat aan de volgende voorwaarden voldoet: 1) personen met een handicap als bedoeld in artikel 21 van [wet nr. 104/1992], naar wie wordt verwezen in artikel 601 van [wetsbesluit nr. 297/94], met een invaliditeitsgraad van meer dan twee derde of met een handicap die is opgenomen in de eerste, de tweede of de derde categorie van tabel A bij [wet nr. 648 houdende reorganisatie van de bepalingen inzake oorlogspensioenen] […]; […] Het in punt III, 1), bedoelde personeel […] kan van deze voorrang gebruikmaken binnen en voor de provincie waar de woongemeente zich bevindt, op voorwaarde dat het als eerste voorkeur een of meer onderwijsinstellingen heeft opgegeven die in voornoemde gemeente liggen of het gebied heeft opgegeven dat daarmee overeenkomt of een deel daarvan, indien het voornemens is voorkeuren uit te spreken met betrekking tot scholen in andere gemeenten of andere gebieden of provincies. […]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

22 C.M., die een handicap heeft, is sinds 2016 leerkracht in vaste dienst. Zij oefent haar functie uit in Ostiglia, dat in de provincie Mantova gelegen is.

23 Op 31 oktober 2017 heeft de bevoegde medische commissie voor invaliditeit na een medisch deskundigenonderzoek vastgesteld dat zij een handicap heeft die een blijvende vermindering van haar arbeidsgeschiktheid met 70 % met zich meebrengt.

24 In het kader van het door het ministerie van Onderwijs, Universiteiten en Onderzoek georganiseerde nationaal mobiliteitsprogramma voor het schooljaar 2018/2019 heeft C.M. om haar overplaatsing naar de provincie Catanzaro (Italië) verzocht, waarbij zij zich beriep op de voorrang die krachtens artikel 21 van wet nr. 104/1992 wordt toegekend aan personen met een handicap met een invaliditeitsgraad van meer dan twee derde.

25 Dit verzoek om overplaatsing van C.M. is afgewezen omdat er onvoldoende posten waren in die provincie, doordat de vacante posten waren toegewezen in het kader van interne overplaatsingen binnen die provincie.

26 C.M. heeft tegen de afwijzing van haar verzoek om overplaatsing beroep ingesteld bij de Tribunale di Mantova (rechter in eerste aanleg Mantua, Italië), tot vaststelling van haar recht om te worden overgeplaatst naar de provincie Catanzaro. Dit beroep werd verworpen.

27 C.M. heeft tegen het vonnis van die rechter hoger beroep ingesteld bij de Corte d’appello di Brescia (rechter in tweede aanleg Brescia, Italië), die dit hoger beroep heeft verworpen op grond dat de in artikel 13 CCNI bedoelde voorrang voor personen met een handicap bij overplaatsing uitsluitend geldt in het kader van mobiliteitsprocedures binnen dezelfde provincie. Verzoeken om overplaatsing naar een andere provincie kunnen dus pas worden onderzocht nadat verzoeken om overplaatsing binnen de provincie zijn onderzocht. Alleen leerkrachten die blind zijn of hemodialyse nodig hebben, genieten een zogenoemde „absolute” voorrang bij overplaatsing binnen dezelfde provincie of tussen provincies.

28 C.M. heeft tegen het arrest van de Corte d’appello di Brescia cassatieberoep ingesteld bij de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië), de verwijzende rechter.

29 Bij die rechter betoogt C.M. dat de mobiliteitsregeling van het personeel van openbare scholen, op grond waarvan verzoeken om overplaatsing naar een andere provincie pas na behandeling van verzoeken om overplaatsing binnen de provincie kunnen worden onderzocht, een belemmering vormt voor de doeltreffendheid van de bescherming die elke persoon met een handicap van meer dan twee derde krachtens artikel 21 van wet nr. 104/1992 geniet. Zij stelt dat een dergelijke persoon als gevolg van die regeling slechts aanspraak kan maken op de overblijvende posten in de gewenste provincie. Doordat de fase van het mobiliteitsproces waarin wordt gekeken naar mobiliteit binnen de provincie wordt opgevolgd door de fase waarin wordt gekeken naar mobiliteit tussen provincies, kunnen, wanneer de verzoeken om overplaatsing naar een andere provincie worden onderzocht, de aanvankelijk in te vullen posten reeds zijn ingevuld op basis van verzoeken om overplaatsing binnen de provincie van leerkrachten zonder handicap, waardoor de voorrang die wordt toegekend aan leerkrachten die onder artikel 21 van die wet vallen, wordt uitgehold. Verzoekster in het hoofdgeding is bijgevolg van mening dat zij op grond van haar status als persoon met een handicap, die zij krachtens artikel 21 had moeten krijgen, absolute voorrang op het gebied van mobiliteit moet krijgen, zoals leerkrachten die blind zijn of hemodialyse nodig hebben.

30 Het ministerie van Onderwijs en Verdiensten vordert dat het cassatieberoep moet worden verworpen op grond dat het recht van C.M. om te worden overgeplaatst afhankelijk is van de beschikbaarheid van vacatures in de gewenste provincie. Hoewel aan C.M. krachtens artikel 21, lid 2, van wet nr. 104/1992 voorrang is verleend, kan haar verzoek om overplaatsing niet worden ingewilligd omdat er geen vacatures in de gewenste provincie waren.

31 De verwijzende rechter brengt in herinnering dat artikel 21, lid 2, bepaalt dat leerkrachten met een handicap met een invaliditeitsgraad van meer dan twee derde voorrang hebben op het gebied van mobiliteit, en dat die bepaling deel uitmaakt van de regeling inzake territoriale mobiliteit. Artikel 465, lid 1, van wetsbesluit nr. 297, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 2, CCNI, bepaalt dat de verzoeken om overplaatsing van leerkrachten binnen dezelfde provincie voorrang hebben op de verzoeken om overplaatsing van leerkrachten tussen provincies.

32 Die voorrang voor mobiliteit binnen een provincie die het, volgens die rechter, mogelijk maakt om de ingewikkelde regeling inzake personeelsmobiliteit op het gehele nationale grondgebied goed te beheren en het begin van het schooljaar soepel te laten verlopen, kan de in artikel 21 van wet nr. 104/1992 bedoelde leerkrachten benadelen ten opzichte van andere leerkrachten, gelet op het feit dat het aantal vacatures in het onderwijs geleidelijk aan vermindert. Bijgevolg acht die rechter het noodzakelijk het Hof te vragen of artikel 465, lid 1, van wetsbesluit nr. 297, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 2, CCNI, verenigbaar is met het Unierecht.

33 Tegen deze achtergrond heeft de Corte suprema di cassazione de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 5 (‚Redelijke aanpassingen voor gehandicapten’) van richtlijn [2000/78] aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling, zoals de Italiaanse aanvullende nationale collectieve arbeidsovereenkomst betreffende de mobiliteit van onderwijzend, opvoedkundig en administratief, technisch en ondersteunend personeel, waarin op grond van artikel 6, lid 2, [en] artikel 13, lid 1, de in punt III, 1), van artikel 13, lid 1, bedoelde voorrang wordt erkend voor schoolpersoneel met een handicap als bedoeld in artikel 21 van wet [nr. 104/1992], waarnaar wordt verwezen in artikel 601 van wetsbesluit [nr. 297], wanneer zij aan mobiliteit binnen provincies voorrang geeft boven mobiliteit tussen provincies? 2) Wordt het bijzondere nadeel dat leerkrachten die voor meer dan 66 procent gehandicapt zijn, kunnen ondervinden als gevolg van voornoemde nationale bepalingen, objectief gerechtvaardigd door een legitiem doel in de zin van artikel 2, lid 2, onder b), punt i), van richtlijn 2000/78, omdat moet worden gewaarborgd dat de zeer complexe regeling inzake territoriale mobiliteit, die het hele nationale grondgebied betreft, wordt uitgevoerd bij het begin van het schooljaar, en zijn de middelen die worden aangewend om dat doel te bereiken passend en gaan zij niet verder dan nodig is om het door de wettelijke en contractuele bepalingen nagestreefde doel te bereiken? Of leiden voornoemde regels juist tot discriminatie ten nadele van voornoemde leerkrachten, waardoor de erkende voorrang bij de mobiliteitsprocedures in feite teniet wordt gedaan, omdat zij alleen betrekking hebben op de mobiliteit binnen provincies en niet op de mobiliteit tussen provincies, en dus geen absoluut karakter hebben (zoals voorzien voor andere categorieën van personen met een handicap)?”

Bevoegdheid van het Hof en ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen

34 De Italiaanse regering stelt dat het Hof niet bevoegd is om de gestelde vragen te onderzoeken, aangezien deze betrekking hebben op de beoordeling van de verenigbaarheid van de bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst, te weten de artikelen 6 en 13 CCNI, met richtlijn 2000/78, en niet op wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen.

35 Die regering voegt daaraan toe dat artikel 64 van decreto legislativo nr. 165 – Norme generali sull’ordinamento del lavoro alle dipendenze delle amministrazioni pubbliche (wetsbesluit nr. 165 houdende algemene bepalingen inzake de regeling van het werk van werknemers in overheidsdienst) van 30 maart 2001 (GURI nr. 106 van 9 mei 2001) bepaalt dat vragen over de doeltreffendheid, geldigheid of uitlegging van een collectieve arbeidsovereenkomst worden gesteld aan de Agenzia per la rappresentanza negoziale pubbliche amministrazioni (ARAN) (agentschap dat de overheidsinstanties vertegenwoordigt bij onderhandelingen, Italië).

36 Zelfs indien het Hof van oordeel zou zijn dat richtlijn 2000/78 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen de artikelen 6 en 13 CCNI, moet de verwijzende rechter hoe dan ook artikel 465 van wetsbesluit nr. 297 toepassen. Dat artikel bepaalt dat verzoeken om overplaatsing binnen dezelfde provincie worden behandeld vóór verzoeken om overplaatsing die uit een andere provincie komen, zodat die vraag niet relevant is voor de beslechting van het hoofdgeding, aldus die regering.

37 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat het bij artikel 267 VWEU ingevoerde stelsel van samenwerking op een duidelijke scheiding van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust. In een krachtens artikel 267 ingeleide procedure is het de taak van de rechterlijke instanties van de lidstaten en niet van het Hof om uitlegging te geven aan de nationale bepalingen en staat het niet aan het Hof om uitspraak te doen over de verenigbaarheid van nationale normen met de bepalingen van Unierecht. Het Hof is daarentegen wel bevoegd om de nationale rechter alle uitleggingselementen van Unierecht te geven die hem in staat stellen te beoordelen of de nationale normen verenigbaar zijn met de Unieregeling (arrest van 18 november 2020, Syndicat CFTC, C‑463/19, EU:C:2020:932, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38 De prejudiciële vragen, gelezen in samenhang met de motivering die de verwijzende rechter heeft uiteengezet, bevatten weliswaar formeel een verzoek aan het Hof om uitspraak te doen over de verenigbaarheid van nationale bepalingen met het Unierecht, maar dat neemt niet weg dat het Hof de verwijzende rechter op die vragen een bruikbaar antwoord kan geven door hem alle Unierechtelijke uitleggingselementen te verstrekken die hem in staat zullen stellen zelf uitspraak te doen over de verenigbaarheid van het nationale recht met het Unierecht. Voor zover de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (zie in die zin arrest van 18 november 2020, Syndicat CFTC, C‑463/19, EU:C:2020:932, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39 In dit verband dient in aanmerking te worden genomen dat er een vermoeden van relevantie geldt voor de vragen over de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en juridische kader, waarvan de juistheid niet door het Hof dient te worden onderzocht. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een vraag van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die het nodig heeft om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen [arrest van 18 december 2025, Tenergie (Verzoek om kwijtschelding van invoerrechten), C‑259/24, EU:C:2025:1013, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

40 In casu hebben de gestelde vragen betrekking op de uitlegging van het beginsel van gelijke behandeling zoals door richtlijn 2000/78 gewaarborgd, op artikel 5 van die richtlijn, dat betrekking heeft op „redelijke aanpassingen voor personen met een handicap”, en op artikel 2, lid 2, onder b), i), van die richtlijn, dat betrekking heeft op redenen die een verschil in behandeling kunnen rechtvaardigen.

41 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de verwijzingsbeslissing een voldoende uiteenzetting bevat van het feitelijke en regelgevende kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst en van de redenen waarom de verwijzende rechter twijfelt aan de verenigbaarheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling met het Unierecht. Bijgevolg blijkt niet dat deze vragen geen verband houden met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding of dat zij van hypothetische aard zijn.

42 Hieruit volgt dat het Hof bevoegd is om de prejudiciële vragen te beantwoorden en dat deze ontvankelijk zijn.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

43 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 5 van richtlijn 2000/78 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling inzake territoriale en arbeidsmobiliteit die aan bepaalde leerkrachten met een handicap voorrang verleent op het gebied van mobiliteit en voorrang geeft aan mobiliteit binnen een provincie boven mobiliteit tussen provincies.

44 Vooraf moet in herinnering worden gebracht dat zowel uit de titel en de overwegingen als uit de inhoud en de doelstelling van die richtlijn blijkt dat zij ertoe strekt een algemeen kader te creëren om voor eenieder gelijke behandeling „in arbeid en beroep” te waarborgen door een doeltreffende bescherming te bieden tegen discriminatie op een van de in artikel 1 van die richtlijn genoemde gronden, waaronder handicap (arrest van 11 september 2025, Bervidi, C‑38/24, EU:C:2025:690, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45 Overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder a) en c), van die richtlijn is deze richtlijn – binnen de grenzen van de aan de Unie verleende bevoegdheden – zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing met betrekking tot onder meer de voorwaarden voor toegang tot arbeid in loondienst alsook werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden (arrest van 11 september 2025, Bervidi, C‑38/24, EU:C:2025:690, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46 In casu moet worden onderzocht of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, die op het gebied van mobiliteit voorrang verleent aan bepaalde leerkrachten met een handicap, voorziet in „redelijke aanpassingen” in de zin van artikel 5 van die richtlijn.

47 Krachtens die bepaling moet er, teneinde te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot personen met een handicap nageleefd wordt, worden voorzien in redelijke aanpassingen, hetgeen inhoudt dat de werkgever, naargelang de behoefte, in een concrete situatie passende maatregelen neemt om een persoon met een handicap in staat te stellen toegang tot arbeid te hebben, in arbeid te participeren of daarin vooruit te komen dan wel om een opleiding te genieten, tenzij deze maatregelen voor de werkgever een onevenredige belasting vormen. Wanneer die belasting in voldoende mate wordt gecompenseerd door bestaande maatregelen in het kader van het door de lidstaten gevoerde beleid inzake personen met een handicap, mag zij niet als onevenredig worden beschouwd.

48 Uit artikel 5 van richtlijn 2000/78, gelezen in het licht van overweging 20 van die richtlijn, volgt dat redelijke aanpassingen in de zin van die eerste bepaling doeltreffende en praktische maatregelen zijn die gericht zijn op aanpassing van de werkplek aan de behoeften van de werknemer met een handicap, bijvoorbeeld aanpassing van gebouwen, uitrusting, arbeidsritme, en taakverdeling, of voorzien in opleidings‑ en integratiemiddelen.

49 Overweging 20 geeft echter een niet-uitputtende lijst van passende maatregelen, die van fysieke, organisatorische en/of vormende aard kunnen zijn, aangezien artikel 5, gelezen tegen de achtergrond van artikel 2 van het VN‑Verdrag, een ruime omschrijving van het begrip „redelijke aanpassingen” voorstaat (zie in die zin arrest van 10 februari 2022, HR Rail, C‑485/20, EU:C:2022:85, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50 Opgemerkt zij dat de bepalingen van dat verdrag immers kunnen worden ingeroepen om de bepalingen van richtlijn 2000/78 uit te leggen, zodat deze richtlijn zo veel mogelijk moet worden uitgelegd in overeenstemming met dat verdrag (arrest van 11 september 2025, Pauni, C‑5/24, EU:C:2025:689, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51 Volgens artikel 2, vierde alinea, van dat verdrag moet onder „redelijke aanpassingen” worden verstaan „noodzakelijke en passende wijzigingen, en aanpassingen die geen disproportionele of onevenredige, of onnodige last opleggen, indien zij in een specifiek geval nodig zijn om te waarborgen dat personen met een handicap alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid met anderen kunnen genieten of uitoefenen”.

52 De verwijzing in overweging 20 van richtlijn 2000/78 naar de aanpassing van de „werkplek” moet aldus worden opgevat dat wordt benadrukt dat deze aanpassing voorrang heeft op andere maatregelen die de werkomgeving van de persoon met een handicap kunnen aanpassen teneinde hem in staat te stellen volledig, effectief en op voet van gelijkheid met de andere werknemers aan het beroepsleven deel te nemen. Deze maatregelen kunnen dus inhouden dat de werkgever maatregelen neemt waardoor deze persoon zijn baan kan behouden, zoals een overplaatsing naar een andere werkplek (arrest van 10 februari 2022, HR Rail, C‑485/20, EU:C:2022:85, punt 41).

53 In overweging 21 van deze richtlijn is bepaald dat wanneer wordt nagegaan of de maatregelen in kwestie geen onevenredige belasting veroorzaken, er in het bijzonder rekening moet worden gehouden met de financiële en andere kosten, alsook met de omvang en de financiële middelen van de organisatie of onderneming, en met de mogelijkheid om overheidsgeld of andere vormen van steun te verkrijgen.

54 Het begrip „redelijke aanpassingen” in de zin van artikel 5 van die richtlijn dient dus ruim te worden opgevat, in die zin dat het ziet op de verwijdering van de verschillende obstakels die personen met een handicap beletten om volledig en daadwerkelijk aan het beroepsleven deel te nemen op voet van gelijkheid met de overige werknemers (arrest van 21 oktober 2021, Komisia za zashtita ot diskriminatsia, C‑824/19, EU:C:2021:862, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

55 In artikel 5 van de richtlijn is evenwel bepaald dat „de werkgever, naargelang de behoefte, in een concrete situatie, passende maatregelen neemt”.

56 Zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen beklemtoont, is het, om te voorzien in redelijke aanpassingen om de werknemer met een handicap in staat te stellen toegang tot arbeid te hebben, in arbeid te participeren of daarin vooruit te komen in de zin van artikel 5, dan ook noodzakelijk om concreet kennis te hebben van de specifieke behoeften van die werknemer en van de moeilijkheden en belemmeringen waarmee hij wordt geconfronteerd bij de toegang tot arbeid en bij het participeren in arbeid.

57 In dat verband blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat wanneer een werknemer ten gevolge van een handicap blijvend ongeschikt wordt om zijn functie te vervullen, zijn aanstelling in een andere functie een passende maatregel kan vormen in het kader van de in artikel 5 bedoelde redelijke aanpassingen, aangezien die werknemer daardoor zijn baan kan behouden alsook volledig, effectief en op voet van gelijkheid met de andere werknemers kan deelnemen aan het beroepsleven (zie in die zin arrest van 10 februari 2022, HR Rail, C‑485/20 P, EU:C:2022:85, punten 41 en 43).

58 De mogelijkheid om een persoon met een handicap in een andere functie aan te stellen bestaat echter alleen wanneer er ten minste één vacante functie bestaat die de betrokken werknemer kan vervullen (arrest van 18 januari 2024, Ca Na Negreta, C‑631/22, EU:C:2024:53, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

59 In casu gaat het onderzoek van verzoeken om mobiliteit binnen een provincie overeenkomstig artikel 465, lid 1, van wetsbesluit nr. 297, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 2, CCNI, vooraf aan het onderzoek van verzoeken om mobiliteit tussen provincies.

60 Krachtens artikel 21 van wet nr. 104/1992 wordt op het gebied van mobiliteit voorrang verleend aan personen met een handicap met een invaliditeitsgraad van meer dan twee derde.

61 Het is juist dat, zoals uit de punten 54 tot en met 58 van het onderhavige arrest blijkt, het begrip „redelijke aanpassingen” in de zin van artikel 5 van richtlijn 2000/78 ruim moet worden opgevat, in die zin dat het ziet op alle maatregelen om in een concrete situatie tegemoet te komen aan de behoeften van een persoon met een handicap.

62 De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, zoals die is uiteengezet in de punten 59 en 60 van het onderhavige arrest, lijkt echter te voorzien in maatregelen met een algemeen en abstract karakter en kan dus niet worden geacht te voorzien in maatregelen die ten aanzien van de betrokken persoon met een handicap worden genomen „naargelang de behoefte in een concrete situatie” in de zin van artikel 5.

63 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt namelijk dat de voorrang op het gebied van mobiliteit waarin deze nationale regeling voorziet, automatisch aan de betrokken personen wordt verleend afhankelijk van de categorie van hun handicap, met name de graad van hun invaliditeit, zonder dat er in voorkomend geval in een concrete situatie rekening wordt gehouden met hun specifieke behoeften.

64 Hieruit volgt dat deze voorrang op het gebied van mobiliteit niet kan worden geacht te voorzien in „redelijke aanpassingen” in de zin van artikel 5 van richtlijn 2000/78, hetgeen de verwijzende rechter niettemin dient na te gaan.

65 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 5 van richtlijn 2000/78 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling inzake territoriale en arbeidsmobiliteit die aan bepaalde leerkrachten met een handicap voorrang verleent op het gebied van mobiliteit en voorrang geeft aan mobiliteit binnen een provincie boven mobiliteit tussen provincies, aangezien die regeling, doordat er geen rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van personen met een handicap in concrete situaties, niet onder het begrip „redelijke aanpassingen” in de zin van die bepaling valt.

Tweede vraag

66 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 2, lid 2, onder b), van richtlijn 2000/78 aldus moet worden uitgelegd dat een nationale regeling inzake territoriale en arbeidsmobiliteit die aan bepaalde leerkrachten met een handicap voorrang verleent op het gebied van mobiliteit ten opzichte van leerkrachten zonder handicap en voorrang geeft aan mobiliteit binnen een provincie boven mobiliteit tussen provincies, indirecte discriminatie in de zin van die bepaling oplevert ten nadele van leerkrachten die hebben verzocht om overplaatsing naar een andere provincie, en dat die discriminatie niet kan worden gerechtvaardigd door het doel om de mobiliteit van leerkrachten op het gehele nationale grondgebied te waarborgen met het oog op de aanvang van het schooljaar.

67 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat die richtlijn, op het gebied waarop zij betrekking heeft, het in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde algemene beginsel van non-discriminatie concretiseert, dat inhoudt dat elke discriminatie op grond van – onder meer – handicap verboden is. Bovendien bepaalt artikel 26 van het Handvest van de grondrechten dat de Unie het recht van personen met een handicap op maatregelen die beogen hun zelfstandigheid, hun maatschappelijke en beroepsintegratie en hun deelname aan het gemeenschapsleven te bewerkstelligen, erkent en eerbiedigt (arrest van 11 september 2025, Pauni, C‑5/24, EU:C:2025:689, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

68 Volgens artikel 2, lid 1, van richtlijn 2000/78 moet voor de toepassing van die richtlijn onder het „beginsel van gelijke behandeling” worden verstaan de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op basis van een handicap. Bovendien blijkt uit artikel 2, lid 2, onder b), dat er voor de toepassing van lid 1 sprake is van indirecte discriminatie wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een handicap in vergelijking met andere personen bijzonder benadeelt.

69 In dat verband moet erop worden gewezen dat een nadelige behandeling op grond van handicap alleen afbreuk doet aan de door richtlijn 2000/78 verleende bescherming indien zij discriminatie oplevert in de zin van artikel 2 van deze richtlijn. De werknemer met een handicap die onder deze richtlijn valt, moet immers worden beschermd tegen elke discriminatie ten opzichte van een werknemer zonder handicap. Bijgevolg moet worden onderzocht of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling voor die twee categorieën van werknemers indirecte discriminatie van personen met een handicap kan opleveren (zie in die zin arrest van 11 september 2025, Pauni, C‑5/24 P, EU:C:2025:689, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

70 Het staat dus aan de verwijzende rechter om in het licht van de omstandigheden van het hoofdgeding te beoordelen of de nationale toepasselijke regeling werknemers met een handicap „bijzonder benadeelt” in de zin van artikel 2, lid 2, onder b), van die richtlijn.

71 In dat verband volgt noch uit het begrip „bijzonder[e] [benadeling]” in die bepaling, noch uit de andere preciseringen in die bepaling dat van een dergelijke bijzondere benadeling alleen sprake is wanneer zich een ernstig, kennelijk en bijzonder zwaarwegend geval van ongelijkheid voordoet. Deze bepaling moet aldus worden opgevat dat het met name de door deze richtlijn beschermde personen zijn, onder wie werknemers met een handicap, die als gevolg van de bepaling, maatstaf of handelwijze in kwestie, worden benadeeld (arrest van 11 september 2025, Pauni, C‑5/24, EU:C:2025:689, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

72 Het bestaan van een dergelijke bijzondere benadeling kan met name dus worden vastgesteld door te bewijzen dat die bepaling, maatstaf of handelwijze een aanzienlijk groter percentage werknemers met een handicap treft dan werknemers die geen handicap hebben (arrest van 11 september 2025, Pauni, C‑5/24, EU:C:2025:689, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

73 Evenwel moet worden vastgesteld dat uit het dossier waarover het Hof beschikt niet blijkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling voor C.M. een benadeling die verband houdt met haar handicap oplevert ten opzichte van leerkrachten zonder handicap.

74 Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen benadrukt, blijkt daarentegen dat C.M. ten opzichte van leerkrachten zonder handicap in een situatie verkeert die op zijn minst voordelig is, aangezien zij op grond van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling voorrang geniet op het gebied van mobiliteit, terwijl die leerkrachten daar geenszins voor in aanmerking komen, daar zij uitsluitend kunnen solliciteren naar vacatures die overblijven nadat alle prioritaire verzoeken zijn ingewilligd.

75 Voorts ondervinden alle leerkrachten, ongeacht of zij een handicap hebben of niet, die om overplaatsing naar een andere provincie verzoeken, negatieve gevolgen van de regel dat verzoeken om mobiliteit binnen een provincie worden onderzocht vóór verzoeken om mobiliteit tussen provincies, aangezien na de behandeling van de verzoeken om overplaatsing binnen een provincie het aantal beschikbare functies om aan de verzoeken om overplaatsing naar een andere provincie te voldoen, aanzienlijk afneemt.

76 Bijgevolg kan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling niet worden geacht C.M. ten opzichte van leerkrachten zonder handicap „bijzonder te benadelen” in de zin van artikel 2, lid 2, onder b), van richtlijn 2000/78, en kan zij dus evenmin worden geacht een indirect op de handicap gebaseerd verschil in behandeling in de zin van die bepaling te vormen.

77 Bij gebreke van een dergelijke „bijzondere benadeling” hoeft dan ook niet te worden nagegaan of die regeling kan worden gerechtvaardigd door het doel om de mobiliteit van leerkrachten op het gehele nationale grondgebied te waarborgen met het oog op de aanvang van het schooljaar, en evenmin of de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn overeenkomstig artikel 2, lid 2, onder b), i), van die richtlijn.

78 Er zij echter op gewezen dat de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen betoogt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling weliswaar een positieve actie is in de zin van artikel 7 van die richtlijn, maar een verschil in behandeling invoert afhankelijk van de handicap van de betrokken personen. Krachtens artikel 13, lid 1, punt I, CCNI krijgen personen die blind zijn of hemodialyse nodig hebben absolute voorrang op het gebied van mobiliteit, in de zin dat die voorrang betrekking heeft op zowel verzoeken om mobiliteit binnen een provincie als verzoeken om mobiliteit tussen provincies. Daarentegen hebben personen met een handicap met een invaliditeitsgraad van meer dan twee derde volgens artikel 13, lid 1, punt III, CCNI slechts een zogenoemde „relatieve” voorrang, aangezien deze alleen betrekking heeft op verzoeken om mobiliteit binnen een provincie. In dit verband moet echter worden vastgesteld dat de verwijzende rechter geen specifieke gegevens verstrekt op grond waarvan de context of de redenen voor het onderscheid tussen de verschillende categorieën personen met een handicap dat uit deze bepalingen voortvloeit, kunnen worden beoordeeld.

79 Dienaangaande is het zo dat het in richtlijn 2000/78 neergelegde beginsel van gelijke behandeling bedoeld is om een werknemer met een handicap in de zin van die richtlijn te beschermen tegen elke vorm van discriminatie op grond van die handicap, niet alleen ten opzichte van werknemers die geen handicap hebben, maar ook ten opzichte van andere werknemers met een handicap (arrest van 26 januari 2021, Szpital Kliniczny im. dra J. Babińskiego Samodzielny Publiczny Zakład Opieki Zdrowotnej w Krakowie, C‑16/19, EU:C:2021:64, punt 36).

80 Wanneer een werknemer minder gunstig wordt behandeld dan een andere werknemer in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld en wanneer in het licht van alle relevante omstandigheden van het geval blijkt dat dit gebeurt op basis van de handicap van deze eerste werknemer – aangezien de ongunstige behandeling gebaseerd is op een criterium dat onlosmakelijk met deze handicap verbonden is –, is een dergelijke behandeling namelijk in strijd met het verbod van directe discriminatie van artikel 2, lid 2, onder a), van die richtlijn (arrest van 26 januari 2021, Szpital Kliniczny im. dra J. Babińskiego Samodzielny Publiczny Zakład Opieki Zdrowotnej w Krakowie, C‑16/19, EU:C:2021:64, punt 48).

81 Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat directe discriminatie op grond van een van de in artikel 1 van richtlijn 2000/78 bedoelde gronden, zoals handicap, kan worden gerechtvaardigd op grond van artikel 2, lid 5, van richtlijn 2000/78 of op grond van artikel 7, lid 1, van die richtlijn (zie in die zin arrest van 22 januari 2019, Cresco Investigation, C‑193/17, EU:C:2019:43, punt 52).

82 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat een eventuele rechtvaardiging moet worden onderzocht in het licht van het door de betrokken regeling beoogde doel (zie in die zin arrest van 22 januari 2019, Cresco Investigation, C‑193/17, EU:C:2019:43, punten 54 en 66).

83 In casu kan het Hof, bij gebreke van voldoende informatie over het beoogde doel van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, zich niet uitspreken over de vraag of de situaties van de verschillende categorieën personen met een handicap vergelijkbaar zijn in de zin van de in punt 80 van het onderhavige arrest bedoelde rechtspraak. Om diezelfde reden kan het Hof evenmin beoordelen of een dergelijke regeling kan worden gerechtvaardigd op grond van de in punt 81 van het onderhavige arrest genoemde bepalingen.

84 Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 2, lid 2, onder b), van richtlijn 2000/78 aldus moet worden uitgelegd dat een nationale regeling inzake territoriale en arbeidsmobiliteit die aan bepaalde leerkrachten met een handicap voorrang verleent op het gebied van mobiliteit ten opzichte van leerkrachten zonder handicap en voorrang geeft aan mobiliteit binnen een provincie boven mobiliteit tussen provincies, geen indirecte discriminatie in de zin van die bepaling oplevert ten nadele van leerkrachten die hebben verzocht om overplaatsing naar een andere provincie.

Kosten

85 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 5 van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling inzake territoriale en arbeidsmobiliteit die aan bepaalde leerkrachten met een handicap voorrang verleent op het gebied van mobiliteit en voorrang geeft aan mobiliteit binnen een provincie boven mobiliteit tussen provincies, aangezien die regeling, doordat er geen rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van personen met een handicap in concrete situaties, niet onder het begrip „redelijke aanpassingen” in de zin van die bepaling valt.

2) Artikel 2, lid 2, onder b), van richtlijn 2000/78 moet aldus worden uitgelegd dat een nationale regeling inzake territoriale en arbeidsmobiliteit die aan bepaalde leerkrachten met een handicap voorrang verleent op het gebied van mobiliteit ten opzichte van leerkrachten zonder handicap en voorrang geeft aan mobiliteit binnen een provincie boven mobiliteit tussen provincies, geen indirecte discriminatie in de zin van die bepaling oplevert ten nadele van leerkrachten die hebben verzocht om overplaatsing naar een andere provincie.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Italiaans.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken