HvJ EU 18 december 2025, C-259/24, ECLI:EU:C:2025:1013
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)
18 december 2025 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Douane-unie – Invoer- en uitvoerprocedures – Terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer of uitvoer – Voorlegging van het dossier betreffende het verzoek tot kwijtschelding aan de Europese Commissie – Automatische kwijtschelding van rechten – Aansprakelijkheid van de lidstaat – Niet-ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing ”
In zaak C‑259/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de tribunal judiciaire de Marseille (rechter in eerste aanleg Marseille, Frankrijk) bij beslissing van 8 april 2024, ingekomen bij het Hof op 12 april 2024, in de procedure
SAS Tenergie Development
tegen
Directeur Régional des Douanes de Marseille,
Direction interrégionale des douanes Provence-Alpes-Côte d’Azur-Corse,
Direction régionale des douanes de Marseille,
wijst
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: M. Condinanzi, kamerpresident, N. Jääskinen (rapporteur) en R. Frendo, rechters,
advocaat-generaal: D. Spielmann,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– SAS Tenergie Development, vertegenwoordigd door N. Akodad, F. Locatelli, G. Menu-Lejeune en H. Saoudi, avocats,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door P. Chansou en B. Travard als gemachtigden,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door A. Collabolletta, avvocato dello Stato,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Demeneix en B. Eggers als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 116 van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2013, L 269, blz. 1; hierna: „douanewetboek”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds SAS Tenergie Development (hierna: „Tenergie”) en anderzijds de directeur régional des douanes de Marseille (regionale directeur van de douane Marseille, Frankrijk), de direction interrégionale des douanes Provence-Alpes-Côte d’Azur-Corse (interregionale douanedirectie Provence-Alpes-Côte d’Azur-Corsica, Frankrijk) en de direction régionale des douanes de Marseille (regionale douanedirectie Marseille, Frankrijk) (hierna gezamenlijk: „Franse douaneadministratie”) over de rechtmatigheid van een aan Tenergie gerichte naheffingsaanslag voor antidumpingrechten en compenserende rechten voor zonnepanelen die in Frankrijk zijn ingevoerd en in het vrije verkeer zijn gebracht.
Toepasselijke bepalingen
3 Artikel 116 van het douanewetboek bepaalt:
„1. Onder de bij deze afdeling vastgestelde voorwaarden wordt overgegaan tot terugbetaling of kwijtschelding van bedragen aan invoer- of uitvoerrechten, om elk van de volgende redenen:
a) invoer- of uitvoerrechten die te veel in rekening zijn gebracht;
b) goederen die gebreken vertonen of goederen die niet met de bepalingen van het contract in overeenstemming zijn;
c) vergissing van de bevoegde autoriteiten;
d) billijkheid.
[…]
3. Indien de douaneautoriteiten van mening zijn dat terugbetaling of kwijtschelding moet worden verleend op basis van artikel 119 of 120, legt de betrokken lidstaat het dossier met het oog op een beschikking voor aan de [Europese] Commissie in de volgende gevallen:
a) indien de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat de bijzondere omstandigheden het gevolg zijn van het feit dat de Commissie haar verplichtingen niet is nagekomen;
b) indien de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat de Commissie een vergissing heeft begaan in de zin van artikel 119;
c) indien de omstandigheden in het betrokken geval verband houden met de resultaten van een door de [Europese] Unie verricht onderzoek op grond van verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften [(PB 1997, L 82, blz. 1)], dan wel op grond van enige andere bepaling van de Uniewetgeving of door de Unie met bepaalde landen of groepen van landen gesloten overeenkomst die in de mogelijkheid van dergelijke door de Unie te verrichten onderzoeken voorziet;
d) indien het bedrag waarvoor de betrokkene met betrekking tot één of meer invoer- of uitvoertransacties aansprakelijk kan zijn, door een vergissing of bijzondere omstandigheden gelijk is aan of hoger is dan 500 000 EUR.
Niettegenstaande de eerste alinea, worden dossiers niet voorgelegd in de volgende gevallen:
a) indien de Commissie reeds een beschikking heeft verleend in een zaak die feitelijk en juridisch vergelijkbaar is;
b) indien bij de Commissie reeds een zaak is ingeleid die feitelijk en juridisch vergelijkbaar is.
4. Met inachtneming van de bevoegdheidsregels gaan de douaneautoriteiten, indien zij binnen de in artikel 121, lid 1, bedoelde termijnen tot de vaststelling komen dat een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten overeenkomstig de artikelen 117, 119 of 120 voor terugbetaling of kwijtschelding in aanmerking komt, op eigen initiatief tot terugbetaling of kwijtschelding over.
[…]”
4 Artikel 119 van het douanewetboek, „Vergissing van de bevoegde autoriteiten”, bepaalt:
„1. In andere dan de in artikel 116, lid 1, tweede alinea, en in de artikelen 117, 118 en 120 genoemde gevallen, wordt een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten terugbetaald of kwijtgescholden wanneer, als gevolg van een vergissing van de bevoegde autoriteiten, het met de oorspronkelijk meegedeelde douaneschuld overeenkomende bedrag lager was dan het verschuldigde bedrag, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a) de schuldenaar had de vergissing redelijkerwijze niet kunnen ontdekken; en
b) de schuldenaar heeft te goeder trouw gehandeld.
2. Indien de in artikel 117, lid 2, genoemde voorwaarden niet zijn vervuld, wordt terugbetaling of kwijtschelding verleend wanneer het verlaagde recht of het nulrecht als gevolg van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf, niet werd toegepast op goederen waarvan de douaneaangifte voor het vrije verkeer alle gegevens bevatte en vergezeld was van alle voor de toepassing van het verlaagde recht of het nulrecht vereiste documenten.
3. Indien de preferentiële behandeling van de goederen wordt toegekend in het kader van de administratieve samenwerking met autoriteiten van een land of gebied buiten het douanegebied van de Unie, wordt de afgifte van een onjuist certificaat door deze autoriteiten aangemerkt als een vergissing die redelijkerwijze niet had kunnen worden ontdekt in de zin van lid 1, onder a).
De afgifte van een onjuist certificaat wordt echter niet als een vergissing aangemerkt indien het certificaat gebaseerd is op een onjuiste weergave van de feiten door de exporteur, tenzij de autoriteiten die het certificaat afgaven, kennelijk wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen.
De schuldenaar wordt geacht te goeder trouw te hebben gehandeld indien hij kan aantonen dat hij in de periode van de betrokken handelstransacties het nodige heeft gedaan om ervoor te zorgen dat aan alle voorwaarden voor een preferentiële behandeling werd voldaan.
De schuldenaar kan zich evenwel niet op zijn goede trouw beroepen indien de Commissie door middel van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie heeft laten weten dat er gegronde twijfel bestaat over de juiste toepassing van de preferentiële regeling door het begunstigde land of gebied.”
5 Artikel 120 van het douanewetboek, „Billijkheid”, bepaalt:
„1. In andere dan de in artikel 116, lid 1, tweede alinea, en de artikelen 117, 118 en 119 bedoelde gevallen wordt een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten om redenen van billijkheid terugbetaald of kwijtgescholden indien een douaneschuld is ontstaan in bijzondere omstandigheden waarin de schuldenaar geen bedrog heeft gepleegd noch kennelijk nalatig is geweest.
2. De bijzondere omstandigheden bedoeld in lid 1 worden geacht te bestaan indien uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat de schuldenaar zich in een uitzonderlijke situatie bevindt ten opzichte van andere deelnemers die dezelfde activiteit uitoefenen, en indien de schuldenaar in afwezigheid van dergelijke omstandigheden niet het nadeel zou hebben geleden door de inning van het bedrag aan in- of uitvoerrechten.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
6 Tenergie, een vennootschap naar Frans recht, importeert in Frankrijk, met behulp van leveranciers die in verschillende landen zijn gevestigd, materiaal voor de bouw van zonne-energiecentrales. Tussen 18 december 2013 en 27 februari 2014 heeft zij zodoende zonnepanelen uit Taiwan in Frankrijk ingevoerd en deze in het vrije verkeer gebracht en tot verbruik uitgeslagen.
7 Nadat het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) in 2014 een internationaal onderzoek had verricht om de douaneoorsprong te verifiëren van zonnepanelen die vanuit Taiwan naar Europa werden verzonden, heeft de Franse douaneadministratie de invoer van Tenergie aan controles onderworpen.
8 Op 15 oktober 2015 heeft de Franse douaneadministratie Tenergie in kennis gesteld van de resultaten van het onderzoek met de mededeling dat inbreuk was gemaakt op de douaneregels van de Unie, aangezien de door Tenergie tijdens de litigieuze periode ingevoerde zonnepanelen afkomstig waren uit China. Op 15 december 2015 heeft de Franse douaneadministratie een kennisgeving van inbreuk opgesteld wegens valse oorsprongsverklaringen voor de panelen die tussen 18 december 2013 en 27 februari 2014 waren ingevoerd. Op 2 maart 2016 heeft de Franse douaneadministratie een eerste naheffingsaanslag voor antidumpingrechten en compenserende rechten afgegeven voor de door Tenergie ingevoerde zonnepanelen die afkomstig waren uit China (hierna: „litigieuze antidumpingrechten en compenserende rechten”).
9 Op 21 november 2019 heeft de Franse douaneadministratie deze eerste naheffingsaanslag opgeheven op grond dat het recht van Tenergie om te worden gehoord niet in acht was genomen.
10 Op 11 december 2019 heeft de Franse douaneadministratie Tenergie een nieuwe kennisgeving met de resultaten van het onderzoek toegezonden. Op 26 augustus 2020 heeft zij Tenergie een kennisgeving van inbreuk wegens niet-naleving van de douaneregels van de Unie toegezonden, waardoor de kennisgeving van inbreuk van 15 december 2015 nietig werd verklaard en werd vervangen. Op 16 september 2020 heeft die douaneadministratie een tweede naheffingsaanslag voor de litigieuze antidumpingrechten en compenserende rechten afgegeven voor een bedrag van 2 405 887 EUR.
11 Bij brief van 12 april 2021 heeft Tenergie op grond van de artikelen 119 en 120 van het douanewetboek bij de Franse douaneadministratie een eerste verzoek tot kwijtschelding van deze antidumpingrechten en compenserende rechten ingediend.
12 Op 4 mei 2021 heeft Tenergie een eerste beroep ingesteld bij de tribunal judiciaire de Marseille (rechter in eerste aanleg Marseille, Frankrijk) tot nietigverklaring van deze tweede naheffingsaanslag voor de litigieuze antidumpingrechten en compenserende rechten, dat bij vonnis van 9 mei 2023 is afgewezen. Tenergie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
13 Op 18 mei 2021 heeft Tenergie bij de Franse douaneadministratie een tweede verzoek tot kwijtschelding van de litigieuze antidumpingrechten en compenserende rechten ingediend.
14 Bij brief van 16 september 2021 heeft de Franse douaneadministratie een negatief advies uitgebracht over het tweede verzoek tot kwijtschelding van deze antidumpingrechten en compenserende rechten op grond dat, ten eerste, aan de betrokken douaneautoriteiten geen vergissing in de zin van artikel 119 van het douanewetboek kon worden toegerekend en, ten tweede, de situatie van Tenergie niet het gevolg was van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 120 van het douanewetboek.
15 Bij brief van 19 oktober 2021 heeft de Franse douaneadministratie een negatief advies uitgebracht over het eerste verzoek tot kwijtschelding van de litigieuze antidumpingrechten en compenserende rechten.
16 Bij brief van 29 november 2021 heeft de Franse douaneadministratie de door Tenergie ingediende verzoeken tot kwijtschelding van de litigieuze antidumpingrechten en compenserende rechten definitief afgewezen.
17 Op 25 februari 2022 heeft Tenergie een tweede beroep ingesteld bij de tribunal judiciaire de Marseille, de verwijzende rechter, waarbij zij met name de nietigverklaring vordert van het besluit tot afwijzing van haar verzoeken tot kwijtschelding van de litigieuze antidumpingrechten en compenserende rechten, of, subsidiair, dat de Franse douaneadministratie wordt gelast een nieuw onderzoek te doen en dat dit wordt toegezonden aan de Europese Commissie ter beoordeling.
18 Tenergie voert aan dat in casu aan de voorwaarden voor kwijtschelding van invoerrechten is voldaan. Ten eerste had de Commissie de betrokken ondernemingen moeten waarschuwen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde zonnepanelen afkomstig waren uit China. Bovendien had de Franse douaneadministratie, die een aantal controles had uitgevoerd en vermoedens had over de oorsprong van de zonnepanelen, nadere controles moeten verrichten en Tenergie daarvan in kennis moeten stellen. Door dit na te laten heeft de douaneadministratie een vergissing begaan in de zin van artikel 119 van het douanewetboek, die bovendien onmogelijk kon worden opgemerkt door Tenergie, dat niet over onderzoeks- en controlemiddelen beschikt die vergelijkbaar zijn met die van de autoriteiten.
19 Ten tweede stelt Tenergie dat haar situatie het gevolg was van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 120 van het douanewetboek en dat zij geen bedrog heeft gepleegd noch kennelijk nalatig is geweest met het oog op ontwijking van de litigieuze antidumpingrechten en compenserende rechten. Integendeel, zij stelt dat zij te goeder trouw heeft gehandeld door zelf ter plaatse onderzoek en verificaties te verrichten. Onder deze omstandigheden is Tenergie van mening dat de Franse douaneadministratie haar dossier betreffende het verzoek tot kwijtschelding van de litigieuze antidumpingrechten en compenserende rechten verplicht had moeten voorleggen aan de Commissie, aangezien de door deze administratie uitgevoerde controle hoofdzakelijk was gebaseerd op de conclusies van het in punt 7 van dit arrest vermelde onderzoek van OLAF, dat is uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 2 en 20 van verordening nr. 515/97.
20 De Franse douaneadministratie stelt daarentegen dat zij de oorsprong van de ingevoerde goederen nooit heeft bevestigd aan Tenergie. Zij wijst er ten eerste op dat zij, voordat OLAF de conclusies van zijn onderzoek in november 2014 bekendmaakte, niet over elementen beschikte om de oorsprong van de goederen te weerleggen, en ten tweede dat de beoordelingen van de Taiwanese douaneautoriteiten niet relevant zijn in het kader van het antidumpingbeleid van de Unie. Bovendien is zij van mening dat de kwade trouw van een leverancier geen bijzondere omstandigheid is waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van een verzoek tot kwijtschelding van antidumpingrechten en compenserende rechten, maar een aan de handel inherent risico vormt. Bijgevolg is de Franse douaneadministratie van mening dat in casu niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 119 en 120 van het douanewetboek en dat het dossier derhalve niet overeenkomstig artikel 116 moest worden voorgelegd aan de Commissie.
21 De verwijzende rechter is van oordeel dat de beslechting van het hoofdgeding afhangt van de verduidelijking die het Hof zal verstrekken over de uitlegging van het Unierecht.
22 In dit verband herinnert hij eraan dat Tenergie in de eerste plaats aanvoert dat de Franse douaneadministratie nooit het geringste voorbehoud heeft gemaakt of een onregelmatigheid met betrekking tot de oorsprong van de goederen aan de orde heeft gesteld, in de tweede plaats dat de aanvaarding door de douaneadministratie van een douaneaangifte met een onjuiste tariefindeling van de betrokken goederen, terwijl alle nodige documenten door de betrokken invoerder waren verstrekt, een vergissing vormt in de zin van artikel 119 van het douanewetboek van de Unie, en in de derde plaats dat de Franse douaneadministratie en de bevoegde Europese autoriteiten deze onderneming vanaf de instelling van het onderzoek door OLAF hadden moeten waarschuwen voor de risico’s die gepaard gingen met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde invoer, aangezien uit het verslag van OLAF over dit onderzoek blijkt dat de Taiwanese douaneautoriteiten sinds 24 november 2014 informatie hadden verstrekt aan OLAF over de overlading in Taiwan van talrijke zonnepanelen uit China. De verwijzende rechter is dan ook van mening dat Tenergie terecht vraagt of de Franse douaneadministratie ertoe verplicht was haar dossier betreffende het verzoek tot kwijtschelding van de litigieuze antidumpingrechten en compenserende rechten voor te leggen aan de Commissie.
23 Tegen deze achtergrond heeft de tribunal judiciaire de Marseille de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Indien, zoals in casu, [een] onderneming voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 119 en 120 van het douanewetboek […], moet artikel 116 van dit wetboek dan aldus worden uitgelegd dat het de bevoegde nationale autoriteiten verplicht om het dossier betreffende het verzoek tot kwijtschelding van de meegedeelde rechten voor te leggen aan de […] Commissie?
2) Indien het antwoord luidt dat deze nationale autoriteiten in dergelijke gevallen een gebonden bevoegdheid hebben, kan de niet-nakoming van de verplichting om het dossier betreffende het verzoek tot kwijtschelding voor te leggen aan de […] Commissie dan leiden tot kwijtschelding van de nagevorderde rechten en geldboeten?
3) Indien de tweede vraag ontkennend moet worden beantwoord, kan het beginsel volgens hetwelk een lidstaat de schade moet vergoeden die particulieren hebben geleden door zijn schending van het Unierecht, voor zover deze schending volledig aan de lidstaat kan worden toegerekend, dan worden toegepast wanneer deze lidstaat artikel 116 van het douanewetboek […] onjuist heeft toegepast, terwijl de bij dat artikel voorgeschreven verplichting tot voorlegging van het dossier betreffende het verzoek tot kwijtschelding van rechten wordt geacht rechten toe te kennen aan particulieren, deze schending voldoende gekwalificeerd is en er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen die schending en de door de benadeelde geleden schade?”
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
24 De Commissie betoogt dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is vanwege het hypothetische karakter van de eerste vraag, waaruit de twee andere vragen van de verwijzende rechter voortvloeien. Zij is namelijk van mening dat Tenergie, in tegenstelling tot wat uit de eerste vraag blijkt, niet kan worden geacht te hebben voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 119 en 120 van het douanewetboek, zodat zij zich niet op deze bepalingen kan beroepen om de kwijtschelding van de litigieuze antidumpingrechten en compenserende rechten te vorderen. De Commissie voert aan dat de verwijzende rechter geen feiten heeft vastgesteld waaruit blijkt dat Tenergie in casu aan de in de artikelen 119 en 120 vermelde voorwaarden heeft voldaan. Integendeel, uit de verwijzingsbeslissing en uit het in punt 12 van dit arrest vermelde vonnis van de tribunal judiciaire de Marseille van 9 mei 2023 blijkt dat Tenergie niet aan deze voorwaarden heeft voldaan. Bijgevolg zijn de vragen over de toepassing van artikel 116 van het douanewetboek niet relevant.
25 Evenzo hebben de Franse en de Italiaanse regering, zonder formeel de niet-ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing op te werpen, beklemtoond dat uit dit verzoek niet blijkt dat in casu aan de voorwaarden van de artikelen 119 en 120 van het douanewetboek is voldaan.
26 In dit verband zij eraan herinnerd dat er volgens vaste rechtspraak een vermoeden van relevantie rust op vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek van een nationale rechter om een prejudiciële beslissing wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 1 augustus 2025, Alace en Canpelli, C‑758/24 en C‑759/24, EU:C:2025:591, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27 Het is eveneens vaste rechtspraak dat de krachtens artikel 267 VWEU ingestelde procedure een instrument is voor de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, dat het Hof in staat stelt de nationale rechters de elementen voor uitlegging van het Unierecht te verschaffen die zij nodig hebben om uitspraak te kunnen doen in de bij hen aanhangige gedingen. De reden voor de prejudiciële verwijzing is niet het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar de behoefte aan werkelijke beslechting van een geschil (beschikking van 24 maart 2025, Cajasur Banco, C‑443/24, EU:C:2025:253, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28 Zoals volgt uit de bewoordingen van artikel 267 VWEU, moet de gevraagde prejudiciële beslissing voor de verwijzende rechterlijke instantie „noodzakelijk” zijn „voor het wijzen van haar vonnis” in de bij haar aanhangige zaak. Het Hof heeft in een prejudiciële procedure immers de taak om de verwijzende rechter bij te staan bij de beslechting van het bij hem aanhangige concrete geding. Bij een dergelijke procedure moet dus sprake zijn van een zodanig verband tussen dat geding en de bepalingen van Unierecht waarvan om uitlegging wordt verzocht, dat die uitlegging objectief noodzakelijk is voor de door de verwijzende rechter te nemen beslissing (beschikking van 2 mei 2025, Klinka-Geo Trans, C‑501/24, EU:C:2025:348, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 In casu blijkt uit de formulering van de eerste vraag, die betrekking heeft op de uitlegging van artikel 116 van het douanewetboek, dat deze een specifieke „hypothese” betreft waarin een vennootschap voldoet aan de criteria van de artikelen 119 en 120 van het douanewetboek om terugbetaling of kwijtschelding te verkrijgen van de door haar betaalde invoerrechten. De verwijzende rechter wijst er in dit verband op dat dit voor Tenergie het geval is.
30 De verwijzende rechter heeft echter niet vermeld, laat staan aangetoond, in welk opzicht in casu aan de voorwaarden van artikel 119 en 120 van het douanewetboek is voldaan. Noch uit de feiten die in de verwijzingsbeslissing zijn vermeld, noch uit de motivering van deze beslissing blijkt immers dat aan deze voorwaarden is voldaan. Zoals de Franse regering heeft opgemerkt, stelt de verwijzende rechter in de motivering van zijn verzoek slechts vast dat de aanvaarding door de douaneadministratie van een douaneaangifte met een onjuiste tariefindeling van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde goederen volgens Tenergie een vergissing vormt in de zin van artikel 119 van het douanewetboek.
31 Er moet ook op worden gewezen dat de Commissie in de bijlage bij haar schriftelijke opmerkingen het vonnis van de verwijzende rechter van 9 mei 2023 heeft gevoegd, dat is gewezen in het kader van de door Tenergie ingestelde procedure tot nietigverklaring van de door de Franse douaneadministratie op 16 september 2020 afgegeven naheffingsaanslag voor de litigieuze antidumpingrechten en compenserende rechten. Deze procedure had in wezen betrekking op dezelfde feiten als die van het hoofdgeding in de onderhavige zaak. Uit dit vonnis blijkt echter dat Tenergie volgens de verwijzende rechter niet heeft voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 119 en 120 van het douanewetboek.
32 In dit verband heeft het Hof de verwijzende rechter bij verzoek om inlichtingen van 20 december 2024 verzocht aan te geven of hij van mening is dat Tenergie heeft voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 119 en 120 van het douanewetboek, en zo ja, de redenen daarvoor uiteen te zetten.
33 Op 3 februari 2025 heeft de verwijzende rechter geantwoord dat hij in dit stadium niet kon bevestigen of ontkennen dat Tenergie aan deze voorwaarden voldeed, aangezien hij, in afwachting van een antwoord op zijn verzoek om een prejudiciële beslissing, nog geen uitspraak had gedaan over de aan hem voorgelegde verzoeken.
34 Gezien het voorgaande moet worden vastgesteld dat het uitgangspunt waarop de eerste prejudiciële vraag berust, dat wil zeggen de veronderstelling dat Tenergie „voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 119 en 120 van het douanewetboek” niet wordt gestaafd door de verwijzingsbeslissing, noch – meer in het algemeen – door het dossier waarover het Hof beschikt.
35 De toepassing van artikel 116, lid 3, van het douanewetboek, op welk artikel, zoals uit punt 29 van het onderhavige arrest blijkt, de eerste vraag betrekking heeft, veronderstelt echter dat aan de voorwaarden van de artikelen 119 en 120 van dit wetboek is voldaan. Aangezien de verwijzende rechter erkent dat niet vaststaat dat in casu aan de voorwaarden van deze beide artikelen 119 en 120 is voldaan, blijkt deze vraag dus van hypothetische aard te zijn in de zin van de in de punten 26 en 27 van dit arrest vermelde rechtspraak.
36 Aangezien de tweede en derde vraag van de verwijzende rechter afhankelijk zijn van het antwoord op de eerste vraag, moet het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing in zijn geheel niet-ontvankelijk worden verklaard.
37 Verduidelijkt zij evenwel dat de verwijzende rechter de mogelijkheid behoudt om een nieuw verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen waarbij hij het Hof alle elementen bezorgt dankzij welke het in staat is uitspraak te doen (zie in die zin arrest van 11 september 2019, Călin, C‑676/17, EU:C:2019:700, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 Het verzoek om een prejudiciële beslissing is dus niet-ontvankelijk.
Kosten
39 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:
Het verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de tribunal judiciaire de Marseille (rechter in eerste aanleg Marseille, Frankrijk) bij beslissing van 8 april 2024, is niet-ontvankelijk.
ondertekeningen
* Procestaal: Frans.