HvJ EU 12 maart 2026, C-209/24, ECLI:EU:C:2026:186
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
12 maart 2026 ( *1 )
„Hogere voorziening – Openbare dienst – Tijdelijk functionaris – Artikel 266 VWEU – Besluit ter uitvoering van een arrest van het Gerecht van de Europese Unie houdende nietigverklaring van een besluit tot niet-verlening van een overeenkomst voor onbepaalde duur en tot vergoeding van de geleden schade – Beroep tot nietigverklaring en tot schadevergoeding – Onjuiste opvatting van de stukken van het dossier – Artikel 151, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Verzoek om een document uit het dossier te verwijderen – Vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaten – Omvang”
In zaak C‑209/24 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 17 maart 2024,
VP, wonende te München (Duitsland), vertegenwoordigd door J. Menze en H. Tettenborn, Rechtsanwälte,
rekwirante,
andere partij in de procedure:
Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop), vertegenwoordigd door T. Bontinck en A. Guillerme, avocats,
verweerder in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún (rapporteur), kamerpresident, J. Passer, E. Regan, D. Gratsias en B. Smulders, rechters,
advocaat-generaal: A. Rantos,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 juni 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met haar hogere voorziening verzoekt VP om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 7 februari 2024, VP/Cedefop (T‑563/22, EU:T:2024:72; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van haar beroep strekkende tot, ten eerste, nietigverklaring van het besluit van de uitvoerend directeur van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) van 17 december 2021 (hierna: „litigieus besluit”) en van het besluit van de beroepscommissie van het Cedefop van 17 juni 2022 (hierna: „besluit tot afwijzing van de klacht”) en, ten tweede, betaling van een vergoeding van 100000 EUR voor de immateriële schade die zij meent te hebben geleden. Daarnaast verzoekt VP dat het Cedefop ertoe wordt veroordeeld haar een vergoeding van 5000000 EUR te betalen voor de immateriële schade die zij stelt te hebben geleden.
Voorgeschiedenis van het geding
2 De voorgeschiedenis van het geding is door het Gerecht uiteengezet in de punten 2 tot en met 15 van het bestreden arrest en kan worden samengevat als volgt.
3 Op 16 november 2007 is rekwirante door het Cedefop als tijdelijk functionaris voor de functie van juridisch adviseur aangeworven. Haar overeenkomst werd verlengd tot 15 november 2017.
4 Op 10 maart 2017 heeft rekwirante de uitvoerend directeur van het Cedefop verzocht om haar overeenkomst te verlengen op grond van artikel 90, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”), dat op tijdelijke functionarissen van toepassing is krachtens artikel 46 van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie.
5 Bij besluit van 12 mei 2017 heeft die uitvoerend directeur dat verzoek afgewezen en heeft hij rekwirante meegedeeld dat haar overeenkomst niet zou worden verlengd.
6 De beroepscommissie van het Cedefop (hierna: „beroepscommissie”) heeft bij besluit van 1 december 2017 de klacht van rekwirante tegen het besluit van 12 mei 2017 afgewezen.
7 Bij arrest van 16 december 2020, VP/Cedefop (T‑187/18, EU:T:2020:613; hierna: „arrest houdende nietigverklaring”), heeft het Gerecht het besluit van 12 mei 2017 (punt 1 van het dictum) en het besluit van 1 december 2017 (punt 2 van het dictum) nietig verklaard (hierna samen: „nietig verklaarde besluiten”). Daarnaast heeft het Gerecht het Cedefop veroordeeld tot betaling van een bedrag van 30000 EUR ter vergoeding van de materiële schade die rekwirante heeft geleden (punt 3 van het dictum) en van een bedrag van 10000 EUR ter vergoeding van haar immateriële schade (punt 4 van het dictum). Het Gerecht heeft het beroep voor het overige verworpen (punt 5 van het dictum) en het Cedefop in de kosten verwezen (punt 6 van het dictum).
8 Uit de motivering van het arrest houdende nietigverklaring blijkt dat het Gerecht heeft geoordeeld dat het besluit van 12 mei 2017 berustte op een kennelijke beoordelingsfout, aangezien daarin de niet-verlenging van rekwirantes overeenkomst werd gerechtvaardigd door de voorgenomen afschaffing van de juridische dienst van het Cedefop. Het Gerecht heeft bovendien geoordeeld dat niet kon worden uitgesloten dat dit besluit was gebaseerd op een andere grond, namelijk het verlies van vertrouwen van de uitvoerend directeur van het Cedefop in rekwirante. Het heeft geoordeeld dat het besluit, voor zover het was gebaseerd op dit verlies van vertrouwen, was vastgesteld in strijd met het recht om te worden gehoord, de rechten van de verdediging en artikel 26 van het Statuut.
9 Op 8 januari 2021 heeft rekwirante het Cedefop verzocht uitvoering te geven aan het arrest houdende nietigverklaring overeenkomstig artikel 266 VWEU (hierna: „verzoek om uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring”). In dit verband heeft zij het Cedefop verzocht om haar overeenkomst met ingang van 16 november 2017 voor onbepaalde tijd te verlengen.
10 Bij brief van 2 maart 2021 heeft de toenmalige uitvoerend directeur van het Cedefop geantwoord aan rekwirante dat voor de uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring slechts 40000 EUR moest worden betaald ter vergoeding van haar materiële en immateriële schade, vermeerderd met de kosten, aangezien de gevolgen van de door het Gerecht geconstateerde onrechtmatigheid werden gecompenseerd door de betaling van die vergoeding.
11 Op 28 april 2021 heeft rekwirante krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen dat besluit van 2 maart 2021. Zij heeft opnieuw aangevoerd dat het Cedefop de punten 1 en 2 van het dictum van het arrest houdende nietigverklaring niet had uitgevoerd.
12 Op 29 juli 2021 heeft de voorzitter van de beroepscommissie rekwirante een brief gezonden waarin hij heeft aangegeven dat deze commissie tijdens haar vergadering van 16 juli 2021 had besloten om gevolg te geven aan haar klacht van 28 april 2021 en het besluit van 2 maart 2021„nietig te verklaren”, aangezien rekwirante niet in de gelegenheid was gesteld om opmerkingen over dat besluit te maken.
13 Op 7 september 2021 heeft de uitvoerend directeur van het Cedefop rekwirante een brief gezonden. Daarin heeft hij haar meegedeeld dat hij, opnieuw uitspraak doende naar aanleiding van de in het vorige punt genoemde beslissing van de beroepscommissie, niet voornemens was de door rekwirante – met name in haar verzoek om uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring – gevraagde aanvullende maatregelen te nemen, aangezien het arrest houdende nietigverklaring volgens hem reeds volledig was uitgevoerd. Teneinde het recht van rekwirante om te worden gehoord te eerbiedigen, heeft hij haar verzocht haar opmerkingen over het beoogde besluit in te dienen.
14 In antwoord op deze brief heeft rekwirante op 15 oktober 2021 haar opmerkingen ingediend.
15 Bij het litigieuze besluit, vastgesteld op 17 december 2021, heeft de uitvoerend directeur van het Cedefop rekwirante meegedeeld dat, aangezien dit agentschap alle bedragen had overgemaakt waarvan de betaling door het Gerecht in het arrest houdende nietigverklaring was gelast, er geen aanvullende maatregelen ter uitvoering van dat arrest dienden te worden genomen.
16 Op 3 maart 2022 heeft rekwirante tegen dit besluit een klacht ingediend, die is afgewezen bij het besluit tot afwijzing van de klacht.
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
17 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 2 september 2022, heeft rekwirante verzocht om nietigverklaring van het litigieuze besluit en van het besluit tot afwijzing van de klacht, om vergoeding van de immateriële schade die zij door deze besluiten heeft geleden, alsook om verwijzing van het Cedefop in de kosten.
18 Ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring heeft rekwirante vijf middelen aangevoerd. Deze middelen zijn ontleend aan 1) onbevoegdheid van de beroepscommissie, 2) schending van artikel 266 VWEU en een kennelijke beoordelingsfout, 3) niet-nakoming van de zorgplicht, 4) schending van het beginsel van gewettigd vertrouwen, het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van non-discriminatie en 5) misbruik van bevoegdheid.
19 Ter terechtzitting voor het Gerecht heeft rekwirante het eerste middel ingetrokken.
20 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht alle overige vier middelen ongegrond verklaard.
21 Wat met name het tweede middel betreft, inzake schending van artikel 266 VWEU en een kennelijke beoordelingsfout, heeft het Gerecht in punt 34 van het bestreden arrest opgemerkt dat het Cedefop in het kader van de uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring verplicht was het verzoek om verlenging van de overeenkomst opnieuw te onderzoeken en een nieuw besluit te nemen ter vervanging van de nietig verklaarde besluiten. In punt 38 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vervolgens geoordeeld dat het Cedefop aan die verplichting had voldaan, aangezien het Cedefop, zoals bleek uit de motivering van het besluit tot afwijzing van de klacht, in het stadium van het onderzoek van rekwirantes klacht had onderzocht of dit verzoek moest worden ingewilligd en zich na afloop van dat onderzoek op het standpunt had gesteld dat er geen reden was om rekwirante te herstellen in haar functie vanwege overwegingen in verband met de interne organisatie van dat agentschap.
22 Het Gerecht heeft in de punten 43 en 44 van het bestreden arrest geconstateerd dat rekwirante de gegrondheid van de motivering, gebaseerd op de verandering in de interne organisatie van het Cedefop, niet had betwist en dat deze motivering op zichzelf voldoende was om het besluit om de overeenkomst van rekwirante niet te verlengen te rechtvaardigen.
Conclusies van partijen in hogere voorziening
23 Met haar hogere voorziening verzoekt VP het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – het Cedefop te veroordelen tot vergoeding van haar immateriële schade, die ex aequo et bono op 5000000 EUR wordt geraamd, en – het Cedefop te verwijzen in de kosten van zowel de hogere voorziening als de procedure bij het Gerecht.
24 Het Cedefop verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – VP te verwijzen in de kosten.
Verzoek om een document uit het dossier te verwijderen
Argumenten van partijen
25 In zijn memorie van antwoord heeft het Cedefop op grond van artikel 151 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verzocht om de briefwisseling in bijlage C.1 bij het verzoekschrift in hogere voorziening (hierna: „bijlage C.1”) uit het dossier te verwijderen.
26 Volgens het Cedefop valt bijlage C.1, voor zover deze een e-mail bevat die op 2 april 2021 is verzonden en die, in dezelfde bewoordingen, een brief weergeeft die zijn advocaat op een onbepaalde datum aan de voormalige advocaat van rekwirante heeft gestuurd over de mogelijkheid om tussen de partijen besprekingen aan te knopen met het oog op een minnelijke regeling van het geschil (hierna: „brief van de advocaat van het Cedefop”), volledig onder de bescherming van de vertrouwelijkheid van de briefwisseling tussen advocaten overeenkomstig de door de Belgische wetgever verbindend gemaakte Belgische deontologische regels. De door de rechtspraak van het Hof en het Gerecht erkende bescherming van de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaten en cliënten strekt zich uit – zo meent het Cedefop – tot briefwisseling tussen advocaten wanneer de bescherming van de vertrouwelijkheid van die briefwisseling door het nationale recht wordt erkend.
27 Rekwirante betoogt dat dit verzoek niet-ontvankelijk is omdat het, in strijd met artikel 151 van het Reglement voor de procesvoering, niet bij afzonderlijke akte is gedaan.
28 Bovendien is dit verzoek ongegrond, aangezien de door het Cedefop aangevoerde rechtspraak niet relevant is ter onderbouwing van het vermeende „beroepsgeheim tussen advocaten” en er hoe dan ook niet is voldaan aan de in die rechtspraak gestelde voorwaarden. Daarnaast vormt bijlage C.1 een essentieel bewijselement voor de onderhavige hogere voorziening.
Beoordeling door het Hof
29 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat uit artikel 151, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering volgt dat een partij alleen dan een afzonderlijke akte moet indienen wanneer zij het Hof verzoekt uitspraak te doen op een exceptie of een incident zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. Hieruit volgt dat het Cedefop zijn verzoek om bijlage C.1 uit het dossier te verwijderen slechts bij afzonderlijke akte had moeten doen indien het Hof was verzocht uitspraak te doen over dat verzoek zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. Dat is hier niet het geval. Bijgevolg moet de door rekwirante aangevoerde exceptie van niet-ontvankelijkheid van dat verzoek worden verworpen.
30 In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat het beginsel van „equality of arms”, dat een logisch uitvloeisel is van het begrip eerlijk proces zoals met name neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), inhoudt dat elke partij een redelijke mogelijkheid moet worden geboden om haar zaak, daaronder begrepen haar bewijzen, onder zodanige omstandigheden voor te dragen dat zij tegenover de tegenpartij niet wezenlijk wordt benadeeld (arrest van 12 juli 2022, Nord Stream 2/Parlement en Raad, C‑348/20 P, EU:C:2022:548, punt 128 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Voorts heeft het Hof het beginsel van de vrije beoordeling van het bewijs door de Unierechter bevestigd, waaruit met name volgt dat de ontvankelijkheid van tijdig overgelegd bewijs voor die rechter enkel kan worden betwist door zich te baseren op het feit dat het onrechtmatig is verkregen of overgelegd (zie in die zin arrest van 12 juli 2022, Nord Stream 2/Parlement en Raad (C‑348/20 P, EU:C:2022:548, punt 129 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 Wanneer is vastgesteld dat bewijs op onregelmatige wijze is verkregen of overgelegd, kan de Unierechter dat bewijs slechts ontvankelijk verklaren indien uit een belangenafweging blijkt dat de belangen van de verzoeker die dat bewijs heeft overgelegd – in het bijzonder gelet op het nut ervan voor de beoordeling van de gegrondheid van diens beroep – zwaarder doorwegen dan de belangen van de tegenpartij, die concreet en daadwerkelijk kunnen worden geschaad door de bewaring van dat bewijs in het dossier (zie in die zin arrest van 12 juli 2022, Nord Stream 2/Parlement en Raad, C‑348/20 P, EU:C:2022:548, punt 131).
33 In casu blijkt uit bijlage C.1 dat de voormalige advocate van rekwirante op 30 maart 2021 zowel rekwirante als haar nieuwe advocaat erop heeft gewezen dat de brief van de advocaat van het Cedefop vertrouwelijk was en dat zij de inhoud van die brief pas aan rekwirante heeft meegedeeld nadat deze haar op 1 april 2021 had laten weten dat „[ik] als advocaat en uw cliënte, […] herhaal dat de verstrekte informatie strikt vertrouwelijk blijft”.
34 Omdat rekwirante zelf de vertrouwelijkheid van de brief van de advocaat van het Cedefop had erkend en zij zich formeel had verbonden die vertrouwelijkheid te respecteren, is de overlegging van de e-mail waarin de inhoud van die brief wordt weergegeven, in het stadium van de onderhavige hogere voorziening onregelmatig.
35 Aangezien het Gerecht zijn beslissing niet heeft gebaseerd op die brief of de e-mail die de inhoud ervan weergaf, en aangezien een dergelijk document geen centrale plaats inneemt in het betoog van rekwirante, wegen de belangen van rekwirante om dit document in het dossier te behouden niet zwaarder dan de belangen van het Cedefop om de vertrouwelijkheid van die brief te respecteren.
36 Gelet op het feit dat de andere gegevens in bijlage C.1 verband houden met de context waarin de e-mail van 2 april 2021 aan rekwirante is toegezonden, moet het verzoek van het Cedefop worden ingewilligd en moet bijlage C.1 uit het dossier worden verwijderd.
Hogere voorziening
37 Tot staving van haar hogere voorziening voert rekwirante negen middelen aan.
38 Met haar eerste middel betoogt rekwirante dat het Gerecht de stukken van het dossier onjuist heeft opgevat. Met haar tweede middel betoogt zij dat het Gerecht niet heeft voldaan aan zijn verplichting om ambtshalve te onderzoeken of de beroepscommissie bevoegd was om een besluit te nemen over de uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring. Met haar derde middel voert zij aan dat het Gerecht niet heeft vastgesteld dat de beroepscommissie daartoe onbevoegd was. Met haar vierde middel stelt zij dat het Gerecht het in artikel 47 van het Handvest erkende beginsel van het „bij wet ingesteld gerecht” heeft geschonden. Met haar vijfde middel betoogt zij dat het Gerecht niet bevoegd was om het arrest houdende nietigverklaring te vernietigen. Met haar zesde middel voert zij schending van artikel 266 VWEU aan. Met haar zevende middel stelt zij dat het bestreden arrest in strijd is met de arresten van 25 oktober 2013,Commissie/Moschonaki (T‑476/11 P, EU:T:2013:557), en 16 oktober 2019, ZV/Commissie (T‑684/18, EU:T:2019:748). Het achtste middel is gebaseerd op niet-nakoming van de motiveringsplicht. Het negende middel is ontleend aan schending van het in artikel 47 van het Handvest verankerde recht om te worden gehoord.
39 In haar hogere voorziening vordert rekwirante tevens veroordeling van het Cedefop tot betaling van een vergoeding voor de immateriële schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de aanhoudende weigering van dit agentschap om uitvoering te geven aan het arrest houdende nietigverklaring. Deze vergoeding is ex aequo et bono vastgesteld op 5000000 EUR.
Ontvankelijkheid van het verzoek om schadevergoeding
40 Overeenkomstig artikel 169, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering strekken „[d]e conclusies van de hogere voorziening […] tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van het Gerecht zoals deze in het dictum van deze beslissing voorkomt”. Bovendien strekken de conclusies van de hogere voorziening er overeenkomstig artikel 170, lid 1, van dit Reglement toe dat, ingeval deze wordt toegewezen, het in eerste aanleg gevorderde geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen; nieuwe conclusies zijn niet toegelaten.
41 In casu strekt de tweede vordering van de hogere voorziening van rekwirante tot veroordeling van het Cedefop tot betaling van een vergoeding voor de immateriële schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de aanhoudende weigering van dit agentschap om uitvoering te geven aan het arrest houdende nietigverklaring. Deze vergoeding is ex aequo et bono vastgesteld op 5000000 EUR.
42 Rekwirante heeft echter voor het Gerecht gevorderd dat het Cedefop wordt veroordeeld tot betaling van een vergoeding voor die schade, die zij destijds ex aequo et bono op 100000 EUR begrootte.
43 Hieruit volgt dat de tweede vordering van de hogere voorziening van rekwirante nieuw is, aangezien rekwirante met deze vordering een schadevergoeding beoogt te verkrijgen die hoger is dan het bedrag van 100000 EUR waarvan zij in eerste aanleg op dezelfde grond betaling vorderde. Deze vordering is derhalve in zoverre niet-ontvankelijk, onverminderd de mogelijkheid voor het Hof om – indien de hogere voorziening gegrond wordt verklaard – gebruik te maken van de volledige rechtsmacht die de Unierechter in geschillen van geldelijke aard ontleent aan artikel 91, lid 1, van het Statuut.
Ten gronde
Eerste middel
– Argumenten van partijen
44 Met haar eerste middel, dat is gericht tegen de punten 22, 37 en 38 van het bestreden arrest, betoogt rekwirante in essentie dat het Gerecht de elementen van het dossier, in het bijzonder het besluit tot afwijzing van de klacht, onjuist heeft opgevat door te oordelen dat het besluit tot afwijzing van de klacht een besluit betreffende de uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring en, in concreto, een besluit ter vervanging van de nietig verklaarde besluiten vormde.
45 Rekwirante voert aan dat het Gerecht tot deze conclusie is gekomen op basis van het feit dat de beroepscommissie in het besluit tot afwijzing van de klacht heeft verwezen naar overwegingen die verband houden met de interne werking van het Cedefop. Volgens rekwirante staat de enige verwijzing in dat besluit naar de interne organisatie van het Cedefop echter op bladzijde 16 van dat besluit. Rekwirante betwist dat deze verwijzing de gevolgtrekking kan dragen dat de beroepscommissie daarmee een besluit heeft genomen ter vervanging van de nietig verklaarde besluiten.
46 Bovendien bevat het dossier van de onderhavige zaak geen enkel stuk waaruit blijkt dat het Cedefop het voornemen had om een besluit te nemen – of daadwerkelijk een besluit heeft genomen – ter vervanging van de nietig verklaarde besluiten. Integendeel, uit het dossier blijkt alleen dat het Cedefop dat hardnekkig heeft geweigerd.
47 Het Cedefop betoogt dat het Gerecht terecht heeft opgemerkt dat de beroepscommissie in het besluit tot afwijzing van de klacht ten eerste heeft verklaard dat het Gerecht in het arrest houdende nietigverklaring geen standpunt had ingenomen over de interne organisatie of het herstel van de juridische dienst van het Cedefop, ten tweede dat de besprekingen over het herstel van de functie van intern juridisch adviseur in 2021 geen verband hielden met het specifieke geval van rekwirante, en ten derde dat de aanwervingsprocedure voor een intern juridisch adviseur nauw samenhing met het resultaat van de aanwervingsprocedure voor een nieuwe directeur personeelszaken.
48 Op basis van al deze feitelijke elementen, die vermeld staan op de bladzijden 16 tot en met 17 van het besluit tot afwijzing van de klacht, is de beroepscommissie tot de uitdrukkelijke conclusie gekomen dat „het Cedefop voornemens was de werkingswijze van de juridische functie binnen het agentschap te reorganiseren teneinde de risico’s te beperken, zonder de intentie om personen in hun functie te herstellen of voormalige werkorganisaties weer in te voeren”.
49 Bijgevolg heeft de beroepscommissie rekwirante duidelijk gemaakt dat zij primair van mening was dat het Cedefop niet noodzakelijkerwijs verplicht was het verzoek om verlenging van de overeenkomst opnieuw te onderzoeken, aangezien dit agentschap het arrest houdende nietigverklaring volledig had uitgevoerd door een financiële vergoeding te betalen voor alle schade die was geleden als gevolg van de nietig verklaarde besluiten, en dat zij subsidiair dat verzoek desondanks had onderzocht en het om de in de punten 47 en 48 van het onderhavige arrest uiteengezette redenen had afgewezen.
50 In haar memorie van repliek benadrukt rekwirante dat het Cedefop, anders dan het herhaaldelijk heeft betoogd in de zaken die hebben geleid tot de beschikking van 20 mei 2022, VP/Cedefop (T‑534/21, EU:T:2022:327), en tot het bestreden arrest, voor het eerst in hogere voorziening aanvoert dat een besluit is vastgesteld ter vervanging van de nietig verklaarde besluiten, zonder bewijzen aan te leveren die deze stelling onderbouwen.
51 Het Cedefop betoogt in zijn memorie van dupliek dat het Gerecht de feiten niet onjuist heeft opgevat, aangezien het enkel heeft verwezen naar de duidelijke bewoordingen van het besluit tot afwijzing van de klacht, zonder te trachten deze uit te leggen.
– Beoordeling door het Hof
52 Volgens vaste rechtspraak is er sprake van een onjuiste opvatting van het bewijs wanneer het Gerecht de grenzen van een redelijke beoordeling van deze bewijzen kennelijk heeft overschreden. De onjuiste opvatting moet duidelijk uit de stukken van het dossier blijken, zonder dat een nieuwe beoordeling van de feiten en de bewijzen dient te worden verricht. In dit verband volstaat het niet dat wordt aangetoond dat een document kan worden opgevat op een wijze die verschilt van die van het Gerecht (arrest van 5 maart 2024, Kočner/Europol, C‑755/21 P, EU:C:2024:202, punt 96 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53 Om na te gaan of het onderhavige middel gegrond is, zij eraan herinnerd dat het Gerecht, op grond van de in de punten 31 tot en met 33 van het bestreden arrest aangehaalde rechtspraak, in punt 34 van dat arrest heeft geoordeeld dat het Cedefop ter uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring verplicht was om het verzoek tot verlenging van de overeenkomst opnieuw te onderzoeken en een besluit te nemen ter vervanging van de nietig verklaarde besluiten.
54 In dit verband heeft het Gerecht in de punten 35 tot en met 38 van het bestreden arrest, op basis van de motivering van het besluit tot afwijzing van de klacht zoals samengevat in punt 37 van dat arrest, geoordeeld dat het Cedefop aan die verplichting had voldaan. Het Gerecht was namelijk van oordeel dat de beroepscommissie in dat besluit ten eerste de conclusie had bevestigd waartoe de uitvoerend directeur van het Cedefop bij de vaststelling van het litigieuze besluit was gekomen, namelijk dat het arrest houdende nietigverklaring volledig was uitgevoerd doordat de vergoedingen waartoe dat agentschap bij dat arrest was veroordeeld, waren betaald, zodat het Cedefop niet verplicht was andere aanvullende maatregelen te nemen ter uitvoering van dat arrest. Ten tweede heeft het Cedefop ook het verzoek om verlenging van de overeenkomst opnieuw onderzocht en dit verzoek afgewezen om redenen die verband hielden met de interne organisatie van het Cedefop, en daarmee een besluit vastgesteld ter vervanging van de nietig verklaarde besluiten. Zoals blijkt uit punt 43 van het bestreden arrest, was laatstgenoemd besluit volgens het Gerecht in het bijzonder gebaseerd op de overweging dat het Cedefop voornemens was zijn interne organisatie te veranderen en de werkingswijze van de juridische functie binnen het agentschap te reorganiseren.
55 Aldus volgt uit de in het vorige punt genoemde punten van het bestreden arrest dat, volgens het Gerecht, het Cedefop naar aanleiding van het verzoek om uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring enerzijds had geweigerd aan dat verzoek gevolg te geven omdat het van mening was dat het arrest reeds volledig was uitgevoerd en dat er dus geen andere aanvullende uitvoeringsmaatregelen nodig waren – zoals het opnieuw onderzoeken van het verzoek om verlenging van de overeenkomst en, a fortiori, de daadwerkelijke verlenging van die overeenkomst – en anderzijds niettemin tot op zekere hoogte aan dit verzoek had voldaan door het verzoek om verlenging van de overeenkomst opnieuw te onderzoeken, maar dit verzoek af te wijzen om redenen die verband hielden met de interne organisatie van het Cedefop. Daarmee heeft dit agentschap een besluit genomen ter vervanging van de nietig verklaarde besluiten, welk besluit een maatregel vormt ter uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring.
56 Opgemerkt zij dat op basis van een eenvoudige lezing van het besluit tot afwijzing van de klacht kan worden vastgesteld dat, zoals rekwirante terecht aanvoert, de overwegingen in punt 37 van het bestreden arrest op grond waarvan het Gerecht heeft geoordeeld dat het Cedefop een besluit had vastgesteld ter vervanging van de nietig verklaarde besluiten, enkel konden worden afgeleid uit het deel van de motivering van het besluit tot afwijzing van de klacht dat loopt van de vierde alinea van bladzijde 16 van dat besluit tot aan de tweede alinea van bladzijde 17 ervan, waarmee deze commissie de afwijzing van het door rekwirante in haar klacht aangevoerde middel inzake schending van artikel 266 VWEU heeft gerechtvaardigd. Het is namelijk alleen in dat deel van de motivering van het besluit tot afwijzing van de klacht, dat in totaal vier alinea’s bevat (hierna: „litigieus deel van de motivering”), dat naar dergelijke overwegingen wordt verwezen.
57 Meer in het bijzonder blijkt uit het litigieuze deel van de motivering dat het Gerecht zich – voor zijn oordeel in de punten 37, 38 en 43 van het bestreden arrest, dat het Cedefop een besluit had vastgesteld ter vervanging van de nietig verklaarde besluiten op basis van overwegingen in verband met zijn interne organisatie – noodzakelijkerwijs uitsluitend heeft gebaseerd op de tweede alinea van bladzijde 17 van het besluit tot afwijzing van de klacht, die de vierde en laatste alinea van het litigieuze deel van de motivering vormt. In die alinea heeft de beroepscommissie namelijk concreet het volgende aangegeven: „[o]p basis van een grondige en transparante beoordeling van de status quo in 2021, aan de hand van gegevens van 2020, is het Cedefop voornemens om de werkingswijze van de juridische functie te reorganiseren teneinde de in kaart gebrachte risico’s te beperken, zonder de intentie om personen in hun functie te herstellen of voormalige werkorganisaties weer in te voeren”.
58 Ten eerste zijn de bewoordingen van de tweede alinea van bladzijde 17 van het besluit tot afwijzing van de klacht te vaag om daaruit duidelijk te kunnen afleiden dat de beroepscommissie het verzoek van rekwirante tot verlenging van haar overeenkomst opnieuw heeft onderzocht en heeft afgewezen, en daarmee een besluit heeft vastgesteld ter vervanging van de nietig verklaarde besluiten, met het oog op de subsidiaire uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring.
59 Derhalve moet ten tweede worden nagegaan of deze tweede alinea, gelezen in haar context, redelijkerwijs aldus kon worden begrepen.
60 In dit verband moet om te beginnen worden verduidelijkt dat het litigieuze deel van de motivering in het besluit tot afwijzing van de klacht wordt ingeleid met het woord „bovendien” en onmiddellijk volgt op de motivering op de bladzijden 14 en 15 van dat besluit inzake de betaling van de vergoedingen waartoe het Cedefop bij het arrest houdende nietigverklaring is veroordeeld. Uit deze motivering komt evenwel naar voren dat de beroepscommissie zonder enig voorbehoud heeft vastgesteld dat de uitvoering van dat arrest door het Cedefop, zoals bleek uit het litigieuze besluit, volledig in overeenstemming was met artikel 266 VWEU en dat dit agentschap geen ander besluit hoefde vast te stellen.
61 Vervolgens wijst niets in de bewoordingen van de eerste drie alinea’s van het litigieuze deel van de motivering erop dat de beroepscommissie, ondanks deze vaststelling, niettemin subsidiair voornemens was het verzoek om verlenging van de overeenkomst opnieuw te onderzoeken en een besluit vast te stellen ter vervanging van de nietig verklaarde besluiten, en dus aanvullende maatregelen te nemen ter uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring.
62 Het volstaat namelijk om op te merken dat, ten eerste, in de eerste alinea van het litigieuze deel van de motivering, die overeenkomt met de vierde alinea van bladzijde 16 van het besluit tot afwijzing van de klacht, de beroepscommissie zich in essentie ertoe heeft beperkt de redenen uiteen te zetten waarom zij van mening was dat uit het arrest houdende nietigverklaring niet kon worden afgeleid dat het Cedefop verplicht zou zijn om verzoekster te herstellen in haar functie of haar overeenkomst te verlengen. Ten tweede heeft de beroepscommissie in de tweede en de derde alinea van het litigieuze deel van de motivering – die overeenkomen met respectievelijk de vijfde alinea van bladzijde 16 en de eerste alinea van bladzijde 17 van het besluit tot afwijzing van de klacht –, daarbij verwijzend naar de conclusies van het uitvoerend comité van het Cedefop van3 maart 2021 betreffende het herstel van de functie van juridisch adviseur bij dat agentschap (hierna: „besluit van het uitvoerend comité van 3 maart 2021”), in essentie verklaard dat dit laatste besluit „geen verband” hield met het specifieke geval van rekwirante noch met het arrest houdende nietigverklaring, dat dit arrest „volledig is uitgevoerd door betaling van de vergoedingen en de gerechtskosten”, en dat er derhalve „geen sprake kan zijn van een tegenstrijdigheid tussen het herstel van de functie en het herstel van rekwirante in haar functie, noch van het voorkomen dat zij in haar functie zou worden hersteld”.
63 Ten slotte moet rekening worden gehouden met het feit dat het litigieuze deel van de motivering het antwoord vormt dat door de beroepscommissie is gegeven op een specifiek argument dat door rekwirante voor die beroepscommissie is aangevoerd ter ondersteuning van haar middel inzake schending van artikel 266 VWEU. In het bijzonder voerde rekwirante met dit argument aan dat, aangezien de correcte uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring vereiste dat haar contract met ingang van 16 november 2017 werd verlengd, het herstel in haar functie bij het Cedefop ter uitvoering van dat arrest geen moeilijkheden zou opleveren voor de interne organisatie van dit agentschap omdat deze organisatie, wat de functie van juridisch adviseur betreft, niet verschilde van die welke op die datum van kracht was. In dit verband betoogde rekwirante dat het Cedefop bij het besluit van het uitvoerend comité van 3 maart 2021, waarvan de vaststelling samenviel met de indiening van het verzoek om uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring, had besloten de functie van intern juridisch adviseur binnen dat agentschap te herstellen. In deze context voerde rekwirante aan dat de weigering van de uitvoerend directeur van het Cedefop om haar overeenkomst te verlengen en haar in haar functie te herstellen – terwijl de functie van intern juridisch adviseur was hersteld naar aanleiding van haar verzoek om uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring, en haar wederinfunctietreding, doordat deze functie toch al was hersteld, de interne organisatie van het Cedefop niet zou beïnvloeden – geen enkele rationele rechtvaardiging had en aantoonde dat een dergelijke weigering louter het gevolg was van een ad-personambesluit van die directeur, en daarmee misbruik van bevoegdheid opleverde.
64 Gelezen in het licht van dit argument van rekwirante, blijkt aldus ondubbelzinnig uit de bewoordingen van de eerste drie alinea’s van het litigieuze deel van de motivering dat de beroepscommissie met deze alinea’s op datzelfde argument wilde antwoorden door elk verband af te wijzen tussen het besluit van het uitvoerend comité van 3 maart 2021, enerzijds, en het arrest houdende nietigverklaring en het door rekwirante geformuleerde verzoek om uitvoering van dat arrest, anderzijds, in die zin dat dit besluit naar aanleiding van dat verzoek was vastgesteld met het oog op de uitvoering van dat arrest en dat het litigieuze besluit door de uitvoerend directeur van het Cedefop was genomen om persoonlijke redenen, waardoor sprake was van misbruik van bevoegdheid.
65 Bijgevolg kan, bij gebreke van enig element in de eerste drie alinea’s van het litigieuze deel van de motivering, op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen – al was het maar impliciet – dat de beroepscommissie voornemens was af te wijken van haar conclusie dat het arrest houdende nietigverklaring door de betaling van de in het dictum van dat arrest bedoelde vergoedingen volledig was uitgevoerd overeenkomstig artikel 266 VWEU, zodat er geen andere aanvullende uitvoeringsmaatregelen hoefden te worden genomen – een conclusie waartoe de beroepscommissie zojuist was gekomen en waarop zij in de derde alinea van het litigieuze deel van de motivering zelfs had aangedrongen – de tweede alinea van bladzijde 17 van het besluit tot afwijzing van de klacht niet aldus worden uitgelegd, althans niet zonder de strekking ervan te vervormen, dat de beroepscommissie daarin subsidiair het verzoek om verlenging van de overeenkomst opnieuw zou onderzoeken en een besluit ter vervanging van de nietig verklaarde besluiten zou vaststellen.
66 Integendeel, in haar context gelezen kan deze tweede alinea redelijkerwijs slechts worden begrepen als een voortzetting van de uiteenzettingen over het antwoord van de beroepscommissie op het argument van rekwirante met betrekking tot het besluit van het uitvoerend comité van 3 maart 2021. De door de beroepscommissie in aanmerking genomen overwegingen in verband met de interne organisatie van het Cedefop lijken door die commissie te zijn aangevoerd niet ter rechtvaardiging van de niet-verlenging van rekwirantes overeenkomst na een nieuw onderzoek van haar verzoek om verlenging – zoals het Gerecht in punt 38 van het bestreden arrest heeft geoordeeld – maar om aan te geven dat er geen enkel verband bestond tussen het besluit van het uitvoerend comité van 3 maart 2021 enerzijds en het arrest houdende nietigverklaring en het verzoek om uitvoering van dat arrest anderzijds.
67 Ten derde bevestigt het feit dat deze overwegingen in verband met de interne organisatie van het Cedefop, volgens de bewoordingen van de tweede alinea van bladzijde 17 van het besluit tot afwijzing van de klacht, voortvloeien uit een onderzoek „van de status quo in 2021, aan de hand van gegevens van 2020”, dat die overwegingen geen verband houden met een nieuw onderzoek van het verzoek om verlenging van de overeenkomst in het kader van de uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring, aangezien een dergelijk nieuw onderzoek had moeten worden verricht door zich te plaatsen in de situatie op de datum van vaststelling van de nietig verklaarde besluiten (zie in die zin arrest van 31 maart 1971, Commissie/Raad, 22/70, EU:C:1971:32, punt 60).
68 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat het Gerecht de elementen van het dossier, in het bijzonder het besluit tot afwijzing van de klacht, onjuist heeft opgevat door te oordelen dat het besluit tot afwijzing van de klacht een besluit betreffende de uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring en, in concreto, een besluit ter vervanging van de nietig verklaarde besluiten vormde.
69 Aangezien het eerste middel gegrond is, moet het bestreden arrest worden vernietigd, zonder dat het tweede tot en met het negende middel dienen te worden onderzocht.
Beroep bij het Gerecht
70 Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof, wanneer de hogere voorziening gegrond is en het de beslissing van het Gerecht vernietigt, zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel deze voor afdoening naar het Gerecht terugverwijzen.
71 In casu is het Hof van oordeel dat het door rekwirante bij het Gerecht ingestelde beroep, aangezien het gebaseerd is op middelen waarover voor het Gerecht de standpunten zijn uitgewisseld en waarvan het onderzoek niet vereist dat enige extra maatregel tot organisatie van de procesgang of van instructie van het dossier wordt vastgesteld, in staat van wijzen is en dat het dit zelf dient af te doen (zie naar analogie arrest van 5 maart 2024, Kočner/Europol, C‑755/21 P, EU:C:2024:202, punt 112 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Tweede middel van het bij het Gerecht ingestelde beroep
Argumenten van partijen
72 Met haar tweede middel voert rekwirante aan dat het Cedefop, na het arrest houdende nietigverklaring, het verzoek om verlenging van de overeenkomst opnieuw diende te onderzoeken en een nieuw besluit diende te nemen ter vervanging van de nietig verklaarde besluiten. Volgens rekwirante bestond de enige maatregel die het Cedefop aan het einde van dat nieuwe onderzoek rechtmatig kon vaststellen in de verlenging van haar overeenkomst. Rekwirante leidt daaruit af dat het Cedefop, door geen besluit tot verlenging van haar overeenkomst te nemen, artikel 266 VWEU heeft geschonden en een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt. Zij preciseert dat het feit dat het Cedefop in het arrest houdende nietigverklaring door het Gerecht is veroordeeld tot betaling van een vergoeding, geen enkele invloed heeft op de verplichting van dat agentschap om een dergelijk besluit te nemen ter uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring.
73 Het Cedefop betoogt in essentie dat het met het litigieuze besluit, dat is bevestigd bij het besluit tot afwijzing van de klacht, naar behoren heeft voldaan aan de krachtens artikel 266 VWEU op dat agentschap rustende verplichting om uitvoering te geven aan het arrest houdende nietigverklaring. De vergoeding die is toegekend voor het door rekwirante geleden verlies van een kans heeft de gevolgen van de geconstateerde onrechtmatigheid hersteld, zodat geen enkele andere maatregel noodzakelijk was om uitvoering te geven aan het arrest houdende nietigverklaring. Bijgevolg is het tweede middel volgens het Cedefop ongegrond.
Beoordeling door het Hof
74 Krachtens artikel 266 VWEU is de instelling, het orgaan of de instantie waarvan een handeling nietig is verklaard verplicht de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest waarbij die handeling nietig is verklaard.
75 Om zich naar dat arrest te voegen en hieraan volledig uitvoering te geven moet de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie niet alleen het dictum van dat arrest naleven, maar ook de rechtsoverwegingen die er de noodzakelijke steun aan bieden, daar zij onontbeerlijk zijn om de juiste betekenis van het dictum te bepalen. Het zijn immers die rechtsoverwegingen die aangeven welke bepaling precies als onrechtmatig wordt beschouwd en wat precies de redenen zijn van de in het dictum vastgestelde onrechtmatigheid, en waarmee de betrokken instelling bij de vervanging van de nietig verklaarde handeling rekening moet houden (zie in die zin arrest van 12 december 2024, DD/FRA, C‑587/21 P, EU:C:2024:1017, punten 22 en 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
76 Wat de gevolgen van de door de Unierechter uitgesproken nietigverklaring van een handeling betreft, zij eraan herinnerd dat deze ex tunc werkt en dus tot gevolg heeft dat de nietig verklaarde handeling met terugwerkende kracht uit de rechtsorde van de Unie wordt verwijderd, zodat deze handeling wordt geacht nooit te hebben bestaan (zie in die zin arrest van 28 mei 2013, Abdulrahim/Raad en Commissie, C‑239/12 P, EU:C:2013:331, punt 68).
77 Aangezien artikel 266 VWEU niet preciseert welke maatregelen de auteur van de nietig verklaarde handeling moet nemen om aan die verplichting te voldoen, staat het aan die auteur om die maatregelen te bepalen waarbij hij over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt ten aanzien van de keuze van die middelen, zolang wordt voldaan aan het dictum van het arrest waarbij die handeling nietig is verklaard en aan de rechtsoverwegingen die de noodzakelijke steun daaraan bieden (arrest van 12 december 2024, DD/FRA, C‑587/21 P, EU:C:2024:1017, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
78 Meer in het bijzonder moet de procedure ter vervanging van een nietig verklaarde handeling weer worden hervat op het precieze punt waarop de onrechtmatigheid is ontstaan, aangezien de nietigverklaring van een handeling in beginsel niet van invloed is op de geldigheid van de daaraan voorafgegane voorbereidende maatregelen in het stadium voordat de onrechtmatigheid is vastgesteld (arrest van 12 december 2024, DD/FRA, C‑587/21 P, EU:C:2024:1017, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
79 Bijgevolg moet de instelling, het orgaan of de instantie waarvan een handeling nietig is verklaard, om de juiste uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring te verzekeren en te voldoen aan de verplichting die krachtens artikel 266 VWEU op die instelling, dat orgaan of die instantie rust, de nodige maatregelen nemen om de gevolgen van de vastgestelde onrechtmatigheden ongedaan te maken. In het geval van een reeds uitgevoerde handeling impliceert dit dat de situatie wordt hersteld zoals zij zou zijn geweest indien de vastgestelde onrechtmatigheid zich niet had voorgedaan.
80 Uit het voorgaande volgt dat het Cedefop ter uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring verplicht was het verzoek om verlenging van haar overeenkomst opnieuw te onderzoeken en een besluit te nemen ter vervanging van de nietig verklaarde besluiten, waarbij het zich daartoe moest plaatsen in de situatie die bestond op de datum waarop die besluiten werden vastgesteld en rekening moest houden met de rechtsoverwegingen van het arrest houdende nietigverklaring.
81 Anders dan het Cedefop betoogt, ontslaat het feit dat het Gerecht dat agentschap in het arrest houdende nietigverklaring heeft veroordeeld tot betaling van een vergoeding voor de materiële schade die rekwirante heeft geleden wegens het verlies van een kans op verlenging van haar overeenkomst, het Cedefop geenszins van die verplichtingen.
82 Een dergelijke vrijstelling volgt namelijk uit geen enkele rechtsoverweging van het arrest houdende nietigverklaring. De schadevergoeding waartoe het Gerecht het Cedefop heeft veroordeeld vormt een geldelijke compensatie die aan rekwirante verschuldigd is wegens het verlies van een kans en laat de overige verplichtingen die voor dat agentschap voortvloeien uit het arrest houdende nietigverklaring – zoals die in punt 80 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht – onverlet.
83 Hoe dan ook, gesteld al dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door rekwirante een vergoeding toe te kennen voor het verlies van een kans op verlenging van haar overeenkomst terwijl het tegelijkertijd het besluit tot niet-verlenging van die overeenkomst nietig verklaarde, dan nog had een dergelijke onjuiste rechtsopvatting slechts kunnen worden aangevoerd in het kader van een hogere voorziening tegen het arrest houdende nietigverklaring. Aangezien het Cedefop een dergelijke hogere voorziening niet heeft ingesteld, is dat arrest echter definitief geworden.
84 Bijgevolg heeft het Cedefop artikel 266 VWEU geschonden door te weigeren andere maatregelen ter uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring vast te stellen dan de betaling van de in dat arrest bedoelde vergoedingen.
85 Derhalve moet het tweede middel van het beroep gegrond worden verklaard en moet zowel het litigieuze besluit als het besluit tot afwijzing van de klacht nietig worden verklaard.
Schadevordering
Argumenten van partijen
86 Rekwirante betoogt dat de aanhoudende weigering van het Cedefop om uitvoering te geven aan het arrest houdende nietigverklaring een kennelijke schending van het Unierecht vormt en afbreuk doet aan het vertrouwen dat het rechtsstelsel van de Unie bij iedere justitiabele moet wekken. Wat rekwirantes persoonlijke situatie betreft, heeft de aanhoudende onzekerheid over de verlenging van haar overeenkomst sinds 2017 bovendien geleid tot een toestand van onzekerheid en psychologische spanning met betrekking tot haar professionele toekomst, waardoor zij stress en angst heeft ondervonden. De nietigverklaring kan aldus geen toereikende vergoeding vormen voor de immateriële schade die rekwirante stelt te hebben geleden als gevolg van de niet-uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring. In deze context vordert zij dat het Cedefop wordt veroordeeld tot betaling van een vergoeding van 100000 EUR.
87 Volgens het Cedefop moet rekwirantes schadevordering worden afgewezen. De immateriële schade in verband met de niet-verlenging van haar overeenkomst is immers reeds vergoed, aangezien het Gerecht het Cedefop in het arrest houdende nietigverklaring heeft veroordeeld tot betaling van 10000 EUR, welk bedrag inmiddels is betaald. Daarnaast heeft rekwirante niet gepreciseerd uit welke elementen haar immateriële schade bestaat.
Beoordeling door het Hof
88 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat rekwirante met haar schadevordering beoogt vergoeding te verkrijgen voor de immateriële schade die haar door het Cedefop zou zijn berokkend doordat het niet zorgde voor de juiste uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring. Deze vorderingen houden derhalve verband met de onrechtmatigheid van het litigieuze besluit en het besluit tot afwijzing van de klacht.
89 Aldus verschilt de immateriële schade die rekwirante in het kader van het onderhavige beroep aanvoert van de schade waarvoor zij vergoeding vorderde in het kader van het beroep dat heeft geleid tot het arrest houdende nietigverklaring. Dat eerdere beroep was gebaseerd op de onrechtmatigheid van de nietig verklaarde besluiten.
90 Anders dan het Cedefop stelt, strekt deze schadevordering er dan ook niet toe vergoeding te verkrijgen voor schade die reeds is vergoed.
91 In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat de niet-contractuele aansprakelijkheid van een agentschap van de Unie vereist dat aan een aantal voorwaarden is voldaan, namelijk de onrechtmatigheid van de aan dit agentschap verweten gedraging, het daadwerkelijk bestaan van schade en een causaal verband tussen deze gedraging en de gestelde schade (zie in die zin arrest van 4 juni 2020, Schokker/EASA, C‑310/19 P, EU:C:2020:435, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
92 Aangezien om te beginnen het litigieuze besluit en het besluit tot afwijzing van de klacht nietig zijn verklaard wegens niet-nakoming door het Cedefop van de krachtens artikel 266 VWEU op dat agentschap rustende verplichting om uitvoering te geven aan het arrest houdende nietigverklaring, is derhalve voldaan aan de eerste voorwaarde voor aansprakelijkheid van het Cedefop, te weten de onrechtmatigheid van de verweten gedraging.
93 Wat vervolgens de voorwaarde inzake het bestaan van schade betreft, moet worden opgemerkt dat de weigering van een instelling, orgaan of instantie van de Unie om een beslissing van een rechterlijke instantie van de Unie uit te voeren, afbreuk doet aan het vertrouwen dat iedere justitiabele moet hebben in het rechtsstelsel van de Unie, dat met name is gebaseerd op de eerbiediging van de beslissingen van de rechterlijke instanties van de Unie. Los van de materiële schade die zou kunnen voortvloeien uit de niet-uitvoering van een arrest, brengt de weigering om de maatregelen te nemen die nodig zijn voor de juiste uitvoering daarvan op zichzelf dus immateriële schade met zich mee voor de partij die in het gelijk is gesteld.
94 Bovendien heeft het gedrag van het Cedefop rekwirante onmiskenbaar en langdurig in onzekerheid gebracht over de vraag of haar overeenkomst zou worden verlengd, wat op zich immateriële schade opleverde.
95 Derhalve is het bestaan van de schade aangetoond.
96 Wat ten slotte het causaal verband betreft, volstaat het vast te stellen dat de door rekwirante geleden immateriële schade rechtstreeks voortvloeit uit de weigering van het Cedefop om, ter uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring, andere uitvoeringsmaatregelen vast te stellen dan de betaling van de in dat arrest bedoelde schadevergoedingen. Deze schade zou niet zijn ontstaan indien het Cedefop dat arrest correct had uitgevoerd.
97 Daaruit volgt dat ook het bestaan van een oorzakelijk verband tussen het onrechtmatige gedrag van het Cedefop en de schade is bewezen.
98 Gelet op de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval moet worden geoordeeld dat de toekenning aan rekwirante van een bedrag van 15000 EUR een passende vergoeding voor die schade vormt.
Kosten
99 Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de proceskosten wanneer de hogere voorziening gegrond is en het Hof de zaak zelf afdoet.
100 Volgens artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat krachtens artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.
101 Aangezien het Cedefop in casu in het ongelijk is gesteld in het kader van zowel de hogere voorziening als de procedure in eerste aanleg, dient dat agentschap overeenkomstig de vordering van rekwirante te worden verwezen in zijn eigen kosten en in alle kosten die rekwirante in verband met deze twee procedures heeft gemaakt.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:
1) Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 7 februari 2024, VP/Cedefop (T‑563/22, EU:T:2024:72), wordt vernietigd.
2) Het besluit van de uitvoerend directeur van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) van 17 december 2021 en het besluit van de beroepscommissie van het Cedefop van 17 juni 2022 worden nietig verklaard.
3) Het Cedefop wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van 15000 EUR aan VP ter vergoeding van haar immateriële schade.
4) Het Cedefop draagt naast zijn eigen kosten alle kosten die VP heeft gemaakt in het kader van zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hogere voorziening.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.