HvJ EU 5 maart 2026, C-757/24, ECLI:EU:C:2026:159
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)
5 maart 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Sociaal beleid – Gelijke behandeling in arbeid en beroep – Richtlijn 2000/78/EG – Verbod van discriminatie op grond van leeftijd – Deelstaatregeling betreffende de bezoldiging van arbeidscontractanten – Inaanmerkingneming van vóór de leeftijd van 18 jaar vervulde tijdvakken – Nieuwe bezoldigingsregeling die een eerder als discriminerend aangemerkte regeling vervangt”
In zaak C‑757/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Arbeits- und Sozialgericht Wien (rechter voor arbeids- en socialezekerheidszaken Wenen, Oostenrijk) bij beslissing van 12 september 2024, ingekomen bij het Hof op 4 november 2024, in de procedure
SG
tegen
Gemeinde Wien,
wijst
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: M. Condinanzi, kamerpresident, R. Frendo en A. Kornezov (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: R. Norkus,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– SG, vertegenwoordigd door A. Obereder, Rechtsanwalt,
– de Gemeinde Wien, vertegenwoordigd door C. Gamauf, Rechtsanwalt,
– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch, J. Schmoll en C. Leeb als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B.‑R. Killmann en E. Schmidt als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 1, 2 en 6 van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB 2000, L 303, blz. 16), gelezen in samenhang met artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen SG (hierna: „verzoeker”) en de Gemeinde Wien (stad Wenen, Oostenrijk) over de vaststelling van de peildatum voor de overgang van SG naar een hogere salaristrap in de voor de stad Wenen geldende salarisschaal.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 1 van richtlijn 2000/78 heeft als opschrift „Doel” en luidt: „Deze richtlijn heeft tot doel met betrekking tot arbeid en beroep een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling toegepast kan worden.”
4 Artikel 2 van deze richtlijn, met als opschrift „Het begrip discriminatie”, bepaalt: „1. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder het beginsel van gelijke behandeling verstaan de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden. 2. Voor de toepassing van lid 1 is er: a) ‚directe discriminatie’, wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden; b) ‚indirecte discriminatie’, wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaalde godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, in vergelijking met andere personen bijzonder benadeelt, i) tenzij die bepaling, maatstaf of handelwijze objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn, […] […] […]”
5 Artikel 3 van die richtlijn heeft als opschrift „Werkingssfeer” en bepaalt in lid 1, onder c): „Binnen de grenzen van de aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden, is deze richtlijn zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing met betrekking tot: […] c) werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van ontslag en beloning”.
6 Artikel 6 van die richtlijn heeft als opschrift „Rechtvaardiging van verschillen in behandeling op grond van leeftijd” en luidt: „1. Niettegenstaande artikel 2, lid 2, kunnen de lidstaten bepalen dat verschillen in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie vormen indien zij in het kader van de nationale wetgeving objectief en redelijk worden gerechtvaardigd door een legitiem doel, met inbegrip van legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding, en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. […] 2. Niettegenstaande artikel 2, lid 2, kunnen de lidstaten bepalen dat de vaststelling, in ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid, van een toetredingsleeftijd of van een leeftijd voor het verkrijgen van het recht op pensioen- of invaliditeitsuitkeringen, inclusief de vaststelling van verschillende leeftijden voor werknemers of voor groepen of categorieën werknemers, in de ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid, en het gebruik, in het kader van die regelingen, van leeftijdscriteria in de actuariële berekeningen, geen discriminatie op grond van leeftijd vormt, mits dat niet leidt tot discriminatie op grond van geslacht.”
Oostenrijks recht
BO 1994
7 § 49v van de Besoldungsordnung 1994 (bezoldigingsregeling 1994) (LGBl. nr. 55/1994; hierna: „BO 1994”), in de versie die is gepubliceerd in LGBl. nr. 38/2023, heeft als opschrift „Referentiepeildatum” en bepaalt: „(1) De referentiepeildatum wordt aldus berekend dat overeenkomstig de leden 2 tot en met 7 rekening wordt gehouden met tijdvakken die vóór de indiensttreding zijn vervuld en die in aanmerking moesten worden genomen bij de berekening van de peildatum voor bevordering of die daarvoor in aanmerking hadden moeten worden genomen wanneer de leeftijdsgrens van 18 jaar of de bij § 15a, lid 1, punt 1, onder b), van de Dienstordnung 1994 [(dienstreglement) (LGBl. nr. 56/1994; hierna: „DO 1994”), in de versie die is gepubliceerd in LGBl. nr. 38/2023], vastgestelde beperking buiten beschouwing wordt gelaten. (2) De volgende bepalingen over de peildatum voor bevordering worden toegepast bij de berekening van de referentiepeildatum overeenkomstig de leden 3 tot en met 6: 1. § 14 [DO 1994 in de versie van de achtentwintigste wetswijziging, LGBl. nr. 42/2010], 2. § 15 [DO 1994 in de versie van de twintigste wetswijziging, LGBl. nr. 36/2005], 3. § 112 [DO 1994], 4. § 114 [DO 1994 in de versie van de achtste wetswijziging, LGBl. nr. 47/1999], 5. § 115f [DO 1994 in de versie van de twintigste wetswijziging, LGBl. nr. 36/2005], 6. de bijlage bij [DO 1994 in de versie van de drieëntwintigste wetswijziging, LGBl. nr. 42/2006], Beslissend zijn de bepalingen over de functiegroep waartoe de ambtenaar behoorde op het tijdstip van de vaststelling van de peildatum voor bevordering als bedoeld in § 15a, lid 4, laatste volzin, [DO 1994, in de versie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding]. (3) In afwijking van lid 2, punten 1 tot en met 6, […] 3. worden de andere tijdvakken die aan de dag van de indiensttreding voorafgaan en voor de helft in aanmerking moeten worden genomen slechts in aanmerking genomen wanneer deze zijn vervuld na 30 juni van elk kalenderjaar waarin aan de algemene leerplicht van negen schooljaren werd voldaan; heeft de ambtenaar minder dan negen schooljaren onderwijs gevolgd, dan wordt uitgegaan van 30 juni van elk kalenderjaar waarin hij volgens de nationale bepalingen betreffende de algemene leerplicht negen schooljaren onderwijs zou hebben gevolgd; […]”
DO 1994
8 § 15a DO 1994, in de versie die is gepubliceerd in LGBl. nr. 38/2023, draagt het opschrift „Omzetting van richtlijn 2000/78/EG” en bepaalt in de leden 1, 4 en 5: „(1) De bezoldigingsrechtelijke positie van de ambtenaar die op de dag van publicatie van de [4. Dienstrechts-Novelle 2019 (vierde wet van 2019 tot wijziging van het ambtenarenrecht) (LGBl. nr. 63/2019)] in actieve dienst is moet ambtshalve worden herberekend indien […] hij is overgeplaatst naar het bezoldigingsstelsel waarin de [Dienstrechts-Novelle 2015 (wet van 2015 tot wijziging van het ambtenarenrecht) (LGBl. nr. 28/2015)] voorziet, en 1. de peildatum voor de overgang naar een hogere salaristrap voor het lopende dienstverband is vastgesteld met uitsluiting van de tijdvakken die zijn vervuld a) vóór de leeftijd van 18 jaar of b) vóór 1 juli van het jaar waarin na de toelating tot het eerste leerjaar twaalf schooljaren onderwijs is gevolgd of zou moeten zijn gevolgd, of 2. de inaanmerkingneming van tijdvakken overeenkomstig punt 1, onder b), heeft geleid tot een verlenging van de eerste bevorderingsperiode […]. […] […] (4) De nieuwe vaststelling van de bezoldigingsrechtelijke positie volgens de leden 1 tot en met 3 geschiedt door de vaststelling van de referentiepeildatum (§ 49v [BO 1994, in de versie die is gepubliceerd in LGBl. nr. 38/2023,]) en de daarop gebaseerde beslissing tot nieuwe vaststelling van de anciënniteit op 31 juli 2015, waarbij de overeenkomstig § 49l [BO 1994 in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie] vastgestelde anciënniteit met de tussen de referentiepeildatum en de peildatum voor overgang naar een hogere salaristrap wordt verhoogd met de tussen de referentiepeildatum en de peildatum voor overgang naar een hogere salaristrap liggende periode wanneer de referentiepeildatum vóór de peildatum voor overgang naar een hogere salaristrap ligt, en in het omgekeerde geval met deze periode wordt verlaagd. De beslissende datum voor de vergelijking is de laatste peildatum voor de overgang naar een hogere salaristrap die is vastgesteld, met uitsluiting van de tijdvakken die zijn voltooid vóór de leeftijd van 18 jaar of vóór 1 juli van het jaar waarin twaalf schooljaren zijn voltooid of zouden zijn voltooid na toelating tot het eerste schooljaar. (5) Voor (voormalige) ambtenaren als bedoeld in de leden 1 tot en met 3 geschiedt de nieuwe berekening van de salarisaanspraken (voor tijdvakken vóór 1 augustus 2015 met toepassing van § 49l, lid 6b, [BO 1994], in de versie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding, en § 11 [BO 1994], in de versie van de Dienstrechts-Novelle 2015 [wet van 2015 tot wijziging van het ambtenarenrecht]), met terugwerkende kracht en met inaanmerkingneming van de voor de overgang naar een hogere salaristrap geldende diensttijd overeenkomstig de nieuw vastgestelde anciënniteit. Een daaruit eventueel voortvloeiende nabetaling moet voor de periode vanaf 1 mei 2016 ambtshalve plaatsvinden. Voor aan de nabetaling ten grondslag liggende salarisaanspraken mag de periode van 1 mei 2019 tot en met de onherroepelijke beëindiging van de procedure overeenkomstig de leden 1 tot en met 3 niet worden opgenomen in de berekening van de verjaringstermijn overeenkomstig § 10, lid 1, [BO 1994, in de versie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding]. Salarisaanspraken die betrekking hebben op tijdvakken voor 1 mei 2016 zijn verjaard. Hetzelfde geldt voor de [salarisaanspraken] in procedures op grond van de leden 7 en 8.”
VBO 1995
9 § 18 van de Vertragsbedienstetenordnung (arbeidscontractantenregeling) (LGBl. nr. 50/1995, in de versie die is gepubliceerd in LGBl. nr. 11/2021) (hierna: „VBO 1995”), met als opschrift „Voor de bevordering in aanmerking genomen tijdvakken”, bepaalt in de leden 1, 2 en 5: „(1) §§ 14 en 15 [DO 1994, in de versie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding,] zijn van overeenkomstige toepassing op arbeidscontractanten […]. (2) §§ 15a tot en met 15c [DO 1994, in de versie die is gepubliceerd in LGBl. nr. 38/2023,] en § 49v [DO 1994, in de versie die is gepubliceerd in LGBl. nr. 38/2023,] zijn van overeenkomstige toepassing op arbeidscontractanten, met dien verstande dat 1. voor de vaststelling van de referentiepeildatum de in § 49v, lid 2, punten 1 tot en met 6, [DO 1994, in de versie die is gepubliceerd in LGBl. nr. 38/2023,] vermelde bepalingen van [BO 1994, in de versie die is gepubliceerd in LGBl. nr. 38/2023,] met toepassing van de volgende bepalingen van deze wet moeten worden gebruikt: a) § 18 in de versie van de [tiende wetswijziging, LGBl. nr. 22/2001], en b) § 57 in de oorspronkelijke versie […]; 2. in de plaats van de bij beslissing nieuw vastgestelde anciënniteit de nieuwe vaststelling door de werkgever komt, die aantoonbaar en schriftelijke aan de arbeidscontractanten moet worden meegedeeld; 3. bij de toepassing van § 15a, lid 5, § 15b, lid 5, en § 15c, leden 5 en 6, [DO 1994, in de versie die is gepubliceerd in LGBl. nr. 38/2023,] in de plaats van de onherroepelijke beëindiging van de procedure de mededeling van de werkgever betreffende de nieuwe vaststelling van de anciënniteit (punt 2) komt; 4. de bepalingen van § 15a, leden 7 en 8, [DO 1994, in de versie die is gepubliceerd in LGBl. nr. 38/2023,] in voorkomend geval in samenhang met § 15b, lid 5, laatste volzin, of § 15c, lid 7, [DO 1994, in de versie die is gepubliceerd in LGBl. nr. 38/2023,] worden vervangen door de bepalingen van de leden 3 en 4. […] (5) Wanneer eerdere diensttijdvakken ten onrechte niet in aanmerking zijn genomen, moet de arbeidscontractant dit uiterlijk binnen zes maanden na de dag van de mededeling overeenkomstig lid 2, punt 2, in rechte aanvoeren; anders is een verdere nieuwe vaststelling van de bezoldigingsrechtelijke positie, afgezien van de correctie van kennelijke schrijf- en rekenfouten, uitgesloten. In de mededeling overeenkomstig lid 2, punt 2, moet uitdrukkelijk op dat rechtsgevolg worden gewezen.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
10 Verzoeker is geboren in 1969. Op 1 augustus 2002 heeft de stad Wenen hem aangesteld als arbeidscontractant. Verzoeker oefende sinds zijn 14 jaar tot en met zijn indiensttreding bij de stad Wenen andere professionele activiteiten uit dan die welke hij bij die stad uitoefende.
11 Bij definitief besluit van 16 september 2022 betreffende de herziening van de anciënniteit van de aanvrager in de salarisschaal die van toepassing is op de stad Wenen (hierna: „litigieus besluit”) heeft deze stad verzoeker meegedeeld dat bij de vaststelling van de peildatum voor de overgang naar een hogere salaristrap een totale duur van één jaar en zes maanden in aanmerking moest worden genomen voor de opleidingsperioden of beroepsactiviteiten die verzoeker had vervuld vóór zijn indiensttreding bij die stad (hierna: „eerdere diensttijdvakken”), en dat die datum derhalve werd vastgesteld op 1 februari 2001.
12 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het bestreden besluit gebaseerd was op een regeling van het Land Wien (deelstaat Wenen, Oostenrijk) die vergelijkbaar is met de Oostenrijkse federale regeling, die het Hof heeft onderzocht in het arrest van 20 april 2023, Landespolizeidirektion Niederösterreich en Finanzamt Österreich (C‑650/21, EU:C:2023:300).
13 Krachtens die regelingen werd een ambtenaar ingedeeld op basis van zijn salarisanciënniteit in een oud bezoldigingsstelsel, en werd die salarisanciënniteit vervolgens gecorrigeerd door middel van een „referentiepeildatum”. Bij de berekening van die laatste datum moesten bepaalde nauwkeurig omschreven eerdere diensttijdvakken, waaronder de tijdvakken die relevant werden geacht voor de functie waarvoor de arbeidscontractant was aangeworven, volledig in aanmerking worden genomen. Alle andere in aanmerking komende eerdere diensttijdvakken (hierna: „andere tijdvakken”), met inbegrip van die welke vóór de 18e verjaardag waren vervuld, werden voor de helft in aanmerking genomen, met een maximum van zeven jaar. Daarvan werd forfaitair vier jaar in mindering gebracht.
14 Verzoeker heeft tegen het litigieuze besluit beroep ingesteld bij het Arbeits- und Sozialgericht Wien (rechter voor arbeids- en socialezekerheidszaken Wenen, Oostenrijk), de verwijzende rechter.
15 Tijdens de procedure in het hoofdgeding heeft het Hof in het arrest van 20 april 2023, Landespolizeidirektion Niederösterreich en Finanzamt Österreich (C‑650/21, EU:C:2023:300), in essentie geoordeeld dat de artikelen 1, 2 en 6 van richtlijn 2000/78, gelezen in samenhang met artikel 21 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling waarbij een ambtenaar wordt ingedeeld op basis van zijn salarisanciënniteit in een oud bezoldigingsstelsel dat als discriminerend is aangemerkt en die salarisanciënniteit vervolgens wordt gecorrigeerd door middel van een „referentiepeildatum”, waarbij alle in aanmerking komende „andere tijdvakken”, met inbegrip van de tijdvakken die voor de 18e verjaardag zijn vervuld, maar tot maximum zeven jaar en, voor zover zij langer duren dan vier jaar, voor de helft in aanmerking worden genomen.
16 De verwijzende rechter merkt op dat de deelstaat Wenen bijgevolg in 2023 § 15a DO 1994 en § 49v BO 1994, die krachtens § 18, leden 1 en 2, VBO 1995 (hierna: „regeling van 2023”) van toepassing zijn op arbeidscontractanten, heeft gewijzigd door de bepaling die voorzag in een forfaitaire aftrek van vier jaar voor „andere tijdvakken” te schrappen en het maximum aantal in aanmerking genomen „andere tijdvakken” te verlagen van zeven naar drie jaar, terwijl de regel dat die tijdvakken voor de helft in aanmerking worden genomen, is gehandhaafd.
17 Met betrekking tot deze regeling van 2023 betoogt verzoeker bij de verwijzende rechter dat § 49v, lid 3, punt 3, BO 1994 een discriminatie op grond van leeftijd inhoudt, aangezien die bepaling tot gevolg heeft dat bij werknemers die vóór de leeftijd van 18 jaar „andere tijdvakken” hebben vervuld, slechts in beperkte mate rekening wordt gehouden met die tijdvakken, terwijl deze volledig in aanmerking worden genomen bij werknemers die dergelijke tijdvakken na de leeftijd van 18 jaar hebben vervuld. Hij verzoekt derhalve dat zijn eerdere diensttijdvakken volledig in aanmerking worden genomen, waardoor zijn totale anciënniteit op 31 juli 2015 voor de toepassing van het bezoldigingsstelsel van de stad Wenen wordt vastgesteld op tweeëndertig jaar, vijf maanden en drie dagen, en hij bijgevolg met ingang van 1 mei 2016 in hogere salaristrappen kan worden ingedeeld.
18 Gelet op de wijzigingen die bij de regeling van 2023 zijn aangebracht en op het betoog van verzoeker, vraagt de verwijzende rechter zich af of de artikelen 1, 2 en 6 van richtlijn 2000/78, gelezen in samenhang met artikel 21 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ook verzetten tegen de regeling van 2023, op grond waarvan de eerdere diensttijdvakken die vóór de leeftijd van 18 jaar zijn vervuld slechts voor de helft in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de anciënniteit.
19 Daarop heeft het Arbeits- und Sozialgericht Wien de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet het Unierecht, in het bijzonder de artikelen 1, 2 en 6 van richtlijn 2000/78, gelezen in samenhang met artikel 21 van het [Handvest], aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling (in het bijzonder § 49v, lid 3, punt 3, [BO 1994 in de versie die is gepubliceerd in LGBl. nr. 38/2023]) waarbij, om een bestaande discriminatie op grond van leeftijd op te heffen (zie met name met betrekking tot de gelijkluidende voorgaande federale bepaling arrest van 8 mei 2019, Leitner, C‑396/17,EU:C:2019:375), een regeling is vastgesteld waarbij eerdere diensttijdvakken vóór de leeftijd van 18 jaar weliswaar in aanmerking worden genomen maar daarna slechts voor de helft meetellen bij de berekening van de eerdere diensttijdvakken en voor de compensatie van de discriminatie op grond van leeftijd, hoewel het volledig neutraliseren van de eerdere diensttijdvakken door middel van een forfaitaire aftrek weer is geschrapt?”
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
20 De Oostenrijkse regering betwist de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing op grond dat dit verzoek niet voldoet aan de vereisten van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. In het bijzonder heeft de verwijzende rechter om te beginnen de omstandigheden van het hoofdgeding slechts beknopt en onvolledig uiteengezet, vervolgens heeft hij zich beperkt tot het noemen van een aantal bepalingen van nationaal recht, zonder evenwel de context ervan te schetsen, en tot slot heeft hij onvoldoende toegelicht welke twijfels hij had over de uitlegging van de bepalingen van het Unierecht waarop de prejudiciële vraag betrekking heeft.
21 Luidens artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering bevat ieder verzoek om een prejudiciële beslissing „een summier overzicht van het voorwerp van het geschil en de relevante feiten zoals die door de verwijzende rechter zijn vastgesteld, althans, ten minste een uiteenzetting van de feitelijke gegevens waarop de vragen berusten”, „de inhoud van de nationale bepalingen die op de zaak van toepassing kunnen zijn en, in voorkomend geval, de relevante nationale rechtspraak”, en „de uiteenzetting van de redenen die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht om zich over de uitlegging of de geldigheid van bepalingen van het recht van de Unie vragen te stellen, alsook het verband tussen die bepalingen en de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wettelijke regeling”.
22 In casu is het feitelijke en juridische kader van het hoofdgeding in de verwijzingsbeslissing voldoende omschreven om te voldoen aan die vereisten en worden de redenen uiteengezet die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht om zich vragen te stellen over de uitlegging van de bepalingen van het Unierecht waarop de prejudiciële vraag betrekking heeft. Om te beginnen bevat dat verzoek namelijk de inhoud van de nationale bepalingen die van toepassing kunnen zijn in de onderhavige zaak. Verder is de door de verwijzende rechter gegeven beschrijving van de omstandigheden van het hoofdgeding en van de wijziging van de toepasselijke nationale regeling voldoende om de redenen te begrijpen voor de keuze van de bepalingen van het Unierecht waarvan hij om uitlegging verzoekt. Tot slot heeft de verwijzende rechter duidelijk gemaakt welk verband hij legt tussen die bepalingen en de nationale wettelijke regeling die van toepassing is op het bij hem aanhangige geding.
23 Bijgevolg is het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.
Beantwoording van de prejudiciële vraag
24 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 1, 2 en 6 van richtlijn 2000/78, gelezen in samenhang met artikel 21 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een arbeidscontractant wordt ingedeeld op basis van zijn salarisanciënniteit in het bezoldigingsstelsel, wanneer die anciënniteit, om een einde te maken aan een bestaande discriminatie op grond van leeftijd, aldus wordt vastgesteld dat bepaalde in aanmerking komende tijdvakken die voorafgingen aan de aanwerving van die arbeidscontractant en vóór zijn 18e verjaardag zijn vervuld, voor de helft en met een maximum van drie jaar in aanmerking worden genomen.
25 Vooraf zij opgemerkt dat vaststaat dat de deelstaat Wenen de regelingen die voor de stad Wenen golden vóór de thans op het hoofdgeding van toepassing zijnde regeling van 2023 in overeenstemming heeft gebracht met de federale Oostenrijkse wettelijke regelingen die met name aan de orde waren in de arresten van 18 juni 2009, Hütter (C‑88/08, EU:C:2009:381), 11 november 2014, Schmitzer (C‑530/13, EU:C:2014:2359), 8 mei 2019, Österreichischer Gewerkschaftsbund (C‑24/17, EU:C:2019:373) en Leitner (C‑396/17, EU:C:2019:375), en 20 april 2023, Landespolizeidirektion Niederösterreich en Finanzamt Österreich (C‑650/21, EU:C:2023:300).
26 Zij er tevens aan herinnerd dat de Oostenrijkse federale regeling die van toepassing was op de datum waarop verzoeker door de stad Wenen is aangeworven, uitsloot dat de vóór de leeftijd van 18 jaar verworven beroepservaring in aanmerking werd genomen voor de indeling in salaristrappen van arbeidscontractanten van de Oostenrijkse overheid.
27 In het arrest van 18 juni 2009, Hütter (C‑88/08, EU:C:2009:381), heeft het Hof in wezen voor recht verklaard dat de artikelen 1, 2 en 6 van richtlijn 2000/78 zich verzetten tegen een nationale regeling die uitsluit dat vóór de voltooiing van het 18e levensjaar vervulde tijdvakken van arbeid in aanmerking worden genomen voor de vaststelling van de salaristrap waarin arbeidscontractanten in overheidsdienst van een lidstaat worden geplaatst. In het arrest van 11 november 2014, Schmitzer (C‑530/13, EU:C:2014:2359), heeft het Hof gepreciseerd dat deze bepalingen zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan, om een einde te maken aan discriminatie op grond van leeftijd, rekening wordt gehouden met van vóór de leeftijd van 18 jaar daterende opleidings- en diensttijdvakken maar tegelijkertijd voor de door die discriminatie getroffen ambtenaren de wachttijd voor overgang van de eerste naar de tweede salaristrap van iedere tewerkstellingsgroep en iedere bezoldigingsgroep wordt verlengd met drie jaar.
28 Bijgevolg is de Oostenrijkse federale ambtenarenregeling in 2015 gewijzigd waarbij de arbeidscontractanten die werden aangeworven onder de regeling die voorafging aan deze wijziging zijn overgeplaatst naar een nieuwe regeling die berust op de anciënniteit in de salarisschaal. Na deze wijziging vindt de eerste indeling van die arbeidscontractanten plaats op basis van het overeenkomstig de oude regeling ontvangen laatste salaris.
29 In de arresten van 8 mei 2019, Österreichischer Gewerkschaftsbund (C‑24/17, EU:C:2019:373) en Leitner (C‑396/17, EU:C:2019:375), heeft het Hof met name voor recht verklaard dat de artikelen 1, 2 en 6 van richtlijn 2000/78, gelezen in samenhang met artikel 21 van het Handvest, in de weg staan aan een met terugwerkende kracht in werking tredende nationale regeling die, om een einde te maken aan discriminatie op grond van leeftijd, voorziet in een overgang van de reeds aangestelde arbeidscontractanten naar een nieuwe bezoldigingsregeling waarbij de eerste indeling van die arbeidscontractanten plaatsvindt op basis van het overeenkomstig de oude regeling ontvangen laatste salaris.
30 Als gevolg van die arresten is de Oostenrijkse federale ambtenarenregeling in die zin gewijzigd dat de indeling van de onder de oude regeling aangeworven arbeidscontractanten moest worden herzien via de vaststelling van een „referentiepeildatum” die rekening houdt met de eerdere diensttijdvakken die arbeidscontractanten hebben vervuld vóór hun 18e verjaardag. De „andere tijdvakken” konden echter slechts voor de helft in aanmerking worden genomen en tot maximum zeven jaar, waarvan vier jaar forfaitair in mindering werden gebracht.
31 Dienaangaande heeft het Hof, zoals in punt 15 van het onderhavige arrest is opgemerkt, in het arrest van 20 april 2023, Landespolizeidirektion Niederösterreich en Finanzamt Österreich (C‑650/21, EU:C:2023:300), in essentie geoordeeld dat de artikelen 1, 2 en 6 van richtlijn 2000/78, gelezen in samenhang met artikel 21 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling waarbij een ambtenaar wordt ingedeeld op basis van zijn salarisanciënniteit in een oud bezoldigingsstelsel dat als discriminerend is aangemerkt en die anciënniteit vervolgens wordt gecorrigeerd door middel van een „referentiepeildatum”, waarbij alle in aanmerking komende „andere tijdvakken”, met inbegrip van de tijdvakken die voor de 18e verjaardag zijn vervuld, voor de helft in aanmerking worden genomen maar met een maximum van zeven jaar en slechts voor zover zij langer duren dan vier jaar.
32 In casu dient dan ook te worden nagegaan of de bij de regeling van 2023 aangebrachte wijzigingen daadwerkelijk en definitief een einde hebben gemaakt aan de discriminatie op grond van leeftijd die het Hof laatstelijk heeft vastgesteld in het arrest van 20 april 2023, Landespolizeidirektion Niederösterreich en Finanzamt Österreich (C‑650/21, EU:C:2023:300).
33 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 21 van het Handvest elke discriminatie op grond van onder meer leeftijd verbiedt en dat dit verbod door richtlijn 2000/78 is geconcretiseerd op het gebied van arbeid en beroep (arrest van 20 april 2023, Landespolizeidirektion Niederösterreich en Finanzamt Österreich, C‑650/21, EU:C:2023:300, punt 45).
34 Derhalve moet worden onderzocht of de regeling van 2023 een verschil in behandeling oplevert in de zin van artikel 2, lid 1, van richtlijn 2000/78.
35 Volgens deze bepaling moet onder het „beginsel van gelijke behandeling” de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op basis van een van de in artikel 1 van richtlijn 2000/78 genoemde gronden worden verstaan. Volgens artikel 2, lid 2, onder a), van deze richtlijn is er voor de toepassing van lid 1 sprake van directe discriminatie wanneer iemand op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie.
36 In de onderhavige zaak zijn de voor deze vergelijking relevante categorieën personen enerzijds de arbeidscontractanten die in aanmerking komende eerdere diensttijdvakken die hun indiensttreding voorafgingen, op zijn minst gedeeltelijk vóór de leeftijd van 18 jaar hebben vervuld, en anderzijds de arbeidscontractanten die dergelijke tijdvakken van een vergelijkbare duur hebben vervuld na het bereiken van die leeftijd.
37 Dienaangaande wordt in de eerste plaats, zoals de stad Wenen, de Oostenrijkse regering en de Europese Commissie stellen, volgens § 49v BO 1994, in de versie die is gepubliceerd in LGBl. nr. 38/2023, voor de vaststelling van de anciënniteit rekening gehouden met de in aanmerking komende tijdvakken, ongeacht of deze vóór of na de 18e verjaardag van de betrokken arbeidscontractant zijn vervuld.
38 In de tweede plaats blijkt uit de door de verwijzende rechter gegeven uiteenzetting van de regeling van de deelstaat Wenen, die van toepassing is op arbeidscontractanten van de stad Wenen, dat bepaalde nauwkeurig omschreven eerdere diensttijdvakken, waaronder de tijdvakken die relevant werden geacht voor de functie waarvoor de arbeidscontractant is aangeworven, volledig in aanmerking worden genomen, terwijl „andere tijdvakken” slechts voor de helft en tot maximum drie jaar in aanmerking worden genomen.
39 In dit verband zij eraan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak de werkgever vrijstaat om enkel rekening te houden met de op het betrokken gebied verworven ervaring die de werknemer in staat stelt zijn werkzaamheden beter te verrichten (arrest van 14 maart 2018, Stollwitzer, C‑482/16, EU:C:2018:180, punt 39). Hieruit volgt dat het Unierecht niet vereist dat alle „andere tijdvakken” in aanmerking worden genomen die volgens de stad Wenen en de Oostenrijkse regering enkel om zuiver sociale overwegingen binnen de gestelde grenzen bij de berekening van de anciënniteit worden meegeteld.
40 Bijgevolg kan het feit dat die „andere tijdvakken” slechts voor de helft en tot maximum drie jaar in aanmerking worden genomen, op zich geen discriminatie op grond van leeftijd vormen. Het gaat daarbij immers om de bij andere ondernemingen verworven ervaring die niet in aanmerking wordt genomen, los van de leeftijd waarop die is verworven of waarop de betrokken werknemer is aangesteld (arrest van 14 maart 2018, Stollwitzer, C‑482/16, EU:C:2018:180, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In casu kan uit geen enkel element van het dossier waarover het Hof beschikt worden afgeleid dat het onderscheid dat in de op arbeidscontractanten van de stad Wenen toepasselijke regeling van de deelstaat Wenen wordt gemaakt tussen nauwkeurig omschreven eerdere diensttijdvakken, waaronder de tijdvakken die relevant worden geacht voor de functie waarvoor de arbeidscontractant is aangeworven, en „andere tijdvakken”, op enigerlei wijze op de leeftijd van de betrokkene is gebaseerd.
41 In de derde plaats vloeide het voortduren van de discriminatie op grond van leeftijd die het Hof heeft vastgesteld in de punten 64 tot en met 66 van het arrest van 20 april 2023, Landespolizeidirektion Niederösterreich en Finanzamt Österreich (C‑650/21, EU:C:2023:300), specifiek voort uit de forfaitaire aftrek van de eerste vier jaar vóór de aanwerving verworven beroepservaring, die in de praktijk belette dat personen die dergelijke ervaring voornamelijk tussen hun 14e en 18e verjaardag hadden opgedaan, aanspraak konden maken op de inaanmerkingneming van die ervaring, aangezien de arbeidsminimumleeftijd 14 jaar is. Doordat die forfaitaire aftrek bij de regeling van 2023 is geschrapt, kan die ervaring voortaan op dezelfde wijze in aanmerking worden genomen als de ervaring die deze personen ná hun 18e verjaardag hebben verworven. Wat de „andere tijdvakken” betreft, deze worden voor de helft in aanmerking genomen, met een maximum van drie jaar.
42 In het bijzonder houdt de door de regeling van 2023 vastgestelde verlaging tot drie jaar van de bovengrens van zeven jaar waarin de regeling van 2019 voorzag, de eerder vastgestelde discriminatie niet in stand, en levert zij evenmin een nieuwe indirecte discriminatie op grond van leeftijd op, aangezien dit nieuwe maximum van toepassing is ongeacht de leeftijd waarop de ervaring is opgedaan.
43 In de vierde plaats volgt uit de door de verwijzende rechter verstrekte uiteenzetting van de regeling van 2023 dat de anciënniteit in de voor de stad Wenen geldende salarisschaal in essentie wordt vastgesteld in twee stappen.
44 Eerst wordt overeenkomstig § 15a, leden 1, 4 en 5 DO 1994, in de versie gepubliceerd in LGBl. nr. 38/2023, die krachtens § 18, leden 1 en 2, VBO 1995 van toepassing is op arbeidscontractanten, de anciënniteit in de salarisschaal in aanmerking genomen zoals die voortvloeit uit de overgang van de arbeidscontractant naar het bezoldigingsstelsel waarin de wet van 2015 tot wijziging van het ambtenarenrecht voorzag, waarin geen rekening werd gehouden met de vóór de 18e verjaardag van de arbeidscontractant opgedane ervaring.
45 Vervolgens wordt de aldus bepaalde anciënniteit gecorrigeerd teneinde rekening te houden met het verschil tussen de peildatum voor de overgang naar een hogere salaristrap op grond van de regeling die gold vóór de wet van 2015 tot wijziging van het ambtenarenrecht en de „referentiepeildatum”. Deze laatste datum wordt vastgesteld overeenkomstig de voorschriften van § 49v BO 1994, in de versie die is gepubliceerd in LGBl. nr. 38/2023, waarbij rekening wordt gehouden met de in aanmerking komende eerdere diensttijdvakken die de arbeidscontractant na de leeftijd van 14 jaar heeft vervuld, zodat ook „andere tijdvakken” in aanmerking kunnen worden genomen wanneer deze zijn vervuld vóór de 18e verjaardag van de arbeidscontractant. Indien de aldus bepaalde „referentiepeildatum” voorafgaat aan de oorspronkelijk genomen peildatum voor de overgang naar een hogere salaristrap, wordt de anciënniteit van de contractant met dat verschil verhoogd.
46 Hieruit volgt dat de overname van de anciënniteit in de salarisschaal, zoals die voortvloeit uit de overgang van de arbeidscontractant naar het bezoldigingsstelsel waarin de wet van 2015 tot wijziging van het ambtenarenrecht voorzag, mogelijkerwijs weliswaar de discriminerende gevolgen van de vóór die wet geldende regeling in stand houdt, aangezien bij de vaststelling ervan geen rekening werd gehouden met de ervaring die vóór de 18e verjaardag van de arbeidscontractant was verworvenn, maar dat, onder voorbehoud van verificatie hiervan door de verwijzende rechter, de correctie aan de hand van de „referentiepeildatum” het voortaan mogelijk maakt om rekening te houden met de in aanmerking komende tijdvakken die vóór de 18e verjaardag van de arbeidscontractant zijn vervuld (zie naar analogie arrest van 20 april 2023, Landespolizeidirektion Niederösterreich en Finanzamt Österreich, C‑650/21, EU:C:2023:300, punten 55‑59).
47 In die omstandigheden blijkt niet dat de arbeidscontractanten die vóór hun 18e verjaardag eerdere diensttijdvakken hebben vervuld, minder gunstig worden behandeld dan arbeidscontractanten die dergelijke soortgelijke tijdvakken van vergelijkbare duur hebben vervuld na de leeftijd van 18 jaar.
48 In de vijfde en laatste plaats betekent het enkele feit dat de regeling van 2023 bij de vaststelling van de peildatum in de voor de stad Wenen geldende salarisschaal niet tot een overgang naar een hogere salaristrap voor de betrokken arbeidscontractant heeft geleid, niet dat deze regeling directe of indirecte discriminatie op grond van leeftijd invoert of in stand houdt.
49 Het ontbreken van een dergelijke overgang naar een hogere salaristrap vloeit namelijk niet voort uit het feit dat een deel van de aan de aanwerving voorafgaande „andere tijdvakken” vóór de 18e verjaardag van verzoeker vervuld is, maar uit het feit dat, zoals de stad Wenen en de Oostenrijkse regering aanvoeren, de duur van deze „andere tijdvakken” reeds het maximum van drie jaar van de voor de helft in aanmerking te nemen tijdvakken had bereikt.
50 Tevens zij erop gewezen dat, voor zover verzoeker in zijn opmerkingen betoogt dat bij personen die vóór 6 april 2001 zijn aangeworven de helft van alle eerdere ervaring die tot de „andere tijdvakken” behoort in aanmerking wordt genomen, zonder dat een maximum wordt toegepast, dit verschil in behandeling ten opzichte van personen die na die datum zijn aangeworven, gesteld al dat het zou vaststaan, voortvloeit uit de datum van aanwerving van de betrokken arbeidscontractanten. Het hangt namelijk van deze datum af of de oude of nieuwe regels ter bepaling van de anciënniteit van toepassing zijn. Een dergelijk criterium, dat is gebaseerd op een objectief en neutraal gegeven, namelijk de aanwervingsdatum, houdt derhalve kennelijk geen enkel verband met het in aanmerking nemen van de leeftijd van de aangestelde personen (zie in die zin arrest van 14 februari 2019, Horgan en Keegan, C‑154/18, EU:C:2019:113, punten 24 en 25). Een op een referentiedatum gebaseerde regel kan derhalve geen discriminatie op grond van leeftijd vormen, aangezien het enige relevante criterium voor de toepassing ervan is of de arbeidscontractant vóór of na deze datum is aangeworven.
51 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat de artikelen 1, 2 en 6 van richtlijn 2000/78, gelezen in samenhang met artikel 21 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een arbeidscontractant wordt ingedeeld op basis van zijn salarisanciënniteit in het bezoldigingsstelsel, wanneer die anciënniteit, om een einde te maken aan een bestaande discriminatie op grond van leeftijd, aldus wordt vastgesteld dat bepaalde in aanmerking komende tijdvakken die voorafgingen aan de aanwerving van die arbeidscontractant en vóór zijn 18e verjaardag zijn vervuld, voor de helft en met een maximum van drie jaar in aanmerking worden genomen, aangezien dit maximum van toepassing is ongeacht de leeftijd waarop de ervaring is verworven.
Kosten
52 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:
De artikelen 1, 2 en 6 van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, gelezen in samenhang met artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een arbeidscontractant wordt ingedeeld op basis van zijn salarisanciënniteit in het bezoldigingsstelsel, wanneer die anciënniteit, om een einde te maken aan een bestaande discriminatie op grond van leeftijd, aldus wordt vastgesteld dat bepaalde in aanmerking komende tijdvakken die voorafgingen aan de aanwerving van die arbeidscontractant en vóór zijn 18e verjaardag zijn vervuld, voor de helft en met een maximum van drie jaar in aanmerking worden genomen, aangezien dit maximum van toepassing is ongeacht de leeftijd waarop de ervaring is verworven.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 20 april 2023, C-650/21, ECLI:EU:C:2023:300
- HvJ EU 8 mei 2019, C-24/17, ECLI:EU:C:2019:373
- HvJ EU 8 mei 2019, C-396/17, ECLI:EU:C:2019:375
- HvJ EU 14 februari 2019, C-154/18, ECLI:EU:C:2019:113
- HvJ EU 14 maart 2018, C-482/16, ECLI:EU:C:2018:180
- HvJ EU 11 november 2014, C-530/13, ECLI:EU:C:2014:2359
- HvJ EU 18 juni 2009, C-88/08, ECLI:EU:C:2009:381