HvJ EU 5 maart 2026, C-10/25, ECLI:EU:C:2026:156

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)

5 maart 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Elektronische-communicatienetwerken en -diensten – Richtlijn 2002/20/EG – Artikel 13 – Vergoedingen voor de gebruiksrechten voor digitale televisiefrequenties – Richtlijn 2002/21/EG – Artikel 8 – Algemene doelstellingen – Evenredigheid – Criterium voor de beoordeling van de vergoedingen dat verband houdt met de inning van een vooraf vastgesteld bedrag aan jaarlijkse inkomsten met een doelstelling van financiële aard”

In zaak C‑10/25,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio (bestuursrechter in eerste aanleg Latium, Italië) bij beslissing van 23 december 2024, ingekomen bij het Hof op 9 januari 2025, in de procedure

Elettronica Industriale SpA

tegen

Ministero delle Imprese e del Made in Italy,

in tegenwoordigheid van:

Persidera SpA,

wijst

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: O. Spineanu-Matei, kamerpresident, C. Lycourgos (rapporteur), president van de Derde kamer, waarnemend rechter van de Achtste kamer, en S. Rodin, rechter,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Elettronica Industriale SpA, vertegenwoordigd door D. Franzini, M. Molino en G. Rossi, avvocati,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino als gemachtigde, bijgestaan door E. De Bonis en F. Montanaro, avvocati dello Stato,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Conte en O. Gariazzo als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13 van richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en ‑diensten (machtigingsrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 21), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 (PB 2009, L 337, blz. 37) (hierna: „machtigingsrichtlijn”), artikel 8 van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 33), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140 (hierna: „kaderrichtlijn”), en het evenredigheidsbeginsel.

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Elettronica Industriale SpA en de Ministero delle Imprese e del Made in Italy (ministerie van het Bedrijfsleven en van Made in Italy, Italië) over de geldigheid van twee besluiten van dat ministerie tot vaststelling van de vergoedingen voor de gebruiksrechten voor digitale televisiefrequenties voor de jaren 2014, 2015 en 2016 (eerste besluit) voor het jaar 2017 (tweede besluit).

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Machtigingsrichtlijn

3 In overweging 32 van de machtigingsrichtlijn stond het volgende te lezen: „Naast administratieve bijdragen kan voor het gebruik van radiofrequenties en nummers een vergoeding worden ingesteld, als middel om een optimaal gebruik van deze goederen te waarborgen. Dergelijke vergoedingen mogen geen belemmering vormen voor de ontwikkeling van innovatieve diensten en concurrentie in de markt. Deze richtlijn laat het doel waarvoor de vergoedingen voor het gebruiksrecht worden aangewend, onverlet. Dergelijke vergoedingen kunnen bijvoorbeeld worden gebruikt ter financiering van de werkzaamheden van de nationale regelgevende instanties die niet voldoende uit de administratieve bijdragen kunnen worden gefinancierd. […]”

4 Artikel 1, lid 1, van deze richtlijn luidde: „Deze richtlijn heeft tot doel door middel van harmonisatie en vereenvoudiging van de regels en voorwaarden inzake machtigingen, een interne markt voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten te realiseren teneinde het aanbieden ervan in de Gemeenschap te vergemakkelijken.”

5 In artikel 2, lid 2, van die richtlijn, werd „algemene machtiging” gedefinieerd als „regelgeving door de lidstaten waarbij rechten worden verleend voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten en specifieke sectorgebonden verplichtingen worden vastgesteld die overeenkomstig de richtlijn kunnen gelden voor alle of voor specifieke soorten elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, overeenkomstig [de machtigingsrichtlijn]”.

6 Artikel 13 van die richtlijn, met als opschrift „Vergoedingen voor gebruiksrechten en rechten om faciliteiten te installeren”, luidde als volgt: „De lidstaten kunnen de betrokken instantie toestaan de gebruiksrechten voor radiofrequenties of nummers of rechten om faciliteiten te installeren op, boven of onder openbare of particuliere eigendom, te onderwerpen aan vergoedingen die ten doel hebben een optimaal gebruik van deze middelen te waarborgen. De lidstaten zorgen ervoor dat deze vergoedingen objectief gerechtvaardigd, transparant en niet-discriminerend zijn en in verhouding staan tot het beoogde doel en zij houden rekening met de doelstellingen van artikel 8 van [de kaderrichtlijn].”

Kaderrichtlijn

7 Artikel 8 van de kaderrichtlijn, met als opschrift „Beleidsdoelstellingen en regelgevingsbeginselen”, bepaalde: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties bij de uitvoering van de in deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen omschreven regelgevende taken alle redelijke maatregelen treffen die gericht zijn op de verwezenlijking van de in de leden 2, 3 en 4 genoemde doelstellingen. Die maatregelen dienen in evenredigheid te zijn met die doelstellingen. […] 2. De nationale regelgevende instanties bevorderen de concurrentie bij de levering van elektronische-communicatienetwerken en -diensten en de bijbehorende faciliteiten en diensten, onder meer op de volgende wijze: a) zij zorgen ervoor dat de gebruikers, met inbegrip van gebruikers met een handicap, oudere gebruikers en gebruikers met speciale sociale behoeften optimaal profiteren wat betreft keuze, prijs en kwaliteit; b) zij zorgen ervoor dat er in de sector elektronische communicatie geen verstoring of beperking van de mededinging is, met inbegrip van de doorgifte van inhoud; […] d) zij bevorderen efficiënt gebruik en zorgen voor een efficiënt beheer van de radiofrequenties en de nummervoorraad. 3. De nationale regelgevende instanties dragen bij aan de ontwikkeling van de interne markt, onder meer op de volgende wijze: a) zij heffen resterende belemmeringen op voor het aanbieden van elektronische-communicatienetwerken, bijbehorende faciliteiten en diensten en elektronische-communicatiediensten op Europees niveau; b) zij moedigen het opzetten en ontwikkelen van trans-Europese netwerken en de interoperabiliteit van pan-Europese diensten aan en eind-tot-eind connectiviteit; […]”

Italiaans recht

8 Artikel 35 van decreto legislativo n. 259 – Codice delle comunicazioni elettroniche (wetsbesluit nr. 259 tot vaststelling van het wetboek inzake elektronische communicatie) van 1 augustus 2003 (GURI nr. 214 van 15 september 2003, gewoon supplement nr. 150), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, had betrekking op de vergoedingen voor de verlening van gebruiksrechten en rechten om faciliteiten te installeren, en bepaalde, kort gezegd, dat de vergoedingen voor de verlening van rechten voor het gebruik van radiofrequenties of nummers door de Ministero dello Sviluppo Economico (ministerie van Economische Ontwikkeling, Italië), thans het ministerie van het Bedrijfsleven en van Made in Italy, worden vastgesteld op basis van criteria die zijn vastgelegd door de Autorità per le Garanzie nelle Comunicazioni (regelgevende instantie voor de communicatiesector, Italië) en dat de vergoedingen transparant en objectief gerechtvaardigd zijn, in verhouding staan tot het beoogde doel en niet-discriminerend zijn, en rekening houden met de doelstellingen van artikel 13 van de machtigingsrichtlijn.

9 Artikel 1, leden 172 tot en met 174, van legge n. 208 – Disposizioni per la formazione del bilancio annuale e pluriennale dello Stato (legge di stabilità 2016) [wet nr. 208 houdende bepalingen voor de opstelling van de jaar- en meerjarenbegroting van de staat (stabiliteitswet 2016)] van 28 december 2015 (GURI nr. 302 van 30 december 2015, gewoon supplement nr. 70; hierna: „wet nr. 208/2015”) bepaalt: „172. De hoogte van de vergoedingen voor de gebruiksrechten voor digitale televisiefrequenties die verschuldigd zijn door nationale of lokale netwerkexploitanten wordt bij besluit van het ministerie van Economische Ontwikkeling […] in verhouding tot het nagestreefde doel en op transparante, niet-discriminerende en objectieve wijze vastgesteld op basis van de geografische omvang van de machtiging en de marktwaarde van de frequenties, waarbij rekening wordt gehouden met beloningsmechanismen die gericht zijn op de vrijgave van transmissiecapaciteit voor mededingingsdoeleinden en het gebruik van innovatieve technologieën. […]” 173. De in lid 172 bedoelde vergoedingsregeling is ook van toepassing op de jaren waarvoor de verschuldigde vergoedingen niet zijn vastgesteld. 174. De in lid 172 bedoelde vergoedingen en de administratieve bijdragen voor nationale en lokale exploitanten met een algemene machtiging voor de activiteit van exploitant van een televisienetwerk met digitale terrestrische technologie en voor het gebruik van radiofrequenties voor straalverbindingen […] dienen jaarlijks ten minste 32,8 miljoen EUR aan inkomsten voor de staatsbegroting op te brengen.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

10 Elettronica Industriale, een Italiaanse exploitant van een telecommunicatienetwerk, heeft bij de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio (bestuursrechter in eerste aanleg Latium, Italië), de verwijzende rechter, een beroep ingesteld tot nietigverklaring van de besluiten van het ministerie van het Bedrijfsleven en van Made in Italy van 4 augustus 2016 en 13 april 2017 tot vaststelling van de vergoedingen voor de gebruiksrechten voor digitale televisiefrequenties, voor de jaren 2014, 2015 en 2016 (eerste besluit) en voor het jaar 2017 (tweede besluit). Deze besluiten zijn vastgesteld op grond van de bepalingen van wet nr. 208/2015. Volgens die exploitant zijn die besluiten niet in overeenstemming met de vereisten die met name uit de machtigingsrichtlijn voortvloeien.

11 Die rechter stelt om te beginnen vast dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde besluiten uitvoering geven aan de in artikel 1, lid 172, van wet nr. 208/2015 genoemde doelstelling om de markttoetreding van nieuwe exploitanten en de mededinging te bevorderen door de vergoedingen voor de gebruiksrechten voor digitale televisiefrequenties te berekenen op basis van de geografische omvang van de machtiging en de marktwaarde van de frequenties, waarbij rekening wordt gehouden met beloningsmechanismen die gericht zijn op de vrijgave van transmissiecapaciteit voor mededingingsdoeleinden en het gebruik van innovatieve technologieën. In dat verband voorzien die besluiten in een variabel percentage van korting op de vergoeding voor netwerkexploitanten die niet verticaal geïntegreerd zijn of die in het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de vergoeding betrekking heeft hun transmissiecapaciteit hebben overgedragen aan derden die niet tot dezelfde ondernemersgroep behoren.

12 Die besluiten zijn aldus gerechtvaardigd in het licht van de vereisten van de machtigingsrichtlijn en de kaderrichtlijn, aangezien zij met name in overeenstemming zijn met de doelstellingen van artikel 8, lid 2, onder b), van die laatste richtlijn.

13 Volgens de verwijzende rechter kan artikel 1, lid 174, van wet nr. 208/2015, voor zover daarin is bepaald dat die vergoedingen „jaarlijks ten minste 32,8 miljoen EUR aan inkomsten voor de staatsbegroting [dienen] op te brengen”, echter worden geacht in strijd te zijn met deze richtlijnen en het evenredigheidsbeginsel, zoals uitgelegd door het Hof.

14 Deze bepaling verplicht de sectorale autoriteiten namelijk om door de inning van vergoedingen voor de gebruiksrechten voor digitale televisiefrequenties bepaalde jaarlijks inkomsten te genereren om doeleinden van financiële aard te bereiken, zonder te voorzien in een verplichting om deze inkomsten te gebruiken om de doelstellingen van de Uniewetgeving te verwezenlijken. Die bepaling kan dus worden geacht te voorzien in vergoedingen voor het aanbieden van „andere” elektronische-communicatienetwerken en -diensten dan die bedoeld in artikel 13 van de machtigingsrichtlijn, wat dit artikel juist beoogt te verhinderen.

15 De verwijzende rechter is van oordeel dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde besluiten op willekeurige wijze en zonder rechtvaardiging een vergoeding vaststellen waarvan de hoogte zodanig is bepaald dat daarmee de vooraf bij wet vastgestelde financiële inkomsten kunnen worden geïnd. Zo heeft de Italiaanse wetgever ex ante een bepaald economisch resultaat vastgesteld dat met de aan de exploitanten van digitale televisie opgelegde vergoedingen moet worden bereikt, zonder te voorzien in een mechanisme om ex post na te gaan of de door de machtigingsrichtlijn en de kaderrichtlijn nagestreefde doelstellingen zijn bereikt.

16 Bovendien twijfelt deze rechter of de naleving van het evenredigheidsbeginsel, zoals artikel 13 van de machtigingsrichtlijn vereist, kan worden getoetst aangezien de referentieparameter niet bestaat in het bedrag van de aan elke exploitant opgelegde vergoeding, maar in het vooraf in de nationale regeling vastgestelde jaarlijkse totaalbedrag dat door al deze vergoedingen samen moet worden gegenereerd.

17 In die omstandigheden heeft de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld: „Staan artikel 13 van [de machtigingsrichtlijn], gelezen in samenhang met artikel 8 van [de kaderrichtlijn], alsmede het [Unierechtelijke] evenredigheidsbeginsel eraan in de weg dat de wetgever van een lidstaat een criterium invoert voor de berekening van ‚vergoedingen voor de verlening van gebruiksrechten en rechten om faciliteiten te installeren’ dat gekoppeld is aan de inning van een bepaald totaalbedrag aan belastinginkomsten, en dus aan algemene doelstellingen van overheidsfinanciën, door deze vergoedingen van de exploitanten te heffen, zonder rekening te houden met het belang bij een goede werking van de markt voor elektronische communicatie en de bescherming van gebruikers, en moet een dergelijke bepaling door de nationale rechter buiten toepassing worden gelaten?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

18 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 13 van de machtigingsrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 8 van de kaderrichtlijn, en het evenredigheidsbeginsel aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die voorziet in een criterium voor de berekening van de vergoedingen voor gebruiksrechten voor digitale televisiefrequenties, dat wordt vastgesteld op basis van een vooraf bepaald bedrag aan jaarlijkse inkomsten die afkomstig moeten zijn van deze vergoedingen, en dus van algemene doelstellingen van financiële aard.

19 Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, wenst de verwijzende rechter te vernemen, of hij die nationale regeling buiten toepassing moet laten.

20 De machtigingsrichtlijn heeft volgens artikel 1 tot doel om door middel van harmonisatie en vereenvoudiging van de regels en voorwaarden inzake machtigingen, een interne markt voor elektronische-communicatienetwerken en ‑diensten te realiseren teneinde het aanbieden ervan in de Europese Unie te vergemakkelijken.

21 Daartoe stelt deze richtlijn niet enkel regels vast betreffende de procedures voor het verlenen van algemene machtigingen of gebruiksrechten voor radiofrequenties of nummers en betreffende de inhoud van deze machtigingen, maar ook regels met betrekking tot de aard en omvang van de financiële lasten die de lidstaten in verband met deze procedures kunnen opleggen aan ondernemingen in de sector elektronische-communicatiediensten (arresten van 4 september 2014, Belgacom en Mobistar, C‑256/13 en C‑264/13, EU:C:2014:2149, punt 29, en 6 oktober 2020, Vodafone España, C‑443/19, EU:C:2020:798, punt 29).

22 In het bijzonder kunnen de lidstaten overeenkomstig artikel 13 van die richtlijn, met als opschrift „Vergoedingen voor gebruiksrechten en rechten om faciliteiten te installeren”, de betrokken instantie toestaan de gebruiksrechten voor radiofrequenties of nummers of rechten om faciliteiten te installeren op, boven of onder openbare of particuliere eigendom, te onderwerpen aan vergoedingen die ten doel hebben een optimaal gebruik van deze middelen te waarborgen. Uit artikel 13 vloeit voort dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat deze vergoedingen objectief gerechtvaardigd, transparant en niet-discriminerend zijn en in verhouding staan tot het beoogde doel en dat zij rekening houden met de doelstellingen van artikel 8 van de kaderrichtlijn, met name de bevordering van de mededinging en een efficiënt gebruik van de radiofrequenties (arresten van 21 maart 2013, Belgacom e.a., C‑375/11, EU:C:2013:185, punt 46, en 6 oktober 2020, Vodafone España, C‑443/19, EU:C:2020:798, punt 50).

23 Dienaangaande brengt het doel om ervoor te zorgen dat de exploitanten de schaarse hulpbronnen waartoe zij toegang hebben, zoals digitale televisiefrequenties, optimaal gebruiken, met zich mee dat het bedrag van deze vergoeding wordt vastgesteld op een passend niveau, dat met name overeenstemt met de waarde van de gebruiksrechten van deze hulpbronnen, hetgeen vereist dat er rekening wordt gehouden met de economische en technologische situatie op de betrokken markt (zie in die zin arresten van 10 maart 2011, Telefónica Móviles España, C‑85/10, EU:C:2011:141, punt 28, en 6 oktober 2020, Vodafone España, C‑443/19, EU:C:2020:798, punt 53).

24 Het Hof heeft aldus geoordeeld dat een buitensporig hoge heffing het gebruik van de betrokken schaarse hulpbronnen kan ontmoedigen en er zo toe kan leiden dat een deel van deze hulpbronnen ongebruikt blijft (arrest van 10 maart 2011, Telefónica Móviles España, C‑85/10, EU:C:2011:141, punt 29).

25 Daarbij zij aangetekend dat artikel 13 van de machtigingsrichtlijn wel de vereisten vaststelt waaraan de lidstaten – indien zij beslissen om een vergoeding op te leggen voor het gebruik van een schaarse hulpbron – moeten voldoen wanneer zij het bedrag daarvan bepalen, maar niet voorziet in een concrete methode om dat bedrag vast te stellen (zie in die zin arrest van 21 maart 2013, Belgacom e.a., C‑375/11, EU:C:2013:185, punt 49).

26 Bovendien bevat die richtlijn, zoals in overweging 32 ervan wordt bevestigd, geen enkele bepaling waarin wordt vastgesteld waarvoor de opbrengst van de vergoedingen voor de gebruiksrechten voor radiofrequenties moet worden aangewend.

27 In casu bepaalt artikel 1, lid 172, van wet nr. 208/2015, waaraan volgens de verwijzende rechter uitvoering is gegeven door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde besluiten, dat het bedrag van de vergoedingen voor de gebruiksrechten voor digitale televisiefrequenties „in verhouding tot het nagestreefde doel en op transparante, niet-discriminerende en objectieve wijze [wordt] vastgesteld op basis van de geografische omvang van de machtiging en de marktwaarde van de frequenties, waarbij rekening wordt gehouden met beloningsmechanismen die gericht zijn op de vrijgave van transmissiecapaciteit voor mededingingsdoeleinden en het gebruik van innovatieve technologieën”.

28 Gelet op de bewoordingen van die bepaling lijkt die bepaling artikel 13 van de machtigingsrichtlijn, zoals uitgelegd door de rechtspraak van het Hof, om te zetten in Italiaans recht.

29 De verwijzende rechter benadrukt evenwel dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde besluiten ook in overeenstemming moeten zijn met artikel 1, lid 174, van wet nr. 208/2015, dat voorschrijft dat de bij die besluiten vastgestelde vergoedingen de Italiaanse Staat jaarlijks ten minste 32,8 miljoen EUR aan inkomsten opbrengen. Volgens die rechter leidt het feit dat met de oplegging van die vergoedingen een doelstelling van financiële aard wordt nagestreefd, namelijk de staat jaarlijks een minimumbedrag aan inkomsten waarborgen, tot de conclusie dat de nationale wetgever de inning van een „andere” vergoeding dan die waarin de machtigingsrichtlijn voorziet, heeft opgelegd, hetgeen in strijd is met de rechtspraak van het Hof inzake artikel 13 van deze richtlijn.

30 In dit verband zij in de eerste plaats opgemerkt dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de lidstaten in het kader van die richtlijn geen andere heffingen of vergoedingen voor de levering van elektronische-communicatienetwerken en ‑diensten kunnen opleggen dan die waarin deze richtlijn voorziet (arresten van 17 december 2015, Proximus, C‑454/13, EU:C:2015:819, punt 20, en 6 oktober 2020, Vodafone España, C‑443/19, EU:C:2020:798, punt 32).

31 In de in het voorgaande punt genoemde arresten had de beoordeling van het Hof betrekking op de werkingssfeer van artikel 13 van de machtigingsrichtlijn, waarbij het zich heeft gebaseerd op de feiten die aanleiding gaven tot de belastingen die aan de orde waren in de zaken die tot die arresten hebben geleid.

32 Het Hof heeft aldus vastgesteld dat de bepalingen van de machtigingsrichtlijn slechts van toepassing zijn op een nationale belasting, indien het belastbare feit verband houdt met de algemene machtigingsprocedure, die volgens artikel 2, lid 2, van die richtlijn het recht verleent om elektronische-communicatienetwerken of ‑diensten aan te bieden (zie in die zin arrest van 17 december 2015, Proximus, C‑454/13, EU:C:2015:819, punt 21).

33 Hieruit volgt dat de vergoedingen die worden opgelegd aan exploitanten die elektronische-communicatiediensten aanbieden, als tegenprestatie voor het recht om digitale televisiefrequenties te gebruiken, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, binnen de werkingssfeer van artikel 13 van de machtigingsrichtlijn vallen.

34 Derhalve kan uit het feit dat de nationale wetgever bij de vaststelling van die vergoedingen naast de doelstellingen van bevordering van de mededinging en efficiënt gebruik van digitale televisiefrequenties een doelstelling van financiële aard nastreeft, niet worden afgeleid dat die wetgever andere dan de in voormeld artikel 13 bedoelde vergoedingen heeft opgelegd in de zin van de in punt 30 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.

35 Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven moet in de tweede plaats worden uitgemaakt of artikel 13 toestaat dat een dergelijke extra doelstelling van financiële aard wordt nagestreefd door een jaarlijks minimumbedrag vast te stellen dat moet worden gewaarborgd door de inkomsten uit de krachtens artikel 13 opgelegde vergoedingen.

36 Dienaangaande blijkt ten eerste uit de punten 25 en 26 van het onderhavige arrest dat de machtigingsrichtlijn de lidstaten de mogelijkheid biedt om bij de vaststelling van die vergoedingen, naast de in artikel 13 van die richtlijn genoemde doelstellingen, een dergelijke doelstelling na te streven, die verband houdt met de opbrengst van de overeenkomstig dat artikel opgelegde vergoedingen.

37 Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld met betrekking tot richtlijn 97/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 april 1997 betreffende een gemeenschappelijk kader voor algemene machtigingen en individuele vergunningen op het gebied van telecommunicatiediensten (PB 1997, L 117, blz. 15), waarvan artikel 11, lid 2, overeenstemt met artikel 13 van de machtigingsrichtlijn (arrest van 17 december 2015, Proximus, C‑517/13, EU:C:2015:820, punt 23), is het niet vereist dat dergelijke vergoedingen voor een specifiek doel bestemd zijn of dat de betrokken lidstaat achteraf een bijzonder gebruik maakt van de opbrengst ervan. De lidstaat kan deze opbrengst dus vrij gebruiken (zie naar analogie arrest van 10 maart 2011, Telefónica Móviles España, C‑85/10, EU:C:2011:141, punt 32).

38 Ten tweede is het echter van belang, zoals in punt 23 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, dat het bedrag van de vergoedingen wordt vastgesteld op een passend niveau, dat met name de waarde weerspiegelt van de gebruiksrechten voor de schaarse hulpbronnen waartoe de exploitant die de vergoeding betaalt, toegang heeft, te weten in casu de frequenties voor digitale televisie.

39 Dienaangaande heeft het Hof reeds geoordeeld dat de methode die inhoudt dat een vergoeding voor de gebruiksrechten voor radiofrequenties wordt bepaald op basis van hetzij het bedrag van het vroegere unieke concessierecht, dat werd berekend op basis van het aantal frequenties en het aantal maanden waarop de gebruiksrechten voor de frequenties betrekking hadden, hetzij de uit veilingen voortvloeiende bedragen, derhalve geschikt is om de waarde van de radiofrequenties te bepalen, aangezien elk van deze twee methoden bedragen oplevert die verband houden met de te verwachten rendabiliteit van de betrokken radiofrequenties (zie in die zin arrest van 21 maart 2013, Belgacom e.a., C‑375/11, EU:C:2013:185, punten 52 en 53).

40 Bijgevolg verzet artikel 13 van de machtigingsrichtlijn zich niet tegen een nationale regeling als in het hoofdgeding, die een jaarlijks minimumbedrag aan inkomsten vaststelt dat met de krachtens artikel 13 vastgestelde vergoedingen moet worden gegenereerd, voor zover dat bedrag zo wordt berekend dat het niet hoger is dan de waarde van de gebruiksrechten voor de radiofrequenties en derhalve wordt vastgesteld met inaanmerkingneming van de te verwachten rendabiliteit van die radiofrequenties.

41 Hoewel het aan de verwijzende rechter staat om dienaangaande de nodige verificaties te verrichten, zij opgemerkt dat de Italiaanse regering in haar schriftelijke opmerkingen aangeeft dat het bedrag van de inkomsten uit de inning van de vergoedingen voor de gebruiksrechten voor digitale televisiefrequenties na de vaststelling van wet nr. 208/2015 is verminderd, wat erop kan wijzen dat dit bedrag de waarde van die gebruiksrechten niet overschrijdt. Voorts zij opgemerkt dat indien blijkt dat alle beschikbare digitale televisiefrequenties zijn toegewezen en worden gebruikt, dit erop wijst dat dit bedrag niet buitensporig is of er althans niet toe heeft geleid dat een deel van die frequenties ongebruikt blijft.

42 Wat ten derde meer in het bijzonder het uit artikel 13 van de machtigingsrichtlijn voortvloeiende vereiste betreft dat het bedrag van de aan elke exploitant van digitale televisie opgelegde vergoedingen het evenredigheidsbeginsel in acht moet nemen, is de verwijzende rechter terecht van oordeel dat de toetsing van de naleving van het evenredigheidsbeginsel geen betrekking kan hebben op een referentieparameter die niet bestaat in het bedrag van de vergoedingen die aan elke exploitant worden opgelegd, maar in het vooraf door de nationale regeling vastgestelde jaarlijkse totaalbedrag dat door al deze vergoedingen samen moet worden gegenereerd.

43 Zoals in punt 11 van het onderhavige arrest is opgemerkt, wijst de verwijzende rechter er evenwel op dat die vergoedingen krachtens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde besluiten, waarbij de vergoedingen voor de gebruiksrechten voor digitale televisiefrequenties voor de relevante jaren zijn vastgesteld, worden berekend op basis van de geografische omvang van de machtiging en de marktwaarde van de frequenties, waarbij rekening wordt gehouden met beloningsmechanismen die gericht zijn op de vrijgave van transmissiecapaciteit voor mededingingsdoeleinden en het gebruik van innovatieve technologieën.

44 Volgens die rechter voorzien die besluiten met name in een variabel percentage van korting op de vergoeding voor netwerkexploitanten die niet verticaal geïntegreerd zijn of die in het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de vergoeding betrekking heeft hun transmissiecapaciteit hebben overgedragen aan derden die niet tot dezelfde ondernemersgroep behoren. Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties lijken die elementen erop te wijzen dat de Italiaanse regeling in overeenstemming is met artikel 13 van de machtigingsrichtlijn, met inbegrip van het daarin neergelegde evenredigheidsvereiste.

45 Indien die rechter vaststelt dat dit het geval is en indien hij na zijn verificaties op basis van de aanwijzingen in de punten 39 tot en met 41 van het onderhavige arrest ook vaststelt dat het jaarlijkse minimumbedrag aan inkomsten die deze vergoedingen overeenkomstig artikel 1, lid 174, van wet nr. 208/2015 moeten genereren, niet hoger is dan de waarde van de gebruiksrechten voor de digitale televisiefrequenties, kan dat bedrag niet in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de evenredigheid, in de zin van artikel 13 van de machtigingsrichtlijn, van het specifieke bedrag van de individuele vergoedingen die worden opgelegd aan elke exploitant die deze frequenties gebruikt. Aan de evenredigheid van het bedrag van een vergoeding dat individueel is vastgesteld door toepassing van criteria die verenigbaar zijn met artikel 13, kan namelijk niet worden afgedaan door het feit dat dit bedrag ook moet bijdragen aan het bereiken van een totaalbedrag aan inkomsten dat niet hoger is dan de totale waarde van de gebruiksrechten voor de frequenties waarop die vergoeding betrekking heeft.

46 Indien die rechter echter na zijn verificaties tot de conclusie zou komen dat het jaarlijkse minimumbedrag aan inkomsten uit deze vergoedingen voor de gebruiksrechten voor digitale televisiefrequenties hoger is dan de waarde van deze gebruiksrechten, en dat de Italiaanse regeling bijgevolg niet in overeenstemming is met artikel 13 van de machtigingsrichtlijn, zij eraan herinnerd dat, om de doeltreffendheid van alle Unierechtelijke bepalingen te waarborgen, het voorrangsbeginsel de nationale rechterlijke instanties verplicht om hun nationale recht zo veel mogelijk in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen. De verplichting van conforme uitlegging van het nationale recht kent echter bepaalde beperkingen en kan met name niet dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht. Mocht de verwijzende rechter vaststellen dat de nationale wettelijke regeling niet in overeenstemming met het Unierecht kan worden uitgelegd, dan kunnen de betrokken marktdeelnemers zich, gelet op de rechtstreekse werking van artikel 13 (arrest van 12 juli 2012, Vodafone España en France Telecom España, C‑55/11, C‑57/11 en C‑58/11, EU:C:2012:446, punten 38 en 39), voor de bevoegde nationale rechter op die bepaling beroepen om die vergoedingen te betwisten, en moet die rechter de met artikel 13 strijdige regels dan buiten toepassing laten (zie in die zin arrest van 20 november 2025, Framholm, C‑195/25, EU:C:2025:904, punten 67, 68 en 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 13 van de machtigingsrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 8 van de kaderrichtlijn, en het evenredigheidsbeginsel aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die voorziet in een criterium voor de berekening van de vergoedingen voor de gebruiksrechten voor digitale televisiefrequenties, dat wordt vastgesteld op basis van een vooraf bepaald bedrag aan jaarlijkse inkomsten die afkomstig moeten zijn van deze vergoedingen, en dus van algemene doelstellingen van financiële aard, voor zover dit bedrag niet hoger is dan de waarde van de gebruiksrechten voor die frequenties.

Kosten

48 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 13 van richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (machtigingsrichtlijn), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009, gelezen in samenhang met artikel 8 van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140, en het evenredigheidsbeginsel

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die voorziet in een criterium voor de berekening van de vergoedingen voor de gebruiksrechten voor digitale televisiefrequenties, dat wordt vastgesteld op basis van een vooraf bepaald bedrag aan jaarlijkse inkomsten die afkomstig moeten zijn van deze vergoedingen, en dus van algemene doelstellingen van financiële aard, voor zover dit bedrag niet hoger is dan de waarde van de gebruiksrechten voor die frequenties.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Italiaans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken