HvJ EU 26 februari 2026, C-375/22, ECLI:EU:C:2026:122

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

26 februari 2026 ( *1 )

„Hogere voorziening – Mededinging – Mededingingsregelingen – Luchtvrachtmarkt – Besluit van de Europese Commissie waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer wordt vastgesteld – Onderlinge afstemming van onderdelen van de prijs voor luchtvrachtdiensten (brandstoftoeslag, veiligheidstoeslag, en weigering van betaling van commissies over toeslagen) – Eén enkele voortdurende inbreuk – Geen bewijs dat een deelnemer op de hoogte was van twee onderdelen van de inbreuk – Gedeeltelijke of volledige nietigverklaring van het besluit van de Commissie – Territoriale bevoegdheid van de Commissie – Vaststelling van een ‚mondiale’ mededingingsregeling”

In zaak C‑375/22 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 9 juni 2022,

Latam Airlines Group SA, gevestigd te Santiago (Chili),

Lan Cargo SA, gevestigd te Santiago,

vertegenwoordigd door O. Geiss, Rechtsanwalt, B. Hartnett, avocat, en W. Sparks, advocaat,

rekwirantes,

andere partij in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Caro de Sousa en A. Dawes als gemachtigden, bijgestaan door G. Peretz, KC,

verweerster in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis (rapporteur), president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, E. Regan en D. Gratsias, rechters,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: R. Stefanova-Kamisheva, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 10 april 2024,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 september 2024,

het navolgende

Arrest

1 Met hun hogere voorziening vorderen Latam Airlines Group SA (hierna: „Latam Airlines”) en Lan Cargo SA vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 30 maart 2022, Latam Airlines Group en Lan Cargo/Commissie (T‑344/17, niet gepubliceerd, EU:T:2022:185; hierna: „bestreden arrest”), houdende gedeeltelijke verwerping van hun beroep tot nietigverklaring van besluit C(2017) 1742 final van de Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER‑Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (zaak AT.39258 – Luchtvracht) (hierna: „litigieus besluit”), voor zover dit besluit hen betreft, en tot nietigverklaring of verlaging van de hun opgelegde geldboete.

Toepasselijke bepalingen

Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer

2 De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer, ondertekend te Luxemburg op 21 juni 1999 en namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2002/309/EG, Euratom van de Raad en, wat betreft de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking, van de Commissie van 4 april 2002 betreffende de sluiting van zeven overeenkomsten met de Zwitserse Bondsstaat (PB 2002, L 114, blz. 1, met rectificatie in PB 2015, L 210, blz. 38) (hierna: „Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer”), is in werking getreden op 1 juni 2002. De artikelen 8 en 9 van deze overeenkomst stemmen mutatis mutandis overeen met respectievelijk de artikelen 101 en 102 VWEU.

3 Artikel 11 van deze overeenkomst luidt als volgt: „1. De bepalingen van artikel 8 en 9 worden toegepast […] door de instellingen van de Gemeenschap in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht vermeld in de bijlage bij deze overeenkomst, met inachtneming van de behoefte aan intensieve samenwerking tussen de instellingen van de Gemeenschap en de Zwitserse autoriteiten. 2. De Zwitserse autoriteiten beslissen, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 8 en 9, over de toelaatbaarheid van mededingingsregelingen […] met betrekking tot routes tussen Zwitserland en derde landen.”

4 Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) is met ingang van 5 december 2007 toepasselijk verklaard in het kader van die overeenkomst, bij besluit nr. 1/2007 van het Gemengd Comité luchtvervoer Gemeenschap/Zwitserland, opgericht bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer van 5 december 2007 tot vervanging van de bijlage bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (PB 2008, L 34, blz. 19). Deze verordening heeft op die datum verordening (EEG) nr. 3975/87 van de Raad van 14 december 1987 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de mededingingsregels op ondernemingen in de sector luchtvervoer (PB 1987, L 374, blz. 1) vervangen, die sinds de inwerkingtreding van de Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer was opgenomen in de bijlage bij deze overeenkomst.

VWEU

5 Artikel 101, lid 1, VWEU bepaalt: „Onverenigbaar met de interne markt en verboden zijn alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in: a) het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan‑ of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden; b) het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen; c) het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen; […]”

EER‑Overeenkomst

6 Artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3; hierna: „EER‑Overeenkomst”) stemt mutatis mutandis overeen met artikel 101 VWEU.

7 Verordening nr. 1/2003, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 411/2004 van de Raad van 26 februari 2004 (PB 2004, L 68, blz. 1), is opgenomen in de EER‑Overeenkomst bij besluit nr. 130/2004 van het Gemengd Comité van de EER van 24 september 2004 tot wijziging van bijlage XIV (Mededinging), Protocol 21 (betreffende de tenuitvoerlegging van mededingingsregels ten aanzien van ondernemingen) en Protocol 23 (betreffende de samenwerking tussen de toezichthoudende autoriteiten) bij de EER‑Overeenkomst (PB 2005, L 64, blz. 57), dat op 19 mei 2005 in werking is getreden, evenals bij besluit nr. 40/2005 van het Gemengd Comité van de EER van 11 maart 2005 tot wijziging van bijlage XIII (Vervoer) en Protocol nr. 21 (betreffende de tenuitvoerlegging van mededingingsregels ten aanzien van ondernemingen) bij de EER‑Overeenkomst (PB 2005, L 198, blz. 38), dat nog dezelfde dag in werking is getreden.

Verordening nr. 1/2003

8 Artikel 16 van verordening nr. 1/2003 bepaalt in lid 1: „Wanneer nationale rechterlijke instanties artikel [101] of artikel [102 VWEU] toepassen op overeenkomsten, besluiten of gedragingen die reeds het voorwerp uitmaken van een beschikking van de [Europese] Commissie, kunnen zij geen beslissingen nemen die in strijd zijn met de door de Commissie gegeven beschikking. Ook moeten zij vermijden beslissingen te nemen die in strijd zouden zijn met een beschikking die de Commissie overweegt te geven in een door haar gestarte procedure. Te dien einde kan de nationale rechterlijke instantie de afweging maken of het nodig is haar procedure op te schorten. Deze verplichting laat de rechten en verplichtingen op grond van artikel [267 VWEU] onverlet.”

9 Artikel 23 van deze verordening bepaalt in de leden 2 en 3: „2. De Commissie kan bij beschikking geldboetes opleggen aan ondernemingen en ondernemersverenigingen wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid: a) inbreuk maken op artikel [101] of artikel [102 VWEU]; of […] Voor elke bij de inbreuk betrokken onderneming en ondernemersvereniging is de geldboete niet groter dan 10 % van de totale omzet die in het voorafgaande boekjaar is behaald. […] 3. Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete wordt zowel met de ernst, als met de duur van de inbreuk rekening gehouden.”

10 Artikel 32, onder c), van die verordening bepaalde dat zij niet van toepassing was „op luchtvervoer tussen luchthavens van de Gemeenschap en derde landen”.

11 Deze bepaling is bij artikel 3 van verordening nr. 411/2004 met ingang van 1 mei 2004 geschrapt.

Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit

12 De voorgeschiedenis van het geding en het litigieuze besluit, zoals deze in de punten 1 tot en met 61 van het bestreden arrest zijn uiteengezet, kunnen ten behoeve van de onderhavige procedure worden samengevat als volgt.

13 Latam Airlines is de moedermaatschappij van Lan Cargo. Deze laatste is actief op de markt voor luchtvrachtdiensten.

14 In de vrachtsector verzorgen luchtvaartmaatschappijen het vervoer van vrachtladingen door de lucht (hierna: „vervoerders”). Gewoonlijk verrichten de vervoerders vrachtdiensten voor expediteurs, die het vervoer van deze ladingen regelen namens de verzenders. Als tegenprestatie betalen deze expediteurs aan de vervoerders een prijs die bestaat uit tarieven per kilogram en verschillende toeslagen.

Administratieve procedure

15 Op 7 december 2005 heeft de Commissie uit hoofde van haar mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3) een verzoek om immuniteit ontvangen van Deutsche Lufthansa AG en twee van haar dochtermaatschappijen, Lufthansa Cargo AG en Swiss International Air Lines AG. Volgens dit verzoek bestonden er tussen verschillende vervoerders mededingingsverstorende contacten over onderdelen van de prijs van op de luchtvrachtmarkt verrichte diensten, namelijk over de invoering van de zogenoemde „brandstof‑ en veiligheidstoeslagen” en de weigering van deze vervoerders om de expediteurs een commissie over toeslagen te betalen (hierna: „weigering om commissies te betalen”).

16 Op 14 en 15 februari 2006 heeft de Commissie in de bedrijfsruimten van verschillende vervoerders onaangekondigde inspecties verricht.

17 Na die inspecties hebben verschillende vervoerders, waaronder Latam Airlines en Lan Cargo, een verzoek om immuniteit ingediend op grond van de in punt 15 van het onderhavige arrest genoemde mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken.

18 Op 19 december 2007 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar toegezonden aan 27 vervoerders, waaronder Latam Airlines en Lan Cargo, die vervolgens schriftelijke opmerkingen hebben ingediend. Tussen 30 juni en 4 juli 2008 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

Oorspronkelijk besluit

19 Op 9 november 2010 heeft de Commissie besluit C(2010) 7694 definitief betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER‑Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst [EG‑Zwitserland] inzake luchtvervoer (zaak COMP/39258 – Luchtvracht) (hierna: „oorspronkelijk besluit”) vastgesteld. Dit besluit was gericht tot 21 vervoerders, waaronder Latam Airlines en Lan Cargo.

20 In dat besluit werd uiteengezet dat de beschuldigde vervoerders hun handelwijze inzake de tariefbepaling van vrachtdiensten hadden gecoördineerd door afspraken te maken over de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen, en zodoende hadden deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER‑Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer, die plaatsvond op het grondgebied van de EER en Zwitserland.

Arresten van 16 december 2015

21 Bij arrest van 16 december 2015, Air Latam Airlines Group en Lan Cargo/Commissie (T‑40/11, EU:T:2015:986), heeft het Gerecht het oorspronkelijke besluit nietig verklaard voor zover het betrekking had op Latam Airlines en Lan Cargo. Bij twaalf andere arresten van dezelfde dag heeft het Gerecht dit besluit eveneens geheel of gedeeltelijk nietig verklaard voor zover het betrekking had op twaalf andere vervoerders of groepen van vervoerders.

22 Het Gerecht was van oordeel dat dit besluit ontoereikend was gemotiveerd.

Litigieus besluit

23 Op 20 mei 2016 heeft de Commissie een brief gestuurd aan de vervoerders die in het oorspronkelijke besluit waren genoemd en die daartegen beroep hadden ingesteld bij het Gerecht. In die brief werd deze vervoerders meegedeeld dat zij voornemens was om in een nieuw besluit vast te stellen dat zij hadden deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER‑Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer op alle in dat oorspronkelijke besluit vermelde routes. Er werd hun een termijn van een maand toegekend om opmerkingen in te dienen. Zij hebben allen van deze mogelijkheid gebruikgemaakt.

24 Op 17 maart 2017 heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld ten aanzien van 19 vervoerders, waaronder Latam Airlines en Lan Cargo.

25 In het litigieuze besluit wordt uiteengezet dat de beschuldigde vervoerders ten aanzien van de wereldwijde verrichting van luchtvrachtdiensten onderlinge prijsafspraken hebben gemaakt met betrekking tot de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen (hierna: „litigieuze mededingingsregeling”), en zodoende één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER‑Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer hebben gepleegd.

26 In punt 4 van dit besluit, met het opschrift „Beschrijving van de feiten” heeft de Commissie met name aangegeven dat het onderzoek een wereldwijd kartel aan het licht had gebracht dat was gebaseerd op een netwerk van bilaterale en multilaterale contacten tussen concurrenten die gedurende lange tijd in stand waren gehouden en betrekking hadden op de handelwijze die zij besloten of gepland hadden te volgen dan wel overwogen te volgen, met betrekking tot de verschillende in het vorige punt vermelde onderdelen van de prijs voor vrachtdiensten. Zij heeft benadrukt dat dit netwerk van contacten het gemeenschappelijke doel had om de tariefbepaling van de concurrenten af te stemmen of de onzekerheid over hun prijsbeleid weg te nemen. Vervolgens heeft zij beschreven welke contacten hadden plaatsgevonden betreffende respectievelijk de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen, en een feitelijke beoordeling gemaakt van het bewijs betreffende zowel de litigieuze mededingingsregeling in haar geheel als elk van de adressaten van dat besluit afzonderlijk.

27 In punt 5 van het litigieuze besluit, met het opschrift „Toepassing van de relevante mededingingsregels”, heeft de Commissie artikel 101 VWEU op de feiten van de zaak toegepast, waarbij zij heeft gepreciseerd dat de verwijzingen naar dat artikel tevens moesten worden geacht te verwijzen naar artikel 53 van de EER‑Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer, aangezien die bepalingen van overeenkomstige toepassing waren, tenzij anderszins werd vermeld.

28 De Commissie heeft in dit verband de grenzen van haar temporele en territoriale bevoegdheid onderzocht om in het onderhavige geval een inbreuk op de mededingingsregels vast te stellen en daarvoor een sanctie op te leggen.

29 Eerst heeft zij in de overwegingen 822 tot en met 832 van het litigieuze besluit onder punt 5.2 ervan, met het opschrift „Bevoegdheid van de Commissie”, in essentie aangegeven dat zij om te beginnen artikel 101 VWEU niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen met betrekking tot routes tussen luchthavens gelegen binnen de Europese Unie en luchthavens buiten de EER (hierna: „Unie-derdelandenroutes”) die vóór 1 mei 2004 plaatsvonden, dat zij vervolgens artikel 53 van de EER‑Overeenkomst niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen die vóór 19 mei 2005 plaatsvonden met betrekking tot Unie-derdelandenroutes en met betrekking tot routes tussen luchthavens in landen die partij zijn bij de EER‑Overeenkomst maar geen lid zijn van de Unie en luchthavens in derde landen [hierna: „EER(zonder Unie)-derdelandenroutes”] en dat zij ten slotte artikel 8 van de Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen met betrekking tot routes tussen luchthavens gelegen binnen de Unie en luchthavens in Zwitserland (hierna: „Unie-Zwitserlandroutes”) die vóór 1 juni 2002 plaatsvonden. Zij heeft in overweging 832 van het litigieuze besluit verduidelijkt dat dit „niet [was] bedoeld om eventuele schendingen van artikel 8 van de [Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer] vast te stellen ter zake van luchtvrachtdiensten […] tussen Zwitserland en derde landen”.

30 Vervolgens heeft de Commissie in punt 5.3.8 „Toepasselijkheid van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst op inkomende vliegroutes” van het litigieuze besluit, dat de overwegingen 1036 tot en met 1046 omvat, uiteengezet waarom zij de argumenten afwees waarmee verschillende beschuldigde vervoerders aanvoerden dat zij de grenzen van haar territoriale bevoegdheid ten aanzien van de regels van internationaal publiekrecht had overschreden door een inbreuk op deze twee bepalingen vast te stellen en deze te bestraffen met betrekking tot de routes vanuit derde landen naar de EER (hierna: „inkomende routes”).

31 Meer bepaald heeft de Commissie in overweging 1045 van dat besluit erop gewezen dat mededingingsverstorende praktijken in derde landen op het gebied van vrachtdiensten op inkomende routes „geacht kunnen worden onmiddellijke, wezenlijke en voorzienbare gevolgen te hebben binnen de [Unie en de EER], aangezien de hogere kosten van het luchtvervoer naar de EER en de daaruit voortvloeiende hogere prijzen van de ingevoerde goederen per definitie gevolgen zullen hebben voor de consumenten in de EER”. Zij heeft daaraan toegevoegd dat die praktijken in het onderhavige geval ook dergelijke gevolgen konden hebben voor de verrichting van luchtvrachtdiensten door andere vervoerders binnen de EER, tussen de verschillende hubs in de EER die door vervoerders uit derde landen werden gebruikt en de luchthavens van bestemming binnen de EER waarnaar vracht werd vervoerd door de vervoerders uit derde landen die niet zelf op de betreffende bestemmingen vlogen.

32 Bovendien heeft zij in overweging 1046 van het litigieuze besluit vastgesteld dat de litigieuze mededingingsregeling „mondiaal actief” was, dat de regelingen betreffende de inkomende routes een integraal onderdeel van de enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst vormden, en dat de uniforme toepassing van de toeslagen op mondiale schaal een essentieel element van de mededingingsregeling was.

33 Punt 5.3 van het litigieuze besluit, betreffende de toepassing in de onderhavige zaak van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER‑Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer, omvat de overwegingen 833 tot en met 1052. Ten eerste heeft de Commissie in overweging 846 van dit besluit vastgesteld dat de beschuldigde vervoerders hun gedragingen onderling hadden afgestemd en/of prijsstellingen hadden beïnvloed, „hetgeen uiteindelijk [had] geleid tot onderling afgestemde prijzen met betrekking tot” de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de betaling van commissies over die toeslagen aan de expediteurs. In overweging 861 van datzelfde besluit heeft de Commissie vastgesteld dat het „algemeen plan om de tarieven voor luchtvrachtdiensten op elkaar af te stemmen” dat door haar onderzoek aan het licht was gekomen, aantoonde dat er sprake was van „een complexe inbreuk […], bestaande uit verschillende maatregelen die hetzij als overeenkomst, hetzij als een onderling afgestemde feitelijke gedraging kunnen worden gekwalificeerd, waarbij de concurrenten de risico’s van de onderlinge concurrentie welbewust hebben vervangen door een feitelijke samenwerking”.

34 Ten tweede heeft de Commissie in overweging 869 van het litigieuze besluit vastgesteld dat „de gedragingen in de onderhavige zaak één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU [vormden]”, waarbij zij in de overwegingen 870 tot en met 902 ervan heeft toegelicht dat de betrokken afspraken slechts één mededingingsverstorend doel dienden, namelijk om de mededinging binnen de luchtvrachtsector in de EER te vervalsen, dat zij betrekking hadden op de verrichting van vrachtdiensten en de daarvoor geldende prijzen, dat steeds dezelfde ondernemingen daarbij betrokken waren, dat die afspraken één enkele voortdurende inbreuk vormden, en dat zij betrekking hadden op drie onderdelen, namelijk de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen. Daarbij heeft de Commissie in overweging 883 van dat besluit aangegeven dat Lan Cargo betrokken was bij een van de onderdelen van de enkele inbreuk, namelijk datgene dat verband hield met de brandstoftoeslag, maar tevens op de hoogte was van de besprekingen tussen de vervoerders inzake de veiligheidstoeslag en de betaling van commissies over de toeslagen.

35 Ten derde heeft de Commissie in overweging 903 van dat besluit vastgesteld dat de betrokken mededingingsverstorende gedraging ertoe strekte de mededinging in ten minste de Unie, de EER en Zwitserland te beperken. In overweging 917 ervan heeft zij daaraan in essentie toegevoegd dat dan ook geen acht hoefde te worden geslagen op de concrete gevolgen van deze gedraging.

36 Ten vierde heeft de Commissie in de overwegingen 972 tot en met 1021 van het litigieuze besluit de regelgeving van zeven derde landen onderzocht, waarvan verschillende beschuldigde vervoerders stelden dat die regelgeving hen ertoe verplichtte om de toeslagen onderling af te stemmen en zodoende in de weg stond aan de toepassing van de relevante mededingingsregels. Zij was van oordeel dat deze vervoerders niet hadden aangetoond dat zij onder dwang van die derde landen hadden gehandeld.

37 Ten vijfde heeft de Commissie in de overwegingen 1024 tot en met 1035 van dat besluit geoordeeld dat de enkele voortdurende inbreuk de handel tussen de lidstaten, tussen de partijen bij de EER‑Overeenkomst en tussen de partijen bij de Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer merkbaar ongunstig kon beïnvloeden.

38 Punt 7 van het litigieuze besluit, met het opschrift „Duur van de inbreuk”, omvat de overwegingen 1146 tot en met 1169 ervan. Blijkens overweging 1146 van dat besluit heeft de Commissie vastgesteld dat de litigieuze mededingingsregeling op 7 december 1999 was begonnen en tot en met 14 februari 2006 had voortgeduurd. Zij heeft in deze overweging 1146 verduidelijkt dat deze mededingingsregeling een inbreuk vormde op: – artikel 101 VWEU voor de periode van 7 december 1999 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer tussen luchthavens in de Unie; – artikel 101 VWEU voor de periode van 1 mei 2004 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de Unie-derdelandenroutes; – artikel 53 van de EER‑Overeenkomst voor de periode van 7 december 1999 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer tussen luchthavens in de EER (hierna „intra‑EER-routes”); – artikel 53 van de EER‑Overeenkomst voor de periode van 19 mei 2005 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de EER(zonder Unie)-derdelandenroutes; – artikel 8 van de Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer voor de periode van 1 juni 2002 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de Unie-Zwitserlandroutes.

39 In overweging 1169 van het litigieuze besluit heeft de Commissie met betrekking tot Lan Cargo vastgesteld dat de inbreuk had geduurd van 25 februari 2003 tot en met 14 februari 2006. Zij had eerder, in de overwegingen 1103 tot en met 1108 van het litigieuze besluit, gepreciseerd dat Latam Airlines, dat in die periode 99,9 % van de aandelen van Lan Cargo hield, moest worden geacht een beslissende invloed uit te oefenen op haar dochteronderneming en bijgevolg voor heel die periode samen met Lan Cargo hoofdelijk aansprakelijk diende te worden gesteld.

40 De artikelen 1, 3 en 4 van het dispositief van dit besluit luiden als volgt: „Artikel 1 Door hun prijsstellingsgedrag bij het wereldwijd verrichten van luchtvrachtdiensten te coördineren ten aanzien van de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de betaling van over toeslagen verschuldigde commissies hebben de volgende ondernemingen één enkele voortgezette inbreuk gepleegd op artikel 101 [VWEU], artikel 53 van de [EER‑Overeenkomst] en artikel 8 van de Overeenkomst [EG‑Zwitserland] inzake luchtvervoer met betrekking tot de volgende routes en voor de volgende perioden: 1) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst wat betreft [intra‑EER-routes], voor de volgende perioden: […] i) [Latam Airlines], van 25 februari 2003 tot en met 14 februari 2006; j) [Lan Cargo], van 25 februari 2003 tot en met 14 februari 2006; […] 2) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 101 VWEU wat betreft [Unie-derdelandenroutes], voor de volgende perioden: […] i) [Latam Airlines], van 1 mei 2004 tot en met 14 februari 2006; j) [Lan Cargo], van 1 mei 2004 tot en met 14 februari 2006; […] 3) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 53 van de EER‑Overeenkomst wat betreft [EER(zonder Unie)-derdelandenroutes] voor de volgende perioden: […] i) [Latam Airlines], van 19 mei 2005 tot en met 14 februari 2006; j) [Lan Cargo], van 19 mei 2005 tot en met 14 februari 2006; […] 4) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 8 van de [Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer] wat betreft [Unie-Zwitserlandroutes], voor de volgende perioden: […] i) [Latam Airlines], van 25 februari 2003 tot en met 14 februari 2006; j) [Lan Cargo], van 25 februari 2003 tot en met 14 februari 2006; […] Artikel 3 Voor de in artikel 1 bedoelde enkele voortgezette inbreuk […] worden de volgende geldboeten opgelegd: […] i) [Latam Airlines en Lan Cargo], zijnde ieder hoofdelijk aansprakelijk: 8220000 EUR; […] Artikel 4 De in artikel 1 genoemde ondernemingen maken onverwijld een einde aan de in dat artikel bedoelde enkele en voortgezette inbreuk, voor zover zij zulks nog niet hebben gedaan. Zij onthouden zich tevens van herhaling van alle in artikel 1 genoemde handelingen en gedragingen met eenzelfde of soortgelijk doel of gevolg.”

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

41 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 31 mei 2017, hebben Latam Airlines en Lan Cargo beroep ingesteld dat primair strekte tot nietigverklaring van het litigieuze besluit, voor zover dit op hen betrekking had, en subsidiair tot nietigverklaring of verlaging van de opgelegde geldboete.

42 Ter ondersteuning van dit beroep hebben zij zeven middelen tot nietigverklaring aangevoerd.

43 Het eerste van die zeven middelen was ontleend aan onjuiste rechtsopvattingen en aan het feit dat Latam Airlines en Lan Cargo verantwoordelijk zijn gehouden voor de onderdelen van de enkele voortdurende inbreuk die verband hielden met de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen. Het tweede middel was ontleend aan onjuiste rechtsopvattingen en feitelijke onjuistheden bij de vaststelling dat Latam Airlines en Lan Cargo hadden Deelgenomen aan het onderdeel van de inbreuk dat verband hield met de brandstoftoeslag. Het derde middel was ontleend aan onbevoegdheid van de Commissie om deze vervoerders aansprakelijk te stellen voor wat betreft intra‑EER-routes, EER(zonder Unie)-derdelandenroutes en Unie-Zwitserlandroutes. Met het vierde middel verweten zij de Commissie dat zij de feiten en het recht onjuist had opgevat door het bestaan van een „mondiaal kartel” vast te stellen. Dit laatste middel bestond uit vier onderdelen. Met het derde onderdeel werd gesteld dat de Commissie haar bevoegdheden te buiten was gegaan en onduidelijkheid had veroorzaakt omtrent de geografische reikwijdte van de inbreuk. Het zesde middel was ontleend aan schending van de rechten van de verdediging en het ontbreken van een toereikende motivering, waarbij Latam Airlines en Lan Cargo in wezen betoogden dat het litigieuze besluit was gebaseerd op nieuwe feitelijke en juridische beoordelingen waarover zij niet waren gehoord.

44 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het eerste middel aanvaard, het tweede en het derde middel deels aanvaard en de andere middelen verworpen. Bijgevolg heeft het artikel 1, lid 1, onder i) en j), lid 3, onder i) en j), en lid 4, onder i) en j), van het litigieuze besluit nietig verklaard, alsook artikel 1, lid 2, onder i) en j), van dit besluit, voor zover daarin wordt vastgesteld dat rekwirantes hebben deelgenomen aan, ten eerste, de onderdelen van de enkele voortdurende inbreuk die betrekking hebben op de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen en, ten tweede, het onderdeel van de enkele voortdurende inbreuk dat betrekking heeft op de brandstoftoeslag vóór 22 juli 2005. Tevens heeft het artikel 3, onder i), van dat besluit nietig verklaard, het bedrag van de hoofdelijk aan rekwirantes opgelegde geldboete bepaald op 2244000 EUR, en het beroep verworpen voor het overige.

Conclusies van partijen in hogere voorziening

45 Met hun hogere voorziening verzoeken Latam Airlines en Lan Cargo het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen voor zover hun vordering daarbij wordt afgewezen; – het litigieuze besluit nietig te verklaren voor zover het betrekking heeft op hen of, subsidiair, het bedrag van de geldboete te verlagen; – de Commissie te verwijzen in de kosten.

46 De Commissie verzoekt het Hof de hogere voorziening af te wijzen en Latam Airlines en Lan Cargo te verwijzen in de kosten.

Hogere voorziening

47 Ter ondersteuning van hun hogere voorziening voeren Latam Airlines en Lan Cargo vier middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk heeft gegeven door het litigieuze besluit slechts gedeeltelijk nietig te verklaren, het tweede aan schending van de rechten van de verdediging doordat het niet heeft gemotiveerd waarom de procedure tegen bepaalde ondernemingen die in de mededeling van punten van bezwaar zijn genoemd, is gestaakt, het derde aan een onjuiste rechtsopvatting aangaande de bevoegdheid van de Commissie om het bestaan van een „mondiaal kartel” vast te stellen, en het vierde aan onjuiste rechtsopvattingen aangaande de vaststelling van de geografische reikwijdte van de inbreuk.

Eerste middel ontleend aan de slechts gedeeltelijke nietigverklaring van het litigieuze besluit

Argumenten van partijen

48 Het eerste middel bestaat in wezen uit drie onderdelen.

49 Met het eerste onderdeel voeren Latam Airlines en Lan Cargo aan dat het Gerecht artikel 101, lid 1, VWEU heeft geschonden door het litigieuze besluit niet in zijn geheel nietig te verklaren.

50 Het Gerecht heeft het litigieuze besluit slechts nietig verklaard voor zover daarbij is vastgesteld dat zij hadden deelgenomen aan de onderdelen van de enkele voortdurende inbreuk die verband houden met de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen, en heeft dit besluit bevestigd voor wat betreft hun deelname aan het onderdeel van de inbreuk dat verband houdt met de brandstoftoeslag vanaf 22 juli 2005. Daarbij heeft het nagelaten te beoordelen of de elementen die het nietig had verklaard scheidbaar waren en of het resterende onderdeel niet van dien aard was dat het de essentie van de enkele voortdurende inbreuk wijzigde.

51 Uit punt 38 van het arrest van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens (C‑441/11 P, EU:C:2012:778), volgt dat de gedeeltelijke nietigverklaring van een Unierechtelijke handeling alleen dan mogelijk is wanneer de elementen waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, kunnen worden gescheiden van de rest van de handeling, wat veronderstelt dat een dergelijke gedeeltelijke nietigverklaring de essentie van die handeling niet wijzigt.

52 In het onderhavige geval kunnen de onderdelen die verband houden met de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen niet van de enkele voortdurende inbreuk worden gescheiden zonder de essentie ervan te wijzigen. De Commissie heeft immers zelf in overweging 863 van het litigieuze besluit overwogen dat het kunstmatig zou zijn om de litigieuze gedraging, die één en hetzelfde algemene doel heeft, in verschillende inbreukvormen onder te verdelen. In het arrest van 4 juli 2013, Commissie/Aalberts Industries e.a. (C‑287/11 P, EU:C:2013:445, punt 65), heeft het Hof een in dezelfde bewoordingen geformuleerde grond van het besluit dat in die zaak aan de orde was in aanmerking genomen om tot de slotsom te komen dat de vastgestelde inbreuk niet kon worden onderverdeeld. Bovendien heeft de Commissie in dat besluit niet vermeld dat de deelname aan de mededingingsverstorende gedraging die verband houdt met de brandstoftoeslag, op zichzelf een inbreuk vormde. Evenmin kan zij zich baseren op overweging 871 van dat besluit, volgens welke bepaalde contacten en informatie-uitwisselingen tussen de concurrenten op zichzelf als inbreuken zouden kunnen worden beschouwd. Ten slotte zijn de onderdelen in verband met de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen niet louter accessoir ten opzichte van het onderdeel in verband met de brandstoftoeslag. Wat dit laatste betreft, volgt uit het arrest van 21 januari 2016, Galp Energía España e.a./Commissie (C‑603/13 P, EU:C:2016:38), dat slechts gedeeltelijke nietigverklaring van de minder belangrijke aspecten niets wijzigt aan de essentie van één enkele voortdurende inbreuk. Latam Airlines en Lan Cargo voegen daaraan toe dat de onmogelijkheid om de inbreuk onder te verdelen bijzonder duidelijk is wat betreft de veiligheidstoeslag, die volgens hen als onderdeel van de inbreuk gelijkwaardig is aan de brandstoftoeslag en niet slechts accessoir is ten opzichte daarvan.

53 Met het tweede onderdeel van het eerste middel, ontleend aan ontoereikende motivering, verwijten Latam Airlines en Lan Cargo het Gerecht dat het een cirkelredenering heeft gevolgd en geen motivering heeft gegeven voor de vaststelling, in punt 632 van het bestreden arrest, dat zij niet hadden aangetoond dat de Commissie hen ten onrechte verantwoordelijk had gehouden voor de enkele voortdurende inbreuk wat betreft het onderdeel in verband met de brandstoftoeslag. Het Gerecht heeft dus niet beoordeeld of de onderdelen van de enkele voortdurende inbreuk die verband houden met de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen scheidbaar waren en of het resterende onderdeel van dien aard was dat het de essentie van die inbreuk niet wijzigde.

54 Met het derde onderdeel van dit middel voeren Latam Airlines en Lan Cargo aan dat het Gerecht met de in punt 53 van het onderhavige arrest aangehaalde motivering de bewijslast heeft omgekeerd door vast te stellen dat zij niet hadden aangetoond dat zij niet verantwoordelijk waren voor het onderdeel van de inbreuk in verband met de brandstoftoeslag, terwijl het aan de Commissie staat om het bewijs te leveren van de inbreuken op artikel 101 VWEU.

55 De Commissie stelt dat het eerste middel ongegrond is.

Beoordeling door het Hof

– Opmerkingen vooraf

56 Er zij aan herinnerd dat het Gerecht bij het bestreden arrest het eerste middel van Latam Airlines en Lan Cargo, ontleend aan onjuiste rechtsopvattingen bij de vaststelling dat Lan Cargo had deelgenomen aan de onderdelen van de enkele voortdurende inbreuk in verband met de veiligheidstoeslag en de betaling van commissies, heeft aanvaard. In punt 631 van het bestreden arrest heeft het Gerecht daaruit afgeleid dat artikel 1, lid 2, van het litigieuze besluit nietig moest worden verklaard voor zover die twee onderdelen van de enkele voortdurende inbreuk aan Latam Airlines en Lan Cargo werden toegerekend. In punt 632 van dat arrest heeft het daaraan evenwel toegevoegd dat er, anders dan Latam Airlines en Lan Cargo stelden, geen reden was om het litigieuze besluit op die gronden in zijn geheel nietig te verklaren, omdat zij niettegenstaande de onjuiste opvattingen van de Commissie aangaande hun aansprakelijkheid voor die onderdelen niet hadden aangetoond dat de Commissie het recht onjuist had toegepast door vast te stellen dat zij aan die inbreuk hadden deelgenomen.

57 Er moet dus worden nagegaan of het Gerecht met de weigering om het litigieuze besluit in zijn geheel nietig te verklaren, blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen.

58 Volgens vaste rechtspraak is de gedeeltelijke nietigverklaring van een Unierechtelijke handeling alleen dan mogelijk wanneer de elementen waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, kunnen worden gescheiden van de rest van de handeling, wat veronderstelt dat een dergelijke gedeeltelijke nietigverklaring de essentie van die handeling niet wijzigt (zie in die zin arresten van 14 mei 2020, NKT Verwaltung en NKT/Commissie, C‑607/18 P, EU:C:2020:385, punt 292 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 februari 2022, Hongarije/Parlement en RaadC‑156/21, EU:C:2022:97, punt 293 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

59 Het Hof heeft gepreciseerd onder welke voorwaarden een besluit van de Commissie waarbij is vastgesteld dat een onderneming heeft deelgenomen aan verschillende mededingingsverstorende gedragingen die één enkele voortdurende inbreuk vormen, gedeeltelijk nietig kan worden verklaard.

60 In punt 44 van het arrest van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens (C‑441/11 P, EU:C:2012:778), heeft het Hof geoordeeld dat wanneer een onderneming rechtstreeks heeft deelgenomen aan een of meerdere mededingingsverstorende gedragingen die één enkele voortdurende inbreuk vormen, maar niet is bewezen dat die onderneming met haar eigen gedrag heeft willen bijdragen aan alle gemeenschappelijke doelstellingen van de andere karteldeelnemers en dat zij alle andere inbreukmakende gedragingen die deze deelnemers met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden, de Commissie haar enkel aansprakelijk mag stellen voor de gedragingen waaraan zij rechtstreeks heeft deelgenomen en voor de gedragingen die de andere deelnemers planden of verrichtten met het oog op dezelfde doelstellingen als die welke zij nastreefde en waarvoor is bewezen dat zij deze kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden.

61 In punt 45 van dat arrest heeft het Hof daaraan toegevoegd dat een dergelijke omstandigheid evenwel niet tot gevolg mag hebben dat deze onderneming wordt bevrijd van haar aansprakelijkheid voor de gedragingen ten aanzien waarvan haar deelname vaststaat of waarvoor zij daadwerkelijk aansprakelijk kan worden gesteld. Het heeft er in dat punt 45, net als in punt 90 van het arrest van 16 juni 2022, Quanta Storage/Commissie (C‑699/19 P, EU:C:2022:483), ook op gewezen dat het feit dat een onderneming niet aan alle bestanddelen van een kartel heeft deelgenomen of een zeer kleine rol heeft gespeeld bij de onderdelen waaraan zij heeft deelgenomen, niet relevant is voor de vaststelling dat zij een inbreuk heeft gepleegd, daar die elementen slechts in aanmerking dienen te worden genomen bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk en zo nodig bij de bepaling van de geldboete.

62 In punt 46 van het arrest van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens (C‑441/11 P, EU:C:2012:778), dat is overgenomen in punt 68 van het arrest van 16 juni 2022, Sony Corporation en Sony Electronics/Commissie (C‑697/19 P, EU:C:2022:478), heeft het Hof gepreciseerd dat een dergelijke „opsplitsing” van een besluit van de Commissie waarbij een globaal kartel wordt aangemerkt als één enkele voortdurende inbreuk slechts mogelijk is indien die onderneming tijdens de administratieve procedure in staat werd gesteld te begrijpen dat haar tevens elk van de gedragingen waaruit die inbreuk bestond, ten laste werd gelegd, en dus dienaangaande verweer te voeren, én indien dat besluit op dit punt voldoende duidelijk is.

63 Daaruit heeft het Hof in punt 47 van het arrest van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens (C‑441/11 P, EU:C:2012:778), afgeleid dat wanneer aan de in punt 46 van dat arrest vermelde voorwaarden is voldaan, de Unierechter, indien hij vaststelt dat de Commissie niet rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat een onderneming, toen zij deelnam aan een van de mededingingsverstorende gedragingen die één enkele voortdurende inbreuk vormen, de andere mededingingsverstorende gedragingen die de andere karteldeelnemers met het oog op die doelstellingen verrichtten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden, daaraan geen andere gevolgtrekking dient te verbinden dan dat deze onderneming niet aansprakelijk kan worden gesteld voor die andere gedragingen en dus evenmin voor de enkele voortdurende inbreuk in zijn geheel, en dat het bestreden besluit slechts in zoverre ongegrond moet worden geacht. De opsplitsbaarheid van een besluit waarbij een onderneming verantwoordelijk wordt gehouden voor één enkele voortdurende inbreuk in zijn geheel, terwijl die onderneming slechts heeft deelgenomen aan een van de onderdelen daarvan, hangt dus niet af van andere dan de hierboven vermelde voorwaarden.

64 In casu heeft het Gerecht in de punten 581, 615 en 630 tot en met 632 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie wel had bewezen dat deze vervoerders vanaf 22 juli 2005 hadden deelgenomen aan het onderdeel van de enkele voortdurende inbreuk in verband met de brandstoftoeslag, maar niet rechtens genoegzaam had aangetoond dat zij de vereiste kennis hadden van de twee andere onderdelen van de enkele voortdurende inbreuk, namelijk die in verband met de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen.

65 De argumenten van Latam Airlines en Lan Cargo moeten dus worden onderzocht in het licht van de in de punten 60 tot en met 63 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.

– Eerste onderdeel: verzuim van het Gerecht om te beoordelen of de nietig verklaarde elementen scheidbaar waren

66 Met het eerste onderdeel van hun eerste middel verwijten Latam Airlines Group en Lan Cargo het Gerecht in wezen dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het litigieuze besluit slechts nietig te verklaren voor zover het betrekking heeft op hun deelname aan de onderdelen van de enkele voortdurende inbreuk in verband met de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen, terwijl de vaststelling dat de Commissie ten onrechte had aangenomen dat de tweede verzoekster de vereiste kennis had van die twee onderdelen van de enkele voortdurende inbreuk er volgens hen toe moest leiden dat dit besluit in zijn geheel nietig werd verklaard.

67 Uit de in de punten 60 tot en met 63 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak blijkt dat aangezien de vaststelling door de Unierechter van het feit dat de Commissie niet rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat een onderneming, toen zij deelnam aan een van de mededingingsverstorende gedragingen waaruit één enkele voortdurende inbreuk bestaat, de andere inbreukmakende gedragingen die de andere karteldeelnemers met het oog op die doelstellingen verrichtten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden, niet tot gevolg mag hebben dat deze onderneming wordt bevrijd van haar aansprakelijkheid voor dat deel van de gedragingen waarvoor haar deelname is bewezen of waarvoor vaststaat dat zij daadwerkelijk aansprakelijk kan worden gesteld, de Unierechter zich dient te beperken tot een gedeeltelijke nietigverklaring van het bestreden besluit van de Commissie. Aangezien het voorwerp van een besluit van de Commissie waarmee wordt aangetoond dat een onderneming in strijd met artikel 101 VWEU heeft deelgenomen aan een mededingingsregeling juist daarin bestaat dat een of meer gedragingen worden vastgesteld die een dergelijke schending opleveren, kan een dergelijke gedeeltelijke nietigverklaring de kern van dat besluit immers niet wijzigen (arrest van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punten 50 en 51).

68 In die omstandigheden heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting door het litigieuze besluit slechts gedeeltelijk nietig te verklaren omdat de deelname van Lan Cargo aan de contacten in verband met de brandstoftoeslag niet ter discussie was gesteld.

69 Het argument van rekwirantes dat de Commissie in overweging 863 van het litigieuze besluit zelf had overwogen dat „het kunstmatig zou zijn om een […] voortdurende gedraging die één en hetzelfde algemene doel heeft, in verscheidene inbreukvormen onder te verdelen, wanneer datgene waarom het gaat, één enkele inbreuk vormde die zich geleidelijk zowel in de vorm van overeenkomsten als onderling afgestemde feitelijke gedragingen zou manifesteren”, kan geen andere conclusie rechtvaardigen. Uit de punten 471 tot en met 581 van het bestreden arrest, waarin wordt nagegaan of de deelname van Lan Cargo aan het onderdeel van de enkele voortdurende inbreuk in verband met de brandstoftoeslag bewezen is, blijkt immers ondubbelzinnig dat het Gerecht niet van oordeel was dat dit onderdeel een afzonderlijke en opzichzelfstaande inbreuk vormde, maar dat de Commissie terecht had aangenomen dat de enkele voortdurende inbreuk waarbij de beschuldigde vervoerders hun handelwijze inzake de tariefbepaling van vrachtdiensten hadden gecoördineerd, aan Lan Cargo kon worden toegerekend, gelet op haar deelname aan dat onderdeel en haar bewezen of vermoede kennis van de andere gedragingen in verband met dat onderdeel. Deze beoordeling wordt bevestigd door de vaststelling, in punt 429 van het bestreden arrest, dat de brandstoftoeslag een onderdeel van de prijs voor vrachtdiensten was, en het onderdeel van de enkele voortdurende inbreuk dat de brandstoftoeslag betrof bijgevolg betrekking had op de tariefbepaling van vrachtdiensten.

70 De omstandigheid dat de Commissie niet heeft aangetoond dat Lan Cargo op de hoogte was van de informatie-uitwisselingen in verband met de veiligheidstoeslag of de weigering om commissies te betalen, betekende niet dat er geen sprake kon zijn van één enkele voortdurende inbreuk, maar dat de vastgestelde inbreuk niettemin niet in zijn geheel aan deze vervoerder kon worden toegerekend (zie naar analogie, arrest van 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce, C‑293/13 P en C‑294/13 P, EU:C:2015:416, punt 160).

71 Wat betreft het argument dat rekwirantes ontlenen aan het arrest van 4 juli 2013, Commissie/Aalberts Industries e.a. (C‑287/11 P, EU:C:2013:445), volstaat het op te merken dat uit de punten 60 tot en met 63 van dat arrest blijkt dat het betrekking heeft op een situatie waarin, anders dan in de onderhavige zaak, niet was aangetoond dat de betrokken onderneming had deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk.

72 Het eerste onderdeel van het eerste middel moet bijgevolg als ongegrond worden afgewezen.

– Derde onderdeel, ontleend aan omkering van de bewijslast

73 Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet het bewijs van een inbreuk op de mededingingsregels worden geleverd door de partij of de autoriteit die de inbreuk aanvoert, en moet de onderneming of ondernemersvereniging die verweer voert tegen een bewezen inbreuk op die regels het bewijs leveren dat aan de voorwaarden is voldaan om dat verweer te laten gelden, zodat die autoriteit andere bewijzen moet aanvoeren. Zelfs indien de bewijslast volgens die beginselen rust op de Commissie of de betrokken onderneming of vereniging, kunnen de door een partij aangevoerde feiten evenwel van dien aard zijn dat zij de andere partij verplichten een verklaring of rechtvaardiging te geven, bij ontbreken waarvan mag worden geconcludeerd dat aan de regels inzake de bewijslast is voldaan (arresten van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punten 78 en 79, en 17 juni 2010, Lafarge/Commissie, C‑413/08 P, EU:C:2010:346, punten 29 en 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

74 In het onderhavige geval dient te worden opgemerkt dat rekwirantes met het derde onderdeel van het eerste middel in hogere voorziening aan het Gerecht verwijten dat het in punt 632 van het bestreden arrest de bewijslast heeft omgekeerd, maar dat dit betoog berust op een onjuiste lezing van dat arrest.

75 Dat punt 632 verwijst immers naar punt 581 van het bestreden arrest. Nadat het de door de Commissie aangevoerde bewijzen had onderzocht, heeft het Gerecht in punt 580 van dat arrest vastgesteld dat deze instelling terecht had aangenomen dat Lan Cargo de vereiste kennis had van het onderdeel van de enkele voortdurende inbreuk dat verband houdt met de brandstoftoeslag, maar slechts vanaf 22 juli 2005, en dat de Commissie een fout had begaan door rekwirantes verantwoordelijk te houden voor dat onderdeel vóór die datum. Het heeft daar in punt 581 van het bestreden arrest aan toegevoegd dat, rekening houdend met de deelname van rekwirantes na die datum, de fout van de Commissie niet moest leiden tot nietigverklaring van het litigieuze besluit in zijn geheel. Het Gerecht heeft de bewijslast aangaande de deelname van rekwirantes aan de inbreuk dus niet omgekeerd aangezien het in essentie heeft geoordeeld dat het aan de Commissie stond om die deelname aan te tonen en dat het bewijs van de deelname van Latam Airlines en Lan Cargo aan de enkele voortdurende inbreuk, wat het onderdeel ervan in verband met de brandstoftoeslag betreft, was geleverd vanaf 22 juli 2005.

76 In deze context geplaatst kan de vaststelling, in punt 632 van het bestreden arrest, dat rekwirantes „niet [hadden] aangetoond dat de Commissie het recht onjuist had toegepast door vast te stellen dat zij […] hadden deelgenomen” aan de in het litigieuze besluit genoemde enkele voortdurende inbreuk, niet aldus worden opgevat dat de argumenten die zij ter ondersteuning van hun eerste middel hadden aangevoerd niet volstonden om de nietigverklaring van dat besluit in zijn geheel te rechtvaardigen.

77 Bijgevolg moet het derde onderdeel van het eerste middel als ongegrond worden afgewezen.

– Tweede onderdeel: ontoereikende motivering

78 Uit het onderzoek van het eerste en het derde onderdeel van het eerste middel blijkt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, noch de bewijslast heeft omgekeerd door te oordelen dat het feit dat aan rekwirantes geen deelname aan de onderdelen van de enkele voortdurende inbreuk in verband met de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen kan worden toegerekend, geen volledige nietigverklaring van het litigieuze besluit kon rechtvaardigen, voor zover het hen betreft.

79 Derhalve moet het tweede onderdeel van dit middel, waarbij rekwirantes het Gerecht in wezen verwijten dat het in punt 632 van het bestreden arrest niet rechtens genoegzaam heeft gemotiveerd waarom een volledige nietigverklaring van het litigieuze besluit jegens hen in casu niet gerechtvaardigd was, als niet ter zake dienend worden afgewezen.

80 Dat het Gerecht met betrekking tot de motiveringsplicht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen, kan immers niet leiden tot nietigverklaring van het bestreden arrest indien het dictum ervan gegrond blijkt te zijn wegens andere rechtsoverwegingen (arrest van 12 februari 2015, Commissie/IPK International, C‑336/13 P, EU:C:2015:83, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

81 Zelfs indien uit punt 632 van het bestreden arrest niet voldoende duidelijk zou blijken waarom het Gerecht van oordeel was dat er geen reden was om het litigieuze besluit in zijn geheel nietig te verklaren voor zover het rekwirantes betreft, volstaat die omstandigheid volgens deze rechtspraak niet om de vernietiging van het bestreden arrest te rechtvaardigen.

82 Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het eerste middel, ontleend aan schending van de motiveringsplicht, als niet ter zake dienend worden afgewezen.

83 Gelet op een en ander moet het eerste middel als deels niet ter zake dienend en deels ongegrond worden afgewezen.

Tweede middel, ontleend aan schending van de rechten van de verdediging

Argumenten van partijen

84 Met hun tweede middel verwijten Latam Airlines en Lan Cargo het Gerecht blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van de omvang van hun rechten van verdediging.

85 Dit middel bestaat uit twee onderdelen.

86 Met het eerste onderdeel betogen rekwirantes dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van de inbreuk die is gemaakt op hun rechten van verdediging doordat de Commissie niet heeft gemotiveerd waarom zij de bezwaren tegen dertien vervoerders en een dienstverrichter heeft laten vallen.

87 Ter ondersteuning van hun betoog voeren Latam Airlines en Lan Cargo de rechtspraak aan die voortvloeit uit het arrest van 9 oktober 2014, ICF/Commissie (C‑467/13 P, EU:C:2014:2274), en stellen zij dat de intrekking van de bezwaren in casu het bewijs aangaande de vastgestelde inbreuken aanmerkelijk wijzigde, zodat de Commissie de vervoerders die uiteindelijk adressaat waren van haar besluit, in de gelegenheid moest stellen hun opmerkingen te maken over de intrekking van die bezwaren.

88 Zij merken in dat verband op dat het Gerecht in de punten 555 en 574 van het bestreden arrest heeft verwezen naar een e‑mail van 22 juli 2005 die een belangrijke rol heeft gespeeld bij de beoordeling van hun deelname aan de in het litigieuze besluit genoemde inbreuk, terwijl sommige vervoerders ten aanzien waarvan de Commissie bezwaren heeft laten vallen ook op die e‑mail hebben geantwoord. Zij voegen daaraan toe dat het Gerecht in de punten 350 en 351 van het bestreden arrest hun betoog dat zij vermoedden dat de Commissie de vervolging tegen een andere vervoerder had gestaakt wegens overheidsdwang, heeft verworpen op grond dat zij geen bewijs hadden geleverd van die overheidsdwang.

89 Voorts stellen Latam Airlines en Lan Cargo op dezelfde gronden dat het bestreden arrest minstens ontoereikend is gemotiveerd in zoverre het Gerecht niet heeft uitgelegd waarom het van oordeel was dat de intrekking van de bezwaren het bewijs niet aanmerkelijk wijzigde.

90 Met het tweede onderdeel van het tweede middel verwijten zij het Gerecht dat het de bewijzen onjuist heeft opgevat door in punt 568 van het bestreden arrest te oordelen dat de contacten naar aanleiding van de e‑mail van 22 juli 2025, en met name de reacties op het gebruik van de website inforwarding.com en de poging van een vervoerder om contact op te nemen met de auteur van de reclameboodschap in verband met de brandstoftoeslag die op die website was verschenen, „niettemin [getuigden] van de door verschillende beschuldigde vervoerders gedeelde verwachting dat op de markt een bepaalde discipline met betrekking tot [de brandstoftoeslag] in acht zou worden genomen”. Volgens rekwirantes is het duidelijk dat die reacties en die poging, die uitgingen van ondernemingen die geen adressaat van het litigieuze besluit waren, niet konden getuigen van verwachtingen van de „beschuldigde vervoerders” die adressaat waren van dat besluit.

91 Volgens de Commissie is dat middel ongegrond.

Beoordeling door het Hof

92 Vastgesteld moet worden dat het eerste onderdeel van het tweede middel berust op een onjuiste lezing van de in punt 87 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak. Zoals het Gerecht in essentie heeft uiteengezet in punt 252 van het bestreden arrest, is een instelling van de Unie – om aan haar motiveringsplicht te voldoen – niet verplicht om in een handeling die zij vaststelt uit te leggen waarom zij geen soortgelijke handelingen ten opzichte van derde partijen heeft vastgesteld. Bijgevolg is de Commissie er niet toe gehouden in een besluit tot vaststelling van een inbreuk op de mededingingsregels uit te leggen waarom zij heeft besloten andere ondernemingen niet te vervolgen of te bestraffen voor de inbreuk in kwestie.

93 Het Gerecht heeft tevens in punt 254 van het bestreden arrest terecht herinnerd aan de rechtspraak volgens welke van de Commissie, wanneer zij alle bezwaren tegen bepaalde ondernemingen die aanvankelijk bij de betrokken procedure betrokken waren, laat vallen, niet kan worden verlangd dat zij de ondernemingen die uiteindelijk adressaat van haar besluit zijn in de gelegenheid stelt hun standpunt over deze intrekking kenbaar te maken, aangezien de mededeling aan de belanghebbenden van aanvullende bezwaren, en daarmee de mogelijkheid die hun geboden wordt om hun standpunt ter zake kenbaar te maken, alleen vereist is wanneer de Commissie de betrokken ondernemingen nieuwe feiten ten laste legt of het bewijs aangaande de betwiste inbreuken aanmerkelijk wijzigt (arrest van 9 oktober 2014, ICF/Commissie, C‑467/13 P, EU:C:2014:2274, punt 36).

94 Uit deze rechtspraak volgt slechts dat de Commissie de ondernemingen tegen dewelke zij de vervolging handhaaft nadat zij die tegen sommige andere ondernemingen heeft gestaakt, opnieuw moet horen wanneer zij eerstgenoemde ondernemingen nieuwe feiten ten laste legt of het bewijs dat zij tegen hen wil aanvoeren aanmerkelijk wijzigt. Anders dan rekwirantes lijken aan te nemen, kan die rechtspraak echter niet aldus worden opgevat dat de Commissie verplicht is om, ten eerste, de ondernemingen die zij verder vervolgt opnieuw te horen aangaande het bewijs waarover zijn hun standpunt al kenbaar hebben kunnen maken en, ten tweede, in haar besluit uit te leggen hoe de staking van de vervolging tegen bepaalde ondernemingen invloed kan hebben op haar beoordeling van het bewijs.

95 In het onderhavige geval blijkt niet uit het bestreden arrest, en wordt door rekwirantes evenmin gesteld, dat zij voor het Gerecht hebben betoogd dat de Commissie hen na de staking van de vervolging tegen bepaalde andere ondernemingen nieuwe feiten ten laste heeft gelegd of het bewijs dat zij tegen hen wilde aanvoeren aanmerkelijk heeft gewijzigd. Derhalve heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie er niet toe was gehouden in het litigieuze besluit uit te leggen waarom zij de vervolging tegen bepaalde ondernemingen heeft gestaakt, noch om rekwirantes in de gelegenheid te stellen hun standpunt over die intrekking kenbaar te maken.

96 Het eerste onderdeel van het tweede middel moet bijgevolg als ongegrond worden afgewezen.

97 Wat het tweede onderdeel van het tweede middel betreft, dient eraan te worden herinnerd dat wanneer een rekwirant stelt dat het Gerecht bewijzen onjuist heeft opgevat, hij op grond van artikel 256 VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof precies moet aangeven welke elementen volgens hem onjuist zijn opgevat en welke fouten in de analyse het Gerecht tot die onjuiste opvatting hebben gebracht. Bovendien is het vaste rechtspraak van het Hof dat een onjuiste opvatting duidelijk moet blijken uit de stukken van het dossier, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw hoeven te worden beoordeeld (arrest van 10 november 2022, Commissie/Valencia Club de Fútbol, C‑211/20 P, EU:C:2022:862, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

98 Zo volstaat het niet dat wordt aangetoond dat een document kan worden opgevat op een wijze die verschilt van die van het Gerecht (arrest van 5 maart 2024, Kočner/Europol, C‑755/21 P, EU:C:2024:202, punt 96 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

99 In de onderhavige zaak verwijten rekwirantes met hun betoog dat in punt 90 van het onderhavige arrest is samengevat het Gerecht enkel dat het geen rekening heeft gehouden met het feit dat de reacties op de e‑mail van 22 juli 2005 en de poging om contact op te nemen met de auteur van de in die e‑mail genoemde reclameboodschap uitgingen van ondernemingen die geen adressaat van het litigieuze besluit waren.

100 Uit de e‑mail van 22 juli 2005 en de antwoorden daarop, die zijn opgenomen in het dossier in eerste aanleg, blijkt echter dat deze e‑mail, zoals het Gerecht in punt 565 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, gericht was aan verschillende adressaten van het litigieuze besluit en dat ten minste een van de ondernemingen die daarop heeft geantwoord ook adressaat van het litigieuze besluit was. Bovendien heeft het Gerecht in punt 566 van het bestreden arrest enkel gesteld dat „een vervoerder” had gepoogd contact op te nemen met de auteur van de in die e‑mail genoemde reclameboodschap, niet dat die vervoerder adressaat van het litigieuze besluit was.

101 Derhalve kan de door rekwirantes aangevoerde onjuiste beoordeling van de e‑mail van 22 juli 2025 en van de antwoorden daarop niet bewezen worden geacht.

102 Voor het overige moet worden vastgesteld dat rekwirantes onder het mom van een onjuiste opvatting van die e‑mail en van de antwoorden daarop in werkelijkheid de door het Gerecht verrichte beoordeling van het bewijs betwisten.

103 Er zij aan herinnerd dat de hogere voorziening overeenkomstig artikel 256, lid 1, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie beperkt is tot rechtsvragen. Het Gerecht is dus bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen. De beoordeling van deze feiten levert dus, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig in hogere voorziening door het Hof kan worden getoetst (arrest van 10 september 2024, Commissie/Ierland e.a., C‑465/20 P, EU:C:2024:724, punt 110 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

104 Voor zover rekwirantes met hun betoog dat in punt 90 van het onderhavige arrest is samengevat, beogen van het Hof een nieuwe beoordeling van de waarde en de strekking van de e‑mail van 22 juli 2005 en van de antwoorden daarop te verkrijgen, is dat betoog dan ook niet-ontvankelijk.

105 Uit het voorgaande volgt dat het tweede onderdeel van het tweede middel als deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond moet worden afgewezen.

106 Gelet op een en ander moet dit middel als deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond worden afgewezen.

Derde middel, ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting aangaande de bevoegdheid van de Commissie om het bestaan van een „mondiaal kartel” vast te stellen

Argumenten van partijen

107 Met hun derde middel, dat uit drie onderdelen bestaat, stellen Latam Airlines en Lan Cargo dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen bij de beoordeling van de bevoegdheid van de Commissie.

108 Met het eerste onderdeel van dit middel verwijten zij het Gerecht dat het hun middel volgens hetwelk de Commissie niet bevoegd was om het bestaan van een „mondiaal kartel” vast te stellen, niet of althans niet naar behoren heeft onderzocht. Het Gerecht heeft namelijk ten onrechte aangenomen dat Latam Airlines en Lan Cargo betoogden dat met de verwijzing naar een „mondiaal kartel” in het litigieuze besluit een inbreuk op artikel 101 VWEU werd bedoeld, waarvan het mededingingsverstorende doel zich uitstrekte tot alle routes wereldwijd. Latam Airlines en Lan Cargo hebben in hun verzoekschrift voor het Gerecht echter duidelijk uiteengezet dat de feitelijke vaststelling van een mondiaal kartel niet hetzelfde is als de feitelijke vaststelling van een inbreuk op artikel 101 VWEU en dat er geen rechtsgrondslag was voor de bevoegdheid van de Commissie om tot een dergelijke vaststelling over te gaan.

109 Met het tweede onderdeel van dat derde middel betogen zij dat het Gerecht, gesteld al dat de overwegingen van het Gerecht aangaande hun betoog als een eenvoudige feitelijke vaststelling worden beschouwd, dit betoog onjuist heeft opgevat.

110 Met het derde onderdeel van dit middel stellen Latam Airlines en Lan Cargo dat de Commissie niet bevoegd was om feitelijke vaststellingen te doen aangaande een mededingingsbeperkende gedraging buiten de interne markt. Dergelijke feitelijke vaststellingen wijzigen de rechtspositie van rekwirantes, waardoor zij worden blootgesteld aan schadevorderingen voor de nationale rechterlijke instanties, en kunnen slechts worden gedaan indien de Commissie bevoegd is op grond van het internationaal publiekrecht. Er is echter niet voldaan aan het criterium van de plaats waar de mededingingsverstorende praktijken ten uitvoer zijn gelegd (hierna: „criterium van de uitvoering”), noch aan dat van de gekwalificeerde gevolgen van die praktijken in de Unie, aangezien prijsconcurrentie tussen vervoerders plaatsvindt op de luchthaven van herkomst. Daar het gaat om een betoog dat is ontleend aan de onbevoegdheid van de auteur van een handeling, vormt dit derde onderdeel een middel van openbare orde dat ambtshalve moet worden opgeworpen.

111 Volgens de Commissie moet het derde middel worden afgewezen

Beoordeling door het Hof

112 Vooraf zij erop gewezen dat Latam Airlines en Lan Cargo in de punten 117 tot en met 128 van hun verzoekschrift voor het Gerecht met het tweede onderdeel van hun derde middel betoogden dat de Commissie niet bevoegd was om vast te stellen dat zij hadden deelgenomen aan een „mondiaal kartel”. In de punten 119 en 120 van dat verzoekschrift stelden zij dat deze uitdrukking op twee manieren kon worden uitgelegd, namelijk ofwel als een inbreuk op artikel 101 VWEU waarvan het mededingingsverstorende doel zich uitstrekte tot alle routes wereldwijd, ofwel als een „ongeschreven rechtsinstrument sui generis”.

113 Daarnaast betoogden Latam Airlines en Lan Cargo met het derde onderdeel van het vierde middel van hun verzoekschrift voor het Gerecht dat de vaststelling van het bestaan van een mondiaal kartel de bevoegdheid van de Commissie te buiten ging en onduidelijkheid veroorzaakte omtrent de geografische reikwijdte van de vastgestelde inbreuk. Zij stelde respectievelijk in de punten 146, 147 en 148 van dit verzoekschrift dat „de Commissie geen bevoegdheid heeft om een inbreuk vast te stellen op routes tussen twee buiten de EER gelegen luchthavens”, dat het „van essentieel belang [was] dat de Commissie de omvang van een inbreuk nauwkeurig [omschreef]”, en dat „de Commissie het doel en de geografische en temporele reikwijdte van de aangevoerde inbreuk duidelijk [moest] aangeven”.

114 In het kader van het onderzoek van het derde middel heeft het Gerecht in punt 151 van het bestreden arrest geoordeeld dat „anders dan Latam Airlines en Lan Cargo [betoogden], met de verwijzing naar een ‚mondiaal kartel’ in het litigieuze besluit noch een ‚ongeschreven rechtsgrondslag sui generis’, noch een inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de [overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer] [werd] bedoeld”, en dat „de verwijzing naar de coördinatie van het prijsstellingsgedrag van de beschuldigde vervoerders, bij het wereldwijd verrichten van [vrachtdiensten]’ in de inleidende alinea van artikel 1 van dat besluit een loutere vaststelling vormde van feiten die de Commissie in de leden 1 tot en met 4 van [dat artikel 1] enkel voor de routes waarvoor zij zich in de betrokken perioden bevoegd achtte heeft aangemerkt als een inbreuk op de toepasselijke mededingingsregels”.

115 In punt 362 van het bestreden arrest, dat een verwijzing naar punt 151 ervan bevat, heeft het Gerecht in antwoord op het vierde middel van het verzoekschrift voor het Gerecht opgemerkt dat het betoog van Latam Airlines en Lan Cargo „[berustte] op de onjuiste premisse dat de Commissie in het dispositief van het [litigieuze] besluit een inbreuk op de mededingingsregels [had] vastgesteld die de routes tussen luchthavens buiten de EER omvatte”.

116 Met deze overwegingen heeft het Gerecht geantwoord op het betoog dat de Commissie niet bevoegd was om een inbreuk op deze routes vast te stellen en het litigieuze besluit dubbelzinnig was, zonder dat het dit betoog onjuist heeft opgevat.

117 Bijgevolg moeten de eerste twee onderdelen van het derde middel, ontleend aan respectievelijk een ontoereikende motivering en een onjuiste opvatting, ongegrond worden verklaard.

118 Wat het derde onderdeel van dit middel, ontleend aan de onbevoegdheid van de Commissie om feitelijke vaststellingen te doen aangaande het bestaan van een „mondiaal kartel”, zij eraan herinnerd dat het mededingingsrecht van de Unie kan worden toegepast op gedragingen die niet op het grondgebied van de Unie hebben plaatsgevonden, maar waarvan de mededingingsverstorende gevolgen merkbaar kunnen zijn op de markt van de Unie. Indien de toepasselijkheid van de mededingingsrechtelijke verbodsbepalingen afhankelijk zou worden gesteld van de plaats waar het kartel is gevormd, zou het de ondernemingen natuurlijk wel erg gemakkelijk worden gemaakt om die verbodsbepalingen te omzeilen. Om dergelijk gedragingen aan te pakken kan de Commissie haar bevoegdheid dus baseren op het criterium van de uitvoering of op dat van de gekwalificeerde gevolgen (zie in die zin arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie, C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punten 43‑46).

119 Het beginsel dat de Commissie krachtens het internationaal publiekrecht bevoegd is om het mededingingsrecht toe te passen op gedragingen buiten het grondgebied van de Unie, mits aan het criterium van de uitvoering of aan dat van de gekwalificeerde gevolgen is voldaan, zou elke gelding verliezen indien deze instelling niet zou mogen overgaan tot feitelijke vaststellingen aangaande het bestaan, de aard, het doel of de geografische reikwijdte van dergelijke gedragingen.

120 De erkenning van de bevoegdheid van de Commissie om kartels aan te pakken die buiten de Unie zijn gevormd, veronderstelt dus noodzakelijkerwijs de mogelijkheid voor deze instelling om over te gaan tot de noodzakelijke feitelijke vaststellingen om aan te tonen dat zij krachtens het internationaal publiekrecht bevoegd is om een inbreuk op artikel 101 VWEU en, al naargelang het geval, artikel 53 van de EER-Overeenkomst vast te stellen en te bestraffen.

121 Derhalve moet het derde onderdeel van het derde middel eveneens als ongegrond worden afgewezen.

122 Hieruit volgt dat dit middel in zijn geheel moet worden afgewezen.

Vierde middel, ontleend aan onjuiste rechtsopvattingen aangaande de vaststelling van de geografische omvang van de inbreuk

Argumenten van partijen

123 Met hun vierde middel verwijten Latam Airlines en Lan Cargo het Gerecht blijk te hebben gegeven van verschillende onjuiste rechtsopvattingen door hun middel af te wijzen dat is ontleend aan niet-nakoming van de motiveringsplicht wat betreft de vaststelling van de geografische reikwijdte van de enkele voortdurende inbreuk.

124 Dit middel bestaat in wezen uit drie onderdelen.

125 Met het eerste onderdeel betogen Latam Airlines en Lan Cargo dat het Gerecht de eerste volzin van overweging 1210 van het litigieuze besluit onjuist heeft opgevat door in punt 153 van het bestreden arrest te oordelen dat deze overweging, voor zover daarin werd verwezen naar „de geografische reikwijdte van de inbreuk [die] wereldwijd was”, een schrijffout bevatte en dat moest worden gelezen dat „de geografische reikwijdte van het [litigieuze] kartel wereldwijd was”. De bewoordingen van deze overweging zijn echter duidelijk en laten geen ruimte voor interpretatie.

126 Met het tweede onderdeel van dit middel verwijten Latam Airlines en Lan Cargo het Gerecht dat het de Unierechtelijke beginselen van juridische duidelijkheid en rechtszekerheid en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie heeft geschonden door de grief inzake de dubbelzinnigheid van het litigieuze besluit met betrekking tot de vaststelling van de geografische reikwijdte van de litigieuze mededingingsregeling, af te wijzen.

127 Zij verklaren te begrijpen dat het niet de bedoeling van de Commissie was om een inbreuk op artikel 101 VWEU vast te stellen op alle routes wereldwijd, maar zijn van mening dat derden, en met name de nationale rechterlijke instanties bij wie civiele schadevorderingen kunnen worden ingesteld, het litigieuze besluit mogelijk in die zin zullen uitleggen.

128 De dubbelzinnigheid van het litigieuze besluit vloeit hoofdzakelijk voort uit het feit dat de Commissie ten eerste heeft geoordeeld dat de litigieuze gedraging gelijkstond aan een mondiaal kartel, ten tweede in het dispositief van het litigieuze besluit een verklaring over de wereldwijde coördinatie op vlak van prijzen heeft opgenomen, en ten derde in overweging 1210 van dat besluit heeft aangegeven dat de inbreuk wereldwijd was.

129 Het beginsel van juridische duidelijkheid vereist dat de door de instellingen van de Unie vastgestelde handelingen – zoals Commissiebesluiten in mededingingszaken – duidelijk en ondubbelzinnig zijn.

130 Met het derde onderdeel van het vierde middel stellen Latam Airlines en Lan Cargo dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 357 van het bestreden arrest te verklaren dat „wat betreft de omvang en de aard van de bestrafte inbreuken, in beginsel het dispositief van het [litigieuze] besluit van belang is en niet de motivering ervan, en dus enkel wanneer de tekst van het dispositief onvoldoende duidelijk is, voor de uitlegging daarvan te rade moet worden gegaan bij de motivering van het besluit”.

131 Daarmee heeft het Gerecht artikel 16 van verordening nr. 1/2003 geschonden. Daarin is bepaald dat de nationale rechterlijke instanties geen beslissingen kunnen nemen die in strijd zijn met een „door de Commissie gegeven besluit” betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, zonder dat daarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen het dispositief van dat besluit en de motivering ervan.

132 De Commissie is van mening dat het vierde middel ongegrond is.

Beoordeling door het Hof

133 Zoals in punt 97 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, moet de onjuiste opvatting duidelijk uit de stukken van het dossier blijken, zonder dat een nieuwe beoordeling van de feiten en de bewijzen dient te worden verricht.

134 In casu heeft het Gerecht in punt 153 van het bestreden arrest de eerste volzin van overweging 1210 van het litigieuze besluit getrouw weergegeven. Het heeft deze echter geplaatst in de context gevormd door de andere zinnen van die overweging en de andere overwegingen van dat besluit.

135 Ten eerste heeft het er in punt 153 van het bestreden arrest op gewezen dat de verwijzing naar de wereldwijde geografische reikwijdte van de inbreuk werd gevolgd door zinnen waarin werd gepreciseerd op welke routes de litigieuze mededingingsregeling betrekking had.

136 Ten tweede had het eerder, in punt 152 van het bestreden arrest, vastgesteld dat andere overwegingen van het litigieuze besluit verwezen naar een „inbreuk op de toepasselijke mededingingsregels waarvan de geografische reikwijdte beperkt is tot bepaalde soorten routes”, een „wereldwijd kartel”, een kartel met een „wereldwijd karakter”, of een kartel dat „mondiaal actief” is.

137 Het Gerecht heeft dus eerst geoordeeld dat uit de context van de alleenstaande verwijzing naar een „wereldwijde inbreuk” in de eerste volzin van overweging 1210 van het litigieuze besluit bleek dat het ging om een eenvoudige schrijffout, en vervolgens heeft het daaruit afgeleid dat deze volzin diende te worden gelezen als verwijzend naar een mededingingsregeling van wereldwijde omvang.

138 Rekening houdend met die specifieke context waar het Gerecht op heeft gewezen, kan niet worden aangenomen dat het de eerste volzin van overweging 1210 van het litigieuze besluit onjuist heeft gelezen – in de zin van de in punt 97 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak – door in het licht van zowel de andere zinnen van die overweging als de andere overwegingen van dit besluit te oordelen dat het gebruik van de term „inbreuk” voortvloeide uit een schrijffout en dat in de plaats daarvan „kartel” moest worden gelezen.

139 Hieruit volgt dat het eerste onderdeel van het vierde middel als ongegrond moet worden afgewezen.

140 Met het tweede onderdeel van dit middel verwijten Latam Airlines en Lan Cargo het Gerecht in wezen dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het litigieuze besluit niet dubbelzinnig was wat de reikwijdte van de vastgestelde inbreuk betreft en niet in zijn geheel nietig hoefde te worden verklaard wegens onduidelijkheid.

141 Latam Airlines en Lan Cargo stellen echter ten onrechte dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van het litigieuze besluit.

142 Wat ten eerste het dispositief van dit besluit betreft, blijkt uit de punten 151 en 358 van het bestreden arrest dat het Gerecht heeft geoordeeld dat de verwijzing, in de inleidende alinea van artikel 1 van het litigieuze besluit, naar het bestaan van een coördinatie van het prijsstellingsgedrag bij het wereldwijd verrichten van luchtvrachtdiensten een loutere vaststelling was van de feiten die de Commissie in de leden 1 tot en met 4 van dit artikel 1 voor de routes waarvoor zij zich in de betrokken perioden bevoegd achtte, had aangemerkt als een inbreuk op de toepasselijke mededingingsregels. Deze beoordeling is in overeenstemming met de bewoordingen zelf van dit dispositief, waarin daadwerkelijk een onderscheid wordt gemaakt tussen het begrip „gedraging”, dat enkel in die inleidende alinea wordt genoemd, en het begrip “inbreuk”, dat in die leden 1 tot en met 4 wordt gedefinieerd.

143 Wat ten tweede de motivering van het litigieuze besluit betreft, heeft het Gerecht in de punten 152 tot en met 154 van het bestreden arrest terecht deze motivering in zijn geheel gelezen, met name de overwegingen 74, 112, 832, 903 en 1210 ervan, waaruit het heeft afgeleid dat dit besluit berustte op het onderscheid tussen de loutere feitelijke vaststelling van een gedraging met een wereldwijde geografisch reikwijdte en de vaststelling van een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst die ertoe strekte de mededinging op bepaalde routes te beperken.

144 Bijgevolg heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door daaruit af te leiden dat het litigieuze besluit niet onduidelijk was wat de omschrijving van de omvang van de enkele voortdurende inbreuk betreft, en dat het dus niet op die grond in zijn geheel nietig hoefde te worden verklaard.

145 Het tweede onderdeel van het vierde middel is dan ook ongegrond.

146 Met het derde onderdeel van dit middel verwijten Latam Airlines en Lan Cargo het Gerecht dat het artikel 16 van verordening nr. 1/2003 heeft geschonden door in punt 357 van het bestreden arrest het dispositief van het litigieuze besluit te laten prevaleren boven de motivering ervan, terwijl dit artikel 16 verwijst naar het besluit van de Commissie in zijn geheel.

147 Artikel 16, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1/2003 bepaalt dat nationale rechterlijke instanties, wanneer zij artikel 101 of artikel 102 VWEU toepassen op overeenkomsten, besluiten of gedragingen die reeds het voorwerp uitmaken van een besluit van de Commissie, geen beslissingen kunnen nemen die in strijd zijn met het door de Commissie gegeven besluit.

148 Ongeacht de motivering waarop een besluit van een instelling van de Unie berust, kan alleen het dispositief van dit besluit, gelezen in het licht van de motivering die noodzakelijk is ter ondersteuning ervan, rechtsgevolgen hebben (zie in die zin beschikking van 28 januari 2004, Nederland/Commissie, C‑164/02, EU:C:2004:54, punt 21). Het zijn deze rechtsgevolgen die voor de nationale rechterlijke instanties bindend zijn krachtens artikel 16, eerste volzin, van verordening nr. 1/2003.

149 Bijgevolg heeft het Gerecht artikel 16, eerste volzin van verordening nr. 1/2003 niet geschonden door in punt 357 van het bestreden arrest te verklaren dat „wat betreft de omvang en de aard van de bestrafte inbreuken, in beginsel het dispositief van het [litigieuze] besluit van belang is en niet de motivering ervan, en dus enkel wanneer de tekst van het dispositief onvoldoende duidelijk is, voor de uitlegging daarvan te rade moet worden gegaan bij de motivering van het besluit”.

150 Hieruit volgt dat het derde onderdeel van het vierde middel, evenals het vierde middel in zijn geheel, als ongegrond moet worden afgewezen.

151 Aangezien geen van de middelen die Latam Airlines en Lan Cargo ter onderbouwing van hun hogere voorziening hebben aangevoerd, gegrond is, moet deze in haar geheel worden afgewezen.

Kosten

152 Krachtens artikel 184, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.

153 Volgens artikel 138, lid 1, van dit Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd.

154 Aangezien Latam Airlines en Lan Cargo in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten van de onderhavige hogere voorziening.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:

1) De hogere voorziening wordt afgewezen.

2) Latam Airlines Group SA en Lan Cargo SA worden verwezen in de kosten.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken