HvJ EU 13 november 2025, C-4/24, ECLI:EU:C:2025:879

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

13 november 2025 (*)

„ Hogere voorziening – Economisch en monetair beleid – Economische en monetaire unie – Bankenunie – Gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme voor kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen (GAM) – Gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF) – Verordening (EU) nr. 806/2014 – Artikel 69, lid 1 – Artikel 70, lid 1 – Uitvoeringsverordening (EU) 2015/81 – Artikel 7, leden 1 tot en met 3 – Bedragen die zijn betaald als zekerheid voor onherroepelijke betalingstoezeggingen – Besluit van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) om de betaalde bedragen niet terug te geven ”

In zaak C‑4/24 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 4 januari 2024,

BNP Paribas Public Sector SA, gevestigd te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door A. Champsaur en A. Delors, avocates,

rekwirante,

andere partijen in de procedure:

Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR), aanvankelijk vertegenwoordigd door C. De Falco, C. J. Flynn en K.-Ph. Wojcikals als gemachtigden, bijgestaan door E. Bruc en F. Louis, avocats, alsook P. Gey en H.‑G. Kamann, Rechtsanwälte, en vervolgens door C. De Falco en C. J. Flynn als gemachtigden, bijgestaan door E. Bruc en F. Louis, avocats, alsook P. Gey en H.‑G. Kamann, Rechtsanwälte,

verweerster in eerste aanleg,

Franse Republiek, vertegenwoordigd door B. Fodda, S. Royon en B. Travard als gemachtigden,

Fédération bancaire française, gevestigd te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door C. Duriez, A. Gosset-Grainville en M. Trabucchi, avocats,

interveniëntes in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, J. Passer (rapporteur), E. Regan, D. Gratsias en B. Smulders, rechters,

advocaat-generaal: L. Medina,

griffier: D. Dittert, hoofd van een administratieve eenheid,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 december 2024,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 maart 2025,

het navolgende

Arrest

1 Met haar hogere voorziening vordert BNP Paribas Public Sector SA, vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 25 oktober 2023, BNP Paribas Public Sector/GAR (T‑688/21, EU:T:2023:675; hierna: „bestreden arrest”), waarbij haar beroep is afgewezen dat ertoe strekte om, in de eerste plaats, op grond van artikel 272 VWEU en artikel 340, eerste alinea, VWEU, ten eerste vast te stellen dat de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) is tekortgeschoten in zijn verplichting om de bedragen terug te betalen die overeenkomen met de aan de onherroepelijke betalingstoezeggingen verbonden contante zekerheden die verschuldigd zijn op grond van clausule 12.5 van de overeenkomsten voor de bijdrageperioden voor de periode van 2016 tot 2021 (hierna: „OBT-overeenkomsten 2016‑2021”), en ten tweede terugbetaling te verkrijgen van de bedragen die de GAR in strijd met deze contractuele verplichting zou hebben ingehouden, alsook betaling van alle kosten, vertragingsrente en bijkomende kosten van welke aard ook die daarmee verband houden, en, subsidiair, op basis van artikel 340, tweede alinea, VWEU, vergoeding van de schade te verkrijgen die BNP Paribas Public Sector mogelijk heeft geleden als gevolg van het gedrag van de GAR met betrekking tot de onherroepelijke betalingstoezeggingen die zijn aangegaan voor de bijdrageperioden gaande van 2016 tot en met 2021, alsmede, in de tweede plaats, op grond van artikel 340, tweede alinea, VWEU, vergoeding van de schade te verkrijgen die BNP Paribas Public Sector mogelijk heeft geleden als gevolg van de weigering van de GAR om haar de zekerheid ter dekking van de door haar voor de bijdrageperiode 2015 aangegane onherroepelijke betalingstoezegging, terug te geven.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Verordening nr. 806/2014

2 Artikel 3 („Definities”), van verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 225, blz. 1), bepaalt in lid 1 het volgende:

„Voor de toepassing van deze verordening zijn de volgende definities van toepassing:

[...]

34. ‚beschikbare financiële middelen’: contant geld, deposito’s, activa en onherroepelijke betalingstoezeggingen waarover het [Gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF)] beschikt voor de doeleinden die in artikel 76, lid 1, worden vermeld;

[...]”

3 Artikel 69 („Streefbedrag”) van deze verordening bepaalt:

„1. Uiterlijk aan het eind van een initiële periode van acht jaar vanaf 1 januari 2016 of anders vanaf de datum waarop dit lid krachtens artikel 99, lid 6, van toepassing wordt, bereiken de beschikbare financiële middelen van het [GAF] ten minste 1 % van het bedrag van de gedekte deposito’s van alle instellingen waaraan in alle deelnemende lidstaten vergunning is verleend.

2. Tijdens de in lid 1 bedoelde initiële periode worden de overeenkomstig artikel 70 berekende en overeenkomstig artikel 67, lid 4, geïnde bijdragen aan het [GAF] zo evenwichtig mogelijk in de tijd gespreid totdat het streefbedrag bereikt is, waarbij evenwel terdege rekening wordt gehouden met de conjunctuurcyclus en met het mogelijke effect van procyclische bijdragen op de financiële positie van de instellingen die de bijdragen betalen.

[...]

4. Indien de beschikbare financiële middelen na de in lid 1 bedoelde initiële periode dalen tot onder het in dat lid vermelde streefbedrag, worden de reguliere bijdragen, berekend overeenkomstig artikel 70, geïnd totdat het streefbedrag is bereikt. Deze bijdragen worden vastgesteld op een niveau waarbij het mogelijk wordt gemaakt dat het streefbedrag binnen zes jaar kan worden bereikt nadat het streefbedrag voor het eerst is bereikt en indien de beschikbare financiële middelen vervolgens zijn teruggebracht tot minder dan twee derde van het streefbedrag.

[...]”

4 Artikel 70 („Vooraf te betalen bijdragen”) van die verordening luidt:

„1. De individuele bijdrage van elke instelling wordt ten minste jaarlijks geïnd en wordt berekend volgens de verhouding tussen het bedrag van haar passiva (exclusief eigen vermogen), verminderd met gedekte deposito’s, en het totaalbedrag van de passiva (exclusief eigen vermogen), verminderd met gedekte deposito’s van alle instellingen waaraan op de grondgebieden van alle deelnemende lidstaten vergunning is verleend.

2. Elk jaar berekent de [GAR], na raadpleging van de [Europese Centrale Bank (ECB)] of de nationale bevoegde autoriteit en in nauwe samenwerking met de nationale afwikkelingsautoriteiten, de individuele bijdragen om ervoor te zorgen dat de bijdragen die alle instellingen waaraan op de grondgebieden van alle deelnemende lidstaten vergunning is verleend, verschuldigd zijn, niet meer bedragen dan 12,5 % van het streefbedrag.

[...]

3. De in aanmerking te nemen beschikbare financiële middelen om het in artikel 69 vermelde streefbedrag te bereiken, kunnen ook onherroepelijke betalingstoezeggingen omvatten die volledig zijn gedekt door zekerheden of activa met een laag risico die niet met rechten van derden zijn bezwaard, waarover vrij kan worden beschikt en waarvan uitsluitend gebruik kan worden gemaakt door de [GAR] voor de in artikel 76, lid 1, vermelde doeleinden. Het aandeel van die onherroepelijke betalingstoezeggingen is niet hoger dan 30 % van het totaalbedrag van de bijdragen dat overeenkomstig dit artikel wordt geïnd.

4. De terecht ontvangen bijdragen van elke in artikel 2 bedoelde entiteit worden niet aan die entiteiten terugbetaald.

[...]

7. Op voorstel van de [Europese] Commissie stelt de Raad [van de Europese Unie], in het kader van de in lid 6 bedoelde gedelegeerde handelingen, uitvoeringshandelingen vast waarin de voorwaarden voor de uitvoering van de leden 1, 2 en 3 worden bepaald, met name wat betreft:

a) de toepassing van de methode voor de berekening van individuele bijdragen;

b) de praktische modaliteiten voor het verbinden van instellingen aan in de gedelegeerde handelingen omschreven riscofactoren.”

Uitvoeringsverordening 2015/81

5 In overweging 16 van uitvoeringsverordening (EU) 2015/81 van de Raad van 19 december 2014 tot vaststelling van eenvormige voorwaarden voor de toepassing van verordening [nr. 806/2014] van het Europees Parlement en de Raad wat vooraf te betalen bijdragen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds betreft (PB 2015, L 15, blz. 1) staat het volgende te lezen:

„Het beroep op onherroepelijke betalingstoezeggingen, als bedoeld in artikel 70, lid 3, van verordening [nr. 806/2014] mag in geen geval de financiële capaciteit en de liquiditeit van het [GAF] beïnvloeden. Op onherroepelijke betalingstoezeggingen mag alleen een beroep worden gedaan in geval van een afwikkelingsmaatregel waarbij gebruik wordt gemaakt van het [GAF]. Tijdens de initiële periode moet de [GAR] onder normale omstandigheden het gebruik van onherroepelijke betalingstoezeggingen gelijkelijk toewijzen aan de instellingen die daarom verzoeken. Deze betalingstoezeggingen moeten volledig zijn gedekt door zekerheden of activa met een laag risico die niet met rechten van derden zijn bezwaard, waarover vrij kan worden beschikt en waarvan uitsluitend gebruik kan worden gemaakt door de raad met het oog op gebruik van het [GAF].”

6 Artikel 7 van deze uitvoeringsverordening, met als opschrift „Beroep op onherroepelijke betalingstoezeggingen”, luidt als volgt:

„1. Het beroep op onherroepelijke betalingstoezeggingen, als bedoeld in artikel 70, lid 3, van verordening [nr. 806/2014] mag in geen geval de financiële capaciteit en de liquiditeit van het [GAF] beïnvloeden.

2. Wanneer in het kader van een afwikkelingsmaatregel gebruik wordt gemaakt van het [GAF] overeenkomstig artikel 76 van verordening [nr. 806/2014], wordt door de [GAR] een beroep gedaan op alle overeenkomstig verordening [nr. 806/2014] gedane onherroepelijke betalingstoezeggingen of een deel daarvan teneinde het aandeel van de onherroepelijke betalingstoezeggingen in de beschikbare financiële middelen van het [GAF], weer binnen de door de [GAR] vastgestelde maximumgrens van artikel 70, lid 3, van verordening [nr. 806/2014] te brengen.

Zodra het [GAF] de bijdrage verbonden aan de onherroepelijke betalingstoezeggingen waarop een beroep is gedaan, goed heeft ontvangen, worden de zekerheden ter dekking van deze toezeggingen teruggegeven. Indien het [GAF] het vereiste contante bedrag niet naar behoren ontvangt, neemt de [GAR] de zekerheid ter dekking van de onherroepelijke betalingstoezegging in beslag overeenkomstig artikel 70, lid 3, van verordening [nr. 806/2014].

3. De onherroepelijke betalingstoezeggingen van een instelling die niet langer binnen het toepassingsgebied van verordening [nr. 806/2014] [valt], worden ingetrokken en de zekerheden ter dekking ervan worden teruggegeven.”

7 Artikel 8, lid 3, van deze uitvoeringsverordening luidt als volgt:

„Tijdens de initiële periode staat de [GAR] onder normale omstandigheden het gebruik van onherroepelijke betalingstoezeggingen op verzoek van een instelling toe. De [GAR] wijst het gebruik van onherroepelijke betalingstoezeggingen gelijkelijk toe aan de instellingen die daarom verzoeken. De toegewezen onherroepelijke betalingstoezeggingen mogen niet minder dan 15 % van het totaalbedrag van de betalingsverplichtingen van de instelling bedragen. Bij de berekening van de jaarlijkse bijdragen van elke instelling draagt de [GAR] er zorg voor dat in een jaar de som van die onherroepelijke betalingstoezeggingen niet hoger is dan 30 % van het totaalbedrag van de jaarlijkse bijdragen die overeenkomstig artikel 70 van verordening [nr. 806/2014] worden geïnd.”

Tussen de GAR en BNP Paribas Public Sector getekende overeenkomsten

8 De OBT-overeenkomsten 2016‑2021 worden beheerst door het Luxemburgse recht en bevatten een arbitragebeding in de zin van artikel 272 VWEU.

9 Clausule 2.1 van de OBT-overeenkomsten 2016‑2021 luidt als volgt:

„De instelling verbindt zich ertoe en zegt onherroepelijk toe om de GAR een bedrag tot maximaal het bedrag [van de onherroepelijke betalingstoezeggingen] te betalen wanneer de GAR een beroep doet op die toezeggingen en om betaling ervan verzoekt overeenkomstig de toepasselijke wetgeving, waaronder met name artikel 7, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/81.”

10 Clausule 12.5 van de OBT-overeenkomsten 2016‑2021 bepaalt dat „[d]eze overeenkomst [...] de toepassing van artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81 onverlet [laat]”.

Voorgeschiedenis van het geding

11 De voorgeschiedenis van het geding is door het Gerecht uiteengezet in de punten 2 tot en met 15 van het bestreden arrest en kan worden samengevat als volgt.

12 Rekwirante was een kredietinstelling naar Frans recht waaraan een vergunning was verleend tot 24 maart 2021, datum waarop haar vergunning op haar eigen verzoek door de ECB is ingetrokken.

13 Vóór de implementatie van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM), dat is ingevoerd bij verordening nr. 806/2014, heeft rekwirante voor het jaar 2015 een deel van haar bijdrage aan de nationale financieringsregeling voor afwikkelingsprocedures verstrekt in de vorm van een onherroepelijke betalingstoezegging (hierna: „onherroepelijke betalingstoezegging 2015”), die zij is aangegaan met de GAR, de Autorité de contrôle prudentiel et de résolution (prudentiële toezichthouder, Frankrijk) en het Fonds de garantie des dépôts et de résolution (depositogarantie- en afwikkelingsfonds, Frankrijk).

14 Voor de bijdrageperioden van 2016 tot en met 2021 heeft rekwirante minstens een deel van haar vooraf te betalen bijdragen verstrekt in de vorm van onherroepelijke betalingstoezeggingen in de zin van artikel 70, lid 3, van verordening nr. 806/2014. Daartoe is zij met de GAR voor elk van deze bijdrageperioden dergelijke toezeggingen (hierna: „onherroepelijke betalingstoezeggingen 2016‑2021”) aangegaan.

15 Bij e-mail van 1 april 2021 heeft rekwirante de GAR meegedeeld dat haar vergunning was ingetrokken door de ECB. Zij heeft de GAR daarop verzocht om informatie te verschaffen over de stappen die moesten worden ondernomen met het oog op de teruggave van de zekerheden die waren gesteld ter dekking van de door haar aangegane onherroepelijke betalingstoezeggingen.

16 Bij brief van 14 april 2021 heeft de GAR rekwirante meegedeeld welke formaliteiten zij moest vervullen met het oog op de teruggave van de zekerheden ter dekking van die toezeggingen.

17 Op 29 juli 2021 heeft rekwirante de GAR na verschillende uitwisselingen in kennis gesteld van de beëindiging van de onherroepelijke betalingstoezegging 2015 en de onherroepelijke betalingstoezeggingen 2016‑2021.

18 Na verdere uitwisselingen heeft de GAR verzoekster bij brief van 13 augustus 2021 (hierna: „brief van 13 augustus 2021”) meegedeeld dat hij haar de zekerheden voor de onherroepelijke betalingstoezegging 2015 en de onherroepelijke betalingstoezeggingen 2016‑2021 zou teruggeven na ontvangst van contanten die overeenkomen met de op grond van die verbintenissen vastgelegde bedragen.

19 In die brief heeft de GAR eraan herinnerd dat rekwirante met hem meerdere onherroepelijke betalingstoezeggingen was aangegaan. Voor elk van die toezeggingen heeft de GAR het vastgelegde bedrag gepreciseerd. Na de opsomming van die bedragen heeft hij met name erop gewezen dat – gelet op artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014, waarin is bepaald dat de terecht ontvangen bijdragen niet aan de entiteiten worden terugbetaald, en gelet op artikel 7, lid 1, van uitvoeringsverordening 2015/81, waarin is bepaald dat het beroep op onherroepelijke betalingstoezeggingen in geen geval de financiële capaciteit en de liquiditeit van het GAF mag beïnvloeden – de onherroepelijke betalingstoezeggingen 2016‑2021 pas konden worden ingetrokken en de zekerheden ter dekking van die toezeggingen vervolgens pas konden worden teruggegeven na de betaling in contanten van bedragen die overeenkwamen met de bedragen van de verschillende toezeggingen in kwestie. De GAR heeft rekwirante vervolgens verzocht om hem een bepaald totaalbedrag over te maken en hem daarvan per e-mail in kennis te stellen. Na ontvangst van dat bedrag zou hij haar de zekerheden, verminderd met het bedrag van de opgelopen negatieve rente, teruggeven na het verstrijken van een termijn van veertien bankwerkdagen na de dag van ontvangst van de kennisgeving van de beëindiging.

20 Op 25 oktober 2021 heeft rekwirante de GAR in essentie ter kennis gebracht dat zij die betaling niet zou verrichten, aangezien zij de GAR volgens haar begrip van het toepasselijke regelgevingskader geen contanten hoefde over te dragen die overeenkwamen met het totale bedrag van de geldsommen die waren vastgelegd in het kader van de onherroepelijke betalingstoezegging 2015 en de onherroepelijke betalingstoezeggingen 2016‑2021, om de teruggave van de zekerheden te verkrijgen.

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

21 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 25 oktober 2021 heeft rekwirante in de eerste plaats verzocht om de brief van 13 augustus 2021 nietig te verklaren op grond van de artikelen 256 en 263 VWEU, in de tweede plaats om haar verzoek op grond van de artikelen 272 en 340, eerste alinea, VWEU toe te wijzen door vast te stellen dat het in deze brief uitgedrukte standpunt de bepalingen van de onherroepelijke betalingstoezeggingen 2016‑2021 schenden, en door de GAR te gelasten haar de bedragen terug te betalen die overeenkomen met de aan de onherroepelijke betalingstoezeggingen verbonden contante zekerheden die hij in strijd met zijn contractuele verplichtingen heeft behouden, alsmede alle daarmee verband houdende kosten, vertragingsrente en bijkomende kosten van welke aard ook, in de derde plaats om haar verzoek op grond van artikel 340, tweede alinea, VWEU toe te wijzen door vast te stellen dat de weigering van de GAR om haar de bedragen terug te betalen die overeenkomen met de aan de onherroepelijke betalingstoezegging 2015 verbonden contante zekerheden een ongerechtvaardigde verrijking vormt, en door de GAR te gelasten haar die bedragen bij wijze van schadevergoeding te betalen, alsook alle daarmee verband houdende kosten, vertragingsrente en bijkomende kosten van welke aard ook, en om in de vierde plaats en subsidiair, haar verzoek op grond van artikel 340, tweede alinea, VWEU toe te wijzen door vast te stellen dat de weigering van de GAR om haar de bedragen terug te betalen die overeenkomen met de aan de onherroepelijke betalingstoezeggingen 2016‑2021 verbonden contante zekerheden, een ongerechtvaardigde verrijking vormt, en door de GAR te gelasten haar die bedragen bij wijze van schadevergoeding te betalen, alsook alle daarmee verband houdende kosten, vertragingsrente en bijkomende kosten van welke aard ook.

22 In de loop van het geding heeft rekwirante het verzoek krachtens artikel 256 VWEU en artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van de brief van 13 augustus 2021 ingetrokken.

23 Het Gerecht heeft, na alle andere vorderingen van rekwirante te hebben afgewezen, het beroep in zijn geheel verworpen.

24 In de eerste plaats heeft het Gerecht met betrekking tot de op artikel 272 VWEU en artikel 340, eerste alinea, VWEU gebaseerde vordering van rekwirante erop gewezen dat uit artikel 70, lid 1, van verordening nr. 806/2014 volgt dat kredietinstellingen die zijn gevestigd in een lidstaat die deelneemt aan het GAM, zoals het geval was voor rekwirante totdat zij niet langer binnen het toepassingsgebied van die verordening viel, voor elk bijdragejaar een vooraf te betalen bijdrage aan het GAF moeten betalen. Het Gerecht heeft ook opgemerkt dat de jaarlijkse inning van de vooraf te betalen bijdragen van kredietinstellingen op grond van artikel 69, lid 1, van die verordening is ingevoerd om ervoor te zorgen dat de beschikbare financiële middelen van het GAF aan het einde van de initiële periode het streefbedrag bereiken. Gelet op die doelstelling heeft de Uniewetgever in artikel 70, lid 4, van die verordening bepaald dat de „terecht ontvangen” vooraf te betalen bijdragen niet worden terugbetaald.

25 Vervolgens heeft het Gerecht geoordeeld dat de kredietinstellingen volgens artikel 70, lid 3, van verordening nr. 806/2014 hun verplichting om bij te dragen aan het GAF kunnen nakomen door ofwel hun bijdrage onmiddellijk te betalen, ofwel een onherroepelijke betalingstoezegging aan te gaan. Die toezeggingen hebben volgens het Gerecht als bijzonderheid dat het om overeenkomsten voor onbepaalde tijd gaat die de instellingen de mogelijkheid bieden om de betaling van hun bijdrage uit te stellen, en zijn onderworpen aan een specifieke regeling, die vervat is in artikel 7 van uitvoeringsverordening 2015/81.

26 Voorts heeft het Gerecht verklaard dat het juist is, zoals rekwirante voor het Gerecht heeft betoogd, dat artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81 niet uitdrukkelijk bepaalt dat de kredietinstellingen eerst hun vooraf te betalen bijdrage moeten betalen opdat de als zekerheid betaalde bedragen vervolgens aan hen kunnen worden teruggegeven. Het Gerecht heeft er echter aan herinnerd dat uit artikel 69, lid 1, en artikel 70, lid 1, van verordening nr. 806/2014 volgt dat kredietinstellingen die zijn gevestigd in een lidstaat die deelneemt aan het GAM verplicht zijn om gedurende de initiële periode een jaarlijkse vooraf te betalen bijdrage aan het GAF te betalen opdat het fonds aan het einde van die periode het streefbedrag bereikt. Hieruit volgt dat indien de zekerheid ter dekking van een onherroepelijke betalingstoezegging zou worden teruggegeven zonder voorafgaande ontvangst van de vooraf te betalen bijdrage waarvoor die toezegging is aangegaan, de kredietinstelling niet alleen zou tekortschieten in haar verplichting om de volledige bijdrage te betalen die zij verschuldigd was voor de periode waarin zij binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 viel, maar in dat geval tevens met de vooraf te betalen bijdrage in de vorm van een onherroepelijke betalingstoezegging niet de doelstelling zou worden bereikt om het GAF te voorzien van de financiële middelen die overeenkomen met het door de Uniewetgever vastgestelde niveau.

27 Ten slotte heeft het Gerecht geoordeeld dat de omstandigheid dat een entiteit in de loop van de bijdrageperiode ten gevolge van de intrekking van haar vergunning ophoudt activiteiten als kredietinstelling te verrichten, geen invloed heeft op haar verplichting tot betaling van de volledige voor die bijdrageperiode verschuldigde vooraf te betalen bijdrage. Artikel 7, lid 1, van uitvoeringsverordening 2015/81 bepaalt uitdrukkelijk dat het beroep op onherroepelijke betalingstoezeggingen in geen geval de financiële capaciteit en de liquiditeit van het GAF mag beïnvloeden. De intrekking van een onherroepelijke betalingstoezegging als gevolg van het feit dat een instelling niet langer binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 valt, en de teruggave van de zekerheid ter dekking van die toezegging, waarin artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81 voorziet, mogen dus niet ten koste gaan van het GAF. Genoemd artikel 7, lid 3, heeft dus niet tot doel om kredietinstellingen die niet langer binnen het toepassingsgebied van die verordening vallen, de mogelijkheid te bieden om zich te onttrekken aan hun verplichting om de volledige verschuldigde bijdrage te betalen, maar strekt ertoe ervoor te zorgen dat de financiële middelen van het GAF in geval van afwikkeling zo snel mogelijk ter beschikking van de GAR zullen staan, dat wil zeggen om de financiële capaciteit en de liquiditeit van het GAF te waarborgen.

28 In het licht van met name de voorgaande overwegingen heeft het Gerecht geoordeeld dat noch de in casu toepasselijke bepalingen – waaronder artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81 – noch de voorwaarden van de tussen rekwirante en de GAR gesloten overeenkomsten zich verzetten tegen het door de GAR in de brief van 13 augustus 2021 ingenomen standpunt dat hij de contante zekerheden ter dekking van de onherroepelijke betalingstoezeggingen pas kon teruggeven na de betaling van een totaalbedrag dat overeenkomt met het bedrag van de vooraf te betalen bijdrage waarvoor die instrumenten waren gebruikt. Evenzo heeft het Gerecht de aanvullende argumenten van rekwirante ter ondersteuning van de door haar voorgestane uitlegging onderzocht en als niet overtuigend verworpen.

29 In de tweede plaats heeft het Gerecht met betrekking tot de op artikel 340, tweede alinea, VWEU gebaseerde vorderingen van rekwirante geoordeeld dat het besluit van de GAR om de bedragen te behouden die overeenkomen met de contante zekerheden ter dekking van de door rekwirante aangegane onherroepelijke betalingstoezeggingen, op een geldige rechtsgrondslag berustte, namelijk de onherroepelijke betalingstoezegging 2015, de onherroepelijke betalingstoezeggingen 2016‑2021 en artikel 70, lid 1, van verordening nr. 806/2014, en dus geen ongerechtvaardigde verrijking voor de GAR kon vormen die schadevergoeding rechtvaardigt.

Conclusies van partijen

30 Met haar hogere voorziening verzoekt rekwirante, ondersteund door de Franse Republiek en Fédération bancaire française, het Hof:

– het bestreden arrest te vernietigen;

– het in eerste aanleg gevorderde toe te wijzen, en

– de GAR te verwijzen in de kosten.

31 De GAR verzoekt het Hof:

– de hogere voorziening af te wijzen;

– subsidiair, indien nodig, de motivering van het bestreden arrest te vervangen en de hogere voorziening af te wijzen, alsook

– rekwirante te verwijzen in de kosten.

Hogere voorziening

32 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante twee middelen aan, waarvan het eerste is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van verordening nr. 806/2014 en uitvoeringsverordening 2015/81, en het tweede aan een ontoereikende motivering.

Eerste middel: onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van verordening nr. 806/2014 en uitvoeringsverordening 2015/81

Argumenten van partijen

33 Met haar eerste middel, dat uit vijf onderdelen bestaat, betwist rekwirante de uitlegging die het Gerecht heeft gegeven aan artikel 69, lid 1, en artikel 70, leden 1 tot en met 4, van verordening nr. 806/2014, en aan artikel 7, leden 1 tot en met 3, van uitvoeringsverordening 2015/81. Rekwirante betoogt in essentie dat, anders dan blijkt uit het bestreden arrest, het feit dat een kredietinstelling niet langer binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 valt, tot gevolg moet hebben dat de GAR de zekerheden ter dekking van de door die kredietinstelling aangegane onherroepelijke betalingstoezeggingen teruggeeft zonder dat die instelling enige aanvullende verplichting wordt opgelegd.

34 Volgens het eerste onderdeel van het eerste middel betwist rekwirante de in de punten 24 tot en met 28 van het onderhavige arrest uiteengezette uitlegging van het Gerecht door aan te voeren dat het Gerecht ten onrechte geen tekstuele analyse van de bewoordingen van artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81 heeft verricht. Rekwirante wijst er met name op dat die bewoordingen duidelijk en nauwkeurig zijn, in die zin dat daarin is bepaald dat wanneer een kredietinstelling niet langer binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 valt, de door die instelling aangegane onherroepelijke betalingstoezeggingen „worden ingetrokken”, zonder dat aan die intrekking enige voorwaarde is verbonden. Die bepaling geeft volgens rekwirante ook de gevolgen aan die uit die intrekking voortvloeien, namelijk dat de zekerheden ter dekking van die toezeggingen „worden teruggegeven”, eveneens zonder dat aan die teruggave enige voorwaarde wordt verbonden. Aangezien het Gerecht de voorkeur heeft gegeven aan een contextuele en teleologische uitlegging van artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81, geeft het bestreden arrest blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

35 In het tweede onderdeel van het eerste middel betoogt rekwirante dat het Gerecht artikel 70, lid 1, van verordening nr. 806/2014, artikel 7, leden 2 en 3, van uitvoeringsverordening 2015/81, alsook het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden.

36 Ten eerste betoogt rekwirante dat artikel 70, lid 1, van verordening nr. 806/2014 geen verplichting tot „betaling” van vooraf te betalen bijdragen in het leven roept, maar een verplichting tot „inning” van die bijdragen die kan plaatsvinden in de vorm van een contante betaling, dan wel in de vorm van het aangaan van een onherroepelijke betalingstoezegging volgens de voorwaarden die zijn vastgesteld in artikel 70, lid 3, van deze verordening. Door zich in de punten 31 en 39 van het bestreden arrest te baseren op punt 85 van het arrest van 20 januari 2021, ABLV Bank/GAR (T‑758/18, EU:T:2021:28), waarin wordt verwezen naar de „verplichting om de volledige [...] vooraf te betalen bijdrage te betalen”, heeft het Gerecht dat arrest onjuist uitgelegd, aangezien het uitsluitend betrekking had op bijdragen in contanten en niet op onherroepelijke betalingstoezeggingen.

37 Ten tweede zijn de bewoordingen van artikel 7, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/81 volgens rekwirante ondubbelzinnig, in die zin dat op onherroepelijke betalingstoezeggingen alleen een beroep mag worden gedaan in het geval van een afwikkelingsmaatregel waarbij gebruik wordt gemaakt van het GAF. Deze lezing wordt bevestigd door overweging 16 van deze uitvoeringsverordening. Dat een dergelijke betalingsverplichting voorwaardelijk is, doet geenszins af aan het onherroepelijke karakter ervan. Aangezien de GAR in het onderhavige geval geen beroep heeft gedaan op het GAF in het kader van een afwikkelingsmaatregel, heeft het Gerecht artikel 7, lid 2, van die uitvoeringsverordening en clausule 2.1 van de OBT-overeenkomsten 2016‑2021 geschonden. Bovendien heeft het Gerecht er volgens rekwirante op gewezen dat het verschil tussen een vooraf te betalen bijdrage in contanten en een onherroepelijke betalingstoezegging bestaat in het feit dat de bijdrage in contanten „onmiddellijk” wordt betaald, terwijl het bij de betaling in contanten in het kader van een onherroepelijke betalingstoezegging, die even bindend is, slechts gaat om een „uitgestelde betaling”. Daarmee is het Gerecht voorbijgegaan aan het voorwaardelijke karakter van onherroepelijke betalingstoezeggingen. Bovendien mist de redenering van het Gerecht met betrekking tot het vermeend „uitgestelde” karakter van de betalingsverplichting die voortvloeit uit een onherroepelijke betalingstoezegging, elke wettelijke of contractuele grondslag. Indien ten slotte elke kredietinstelling die onherroepelijke betalingstoezeggingen aangaat een „uitgestelde betalingsverplichting” zou hebben zonder dat er sprake is van een afwikkelingsmaatregel waarbij een beroep op het GAF wordt gedaan, dan zouden de kredietinstellingen die niet langer binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 vallen zich in een minder gunstige situatie bevinden dan de kredietinstellingen die eronder blijven vallen, wat afbreuk zou doen aan de gelijke behandeling tussen kredietinstellingen die onherroepelijke betalingstoezeggingen zijn aangegaan.

38 Ten derde voert rekwirante aan dat de bewoordingen van artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81 duidelijk zijn en dat het Gerecht deze bepaling contra legem uitlegt en bijgevolg clausule 12.5 van de OBT-overeenkomsten 2016‑2021 schendt.

39 In het derde onderdeel van het eerste middel stelt rekwirante dat de redenering van het Gerecht geen rechtsgrondslag heeft voor zover deze is gebaseerd op artikel 69, lid 1, en artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 ter rechtvaardiging van zijn standpunt dat de kredietinstelling een onvoorwaardelijke verplichting heeft om het bedrag van de onherroepelijke betalingstoezegging te „betalen” wanneer de kredietinstelling niet langer binnen het toepassingsgebied van die verordening valt voorafgaand aan de teruggave van de zekerheden. Het Gerecht rechtvaardigt zijn redenering met een beroep op de doelstelling om het in artikel 69, lid 1, van die verordening bedoelde streefbedrag te bereiken. Overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt 34, van verordening nr. 806/2014 omvatten de „beschikbare financiële middelen [...] contant geld, deposito’s, activa en onherroepelijke betalingstoezeggingen waarover het [GAF] beschikt”. Hieruit volgt volgens rekwirante dat de „beschikbare financiële middelen” als bedoeld in artikel 69, lid 1, van deze verordening logischerwijze de onherroepelijke betalingstoezeggingen zelf omvatten, ongeacht een eventuele betaling van de bedragen in contanten. Dit artikel 69, lid 1, kan dus niet als rechtsgrondslag dienen voor een onvoorwaardelijke verplichting om de met die toezeggingen overeenkomende bedragen in contanten te betalen. Aangezien onherroepelijke betalingstoezeggingen slechts één van de financiële middelen zijn waarover de GAR beschikt, staat bovendien niets eraan in de weg dat de GAR de toekomstige individuele bijdragen van de andere kredietinstellingen aanpast om ervoor te zorgen dat het streefbedrag wordt bereikt overeenkomstig artikel 69, leden 2 en 4, van verordening nr. 806/2014. Door te stellen dat artikel 70, lid 4, van deze verordening, dat het verbod bevat om de „terecht ontvangen” bijdragen terug te betalen, zonder uitzondering geldt voor alle vooraf te betalen bijdragen, heeft het Gerecht dus geoordeeld dat de onherroepelijke betalingstoezeggingen „terecht ontvangen” bijdragen zijn. Een dergelijke lezing is echter onverenigbaar met de door de Uniewetgever gebruikte bewoordingen. Een verbod om dergelijke toezeggingen „terug te betalen”, gesteld al dat een dergelijk begrip zin zou hebben, zou hoe dan ook geen afdoende rechtsgrondslag kunnen vormen om de kredietinstelling een positieve verplichting op te leggen tot betaling van de bedragen van deze toezeggingen, indien niet is voldaan aan de voorwaarde voor de betaling ervan.

40 In het vierde onderdeel van het eerste middel stelt rekwirante dat het Gerecht artikel 7, lid 1, van uitvoeringsverordening 2015/81 heeft uitgelegd op een wijze die artikel 7, lid 2, en artikel 7, lid 3, van deze uitvoeringsverordening verdraait en deze laatste bepaling haar nuttig effect ontneemt. Volgens het Gerecht betekent artikel 7, lid 1, van die uitvoeringsverordening dat de intrekking van een onherroepelijke betalingstoezegging en de teruggave van de respectieve zekerheid, waarin is voorzien bij artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81, „dus niet ten koste [...] van het GAF [mogen gaan]”. Ten eerste zou deze uitlegging volgens rekwirante betekenen dat de intrekking van een dergelijke toezegging en de teruggave van de respectievelijke zekerheden, zoals bedoeld in dat artikel 7, lid 3, noodzakelijkerwijze en op zichzelf de financiële draagkracht of de liquiditeit van het GAF kunnen beïnvloeden, en dat artikel 7, lid 3, dus nooit toepassing zou kunnen vinden. Ten tweede verdraait de uitlegging die het Gerecht heeft gegeven aan de bewoordingen van artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81, wat wordt bevestigd door punt 44 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht in werkelijkheid verwijst naar de maatregelen die zijn neergelegd in artikel 7, lid 2, en artikel 7, lid 1, van die uivoeringsverordening, en niet naar artikel 7, lid 3, ervan. Ten derde is de uitlegging van het Gerecht niet geloofwaardig. Er bestaat een uitdrukkelijke bepaling die voorziet in een beroep op een onherroepelijke betalingstoezegging en de betaling van het bedrag in contanten als voorafgaande voorwaarde voor de terugbetaling van de zekerheden, namelijk artikel 7, lid 2, van de uitvoeringsverordening. Indien het de bedoeling was geweest om dat mechanisme ook toe te passen wanneer een kredietinstelling niet langer binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 valt als bedoeld in artikel 7, lid 3, van de uitvoeringsverordening, dan zou een bepaling in die zin uitdrukkelijk zijn opgenomen in die uitvoeringsverordening.

41 In het vijfde onderdeel van het eerste middel betoogt rekwirante in ondergeschikte orde dat het Gerecht het beginsel lex specialis generalibus derogat heeft geschonden door voorrang te geven aan de algemene bepalingen van artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 en artikel 7, lid 1, van uitvoeringsverordening 2015/81, boven de bijzondere bepalingen van artikel 7, leden 2 en 3, van deze uitvoeringsverordening. Door te oordelen dat „de Uniewetgever in artikel 70, lid 4 [...] [heeft bepaald] dat de ‚terecht ontvangen’ vooraf te betalen bijdragen niet worden terugbetaald [en dat] [...] de Uniewetgever [met deze formulering] een regel zonder uitzonderingen [heeft] vastgesteld”, heeft het Gerecht ten onrechte voorrang gegeven aan een regel die het als algemeen beschouwt, boven de in artikel 7, leden 2 en 3, van uitvoeringsverordening 2015/81 neergelegde regels die specifiek gelden voor onherroepelijke betalingstoezeggingen. Evenzo heeft het Gerecht voorrang gegeven aan artikel 7, lid 1, van deze uitvoeringsverordening boven artikel 7, lid 3, ervan, door te oordelen dat deze laatste bepaling moest worden uitgelegd „tegen de achtergrond” van de eerste bepaling. Volgens rekwirante voert artikel 7, lid 1, echter een algemeen beginsel in op grond waarvan geen afbreuk mag worden gedaan aan de financiële draagkracht van het GAF, terwijl artikel 7, lid 3, op gedetailleerde en concrete wijze het lot van onherroepelijke betalingstoezeggingen uiteenzet in het zeer specifieke geval dat een kredietinstelling niet langer binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 valt.

42 De GAR betwist die argumenten.

Beoordeling door het Hof

43 Wat het eerste onderdeel van het eerste middel betreft, waarmee wordt aangevoerd dat geen rekening is gehouden met de bewoordingen van artikel 7, lid 3 van uitvoeringsverordening 2015/81, moet worden opgemerkt dat het Gerecht de bewoordingen van artikel 7 van deze verordening heeft geciteerd en vervolgens in punt 36 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de in dat artikel voorkomende term „onherroepelijk” – in de gebruikelijke betekenis ervan – verwijst naar zaken die niet ter discussie kunnen worden gesteld en dat een onherroepelijke betalingstoezegging dus een onbetwistbare verplichting inhoudt om het bedrag te betalen waarvoor die toezegging is gedaan. Bovendien heeft het Gerecht in punt 37 van het bestreden arrest opgemerkt dat artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81 weliswaar niet uitdrukkelijk bepaalt dat de kredietinstellingen die besluiten om niet langer binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 te vallen, eerst hun bijdrage moeten betalen opdat hun zekerheid vervolgens aan hen kan worden teruggegeven, maar dat die instellingen overeenkomstig de artikelen 69 en 70 van verordening nr. 806/2014 verplicht zijn om gedurende de initiële periode een jaarlijkse bijdrage aan het GAF te betalen opdat het fonds aan het einde van die periode het streefbedrag bereikt. Daaruit heeft het Gerecht afgeleid dat indien de zekerheid ter dekking van een onherroepelijke betalingstoezegging zou worden teruggegeven zonder voorafgaande ontvangst van de bijdrage waarvoor deze toezegging is aangegaan, de instelling niet alleen zou tekortschieten in haar verplichting om de volledige bijdrage te betalen die zij verschuldigd was voor de periode waarin zij binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 viel, maar in dat geval tevens met de vooraf te betalen bijdrage in de vorm van een onherroepelijke betalingstoezegging niet de doelstelling zou kunnen worden bereikt om het GAF te voorzien van de financiële middelen die overeenkomen met het door de Uniewetgever vastgestelde niveau.

44 Hieruit volgt dat het Gerecht – anders dan rekwirante betoogt – een letterlijke uitlegging van artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81 heeft gegeven.

45 Wat voorts de grief betreft dat het Gerecht de beginselen van uitlegging van het Unierecht heeft geschonden doordat het voorrang heeft gegeven aan een contextuele en teleologische uitlegging, terwijl de bewoordingen van artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81 duidelijk en precies zijn, moet in herinnering worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak een uitlegging van een bepaling van het Unierecht er weliswaar niet toe mag leiden dat aan duidelijke en precieze bewoordingen elk nuttig effect wordt ontnomen, maar dat dit niet betekent dat de Unierechter de mogelijkheid wordt ontnomen om in bepaalde situaties gebruik te maken van uitleggingsmethoden die hij geschikt acht om de precieze strekking van een duidelijk lijkende bepaling van Unierecht te verhelderen, met dien verstande dat elke bepaling van Unierecht in haar context moet worden geplaatst en moet worden uitgelegd in het licht van dit recht in zijn geheel, zijn doelstellingen en zijn ontwikkelingsstand op het ogenblik waarop de betrokken bepaling moet worden toegepast (arrest van 3 september 2024, Illumina en Grail/Commissie, C‑611/22 P en C‑625/22 P, EU:C:2024:677, punten 126 en 127 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Uit de rechtspraak van het Hof blijkt eveneens dat een uitvoeringsverordening indien mogelijk aldus moet worden uitgelegd dat zij in overeenstemming is met de bepalingen van de basisverordening (arrest van 29 februari 2024, cdVet Naturprodukte, C‑13/23, EU:C:2024:175, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46 In het onderhavige geval zijn de bewoordingen van artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81 weliswaar duidelijk wat betreft de gevolgen voor de handhaving van de onherroepelijke betalingstoezeggingen van een kredietinstelling wanneer zij niet meer binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 806/24 valt, maar dit is niet het geval in verband met de gevolgen daarvan voor de bijdragen aan het GAF bestaande in die toezeggingen voor de periode waarin de kredietinstelling binnen dat toepassingsgebied viel.

47 Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 40 van haar conclusie kan het Gerecht derhalve niet worden verweten dat het de beginselen inzake uitlegging van het Unierecht heeft geschonden, aangezien het de tekst van artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81 heeft onderzocht en zijn vaststellingen in verband heeft gebracht met de relevante bepalingen van verordening nr. 806/2014, namelijk met de artikelen 69 en 70 ervan, teneinde te beoordelen of hetgeen volgde uit de kennelijk duidelijke en nauwkeurige formulering van artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening, waarop rekwirante zich beroept, kon worden bevestigd. Het eerste onderdeel van het eerste middel moet derhalve ongegrond worden verklaard.

48 Wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft, waarmee wordt aangevoerd dat artikel 70, lid 1, van verordening nr. 806/2014, artikel 7, leden 2 en 3, van uitvoeringsverordening 2015/81, alsook het beginsel van gelijke behandeling zijn geschonden, heeft rekwirante terecht opgemerkt dat artikel 70, lid 1, van verordening nr. 806/2014 de term „geïnd” gebruikt, en niet de term „betaald” om te verwijzen naar de vooraf te betalen bijdragen waaraan de kredietinstellingen die binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 vallen, onderworpen zijn.

49 Het Gerecht heeft in punt 28 van het bestreden arrest echter geoordeeld dat uit artikel 70, lid 1, van verordening nr. 806/2014 volgt dat in een deelnemende lidstaat gevestigde kredietinstellingen – zoals rekwirante – voor elk bijdragejaar een bijdrage aan het GAF moeten „betalen”. Op basis daarvan heeft het Gerecht geoordeeld dat kredietinstellingen die gebruik hebben gemaakt van een onherroepelijke betalingstoezegging voor een bijdragejaar, nog steeds verplicht zijn om hun vooraf te betalen bijdrage in contanten te betalen voor datzelfde jaar wanneer zij besluiten om niet langer binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 te vallen. Volgens het Gerecht was een dergelijke uitlegging bovendien in overeenstemming met het doel van artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81, dat blijkens punt 44 van het bestreden arrest erin bestaat ervoor te zorgen dat de financiële middelen van het GAF in het geval van afwikkeling zo snel mogelijk ter beschikking van de GAR zullen staan, dat wil zeggen om de financiële capaciteit en de liquiditeit van het GAF te waarborgen.

50 Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in de punten 49 tot en met 52 van haar conclusie heeft het door rekwirante gemaakte terminologische onderscheid waarbij de term „betaald” betrekking heeft op een bijdrage in contanten, terwijl de term „innen” betrekking heeft op hetzij een betaling in contanten, hetzij het aangaan van een onherroepelijke betalingstoezegging, evenwel geen invloed op de gecombineerde lezing van artikel 70, lid 1, van verordening nr. 806/2014 en artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81.

51 Het gebruik van de term „geïnd” in artikel 70, lid 1, van verordening nr. 806/2014 en het gebruik van de term „betalen” in het bestreden arrest zijn namelijk een verwijzing naar de twee zijden van dezelfde verplichting. Het door rekwirante gemaakte terminologische onderscheid tussen deze twee termen vindt bovendien geen steun in de bewoordingen van verordening nr. 806/2014 en uitvoeringsverordening 2015/81.

52 In het bijzonder volgt – anders dan rekwirante stelt – geenszins uit punt 28 van het bestreden arrest dat het Gerecht heeft geoordeeld dat er een „vermeende verplichting voor de betrokken kredietinstelling bestaat om te ‚betalen’, namelijk om gedurende de initiële periode een jaarlijkse bijdrage in contanten te betalen aan het GAF”. Zoals blijkt uit de punten 39, 40, 50 en 55 van het bestreden arrest – die rekwirante nochtans heeft aangehaald – heeft het Gerecht namelijk steeds verwezen naar het volledige bedrag van de door de kredietinstellingen verschuldigde jaarlijkse bijdrage, waarbij het geen onderscheid maakte tussen het deel van die bijdrage dat in contanten moest worden betaald, en het deel dat – in voorkomend geval – werd gedekt door onherroepelijke betalingstoezeggingen.

53 Hieruit volgt dat het gebruik van de term „geïnd” in de bewoordingen van artikel 70, lid 1, van verordening nr. 806/2014 op zich niet in de weg kan staan van de uitlegging van het Gerecht volgens welke kredietinstellingen die gebruikmaken van onherroepelijke betalingstoezeggingen, het bedrag van hun bijdragen in contanten moeten betalen wanneer zij besluiten om niet langer binnen het toepassingsgebied van die verordening te vallen.

54 In dit verband moet worden opgemerkt dat, aangezien in die bepaling is bepaald dat de jaarlijkse individuele bijdrage van elke betrokken kredietstelling wordt „geïnd”, zonder op dat punt een onderscheid te maken, het door rekwirante bepleite onderscheid er in werkelijkheid op zou neerkomen dat de bewoordingen van deze bepaling ter discussie worden gesteld.

55 Wat betreft het argument van rekwirante in verband met artikel 7, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/81, namelijk dat op onherroepelijke betalingstoezeggingen alleen een beroep mag worden gedaan in het geval van een afwikkelingsmaatregel, moet worden opgemerkt dat – zoals het Gerecht in punt 54 van het bestreden arrest heeft vastgesteld – de GAR deze bepaling niet heeft toegepast. De onderhavige zaak heeft namelijk geen betrekking op de gevolgen van een verzoek tot betaling in het geval van de afwikkeling van een kredietinstelling, maar op de gevolgen van de intrekking van een onherroepelijke betalingstoezegging door een kredietinstelling die niet langer binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 valt.

56 De omstandigheid dat artikel 7, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/81 een betalingsverplichting oplegt wanneer in het kader van een afwikkelingsmaatregel gebruik wordt gemaakt van het GAF, sluit geenszins uit dat een soortgelijke verplichting bestaat op grond van de in artikel 70, lid 1, van verordening nr. 806/2014 neergelegde bijdrageverplichting van kredietinstellingen en van het beginsel van gelijke behandeling.

57 Meer bepaald moet een dergelijke betalingsverplichting gelden in het geval van intrekking van onherroepelijke betalingstoezeggingen omdat een kredietinstelling niet langer binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt, aangezien deze intrekking niet mag resulteren in de afname van de beschikbare financiële middelen van het GAF die overeenstemmen met het bedrag van de financiële bijdragen van deze instelling voor de periode waarin zij binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 viel. Uit de artikelen 69 en 70 van deze verordening blijkt immers dat de jaarlijkse bijdragen van de kredietinstellingen het GAF in staat moeten stellen een bedrag op te bouwen dat overeenstemt met het streefbedrag aan het einde van de initiële periode. In dit verband bepaalt artikel 70, lid 4, van die verordening nader dat deze bijdragen, zodra zij terecht zijn ontvangen, niet worden terugbetaald, en dus verworven zijn voor het GAF. Aangezien deze bijdragen overeenkomstig artikel 70, lid 3, van verordening nr. 806/2014 kunnen worden gedaan in de vorm van onherroepelijke betalingstoezeggingen, kan de omstandigheid dat deze toezeggingen worden ingetrokken wanneer een kredietinstelling overeenkomstig artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81 niet langer binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 valt, niet eraan afdoen dat de bedragen die overeenstemmen met deze bijdragen verworven zijn voor het GAF.

58 Vervolgens moet eraan worden herinnerd dat het algemene beginsel van gelijke behandeling inhoudt dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk mogen worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is. De vergelijkbaarheid van de situaties moet met name worden beoordeeld tegen de achtergrond van het voorwerp en het doel van de handeling die het betrokken onderscheid invoert. Verder moet rekening worden gehouden met de beginselen en doelstellingen van het gebied waarvan deze handeling deel uitmaakt (arrest van 11 september 2025, Cairo Network e.a., C‑764/23–C‑766/23, EU:C:2025:691, punt 124 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

59 Gelet op het doel van verordening nr. 806/2014, namelijk eenvormige regels vaststellen voor de afwikkeling van kredietinstellingen in het kader van een GAM dat met name steunt op een GAF dat wordt gespijsd met bijdragen die worden geïnd bij kredietinstellingen die binnen het toepassingsgebied van die verordening vallen, moet worden vastgesteld dat – voor de periode waarin dergelijke kredietinstellingen binnen het toepassingsgebied van die verordening vallen – het beginsel van gelijke behandeling vereist dat deze instellingen gelijkelijk bijdragen aan het GAF, aangezien zij zich in een vergelijkbare situatie bevinden.

60 De omstandigheid dat één van die instellingen buiten het toepassingsgebied van die verordening komt te vallen, mag niet tot gevolg hebben dat zij van deze bijdragen wordt vrijgesteld voor de periode waarin zij binnen het toepassingsgebied van die verordening viel. Zou van een kredietinstelling niet worden verlangd dat zij de bedragen betaalt die overeenstemmen met haar onherroepelijke betalingstoezeggingen, wanneer die betalingstoezeggingen op grond van artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81 worden ingetrokken omdat die instelling niet langer binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 valt, dan zou dit erop neerkomen dat zij zonder objectieve rechtvaardiging en in strijd met het beginsel van gelijke behandeling wordt vrijgesteld van haar bijdragen aan het GAF voor de periode waarin zij binnen het toepassingsgebied van die verordening viel.

61 Gelet op de aard van de jaarlijkse bijdragen aan het GAF en het beginsel van gelijke behandeling, zijn kredietinstellingen die buiten het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 komen te vallen derhalve bij de intrekking van de onherroepelijke betalingstoezeggingen overeenkomstig artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81 verplicht om voorafgaand aan die intrekking het GAF een bedrag te betalen dat overeenstemt met deze toezeggingen.

62 Om deze redenen kan het Gerecht niet worden verweten dat het „is voorbijgegaan aan het voorwaardelijke karakter” van de onherroepelijke betalingstoezeggingen of dat het in de punten 33 en 55 van het bestreden arrest in essentie heeft geoordeeld dat de betaling in contanten in het kader van een onherroepelijke betalingstoezegging slechts wordt uitgesteld.

63 Rekwirante betoogt eveneens ten onrechte dat het Gerecht met zijn uitlegging „een ongunstiger situatie” creëert voor kredietinstellingen die niet langer binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 vallen, vergeleken met kredietinstellingen die er wel nog onder vallen, voor zover eerstgenoemden verplicht zijn om de contante bedragen te betalen die overeenstemmen met de onherroepelijke betalingstoezeggingen, terwijl laatstgenoemden dit niet moeten doen zolang er geen afwikkelingsmaatregel is genomen waarbij gebruik wordt gemaakt van het GAF, zoals blijkt uit artikel 7, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/81.

64 Gelet op het doel van verordening nr. 806/2014 moet namelijk worden vastgesteld dat zodra kredietinstellingen buiten het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 vallen, die instellingen en de kredietinstellingen die binnen dat toepassingsgebied blijven vallen, zich niet langer in een vergelijkbare situatie bevinden wat de verplichtingen betreft die krachtens verordening nr. 806/2014 op hen rusten. Hieruit volgt dat, zelfs indien zou blijken dat eerstgenoemden zich in „een ongunstiger situatie” bevinden vergeleken met laatstgenoemden, deze situatie niet resulteert in een schending van het beginsel van gelijke behandeling.

65 Ten slotte, voor zover rekwirante opnieuw wijst op de kennelijke duidelijkheid en nauwkeurigheid van de bewoordingen van artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81, volstaat de verwijzing naar de punten 43 tot en met 47 van het onderhavige arrest.

66 Gelet op het voorgaande moet het tweede onderdeel van het eerste middel eveneens worden afgewezen.

67 Wat het derde onderdeel van het eerste middel betreft, waarmee wordt aangevoerd dat er geen rechtsgrondslag bestaat voor de verplichting om het bedrag van de onherroepelijke betalingstoezegging te betalen wanneer een kredietinstelling niet langer binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 valt, moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat het Gerecht zich heeft gebaseerd op artikel 69, lid l, van deze verordening om het hoofddoel van de jaarlijkse inning van de vooraf te betalen bijdragen toe te lichten, zijnde te waarborgen dat aan het einde van de in die bepaling neergelegde initiële periode de beschikbare financiële middelen van GAF het in deze bepaling vastgestelde streefbedrag bereiken. Op basis daarvan heeft het Gerecht in punt 41 van het bestreden arrest terecht verklaard dat indien artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81 aldus zou worden uitgelegd dat een kredietinstelling die niet langer binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 valt, zoals rekwirante, het bedrag dat overeenstemt met haar onherroepelijke betalingstoezegging niet in contanten hoeft te betalen, die bepaling voorbij zou gaan aan de met name door artikel 69 van verordening nr. 806/2014 nagestreefde doelstelling om het streefbedrag te bereiken.

68 Voorts moet – gelet op het betoog van rekwirante dat is gebaseerd op de definitie van de termen „beschikbare financiële middelen”, zoals deze blijkt uit de gecombineerde lezing van artikel 3, lid 1, punt 34, en artikel 69, lid 1, van verordening nr. 806/2014 – worden vastgesteld dat dit betoog de redenering van het Gerecht eerder ondersteunt dan weerlegt. Aangezien onherroepelijke betalingstoezeggingen onder het begrip „beschikbare financiële middelen” in de zin van verordening nr. 806/2014 vallen en dus in aanmerking worden genomen om het streefbedrag van het GAF te bereiken, moet de intrekking ervan namelijk noodzakelijkerwijs gepaard gaan met een compensatie die overeenkomt met het met die toezeggingen overeenstemmende bedrag in contanten.

69 Voor zover rekwirante betoogt dat het feit dat een kredietinstelling niet langer binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 valt veeleer zou moeten worden gecompenseerd door aanpassingen van de vooraf te betalen bijdragen van de kredietinstellingen die wel nog binnen dat toepassingsgebied vallen, moet ten slotte worden opgemerkt dat overeenkomstig artikel 70 van deze verordening de individuele bijdragen van de kredietinstellingen jaarlijks worden geïnd, rekening houdend met het bedrag van de passiva van deze kredietinstellingen (exclusief eigen vermogen) en met het risicoprofiel van die instellingen, waarbij geen rekening kan worden gehouden met een verlaging van de bijdragen van bepaalde kredietinstellingen als gevolg van het feit dat zij niet langer binnen het toepassingsgebied van die verordening vallen.

70 Derhalve heeft het Gerecht terecht rekening gehouden met artikel 69, lid 1, van verordening nr. 806/2014, alsook met de doelstelling van deze bepaling om de omvang van de betalingsverplichting van de kredietinstellingen die niet langer binnen het toepassingsgebied van die verordening vallen af te bakenen.

71 In de tweede plaats en om de in de punten 56 tot en met 61 genoemde redenen kon de beoordeling van het Gerecht dat in artikel 70, lid 4, verordening nr. 806/2014 is bepaald dat de terecht ontvangen bijdragen van de kredietinstellingen niet worden terugbetaald, eveneens zijn uitlegging onderbouwen dat de teruggave van zekerheden ter dekking van onherroepelijke betalingstoezeggingen slechts kan plaatsvinden na betaling van een bedrag dat overeenkomt met de bijdrage in de plaats waarvan die toezeggingen zijn gekomen.

72 Dienaangaande kan het betoog van rekwirante dat de tussen de kredietinstellingen en de GAR gesloten overeenkomsten voor het aangaan van onherroepelijke betalingstoezeggingen naar hun aard niet kunnen worden „geïnd”, niet slagen.

73 In dit verband moet namelijk in herinnering worden gebracht dat de Uniewetgever met de duidelijke bewoordingen van artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 in algemene zin de terugbetaling van de behoorlijk ontvangen vooraf te betalen bijdragen heeft willen uitsluiten (arrest van 29 september 2022, ABLV Bank/GAR, C‑202/21 P, EU:C:2022:734, punt 54). Indien, zoals de GAR betoogt, het begrip „terecht ontvangen” zonder onderscheid verwijst naar de vooraf te betalen bijdragen, moet het derhalve van toepassing zijn ongeacht het soort bijdrage, met inbegrip van onherroepelijke betalingstoezeggingen.

74 Gelet op bovenstaande overwegingen en anders dan rekwirante stelt, heeft het Gerecht noch artikel 69, lid 1, van verordening nr. 806/2014, noch artikel 70, lid 4, van deze verordening geschonden.

75 Bijgevolg moet het derde onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.

76 Wat het vierde onderdeel van het eerste middel betreft, dat verband houdt met de onjuiste uitlegging van artikel 7, lid 1, van uitvoeringsverordening 2015/81, moet worden opgemerkt dat het Gerecht in punt 41 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat in deze bepaling uitdrukkelijk vermeld staat dat het beroep op onherroepelijke betalingstoezeggingen in geen geval de financiële capaciteit en de liquiditeit van het GAF mag beïnvloeden. Een dergelijk vereiste wordt ook genoemd in overweging 16 van die uitvoeringsverordening. Op basis daarvan heeft het Gerecht geoordeeld dat de intrekking van een onherroepelijke betalingstoezegging en de teruggave van de overeenkomstige zekerheid in geen geval ten koste van het GAF mogen gaan.

77 Anders dan rekwirante stelt, ontneemt deze uitlegging artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81 zijn nuttig effect niet. Zou die bepaling aldus worden uitgelegd dat kredietinstellingen hun vooraf te betalen bijdrage niet hoeven te betalen voordat hun zekerheid aan hen wordt teruggegeven, dan zou worden voorbijgegaan aan het beginsel dat de Uniewetgever in artikel 7, lid 1, van de uitvoeringsverordening heeft neergelegd en dat aansluit bij het vereiste van artikel 69, lid 1, van verordening nr. 806/2014.

78 Het Gerecht heeft derhalve in punt 42 van het bestreden arrest geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen dat artikel 7, lid 1, van uitvoeringsverordening 2015/81 van toepassing is op de behandeling van onherroepelijke betalingstoezeggingen van een kredietinstelling die niet langer binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 valt, en dat bijgevolg bij de uitlegging van artikel 7, lid 3, van die uitvoeringsverordening rekening moet worden gehouden met die bepaling.

79 Met betrekking tot de aanvullende argumenten van rekwirante betreffende artikel 7, leden 2 en 3, van uitvoeringsverordening 2015/81, die erop neerkomen dat die bepalingen alleen in een betalingsverplichting voorzien in het geval van een afwikkelingsbesluit, kan worden volstaan met een verwijzing naar de punten 56 tot en met 61 van het onderhavige arrest.

80 Gelet op de voorgaande overwegingen en anders dan rekwirante stelt, leidt de uitlegging door het Gerecht van artikel 7, lid 1, van uitvoeringsverordening 2015/81 er niet toe dat de bepalingen van artikel 7, leden 2 en 3, van die uitvoeringsverordening onjuist worden opgevat of dat die bepalingen hun nuttig effect wordt ontnomen.

81 Het vierde onderdeel is derhalve ongegrond.

82 Wat het vijfde onderdeel van het eerste middel betreft, waarmee subsidiair schending van het beginsel lex specialis generalibus derogat wordt aangevoerd, moet worden geoordeeld dat, anders dan rekwirante stelt, artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81 niet kan worden beschouwd als een bijzondere wet die afwijkt van met name artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014.

83 Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 87 van haar conclusie, heeft verordening nr. 806/2014 als basisverordening een hogere normatieve rang dan uitvoeringsverordening 2015/81, zodat de bepalingen van die uitvoeringsverordening, bij gebreke van een uitdrukkelijke afwijking of bepaling in die zin, geen voorrang kunnen hebben boven de bepalingen van verordening nr. 806/2014.

84 Bovendien moet worden opgemerkt dat artikel 70, lid 7, van verordening nr. 806/2014 de Raad de bevoegdheid verleent om uitvoeringshandelingen vast te stellen, zoals uitvoeringsverordening 2015/81, om de voorwaarden voor de uitvoering van de leden 1 tot en met 3 van dat artikel 70 te bepalen. Volgens de rechtspraak van het Hof kan de Raad met uitvoeringshandelingen een wetgevingshandeling echter niet aanvullen of wijzigen, zelfs niet wat de niet-essentiële onderdelen ervan betreft (arrest van 28 februari 2023, Fenix International, C‑695/20, EU:C:2023:127, punten 48 en 49). Derhalve kan de Raad artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 niet wijzigen via uitvoeringsverordening 2015/81.

85 Hoe dan ook moet, zoals de GAR betoogt, in het licht van de analyse die in het kader van het derde onderdeel van het onderhavige middel is verricht, worden vastgesteld dat er geen tegenstrijdigheid bestaat tussen artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 en artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81.

86 Daarenboven blijkt uit de punten 76 tot en met 80 van het onderhavige arrest dat bij de uitlegging van artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81 rekening moet worden gehouden met artikel 7, lid 1, ervan en dat de uitlegging die het Gerecht aan artikel 7, lid 1, heeft gegeven, de leden 2 en 3 van dat artikel niet onjuist opvat en deze bepalingen evenmin hun nuttig effect ontneemt.

87 Daaruit volgt dat het vijfde onderdeel van het eerste middel moet worden afgewezen.

88 Aangezien alle onderdelen van rekwirantes eerste middel zijn afgewezen, moet dit middel in zijn geheel worden afgewezen.

Tweede middel: motiveringsgebrek

Argumenten van partijen

89 Rekwirante betoogt dat het bestreden arrest ontoereikend en tegenstrijdig is gemotiveerd. Zij wijst in het bijzonder op tegenstrijdigheden in de punten 30, 33, 36, 41 en 43 van dat arrest, waarin het Gerecht in essentie heeft geoordeeld dat:

– ten eerste, onherroepelijke betalingstoezeggingen „terecht ontvangen” bijdragen zijn in de zin van artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014, hoewel zij niet „onmiddellijk” worden betaald;

– ten tweede, die toezeggingen „onherroepelijk” zijn, maar vervolgens heeft gesteld dat artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81 tot doel heeft daaraan „een einde te maken”, „zodat [zij] niet [voortduren] nadat de bijdragende [krediet]instelling heeft opgehouden binnen [het toepassingsgebied] van verordening nr. 806/2014 te vallen”;

– ten derde, artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81, zoals reeds vermeld, tot doel heeft „een einde te maken” aan de onherroepelijke betalingstoezeggingen, terwijl het Gerecht verklaart dat diezelfde bepaling tot doel heeft „ervoor te zorgen dat de financiële middelen van het GAF in geval van afwikkeling zo snel mogelijk ter beschikking van de GAR zullen staan”, en

– ten vierde, artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81 niet mag worden toegepast „ten koste [...] van het GAF” en ten nadele mag zijn van zijn „financiële capaciteit [of zijn] liquiditeit”, in overeenstemming met hetgeen is bepaald in artikel 69, lid 1, van verordening nr. 806/2014 en artikel 7, lid 1, van uitvoeringsverordening 2015/81, maar niet heeft aangetoond hoe artikel 7, lid 3, „de financiële capaciteit [of] de liquiditeit van het GAF” of de in dat artikel 69, lid 1, vastgestelde doelstelling om het streefbedrag te bereiken, kan beïnvloeden. Hoe dan ook toont het Gerecht niet aan in welk opzicht deze bepaling en artikel 7, lid 1, van uitvoeringsverordening 2015/81 voldoende nauwkeurig zijn om in de weg te staan aan de duidelijke en nauwkeurige restitutieregeling van artikel 7, lid 3, van die uitvoeringsverordening of om een betalingsverplichting op te leggen onder voorwaarden die niet zijn neegelegd in artikel 7, lid 2, van die uitvoeringsverordening, waarvan de bewoordingen eveneens duidelijk en nauwkeurig zijn.

90 De GAR betwist die argumenten.

Beoordeling door het Hof

91 Volgens vaste rechtspraak moet het Gerecht op grond van zijn motiveringsplicht zijn redenering duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking laten komen opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingen van de genomen beslissing kunnen kennen en het Hof zijn rechterlijk toezicht kan uitoefenen (arrest van 20 april 2023, Raad/El-Qaddafi, C‑413/21 P, EU:C:2023:306, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

92 Een tegenstrijdige of onbegrijpelijke motivering van een arrest van het Gerecht komt neer op het ontbreken van een motivering (arrest van 20 april 2023, Raad/El-Qaddafi, C‑413/21 P, EU:C:2023:306, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

93 In casu moet om te beginnen worden opgemerkt, zoals de advocaat-generaal in de punten 95 en volgende van haar conclusie heeft gedaan, dat er geen sprake is van een tegenstrijdige motivering tussen de vaststelling van het Gerecht in punt 33 van het bestreden arrest dat onherroepelijke betalingstoezeggingen geen bijdragen zijn die „onmiddellijk” worden betaald, maar bijdragen waarvan de betaling wordt „uitgesteld”, en de verklaring van het Gerecht in punt 30 van het bestreden arrest dat de door een kredietinstelling aangegane onherroepelijke betalingstoezeggingen bijdragen zijn die „terecht ontvangen” zijn. Het verbod van terugbetaling van de vooraf te betalen bijdragen, dat is neergelegd in artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014, bestrijkt namelijk alle beschikbare financiële middelen, dus ook onherroepelijke betalingstoezeggingen.

94 Vervolgens is het evenmin tegenstrijdig om betaling te eisen van de onderliggende verplichting van de onherroepelijke betalingstoezegging, zelfs indien die toezegging is ingetrokken. De wettelijke verplichting tot betaling van vooraf te betalen bijdragen voor een bepaalde bijdrageperiode blijft immers voortbestaan, terwijl de onherroepelijke betalingstoezeggingen slechts facultatieve faciliteiten zijn die in dat verband aan kredietinstellingen ter beschikking worden gesteld.

95 Door te overwegen dat artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81 het mogelijk maakt om „in geval van afwikkeling” middelen ter beschikking te stellen van het GAF, spreekt het Gerecht bovendien niet de redenering tegen op basis waarvan het heeft geoordeeld dat op de kredietinstelling een onvoorwaardelijke verplichting rust om het bedrag te betalen dat overeenstemt met de onherroepelijke betalingstoezegging. Wegens deze onvoorwaardelijke verplichting kan een dergelijke instelling niet worden vrijgesteld van de betaling van het bedrag dat wordt gedekt door de onherroepelijke betalingstoezeggingen, waardoor de middelen waarover het GAF beschikt „in geval van afwikkeling” snel beschikbaar kunnen zijn. Het gaat hier om de bestaansreden van het GAF, alsmede om de doelstelling om het streefbedrag van dat fonds te bereiken, zoals vastgesteld in de Uniewetgeving.

96 Ten slotte heeft het Gerecht, zoals blijkt uit het antwoord op het eerste middel, naar behoren gemotiveerd in welke zin het risico dat het GAF loopt en de doelstelling om het streefbedrag te bereiken zich ertegen verzetten dat de vooraf te betalen bijdragen in de vorm van een onherroepelijke betalingstoezegging tenietgaan wanneer een kredietinstelling niet langer binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 valt.

97 Aangezien geen van de argumenten die door rekwirante zijn aangevoerd om aan te tonen dat de motivering van het bestreden arrest ontoereikend en tegenstrijdig is, gegrond blijkt, moet het tweede middel worden afgewezen.

98 Daar geen van de door rekwirante ter ondersteuning van haar hogere voorziening aangevoerde middelen is aanvaard, moet deze hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.

Kosten

99 Ingevolge artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd.

100 Aangezien de GAR heeft gevorderd dat rekwirante in de kosten wordt verwezen en deze laatste in het ongelijk is gesteld, dient zij naast haar eigen kosten ook die van de GAR te dragen.

101 Krachtens artikel 184, lid 4, van voormeld Reglement kan het Hof beslissen dat een partij die in eerste aanleg heeft geïntervenieerd en aan de schriftelijke of mondelinge behandeling bij het Hof heeft deelgenomen, haar eigen kosten draagt. Overeenkomstig deze bepaling zal Fédération bancaire française haar eigen kosten dragen.

102 Artikel 140, lid 1, van dat Reglement, dat eveneens krachtens artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, bepaalt dat de lidstaten die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten dragen. De Franse Republiek zal dus haar eigen kosten dragen.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:

1) De hogere voorziening wordt afgewezen.

2) BNP Paribas Public Sector SA wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR).

3) Fédération bancaire française en de Franse Republiek dragen elk hun eigen kosten.

ondertekeningen

* Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken