HvJ EU 16 oktober 2025, C-510/24, ECLI:EU:C:2025:795

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)

16 oktober 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Economische, sociale en territoriale samenhang – Fondsen van de Europese Unie – Beheer en toezicht – Verplichting van de lidstaten om regelingen te treffen om ervoor te zorgen dat klachten over de fondsen daadwerkelijk worden onderzocht – Nationale wettelijke regeling die uitsluit dat beroep in rechte wordt ingesteld tegen een besluit waarbij de terugbetaling van een subsidie van de Unie wordt gelast wegens een onregelmatigheid– Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 47 – Recht op een doeltreffende voorziening in rechte”

In zaak C‑510/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Fővárosi Törvényszék (rechter voor de stad Boedapest, Hongarije) bij beslissing van 11 juli 2024, ingekomen bij het Hof op 23 juli 2024, in de procedure

PROFIL-COPY 2002 Irodatechnikai Kft.

tegen

Közigazgatási és Területfejlesztési Minisztérium,

wijst

HET HOF (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: F. Schalin (rapporteur), kamerpresident, M. Gavalec en Z. Csehi, rechters,

advocaat-generaal: A. Biondi,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door Zs. Biró-Tóth en M. Z. Fehér als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Béres en C. Ehrbar als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen PROFIL‑COPY 2002 Irodatechnikai Kft. (hierna: „Profil‑Copy”), een Hongaarse vennootschap, en de Közigazgatási és Területfejlesztési Minisztérium (ministerie van Openbaar Bestuur en Regionale Ontwikkeling, Hongarije; hierna: „ministerie”), die optreedt als beheersautoriteit van het operationele programma „Economische Ontwikkeling en Innovatie Plus”, betreffende de terugvordering van een aan Profil‑Copy betaalde subsidie.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Artikel 47 van het Handvest bepaalt: „Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. [....]”

4 Artikel 69 van verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PB 2021, L 231, blz. 159) luidt: „[...] 2. De lidstaten zorgen ervoor dat de in de rekeningen opgenomen uitgaven die bij de [Europese] Commissie worden ingediend wettig en regelmatig zijn en treffen alle nodige maatregelen om onregelmatigheden, met inbegrip van fraude, te voorkomen, op te sporen en te corrigeren, en daarover te rapporteren. [...] [...] 7. De lidstaten treffen regelingen om ervoor te zorgen dat klachten over de fondsen daadwerkelijk worden onderzocht. De lidstaten zijn, overeenkomstig hun institutioneel en juridisch kader, verantwoordelijk voor het toepassingsgebied, de regels en de procedures betreffende die regelingen. [...] Voor de toepassing van dit artikel hebben klachten betrekking op elk geschil tussen potentiële en geselecteerde begunstigden over de voorgestelde of geselecteerde concrete actie en alle geschillen met derde partijen over de uitvoering van het programma of de concrete acties daarvan, ongeacht de kwalificatie van rechtsmiddelen krachtens het nationale recht. [...]”

Hongaars recht

Besluit nr. 256/2021

5 § 132, lid 1, van de a 2021‑2027 programozási időszakban az egyes európai uniós alapokból származó támogatások felhasználásának rendjéről szóló 256/2021. (V. 18.) Korm. rendelet (Magyar Közlöny 2021/91) (regeringsbesluit nr. 256/2021 inzake de regeling voor het gebruik van subsidies uit bepaalde fondsen van de Europese Unie gedurende de programmeringsperiode 2021‑2027) van 18 mei 2021 (hierna: „besluit nr. 256/2021”) bepaalt dat de beheerautoriteit een civielrechtelijke subsidieovereenkomst sluit met de begunstigde en dat de regels betreffende de subsidieovereenkomst mutatis mutandis van toepassing zijn wanneer de rechtsbetrekking betreffende de subsidie is vastgelegd in een door de beheerautoriteit afgegeven besluit tot toekenning van de subsidie.

6 Bij vermoeden van onregelmatigheden voert de beheersautoriteit overeenkomstig hoofdstuk XIII van besluit nr. 256/2021 een procedure tot vaststelling van een onregelmatigheid uit.

7 § 397, lid 2, van dit besluit bepaalt dat wanneer een onregelmatigheid is vastgesteld, de beheersautoriteit onder meer de subsidieovereenkomst kan beëindigen.

8 § 403, lid 1, van dat besluit bepaalt: „Indien het besluit houdende vaststelling van een onregelmatigheid onrechtmatig is of in strijd is met de subsidieovereenkomst of de oproep tot het indienen van aanvragen, kan de begunstigde slechts eenmaal bezwaar maken tegen dit besluit.”

9 § 408, lid 1, onder d), van besluit nr. 256/2021 bepaalt in dit verband dat de Belső Ellenőrzési és Integritási Igazgatóság van het Miniszterelnökség (directoraat Interne Audit en Integriteit van het Bureau van de minister-president, Hongarije; hierna: „directie Interne Audit en Integriteit”) het door de begunstigde gemaakte bezwaar zonder onderzoek ten gronde verwerpt, indien het betrekking heeft op een besluit dat reeds op bezwaar is gewezen.

10 § 414, lid 1, van dit besluit luidt: „Aan het einde van de bezwaarprocedure zal de directie Interne Audit en Integriteit: a) het besluit houdende vaststelling van de onregelmatigheid bevestigen; b) het besluit houdende vaststelling van de onregelmatigheid nietig verklaren, of c) het besluit houdende vaststelling van de onregelmatigheid nietig verklaren en een nieuwe procedure voor de vaststelling van onregelmatigheden bij de beheersautoriteit inleiden.”

11 § 418 van het besluit bepaalt: „Indien een subsidie ten onrechte is ontvangen of is gebruikt op een manier die in strijd is met de wet of niet in overeenstemming is met het doel waarvoor de subsidie is toegekend, of in geval van intrekking van de subsidie of eenzijdige of onderling overeengekomen beëindiging van de subsidieovereenkomst is de begunstigde verplicht om de ten onrechte ontvangen subsidie terug te betalen.”

12 De beheersautoriteit gaat over tot invordering van de schuld door middel van een betalingsbevel, verrekening of toestemming tot betaling in termijnen. Indien deze maatregelen geen resultaat opleveren, verzoekt de beheersautoriteit de belastingdienst overeenkomstig § 436, lid 1, van besluit nr. 256/2021 onmiddellijk om de niet-terugbetaalde steun terug te vorderen volgens de procedure die van toepassing is op de invordering van belastingen.

Wet nr. CXXX van 2016 houdende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering

13 § 103, lid 1, van de a polgári perrendtartásról szóló 2016. évi CXXX. törvény (wet nr. CXXX van 2016 houdende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering; hierna: „wetboek van burgerlijke rechtsvordering”) (Magyar Közlöny 2016/190) bepaalt dat de bevoegde civiele rechter op verzoek voorlopige maatregelen kan gelasten.

Wet nr. CLIII van 2017 inzake de door de belastingdienst in te leiden procedures voor gedwongen tenuitvoerlegging

14 § 15 van de az adóhatóság által foganatosítandó végrehajtási eljárásokról szóló 2017. évi CLIII. törvény (wet nr. CLIII van 2017 inzake de door de belastingdienst in te leiden procedures voor gedwongen tenuitvoerlegging; hierna: „wet betreffende procedures voor gedwongen tenuitvoerlegging”) (Magyar Közlöny 2017/193) noemt de rechterlijke instanties niet als een van de organen die bevoegd zijn om een door de belastingdienst ingeleide procedure voor gedwongen tenuitvoerlegging op te schorten.

15 Wanneer de beheersautoriteit de zaak op grond van § 436, lid 1, van besluit nr. 256/2021 bij de belastingdienst aanhangig maakt, geeft deze dienst een officiële overboekingsopdracht af die de bank van de partij die het bedrag moet terugbetalen krachtens § 42, lid 1, van de wet betreffende procedures voor gedwongen tenuitvoerlegging moet uitvoeren. De belastingdienst gaat op grond van deze wet ook over tot gedwongen tenuitvoerlegging op roerende en onroerende goederen.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

16 Profil‑Copy heeft een subsidie van 125184193 Hongaarse forint (HUF) (ongeveer 315000 EUR) ontvangen voor de installatie van zonnepanelen. De subsidie werd toegekend in het kader van het Hongaarse operationele programma „Economische Ontwikkeling en Innovatie Plus”, dat gedurende de periode 2021‑2027 werd uitgevoerd met steun van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF +).

17 Nadat het ministerie een onregelmatigheid had vastgesteld, heeft het als beheersautoriteit van dit programma de intrekking van het besluit tot toekenning van een subsidie en de terugvordering van de uitbetaalde subsidie gelast.

18 Nadat Profil‑Copy bezwaar had gemaakt bij de directie Interne Audit en Integriteit, is dit besluit bevestigd en is daartegen geen verder bezwaar meer mogelijk, overeenkomstig § 403, lid 1, en § 408, lid 1, onder d), van besluit nr. 256/2021.

19 Bijgevolg heeft de beheersautoriteit de ten onrechte aan Profil‑Copy toegekende subsidie ingetrokken en haar verzocht deze terug te betalen. Die autoriteit heeft Profil‑Copy voorts meegedeeld dat zij, indien die subsidie niet werd terugbetaald, het recht zou hebben om de nationale belastingdienst te verzoeken de met de onverschuldigde subsidie overeenkomende schuldvordering terug te vorderen.

20 Aangezien de verhouding tussen de beheersautoriteit en de begunstigde van de subsidie van de Unie naar Hongaars recht als een civielrechtelijke verhouding wordt aangemerkt, heeft Profil‑Copy bij de Fővárosi Törvényszék (rechter voor de stad Boedapest, Hongarije), de verwijzende rechter, een civiele vordering ingesteld ter voorkoming van de gevolgen van het besluit waarbij de terugvordering van de door haar ontvangen subsidie wordt gelast.

21 In het kader van die vordering heeft zij verzocht om zowel het besluit houdende vaststelling van de onregelmatigheid als het bevel tot terugvordering van de beweerdelijk ten onrechte toegekende subsidie onrechtmatig te verklaren. Zij heeft de verwijzende rechter tevens verzocht om een voorlopige maatregel vast te stellen op grond van § 103, lid 1, van wet nr. CXXX van 2016 houdende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Die maatregel strekte ertoe het ministerie te verbieden om over te gaan tot terugvordering of gedwongen invordering van het gevorderde bedrag. In dit verband betoogt Profil‑Copy dat zij haar rechten jegens het ministerie alleen in het kader van een gewone civiele procedure kan doen gelden, terwijl het ministerie, door de zaak bij de belastingdienst aanhangig te maken, kan overgaan tot gedwongen tenuitvoerlegging tegen haar voordat op haar vordering een definitieve civielrechtelijke beslissing ten gronde wordt gegeven. Het ministerie stelt voor de verwijzende rechter dat die rechter niet bevoegd is om een dergelijke voorlopige maatregel vast te stellen.

22 In dit verband preciseert de verwijzende rechter dat hij in het kader van het hoofdgeding dient na te gaan of de beheersautoriteit bij de terugvordering van de subsidies besluit nr. 256/2021, dat uitvoering geeft aan verordening 2021/1060, in acht heeft genomen.

23 Bovendien zet de verwijzende rechter uiteen dat onlangs verschillende soortgelijke zaken bij hem aanhangig zijn gemaakt waarin justitiabelen hem verzoeken om het ministerie voorlopig te verbieden om over te gaan tot invordering van een schuldvordering. Die justitiabelen voeren aan dat de gedwongen tenuitvoerlegging de voortzetting van hun economische activiteit onmogelijk zou maken, omdat zij daardoor een risico lopen op insolventie of zelfs gerechtelijke vereffening voordat de procedure definitief is beëindigd. Aldus zou er een reëel risico bestaan dat de adressaten van een besluit tot terugvordering van een subsidie ophouden te bestaan nog voordat de procedure met een definitieve beslissing is afgesloten, waardoor zij hun rechten niet meer geldend zouden kunnen maken.

24 In deze context stellen de Hongaarse civiele rechters de adressaat van een uitvoerbaar besluit tot terugvordering van een subsidie in staat om later een civiele vordering in te stellen om de onrechtmatigheid van dat besluit te doen vaststellen in het kader van een beroep tegen het besluit tot beëindiging van de subsidieovereenkomst.

25 De verwijzende rechter zet echter uiteen dat de Hongaarse rechtspraak verdeeld is over de bevoegdheid van de civiele rechter met betrekking tot verzoeken om voorlopige maatregelen in dergelijke zaken. Volgens een eerste tendens in de rechtspraak is er geen beletsel om voorlopige maatregelen vast te stellen, aangezien naar Hongaars recht subsidieovereenkomsten van de Unie onder het burgerlijk recht vallen. Volgens een tweede tendens in de rechtspraak moet een dergelijk verzoek om een voorlopige maatregel daarentegen worden afgewezen wegens onbevoegdheid van de aangezochte rechter, aangezien § 15 van de wet betreffende procedures voor gedwongen tenuitvoerlegging rechterlijke instanties niet noemt als een van de organen die bevoegd zijn om een door deze dienst gevoerde procedure van gedwongen tenuitvoerlegging op te schorten.

26 Aangezien, ten eerste, de verwijzende rechter moet nagaan of een krachtens verordening 2021/1060 toegekende Uniesubsidie rechtmatig wordt teruggevorderd, ten tweede, artikel 69, lid 7, van die verordening de lidstaten verplicht om ervoor te zorgen dat klachten over Europese fondsen daadwerkelijk worden onderzocht en, ten derde, artikel 47 van het Handvest een recht op een doeltreffende voorziening in rechte toekent aan eenieder wiens door het Unierecht gewaarborgde rechten zijn geschonden, acht de verwijzende rechter het noodzakelijk het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing teneinde te beoordelen of de regeling waarin het Hongaarse recht voor de behandeling van onregelmatigheden voorziet, verenigbaar is met dat artikel 47.

27 Daarop heeft de Fővárosi Törvényszék de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Heeft de begunstigde van een subsidie krachtens artikel 47 van het [Handvest] recht op een doeltreffende voorziening in rechte tegen een uitvoerbaar besluit van de beheerautoriteit uit hoofde waarvan hij verplicht is de aan hem uitgekeerde subsidie van de Europese Unie terug te betalen? 2) Wanneer de beheerautoriteit de begunstigde door middel van een uitvoerbaar besluit verplicht tot terugbetaling van een aan hem uitgekeerde subsidie van de [...] Unie en de begunstigde bij gebreke van andere rechtsmiddelen een civielrechtelijke vordering instelt om de gevolgen daarvan te voorkomen, moet die civielrechtelijke vordering dan worden aangemerkt als een voorziening in rechte in de zin van artikel 47 van het [Handvest]? 3) Kan een voorziening in rechte die het reële risico niet kan voorkomen dat de betrokkene insolvent wordt als gevolg van de maatregel die door middel van het rechtsmiddel wordt onderzocht, maar die ten uitvoer wordt gelegd voordat over het rechtsmiddel is beslist, worden beschouwd als een doeltreffende voorziening in rechte in de zin van artikel 47 van het [Handvest]? 4) Wat kan de nationale rechter doen indien de derde prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord, maar hij van oordeel is dat de nationale wetgeving hem niet in staat stelt het reële risico te voorkomen dat de betrokkene insolvent wordt als gevolg van de maatregel die door middel van het rechtsmiddel wordt onderzocht, maar die ten uitvoer wordt gelegd voordat over het rechtsmiddel is beslist? Kan de rechter voorlopige maatregelen gelasten om het risico van insolventie van de partij te voorkomen totdat de procedure definitief is beëindigd, indien dit de enige manier is waarop hij de doeltreffendheid van de voorziening in rechte kan waarborgen, zelfs als hij van oordeel is dat het nationale recht dit niet toestaat?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste prejudiciële vraag

28 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 47 van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat de begunstigde van een subsidie van de Unie die is toegekend in het kader van de uitvoering van verordening 2021/1060 moet beschikken over een doeltreffende voorziening in rechte tegen een uitvoerbaar besluit van de beheersautoriteit van een met fondsen van de Unie ondersteund programma waarbij hem wordt gelast die subsidie terug te betalen.

29 Zoals blijkt uit artikel 51, lid 1, van het Handvest, zijn de bepalingen ervan uitsluitend tot de lidstaten gericht wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen.

30 Dit is in casu het geval, aangezien het besluit waarbij de intrekking en de terugvordering van de aan Profil‑Copy betaalde subsidie wordt gelast, is vastgesteld op grond van besluit nr. 256/2021, dat uitvoering geeft aan verordening 2021/1060 door nader te bepalen op welke wijze subsidies uit bepaalde fondsen van de Europese Unie gedurende de programmeringsperiode 2021‑2027 moeten worden gebruikt.

31 Niettemin veronderstelt de erkenning van het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte in een bepaald geval dat de persoon die dit recht inroept, zich beroept op door het Unierecht gewaarborgde rechten of vrijheden of wordt vervolgd in het kader van een tenuitvoerlegging van het Unierecht [zie met name arrest van 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C‑430/21, EU:C:2022:99, punt 34].

32 In casu strekt de door Profil‑Copy ingestelde civielrechtelijke vordering ertoe de onrechtmatigheid vast te stellen van het besluit van de beheersautoriteit tot intrekking van, ten eerste, de subsidie die haar was toegekend in het kader van het programma „Economische Ontwikkeling en Innovatie Plus”, dat uit het EFRO en het ESF + wordt ondersteund, en ten tweede, als gevolg van die intrekking, het bevel tot terugvordering van die subsidie.

33 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 47 van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat de begunstigde van een subsidie van de Unie die is toegekend in het kader van de uitvoering van verordening 2021/1060 moet beschikken over een doeltreffende voorziening in rechte tegen een uitvoerbaar besluit van de beheersautoriteit van een met fondsen van de Unie ondersteund programma waarbij hem wordt gelast die subsidie terug te betalen.

34 Opgemerkt zij dat het aan de verwijzende rechter staat om in de bij hem aanhangige zaken uit te maken welke de juiste uitlegging van het nationale recht is (arrest van 22 juni 2010, Melki en Abdeli, C‑188/10 en C‑189/10, EU:C:2010:363, punt 49).

Tweede, derde en vierde prejudiciële vraag

35 Met zijn tweede tot en met vierde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 47 van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat de mogelijkheid voor de begunstigde van een subsidie van de Unie om incidenteel op te komen tegen een uitvoerbaar besluit waarbij hem wordt gelast die subsidie terug te betalen, in het kader van een bij een civiele rechter ingestelde vordering tot erkenning van de onrechtmatigheid van een besluit waarbij de intrekking van die subsidie wordt gelast, en om in het kader van die vordering te verzoeken om voorlopige maatregelen teneinde de tenuitvoerlegging van dat besluit op te schorten, een doeltreffende voorziening in rechte vormt.

36 Om te beginnen moet in herinnering worden gebracht dat de nationale rechter in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU, die berust op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en het Hof, bij uitsluiting bevoegd is om het nationale recht uit te leggen en toe te passen [arresten van 4 mei 1999, Sürül,C‑262/96, EU:C:1999:228, punt 95; 14 juni 2012, Banco Español de Crédito,C‑618/10, EU:C:2012:349, punt 76; 22 september 2022, Servicios prescriptor y medios de pagos EFC,C‑215/21, EU:C:2022:723, punt 26, en 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing) (C‑582/21, EU:C:2024:282, punten 31 en 54)].

37 Bijgevolg zal het Hof uitgaan van de in punt 25 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte premisse dat de Hongaarse rechtspraak verdeeld is over de bevoegdheid van de civiele rechter om voorlopige maatregelen te gelasten in beroepen die ertoe strekken de beheersautoriteit voorlopig te verbieden om een subsidie die volgens haar ten onrechte aan de begunstigde ervan is betaald, terug te vorderen.

38 Artikel 47 van het Handvest bepaalt dat eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in deze bepaling gestelde voorwaarden, hetgeen impliceert dat eenieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

39 Dit recht gaat gepaard met de in artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU vervatte verplichting voor de lidstaten om in de nodige rechtsmiddelen te voorzien om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden te verzekeren [arresten van 16 mei 2017, Berlioz Investment Fund,C‑682/15, EU:C:2017:373, punt 44, en 6 oktober 2020, Luxemburgse Staat (Rechtsbescherming tegen een verzoek om inlichtingen in belastingzaken) (C‑245/19 en C‑246/19, EU:C:2020:795, punt 47)].

40 In dit verband is het bij gebreke van Unieregelgeving ter zake volgens het beginsel van procedurele autonomie weliswaar een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de procedureregels voor rechtsmiddelen vast te stellen en om, met eerbiediging van het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel, de procedureregels vast te stellen voor rechtsvorderingen die worden ingediend ter bescherming van de aan het Unierecht ontleende individuele rechten, doch zijn de lidstaten er in alle gevallen verantwoordelijk voor te verzekeren dat het recht op daadwerkelijke rechterlijke bescherming van deze rechten wordt geëerbiedigd, zoals is gewaarborgd in artikel 47 van het Handvest [arresten van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy), C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982, punt 115 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 2 juni 2022, Skeyes,C‑353/20, EU:C:2022:423, punt 52, en 1 augustus 2025, Alace en Canpelli, C‑758/24 en C‑759/24, EU:C:2025:591, punt 64].

41 Het Unierecht verplicht de lidstaten er evenwel niet toe om andere rechtsmiddelen in te voeren dan die welke in het nationale recht zijn vastgesteld, tenzij uit de opzet van de betreffende nationale rechtsorde blijkt dat er geen rechtsgang is waarmee – al was het maar incidenteel – de eerbiediging van de door de justitiabelen aan het Unierecht ontleende rechten kan worden gewaarborgd, of dat de justitiabelen slechts toegang tot de rechter hebben door onrechtmatig handelen (zie in die zin arresten van 13 maart 2007, Unibet, C‑432/05, EU:C:2007:163, punten 40, 41, 64 en 65, en 2 juni 2022, Skeyes,C‑353/20, EU:C:2022:423, punt 54).

42 In casu volgt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de civiele rechter zich, gelet op de stand van de Hongaarse regeling, bevoegd heeft verklaard om incidenteel te beoordelen of een uitvoerbare beslissing van de beheersautoriteit waarbij de terugvordering van een subsidie van de Unie wordt gelast, verenigbaar is met het Unierecht in het kader van een beroep dat de begunstigde van die subsidie heeft ingesteld tegen met name een besluit tot intrekking van die subsidie of tot beëindiging van de subsidieovereenkomst.

43 Hieraan moet worden toegevoegd dat de nationale rechter bij wie een door het Unierecht beheerst geding aanhangig is, de mogelijkheid moet hebben om voorlopige maatregelen te bevelen teneinde de volle werking te waarborgen van de rechterlijke beslissing die moet worden gegeven over het bestaan van de rechten die op grond van het Unierecht zijn ingeroepen (zie in die zin arresten van 19 juni 1990, Factortame e.a.,C‑213/89, EU:C:1990:257, punt 21; 13 maart 2007, Unibet,C‑432/05, EU:C:2007:163, punten 67 en 77, en 2 juni 2022, Skeyes,C‑353/20, EU:C:2022:423, punt 53). Bijgevolg is een rechter die onder deze omstandigheden voorlopige maatregelen zou gelasten, indien een regel van nationaal recht zich daar niet tegen verzette, verplicht deze regel buiten toepassing te laten.

44 Aangezien, zoals in punt 25 van het onderhavige arrest is opgemerkt, de Hongaarse rechtspraak verdeeld is over de bevoegdheid van de civiele rechter om voorlopige maatregelen te gelasten in beroepen die ertoe strekken de beheersautoriteit voorlopig te verbieden een subsidie terug te vorderen die volgens haar ten onrechte aan de begunstigde ervan is betaald, moet bovendien worden verwezen naar het vereiste van conforme uitlegging van het nationale recht. Dit vereiste houdt voor de nationale rechterlijke instanties de verplichting in om in voorkomend geval vaste rechtspraak te wijzigen wanneer deze berust op een met de doelstellingen van een richtlijn onverenigbare uitlegging van het nationale recht. Bijgevolg kan een nationale rechter niet op goede gronden oordelen dat hij een nationale bepaling niet in overeenstemming met het Unierecht kan uitleggen op de enkele grond dat deze bepaling tot dan toe steeds is uitgelegd op een wijze die onverenigbaar is met het Unierecht (zie in die zin arrest van 19 april 2016, DI,C‑441/14, EU:C:2016:278, punten 33 en 34).

45 Aangezien het Hongaarse recht de verhouding tussen de beheersautoriteit en de begunstigde van de subsidie van de Unie als een civielrechtelijke verhouding kwalificeert en § 103, lid 1, van wet nr. CXXX van 2016 houdende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering de bevoegde civiele rechter de bevoegdheid verleent om op verzoek voorlopige maatregelen te gelasten, staat het in de onderhavige zaak aan de verwijzende rechter om voorrang te geven aan de eerste in punt 25 van het onderhavige arrest genoemde rechtspraak en zich bijgevolg bevoegd te verklaren om de tenuitvoerlegging op te schorten van het uitvoerbare besluit van de beheersautoriteit waarbij de intrekking is gelast en het besluit tot terugvordering van de aanvankelijk aan Profil‑Copy betaalde Uniesubsidie.

46 Aangezien de verwijzende rechter de toepassing van het in het vorige punt genoemde besluit tot terugvordering niet kan opschorten, zou de beheersautoriteit immers de gedwongen tenuitvoerlegging van dat besluit kunnen verkrijgen bij de belastingdienst. Het recht op een doeltreffende voorziening in rechte in de zin van artikel 47 van het Handvest zou denkbeeldig zijn indien het krachtens een nationale regeling mogelijk zou zijn dat een definitieve en bindende rechterlijke beslissing zonder uitwerking blijft ten nadele van een partij. Een dergelijke nationale regeling gaat voorbij aan de wezenlijke inhoud van het in dat artikel 47 neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte (zie in die zin arresten van 19 december 2019, Deutsche Umwelthilfe,C‑752/18, EU:C:2019:1114, punten 35 en 36, en 3 juli 2025, TOODE,C‑653/23, EU:C:2025:517, punt 28).

47 Gelet op een en ander moet op de tweede tot en met de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 47 van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat de mogelijkheid voor de begunstigde van een subsidie van de Unie om incidenteel op te komen tegen een uitvoerbaar besluit waarbij hem wordt gelast die subsidie terug te betalen, in het kader van een bij een civiele rechter ingestelde vordering tot erkenning van de onrechtmatigheid van een besluit waarbij de intrekking van die subsidie wordt gelast, en om in het kader van die vordering te verzoeken om voorlopige maatregelen teneinde de tenuitvoerlegging van dat besluit op te schorten, een doeltreffende voorziening in rechte vormt.

Kosten

48 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moet aldus worden uitgelegd dat de begunstigde van een subsidie van de Europese Unie die is toegekend in het kader van de uitvoering van verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid, moet beschikken over een doeltreffende voorziening in rechte tegen een uitvoerbaar besluit van de beheersautoriteit van een met fondsen van de Unie ondersteund programma waarbij hem wordt gelast die subsidie terug te betalen.

2) Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten moet aldus worden uitgelegd dat de mogelijkheid voor de begunstigde van een subsidie van de Europese Unie om incidenteel op te komen tegen een uitvoerbaar besluit waarbij hem wordt gelast die subsidie terug te betalen, in het kader van een bij een civiele rechter ingestelde vordering tot erkenning van de onrechtmatigheid van een besluit waarbij de intrekking van die subsidie wordt gelast, en om in het kader van die vordering te verzoeken om voorlopige maatregelen teneinde de tenuitvoerlegging van dat besluit op te schorten, een doeltreffende voorziening in rechte vormt.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Hongaars.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken