HvJ EU 3 juli 2025, C-653/23, ECLI:EU:C:2025:517

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

3 juli 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Staatssteun – Artikel 107, lid 1, VWEU – Door de Europese Commissie goedgekeurde steunregeling – Economische ondersteuning in het kader van de COVID-19-pandemie – Weigering van de bevoegde autoriteit om steun te verlenen – Beroep in rechte waarmee de aangezochte rechter wordt verzocht een gunstig administratief besluit ex nunc te gelasten – Gedurende de gerechtelijke procedure verstrijken van de termijn voor het verlenen van de steun – Datum waarop de steun geacht wordt te zijn toegekend – Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Recht op een doeltreffende voorziening in rechte – Verordening (EU) 2015/1589 – Artikel 1 – Bestaande steun”

In zaak C‑653/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Administratīvā apgabaltiesa (bestuursrechter in tweede aanleg, Letland) bij beslissing van 1 november 2023, ingekomen bij het Hof op 6 november 2023, in de procedure

„TOODE” SIA

tegen

Valsts ieņēmumu dienests,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: K. Jürimäe, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, M. Gavalec, Z. Csehi (rapporteur) en F. Schalin, rechters,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: M. Aleksejev, hoofd van een administratieve eenheid,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 december 2024,

gelet op de opmerkingen van:

– „TOODE” SIA, vertegenwoordigd door S. Ņukša, valdes locekle,

– de Letse regering, vertegenwoordigd door J. Davidoviča en K. Pommere als gemachtigden,

– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en P.‑L. Krüger als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door I. Georgiopoulos en V. Hitrovs als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 maart 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 107, lid 1, VWEU, en artikel 1, onder b), ii), van verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 [VWEU] (PB 2015, L 248, blz. 9).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen „TOODE” SIA en de Valsts ieņēmumu dienests (nationale belastingdienst, Letland; hierna: „belastingdienst”) over een besluit waarbij deze dienst heeft geweigerd om TOODE steun te verlenen om het werkkapitaal van de door de COVID-19-crisis getroffen ondernemingen op peil te houden.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Verordening 2015/1589

3 Artikel 1 van verordening 2015/1589 bepaalt: „Voor de toepassingen van deze verordening wordt verstaan onder: [...] b) ‚bestaande steun’, [...] ii) goedgekeurde steun, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun die door de [Europese] Commissie of de Raad [van de Europese Unie] zijn goedgekeurd; [...] c) ‚nieuwe steun’, alle steun, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun, die geen bestaande steun is, met inbegrip van wijzigingen in bestaande steun; [...]”

Mededeling betreffende de tijdelijke kaderregeling

4 De mededeling van de Commissie betreffende de tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak (PB 2020, C 91 I, blz. 1) is op 20 maart 2020 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en daarna zeven keer gewijzigd. De punten 21 en 22 van deze mededeling, zoals gewijzigd bij de mededeling van de Commissie van 24 november 2021 (2021/C 473/01, PB 2021, C 473, blz. 1; hierna: „mededeling betreffende de tijdelijke kaderregeling”), zijn opgenomen in deel 3.1 met als opschrift „Beperkte steunbedragen” en luiden: „21. Naast de bestaande mogelijkheden op grond van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU kunnen tijdelijke beperkte steunbedragen voor ondernemingen die plotseling met een tekort aan of zelfs de niet-beschikbaarheid van liquiditeit kampen, in de huidige omstandigheden een geschikte, noodzakelijke en gerichte oplossing zijn. 22. De Commissie zal dergelijke staatssteun als verenigbaar met de interne markt beschouwen op basis van artikel 107, lid 3, onder b), VWEU, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan [...]: [...] d) de steun wordt uiterlijk op 30 juni 2022 verleend [...]; [...]”

Lets recht

5 Artikel 250, lid 2, van het Administratīvā procesa likums (wetboek van bestuursprocesrecht), in de versie die van toepassing is op de feiten in het hoofdgeding, bepaalt: „Bij het beoordelen van de rechtmatigheid van een administratief besluit neemt de rechter bij zijn beslissing uitsluitend de door de overheid in het administratief besluit opgenomen motivering in aanmerking. Deze beperking is niet van toepassing wanneer het verzoek strekt tot vaststelling van een gunstig administratief besluit.”

6 Artikel 254, lid 1, van deze wet luidt als volgt: „Wanneer de rechter oordeelt dat het verzoek om een administratief besluit gegrond is, gelast hij de overheidsinstantie om het desbetreffende administratieve besluit vast te stellen.”

7 De Letse autoriteiten hebben het Ministru kabineta noteikumi Nr. 676 „Noteikumi par atbalstu Covid-19 krīzes skartajiem uzņēmumiem apgrozāmo līdzekļu plūsmas nodrošināšanai” (besluit nr. 676 van de ministerraad tot vaststelling van de regels inzake steun voor het werkkapitaal van door de COVID-19-crisis getroffen ondernemingen) van 10 november 2020 (Latvijas Vēstnesis, 2020, nr. 222A; hierna: „Letse staatssteunregels”) vastgesteld. De steunregeling die is ingesteld bij de Letse staatssteunregels, die op 17 november 2020 in werking zijn getreden, is ingevoerd overeenkomstig de vereisten van punt 3.1 van de mededeling betreffende de tijdelijke kaderregeling. Bij besluit SA.59592 (2020/N) van 16 december 2020 heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat deze regeling verenigbaar was met de interne markt, met name op voorwaarde dat de betrokken steun uiterlijk werd toegekend op 30 juni 2021, welke datum later bij besluit SA.100596 (2021/N) van de Commissie van 14 december 2021 werd verlengd tot en met 30 juni 2022.

8 In punt 23 van de Letse staatssteunregels, in de versie die van toepassing is op de feiten in het hoofdgeding, wordt het volgende bepaald: „De steun wordt geacht te zijn verleend op de datum waarop de [belastingdienst] het besluit om steun te verlenen vaststelt.”

9 Punt 24 van deze regels luidde als volgt: „Het besluit wordt uiterlijk op 30 juni 2022 vastgesteld, in overeenstemming met de [mededeling betreffende de] tijdelijke kaderregeling.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

10 Op 25 maart en 9 april 2021 heeft TOODE de belastingdienst verzocht om in aanmerking te komen voor de nationale staatssteunregeling die was bestemd om het werkkapitaal van ondernemingen die door de COVID-19-crisis waren getroffen, op peil te houden. Bij twee oorspronkelijke besluiten van 23 april en 7 juni 2021, en vervolgens bij twee definitieve besluiten van 9 juni en 23 juli 2021, heeft deze dienst geweigerd haar de aangevraagde steun toe te kennen op grond dat zij niet voldeed aan een van de voorwaarden van de Letse staatssteunregels, te weten de daling van de omzet.

11 TOODE heeft tevergeefs beroep ingesteld bij een rechter in eerste aanleg alvorens op 29 juni 2022 hoger beroep in te stellen bij de Administratīvā apgabaltiesa (bestuursrechter in tweede aanleg, Letland), de verwijzende rechter. Met dit hoger beroep beoogt TOODE dat deze rechter overeenkomstig artikel 254, lid 1, van het wetboek van bestuursprocesrecht, in de versie die van toepassing is op de feiten in het hoofdgeding, de belastingdienst gelast een gunstig administratief besluit vast te stellen waarbij de aangevraagde steun wordt toegekend.

12 De verwijzende rechter herinnert eraan dat bovengenoemde nationale steunregeling, zoals blijkt uit punt 7 van het onderhavige arrest, door de Commissie verenigbaar met de interne markt is verklaard, met name voor zover de betrokken steun overeenkomstig punt 24 van de Letse staatssteunregels en punt 22, onder d), van de mededeling betreffende de tijdelijke kaderregeling uiterlijk op 30 juni 2022 is toegekend. Zij merkt op dat deze termijn in de loop van de bij haar ingeleide procedure is verstreken.

13 Deze rechter zet uiteen dat hij in het kader van het door TOODE ingestelde hoger beroep ter verkrijging van een gunstig administratief besluit, moet beoordelen of deze vennootschap nog in aanmerking komt voor de aangevraagde steun. In dit verband moet zij bepalen op welke datum deze steun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU wordt geacht te zijn toegekend, aangezien dit cruciaal is ter vaststelling of die steun „bestaande” of „nieuwe” staatssteun in de zin van artikel 1 van verordening 2015/1589 vormt. Hij verduidelijkt evenwel dat de nationale rechterlijke instanties naar Lets recht de vaststelling van gunstige administratieve handelingen enkel voor de toekomst (ex nunc) kunnen gelasten.

14 De verwijzende rechter brengt in herinnering dat steun wordt geacht te zijn toegekend op het tijdstip waarop naar nationaal recht aan de begunstigde een zeker en onvoorwaardelijk recht op steun wordt verleend. Gelet op het feit dat de belastingdienst de aanspraak van TOODE op de aangevraagde steun nooit heeft erkend, kan een justitiabele als TOODE in beginsel pas na een rechterlijke beslissing een zeker en onvoorwaardelijk recht daarop verkrijgen wanneer de rechter, na een volledige rechtmatigheidstoetsing overeenkomstig artikel 250, lid 2, tweede volzin, van het wetboek van bestuursprocesrecht, in de versie die van toepassing is op de feiten in het hoofdgeding, vaststelt dat deze justitiabele voldoet aan alle in het nationale recht gestelde voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op de betrokken steun en de bevoegde autoriteit op grond van artikel 254, lid 1, van die wet gelast voor de toekomst een gunstig administratief besluit vast te stellen.

15 De verwijzende rechter herinnert er evenwel aan dat steun die de bevoegde autoriteit na afloop van een door de Commissie goedgekeurde nationale steunregeling aan een persoon toekent, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof als „nieuwe” steun moet worden aangemerkt. Hij vraagt zich niettemin af of deze rechtspraak kan worden toegepast op het geval waarin de bevoegde autoriteit ten onrechte heeft geweigerd de steun toe te kennen terwijl deze regeling nog van kracht was en deze autoriteit na het verstrijken van die regeling bij rechterlijke beslissing wordt gelast het steunbedrag toe te kennen en uit te keren.

16 Tegen deze achtergrond heeft de Administratīvā apgabaltiesa de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 107, lid 1, VWEU aldus worden uitgelegd dat staatssteun moet worden geacht te zijn toegekend op het tijdstip waarop de bevoegde autoriteit ten onrechte heeft geweigerd een aanspraak van een particulier op staatssteun te erkennen, indien het onrechtmatige karakter van de weigering na het verstrijken van de termijn voor het verlenen van steun wordt vastgesteld bij een rechterlijke beslissing? 2) Moet artikel 1, onder b), ii), van verordening [2015/1589] aldus worden uitgelegd dat steun die – bij gebreke van een door de bevoegde autoriteit, binnen de in de steunregeling vastgestelde termijn voor het verlenen van steun, vastgesteld besluit tot erkenning van de aanspraak op steun – na afloop van die termijn wordt toegekend aan een particulier op grond van een rechterlijke beslissing waarbij wordt verklaard dat de particulier binnen de bedoelde termijn voldeed aan alle in het nationale recht vastgestelde voorwaarden om voor de betrokken steun in aanmerking te komen en dat de weigering van de bevoegde autoriteit tot toekenning van de steun onrechtmatig was, bestaande steun is?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

Opmerkingen vooraf

17 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 107, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat staatssteun die onder een door de Commissie goedgekeurde nationale steunregeling valt, moet worden geacht te zijn toegekend in de zin van deze bepaling, op het tijdstip waarop de bevoegde nationale autoriteit een particulier ten onrechte de aanspraak op steun heeft geweigerd waarom hij binnen de voor het verlenen daarvan gestelde termijn heeft verzocht, wanneer na het verstrijken van die termijn in een rechterlijke beslissing wordt vastgesteld dat die weigering onrechtmatig is.

18 In dit verband volgt uit de rechtspraak van het Hof dat steun moet worden geacht te zijn toegekend in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU op het tijdstip waarop de begunstigde krachtens de toepasselijke nationale regeling het recht op die steun verkrijgt. Het bepalende criterium om vast te stellen op welk tijdstip staatssteun is toegekend, is het moment waarop de begunstigden van een bepaalde maatregel een vaste aanspraak op de steun verwerven en de staat zich er dienovereenkomstig toe verbindt de steun te verlenen. Op dat moment kan een dergelijke maatregel immers leiden tot een verstoring van de mededinging die het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU (zie in die zin arresten van 21 maart 2013, Magdeburger Mühlenwerke,C‑129/12, EU:C:2013:200, punt 40, en 25 januari 2022, Commissie/European Food e.a.,C‑638/19 P, EU:C:2022:50, punten 115 en 123).

19 Het staat dus aan de verwijzende rechter om op basis van het toepasselijke nationale recht en met inachtneming van het Unierecht te bepalen op welk tijdstip de in het hoofdgeding aan de orde zijnde staatssteun moet worden geacht te zijn toegekend. Daarbij moet de verwijzende rechter rekening houden met alle in het nationale recht gestelde voorwaarden voor het verlenen van de betrokken steun (zie in die zin arresten van 21 maart 2013, Magdeburger Mühlenwerke,C‑129/12, EU:C:2013:200, punt 41, en 28 oktober 2020, INAIL,C‑608/19, EU:C:2020:865, punten 31 en 32).

20 In het bijzonder moet de verwijzende rechter bepalen of op grond van het nationale recht in een situatie als die in het hoofdgeding kan worden geoordeeld dat het zekere recht op de betrokken steun moet worden geacht ex tunc te zijn verkregen op de datum waarop de bevoegde autoriteit rechtmatig had moeten handelen, dat wil zeggen op de datum van haar onterechte weigering, of dat dit nationale recht daarentegen slechts aldus kan worden uitgelegd dat de aanvrager door het weigeringsbesluit van deze autoriteit, ook al zou het onwettig worden verklaard, geen zeker recht op steun kon verkrijgen.

21 In dit verband moet, gelet op het feit dat het nationale recht blijkens de toelichting van de verwijzende rechter slechts in laatstbedoelde zin lijkt te kunnen worden uitgelegd, in herinnering worden gebracht dat het Hof, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, tot taak heeft de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan oplossen. Met het oog hierop moet hij de voorgelegde vragen in voorkomend geval herformuleren. Om dat nuttig antwoord te geven kan het Hof bepalingen van het Unierecht in aanmerking nemen waarnaar in de vraag van de verwijzende rechter niet wordt verwezen (zie in die zin arresten van 20 maart 1986, Tissier,35/85, EU:C:1986:143, punt 9, en 9 september 2021, LatRailNet en Latvijas dzelzceļš, C‑144/20, EU:C:2021:717, punt 29).

22 In casu blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de uiterste datum voor het verlenen van de steun in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde steunregeling in essentie is bepaald op basis van de in de mededeling betreffende de tijdelijke kaderregeling vastgestelde datum en dat deze Letse steunregeling, met name gelet op het tijdelijk karakter dat die uiterste datum impliceerde, bij besluit van de Commissie verenigbaar met de interne markt is verklaard. Hieruit volgt dat de toepassing van die regeling het Unierecht ten uitvoer brengt in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

23 Bovendien heeft het Hof reeds gelegenheid gehad te benadrukken dat de toepassing van de Unierechtelijke mededingingsregels berust op een verplichting tot loyale samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties enerzijds en de Commissie en de rechterlijke instanties van de Unie anderzijds, in het kader waarvan elk handelt overeenkomstig de taak die haar bij het Verdrag is toegekend (arrest van 21 november 2013, Deutsche Lufthansa,C‑284/12, EU:C:2013:755, punt 41). In dit verband is het weliswaar bij gebreke van Unieregelgeving ter zake een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de procedureregels vast te stellen voor beroepen die worden ingesteld tot bescherming van de aan de rechtsorde van de Unie ontleende individuele rechten, maar zijn de lidstaten er niettemin in alle gevallen verantwoordelijk voor om te verzekeren dat het recht op daadwerkelijke rechterlijke bescherming van deze rechten, zoals gewaarborgd in artikel 47, eerste alinea, van het Handvest, wordt geëerbiedigd (zie in die zin arresten van 19 maart 2015, E.ON Földgáz Trade,C‑510/13, EU:C:2015:189, punten 49 en 50, en 28 januari 2025, ASG 2,C‑253/23, EU:C:2025:40, punt 75). Volgens dit artikel 47, eerste alinea heeft eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht op een doeltreffende voorziening in rechte.

24 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in essentie van het Hof wenst te vernemen of artikel 107, lid 1, VWEU en artikel 47, eerste alinea, van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de uitlegging van een nationale regeling die tot gevolg heeft dat individuele steun die valt onder een door de Commissie goedgekeurde staatssteunregeling, niet kan worden geacht te zijn toegekend in de zin van deze bepaling van het VWEU, op de datum waarop de bevoegde nationale autoriteit die steun ten onrechte heeft geweigerd aan een particulier die daar binnen de voor het verlenen daarvan gestelde termijn om heeft verzocht, wanneer na het verstrijken van die termijn in een rechterlijke beslissing wordt vastgesteld dat die weigering onrechtmatig is.

Ten gronde

25 Gelet op het feit dat de uitlegging van het Letse recht, zoals blijkt uit punt 21 van het onderhavige arrest, ertoe lijkt te leiden dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde steun pas kan worden geacht te zijn toegekend in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU op de datum van vaststelling van een gunstig administratief besluit ter uitvoering van een rechterlijke beslissing, is de vaststelling van een dergelijke handeling en dus de uitvoering van dat besluit niet mogelijk wanneer, zoals in casu, de termijn voor het verlenen van de steun in de loop van de gerechtelijke procedure is verstreken.

26 Steun die wordt toegekend op een tijdstip waarop de goedkeuring van de Commissie voor die steun niet meer van kracht is, moet immers, aangezien het om nieuwe steun gaat, overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU bij de Commissie worden aangemeld en mag niet tot uitvoering worden gebracht zolang de Commissie de verenigbaarheid ervan met de interne markt niet heeft vastgesteld (zie in die zin arresten van 28 oktober 2021, Eco Fox e.a.,C‑915/19–C‑917/19, EU:C:2021:887, punt 36, en 7 april 2022, Autonome Provinz Bozen, C‑102/21 en C‑103/21, EU:C:2022:272, punten 32, 34 en 42).

27 Hieruit volgt dat de doeltreffendheid van het door artikel 47, eerste alinea, van het Handvest gewaarborgde recht op een voorziening in rechte voor een justitiabele als TOODE in het in punt 25 van het onderhavige arrest beschreven geval niet kan worden verzekerd, zelfs al zou bij rechterlijke beslissing na een volledige rechtmatigheidstoetsing evenwel worden erkend dat de verzoeker, dat wil zeggen de aanvrager van de betrokken steun, oorspronkelijk binnen de in de betrokken steunregeling gestelde termijn aan alle voorwaarden voor het recht op die steun had voldaan.

28 De tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing maakt integrerend deel uit van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte in de zin van artikel 47 van het Handvest. Dit recht zou denkbeeldig zijn indien het in een rechtsorde van een lidstaat mogelijk zou zijn dat een definitieve en bindende rechterlijke beslissing zonder uitwerking blijft ten nadele van een partij (arresten van 30 juni 2016, Toma en Biroul Executorului Judecătoresc Horaţiu-Vasile Cruduleci, C‑205/15, EU:C:2016:499, punt 43, en 29 juli 2019, Torubarov,C‑556/17, EU:C:2019:626, punt 57).

29 Bijgevolg verplicht artikel 47, eerste alinea, van het Handvest, als bepaling van Unierecht met rechtstreekse werking, in het in punt 25 van het onderhavige arrest bedoelde geval de nationale rechter ertoe nationaal recht buiten toepassing te laten dat eraan in de weg staat dat de individuele steun wordt geacht te zijn verleend op de datum van de weigeringsbeslissing van de bevoegde autoriteit (zie in die zin arresten van 24 juni 2019, Popławski,C‑573/17, EU:C:2019:530, punt 61, en 14 mei 2020, Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság Dél-alföldi Regionális Igazgatóság,C‑924/19 PPU en C‑925/19 PPU, EU:C:2020:367, punten 139 en 140 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In die omstandigheden moet de datum waarop deze steun wordt geacht te zijn toegekend in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, overeenkomen met de datum waarop de bevoegde autoriteit deze vennootschap de steun ten onrechte heeft geweigerd.

30 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 107, lid 1, VWEU en artikel 47, eerste alinea, van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de uitlegging van een nationale regeling die tot gevolg heeft dat individuele steun die onder een door de Commissie goedgekeurde nationale steunregeling valt, niet kan worden geacht te zijn toegekend in de zin van deze bepaling van het VWEU, op de datum waarop de bevoegde nationale autoriteit die steun ten onrechte heeft geweigerd aan een particulier die daar binnen de voor het verlenen daarvan gestelde termijn om heeft verzocht, wanneer na het verstrijken van die termijn in een rechterlijke beslissing wordt vastgesteld dat die weigering onrechtmatig is.

Tweede vraag

31 Om te beginnen moet, gelet op het antwoord op de eerste vraag, worden opgemerkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde steun moet worden geacht te zijn toegekend op de datum van de weigeringsbesluiten van de belastingdienst, dat wil zeggen vóór het verstrijken van de termijn voor het verlenen van de steun.

32 Teneinde de verwijzende rechter een nuttig antwoord op de tweede vraag te geven, moet deze vraag aldus worden opgevat dat deze in essentie ertoe strekt te vernemen of artikel 1, onder b), ii), van verordening 2015/1589 aldus moet worden uitgelegd dat individuele steun die geacht wordt te zijn toegekend op de datum waarop de bevoegde autoriteit deze steun ten onrechte heeft geweigerd aan een particulier die binnen de voor het verlenen ervan gestelde termijn een aanvraag heeft ingediend, maar aan die particulier is uitgekeerd ter uitvoering van een gunstig administratief besluit dat is vastgesteld na een bevel dat is gegeven bij een rechterlijke beslissing waarbij na het verstrijken van die termijn wordt vastgesteld dat die weigering onrechtmatig is, moet worden aangemerkt als „bestaande steun” in de zin van die bepaling.

33 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 1, onder b), ii), van deze verordening bepaalt dat „bestaande steun” goedgekeurde steun is, hetgeen steunregelingen en individuele steun omvat die door de Commissie of de Raad zijn goedgekeurd. Artikel 1, onder c), van die verordening bepaalt dat onder „nieuwe steun” alle steun wordt verstaan, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun die geen bestaande steun is, met inbegrip van wijzigingen in bestaande steun.

34 Het Hof heeft bovendien geoordeeld dat de steun vanaf het tijdstip waarop de begunstigde krachtens de toepasselijke nationale regeling het zekere recht op staatssteun verwerft, moet worden geacht te zijn toegekend, zodat de daadwerkelijke overdracht van de betrokken middelen niet doorslaggevend is (arresten van 19 december 2019, Arriva Italia e.a.,C‑385/18, EU:C:2019:1121, punt 36, en 20 mei 2021, Azienda Sanitaria Provinciale di Catania,C‑128/19, EU:C:2021:401, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 Uit deze rechtspraak volgt dat staatssteun als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, aangezien die wordt geacht te zijn toegekend op een tijdstip waarop de goedkeuring van de Commissie voor die steun van kracht was, moet worden aangemerkt als „goedgekeurde steun” en dus als „bestaande steun” in de zin van artikel 1, onder b), ii), van verordening 2015/1589, ongeacht of hij wordt betaald na het verstrijken van de geldigheid van de door de Commissie goedgekeurde steunregeling.

36 Verduidelijkt moet worden dat een dergelijke uitlegging, zoals de advocaat-generaal in punt 47 van zijn conclusie heeft aangegeven, geen verstoring van de mededinging op de markt tot gevolg kan hebben. Aangezien, zoals blijkt uit de in punt 18 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, de datum waarop het zekere recht op steun is toegekend, bepalend is voor het moment waarop een maatregel kan leiden tot een verstoring van de mededinging die het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig zou beïnvloeden in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, plaatst steun als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die na het verstrijken van de betrokken steunregeling wordt uitgekeerd, de steunaanvrager namelijk in de situatie waarin hij zich had moeten bevinden indien de bevoegde autoriteit rechtmatig had gehandeld, en wordt het dus juist mogelijk om het concurrentie-evenwicht op de markt te herstellen.

37 Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 1, onder b), ii), van verordening 2015/1589 aldus moet worden uitgelegd dat individuele steun die geacht wordt te zijn toegekend op de datum waarop de bevoegde autoriteit deze steun ten onrechte heeft geweigerd aan een particulier die binnen de voor het verlenen ervan gestelde termijn een aanvraag heeft ingediend, maar aan die particulier is uitgekeerd ter uitvoering van een gunstig administratief besluit dat is vastgesteld na een bevel dat is gegeven bij een rechterlijke beslissing waarbij na het verstrijken van die termijn wordt vastgesteld dat die weigering onrechtmatig is, moet worden aangemerkt als „bestaande steun” in de zin van die bepaling.

Kosten

38 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 107, lid 1, VWEU, en artikel 47, eerste alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moeten aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een uitlegging van een nationale regeling die tot gevolg heeft dat individuele steun die valt onder een door de Europese Commissie goedgekeurde nationale steunregeling, niet kan worden geacht te zijn toegekend in de zin van deze bepaling van het VWEU, op de datum waarop de bevoegde nationale autoriteit die steun ten onrechte heeft geweigerd aan een particulier die daar binnen de voor het verlenen daarvan gestelde termijn om heeft verzocht, wanneer na het verstrijken van die termijn in een rechterlijke beslissing wordt vastgesteld dat die weigering onrechtmatig is.

2) Artikel 1, onder b), ii), van verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 [VWEU], moet aldus worden uitgelegd dat individuele steun die geacht wordt te zijn toegekend op de datum waarop de bevoegde autoriteit deze steun ten onrechte heeft geweigerd aan een particulier die binnen de voor het verlenen ervan gestelde termijn een aanvraag heeft ingediend, maar aan die particulier is uitgekeerd ter uitvoering van een gunstig administratief besluit dat is vastgesteld na een bevel dat is gegeven bij een rechterlijke beslissing waarbij na het verstrijken van die termijn wordt vastgesteld dat die weigering onrechtmatig is, moet worden aangemerkt als „bestaande steun” in de zin van die bepaling.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Lets.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in