HvJ EU 2 oktober 2025, C-284/24, ECLI:EU:C:2025:741
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
2 oktober 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Richtlijn 2004/80/EG – Artikel 12, lid 2 – Schadeloosstelling van slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven – Billijke en passende schadeloosstelling – Nationale regeling die schadeloosstelling voor pijn en leed uitsluit”
In zaak C‑284/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de High Court (rechter in eerste aanleg, Ierland) bij beslissing van 12 april 2024, ingekomen bij het Hof op 23 april 2024, in de procedure
LD
tegen
Criminal Injuries Compensation Tribunal,
Minister for Justice and Equality,
Ireland,
Attorney General,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, D. Gratsias (rapporteur), E. Regan, J. Passer en B. Smulders, rechters,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– LD, vertegenwoordigd door C. Donnelly, SC, M. Lynn, SC en J. MacGuill, SC, solicitor, D. Brady, BL, C. Donald, solicitor, en E. Martin-Vignerte, avocate,
– Criminal Injuries Compensation Tribunal, Minister for Justice and Equality, Ierland en Attorney General, vertegenwoordigd door M. Browne, Chief State Solicitor, S. Finnegan, A. Joyce en J. Moloney als gemachtigden, bijgestaan door M. Reilly, SC, en M. Finan, BL,
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, A. Pagáčová en J. Vláčil als gemachtigden,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en P.‑L. Krüger als gemachtigden,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door E. M. Besselink, M. K. Bulterman, en M. H. S. Gijzen als gemachtigden,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Noë en J. Tomkin als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven (PB 2004, L 261, blz. 15).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen LD, enerzijds en de Criminal Injuries Compensation Tribunal (gerecht voor schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven, Ierland) (hierna: „CICT”), de Minister for Justice and Equality (minister van Justitie en Gelijke Kansen, Ierland), Ierland en de Attorney General (procureur-generaal, Ierland), anderzijds, betreffende een aanvraag die LD heeft ingediend uit hoofde van de „Scheme of Compensation for Personal Injuries Criminally Inflicted” (regeling voor vergoeding van letselschade door misdrijf; hierna: „Ierse regeling voor schadeloosstelling van slachtoffers”).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2004/80
3 In de overwegingen 2, 10 en 14 van richtlijn 2004/80 staat te lezen: „(2) Het Hof van Justitie heeft in [het arrest van 2 februari 1989, Cowan (186/87, EU:C:1989:47),] geoordeeld dat de door het Gemeenschapsrecht aan een natuurlijke persoon gewaarborgde vrijheid om zich naar een andere lidstaat te begeven, meebrengt dat de integriteit van die persoon in de betrokken lidstaat op dezelfde wijze moet worden beschermd als die van de onderdanen van die lidstaat en van de personen die er hun woonplaats hebben. Maatregelen om slachtoffers van misdrijven schadeloos te kunnen stellen dienen een onderdeel te vormen van de verwezenlijking van deze doelstelling. [...] (10) Slachtoffers van misdrijven kunnen vaak geen schadeloosstelling van de dader krijgen, omdat deze niet over de nodige middelen beschikt om gevolg te geven aan een veroordeling tot schadevergoeding of omdat hij niet kan worden opgespoord of vervolgd. [...] (14) Deze richtlijn eerbiedigt de fundamentele rechten en de beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [(hierna: ‚Handvest’)] als algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht worden bekrachtigd.”
4 Artikel 1 („Het recht om een aanvraag in te dienen in de lidstaat van verblijf”) van deze richtlijn luidt als volgt: „De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer een opzettelijk geweldmisdrijf is gepleegd in een andere lidstaat dan de lidstaat waar de aanvrager van de schadeloosstelling zijn gewone verblijfplaats heeft, de aanvrager het recht heeft zijn aanvraag bij een instantie of een ander orgaan in deze lidstaat van verblijf in te dienen.”
5 Artikel 12 van deze richtlijn, het enige artikel van hoofdstuk II ervan, met het opschrift „Nationale regelingen voor schadeloosstelling”, bepaalt in lid 2: „Alle lidstaten zorgen ervoor dat hun nationale wetgeving voorziet in een schadeloosstellingsregeling voor slachtoffers van op hun grondgebied gepleegde opzettelijke geweldmisdrijven, die een billijke en passende schadeloosstelling van slachtoffers garandeert.”
6 Artikel 18 („Omzetting”) van deze richtlijn bepaalt in lid 2: „De lidstaten kunnen bepalen dat de bepalingen die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen, enkel van toepassing zijn op aanvragers wier letsels het gevolg zijn van misdrijven die na 30 juni 2005 zijn gepleegd.”
Richtlijn 2012/29
7 Artikel 2 („Definities”) van richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van kaderbesluit 2001/220/JBZ (PB 2012, L 315, blz. 57), bepaalt in lid 1: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: a) ‚slachtoffer’: i) een natuurlijke persoon die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit schade, met inbegrip van lichamelijke, geestelijke of emotionele schade of economisch nadeel, heeft geleden; [...]
Iers recht
8 De Ierse regeling voor schadeloosstelling van slachtoffers is een administratiefrechtelijke regeling die in 1974 is opgezet om schadeloosstelling toe te kennen aan slachtoffers van misdrijven. De CICT is met de uitvoering daarvan belast. Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing voorzag deze regeling in zijn oorspronkelijke versie in de betaling van een zogenaamde „algemene” schadevergoeding (general damages), met inbegrip van een vergoeding voor pijn en leed (pain and suffering).
9 Sinds die regeling op 1 april 1986 is gewijzigd, wordt er geen schadeloosstelling voor pijn en leed toegekend als algemene schadevergoeding omdat – zoals de verwijzende rechter in essentie opmerkt – de betrokken bepalingen vóór de wijziging ervan zwaar belastend waren voor de staatskas van Ierland, dat destijds in een diepe economische recessie verkeerde.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
10 Op 12 juli 2015 is LD, die in Spanje is geboren en in Ierland verblijft, het slachtoffer geworden van een geweldmisdrijf toen hij voor zijn huis in Dublin (Ierland) werd aangevallen door een groep personen.
11 Op 1 oktober 2015 heeft LD bij de CICT een aanvraag ingediend voor schadeloosstelling uit hoofde van de Ierse regeling voor schadeloosstelling van slachtoffers.
12 LD heeft in die aanvraag vermeld dat hij door deze geweldpleging aanzienlijk oogletsel had opgelopen met een permanente visuele beperking tot gevolg, alsook verschillende andere letsels, onder meer aan zijn kaak, linkerschouder, linkerarm, middel en borstkas. Hij stelde voorts mentale problemen te hebben en angstig te zijn. Luidens de aanvraag is LD na de geweldpleging niet op het werk verschenen en is hij door zijn werkgever ontslagen. Hij verklaarde op het moment van de indiening van zijn aanvraag werkloos te zijn.
13 De CICT heeft vastgesteld dat LD letsel en schade heeft geleden als gevolg van het opzettelijke geweldmisdrijf waarvan hij het slachtoffer was geworden en dat hij elders geen schadeloosstelling heeft ontvangen, en heeft hem als gratificatie een bedrag van 645,62 EUR toegekend voor uitgaven (out-of-pocket expenses) die rechtstreeks zijn toe te schrijven aan dit misdrijf. Op verzoek van LD heeft dit gerecht hem de uitsplitsing van de toegekende schadeloosstelling meegedeeld. Hieruit bleek dat hem 44,20 EUR was toegekend voor de vervanging van zijn rijbewijs, 339 EUR voor de vervanging van zijn bril, 28,82 EUR voor medicijnen, 100 EUR voor ziekenhuiskosten en 133,63 EUR voor reiskosten.
14 LD heeft op 2 augustus 2019 beroep ingesteld bij de High Court (rechter in eerste aanleg, Ierland), de verwijzende rechter, waarbij hij onder meer een verklaring heeft gevorderd dat de Ierse regeling voor schadeloosstelling van slachtoffers niet-verenigbaar is met richtlijn 2004/80 en/of met de artikelen 1, 3, 4, 7 en 9 van het Handvest omdat die regeling een algemene schadevergoeding, met inbegrip van een vergoeding voor pijn en leed, uitsluit en daardoor niet voorziet in een billijke en passende schadeloosstelling, alsmede een verklaring dat hij als slachtoffer van een misdrijf gerechtigd is tot een vergoeding voor die pijn en dat leed.
15 De verwijzende rechter merkt om te beginnen op dat, hoewel het arrest van 16 juli 2020, Presidenza del Consiglio dei Ministri (C‑129/19, EU:C:2020:566), nuttige aanwijzingen biedt voor de uitlegging van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80, aan de hand van dat arrest niet kan worden geantwoord op de vraag of en in hoeverre moet worden voorzien in een billijke en passende schadeloosstelling, als bedoeld in deze bepaling, om bij te dragen tot de vergoeding van zowel de materiële als de immateriële schade die slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven hebben geleden, met inbegrip van pijn en leed. In dit verband blijkt ondubbelzinnig uit de verwijzingsbeslissing dat pijn en leed naar Iers recht behoren tot de ruimere categorie van immateriële schade (non-material loss).
16 Vervolgens herinnert de verwijzende rechter aan de ruime beoordelingsmarge waarover de lidstaten ter zake beschikken maar stelt hij tegelijk twijfels te hebben – die volgens hem door de Court of Appeal (rechter in tweede aanleg, Ierland) worden gedeeld – over de mogelijkheid om immateriële schade uit te sluiten van de werkingssfeer van de nationale schadeloosstellingssregelingen. Volgens de verwijzende rechter is in het arrest van 16 juli 2020, Presidenza del Consiglio dei Ministri (C‑129/19, EU:C:2020:566), inderdaad niet gepreciseerd welke schade of welk nadeel als immateriële schade kan worden aangemerkt. Hij merkt niettemin op dat hij het arrest zo begrijpt dat het gebruik door het Hof van de term „lijden” ten eerste duidt op een verplichting tot – op zijn minst een gedeeltelijke – schadeloosstelling voor pijn en leed. Ten tweede kan de uitsluiting van een dergelijke schadeloosstelling volgens de verwijzende rechter moeilijk worden aanvaard wanneer, volgens dat arrest, bij de schadeloosstelling waarin richtlijn 2004/80 voorziet rekening moet worden gehouden met de ernst van de gevolgen voor het slachtoffer van het misdrijf.
17 Ten slotte verwijst deze rechter naar het verslag van 20 april 2009 van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de toepassing van richtlijn 2004/80/EG van de Raad betreffende de schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven [COM(2009) 170 final], betreffende de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008, volgens hetwelk de meeste lidstaten een schadeloosstelling voor ziekte en mentale letsels in hun nationale regelingen hebben opgenomen.
18 Tegen deze achtergrond heeft de High Court de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Vereist de door artikel 12, lid 2, van [richtlijn 2004/80] aan de lidstaten opgelegde verplichting om te voorzien in een „billijke en passende schadeloosstelling’ voor slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven, dat een slachtoffer vergoeding ontvangt voor zowel materiële als immateriële schade in de zin van het arrest Presidenza del Consiglio dei Ministri (C‑129/19, EU:C:2020:566)? 2) Zo ja, welke soorten schade vallen dan onder ‚immateriële schade’? 3) Vallen met name „pijn en leed” van een slachtoffer onder ‚immateriële schade’? 4) Indien het antwoord op [de eerste en de derde vraag] bevestigend luidt, in welke verhouding moet de ‚billijke en passende schadeloosstelling’ die uit hoofde van richtlijn 2004/80 wordt toegekend dan staan tot de schadevergoeding die aan dat slachtoffer zou worden toegekend in een civiele procedure tegen de dader als pleger van een onrechtmatige daad, in aanmerking nemende dat de lidstaten de financiële levensvatbaarheid van hun regelingen moeten waarborgen? 5) Kan de schadeloosstelling die bij de [Ierse regeling voor schadeloosstelling van slachtoffers] is ingesteld voor slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven worden aangemerkt als een ‚billijke en passende schadeloosstelling voor slachtoffers’ in de zin van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80, wanneer een slachtoffer een bedrag van 645,65 EUR wordt toegekend als schadeloosstelling voor ernstig oogletsel met een permanente visuele beperking tot gevolg?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
19 Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling voor schadeloosstelling van slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven die, wat immateriële schade betreft, in beginsel elke schadeloosstelling voor de pijn en het leed van deze slachtoffers uitsluit.
20 Vooraf moet worden opgemerkt dat de wetgever met deze richtlijn heeft voorzien in een schadeloosstellingsregeling die subsidiair is ten opzichte van de vergoeding die dergelijke slachtoffers kunnen verkrijgen uit hoofde van de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van de dader.
21 Zoals blijkt uit overweging 10 van die richtlijn, is zij namelijk onder meer vastgesteld in het licht van het feit dat slachtoffers vaak geen schadeloosstelling van de dader kunnen krijgen, hetzij omdat de dader niet over de nodige middelen beschikt om gevolg te kunnen geven aan een veroordeling tot schadevergoeding of omdat hij niet kan worden opgespoord of vervolgd.
22 Artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80 bepaalt met name dat alle lidstaten ervoor moeten zorgen dat hun nationale wetgeving voorziet in een schadeloosstellingsregeling voor slachtoffers van op hun grondgebied gepleegde opzettelijke geweldmisdrijven, die een billijke en passende schadeloosstelling van deze slachtoffers garandeert.
23 Wat betreft de werkingssfeer van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80 heeft het Hof gepreciseerd dat deze bepaling het recht op een billijke en passende schadeloosstelling niet alleen toekent aan slachtoffers van op het grondgebied van een lidstaat gepleegde opzettelijke geweldmisdrijven die zich in een grensoverschrijdende situatie in de zin van artikel 1 van die richtlijn bevinden, maar ook aan slachtoffers die hun gewone verblijfplaats op het grondgebied van die lidstaat hebben (arrest van 16 juli 2020, Presidenza del Consiglio dei Ministri, C‑129/19, EU:C:2020:566, punt 55).
24 Wat de vaststelling van de schadeloosstelling betreft, zij erop gewezen dat deze – gelet op, ten eerste, de beoordelingsmarge die deze bepaling aan de lidstaten toekent wat betreft zowel de „billijke en passende” aard van het bedrag van die schadeloosstelling als de nadere regels voor de vaststelling daarvan, en ten tweede, de noodzaak om de financiële levensvatbaarheid van de nationale regelingen te waarborgen – niet noodzakelijkerwijs overeen hoeft te komen met de schadevergoeding die ten laste van de dader van een opzettelijk geweldmisdrijf aan het slachtoffer van dat misdrijf kan worden toegekend. De schadeloosstelling waarin artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80 voorziet, hoeft er dus niet noodzakelijkerwijs voor te zorgen dat de materiële en immateriële schade van dit slachtoffer volledig wordt vergoed (zie in die zin arrest van 7 november 2024, Burdene, C‑126/23, EU:C:2024:937, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25 In dit verband staat het uiteindelijk aan de nationale rechter om ervoor te zorgen dat het op grond van deze schadeloosstellingsregeling aan een slachtoffer van een opzettelijk geweldmisdrijf toegekende bedrag, gelet op de nationale bepalingen waarbij die regeling is ingevoerd, een „billijke en passende schadeloosstelling” in de zin van artikel 12, lid 2, van deze richtlijn vormt (arresten van 16 juli 2020, Presidenza del Consiglio dei Ministri, C‑129/19, EU:C:2020:566, punt 61, en 7 november 2024, Burdene, C‑126/23, EU:C:2024:937, punt 58).
26 Een lidstaat overschrijdt evenwel de beoordelingsmarge die deze bepaling verleent indien de nationale bepalingen van die lidstaat voorzien in een schadeloosstelling voor slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven die louter symbolisch of kennelijk onvoldoende is, gelet op de ernstige gevolgen die het misdrijf voor de slachtoffers heeft (arresten van 16 juli 2020, Presidenza del Consiglio dei Ministri, C‑129/19, EU:C:2020:566, punt 63, en 7 november 2024, Burdene, C‑126/23, EU:C:2024:937, punt 59).
27 Aangezien de aan deze slachtoffers toegekende schadeloosstelling bijdraagt tot de vergoeding van hun materiële en immateriële schade, kan een dergelijke bijdrage immers slechts als „billijk en passend” worden beschouwd als zij in voldoende mate het lijden van de slachtoffers compenseert (zie in die zin arresten van 16 juli 2020, Presidenza del Consiglio dei Ministri, C‑129/19, EU:C:2020:566, punt 64, en 7 november 2024, Burdene, C‑126/23, EU:C:2024:937, punt 60).
28 Om als „billijk en passend” in de zin van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80 te worden aangemerkt, moet een schadeloosstelling die op grond van een nationale schadeloosstellingsregeling voor die slachtoffers wordt toegekend derhalve worden vastgesteld rekening houdend met de ernst van de gevolgen van het misdrijf voor de slachtoffers, en dus in voldoende mate bijdragen tot de vergoeding van die materiële en immateriële schade (zie in die zin arresten van 16 juli 2020, Presidenza del Consiglio dei Ministri, C‑129/19, EU:C:2020:566, punt 69, en 7 november 2024, Burdene, C‑126/23, EU:C:2024:937, punt 62).
29 Wat meer in het bijzonder de schadeloosstelling voor de door deze slachtoffers geleden immateriële schade betreft, moet worden opgemerkt dat deze bepaling weliswaar niet uitdrukkelijk naar dergelijke schade verwijst, maar dat de ruime formulering van die bepaling de draagwijdte van de schadeloosstelling waarin zij voorziet geenszins beperkt wat betreft de schade die zij kan helpen vergoeden.
30 Zoals het Hof in punt 48 van het arrest van 7 november 2024, Burdene (C‑126/23, EU:C:2024:937), heeft aangegeven, wordt de draagwijdte van het begrip „slachtoffer” van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80 bovendien verduidelijkt door de definitie van het begrip „slachtoffer” in artikel 2, lid 1, onder a), van richtlijn 2012/29, namelijk „een natuurlijke persoon die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit schade, met inbegrip van lichamelijke, geestelijke of emotionele schade of economisch nadeel, heeft geleden”. Uit de bewoordingen van laatstgenoemde bepaling blijkt duidelijk dat zij zowel betrekking heeft op slachtoffers die materiële schade hebben geleden als op slachtoffers die immateriële schade hebben geleden. In het bijzonder bevestigt het feit dat die bepaling verwijst naar zowel lichamelijke als geestelijke of emotionele schade dat de schade van deze slachtoffers ook hun pijn en hun leed omvat.
31 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dus dat er geen onderscheid kan worden gemaakt naar de soorten schade die slachtoffers van misdrijven kunnen hebben geleden of naar de mogelijke gevolgen voor deze slachtoffers.
32 Gesteld al dat de bewoordingen van artikel 18, lid 2, van richtlijn 2004/80, die met name in de Franse en de Roemeense taalversie enkel zien op „lichamelijk letsel”, erop kunnen wijzen dat er een dergelijk onderscheid bestaat, moet worden opgemerkt dat de term „schade” in verschillende andere taalversies van deze bepaling niet vergezeld gaat van een bijvoeglijk naamwoord dat de draagwijdte ervan beperkt.
33 Volgens vaste rechtspraak moeten Unierechtelijke bepalingen uniform worden uitgelegd en toegepast, in het licht van de versies in alle talen van de Unie, en wanneer er verschillen bestaan tussen deze diverse versies, moet bij de uitlegging van de betrokken bepaling worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan deze een onderdeel vormt (arrest van 17 januari 2023, Spanje/Commissie, C‑632/20 P, EU:C:2023:28, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34 Dienaangaande kan in de eerste plaats uit geen enkele andere bepaling van richtlijn 2004/80 worden afgeleid dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de soorten door slachtoffers geleden schade die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen.
35 In de tweede plaats blijkt uit overweging 2 van die richtlijn dat maatregelen om slachtoffers van misdrijven schadeloos te kunnen stellen een onderdeel moeten vormen van de verwezenlijking van de doelstelling om de integriteit van de betrokken personen te beschermen. Bovendien staat in overweging 14 ervan te lezen dat die richtlijn de fundamentele rechten en de beginselen eerbiedigt die met name in het Handvest worden bekrachtigd. Uit artikel 3, lid 1, van het Handvest blijkt dat de menselijke integriteit aldus moet worden opgevat dat deze zowel lichamelijke als geestelijke integriteit omvat.
36 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de schadeloosstelling waarin artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80 voorziet, moet kunnen bijdragen tot de vergoeding van alle immateriële schade, met inbegrip van pijn en leed.
37 In dat opzicht kan, zoals de verwijzende rechter in de vijfde prejudiciële vraag in wezen opmerkt, een geweldmisdrijf zoals tegen LD is gepleegd, zowel in materiële als immateriële zin ernstige gevolgen hebben in de vorm van onder meer pijn en leed, hetgeen tot uitdrukking moet komen in het toegekende bedrag.
38 De schadeloosstelling voor de door LD geleden schade kan in het onderhavige geval dus, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, geen billijke en passende vergoeding in de zin van dat artikel 12, lid 2, vormen indien met name de immateriële schade, als bedoeld in het vorige punt, daarvan wordt uitgesloten, aangezien zij de schade die het slachtoffer als gevolg van het betrokken misdrijf heeft geleden slechts gedeeltelijk zou dekken en dus niet kan worden geacht rekening te houden met de ernst van de gevolgen van het misdrijf voor dit slachtoffer.
39 Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling voor schadeloosstelling van slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven die, wat immateriële schade betreft, in beginsel elke schadeloosstelling voor de pijn en het leed van deze slachtoffers uitsluit. Niettegenstaande de noodzaak om de financiële levensvatbaarheid van de nationale schadeloosstellingsregelingen te waarborgen – waardoor de lidstaten niet noodzakelijkerwijs moeten voorzien in een volledige vergoeding van de materiële en immateriële schade van die slachtoffers – vereist een billijke en passende schadevergoeding in de zin van die bepaling dat bij de vaststelling van een dergelijke schadeloosstelling rekening wordt gehouden met de ernst van de gevolgen van de gepleegde misdrijven voor die slachtoffers alsook met de vergoeding die zij kunnen krijgen op grond van de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van de dader.
Kosten
40 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich verzet tegen een nationale regeling voor schadeloosstelling van slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven die, wat immateriële schade betreft, in beginsel elke schadeloosstelling voor de pijn en het leed van deze slachtoffers uitsluit. Niettegenstaande de noodzaak om de financiële levensvatbaarheid van de nationale schadeloosstellingsregelingen te waarborgen – waardoor de lidstaten niet noodzakelijkerwijs moeten voorzien in een volledige vergoeding van de materiële en immateriële schade van die slachtoffers – vereist een billijke en passende schadevergoeding in de zin van die bepaling dat bij de vaststelling van een dergelijke schadeloosstelling rekening wordt gehouden met de ernst van de gevolgen van de gepleegde misdrijven voor die slachtoffers alsook met de vergoeding die zij kunnen krijgen op grond van de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van de dader.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.