HvJ EU 7 november 2024, C-126/23, ECLI:EU:C:2024:937
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
7 november 2024 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Richtlijn 2004/80/EG – Artikel 12, lid 2 – Nationale schadeloosstellingsregelingen voor slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven – Levensdelict – Schadeloosstelling van naaste familieleden van de overledene – Begrip slachtoffer – ‚Trapsgewijze’ schadeloosstellingsregeling in de orde van erfopvolging – Nationale regeling die de betaling van een schadeloosstelling aan andere familieleden van de overledene uitsluit wanneer er kinderen en een overlevende echtgenoot zijn – Ouders, broers en zussen van de overledene – ‚Billijke en passende’ schadeloosstelling”
In zaak C‑126/23 [Burdene] ( 1 ),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunale Ordinario di Venezia (rechter in eerste aanleg Venetië, Italië) bij beslissing van 15 februari 2023, ingekomen bij het Hof op 2 maart 2023, in de procedure
UD,
QO,
VU,
LO,
CA
tegen
Presidenza del Consiglio dei ministri,
Ministero dell’Interno,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. Gratsias en E. Regan (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: C. Di Bella, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 februari 2024,
gelet op de opmerkingen van:
– QO en UD, vertegenwoordigd door G. Sicchiero, avvocato,
– LO en VU, vertegenwoordigd door M. G. Bergamo, F. Sicchiero en G. Sicchiero, avvocati,
– CA, vertegenwoordigd door E. Pertile en G. Sicchiero, avvocati,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door E. De Bonis, S. Fiorentino en G. Palatiello, avvocati dello Stato,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door E. Montaguti en S. Noë als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 mei 2024,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven (PB 2004, L 261, blz. 15) en van de artikelen 20 en 21, artikel 33, lid 1, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de ouders, de zus en de kinderen van het slachtoffer van een levensdelict, enerzijds, en de Presidenza del Consiglio dei Ministri (voorzitterschap van de ministerraad, Italië) en de Ministero dell’Interno (ministerie van Binnenlandse Zaken, Italië), anderzijds, over de schadeloosstelling door de Italiaanse Staat, wegens de insolventie van de dader van dat levensdelict, voor de schade die zij als gevolg daarvan hebben geleden.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Kaderbesluit 2001/220
3 Artikel 1 van kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure (PB 2001, L 82, blz. 1) heeft als opschrift „Begripsomschrijvingen” en bepaalt: „Voor de toepassing van dit kaderbesluit wordt verstaan onder: a) slachtoffer: de natuurlijke persoon die als direct gevolg van het handelen of nalaten dat in strijd is met de strafwetgeving van een lidstaat schade, met inbegrip van lichamelijk of geestelijk letsel, geestelijke pijn en economische schade, heeft geleden; […]”
Richtlijn 2004/80
4 De overwegingen 5 en 10 van richtlijn 2004/80 zijn als volgt geformuleerd: „(5) De Raad heeft op 15 maart 2001 kaderbesluit 2001/220/JBZ aangenomen […]. Op grond van dit besluit, dat is gebaseerd op titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie, kunnen slachtoffers van misdrijven in het kader van de strafprocedure schadeloosstelling eisen van de dader. […] (10) Slachtoffers van misdrijven kunnen vaak geen schadeloosstelling van de dader krijgen, omdat deze niet over de nodige middelen beschikt om gevolg te geven aan een veroordeling tot schadevergoeding of omdat hij niet kan worden opgespoord of vervolgd.”
5 In hoofdstuk II van deze richtlijn, dat als opschrift „Nationale regelingen voor schadeloosstelling” heeft, bepaalt artikel 12: „1. De voorschriften van deze richtlijn betreffende de toegang tot schadeloosstelling in grensoverschrijdende situaties functioneren op basis van de schadeloosstellingsregelingen van de lidstaten voor slachtoffers van op hun grondgebied gepleegde opzettelijke geweldmisdrijven. 2. Alle lidstaten zorgen ervoor dat hun nationale wetgeving voorziet in een schadeloosstellingsregeling voor slachtoffers van op hun grondgebied gepleegde opzettelijke geweldmisdrijven, die een billijke en passende schadeloosstelling van slachtoffers garandeert.”
6 In hoofdstuk III („Uitvoeringsbepalingen”) van die richtlijn bepaalt artikel 17, dat zelf het opschrift „Gunstiger bepalingen” heeft, het volgende: „Deze richtlijn belet de lidstaten niet om a) bepalingen in te voeren of te handhaven die gunstiger zijn voor slachtoffers van misdrijven of andere personen die ten gevolge van een misdrijf nadeel ondervinden; b) bepalingen in te voeren of te handhaven op grond waarvan slachtoffers van buiten het eigen grondgebied gepleegde misdrijven of andere personen die ten gevolge van een misdrijf nadeel ondervinden, schadeloosgesteld kunnen worden onder de door de lidstaat vastgestelde voorwaarden, mits deze bepalingen verenigbaar zijn met deze richtlijn.”
Richtlijn 2012/29
7 Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van kaderbesluit 2001/220/JBZ (PB 2012, L 315, blz. 57) bepaalt in artikel 2: „1. In deze richtlijn wordt verstaan onder: a) ‚slachtoffer’: i) een natuurlijke persoon die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit schade, met inbegrip van lichamelijke, geestelijke of emotionele schade of economisch nadeel, heeft geleden; ii) familieleden van een persoon wiens overlijden rechtstreeks veroorzaakt is door een strafbaar feit en die schade hebben geleden als gevolg van het overlijden van die persoon; b) ‚familieleden’: de echtgenoot, de persoon die met het slachtoffer in een vaste intieme relatie, in een gemeenschappelijk huishouden en duurzaam en ononderbroken samenwoont, de bloedverwanten in rechte lijn, de broers en zussen, en de personen die van het slachtoffer afhankelijk zijn; […] 2. De lidstaten kunnen procedures vaststellen om: a) het aantal familieleden dat aanspraak kan maken op de in deze richtlijn opgenomen rechten, te beperken, telkens rekening houdend met de specifieke omstandigheden, en b) met betrekking tot lid 1, onder a), ii), te bepalen welke familieleden voorrang krijgen wat betreft de uitoefening van de in deze richtlijn opgenomen rechten.”
Italiaans recht
8 Artikel 11 van legge n. 122 – Disposizioni per l’adempimento degli obblighi derivanti dall’appartenenza dell’Italia all’Unione europea – Legge europea 2015‑2016 (wet nr. 122 houdende bepalingen ter nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit het lidmaatschap van Italië van de Europese Unie – Europese wet 2015‑2016) van 7 juli 2016 (GURI nr. 158 van8 juli 2016, blz. 1), zoals gewijzigd bij artikel 6 van wet nr. 167 van 20 november 2017 en artikel 1, leden 593 tot en met 596, van wet nr. 145 van 30 december 2018 (hierna: „wet nr. 122/2016”), bepaalt: „1. Onverminderd gunstigere voorzieningen voor slachtoffers van bepaalde strafbare feiten waarin andere wetsbepalingen voorzien, heeft het slachtoffer van een opzettelijk geweldmisdrijf en in ieder geval van het strafbare feit bedoeld in artikel 603 bis van de codice penale [(wetboek van strafrecht)], met uitzondering van de in de artikelen 581 en 582 bedoelde strafbare feiten tenzij er sprake is van de verzwarende omstandigheden bedoeld in artikel 583 van het wetboek van strafrecht, recht op schadeloosstelling door de Staat. 2. De schadeloosstelling voor levensdelicten, seksueel geweld of zeer zware mishandeling […] wordt overeenkomstig artikel 583, lid 2, van het wetboek van strafrecht uitgekeerd aan het slachtoffer of aan de in lid 2 bis genoemde rechtverkrijgenden, en het bedrag daarvan wordt vastgesteld bij het in lid 3 genoemde besluit. Voor andere dan de in lid 1 genoemde misdrijven wordt de schadeloosstelling uitgekeerd ter vergoeding van de medische en verpleegkosten. 2 bis. Indien het slachtoffer ten gevolge van het strafbare feit is overleden, wordt de schadeloosstelling betaald aan de overlevende echtgenoot en aan de kinderen; indien er geen echtgenoot en geen kinderen zijn, wordt de schadeloosstelling betaald aan de ouders, en indien er geen ouders zijn, aan de op het tijdstip van het strafbare feit inwonende en ten laste van het slachtoffer komende broers en zussen. […] 2 ter. In geval van meerdere rechtverkrijgenden wordt de schadeloosstelling verdeeld volgens de in boek II, titel II, van de codice civile [(burgerlijk wetboek)] vastgestelde verdeelsleutel. 3. Bij besluit van de Ministro dell’interno [(minister van Binnenlandse Zaken, Italië)] en de Ministro della giustizia [(minister van Justitie, Italië)], in overleg met de Ministro dell’economia e delle finanze [(minister van Economische Zaken en Financiën, Italië)], dat binnen zes maanden na inwerkingtreding van deze wet wordt vastgesteld, worden de bedragen van de schadeloosstelling bepaald, binnen de grenzen van de beschikbare middelen van de in artikel 14 bedoelde [Fondo di rotazione per la solidarietà alle vittime dei reati di tipo mafioso, delle richieste estorsive, dell’usura e dei reati intenzionali violenti (fonds voor solidariteit met slachtoffers van maffieuze strafbare feiten, afpersing, woekerpraktijken en opzettelijke geweldmisdrijven; hierna: „solidariteitsfonds”)]. Daarbij wordt een hogere vergoeding gegarandeerd voor slachtoffers van seksueel geweld en levensdelicten, en met name aan de kinderen van het slachtoffer indien het levensdelict is gepleegd door de echtgenoot of echtgenote – ook indien de betrokkenen feitelijk of wettelijk zijn gescheiden – dan wel door een persoon waarmee de gelaedeerde een affectieve band heeft of had.”
9 Artikel 1, lid 1, onder b), van de decreto ministeriale – Determinazione degli impori dell’indennizzo alle vittime dei reati intenzionali violenti (ministerieel decreet tot vaststelling van de schadeloosstellingsbedragen voor slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven) van 22 november 2019 (GURI nr. 18 van 23 januari 2020, blz. 9; hierna: „ministerieel uitvoeringsdecreet”), dat is vastgesteld ter uitvoering van artikel 11, lid 3, van wet nr. 122/2016, bepaalt het volgende: „indien het levensdelict is gepleegd door de echtgenoot of echtgenote – ook indien de betrokkenen feitelijk of wettelijk zijn gescheiden – dan wel door een persoon waarmee de gelaedeerde een affectieve band heeft of had, een vast bedrag van 60000 EUR dat uitsluitend bestemd is voor de kinderen van het slachtoffer”.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
10 Op 18 september 2018 heeft de Tribunale di Padova (rechter in eerste aanleg Padua, Italië) de dader van een levensdelict in Italië, met als slachtoffer zijn voormalige partner, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 jaar en hem gelast een voorlopige schadevergoeding te betalen aan de familieleden van het slachtoffer die zich civiele partij hadden gesteld. Zo is 400000 EUR toegekend aan elk van de twee kinderen van het slachtoffer, 120000 EUR aan haar vader, haar moeder en haar zus alsmede 30000 EUR aan haar overlevende echtgenoot, van wie zij feitelijk, maar niet wettelijk was gescheiden.
11 Aangezien de dader geen vermogen en geen inkomen had en kosteloze rechtsbijstand had gekregen, heeft de Italiaanse Staat, overeenkomstig de nationale regeling, enkel aan elk van de twee kinderen een schadeloosstelling van 20000 EUR betaald, terwijl aan de gescheiden levende echtgenoot een schadeloosstelling van 16666,66 EUR is toegekend.
12 Op 1 februari 2022 hebben verzoekers in het hoofdgeding, te weten de ouders, de zus en de kinderen van het slachtoffer, zich tot de Tribunale Ordinario di Venezia (rechter in eerste aanleg Venetië, Italië), de verwijzende rechter, gewend omdat zij van mening waren dat wet nr. 122/2016 – in strijd met richtlijn 2004/80 – aanzienlijke beperkingen op de betaling van schadeloosstellingen aan slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven had ingevoerd.
13 Hun vorderingen strekken ertoe dat het ministerieel decreet wegens onrechtmatigheid buiten toepassing wordt gelaten en dat de bedragen die – onder aftrek van, wat de kinderen van het slachtoffer betreft, het reeds aan hen betaalde bedrag – wegens hun graad van verwantschap met het slachtoffer aan hen moeten worden betaald, worden vastgesteld op „billijke en passende” wijze in de zin van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80, rekening houdend met de omvang van de schade die is vastgesteld in het vonnis waarbij de dader is veroordeeld, zulks ondanks het feit dat het solidariteitsfonds niet over de nodige financiële middelen beschikt. Subsidiair vorderen deze verzoekers dat het voorzitterschap van de ministerraad, dat de Italiaanse Staat vertegenwoordigt, tot betaling van dezelfde bedragen wordt veroordeeld ter vergoeding van de schade die zij hebben geleden als gevolg van de onjuiste uitvoering van richtlijn 2004/80, in het bijzonder van artikel 12 ervan.
14 In de eerste plaats betogen verzoekers in het hoofdgeding dat de beperking die is vastgesteld bij artikel 11, lid 2 bis, van wet nr. 122/2016, dat bepaalt dat de schadeloosstelling aan de ouders van het slachtoffer uitsluitend wordt toegekend indien er geen overlevende echtgenoot en geen kinderen zijn, en de schadeloosstelling aan de broers en aan de zussen uitsluitend indien er geen personen zijn die tot bovengenoemde categorieën behoren, in strijd is met de in artikel 12 van richtlijn 2004/80 bedoelde verplichting tot schadeloosstelling, doordat deze beperking onder de gelaedeerden aan wie het recht op schadevergoeding in abstracto wordt toegekend, de gelaedeerden die in concreto schadeloos moeten worden gesteld op willekeurige wijze aanwijst zonder verwijzing naar billijke en passende criteria in de omstandigheden van het geval. Bovendien is in casu ook schadeloosstelling toegekend aan de overlevende echtgenoot van het slachtoffer die sinds 2006, bijna elf jaar vóór het overlijden van het slachtoffer, gescheiden leefde van haar. Het recht op schadeloosstelling wordt aldus erkend, ook al is de affectieve band dermate afgezwakt dat hij nagenoeg verdwenen is, aldus verzoekers in het hoofdgeding.
15 In de tweede plaats betogen zij dat het bedrag van 20000 EUR dat op grond van het ministeriële decreet aan de kinderen van het slachtoffer is toegekend, namelijk 5 % van het bij rechterlijke beslissing toegekende voorlopige bedrag, niet in overeenstemming lijkt met hetgeen het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft vastgesteld in punt 69 van het arrest van 16 juli 2020, Presidenza del Consiglio dei Ministri (C‑129/19, EU:C:2020:566), volgens hetwelk een forfaitaire schadeloosstelling die op grond van een nationale schadeloosstellingsregeling voor slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven wordt toegekend, om als „billijk en passend” in de zin van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80 te worden aangemerkt, in voldoende mate moet bijdragen tot de vergoeding van de geleden materiële en immateriële schade.
16 In de derde plaats zijn verzoekers in het hoofdgeding van mening dat de nationale regeling ook onrechtmatig is doordat zij de betaling van de schadevergoeding afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de Staat de middelen heeft gereserveerd waarmee de schadeloosstelling kan worden toegekend, hetgeen in strijd is met overweging 10 van richtlijn 2004/80.
17 De Italiaanse autoriteiten benadrukken dat bij de vaststelling van het bedrag van de schadeloosstelling voor de situatie van de kinderen de geldende bepalingen strikt in acht zijn genomen, rekening houdend met de bestaansmiddelen van de overlevende echtgenoot. Zij herinneren er ook aan dat het Hof, na in punt 58 van het arrest van 16 juli 2020, Presidenza del Consiglio dei Ministri (C‑129/19, EU:C:2020:566), te hebben aangegeven dat de lidstaten bij de vaststelling van het bedrag van de in artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80 bedoelde schadeloosstelling over een ruime beoordelingsmarge beschikken, in de punten 65 en 69 van dat arrest heeft geoordeeld dat dit artikel zich niet verzet tegen een forfaitaire schadeloosstelling van slachtoffers, maar enkel vereist dat deze schadeloosstelling „billijk en passend” is, hetgeen inhoudt dat zij in voldoende mate bijdraagt tot de vergoeding van de materiële en immateriële schade die het slachtoffer heeft geleden.
18 De verwijzende rechter is van oordeel dat ter beoordeling van de gegrondheid van de vordering tot schadevergoeding, die is gebaseerd op de onjuiste omzetting van richtlijn 2004/80, eerst moet worden nagegaan of de nationale regeling zoals weergegeven in artikel 11, leden 2 bis, 2 ter en 3, van wet nr. 122/2016 in overeenstemming is met het Unierecht.
19 Hij merkt op dat deze nationale regeling – die, zelfs wanneer bij een onherroepelijk vonnis voor bepaalde familieleden een recht op vergoeding van hun schade en het bedrag ervan is vastgesteld, voor de betaling van de schadeloosstelling aan de ouders van het slachtoffer van het levensdelict de voorwaarde stelt dat er geen overlevende echtgenoot en geen kinderen van dat slachtoffer zijn en, wat de zus of broer van het slachtoffer betreft, dat er geen ouders zijn en dat de zus of broer met het slachtoffer samenwoonde en te zijnen laste was op het moment dat het misdrijf werd gepleegd – voorbijgaat aan het niet-geldelijke aspect van het lijden dat verband houdt met het gewelddadige verlies van het slachtoffer.
20 Voorts merkt de verwijzende rechter met betrekking tot de overlevende echtgenoot en de kinderen op dat geen rekening wordt gehouden met de omvang van de geleden schade. Zo wordt in casu geen belang gehecht aan het feit dat de overlevende echtgenoot al enige tijd gescheiden leefde van het slachtoffer, aangezien enkel is voorzien in een verdeling van de schadeloosstelling op basis van de regels inzake erfopvolging, op voorwaarde dat het solidariteitsfonds over toereikende middelen beschikt. Er wordt dus – in strijd met het arrest van 16 juli 2020, Presidenza del Consiglio dei Ministri (C‑129/19, EU:C:2020:566) – geen rekening gehouden met de ernst van de gevolgen die het misdrijf voor de slachtoffers heeft. Bovendien is de schadeloosstelling voor de kinderen vastgesteld op een bedrag dat grotendeels overeenkomt met het bedrag dat aan de overlevende echtgenoot is toegekend, welk bedrag in geen verhouding staat tot het in het kader van de strafprocedure vastgestelde bedrag van de voorlopige schadeloosstelling en geen van de criteria in aanmerking neemt die gewoonlijk worden aangelegd bij het verlies van de ouderlijke band, zoals de leeftijd van het slachtoffer, de leeftijd van de overlevenden, de graad van verwantschap en samenwoning, waarbij de mogelijkheid bestaat om correcties toe te passen op het eindbedrag afhankelijk van de specifieke aard van de situatie. Het bedrag dat in casu aan de kinderen is toegekend, kan dus niet worden beschouwd als „billijke en passende” schadeloosstelling in de zin van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80.
21 Daarop heeft de Tribunale Ordinario di Venezia de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Gezien artikel 11, lid 2 bis, van wet nr. 122/2016, dat aan de betaling van een schadeloosstelling aan de ouders en de zus van een slachtoffer van een levensdelict de voorwaarde verbindt dat er geen echtgenoot en kinderen van het slachtoffer zijn, hoewel in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis is vastgesteld dat ook zij recht hebben op schadevergoeding, die door de dader moet worden betaald: is de betaling van de schadeloosstelling die voor de ouders en de zus van een slachtoffer van opzettelijke geweldmisdrijven in geval van een levensdelict is vastgesteld op grond van artikel 11, lid 2 bis, van [wet nr. 122/2016], waaraan de voorwaarde is verbonden dat er geen echtgenoot en kinderen van het slachtoffer zijn (wat de ouders betreft) en er geen ouders zijn (in geval van broers of zussen), verenigbaar met artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80, alsook met artikel 20 (gelijkheid), artikel 21 (non-discriminatie), artikel 33, lid 1 (bescherming van het gezin), artikel 47 (recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht) van het [Handvest] en artikel 1 [(verbod van discriminatie)] van protocol nr. 12 bij het [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950]? 2) Wat betreft de beperking van de betaling van de schadeloosstelling: kan een schadeloosstelling die afhankelijk is van de voorwaarde voor de betaling van de schadeloosstelling van artikel 11, lid 3, van [wet nr. 122/2016] die bestaat in de woorden ‚binnen de grenzen van de beschikbare middelen van het [solidariteitsfonds]’, terwijl geen enkele bepaling de Italiaanse Staat verplicht om bedragen opzij te zetten waarmee de schadeloosstellingen daadwerkelijk kunnen worden betaald – bedragen die eventueel bepaald worden op statistische basis en waarmee de rechtverkrijgenden in ieder geval binnen een redelijke termijn schadeloos kunnen worden gesteld – worden beschouwd als een ‚billijke en passende schadeloosstelling van slachtoffers’ ter uitvoering van de voorschriften van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80?”
Bevoegdheid van het Hof en ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen
22 De Italiaanse regering vraagt zich af of het Hof bevoegd is en of de prejudiciële vragen ontvankelijk zijn omdat het hoofdgeding een situatie betreft die niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2004/80 valt. De verwijzende rechter heeft namelijk niet onderzocht of verzoekers in het hoofdgeding „slachtoffers” in de zin van richtlijn 2004/80 zijn. In de context van deze richtlijn moet het begrip „slachtoffers” aldus worden opgevat dat het uitsluitend ziet op de persoon die rechtstreeks is getroffen door opzettelijke geweldmisdrijven. Bijgevolg behoort de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling, voor zover daarin het begrip „slachtoffers” wordt uitgebreid tot bepaalde naaste familieleden van het slachtoffer van een levensdelict, tot de uitsluitende bevoegdheid van de lidstaten.
23 De Italiaanse regering en de Commissie stellen voorts dat de tweede vraag niet-ontvankelijk is. Betoogd wordt dat de verwijzingsbeslissing namelijk geen informatie bevat aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of de in het nationale recht gestelde voorwaarde inzake de financiële draagkracht van het solidariteitsfonds gevolgen heeft gehad voor de vaststelling van de door dat fonds forfaitair vastgestelde schadeloosstellingsbedragen. Hoewel de verwijzende rechter van mening is dat het bedrag van de in casu aan de kinderen van het slachtoffer van het levensdelict toegekende schadevergoeding ontoereikend is, heeft hij bovendien geen bewijs tot staving van die zienswijze aangedragen en heeft hij het Hof niet verzocht zich daarover uit te spreken.
24 Wat in de eerste plaats de bevoegdheid van het Hof betreft om de prejudiciële vragen te beantwoorden, zij eraan herinnerd dat het Hof overeenkomstig artikel 267 VWEU bevoegd is om de handelingen van de instellingen, organen of instanties van de Unie uit te leggen.
25 Aangezien de twee prejudiciële vragen van de verwijzende rechter betrekking hebben op de uitlegging van richtlijn 2004/80, in het bijzonder van artikel 12, lid 2, ervan, is het Hof derhalve bevoegd om deze vragen te beantwoorden.
26 Wat in de tweede plaats de ontvankelijkheid van deze vragen betreft, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak een vermoeden van relevantie geldt voor de vragen over de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en juridische kader, waarvan de juistheid niet ter beoordeling van het Hof staat. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek van een nationale rechter wanneer de gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 11 april 2024, Sozialministeriumservice, C‑116/23, EU:C:2024:292, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27 Wat de eerste vraag betreft, volstaat de vaststelling dat de kwestie of het begrip „slachtoffers” in de zin van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80 in geval van een levensdelict ook de naaste familieleden van de als gevolg van het opzettelijke geweldmisdrijf overleden persoon kan omvatten, betrekking heeft op de inhoud van de opgeworpen vraag en niet op de ontvankelijkheid daarvan.
28 Wat de tweede vraag betreft, zij eraan herinnerd dat de verwijzende rechter met deze vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die bepaalt dat de schadeloosstelling die deze lidstaat aan het slachtoffer van opzettelijke geweldmisdrijven toekent, aan dat slachtoffer wordt uitgekeerd binnen de grenzen van een maximum dat voortvloeit uit de begroting die deze lidstaat heeft toegewezen aan een speciaal daartoe opgericht fonds.
29 Vastgesteld moet worden dat noch uit de verwijzingsbeslissing, noch uit de bij het Hof ingediende opmerkingen blijkt dat dit maximum enige invloed heeft gehad op het bedrag van de in het hoofdgeding door de Italiaanse Staat toegekende vergoedingen. Hoewel de verwijzende rechter, zoals blijkt uit punt 20 van het onderhavige arrest, in die beslissing heeft aangegeven dat het bedrag van de vergoeding die in casu wordt toegekend aan de kinderen van de overledene volgens hem niet volstaat om te kunnen spreken van een „billijke en passende” vergoeding in de zin van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80, heeft hij het Hof dienaangaande geen prejudiciële vraag gesteld, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt. Bovendien heeft deze rechter geen enkel element van nationaal recht aangedragen aan de hand waarvan de werking van het daarin ingestelde speciale fonds beter kan worden begrepen.
30 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de tweede vraag hypothetisch en dus niet-ontvankelijk is.
31 Derhalve dient enkel de eerste vraag te worden beantwoord.
Eerste vraag
32 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen wetgeving van een lidstaat die voorziet in een regeling voor schadeloosstelling van opzettelijke geweldmisdrijven waarbij in geval van een levensdelict het recht op schadeloosstelling van de ouders van de overledene afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat er geen overlevende echtgenoot en kinderen van de overledene zijn, en het recht op schadeloosstelling van de broers en zussen van de overledene afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat er geen ouders zijn.
33 Er zij aan herinnerd dat volgens artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80 alle lidstaten ervoor moeten zorgen dat hun nationale wetgeving voorziet in een schadeloosstellingsregeling voor slachtoffers van op hun grondgebied gepleegde opzettelijke geweldmisdrijven, die een billijke en passende schadeloosstelling van deze slachtoffers garandeert.
34 Zoals blijkt uit het arrest van 16 juli 2020, Presidenza del Consiglio dei Ministri (C‑129/19, EU:C:2020:566, punten 41‑45 en 52), legt deze bepaling elke lidstaat dus de verplichting op om voor slachtoffers van op zijn grondgebied gepleegde opzettelijke geweldmisdrijven, ongeacht of deze slachtoffers zich al dan niet in een grensoverschrijdende situatie bevinden, een schadeloosstellingsregeling in te voeren zodat de lidstaten kunnen voldoen aan hun verplichtingen inzake de toegang tot schadeloosstelling in grensoverschrijdende situaties, zoals die voortvloeien uit deze richtlijn, daar de voorschriften betreffende de toegang tot schadeloosstelling volgens artikel 12, lid 1, ervan in dergelijke situaties „functioneren op basis van de schadeloosstellingsregelingen van de lidstaten voor slachtoffers van op hun grondgebied gepleegde opzettelijke geweldmisdrijven”.
35 Ter beantwoording van de gestelde vraag zij om te beginnen vastgesteld of onder het begrip „slachtoffers” van opzettelijke geweldmisdrijven ten behoeve van wie de lidstaten krachtens artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80 een nationale schadeloosstellingsregeling moeten instellen, in het geval van een levensdelict, naast de persoon die als gevolg van dat misdrijf is overleden, ook de naaste familieleden van die persoon, zoals zijn ouders en zijn broers en zussen, moeten worden begrepen en vervolgens, indien dit het geval is, of een nationale regeling van „trapsgewijze” schadeloosstelling in de orde van erfopvolging, zoals die bedoeld in punt 32 van het onderhavige arrest, kan worden geacht die slachtoffers een „billijke en passende” schadeloosstelling in de zin van die bepaling te garanderen.
36 Wat in de eerste plaats het begrip „slachtoffers” in de zin van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80 betreft, zij opgemerkt dat noch deze bepaling noch deze richtlijn een definitie van dit begrip bevat en dat die bepaling niet verwijst naar het nationale recht voor de betekenis die aan dit begrip moet worden gegeven. Dit begrip, dat ertoe strekt de personen vast te stellen die in aanmerking komen voor nationale schadeloosstellingsregelingen voor slachtoffers van opzettelijke misdrijven, moet dan ook worden beschouwd als een autonoom Unierechtelijk begrip dat op het gehele grondgebied van de Unie uniform moet worden uitgelegd in overeenstemming met de gebruikelijke betekenis in de omgangstaal van het begrip in kwestie, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstellingen van de regeling waarvan het deel uitmaakt en met de context waarin het wordt gebruikt (zie in die zin arrest van 7 september 2023, KRI, C‑323/22, EU:C:2023:641, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 Wat ten eerste de gebruikelijke betekenis van de term „slachtoffers” in de omgangstaal betreft, zij opgemerkt dat deze term kan worden opgevat als een verwijzing naar personen die zelf het slachtoffer zijn geworden van een opzettelijk geweldmisdrijf, in hun hoedanigheid van direct slachtoffer, alsook naar hun naaste familieleden, wanneer deze familieleden zijdelings de gevolgen van dat misdrijf ondergaan, in hun hoedanigheid van indirecte slachtoffers.
38 Wat ten tweede de doelstelling van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80 betreft, zij eraan herinnerd dat deze bepaling beoogt te waarborgen dat de Unieburger aanspraak kan maken op een billijke en passende schadeloosstelling voor de schade die hij lijdt op het grondgebied van de lidstaat waar hij zich bevindt, door aan iedere lidstaat de verplichting op te leggen om te voorzien in een schadeloosstellingsregeling voor slachtoffers van om het even welk op zijn grondgebied gepleegd opzettelijk geweldmisdrijf (zie in die zin arrest van 11 oktober 2016, Commissie/Italië, C‑601/14, EU:C:2016:759, punt 45).
39 De lidstaten beschikken in beginsel weliswaar over de bevoegdheid om de draagwijdte van het begrip opzettelijke geweldmisdrijven in hun interne recht af te bakenen, maar deze bevoegdheid staat hun niet toe de werkingssfeer van de schadeloosstellingsregeling voor slachtoffers, die zij overeenkomstig deze richtlijn moeten invoeren, te beperken tot uitsluitend bepaalde misdrijven die onder dit begrip vallen, omdat anders artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80 ieder nuttig effect zou worden ontnomen (zie in die zin arrest van 11 oktober 2016, Commissie/Italië, C‑601/14, EU:C:2016:759, punt 46).
40 Vastgesteld moet worden dat indien het begrip „slachtoffers” in de zin van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80 aldus zou moeten worden uitgelegd dat uitsluitend directe slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven binnen de personele werkingssfeer van deze bepaling vallen, zoals de Italiaanse regering betoogt, de strafbare feiten die tot het overlijden van het slachtoffer van dat misdrijf hebben geleid niet binnen de materiële werkingssfeer van die bepaling zouden vallen, hetgeen in strijd is met de doelstelling ervan.
41 Volgens de door de Italiaanse regering voorgestane uitlegging van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80 is de betrokken lidstaat in het geval van een levensdelict namelijk niet verplicht om enige schadeloosstelling te betalen op grond van de nationale schadeloosstellingsregeling die deze bepaling hem oplegt in te stellen. In een dergelijk geval, waarbij het enige „slachtoffer” van het opzettelijke geweldmisdrijf is overleden, is er namelijk niemand anders, zoals met name de overlevende echtgenoot of de kinderen, die in beginsel in diezelfde hoedanigheid schadeloos moet worden gesteld.
42 Een dergelijke uitlegging zou ertoe leiden dat artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80 nagenoeg elk nuttig effect verliest, aangezien zij de lidstaten enkel zou verplichten een nationale regeling voor schadeloosstelling van opzettelijke geweldmisdrijven in te voeren wanneer de persoon die het slachtoffer van dat misdrijf is geworden zijn verwondingen overleeft, maar niet wanneer die persoon overlijdt als gevolg van die verwondingen.
43 In dit verband moet overigens worden opgemerkt dat het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven [COM(2002) 562 definitief] (PB 2003, C 45 E, blz. 69) – dat niet alleen beoogde de toegang tot schadeloosstelling te verbeteren in situaties waarin het misdrijf is gepleegd in een andere lidstaat dan die waar het slachtoffer verblijft, maar ook beoogde minimumnormen voor de schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven vast te stellen – in artikel 2, lid 1, onder b), dat is opgenomen in het deel van de richtlijn waarin minimumnormen zijn vastgesteld, uitdrukkelijk de verplichting bevatte voor de lidstaten om schadevergoeding te betalen aan „naaste verwanten” van en „personen die ten laste kwamen” van slachtoffers die als gevolg van het opgelopen letsel zijn overleden.
44 Hoewel een dergelijke precisering weliswaar niet voorkomt in richtlijn 2004/80, blijkt uit de voorbereidende werkzaamheden van deze richtlijn, in het bijzonder uit het compromisvoorstel dat het voorzitterschap van de Raad op 26 maart 2004 heeft ingediend (document 7752/04), dat dit louter te wijten is aan het feit dat de Uniewetgever het voorstel betreffende de tweede doelstelling, die erin bestaat minimumnormen voor de schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven vast te stellen, niet heeft gevolgd. Uit deze omstandigheid blijkt dus geenszins dat de Uniewetgever de naaste familieleden van de persoon die als gevolg van een opzettelijk geweldmisdrijf is overleden, volledig van de personele werkingssfeer van die richtlijn heeft willen uitsluiten en daardoor personen die wel degelijk door een dergelijk misdrijf worden getroffen elke bescherming heeft willen ontnemen.
45 Voor deze uitlegging is ten derde steun te vinden in de context van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80.
46 Richtlijn 2012/29, die onder meer betrekking heeft op de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, definieert het begrip „slachtoffer” in artikel 2, lid 1, onder a), immers als niet alleen de personen die zelf rechtstreeks door een strafbaar feit schade hebben geleden, maar ook de familieleden van een persoon wiens overlijden rechtstreeks veroorzaakt is door een dergelijk strafbaar feit en die schade hebben geleden als gevolg van het overlijden van die persoon, waarbij het begrip „familieleden” volgens artikel 2, lid 1, onder b), van die richtlijn op zijn beurt ziet op de echtgenoot, de persoon die met het slachtoffer in een vaste intieme relatie, in een gemeenschappelijk huishouden en duurzaam en ononderbroken samenwoont, de bloedverwanten in rechte lijn, de broers en zussen, en de personen die van het slachtoffer afhankelijk zijn.
47 Volgens de voorbereidende werkzaamheden voor richtlijn 2012/29, zoals deze blijken uit de memorie van toelichting bij het voorstel van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten [COM(2011) 275 definitief, blz. 7], wordt deze definitie van het begrip „slachtoffers” gerechtvaardigd door de overweging dat de familieleden ook schade lijden als gevolg van het misdrijf en, in geval van overlijden van het slachtoffer, vaak als vertegenwoordigers van het slachtoffer worden erkend.
48 Vastgesteld moet worden dat de definitie van het begrip „slachtoffers” in artikel 2, lid 1, onder a), van richtlijn 2012/29 de draagwijdte van dit begrip, zoals dat ook is vervat in artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80, verduidelijkt. Zoals de Commissie op bladzijde 3 van de in het vorige punt aangehaalde memorie van toelichting heeft benadrukt, beoogt richtlijn 2012/29 immers een „horizontaal kader [vast te stellen] om tegemoet te komen aan de behoeften van alle slachtoffers van misdrijven”. Aangezien de richtlijnen 2004/80 en 2012/29 betrekking hebben op de bescherming van slachtoffers van misdrijven, hebben zij dus, zoals blijkt uit overweging 5 van richtlijn 2004/80, overlappende werkingssferen.
49 Ter terechtzitting heeft de Italiaanse regering evenwel betoogd dat overweging 5 niet verwijst naar richtlijn 2012/29, die later is vastgesteld dan richtlijn 2004/80, maar naar kaderbesluit 2001/220, dat weliswaar door richtlijn 2012/29 is vervangen maar de ten tijde van de vaststelling van richtlijn 2004/80 geldende handeling was. In artikel 1, onder a), van dit kaderbesluit werd het begrip „slachtoffer” volgens die regering zo gedefinieerd dat het uitsluitend ziet op het directe slachtoffer van een strafbaar feit. Aangezien richtlijn 2012/29 op basis van artikel 82, lid 2, VWEU met gekwalificeerde meerderheid van stemmen is vastgesteld volgens de gewone wetgevingsprocedure, kan zij niet tot gevolg hebben dat richtlijn 2004/80, die op basis van artikel 352 VWEU volgens de unanimiteitsregel is vastgesteld, wordt gewijzigd. De verwijzing in overweging 5 van richtlijn 2004/80 naar kaderbesluit 2001/220 moet dus worden geacht uit te sluiten dat rekening wordt gehouden met latere ontwikkelingen in de wetgeving die dit kaderbesluit hebben beïnvloed, aldus de Italiaanse regering.
50 Ten eerste moet worden opgemerkt dat dit betoog is gebaseerd op de onjuiste premisse dat de definitie van het begrip „slachtoffer” in artikel 1, onder a), van kaderbesluit 2001/220 indirecte slachtoffers van een strafbaar feit noodzakelijkerwijs uitsloot. Deze bepaling hield immers weliswaar in dat een persoon slechts als „slachtoffer” van een strafbaar feit kon worden aangemerkt indien de door die persoon geleden schade rechtstreeks door dat strafbare feit werd veroorzaakt, maar zij vereiste geenszins dat die persoon zelf rechtstreeks het slachtoffer van dat strafbare feit was.
51 Ten tweede is dit betoog, zoals de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie heeft opgemerkt, irrelevant voor zover het is ontleend aan de rechtsgrondslag van richtlijn 2012/29, aangezien deze richtlijn, zoals in punt 48 van het onderhavige arrest is opgemerkt, ertoe strekt het algemene kader van het Unierecht vast te stellen dat van toepassing is op slachtoffers van misdrijven.
52 In zoverre moet de definitie van het begrip „slachtoffer” in artikel 2, lid 1, onder a), van richtlijn 2012/29 aldus worden opgevat dat zij enkel tot doel heeft de draagwijdte te verduidelijken van de definitie in artikel 1, onder a), van kaderbesluit 2001/220, waarnaar richtlijn 2004/80 verwees. Deze definitie wijzigt dus niet de draagwijdte van het begrip „slachtoffer” in artikel 12, lid 2, van die richtlijn.
53 Aan de uitlegging die voortvloeit uit de punten 38 tot en met 48 van het onderhavige arrest kan, anders dan de Italiaanse regering betoogt, evenmin worden afgedaan door artikel 17 van richtlijn 2004/80, volgens hetwelk de lidstaten niet alleen voor de „slachtoffers” van misdrijven gunstiger bepalingen kunnen invoeren of handhaven, maar ook voor „andere personen die ten gevolge van een misdrijf nadeel ondervinden”. Deze laatste categorie kan namelijk niet aldus worden opgevat dat zij noodzakelijkerwijs samenvalt met de naaste familieleden van de persoon die is overleden als gevolg van een opzettelijk geweldmisdrijf, aangezien zij juist zelf de hoedanigheid van „slachtoffers” kunnen hebben die onder die richtlijn vallen.
54 Artikel 17 van richtlijn 2004/80, dat deel uitmaakt van hoofdstuk III van deze richtlijn betreffende de uitvoeringsbepalingen, biedt de lidstaten dus de mogelijkheid om bij de uitvoering van hun nationale schadeloosstellingsregeling voor slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven de categorie begunstigden van deze regeling uit te breiden tot andere personen dan „slachtoffers” in de zin van artikel 12, lid 2, van die richtlijn.
55 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat het begrip „slachtoffers” in de zin van deze bepaling, ten behoeve van wie de lidstaten krachtens die bepaling een nationale schadeloosstellingsregeling moeten instellen, aldus moet worden opgevat dat het indirecte slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven kan omvatten, zoals de naaste familieleden van de als gevolg van dat misdrijf overleden persoon, wanneer zij zijdelings de gevolgen daarvan ondergaan.
56 In die omstandigheden moet in de tweede plaats worden onderzocht of een nationale regeling die, wanneer er sprake is van een levensdelict, aan het recht op schadeloosstelling van de ouders van de als gevolg van een opzettelijk geweldmisdrijf overledene de voorwaarde verbindt dat er geen overlevende echtgenoot en kinderen van het slachtoffers zijn, en aan het recht op schadeloosstelling van de broers en zussen van dat slachtoffer de voorwaarde verbindt dat er geen ouders zijn, kan worden geacht die slachtoffers een „billijke en passende” schadeloosstelling in de zin van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80 te garanderen.
57 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat – gelet op, ten eerste, de beoordelingsmarge die deze bepaling aan de lidstaten toekent wat betreft zowel de „billijke en passende” aard van het bedrag van de schadeloosstelling van slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven als de nadere regels voor de vaststelling van deze schadeloosstelling, en, ten tweede, de noodzaak om de financiële levensvatbaarheid van de schadevergoedingsregelingen te waarborgen – de in die bepaling bedoelde schadeloosstelling niet noodzakelijkerwijs overeen hoeft te komen met de schadevergoeding die ten laste van de dader van een opzettelijk geweldmisdrijf aan het slachtoffer van dat misdrijf kan worden toegekend. Deze schadeloosstelling hoeft er dus niet noodzakelijkerwijs voor te zorgen dat de materiële en immateriële schade van dat slachtoffer volledig wordt vergoed (zie in die zin arrest van 16 juli 2020, Presidenza del Consiglio dei Ministri, C‑129/19, EU:C:2020:566, punten 58‑60).
58 In dit verband staat het uiteindelijk aan de nationale rechter om ervoor te zorgen dat het op grond van de schadeloosstellingsregeling aan een slachtoffer van een opzettelijk geweldmisdrijf toegekende bedrag, gelet op de nationale bepalingen waarbij die regeling is ingevoerd, een „billijke en passende schadeloosstelling” in de zin van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80 vormt (arrest van 16 juli 2020, Presidenza del Consiglio dei Ministri, C‑129/19, EU:C:2020:566, punt 61).
59 Een lidstaat overschrijdt evenwel de door die bepaling verleende beoordelingsmarge indien bij de nationale bepalingen van die lidstaat wordt voorzien in een schadeloosstelling voor slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven die louter symbolisch of kennelijk onvoldoende is gelet op de ernstige gevolgen die het misdrijf voor deze slachtoffers heeft (arrest van 16 juli 2020, Presidenza del Consiglio dei Ministri, C‑129/19, EU:C:2020:566, punt 63).
60 Aangezien de aan deze slachtoffers toegekende schadeloosstelling bijdraagt tot de vergoeding van hun materiële en immateriële schade, kan een dergelijke bijdrage immers slechts als „billijk en passend” worden beschouwd als zij in voldoende mate het lijden van de slachtoffers compenseert (zie in die zin arrest van 16 juli 2020, Presidenza del Consiglio dei Ministri, C‑129/19, EU:C:2020:566, punt 64).
61 Bijgevolg kan deze bijdrage weliswaar voortvloeien uit een nationale regeling die voorziet in een forfaitaire schadeloosstelling voor slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven, die kan variëren naargelang van de aard van het gepleegde geweld, maar moet de vergoedingentabel van de schadeloosstellingsregeling voldoende gedetailleerd zijn om te voorkomen dat de voor een bepaald soort geweld vastgestelde forfaitaire schadeloosstelling, gelet op de omstandigheden van een bepaald geval, kennelijk ontoereikend blijkt te zijn (zie in die zin arrest van 16 juli 2020, Presidenza del Consiglio dei Ministri, C‑129/19, EU:C:2020:566, punten 65 en 66).
62 Derhalve moet een forfaitaire schadeloosstelling die op grond van een nationale schadeloosstellingsregeling voor slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven wordt toegekend, om als „billijk en passend” in de zin van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80 te worden aangemerkt, worden vastgesteld rekening houdend met de ernstige gevolgen die het misdrijf voor de slachtoffers heeft, en dus in voldoende mate bijdragen tot de vergoeding van de materiële en immateriële schade (zie in die zin arrest van 16 juli 2020, Presidenza del Consiglio dei Ministri, C‑129/19, EU:C:2020:566, punt 69).
63 Gelet op deze overwegingen moet worden geoordeeld dat de lidstaten bij de uitoefening van de beoordelingsmarge waarover zij beschikken, zoals de Italiaanse Republiek dat in casu heeft gedaan, kunnen besluiten een nationale schadeloosstellingsregeling voor slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven in te stellen die het voordeel van deze regeling beperkt tot de naaste familieleden van de overledene, waarbij aan sommige van die familieleden, zoals de overlevende echtgenoot en kinderen, voorrang wordt gegeven boven andere familieleden, zoals ouders en broers en zussen.
64 Een dergelijke „trapsgewijze” benadering stemt bovendien overeen met die van artikel 2, lid 2, van richtlijn 2012/29, dat de lidstaten de mogelijkheid biedt procedures in te voeren om het aantal familieleden dat aanspraak kan maken op de in deze richtlijn opgenomen rechten te beperken, telkens rekening houdend met de specifieke omstandigheden.
65 Een nationale schadeloosstellingsregeling voor slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven kan echter niet, louter omdat er andere familieleden zijn, automatisch bepaalde familieleden uitsluiten van elke schadeloosstelling door de logica van de erfopvolging toe te passen, zonder dat rekening kan worden gehouden met andere overwegingen dan die orde van erfopvolging, zoals met name de materiële gevolgen die voor die familieleden voortvloeien uit het overlijden van de betrokkene door een levensdelict of het feit dat die familieleden ten laste waren van de overledene of met hem samenwoonden. Een dergelijke nationale schadeloosstellingsregeling houdt namelijk, in strijd met de in de punten 60 en 62 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte vereisten, geen rekening met het lijden en de ernst van de gevolgen van het misdrijf voor hen, en draagt dus niet in voldoende mate bij tot de vergoeding van hun materiële en immateriële schade.
66 In het bijzonder moet het principieel ontzeggen van elke vergoeding aan bepaalde familieleden als onverenigbaar met die vereisten worden beschouwd wanneer, zoals in het hoofdgeding, een strafrechter deze familieleden een overigens niet onaanzienlijke schadevergoeding heeft toegekend voor de schade die zij hebben geleden als gevolg van het overlijden van de persoon die het slachtoffer was van het opzettelijke geweldmisdrijf, maar de dader wegens zijn insolventie niet in staat is die schadevergoeding zelf te betalen.
67 Hieruit volgt dat, zoals de advocaat-generaal in punt 47 van zijn conclusie heeft aangegeven, een nationale schadeloosstellingsregeling voor slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven als die in het hoofdgeding, waarbij slachtoffers zonder rekening te houden met de omvang van hun schade worden uitgesloten wegens een vooraf bepaalde rangorde tussen de verschillende voor schadeloosstelling in aanmerking komende slachtoffers en die uitsluitend gebaseerd is op de aard van de familiebanden waaruit louter vermoedens over het bestaan of de omvang van de schade worden afgeleid, niet kan leiden tot een „billijke en passende schadeloosstelling” in de zin van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80.
68 Bijgevolg moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen wetgeving van een lidstaat die voorziet in een regeling voor schadeloosstelling van opzettelijke geweldmisdrijven waarbij in geval van een levensdelict het recht op schadeloosstelling van de ouders van de overledene afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat er geen overlevende echtgenoot en kinderen van de overledene zijn, en het recht op schadeloosstelling van de broers en zussen van de overledene afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat er geen ouders zijn.
Kosten
69 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 12, lid 2, van richtlijn 2004/80/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich verzet tegen wetgeving van een lidstaat die voorziet in een regeling voor schadeloosstelling van opzettelijke geweldmisdrijven waarbij in geval van een levensdelict het recht op schadeloosstelling van de ouders van de overledene afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat er geen overlevende echtgenoot en kinderen van de overledene zijn, en het recht op schadeloosstelling van de broers en zussen van de overledene afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat er geen ouders zijn.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Italiaans.
( 1 ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.