HvJ EU 1 augustus 2025, C-206/24, ECLI:EU:C:2025:611

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

1 augustus 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Douane-unie – Terugbetaling of kwijtschelding van in‑ of uitvoerrechten – Verordening (EEG) nr. 1430/79 – In strijd met het Unierecht geïnde douanerechten – Artikel 2, lid 2, derde alinea – Voorwaarden voor ambtshalve terugbetaling – Vaststelling dat die rechten ten onrechte zijn geïnd vóór het verstrijken van een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de datum van boeking ervan – Vaststelling die impliceert dat de nationale douaneautoriteiten op de hoogte zijn van de identiteit van de betrokken marktdeelnemers en van het aan elk van hen terug te betalen bedrag – Verplichting voor die autoriteiten om de noodzakelijke en passende maatregelen te nemen om de voor die terugbetaling noodzakelijke informatie te verkrijgen”

In zaak C‑206/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) bij beslissing van 13 maart 2024, ingekomen bij het Hof op 14 maart 2024, in de procedure

YX,

Logistíca i Gestió Caves Andorrannes i Vidal SA

tegen

Ministre de l’Économie, des Finances et de la Relance,

Directeur général des douanes et droits indirects,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún (rapporteur), kamerpresident, D. Gratsias, E. Regan, J. Passer en B. Smulders, rechters,

advocaat-generaal: R. Norkus,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– de Franse regering, vertegenwoordigd door P. Chansou en B. Travard als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Demeneix en B. Eggers als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 maart 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in‑ of uitvoerrechten (PB 1979, L 175, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3069/86 van de Raad van 7 oktober 1986 (PB 1986, L 286, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 1430/79”), en artikel 236, lid 2, derde alinea, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1992, L 302, blz. 1; hierna: „communautair douanewetboek”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen YX en Logística i Gestió Caves Andorranes i Vidal SA (hierna: „Caves Andorranes”), een vennootschap naar Andorrees recht, enerzijds, en de ministre de l’Économie, des Finances et de la Relance (minister van Economische Zaken, Financiën en Economisch Herstel, Frankrijk) en de directeur général des douanes et droits indirects (directeur-generaal douane en indirecte rechten, Frankrijk) anderzijds, over de ambtshalve terugbetaling van douanerechten die ten onrechte zijn geïnd over de invoer van goederen uit derde landen met bestemming Andorra.

Toepasselijke bepalingen

Verordening nr. 1430/79

3 Artikel 1 van verordening nr. 1430/79 bepaalde het volgende: „1. Deze verordening stelt de voorwaarden vast waaronder de bevoegde autoriteiten terugbetaling of kwijtschelding van in‑ of uitvoerrechten toestaan. 2. In deze verordening wordt verstaan onder: [...] e) boeking: de administratieve handeling waardoor het door de bevoegde autoriteiten aan rechten bij invoer of uitvoer te heffen bedrag naar behoren wordt vastgesteld; [...]”

4 Artikel 2 van die verordening bepaalde: „1. Tot terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten wordt overgegaan indien ten genoegen van de bevoegde autoriteiten wordt vastgesteld dat het geboekte bedrag van deze rechten: – betrekking heeft op goederen waarvoor geen enkele douaneschuld is ontstaan of waarvoor de douaneschuld heeft opgehouden te bestaan op andere wijze dan door betaling van het bedrag of dan door verjaring, of – om welke reden dan ook hoger is dan het bedrag dat wettelijk mocht worden geïnd. 2. De terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten op grond van een van de in lid 1 vermelde redenen wordt toegestaan op een vóór het verstrijken van een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten door de met inning belaste autoriteit zijn geboekt, bij het betrokken douanekantoor ingediend verzoek. Deze termijn kan niet worden verlengd, behalve indien de betrokkene het bewijs heeft geleverd dat hij door toeval of overmacht verhinderd is geweest zijn verzoek binnen de gestelde termijn in te dienen. De bevoegde autoriteiten gaan echter ambtshalve tot terugbetaling of kwijtschelding over wanneer zij zelf gedurende deze termijn het bestaan van de een of andere in lid 1 omschreven omstandigheid vaststellen.”

5 Artikel 15, eerste alinea, van deze verordening luidde als volgt: „Terugbetaling of kwijtschelding van in‑ of uitvoerrechten wordt slechts toegestaan aan de persoon die deze rechten heeft voldaan of gehouden is deze te voldoen of aan personen die hem in zijn rechten en verplichtingen hebben opgevolgd.”

6 Verordening nr. 1430/79 is ingetrokken bij artikel 251 van het communautair douanewetboek.

Communautair douanewetboek

7 Artikel 236 van het communautair douanewetboek bepaalt: „1. Tot terugbetaling van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van de rechten op het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt. Tot kwijtschelding van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van deze rechten op het tijdstip van boeking niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt. Er wordt geen terugbetaling of kwijtschelding verleend wanneer de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de betaling of de boeking van een wettelijk niet verschuldigd bedrag het gevolg zijn van een frauduleuze handeling van de zijde van de belanghebbende. 2. Terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt verleend indien bij het betrokken douanekantoor vóór het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten aan de schuldenaar zijn medegedeeld, een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend. Deze termijn wordt verlengd indien de belanghebbende het bewijs levert dat hij ten gevolge van toeval of overmacht zijn verzoek niet binnen de genoemde termijn heeft kunnen indienen. De douaneautoriteiten gaan ambtshalve tot terugbetaling of kwijtschelding over wanneer zij zelf gedurende deze termijn het bestaan van een der in lid 1, eerste en tweede alinea, bedoelde omstandigheden vaststellen.”

8 Overeenkomstig artikel 253, tweede alinea, was dat wetboek van toepassing met ingang van 1 januari 1994.

9 Voornoemd wetboek werd ingetrokken bij artikel 186 van verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (gemoderniseerd douanewetboek) (PB 2008, L 145, blz. 1), dat zelf is ingetrokken bij artikel 286 van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2013, L 269, blz. 1, met rectificatie in PB 2016, L 267, blz. 2).

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

10 Tussen 1988 en 1991 hebben vennootschappen naar Andorrees recht via de vennootschap Ysal, een in Frankrijk gevestigde douane-expediteur, in Andorra goederen ingevoerd die met name afkomstig waren uit derde landen. Over die invoer zijn douanerechten betaald in Frankrijk. In die tijd eisten de Franse douaneautoriteiten namelijk dat goederen uit derde landen die voor Andorra bestemd waren, in het vrije verkeer werden gebracht wanneer zij over Frans grondgebied werden vervoerd.

11 Op 23 januari 1991 heeft de Europese Commissie het met redenen omklede advies COM(90) 2042 def. gepubliceerd. Daarin heeft zij vastgesteld dat de Franse Republiek, door te vereisen dat dergelijke goederen in het vrije verkeer werden gebracht, de verplichtingen niet was nagekomen die op haar rustten krachtens een aantal bepalingen van het Unierecht, en die lidstaat verzocht de nodige maatregelen te nemen om binnen dertig dagen aan het met redenen omklede advies te voldoen.

12 Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat de Franse autoriteiten de Commissie op 27 maart 1991 hebben meegedeeld dat zij hadden besloten het verzoek van de Commissie in te willigen door die verplichting om de betrokken goederen in het vrije verkeer te brengen af te schaffen. Zij hebben dit gedaan door middel van een bericht van het ministerie van Economische Zaken, Financiën en Begroting (Frankrijk) aan de importeurs en exporteurs, dat op 6 juni 1991 in het Journal officiel de la République française is bekendgemaakt.

13 Op 20 mei 2008 heeft Ysal de Franse douaneadministratie gedagvaard voor een Franse rechter in eerste aanleg. Zij verzocht om terugbetaling van de douanerechten die deze administratie tussen 1988 en 1991 ten onrechte had geïnd over de invoer van goederen uit derde landen met bestemming Andorra (hierna: „betrokken douanerechten”).

14 Bij vonnis van 15 juni 2010 heeft die rechter de vordering van Ysal niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen procesbevoegdheid en procesbelang had. Dit vonnis is op 13 december 2011 in hoger beroep bevestigd.

15 Bij arrest van 21 januari 2014 heeft de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) het cassatieberoep dat Ysal tegen deze beslissing in hoger beroep had ingesteld, verworpen. Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat de Cour de cassation in dat arrest met name heeft opgemerkt dat de Andorrese importeurs de betrokken douanerechten, die Ysal voor hun rekening had betaald, aan Ysal hadden terugbetaald, en dat bijgevolg alleen die importeurs procesbevoegdheid en procesbelang hadden.

16 Op 16 juli 2015 hebben die importeurs, in wier rechten Caves Andorranes en YX zijn getreden, bij de tribunal de grande instance de Toulouse (rechter in eerste aanleg Toulouse, Frankrijk) een vordering ingesteld tegen de Franse douaneadministratie met het oog op de betaling van een bedrag dat overeenstemt met de betrokken douanerechten die deze administratie ten onrechte had geïnd. Bij vonnis van 4 juli 2017 heeft deze rechter die vordering afgewezen.

17 In een arrest van 10 februari 2020 heeft de cour d’appel de Toulouse (rechter in tweede aanleg Toulouse, Frankrijk) dat vonnis bevestigd. Dienaangaande heeft die rechter geoordeeld dat de Franse douaneadministratie voor de uitvoering van de in artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1430/79 en artikel 236, lid 2, derde alinea, van het communautair douanewetboek bedoelde ambtshalve terugbetaling moest beschikken over de gegevens die nodig zijn om zowel het bedrag van de terug te betalen rechten als de identiteit van elke belastingschuldige vast te stellen, zonder onevenredig belastend onderzoek te hoeven verrichten.

18 Caves Andorranes en YX hebben tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld bij de Cour de cassation, de verwijzende rechter, ter ondersteuning waarvan zij in wezen aanvoeren dat de cour d’appel de Toulouse met zijn arrest van 10 februari 2020 artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1430/79 heeft geschonden. Om te voldoen aan de verplichting tot ambtshalve terugbetaling waarin die bepaling voorziet, moet volgens hen uitsluitend een termijn van drie jaar in acht worden genomen, te rekenen vanaf de datum waarop de douanerechten aan de schuldenaar zijn meegedeeld. Die bepaling vereist echter niet dat de douaneautoriteiten beschikken over de gegevens die nodig zijn voor de vaststelling van zowel het bedrag van de terug te betalen rechten als de identiteit van elke belastingschuldige. De cour d’appel de Toulouse heeft dus aan die bepaling een voorwaarde toegevoegd die zij niet bevatte.

19 De verwijzende rechter wijst erop dat de Franse douaneadministratie stelt dat zij de betrokken douanerechten slechts ambtshalve kan terugbetalen indien zij over alle gegevens beschikt die nodig zijn om vast te stellen dat die rechten ten onrechte zijn geïnd en moeten worden terugbetaald. Er kan niet van haar worden verlangd dat zij een diepgaand onderzoek verricht om het bedrag van de aan elk van de betrokken ondernemers terug te betalen rechten vast te stellen.

20 Die rechter wenst dan ook te vernemen of artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1430/79 en artikel 236, lid 2, van het communautair douanewetboek aldus moeten worden uitgelegd dat de bevoegde nationale autoriteit slechts verplicht is ambtshalve de ten onrechte geïnde douanerechten terug te betalen indien zij daartoe over alle noodzakelijke gegevens beschikt en zij bij gebreke daarvan geen onevenredig belastend onderzoek hoeft in te stellen.

21 Volgens de verwijzende rechter rijst ook de vraag of de ambtshalve terugbetaling door een nationale douaneautoriteit kan plaatsvinden na een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de rechten aan de schuldenaar zijn meegedeeld. Gelet op het arrest van 14 juni 2012, CIVAD (C‑533/10, EU:C:2012:347), waarin het Hof in punt 21 heeft geoordeeld dat artikel 236, lid 2, eerste alinea, van het communautair douanewetboek de terugbetaling van wettelijk onverschuldigde douanerechten tot drie jaar beperkt, vraagt die rechter zich af of artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1430/79 aldus moet worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteiten na die termijn niet meer ambtshalve tot terugbetaling kunnen overgaan, ook al staat vast dat zij gedurende die termijn hebben vastgesteld dat die rechten niet wettelijk verschuldigd waren.

22 In die omstandigheden heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld: „1) Moet artikel 2, lid 2, van verordening [nr. 1430/79], zoals overgenomen in artikel 236, lid 2, derde alinea, van [het communautair douanewetboek] aldus worden uitgelegd dat de ambtshalve terugbetaling van de door een douaneautoriteit geïnde douanerechten plaats moet vinden binnen een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop die rechten door de met inning belaste autoriteit zijn geboekt, dan wel aldus dat de douane in staat moet zijn om binnen drie jaar na het belastbare feit vast te stellen dat de rechten niet verschuldigd waren? 2) Moet artikel 2, lid 2, van verordening [nr. 1430/79], zoals overgenomen in artikel 236, lid 2, derde alinea, van [het communautair douanewetboek] aldus worden uitgelegd dat de door een douaneautoriteit geïnde douanerechten alleen dan ambtshalve hoeven te worden terugbetaald wanneer die autoriteit op de hoogte is van de identiteit van de betrokken ondernemers en van de aan elk van hen terug te betalen bedragen zonder dat zij daarvoor een grondig of onevenredig belastend onderzoek behoeft in te stellen?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

23 Vooraf zij opgemerkt dat, gelet op de datum waarop het recht op ambtshalve terugbetaling van de betrokken douanerechten zou zijn ontstaan, alleen de bepalingen van verordening nr. 1430/79 van toepassing zijn op het hoofdgeding.

24 Derhalve moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, in essentie wenst te vernemen of artikel 2, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1430/79 aldus moet worden uitgelegd dat een nationale douaneautoriteit alleen dan verplicht is om ambtshalve tot terugbetaling van de douanerechten over te gaan, indien die autoriteit vóór het verstrijken van een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de boeking van die rechten, zelf heeft vastgesteld dat deze ten onrechte zijn geïnd, en zij op de hoogte is van de identiteit van de betrokken marktdeelnemers en van het aan elk van hen terug te betalen bedrag. In dit verband vraagt deze rechter zich af welke maatregelen die autoriteit in voorkomend geval moet nemen om die informatie te verkrijgen.

25 Uit artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1430/79 volgt met name dat tot terugbetaling van de douanerechten wordt overgegaan wanneer ten genoegen van de bevoegde autoriteiten wordt vastgesteld dat het geboekte bedrag van deze rechten betrekking heeft op goederen waarvoor geen douaneschuld is ontstaan of die hoger zijn dan het wettelijk verschuldigde bedrag.

26 Artikel 2, lid 2, van die verordening voorziet in twee verschillende wijzen van terugbetaling, te weten hetzij op verzoek, hetzij ambtshalve (zie in die zin arrest van 26 oktober 2017, Aqua Pro, C‑407/16, EU:C:2017:817, punt 41).

27 In de eerste plaats wordt de terugbetaling overeenkomstig artikel 2, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1430/79 toegekend op een vóór het verstrijken van een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten zijn geboekt, bij het betrokken douanekantoor ingediend verzoek. In de tweede plaats gaan de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 2, lid 2, derde alinea, van die verordening ambtshalve tot terugbetaling over wanneer zij zelf gedurende deze termijn het bestaan van de een of andere in artikel 2, lid 1, omschreven omstandigheid vaststellen.

28 Gelet op de in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1430/79 beschreven situaties, volgt hieruit dat deze autoriteiten ambtshalve tot terugbetaling van douanerechten overgaan wanneer zij gedurende die termijn zelf vaststellen dat deze ten onrechte zijn geïnd, te weten wanneer overeenkomstig artikel 2, lid 1, van die verordening ten genoegen van deze autoriteiten met name wordt vastgesteld dat het geboekte bedrag van die rechten betrekking heeft op goederen waarvoor geen douaneschuld is ontstaan of hoger is dan het wettelijk verschuldigde bedrag.

29 In dit verband voert artikel 2, lid 2, derde alinea, van die verordening, voor zover het categorisch bepaalt dat de nationale douaneautoriteiten „ambtshalve tot terugbetaling [overgaan]”, voor deze autoriteiten een verplichting tot terugbetaling in, zonder dat de betrokken importeur daarom hoeft te verzoeken.

30 Aangezien in die bepaling de woorden „gedurende deze termijn” betrekking hebben op het werkwoord „vaststellen”, moeten die woorden aldus worden begrepen dat deze verplichting tot terugbetaling pas ontstaat indien een dergelijke vaststelling plaatsvindt vóór het verstrijken van een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de datum van boeking van de douanerechten. Overeenkomstig artikel 1, lid 2, onder e), van verordening nr. 1430/79 is deze datum de datum van vaststelling van de administratieve handeling waardoor het bedrag van die rechten aanvankelijk door de bevoegde autoriteiten is vastgesteld.

31 Bijgevolg is een nationale douaneautoriteit slechts verplicht om douanerechten ambtshalve terug te betalen indien die autoriteit vóór het verstrijken van een dergelijke termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de datum van boeking van de betrokken douanerechten, zelf heeft vastgesteld dat die rechten ten onrechte zijn geïnd.

32 Deze termijn bakent dus de periode af waarin de nationale douaneautoriteiten die zelf hebben vastgesteld dat ten onrechte douanerechten zijn geïnd, zich ertoe moeten verbinden ambtshalve tot terugbetaling van die rechten over te gaan. Zoals de advocaat-generaal in de punten 46 tot en met 50 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, hoeft de terugbetaling als zodanig daarentegen niet noodzakelijkerwijs binnen die termijn te geschieden en kan deze na het verstrijken van die termijn worden verricht.

33 Voor zover de douanerechten worden opgelegd voor precieze bedragen die door de nationale douaneautoriteit zijn vastgesteld op basis van douaneaangiften die voor rekening van een bepaalde persoon zijn ingediend, impliceert de vaststelling door die autoriteit dat dergelijke rechten ten onrechte zijn geïnd, bovendien noodzakelijkerwijs de vaststelling dat een bij die autoriteit bekende persoon ten onrechte een bepaald bedrag heeft betaald, dat eveneens bij haar bekend is. Wanneer de nationale douaneautoriteit vaststelt dat douanerechten ten onrechte zijn geïnd en moeten worden terugbetaald, is zij dus in beginsel op de hoogte van zowel de identiteit van de persoon aan wie zij de rechten moet terugbetalen, als het exacte terug te betalen bedrag.

34 Die autoriteit kan zich immers niet beroepen op het feit dat zij niet meer beschikt over de door de belanghebbenden ingediende douaneaangiften of over de jegens hen genomen individuele besluiten, ter rechtvaardiging van een eventueel verzuim om aan die belanghebbenden de douanerechten terug te betalen waarvan zij binnen de in artikel 2, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1430/79 gestelde termijn van drie jaar heeft vastgesteld dat zij ten onrechte zijn geïnd. Zolang die termijn niet is verstreken, zijn die douaneautoriteiten namelijk gehouden de documenten en informatie te bewaren die relevant kunnen zijn voor een eventuele terugbetaling van de geïnde douanerechten.

35 Die overwegingen gelden ook wanneer het onverschuldigde karakter van de heffing van douanerechten zijn oorsprong vindt in een vergissing van de nationale douaneautoriteit met betrekking tot de mogelijkheid om douanerechten te heffen op de invoer uit of naar een bepaald derde land. Het is juist dat een dergelijke vergissing een groot aantal marktdeelnemers en individuele beschikkingen kan betreffen en bijgevolg van de douaneautoriteit van de betrokken lidstaat een kwantitatief belangrijk onderzoek kan vergen om vast te stellen welke personen recht hebben op terugbetaling. Volgens vaste rechtspraak kunnen de autoriteiten van een lidstaat zich niet beroepen op praktische, administratieve of financiële moeilijkheden om te rechtvaardigen dat de uit het Unierecht voortvloeiende verplichtingen niet worden nageleefd [arrest van 27 februari 2020, Commissie/België (Boekhouders), C‑384/18, EU:C:2020:124, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

36 Het is juist dat de nationale douaneautoriteit in bepaalde gevallen voor de terugbetaling van douanerechten waarvan zij heeft vastgesteld dat zij ten onrechte zijn geïnd, bepaalde informatie nodig kan hebben die zij niet in haar bezit heeft of kon hebben. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn voor de identiteit van de persoon of personen die in de plaats zijn getreden van de persoon die de terug te betalen rechten heeft betaald, aangezien overeenkomstig artikel 15, eerste alinea, van verordening nr. 1430/79 de terugbetaling van douanerechten slechts wordt toegestaan aan de persoon zelf die deze rechten heeft voldaan of aan personen die hem in zijn rechten en verplichtingen hebben opgevolgd. Dit kan ook het geval zijn voor de gegevens van een bankrekening waarop de terugbetaling plaatsvindt.

37 Deze omstandigheid is in voorkomend geval echter niet relevant om aan te tonen dat er een verplichting tot terugbetaling bestaat, aangezien een dergelijke verplichting ontstaat zodra de nationale douaneautoriteit onder de in punt 31 van het onderhavige arrest bedoelde voorwaarden vaststelt dat douanerechten onverschuldigd zijn betaald. Wel is zij relevant om te bepalen of die autoriteit, door te laat of zelfs niet over te gaan tot een dergelijke terugbetaling, is tekortgeschoten in haar verplichting om ambtshalve te handelen.

38 Concreet dient deze douaneautoriteit, wanneer zij buiten haar schuld niet beschikt over de informatie die nodig is om over te gaan tot de terugbetaling van ten onrechte geïnde douanerechten – zoals die welke in punt 36 van het onderhavige arrest zijn vermeld – de noodzakelijke en passende maatregelen te nemen om die informatie te verkrijgen, om te voldoen aan haar uit artikel 2, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1430/79 voortvloeiende verplichting tot terugbetaling. Het is juist dat dergelijke maatregelen geen onevenredig onderzoek omvatten, dat wil zeggen onderzoek waarbij personele en materiële middelen moeten worden ingezet zonder enig verband met hetgeen redelijkerwijs van een zorgvuldige administratie kan worden verwacht. Een passieve houding van de douaneautoriteit, onder het voorwendsel dat zij niet over die informatie beschikt, is echter niet verenigbaar met haar bovengenoemde verplichting tot terugbetaling en evenmin met de vereisten die voortvloeien uit het recht op behoorlijk bestuur, dat een algemeen beginsel van het Unierecht vormt dat van toepassing is op de lidstaten wanneer zij dat recht ten uitvoer brengen (zie in die zin arrest van 22 september 2022, Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság e.a., C‑159/21, EU:C:2022:708, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39 In het hoofdgeding staat het dus aan de verwijzende rechter om te bepalen of kan worden aangenomen dat de Franse douaneautoriteiten vóór het verstrijken van een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de boeking van de betrokken douanerechten, zelf hadden vastgesteld dat deze ten onrechte waren geïnd. Het Hof kan deze rechter evenwel alle uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht verschaffen die voor hem bij die beoordeling nuttig kunnen zijn (arrest van 7 april 2022, Berlin Chemie A. Menarini, C‑333/20, EU:C:2022:291, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40 In dit verband blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de Commissie de Franse Republiek op 23 januari 1991 een met redenen omkleed advies heeft gezonden waarin zij stelde dat de praktijk om betaling van douanerechten te eisen voor goederen die afkomstig waren uit derde landen en bestemd waren voor Andorra, in strijd was met het Unierecht. Bij brief van 27 maart 1991 hebben de Franse autoriteiten de Commissie geantwoord dat zij hadden besloten het verzoek van de Commissie in te willigen en, rekening houdend met de bepalingen van een tussen de Europese Economische Gemeenschap en dit derde land gesloten overeenkomst die op 1 juli 1991 in werking zou treden, de regeling voor de uitvoer van landbouwproducten naar Andorra vervroegd te wijzigen. Bij ministerieel bericht van 6 juni 1991 hebben de Franse autoriteiten een einde gemaakt aan deze praktijk ten aanzien van alle uit derde landen afkomstige goederen met bestemming Andorra.

41 Indien de verwijzende rechter van oordeel is dat uit deze gebeurtenissen kan worden afgeleid dat de Franse douaneautoriteiten impliciet maar noodzakelijkerwijs hebben vastgesteld dat de douanerechten die zijn geïnd naar aanleiding van de invoer van goederen uit derde landen met bestemming Andorra, onrechtmatig waren geïnd, aangezien een met redenen omkleed advies van de Commissie op zich geen bindende rechtsgevolgen heeft (zie met name arrest van 29 september 1998, Commissie/Duitsland, C‑191/95, EU:C:1998:441, punt 44), zou een dergelijke vaststelling moeten worden geacht door deze douaneautoriteiten „zelf” te zijn gedaan. In dat geval waren die autoriteiten, teneinde te voldoen aan artikel 2, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1430/79, dan ook verplicht om ambtshalve over te gaan tot de terugbetaling van de betrokken douanerechten, aangezien deze zijn geïnd in de drie jaar voorafgaand aan die vaststelling.

42 Indien blijkt dat de Franse douaneautoriteiten voor de terugbetaling van de betrokken douanerechten aanvullende informatie nodig hadden, zoals die welke is bedoeld in punt 36 van het onderhavige arrest, die niet in hun bezit was of kon zijn, zal de verwijzende rechter, om uit te maken of die autoriteiten ten onrechte niet hebben voldaan aan hun uit artikel 2, lid 2, derde alinea, voortvloeiende verplichting om ambtshalve tot terugbetaling over te gaan, moeten nagaan of die autoriteiten, na te hebben vastgesteld dat de betrokken douanerechten onrechtmatig waren geïnd, maatregelen hebben genomen die, zonder onevenredig te zijn, noodzakelijk en passend waren om die informatie te verkrijgen. In dit verband moet, onder voorbehoud van de beoordeling door de verwijzende rechter, echter worden vastgesteld dat uit het dossier waarover het Hof beschikt, niet blijkt dat dergelijke maatregelen zijn genomen.

43 Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 2, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1430/79 aldus moet worden uitgelegd dat een nationale douaneautoriteit alleen dan verplicht is om ambtshalve tot terugbetaling van de douanerechten over te gaan, indien die autoriteit vóór het verstrijken van een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de boeking van die rechten, zelf heeft vastgesteld dat deze ten onrechte zijn geïnd, waarbij die vaststelling impliceert dat zij op de hoogte is van de identiteit van de personen die deze rechten hebben betaald en van het aan elk van hen terug te betalen bedrag. Wanneer die autoriteit niet beschikt of niet kon beschikken over alle informatie die nodig is om dat bedrag terug te betalen aan de persoon die de ten onrechte geïnde douanerechten heeft betaald of aan de personen die hem in zijn rechten en verplichtingen zijn opgevolgd, staat het aan diezelfde autoriteit om, teneinde aan haar verplichting tot terugbetaling te voldoen, de maatregelen te nemen die, zonder onevenredig te zijn, noodzakelijk en passend zijn om die informatie te verkrijgen en tot terugbetaling over te gaan.

Kosten

44 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 2, lid 2, derde alinea, van verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in‑ of uitvoerrechten, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3069/86 van de Raad van 7 oktober 1986,

moet aldus worden uitgelegd dat

een nationale douaneautoriteit alleen dan verplicht is om ambtshalve tot terugbetaling van de douanerechten over te gaan, indien die autoriteit vóór het verstrijken van een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de boeking van die rechten, zelf heeft vastgesteld dat deze ten onrechte zijn geïnd, waarbij die vaststelling impliceert dat zij op de hoogte is van de identiteit van de personen die deze rechten hebben betaald en van het aan elk van hen terug te betalen bedrag. Wanneer die autoriteit niet beschikt of niet kon beschikken over alle informatie die nodig is om dat bedrag terug te betalen aan de persoon die de ten onrechte geïnde douanerechten heeft betaald of aan de personen die hem in zijn rechten en verplichtingen zijn opgevolgd, staat het aan diezelfde autoriteit om, teneinde aan haar verplichting tot terugbetaling te voldoen, de maatregelen te nemen die, zonder onevenredig te zijn, noodzakelijk en passend zijn om die informatie te verkrijgen en tot terugbetaling over te gaan.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in