HvJ EU 26 juni 2025, C-466/23, ECLI:EU:C:2025:480

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

26 juni 2025 ( *1 )

„Hogere voorziening – Mededinging – Concentraties – Besluit waarbij een concentratie verenigbaar wordt verklaard met de interne markt– Beroep dat is ingesteld door een derde – Ontvankelijkheid – Artikel 263, vierde alinea, VWEU – Procesbevoegdheid”

In zaak C‑466/23 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 21 juli 2023,

Stadtwerke Hameln Weserbergland GmbH, gevestigd te Hamelen (Duitsland), vertegenwoordigd door T. Heymann en I. Zenke, Rechtsanwälte,

rekwirante,

andere partijen in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Meessen en I. Zaloguin als gemachtigden, bijgestaan door T. G. Funke, Rechtsanwalt,

verweerster in eerste aanleg,

Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door J. Möller en R. Kanitz als gemachtigden,

E.ON SE, gevestigd te Essen (Duitsland), aanvankelijk vertegenwoordigd door C. Barth, C. Grave, D.‑J. dos Santos Goncalves en R. Seifert, Rechtsanwälte, vervolgens door C. Barth, A. Fuchs, C. Grave en D.‑J. dos Santos Goncalves, Rechtsanwälte,

RWE AG, gevestigd te Essen, aanvankelijk vertegenwoordigd door U. Scholz, J. Siegmund en J. Ziebarth, Rechtsanwälte, vervolgens door U. Scholz, J. Siegmund en M. von Armansperg, Rechtsanwälte,

interveniënten in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, D. Gratsias, E. Regan, J. Passer (rapporteur) en B. Smulders, rechters,

advocaat-generaal: L. Medina,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Met haar hogere voorziening vordert Stadtwerke Hameln Weserbergland GmbH vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 17 mei 2023, Stadtwerke Hameln Weserbergland/Commissie (T‑314/20, EU:T:2023:258; hierna: „bestreden arrest”), waarbij haar beroep tot nietigverklaring van besluit C(2019) 1711 final van de Commissie van 26 februari 2019, waarbij een concentratie verenigbaar wordt verklaard met de interne markt en de EER-Overeenkomst (zaak M.8871 – RWE/E.ON Assets) (PB 2020, C 111, blz. 1; hierna: „litigieus besluit”), niet-ontvankelijk is verklaard.

Voorgeschiedenis van het geding

2 De voorgeschiedenis van het geding is uiteengezet in de punten 2 tot en met 11 van het bestreden arrest en kan als volgt worden samengevat.

Achtergrond van de concentratie

3 RWE AG is een vennootschap naar Duits recht die ten tijde van de aanmelding van de voorgenomen concentratie actief was in de gehele keten van energievoorziening, daaronder begrepen de gebieden van de opwekking, de groot- en detailhandel, de transmissie en de distributie, alsook het gebied van energiediensten aan consumenten. RWE en haar dochterondernemingen, waaronder innogy SE, zijn actief in verschillende lidstaten.

4 E.ON SE is een vennootschap naar Duits recht die op hetzelfde moment actief was in de gehele elektriciteitsvoorzieningsketen, of het nu ging om de opwekking van, de groothandel in, de distributie van of de detailhandel in elektriciteit. E.ON bezit en exploiteert activa voor elektriciteitsopwekking in verschillende lidstaten.

5 Rekwirante is een Duits gemeentelijk bedrijf dat elektriciteit opwekt uit conventionele energiebronnen, via haar belangen in een gas- en stoomturbine en in een steenkoolcentrale, en tevens uit hernieuwbare energiebronnen, door middel van haar waterkracht- en warmte-krachtkoppelingscentrales, zonneparken, biogasinstallaties en haar belangen in windmolenparken. Haar opwekkingsactiva bevinden zich in Duitsland.

6 De concentratie in de onderhavige zaak maakt deel uit van een ingewikkelde activaruil tussen RWE en E.ON, die de twee betrokken ondernemingen op 11 en 12 maart 2018 hebben aangekondigd (hierna: „transactie als geheel”). Zo wenst RWE met de eerste concentratie, te weten de concentratie in de onderhavige zaak, de uitsluitende of gezamenlijke zeggenschap over bepaalde opwekkingsactiva van E.ON te verkrijgen. De tweede concentratie houdt in dat E.ON de uitsluitende zeggenschap over de distributie- en detailhandelsactiviteiten alsook bepaalde opwekkingsactiva van de door RWE gecontroleerde onderneming innogy verwerft. Met de derde concentratie wordt beoogd dat RWE een belang van 16,67 % in E.ON verkrijgt.

7 De tweede concentratie (hierna: „concentratie M.8870”) is op 31 januari 2019 bij de Europese Commissie aangemeld. De Commissie heeft besluit C(2019) 6530 final van 17 september 2019 vastgesteld, waarbij een concentratie verenigbaar wordt verklaard met de interne markt en de EER-Overeenkomst (zaak M.8870 – E.ON/Innogy) (PB 2020, C 379, blz. 16).

8 De derde concentratie is aangemeld bij het Bundeskartellamt (federale mededingingsautoriteit, Duitsland), dat deze concentratie heeft goedgekeurd bij besluit van 26 februari 2019 (zaak B8‑28/19).

Administratieve procedure

9 Op 22 januari 2019 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 4 van verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (de „EG-concentratieverordening”) (PB 2004, L 24, blz. 1) de aanmelding ontvangen van een voorgenomen concentratie waarbij RWE de uitsluitende of gezamenlijke zeggenschap over bepaalde opwekkingsactiva van E.ON wenste te verkrijgen in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van deze verordening.

10 Op 31 januari 2019 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 4, lid 3, van verordening nr. 139/2004 de voorafgaande aanmelding van deze concentratie (zaak M.8871 – RWE/E.ON Assets) (PB 2019, C 38, blz. 22, hierna: „concentratie M.8871”) gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.

11 De Commissie heeft in het kader van haar onderzoek van concentratie M.8871 een marktonderzoek verricht en dus een vragenlijst toegezonden aan bepaalde ondernemingen, maar niet aan rekwirante.

Litigieus besluit

12 De Commissie heeft op 26 februari 2019 het litigieuze besluit vastgesteld waarbij concentratie M.8871 in de onderzoeksfase als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 139/2004 en artikel 57 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3) verenigbaar met de interne markt is verklaard.

Beroep bij het Gerecht en bestreden arrest

13 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 27 mei 2020, heeft rekwirante beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld.

14 Ter ondersteuning van haar beroep tot nietigverklaring heeft rekwirante zes middelen aangevoerd, namelijk: ten eerste, onjuiste opsplitsing van de analyse van de transactie als geheel; ten tweede, schending van de motiveringsplicht; ten derde, schending van haar recht om te worden gehoord; ten vierde, schending van haar recht op effectieve rechterlijke bescherming; ten vijfde, kennelijke beoordelingsfouten, en, ten zesde, schending van de zorgvuldigheidsplicht.

15 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard op grond dat rekwirante niet individueel werd geraakt door het litigieuze besluit in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, en bijgevolg geen procesbevoegdheid had.

16 Dienaangaande heeft het Gerecht in de punten 24 tot en met 31 van het bestreden arrest het volgende verklaard: „24 […] [Volgens] vaste rechtspraak [kunnen] degenen die niet de adressaat zijn van een besluit slechts stellen dat zij individueel worden geraakt indien dit besluit hen treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat van dat besluit (zie arrest van 4 juli 2006, easyJet/Commissie,T‑177/04, EU:T:2006:187, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 25 Wanneer in een besluit wordt vastgesteld dat een concentratie verenigbaar is met de interne markt, dient bij de beoordeling of een derde onderneming individueel wordt geraakt te worden nagegaan of deze aan de administratieve procedure heeft deelgenomen en of haar marktpositie is aangetast. Hoewel de enkele deelname aan de procedure op zichzelf niet volstaat om vast te stellen dat het besluit rekwirante individueel raakt, vooral niet op het gebied van concentraties, waarbij een nauwkeurig onderzoek regelmatige contacten met talrijke ondernemingen vereist, vormt een actieve deelname aan de administratieve procedure niettemin een element waarmee in de rechtspraak in mededingingszaken geregeld rekening wordt gehouden, ook op het meer specifieke gebied van de controle op concentraties, om in combinatie met andere specifieke omstandigheden de ontvankelijkheid van haar beroep vast te stellen (zie arrest van 4 juli 2006, easyJet/Commissie,T‑177/04, EU:T:2006:187, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 26 In het licht van de in punt 25 hierboven genoemde rechtspraak heeft het Gerecht een maatregel tot organisatie van de procesgang getroffen die ertoe strekt de partijen uit te nodigen om ter terechtzitting hun opmerkingen te maken over het middel van niet-ontvankelijkheid dat het ambtshalve wil opwerpen. 27 Vastgesteld moet worden dat verzoekster noch in haar geschriften, noch ter terechtzitting heeft beweerd dat zij de Commissie een brief had gestuurd om haar opmerkingen te maken over [concentratie] M.8871 of om kenbaar te maken dat zij wilde deelnemen aan de desbetreffende procedure. Bovendien blijkt uit het verzoekschrift dat de Commissie haar niet heeft gevraagd om mee te werken aan het […] marktonderzoek. 28 In dit verband stelt de Commissie in antwoord op het derde middel, ontleend aan schending van verzoeksters recht om te worden gehoord, in haar verweerschrift inderdaad dat verzoekster in staat is gesteld om ten volle deel te nemen aan de procedure, onder meer via het marktonderzoek waarop verzoekster zou hebben gereageerd, en dat zij verzoekster heeft gehoord. Ter terechtzitting heeft de Commissie evenwel verduidelijkt dat dit een materiële redactiefout was en dat verzoekster niet aan het marktonderzoek had meegewerkt, noch door de Commissie was gehoord na een verzoek daartoe. 29 Uit het voorgaande volgt dat verzoekster niet heeft deelgenomen aan de administratieve procedure. 30 Bovendien heeft verzoekster ter terechtzitting geen enkel ander argument aangevoerd om aan te tonen dat zij zich tot de Commissie had gewend om te kunnen deelnemen aan de administratieve fase. 31 Aangezien verzoekster niet actief heeft deelgenomen aan de procedure betreffende [concentratie] M.8871 en er bovendien geen sprake is van bijzondere omstandigheden met betrekking tot de aantasting van haar marktpositie, moet worden geoordeeld dat zij niet individueel wordt geraakt door het [litigieuze] besluit in de zin van de in punt 25 van dit arrest aangehaalde rechtspraak.”

Procedure bij het Hof en conclusies van partijen bij de hogere voorziening

17 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 21 juli 2023, heeft rekwirante de onderhavige hogere voorziening ingesteld.

18 Op diezelfde datum heeft rekwirante – die daarnaast, in 2021, een beroep tot nietigverklaring van besluit C(2019) 6530 final (zaak T‑58/21) had ingesteld, dat op 21 juli 2023 nog aanhangig was bij het Gerecht – gevraagd dat de behandeling van de onderhavige hogere voorziening zou worden geschorst tot de uitspraak van het arrest van het Gerecht in het kader van dat beroep tot nietigverklaring.

19 Bij beslissing van 19 september 2023 heeft de president van het Hof, na de partijen te hebben gehoord over dit schorsingsverzoek en over de eventuele voeging van negen hogere voorzieningen – waaronder de onderhavige – in de zaken C‑464/23 P, C‑465/23 P, C‑466/23 P, C‑467/23 P, C‑468/23 P, C‑469/23 P, C‑470/23 P, C‑484/23 P en C‑485/23 P, die zijn ingesteld tegen de arresten van het Gerecht in de zaken T‑312/20, T‑313/20, T‑314/20, T‑315/20, T‑317/20, T‑318/20, T‑319/20, T‑320/20 en T‑321/20, dat schorsingsverzoek afgewezen en besloten tot voeging van alleen de hogere voorzieningen in de zaken C‑464/23 P, C‑465/23 P, C‑467/23 P, C‑468/23 P en C‑470/23 P, betreffende arresten ten gronde van het Gerecht, met uitsluiting van vier andere hogere voorzieningen – waaronder de onderhavige – die zijn ingesteld tegen arresten van het Gerecht waarbij de beroepen niet-ontvankelijk zijn verklaard.

20 Rekwirante verzoekt het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen en het litigieuze besluit nietig te verklaren; – subsidiair, de zaak in ieder geval terug te verwijzen naar het Gerecht voor afdoening ten gronde, en – de Commissie te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen de advocaten- en reiskosten die rekwirante in het kader van de procedure bij het Gerecht heeft gemaakt.

21 De Commissie en de andere partijen verzoeken het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen en – rekwirante te verwijzen in de kosten.

Hogere voorziening

22 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante zes middelen aan, ontleend aan schending van de motiveringsplicht, onjuiste opvatting van de feiten en schending van haar procedurele rechten (eerste middel), onjuiste toepassing van artikel 263, vierde alinea, VWEU (tweede middel), onterechte niet-toepassing van artikel 101 VWEU (derde middel), onjuiste toepassing van artikel 3 van verordening nr. 139/2004 (vierde middel), onjuiste toepassing van artikel 2 van deze verordening (vijfde middel) en schending van de beginselen inzake de verdeling van de bewijslast (zesde middel).

23 Eerst moet het tweede middel worden onderzocht, en vervolgens het eerste middel.

Tweede middel: onjuiste toepassing van artikel 263, vierde alinea, VWEU

Eerste onderdeel

– Argumenten van partijen

24 Met het eerste onderdeel van het tweede middel betoogt rekwirante dat een derde onderneming, in geval van een besluit houdende vaststelling dat een concentratie verenigbaar is met de interne markt, niet formeel aan de administratieve procedure hoeft te hebben deelgenomen om te kunnen worden geacht individueel te worden geraakt door dat besluit in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU. Vanuit procedureel oogpunt volstaat het dat aan deze persoon vanwege een mogelijke aantasting van zijn materiële belangen rechten op medezeggenschap, informatie en raadpleging zijn toegekend.

25 Het Gerecht heeft zich in de punten 27 tot en met 31 van het bestreden arrest echter uitsluitend gebaseerd op het feit dat rekwirante niet formeel aan de procedure betreffende concentratie M.8871 heeft deelgenomen. Hoewel de deelname aan een procedure in aanmerking kan worden genomen als een aanwijzing om na te gaan of een persoon individueel wordt geraakt door een handeling in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, kan die deelname geen dwingende voorwaarde zijn wanneer het, zoals bij de transactie als geheel, gaat om een ingewikkelde transactie die in verschillende fasen wordt verricht. Beslissend is volgens rekwirante dat zij middels een door haar medegefinancierde studie van een economisch adviesbureau over de Residual Supply Index (index van residuele levering) invloed heeft uitgeoefend op de inhoud van het litigieuze besluit, wat blijkt uit de tekst van dit besluit. Daarnaast heeft de Commissie de procedure betreffende concentratie M.8871 kunstmatig losgekoppeld van de procedure betreffende concentratie M.8870.

26 De Commissie, daarin ondersteund door E.ON en RWE, betwist rekwirantes argumenten.

– Beoordeling door het Hof

27 Vooraf zij eraan herinnerd dat een natuurlijke of rechtspersoon volgens artikel 263, vierde alinea, VWEU slechts beroep kan instellen tegen een besluit dat tot een andere persoon gericht is indien dat besluit hem rechtstreeks en individueel raakt.

28 Wat dit betreft is het vaste rechtspraak van het Hof dat degenen die niet de adressaat zijn van een besluit slechts kunnen stellen dat zij individueel worden geraakt indien dit besluit hen treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat van dat besluit (arrest van 14 september 2023, Land Rheinland-Pfalz/Deutsche Lufthansa,C‑466/21 P, EU:C:2023:666, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29 Wanneer in een besluit wordt vastgesteld dat een concentratie verenigbaar is met de interne markt, moet de vraag of dit een derde onderneming individueel raakt worden onderzocht aan de hand van een reeks onderling overeenstemmende aanwijzingen of feiten die erop wijzen dat zij aan de administratieve procedure heeft deelgenomen en/of dat haar marktpositie is aangetast. Hoewel de enkele deelname aan de procedure op zichzelf niet volstaat om vast te stellen dat het besluit rekwirante individueel raakt, vooral niet op het gebied van concentraties, waarbij een nauwkeurig onderzoek regelmatige contacten met talrijke ondernemingen vereist, vormt een actieve deelname aan de administratieve procedure niettemin een element waarmee in de rechtspraak in mededingingszaken geregeld rekening wordt gehouden, ook op het meer specifieke gebied van de controle op concentraties, om in combinatie met andere specifieke omstandigheden de ontvankelijkheid van haar beroep vast te stellen. Bovendien kan het besluit waarbij wordt vastgesteld dat een concentratie verenigbaar is met de interne markt, een derde onderneming ten opzichte van deze concentratie slechts individueel raken indien haar bestaande en toekomstige positie op een markt waarop die concentratie invloed kan hebben ernstig wordt aangetast (zie in die zin arrest van 31 maart 1998, Frankrijk e.a./Commissie,C‑68/94 en C‑30/95, EU:C:1998:148, punten 54 tot en met 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30 Hieruit volgt dat het Gerecht met zijn overwegingen in de punten 24 en 25 van het bestreden arrest, waarin het in essentie deze rechtspraak – volgens welke de enkele deelname aan de administratieve procedure niet volstaat opdat een derde onderneming kan worden geacht individueel te worden geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU – heeft overgenomen, geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

31 Vervolgens heeft het Gerecht in punt 29 van het bestreden arrest vastgesteld dat rekwirante niet had deelgenomen aan de procedure betreffende concentratie M.8871 en heeft het daar in punt 30 van dat arrest aan toegevoegd dat zij ter terechtzitting geen argumenten heeft aangevoerd om aan te tonen dat zij zich tot de Commissie had gewend om aan die procedure te kunnen deelnemen. Rekwirante betwist deze vaststellingen van het Gerecht niet.

32 Wat betreft rekwirantes argument dat niet de vraag of zij formeel aan de procedure betreffende concentratie M.8871 heeft deelgenomen beslissend is maar de concrete invloed die zij middels de in punt 25 van het onderhavige arrest vermelde studie op de inhoud van het litigieuze besluit heeft uitgeoefend, dient te worden opgemerkt dat de Commissie in de overwegingen 59 tot en met 65 van dat besluit weliswaar een aantal studies over de Residual Supply Index heeft onderzocht die haar door de partijen bij de concentratie en door derden waren bezorgd, maar dat het enkele feit dat rekwirante een van die studies heeft medegefinancierd op zichzelf niet volstaat om aan te nemen dat zij actief aan de administratieve procedure heeft deelgenomen in de zin van de in punt 29 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.

33 Overigens moet aangaande het argument dat de procedure betreffende concentratie M.8871 kunstmatig is losgekoppeld van de procedure betreffende concentratie M.8870 worden opgemerkt dat rekwirante in dit verband niets aanvoert om aan te tonen dat het Gerecht bij de uitlegging van de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 263, vierde alinea, VWEU blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Dit argument van rekwirante is in werkelijkheid immers niet gericht tegen specifieke punten van het bestreden arrest maar tegen het besluit ten gronde van de Commissie om beide concentraties afzonderlijk goed te keuren. Dat argument moet dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

34 In die omstandigheden moet het eerste onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.

Tweede onderdeel

– Argumenten van partijen

35 Met het tweede onderdeel van het tweede middel betoogt rekwirante ten eerste dat het Gerecht eraan voorbij is gegaan dat ook aan de hand van „andere specifieke omstandigheden” mag worden aangetoond dat is voldaan aan de voorwaarde dat een persoon individueel wordt geraakt door de handeling waarvan hij de nietigverklaring vordert. Met name heeft het Gerecht de in haar verzoekschrift aangevoerde gegevens, zoals de specifieke kenmerken van de markt, de aanzienlijke bedragen die zij had geïnvesteerd, haar positie als rechtstreekse concurrent van RWE en de gevolgen van de concentratie voor haar mededingingspositie, niet onderzocht.

36 Ten tweede betoogt rekwirante dat een beroep in geval van pluraliteit van verzoekers in zijn geheel ontvankelijk is zodra een van de verzoekers individueel wordt geraakt, en zij voegt daaraan toe dat dit ook geldt wanneer verschillende verzoekers afzonderlijk beroep hebben ingesteld. Volgens rekwirante heeft het Gerecht dan ook artikel 263, vierde alinea, VWEU geschonden door haar beroep niet te voegen met andere, parallelle beroepen die ontvankelijk zijn verklaard.

37 De Commissie, daarin ondersteund door E.ON en RWE, betwist rekwirantes argumenten.

– Beoordeling door het Hof

38 Aangaande het eerste argument van rekwirante moet worden vastgesteld dat zij daarmee het Gerecht in essentie verwijt dat het de gegevens die zij in haar verzoekschrift heeft aangevoerd om aan te tonen dat er in casu specifieke omstandigheden zijn waaruit blijkt dat het litigieuze besluit haar individueel raakt, niet heeft onderzocht.

39 In dit verband volgt uit de rechtspraak van het Hof dat het toezicht van het Hof in hogere voorziening met name tot doel heeft na te gaan of het Gerecht rechtens voldoende is ingegaan op alle door de rekwirant aangevoerde argumenten, en dat het middel inzake het ontbreken van een antwoord van het Gerecht op de in eerste aanleg aangevoerde argumenten in wezen neerkomt op het aanvoeren van niet-nakoming van de motiveringsplicht (arrest van 14 september 2023, Land Rheinland-Pfalz/Deutsche Lufthansa,C‑466/21 P, EU:C:2023:666, punt 93 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40 Dit eerste argument betreft dus de motiveringsplicht van het Gerecht, die onderwerp is van het eerste middel. Daar zal dus op worden ingegaan bij het onderzoek van dat middel.

41 Wat betreft het tweede argument, dat het Gerecht artikel 263, vierde alinea, VWEU heeft geschonden door haar beroep niet te voegen met andere beroepen die tegen het litigieuze besluit zijn ingesteld en die ontvankelijk zijn verklaard, en daardoor heeft verhinderd dat het beroep ontvankelijk werd verklaard hoewel de proceseconomie dit vereiste, moet worden opgemerkt dat een beslissing om zaken te voegen of om de voeging daarvan ongedaan te maken een maatregel op het gebied van de interne organisatie van het Gerecht is die niet onder het toezicht van het Hof valt (zie in die zin beschikking van 14 december 1995, Hogan/Hof van Justitie,C‑173/95 P, EU:C:1995:461, punt 15).

42 Aangezien een voegingsbeschikking geen gevolgen heeft voor de onafhankelijkheid en de autonome aard van de betrokken zaken (arrest van 21 juni 2001, Moccia Irme e.a./Commissie,C‑280/99 P–C‑282/99 P, EU:C:2001:348, punt 66), is een beroep van een verzoekende partij dat niet voldoet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 263, vierde alinea, VWEU overigens niet-ontvankelijk ongeacht of dit beroep krachtens artikel 68 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht kan worden gevoegd met een ander beroep dat het Gerecht ontvankelijk heeft verklaard.

43 In die omstandigheden, en onder het in punt 40 van het onderhavige arrest genoemde voorbehoud, dient het tweede onderdeel van het tweede middel en, bijgevolg, het tweede middel in zijn geheel te worden afgewezen.

Eerste middel: schending van de motiveringsplicht, onjuiste opvatting van de feiten en schending van rekwirantes procedurele rechten

Argumenten van partijen

44 Met het eerste onderdeel van het eerste middel betoogt rekwirante dat het Gerecht haar beroep heeft verworpen op grond dat zij niet had deelgenomen aan de administratieve procedure betreffende concentratie M.8871. Het bestreden arrest verduidelijkt niet of de door rekwirante ingeroepen ernstige aantasting van haar marktpositie irrelevant is, noch waarom deze irrelevant zou zijn, maar vermeldt in punt 31 alleen dat „er geen sprake is van bijzondere omstandigheden met betrekking tot de aantasting van haar marktpositie”. Volgens rekwirante blijkt uit dit punt 31 niet dat het Gerecht is nagegaan of een partij, zelfs wanneer zij formeel niet aan de procedure heeft deelgenomen, individueel geraakt kan zijn in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU. Rekwirante stelt dat zij zich heeft beroepen op haar positie als rechtstreekse concurrent van RWE en op de concrete aantasting van haar belangen. Een motivering waarbij niet op dergelijke argumenten wordt geantwoord, geeft volgens haar blijk van een onjuiste opvatting.

45 Met het tweede onderdeel van het eerste middel betoogt rekwirante dat het verzoekschrift in eerste aanleg, dat onder meer is aangevuld met haar schriftelijke opmerkingen van 7 juli 2021 over de memorie in interventie van RWE en haar mondelinge opmerkingen ter terechtzitting, een volledige uiteenzetting bevatte over haar investeringen en de omvang daarvan, haar activiteiten in de opwekking van elektriciteit als concurrent van RWE, de manier waarop zij specifiek wordt geraakt en de aantasting van haar marktpositie. Met zijn vaststelling in punt 31 van het bestreden arrest heeft het Gerecht echter gesuggereerd dat zij geen specifieke omstandigheden had ingeroepen, en heeft het haar argumenten dus onjuist opgevat.

46 Met het derde onderdeel van het eerste middel betoogt rekwirante dat het in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op onpartijdigheid in het kader van een eerlijk proces, inhoudt dat het Gerecht kennis moet nemen van de opmerkingen van de partijen en daarmee rekening moet houden bij zijn uitspraak, ook al is het niet gebonden aan de inhoud van die opmerkingen. Volgens haar volgt uit dit recht ook dat het Gerecht de relevante overwegingen van zijn beslissing moet vermelden en op bezwaren moet antwoorden. Hoe significanter een omstandigheid of een juridisch argument is, hoe belangrijker het is dat er in de motivering op de argumenten van de partijen wordt ingegaan. Zo vormt de geraaktheid op materieel vlak een cruciaal aspect van de ontvankelijkheid van het beroep, waarover het Gerecht zich in het kader van zijn ambtshalve onderzoek had moeten uitspreken.

47 De Commissie, daarin ondersteund door E.ON en RWE, stelt dat het Gerecht genoegzaam heeft gemotiveerd waarom rekwirantes marktpositie niet was aangetast, en dat het heeft voldaan aan de door het Hof gestelde eisen inzake de motivering van arresten. Volgens hen heeft het Gerecht verklaard dat het geen bijzondere omstandigheden met betrekking tot de aantasting van die marktpositie heeft geconstateerd en heeft het aldus vastgesteld dat niets rekwirante ten opzichte van de andere concurrenten karakteriseerde.

Beoordeling door het Hof

48 Met de drie onderdelen van het eerste middel en met het in punt 38 van het onderhavige arrest vermelde argument dat in het tweede onderdeel van het tweede middel is geformuleerd, die samen dienen te worden onderzocht, voert rekwirante in feite aan dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen wat haar procesbevoegdheid betreft.

49 Er zij aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de motivering van het arrest de redenering van het Gerecht duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen (arrest van 11 juni 2015, EMA/Commissie,C‑100/14 P, EU:C:2015:382, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak), maar de uit artikel 36 en artikel 53, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie voortvloeiende verplichting van het Gerecht niet inhoudt dat het een uitputtende uiteenzetting moet geven die volledig en één voor één alle argumenten van de partijen volgt. De motivering kan dus impliciet zijn, maar de belanghebbenden moeten met die motivering de redenen kunnen kennen waarom het Gerecht hun argumenten heeft afgewezen en het Hof moet over voldoende elementen beschikken om zijn toezicht te kunnen uitoefenen (arrest van 18 juni 2020, Primart/EUIPO,C‑702/18 P, EU:C:2020:489, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50 In casu heeft het Gerecht in punt 21 van het bestreden arrest in herinnering gebracht dat een natuurlijke of rechtspersoon volgens artikel 263, vierde alinea, VWEU slechts beroep kan instellen tegen een besluit dat tot een andere persoon gericht is indien dat besluit hem rechtstreeks en individueel raakt, en heeft het vervolgens in de punten 24 tot en met 31 van dat arrest uiteengezet op welke gronden het zich heeft gebaseerd om te concluderen dat rekwirante niet individueel werd geraakt door het litigieuze besluit in de zin van deze bepaling.

51 Met name heeft het Gerecht in punt 24 van dat arrest de in punt 28 van het onderhavige arrest genoemde vaste rechtspraak in herinnering gebracht.

52 In punt 25 van het bestreden arrest heeft het Gerecht erop gewezen dat wanneer in een besluit wordt vastgesteld dat een concentratie verenigbaar is met de interne markt, bij de beoordeling of dit besluit een derde onderneming individueel raakt dient te worden nagegaan of deze aan de administratieve procedure heeft deelgenomen en of haar marktpositie is aangetast. In datzelfde punt 25 heeft het daaraan toegevoegd dat, hoewel de enkele deelneming aan de procedure op zichzelf niet volstaat om vast te stellen dat de verzoekende partij individueel wordt geraakt door het besluit, vooral niet op het gebied van concentraties, waarbij een nauwkeurig onderzoek regelmatige contacten met talrijke ondernemingen vereist, een actieve deelname aan de administratieve procedure niettemin een element vormt waarmee in de rechtspraak in mededingingszaken geregeld rekening wordt gehouden, ook op het meer specifieke gebied van de controle op concentraties, om in combinatie met andere specifieke omstandigheden de ontvankelijkheid van haar beroep vast te stellen.

53 Vervolgens heeft het Gerecht in de punten 27 tot en met 30 van het bestreden arrest onderzocht of rekwirante kon worden geacht te hebben deelgenomen aan de procedure betreffende concentratie M.8871 en heeft het geconcludeerd dat zij niet actief aan die procedure had deelgenomen.

54 Ten slotte heeft het Gerecht in punt 31 van dat arrest aangegeven dat, aangezien rekwirante niet actief aan die procedure had deelgenomen en er bovendien geen sprake was van bijzondere omstandigheden met betrekking tot de aantasting van haar marktpositie, moest worden geoordeeld dat zij niet individueel werd geraakt door het litigieuze besluit.

55 Zoals rekwirante ter ondersteuning van haar hogere voorziening uiteenzet, had zij echter zowel in haar verzoekschrift als in de opmerkingen over de memorie in interventie van RWE een aantal argumenten aangevoerd betreffende de – beweerdelijk ernstige – aantasting van haar marktpositie als gevolg van concentratie M.8871, waaruit volgens haar kon blijken dat het litigieuze besluit haar individueel raakte in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU.

56 Vastgesteld moet worden dat het Gerecht enkel heeft gesteld dat er geen sprake was van bijzondere omstandigheden met betrekking tot de aantasting van rekwirantes marktpositie, en zodoende geen enkele motivering – zelfs geen beknopte – heeft verstrekt waaruit rekwirante kan opmaken of de argumenten waarmee zij heeft aangevoerd dat haar markpositie ernstig was aangetast, zijn onderzocht, en zo ja, waarom is geoordeeld dat deze niet geschikt waren om die aantasting van haar marktpositie aan te tonen, en waaruit het Hof voldoende elementen kan putten om zijn toezicht te kunnen uitoefenen, zoals de in punt 49 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak vereist.

57 Het Gerecht is derhalve zijn uit artikel 36 en artikel 53, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie voortvloeiende motiveringsplicht niet nagekomen.

58 Hieruit volgt dat het eerste middel en het in punt 38 van het onderhavige arrest vermelde argument, dat in het tweede onderdeel van het tweede middel is geformuleerd, moeten worden aanvaard.

59 Bijgevolg moet het bestreden arrest worden vernietigd voor zover het Gerecht in punt 31 van dat arrest heeft vastgesteld dat er geen sprake was van bijzondere omstandigheden met betrekking tot de aantasting van rekwirantes marktpositie, en in punt 32 van dat arrest onder meer op die grond heeft geconcludeerd dat rekwirante niet individueel werd geraakt door het litigieuze besluit, zodat haar beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard.

Beroep bij het Gerecht

60 Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, tweede volzin, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.

61 Dit is in de onderhavige zaak het geval.

62 Zoals blijkt uit punt 29 van het onderhavige arrest, moet met het oog op de beoordeling van rekwirantes procesbevoegdheid in herinnering worden gebracht dat het besluit waarbij wordt vastgesteld dat een concentratie verenigbaar is met de interne markt een niet bij deze concentratie betrokken onderneming slechts individueel kan raken indien haar bestaande en toekomstige positie op een markt waarop die concentratie invloed kan hebben ernstig wordt aangetast. Wat dit laatste betreft, kan de enkele omstandigheid dat een handeling als het litigieuze besluit invloed kan uitoefenen op de concurrentieverhoudingen zoals die op de relevante markt bestaan, en dat de betrokken onderneming op enigerlei wijze concurreerde met de begunstigde van deze handeling, hoe dan ook niet volstaan om deze onderneming te kunnen beschouwen als individueel geraakt door die handeling (zie naar analogie arrest van 22 november 2007, Spanje/Lenzing,C‑525/04 P, EU:C:2007:698, punt 32).

63 Vastgesteld moet worden dat rekwirante in de argumentatie die zij in haar beroep bij het Gerecht heeft aangevoerd, voor zover deze haar eigen marktpositie betreft hoofdzakelijk haar aandeelhouderschap, het aantal werknemers dat zij tewerkstelt, en haar activiteiten op de markt of de bijzonderheden van deze markt heeft vermeld, maar niet heeft aangetoond hoe die omstandigheden en die activiteiten – ongeacht of zij die als concurrent dan wel als investeerder verricht – van dien aard zijn dat zij haar individualiseren op soortgelijke wijze als de adressaten van het litigieuze besluit. De genoemde omstandigheden en activiteiten kunnen namelijk om het even welke andere energieproducent karakteriseren en bieden niet de mogelijkheid rekwirante op unieke wijze te onderscheiden van de andere concurrenten op de markt.

64 Dat geldt ook voor de andere argumenten die rekwirante in haar beroep heeft aangevoerd aangaande, ten eerste, het feit dat zij elektriciteit moet kopen van het upstream-net om de bevoorradingszekerheid te verzekeren voor haar klanten, die de in de voorbije jaren gestegen bijbehorende vergoedingen moeten dragen, en, ten tweede, de sterkere rol van RWE als partner van de energieleveranciers, alsook voor het in haar opmerkingen van 7 juli 2021 over de memorie in interventie van RWE geformuleerde argument inzake het creëren van een „gigant op het gebied van opwekking die de mededinging schaadt”.

65 Hieruit volgt dat rekwirante niet heeft aangetoond dat de betrokken concentratie haar marktpositie ernstig aantast. Zoals blijkt uit punt 29 van het onderhavige arrest kan bovendien zelfs een actieve deelname aan de administratieve procedure betreffende een concentratie – die blijkens de punten 31 en 32 van het onderhavige arrest in dit geval overigens niet is aangetoond – niet toereikend worden geacht om aan te tonen dat een besluit waarbij die concentratie verenigbaar wordt verklaard met de interne markt een onderneming individueel raakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU.

66 Bijgevolg heeft rekwirante niet aangetoond dat het litigieuze besluit haar individueel raakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU. Aangezien de in deze bepaling gestelde voorwaarden van rechtstreekse en individuele geraaktheid cumulatief zijn, zoals blijkt uit punt 27 van het onderhavige arrest, moet het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk worden verklaard.

67 Derhalve hoeft geen uitspraak te worden gedaan over het derde tot en met het zesde middel in hogere voorziening, die argumenten ten gronde bevatten die berusten op de onjuiste premisse dat het beroep in eerste aanleg ontvankelijk was.

Kosten

68 Volgens artikel 184, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de proceskosten wanneer de hogere voorziening gegrond is en het Hof de zaak zelf afdoet. Artikel 138, lid 3, van dit Reglement, dat krachtens artikel 184, lid 1, ervan van overeenkomstige toepassing is op de procedure in hogere voorziening, bepaalt dat elke partij haar eigen kosten draagt indien partijen onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld.

69 Aangezien het eerste middel in hogere voorziening van rekwirante en het in punt 38 van het onderhavige arrest vermelde argument gegrond zijn verklaard en haar beroep tot nietigverklaring is verworpen, dient in de onderhavige zaak te worden beslist dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.

70 Artikel 140, lid 1, van dat Reglement voor de procesvoering, dat eveneens van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, bepaalt dat de lidstaten die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten dragen. De Bondsrepubliek Duitsland zal dus haar eigen kosten dragen.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:

1) Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 17 mei 2023, Stadtwerke Hameln Weserbergland/Commissie (T‑314/20, EU:T:2023:258), wordt vernietigd.

2) Het beroep van Stadtwerke Hameln Weserbergland GmbH tot nietigverklaring van besluit C(2019) 1711 final van de Commissie van 26 februari 2019 waarbij een concentratie verenigbaar wordt verklaard met de interne markt en de EER-Overeenkomst (zaak M.8871 – RWE/E.ON Assets), wordt niet-ontvankelijk verklaard.

3) Stadtwerke Hameln Weserbergland GmbH, E.ON SE, RWE AG en de Europese Commissie dragen elk hun eigen kosten in verband met de procedure in eerste aanleg en de procedure in hogere voorziening.

4) De Bondsrepubliek Duitsland draagt haar eigen kosten.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Duits.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken