HvJ EU 19 juni 2025, C-299/23, ECLI:EU:C:2025:461

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)

19 juni 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Immigratiebeleid – Richtlijn (EU) 2016/801 – Voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op studie – Artikel 34, lid 5 – Beroep tegen het besluit tot afwijzing van de aanvraag tot toelating tot het grondgebied van een lidstaat voor studiedoeleinden – Grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte – Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie”

In zaak C‑299/23 [Darvate e.a.] ( i ),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de tribunal de première instance francophone de Bruxelles (Franstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, België) bij beslissing van 10 mei 2023, ingekomen bij het Hof op 11 mei 2023, in de procedure

Ordre des barreaux francophones et germanophone de Belgique,

Coordination et Initiatives pour et avec les Réfugiés et les Étrangers ASBL,

NX

tegen

Belgische Staat,

wijst

HET HOF (Tiende kamer),

samengesteld als volgt: D. Gratsias, kamerpresident, E. Regan (rapporteur) en J. Passer, rechters,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Ordre des barreaux francophones et germanophone de Belgique, Coordination et Initiatives pour et avec les Réfugiés et les Étrangers ASBL en NX, vertegenwoordigd door J. Hardy, C. Jadot en M. Kaiser, avocats,

– de Belgische regering, vertegenwoordigd door M. Jacobs, C. Pochet en M. Van Regemorter als gemachtigden, bijgestaan door E. Derriks, advocaat,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Hottiaux en A. Katsimerou als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5, lid 3, en artikel 34 van richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (PB 2016, L 132, blz. 21), alsmede van het doeltreffendheidsbeginsel en de artikelen 7, 14 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds de Ordre des barreaux francophones et germanophone de Belgique, Coordination et Initiatives pour et avec les Réfugiés et les Étrangers ASBL, een vereniging zonder winstoogmerk, en NX, en anderzijds de Belgische Staat over de vaststelling van wettelijke bepalingen waarmee een doeltreffend rechtsmiddel kan worden gewaarborgd tegen besluiten tot weigering van afgifte van visa voor studiedoeleinden.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 De leden 1 en 3 van artikel 5 van richtlijn 2016/801, dat als opschrift „Beginselen” heeft, bepalen: „1. Toelating van een derdelander in de zin van deze richtlijn is alleen mogelijk indien na controle van het dossier blijkt dat hij voldoet aan: a) de algemene voorwaarden die zijn gesteld in artikel 7, en b) de relevante specifieke voorwaarden die zijn gesteld in artikel 8, 11, 12, 13, 14 of 16. [...] 3. Wanneer aan alle algemene en aan de relevante specifieke voorwaarden is voldaan, heeft de derdelander recht op een vergunning. Indien een lidstaat verblijfstitels alleen op het eigen grondgebied afgeeft en aan alle toelatingsvoorwaarden van deze richtlijn is voldaan, verstrekt de betrokken lidstaat de derdelander het vereiste visum.”

4 Artikel 7 van deze richtlijn, „Algemene voorwaarden”, bepaalt in lid 1: „Bij de toelating van een derdelander op grond van deze richtlijn geldt voor een verzoeker het volgende: a) hij moet een volgens het nationale recht geldig reisdocument overleggen, alsmede, indien vereist, een aanvraag voor een visum of een geldig visum of, waar van toepassing, een geldige verblijfstitel of een geldig visum voor verblijf van langere duur; de lidstaten mogen verlangen dat het reisdocument geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf; b) hij legt, indien hij volgens het nationale recht van de betrokken lidstaat minderjarig is, een bewijs over van toestemming van de ouders of voogd of een gelijkwaardig document voor het beoogde verblijf; c) hij toont aan dat de derdelander in het bezit is van of, indien het nationale recht die mogelijkheid biedt, een aanvraag heeft ingediend voor een ziektekostenverzekering die alle risico’s dekt die normaal voor de onderdanen van die lidstaat gedekt zijn; de verzekering is geldig voor de duur van het voorgenomen verblijf; d) hij legt, indien de lidstaat daarom verzoekt, een bewijs over van betaling van de vergoeding van de behandeling van de aanvraag krachtens artikel 36; e) hij toont op verzoek van de betrokken lidstaat aan dat de derdelander gedurende het geplande verblijf zal beschikken over voldoende middelen om de kosten te dekken van zijn levensonderhoud zonder een beroep te doen op het bijstandssysteem van de lidstaat, alsmede de kosten van de terugreis. De beoordeling of hij beschikt over voldoende middelen moet gebaseerd zijn op een individueel onderzoek van het geval en houdt rekening met de middelen die, onder meer, afkomstig zijn van een subsidie, een beurs, een toelage, een geldige arbeidsovereenkomst of een bindend aanbod van een baan of een financiële toezegging door een organisatie voor scholierenuitwisseling, een entiteit die stagiairs ontvangt, een organisatie voor vrijwilligerswerk, een gastgezin of een organisatie die bemiddelt voor au pairs.”

5 Artikel 11 van die richtlijn heeft als opschrift „Specifieke voorwaarden voor studenten” en bepaalt in lid 1: „Indien het de toelating betreft van een derdelander met het oog op studie, moet de aanvrager naast de in artikel 7 gestelde algemene voorwaarden: a) aantonen dat de derdelander is aangenomen door een instelling voor hoger onderwijs om daar een studieprogramma te volgen; b) indien de lidstaat dat vereist, aantonen dat het door de instelling voor hoger onderwijs gevraagde inschrijfgeld is betaald; c) indien de lidstaat dat vereist, bewijzen dat de derdelander over voldoende kennis beschikt van de taal van het studieprogramma; d) indien de lidstaat dat vereist, aantonen dat de derdelander over voldoende middelen beschikt om de studiekosten te dragen.”

6 Artikel 34 van richtlijn 2016/801 heeft als opschrift „Procedurele waarborgen en transparantie” en bepaalt in de leden 1, 3 en 5: „1. De bevoegde instanties van de betrokken lidstaat nemen een besluit over de aanvraag voor een vergunning of voor verlenging ervan en stellen de aanvrager, overeenkomstig de nationale wettelijke kennisgevingsprocedures van de betrokken lidstaat, zo spoedig mogelijk en uiterlijk 90 dagen na de datum waarop de volledige aanvraag is ingediend, schriftelijk in kennis van hun besluit. [...] 3. Indien de ter staving van de aanvraag verstrekte informatie of documentatie onvolledig is, delen de bevoegde instanties de aanvrager binnen een redelijke termijn mee welke aanvullende gegevens vereist zijn en stellen zij voor de verstrekking hiervan een redelijke termijn vast. De in de leden 1 en 2 bedoelde termijn wordt opgeschort totdat de autoriteiten de gevraagde aanvullende informatie hebben ontvangen. Indien de aanvullende informatie of documenten niet binnen de gestelde termijn worden verstrekt, kan de aanvraag worden afgewezen. [...] 5. Een besluit tot niet-ontvankelijk verklaren, afwijzing van de aanvraag, of niet-verlenging of intrekking van een vergunning kan juridisch worden aangevochten in de betrokken lidstaat, overeenkomstig het nationale recht. De rechterlijke of bestuursrechtelijke instantie waar een beroep kan worden ingesteld en de beroepstermijn worden in de schriftelijke kennisgeving vermeld.”

Belgisch recht

7 Artikel 39/82 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Belgisch Staatsblad, 31 december 1980, blz. 14584) luidt in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wet van 15 december 1980”): „§ 1. Wanneer een akte van een administratieve overheid vatbaar is voor vernietiging krachtens artikel 39/2, dan kan de [Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (België)] als enige de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan bevelen. Nadat de partijen gehoord zijn of behoorlijk opgeroepen, wordt de schorsing bevolen bij gemotiveerde uitspraak van de voorzitter van de geadieerde kamer of van de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst. In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan de schorsing bij voorraad worden bevolen, zonder dat de partijen of sommige van hen zijn gehoord. [...] § 2. De schorsing van de tenuitvoerlegging kan alleen worden bevolen als ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte kunnen verantwoorden en op voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Deze laatste voorwaarde is onder andere vervuld indien een ernstig middel werd aangevoerd gesteund op de grondrechten van de mens, in het bijzonder de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden[, ondertekend te Rome op 4 november 1950]. De uitspraken waarbij de schorsing is bevolen, kunnen worden ingetrokken of gewijzigd op verzoek van de partijen. § 3. Behoudens in het geval van uiterst dringende noodzakelijkheid moeten in één en dezelfde akte zowel de vordering tot schorsing als het beroep tot nietigverklaring worden ingesteld. [...] De vordering bevat een uiteenzetting van de middelen en de feiten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing of, in voorkomend geval, van voorlopige maatregelen rechtvaardigen. [...] § 4. De voorzitter van de kamer of de rechter in vreemdelingenzaken die hij aanwijst doet binnen dertig dagen uitspraak over de vordering tot schorsing. Indien de schorsing is bevolen, wordt binnen vier maanden na de uitspraak van de rechterlijke beslissing uitspraak gedaan over het verzoekschrift tot nietigverklaring. Indien de vreemdeling het voorwerp is van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent is, in het bijzonder indien hij is vastgehouden in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 of ter beschikking is gesteld van de regering, en hij nog geen gewone vordering tot schorsing heeft ingeleid tegen de bedoelde verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, kan hij binnen de in artikel 39/57, § 1, derde lid, bedoelde termijn de schorsing van de tenuitvoerlegging van deze maatregel vorderen bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Indien de vordering manifest laattijdig voorkomt, geeft de voorzitter van de geadieerde kamer of de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst, dit aan in zijn beschikking en roept [de kamervoorzitter of die rechter] de partijen onverwijld op te verschijnen binnen vierentwintig uur vanaf de ontvangst van de vordering. De kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken doet een zorgvuldig en nauwgezet onderzoek van alle bewijsstukken die hem worden voorgelegd, inzonderheid die welke van dien aard zijn dat daaruit blijkt dat er redenen zijn om te geloven dat de uitvoering van de bestreden beslissing de verzoeker zou blootstellen aan het risico te worden onderworpen aan de schending van de grondrechten van de mens ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt afgedaan door de kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken binnen achtenveertig uur na de ontvangst ervan. Deze termijn wordt evenwel uitgebreid tot vijf dagen volgend op de dag van ontvangst door de Raad van de ingeleide vordering, wanneer de effectieve verwijdering of terugdrijving van de vreemdeling voorzien is voor een datum die de acht dagen te boven gaat. Indien de kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken niet binnen de termijn tot een uitspraak komt, dan moet hij de eerste voorzitter of de voorzitter daarvan op de hoogte brengen. Deze neemt de nodige maatregelen opdat een uitspraak wordt gewezen, al naargelang het geval, ofwel ten laatste binnen tweeënzeventig uur na de ontvangst van het verzoekschrift, ofwel zo snel mogelijk. Inzonderheid kan hij daartoe de zaak evoceren en er zelf uitspraak over doen. In afwijking van de vorige leden, doet de voorzitter van de geadieerde kamer of de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst, bij voorrang uitspraak over de ontvankelijkheid van de vordering, indien nodig zonder de partijen op te roepen, indien de volgende voorwaarden vervuld zijn: 1° het betreft een tweede verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, en 2° de vordering is manifest laattijdig, en 3° de vordering werd minder dan twaalf uur vóór de geplande uitvoering van de maatregel ingediend, en 4° de verzoeker en desgevallend zijn advocaat werden minstens achtenveertig uur vóór de geplande uitvoering van de maatregel ingelicht. Indien hij de vordering onontvankelijk verklaart, sluit het arrest de procedure af. Indien hij de vordering ontvankelijk verklaart, wordt de procedure verdergezet zoals voorzien in het derde tot het zesde lid. [...]”

8 Artikel 60 van de wet van 15 december 1980 bepaalt: „§ 1. De onderdaan van een derde land die op het grondgebied van het Rijk wenst te verblijven in de hoedanigheid van student, dient zijn aanvraag in bij de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats in het buitenland. § 2. In afwijking van de eerste paragraaf kan de onderdaan van een derde land die overeenkomstig Titel I, Hoofdstuk II, reeds toegelaten of gemachtigd is om niet langer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven of die reeds in een andere hoedanigheid toegelaten of gemachtigd is om langer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven, zijn aanvraag indienen bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats op het grondgebied van het Rijk, indien hij de aanvraag indient voor het verstrijken van de geldigheidsduur van deze toelating of machtiging en voor zover hij reeds is ingeschreven aan een instelling voor hoger onderwijs om een voltijdse studie te volgen. § 3. De onderdaan van een derde land voegt de hiernavolgende documenten bij zijn aanvraag: 1° een kopie van zijn geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel; 2° het bewijs dat hij de vereiste retributie, zoals voorzien in artikel 1/1, betaald heeft, indien deze verplichting op hem van toepassing is; 3° een attest afgegeven door een instelling van hoger onderwijs dat het volgende bewijst: a) hetzij dat hij ingeschreven is aan de instelling voor hoger onderwijs om voltijds hogere studies of een voorbereidend jaar te volgen; b) hetzij dat hij toegelaten is tot de studies; c) hetzij dat hij ingeschreven is voor een toelatingsproef; De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan dit attest dient te voldoen. 4° indien hij jonger dan achttien jaar is, het bewijs van toestemming van zijn ouders of, in voorkomend geval, van de persoon die de voogdij uitoefent; 5° het bewijs, geleverd conform artikel 61, dat hij gedurende het geplande verblijf zal beschikken over voldoende bestaansmiddelen, om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk; 6° het bewijs dat hij beschikt of zal beschikken over een ziektekostenverzekering die alle risico’s in België dekt gedurende zijn verblijf; Indien de aanvraag in het buitenland werd ingediend en het niet mogelijk is dit bewijs reeds bij de aanvraag te voegen, dan moet dit bewijs binnen de termijn voorzien in artikel 61/1/1, § 4, voorgelegd worden. 7° een geneeskundig getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één van de in de bijlage bij deze wet opgesomde ziekten; 8° indien hij ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht. Indien behoorlijk wordt aangetoond dat de documenten bedoeld in 7° en 8°, niet kunnen worden voorgelegd, kan de minister of zijn gemachtigde, rekening houdend met de omstandigheden, de vreemdeling echter machtigen op het grondgebied van het Rijk te verblijven om er te studeren. [...]”

9 Volgens artikel 61/1/1, § l, van deze wet neemt de minister of zijn gemachtigde een beslissing en betekent hij deze aan de onderdaan van een derde land binnen een termijn van negentig dagen na datum van het ontvangstbewijs van de aanvraag, bedoeld in artikel 61/1, § 1.

10 Artikel 61/1/3 van die wet regelt de gevallen waarin de minister of zijn gemachtigde een aanvraag weigert of kan weigeren. Hij moet deze aanvraag met name weigeren indien niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 60 of indien de onderdaan van een derde land wordt geacht een bedreiging te vormen voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid. Bovendien kan een dergelijke aanvraag worden geweigerd wanneer er bewijs is of er ernstige en objectieve redenen zijn om vast te stellen dat het verblijf andere doeleinden zou dienen dan de studies. Indien de onderdaan van een derde land zich niet bevindt in een van de gevallen bedoeld in artikel 61/1/13, moet de machtiging tot verblijf worden toegekend.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

11 Op 25 februari 2021 hebben de voorzitter van AVOCATS.BE en de voorzitter van de Orde van Vlaamse Balies een brief gestuurd aan de staatssecretaris voor Asiel en Migratie (België) om hem aan te spreken over het ontbreken van een doeltreffend rechtsmiddel voor onderdanen van derde landen waar het gaat om besluiten van de bevoegde instanties tot afwijzing van hun visumaanvragen voor studiedoeleinden.

12 Zij hebben hem op 16 augustus 2021 opnieuw een brief gestuurd, waarin zij de Belgische Staat hebben verzocht – en voor zover nodig in gebreke hebben gesteld – onverwijld bij het Parlement een wetsontwerp in te dienen dat voor die besluiten een beroepsmogelijkheid invoert die door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het kader van een spoedprocedure moet worden behandeld.

13 De staatssecretaris voor Asiel en Migratie heeft hun bij brief van 23 september 2021 geantwoord. Dit antwoord heeft de aan de orde gestelde kwestie niet opgelost.

14 Op 16 juni 2022 hebben verzoekers in het hoofdgeding bij de tribunal de première instance francophone de Bruxelles (Franstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, België), de verwijzende rechter, een vordering ingesteld die ertoe strekt de Belgische Staat op straffe van een dwangsom te veroordelen tot vaststelling van wettelijke maatregelen die het voor onderdanen van derde landen die in België wensen te studeren, mogelijk maken om een doeltreffend rechtsmiddel aan te wenden tegen de afwijzing van de daartoe door hen ingediende visumaanvragen. De verwijzende rechter wijst erop dat deze verzoekers aanvoeren dat er sprake is van schending van artikel 47 van het Handvest en voorst betogen dat het ontbreken van een doeltreffende voorziening in rechte afbreuk doet aan het recht op eerbiediging van het privéleven, het familie- en gezinsleven en het recht op onderwijs, die respectievelijk worden gewaarborgd door de artikelen 7 en 14 van het Handvest.

15 Volgens verzoekers in het hoofdgeding vormt het instellen van die vordering een maatregel tot vergoeding van de schadelijke gevolgen van het onrechtmatig nalaten van de Belgische Staat.

16 De verwijzende rechter merkt op dat, gelet op de specifieke kenmerken van de procedure die van toepassing is op visumaanvragen voor studiedoeleinden, sommige aanvragers pas een beslissing ontvangen in de periode die loopt van augustus tot oktober van het jaar waarin zij in België wensen te studeren. In geval van afwijzing van het verzoek kan de betrokkene zich dus pas kort voor het begin van het academiejaar in kwestie tot de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wenden.

17 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen weliswaar een beroep tot schorsing of nietigverklaring van het afwijzende besluit kan worden ingesteld, maar dat deze Raad slechts de rechtmatigheid toetst en niet over een bevoegdheid tot herziening beschikt, zodat hij zijn beoordeling niet in de plaats kan stellen van die van de bevoegde instanties en ook geen nieuw besluit in hun plaats kan nemen. Indien dat besluit nietig wordt verklaard, zijn die instanties evenwel gebonden aan het gezag van gewijsde van het dictum van het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en van de rechtsoverwegingen die er de noodzakelijke onderbouwing van vormen.

18 Voorts benadrukt de verwijzende rechter dat aangezien de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet bevoegd is om voorlopige maatregelen te gelasten, met name om de bevoegde instanties te verplichten een nieuw besluit te nemen met het oog op de afgifte van het aangevraagde visum voor studiedoeleinden, het mogelijk is dat het studiejaar van de betrokkene onherstelbaar verloren gaat bij gebrek aan een tijdig besluit.

19 Bovendien wijst de verwijzende rechter erop dat uit een arrest van de algemene vergadering van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 24 juni 2020 volgt dat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid als bedoeld in artikel 39/82 van de wet van 15 december 1980 voorbehouden is voor een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent is, en geeft hij verder ook aan dat de uitspraken van kortgedingrechters die na dat arrest zijn aangezocht geen bevredigende oplossingen hebben geboden voor de besluiten tot afwijzing van visumaanvragen voor studiedoeleinden.

20 Wanneer hun aanvraag voor een visum voor studiedoeleinden niet tijdig wordt ingewilligd, kunnen onderdanen van derde landen ook een aansprakelijkheidsvordering instellen die ertoe strekt de Belgische Staat civielrechtelijk aansprakelijk te stellen, zodat zij een financiële vergoeding kunnen krijgen. Het verlies van een studiejaar is echter onomkeerbaar en kan niet naar behoren worden hersteld door de mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen.

21 Bijgevolg rijst de vraag of het rechtsmiddel waarover een onderdaan van een derde land naar Belgisch recht beschikt om op te komen tegen het besluit tot afwijzing van zijn visumaanvraag voor studiedoeleinden en om alzo in voorkomend geval de rechten te kunnen genieten die hij aan artikel 5, lid 3, van richtlijn 2016/801 ontleent om in België te studeren, volstaat om te voldoen aan de vereisten die voortvloeien uit artikel 34, lid 5, van deze richtlijn, gelezen in samenhang met de artikelen 7, 14 en 47 van het Handvest en met het doeltreffendheidsbeginsel.

22 Daarop heeft de tribunal de première instance francophone de Bruxelles de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „Vereist artikel 34 van richtlijn [2016/801], gelezen op zich dan wel in samenhang met artikel 7, artikel 14, lid 1, en artikel 47 van het [Handvest] en met het doeltreffendheidsbeginsel, in het licht van de met deze richtlijn nagestreefde doelstelling om de aan derdelanders geboden procedurele waarborgen te versterken en de komst van buitenlandse studenten naar de Europese Unie te bevorderen, dat: [a]) de buitenlandse student toegang heeft tot een uitzonderlijke beroepsprocedure bij uiterste spoedeisendheid wanneer hij aantoont dat hij de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht en dat de inachtneming van de termijnen voor het voeren van een gewone procedure (tot schorsing/vernietiging) het verloop van de studie in kwestie zou kunnen belemmeren? Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, geldt datzelfde ontkennende antwoord dan ook wanneer de betrokkene onherroepelijk een studiejaar dreigt te verliezen als er niet snel een beslissing wordt gegeven? [b]) de buitenlandse student toegang heeft tot een uitzonderlijke beroepsprocedure bij uiterste spoedeisendheid wanneer hij aantoont dat hij de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht en dat de inachtneming van de termijnen voor het voeren van een gewone procedure (tot schorsing/vernietiging) het verloop van de studie in kwestie zou kunnen belemmeren, in welke procedure hij tegelijk met de schorsing kan verzoeken dat andere voorlopige maatregelen worden gelast om de doeltreffendheid van het recht op verkrijging van een vergunning te waarborgen indien hij voldoet aan de algemene en specifieke voorwaarden, zoals gewaarborgd door artikel 5, lid 3, van die richtlijn? Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, geldt datzelfde ontkennende antwoord dan ook wanneer de betrokkene onherroepelijk een studiejaar dreigt te verliezen als er niet snel een beslissing wordt gegeven? [c]) het beroep tegen een besluit tot weigering van een visum het de rechter toestaat zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van het bestuursorgaan en het besluit van dit orgaan te herzien, of volstaat een wettigheidstoetsing waarbij de rechter een onrechtmatigheid, met name een kennelijke beoordelingsfout, kan bestraffen door het besluit van het bestuursorgaan op te schorten of nietig te verklaren?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

23 Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 34, lid 5, van richtlijn 2016/801, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het met betrekking tot de vordering waarmee een onderdaan van een derde land, om de rechten te doen gelden die hij ontleent aan artikel 5, lid 3, van deze richtlijn, wil opkomen tegen het besluit van de bevoegde instanties tot afwijzing van zijn aanvraag tot toelating tot het grondgebied van de betrokken lidstaat voor studiedoeleinden, vereist dat: – die derdelander toegang heeft tot een uitzonderlijke beroepsprocedure die met spoed moet worden behandeld wanneer, hoewel hij de nodige zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd, de inachtneming van de termijnen voor de gewone procedure voor toetsing van dat besluit het verloop van zijn studie zou kunnen belemmeren; – de aangezochte rechter in het kader van een dergelijke uitzonderlijke beroepsprocedure bevoegd is om in voorkomend geval voorlopige maatregelen te gelasten, met name om de bevoegde instanties te verplichten een nieuw besluit te nemen met het oog op de afgifte van de aangevraagde verblijfsvergunning voor studiedoeleinden, en – de rechter bij wie beroep tegen dat besluit is ingesteld, bevoegd is om zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van deze instanties of om een nieuw besluit te nemen.

24 In dit verband zij eraan herinnerd dat een onderdaan van een derde land die een aanvraag tot toelating tot het grondgebied van een lidstaat voor studiedoeleinden heeft ingediend, krachtens artikel 5, lid 3, van richtlijn 2016/801 recht heeft op toestemming om op het grondgebied van die lidstaat te verblijven indien hij voldoet aan de algemene voorwaarden van artikel 7 van deze richtlijn en aan de bijzondere voorwaarden die van toepassing zijn afhankelijk van het soort aanvraag dat wordt ingediend, in casu de voorwaarden van artikel 11 van die richtlijn voor aanvragen om toelating voor studiedoeleinden.

25 Hieruit volgt dat de lidstaten krachtens artikel 5, lid 3, gehouden zijn een verblijfstitel voor studiedoeleinden af te geven aan de aanvrager die voldoet aan de vereisten van de artikelen 7 en 11 van richtlijn 2016/801 (arrest van 29 juli 2024, Perle, C‑14/23, EU:C:2024:647, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26 Volgens artikel 34, lid 5, van die richtlijn kan een besluit tot niet-ontvankelijk verklaren, afwijzing van de aanvraag of niet-verlenging of intrekking van een vergunning juridisch worden aangevochten in de betrokken lidstaat overeenkomstig het nationale recht.

27 Indien er sprake is van een besluit tot afwijzing van een aanvraag tot toelating tot het grondgebied van een lidstaat voor studiedoeleinden, heeft de derdelander die een dergelijke aanvraag heeft ingediend op grond van artikel 34, lid 5, dus expliciet de mogelijkheid om in beroep te gaan overeenkomstig het nationale recht van de lidstaat die dat besluit heeft genomen (arrest van 29 juli 2024, Perle, C‑14/23, EU:C:2024:647, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28 Derhalve moet worden opgemerkt dat de Uniewetgever, door aan te geven dat het beroep overeenkomstig de nationale wetgeving van de betrokken lidstaat moet worden ingesteld, het aan de lidstaten heeft overgelaten om te beslissen over de aard en specifieke voorwaarden van de rechtsmiddelen die openstaan voor aanvragers van een onder richtlijn 2016/801 vallend visum voor studiedoeleinden (zie in die zin arrest van 10 maart 2021, Konsul Rzeczypospolitej Polskiej w N., C‑949/19, EU:C:2021:186, punt 42).

29 De aard en de concrete regeling van de in artikel 34, lid 5, van richtlijn 2016/801 bedoelde beroepsprocedure moeten evenwel worden bepaald op een manier die zich verdraagt met artikel 47 van het Handvest (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, Perle, C‑14/23, EU:C:2024:647, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30 Hoewel het bij gebreke van Unieregelgeving ter zake weliswaar een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om de bevoegde rechterlijke instanties aan te wijzen en de procedureregels vast te stellen voor vorderingen die worden ingesteld ter bescherming van de aan het Unierecht ontleende individuele rechten, zijn de lidstaten er in alle gevallen verantwoordelijk voor te verzekeren dat het recht op daadwerkelijke rechterlijke bescherming van deze rechten wordt geëerbiedigd, zoals is gewaarborgd in artikel 47 van het Handvest (arrest van 14 mei 2020, Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság Dél-alföldi Regionális Igazgatóság, C‑924/19 PPU en C‑925/19 PPU, EU:C:2020:367, punt 142 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31 Bovendien zij eraan herinnerd dat het Hof heeft geoordeeld dat het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte denkbeeldig zou zijn indien het in de rechtsorde van een lidstaat mogelijk zou zijn dat een definitieve en bindende rechterlijke beslissing zonder uitwerking blijft ten nadele van een partij. Dit geldt met name wanneer de verkrijging van het feitelijke genot van de uit het Unierecht voortvloeiende rechten, zoals erkend door een rechterlijke beslissing, de inachtneming van tijdslimieten impliceert (arrest van 29 juli 2024, Perle, C‑14/23, EU:C:2024:647, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich in de onderhavige zaak af wat een nuttig tijdstip is voor de afgifte van het aangevraagde visum voor studiedoeleinden en, bijgevolg, voor de beslissing op het beroep tegen de weigering van een dergelijk visum, zodat de betrokken onderdaan van een derde land in voorkomend geval de rechten kan genieten die hij aan richtlijn 2016/801 ontleent.

33 Wat in deze context ten eerste de invoering van een uitzonderlijke beroepsprocedure betreft die met spoed moet worden behandeld, zij benadrukt dat het Unierecht, met inbegrip van de bepalingen van het Handvest, volgens vaste rechtspraak de lidstaten er niet toe verplicht om andere rechtsmiddelen in te voeren dan die welke in het nationale recht zijn vastgesteld, tenzij uit de opzet van de betrokken nationale rechtsorde blijkt dat er geen rechtsgang is waarmee, al was het maar incidenteel, de eerbiediging van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, kan worden verzekerd [zie in die zin arrest van 7 september 2023, Rayonna prokuratura Lovech, teritorialno otdelenie Lukovit (Fouillering), C‑209/22, EU:C:2023:634, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

34 Artikel 34, lid 5, van richtlijn 2016/801, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, vereist dus niet dat een uitzonderlijke beroepsprocedure wordt ingevoerd die met spoed moet worden behandeld.

35 Er moet evenwel voor worden gezorgd dat de voorwaarden waaronder beroep wordt ingesteld tegen een besluit van de bevoegde instanties tot afwijzing van een verzoek om toelating tot het grondgebied van een lidstaat voor studiedoeleinden en waaronder in voorkomend geval de uitspraak op dat beroep ten uitvoer wordt gelegd, het in beginsel mogelijk maken om op korte termijn een nieuw besluit vast te stellen, zodat een voldoende zorgvuldige derdelander de volle werking kan genieten van de rechten die hij aan richtlijn 2016/801 ontleent (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, Perle, C‑14/23, EU:C:2024:647, punt 66).

36 Aangaande, ten tweede, de invoering van de mogelijkheid voor de aangezochte rechter om de bevoegde instanties te verplichten een nieuw besluit te nemen met het oog op de afgifte van de aangevraagde verblijfsvergunning en aangaande, ten derde, de eventuele mogelijkheid voor een dergelijke rechterlijke instantie om haar beoordeling in de plaats te stellen van die van die instanties of om een nieuwe beslissing te nemen, zij opgemerkt dat deze vragen van de verwijzende rechter betrekking hebben op de bevoegdheden die kunnen worden uitgeoefend door de rechterlijke instanties waarbij vorderingen aanhangig zijn om de afwijzing van verzoeken om toelating aan te vechten.

37 In dit verband zij eraan herinnerd dat wanneer er sprake is van een nationaal administratief besluit dat ter waarborging van de doeltreffende uitoefening van de rechten die de betrokkene aan het Unierecht ontleent – in casu de rechten die hij ontleent aan de naleving van de vereisten van artikel 5, lid 3, van richtlijn 2016/801 – noodzakelijkerwijs met de nodige spoed moet worden genomen, volgt uit het in artikel 47 van het Handvest neergelegde vereiste om de doeltreffendheid te verzekeren van het rechtsmiddel dat is ingesteld tegen het aanvankelijke administratief besluit tot afwijzing van zijn aanvraag, dat elke lidstaat zijn nationale recht aldus moet inrichten dat in geval van nietigverklaring van dat besluit binnen een korte termijn een nieuw besluit wordt vastgesteld dat in overeenstemming is met het oordeel in de rechterlijke beslissing waarbij de nietigverklaring is uitgesproken (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, Perle, C‑14/23, EU:C:2024:647, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38 In het licht van de overwegingen in de punten 29 tot en met 31 van het onderhavige arrest heeft het Hof dan ook geoordeeld dat, wat aanvragen om toelating tot het grondgebied van een lidstaat voor studiedoeleinden betreft, de omstandigheid dat de aangezochte rechter enkel bevoegd is om het besluit van de bevoegde instanties waarbij een dergelijke aanvraag wordt afgewezen nietig te verklaren, in beginsel volstaat om te voldoen aan de vereisten van artikel 34, lid 5, van die richtlijn, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, zonder dat is vereist dat deze rechter de mogelijkheid heeft om zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van deze instanties of om een nieuw besluit vast te stellen, mits die instanties in voorkomend geval gebonden zijn aan de beoordeling in de uitspraak waarbij dat besluit nietig wordt verklaard (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, Perle, C‑14/23, EU:C:2024:647, punt 65).

39 Naast hetgeen is overwogen in punt 34 van het onderhavige arrest geldt die beoordeling ook wanneer de rechterlijke instantie die uitspraak doet in het kader van een uitzonderlijk beroepsprocedure die met spoed wordt behandeld, niet bevoegd is om voorlopige maatregelen op te leggen, met name om de bevoegde instanties te verplichten een nieuw besluit te nemen met het oog op de afgifte van de aangevraagde verblijfsvergunning voor studiedoeleinden.

40 Zoals in punt 35 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, heeft het Hof evenwel bepaald dat wanneer de aangezochte rechter alleen over een bevoegdheid tot nietigverklaring beschikt, ervoor moet worden gezorgd dat de voorwaarden waaronder dat beroep wordt ingesteld en waaronder in voorkomend geval de uitspraak op dat beroep ten uitvoer wordt gelegd, het in beginsel mogelijk maken om op korte termijn een nieuw besluit vast te stellen, zodat een voldoende zorgvuldige onderdaan van een derde land de volle werking kan genieten van de rechten die hij aan richtlijn 2016/801 ontleent.

41 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat bepaalde onderdanen van derde landen pas kort voor het begin van het academiejaar dat zij in België wensen te volgen, een besluit ontvangen over hun aanvraag tot toelating tot het Belgische grondgebied voor studiedoeleinden. Derhalve moet worden vastgesteld dat de mogelijkheid voor de bevoegde instanties om na de nietigverklaring van dat oorspronkelijke besluit binnen een korte termijn een nieuw besluit te nemen, zodat de voldoende zorgvuldige onderdaan van een derde land de volle werking kan genieten van de rechten die hij aan richtlijn 2016/801 ontleent, ook afhangt van de voorwaarden met betrekking tot de vaststelling van dat oorspronkelijke besluit.

42 In dit verband moeten de bevoegde instanties van de betrokken lidstaat krachtens artikel 34, lid 1, van deze richtlijn zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 90 dagen na de indiening van de volledige aanvraag, een besluit nemen over de aanvraag tot toelating tot het grondgebied van die lidstaat. Indien de ter staving van de aanvraag verstrekte informatie of documentatie onvolledig is, delen de bevoegde instanties overeenkomstig artikel 34, lid 3, van die richtlijn de aanvrager bovendien binnen een redelijke termijn mee welke aanvullende gegevens vereist zijn en stellen zij voor de verstrekking hiervan een redelijke termijn vast, met als gevolg dat de in artikel 34, lid 1, bedoelde termijn wordt opgeschort totdat de bevoegde instanties de aanvullende informatie hebben ontvangen.

43 Zoals in de punten 24 en 25 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, is voor het genot van de aan artikel 5, lid 3, van die richtlijn ontleende rechten, in casu de toestemming om voor studiedoeleinden op het grondgebied van een lidstaat te verblijven, vereist dat de betrokken derdelander heeft voldaan aan de algemene voorwaarden van artikel 7 van richtlijn 2016/801 en aan de bijzondere voorwaarden voor studenten die in artikel 11 van deze richtlijn zijn vastgesteld voor aanvragen om toelating met het oog op studie. Deze laatste voorwaarden omvatten met name het feit dat deze derdelander is toegelaten tot een instelling voor hoger onderwijs om er een opleiding te volgen.

44 In dit verband maakt de omstandigheid dat de bevoegde instanties binnen de in artikel 34, lid 1, van richtlijn 2016/801 gestelde termijn een besluit nemen over aanvragen om toelating tot het grondgebied van een lidstaat voor studiedoeleinden, het in beginsel mogelijk om het nuttig effect te waarborgen van de rechten die derdelanders in die situatie aan de richtlijn ontlenen. Voorwaarde is wel dat het verloop van de procedure voor de behandeling van aanvragen om toelating tot het grondgebied van een lidstaat voor studiedoeleinden door de bevoegde instanties niet tot gevolg heeft dat derdelanders wier aanvraag wordt afgewezen, gelet op het tijdstip waarop de desbetreffende besluiten worden genomen en de termijnen die gelden voor een eventuele beroepsprocedure tegen deze besluiten en die niet kunnen worden ingekort, in de praktijk systematisch de mogelijkheid verliezen om in voorkomend geval ten volle van deze rechten gebruik te maken.

45 Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat artikel 34, lid 5, van richtlijn 2016/801, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het met betrekking tot de vordering waarmee een onderdaan van een derde land, om de rechten te doen gelden die hij ontleent aan artikel 5, lid 3, van deze richtlijn, wil opkomen tegen het besluit van de bevoegde instanties tot afwijzing van zijn aanvraag tot toelating tot het grondgebied van de betrokken lidstaat voor studiedoeleinden, niet vereist dat: – die derdelander toegang heeft tot een uitzonderlijke beroepsprocedure die met spoed moet worden behandeld wanneer, hoewel hij de nodige zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd, de inachtneming van de termijnen voor de gewone procedure voor toetsing van dat besluit het verloop van zijn studie zou kunnen belemmeren; – de aangezochte rechter in het kader van een dergelijke uitzonderlijke beroepsprocedure bevoegd is om in voorkomend geval voorlopige maatregelen te gelasten, met name om de bevoegde instanties te verplichten een nieuw besluit te nemen met het oog op de afgifte van de aangevraagde verblijfsvergunning voor studiedoeleinden, en – de rechter bij wie beroep tegen dat besluit is ingesteld, bevoegd is om zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van deze instanties of om een nieuw besluit te nemen.

46 De voorwaarden waaronder het beroep tegen een besluit van de bevoegde instanties tot afwijzing van een verzoek om toelating tot het grondgebied van een lidstaat voor studiedoeleinden wordt uitgeoefend en waaronder in voorkomend geval het na afloop daarvan gewezen vonnis wordt uitgevoerd, moeten evenwel van dien aard zijn dat binnen een korte termijn een nieuw besluit kan worden genomen dat in overeenstemming is met de beoordeling in het vonnis waarbij de nietigverklaring is uitgesproken, zodat de voldoende zorgvuldige onderdaan van een derde land de volle werking kan genieten van de rechten die hij aan die richtlijn ontleent.

Kosten

47 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 34, lid 5, van richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

moet aldus worden uitgelegd dat

het met betrekking tot de vordering waarmee een onderdaan van een derde land, om de rechten te doen gelden die hij ontleent aan artikel 5, lid 3, van deze richtlijn, wil opkomen tegen het besluit van de bevoegde instanties tot afwijzing van zijn aanvraag tot toelating tot het grondgebied van de betrokken lidstaat voor studiedoeleinden, niet vereist dat:

– die derdelander toegang heeft tot een uitzonderlijke beroepsprocedure die met spoed moet worden behandeld wanneer, hoewel hij de nodige zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd, de inachtneming van de termijnen voor de gewone procedure voor toetsing van dat besluit het verloop van zijn studie zou kunnen belemmeren; – de aangezochte rechter in het kader van een dergelijke uitzonderlijke beroepsprocedure bevoegd is om in voorkomend geval voorlopige maatregelen te gelasten, met name om de bevoegde instanties te verplichten een nieuw besluit te nemen met het oog op de afgifte van de aangevraagde verblijfsvergunning voor studiedoeleinden, en – de rechter bij wie beroep tegen dat besluit is ingesteld, bevoegd is om zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van deze instanties of om een nieuw besluit te nemen.

De voorwaarden waaronder het beroep tegen een besluit van de bevoegde instanties tot afwijzing van een verzoek om toelating tot het grondgebied van een lidstaat voor studiedoeleinden wordt uitgeoefend en waaronder in voorkomend geval het na afloop daarvan gewezen vonnis wordt uitgevoerd, moeten evenwel van dien aard zijn dat binnen een korte termijn een nieuw besluit kan worden genomen dat in overeenstemming is met de beoordeling in het vonnis waarbij de nietigverklaring is uitgesproken, zodat de voldoende zorgvuldige onderdaan van een derde land de volle werking kan genieten van de rechten die hij aan die richtlijn ontleent.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken