HvJ EU 5 juni 2025, C-749/23, ECLI:EU:C:2025:405

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

5 juni 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Artikelen 3, 5, 7 en punt 1, onder e), van de bijlage – Overeenkomst voor de levering van elektriciteit voor bepaalde duur – Beding tot oplegging van een contractuele boete in geval van niet-betaling – Evenredigheid van het bedrag van de boete – Duidelijke en begrijpelijke bedingen – Richtlijn (EU) 2019/944 – Niet-toepasselijkheid”

In zaak C‑749/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Okresní soud v Teplicích (rechter voor het district Teplice, Tsjechië) bij beslissing van 14 september 2023, ingekomen bij het Hof op 20 november 2023, in de procedure

innogy Energie s.r.o.

tegen

QS,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: N. Jääskinen (rapporteur), kamerpresident, A. Arabadjiev en R. Frendo, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– innogy Energie s.r.o., vertegenwoordigd door P. Dub, advokát,

– de Finse regering, vertegenwoordigd door H. Leppo als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Kienapfel en P. Ondrůšek als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van, ten eerste, de artikelen 3, 5 en 7 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29) en punt 1, onder e), van de bijlage bij deze richtlijn, en, ten tweede, artikel 12, lid 3, van richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van richtlijn 2012/27/EU (PB 2019, L 158, blz. 125).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen innogy Energie s.r.o., een elektriciteitsleverancier, en QS, een consument, over een vordering van deze leverancier tot betaling van een boete op grond van een beding in de met QS gesloten overeenkomst.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 93/13

3 Artikel 3 van richtlijn 93/13 bepaalt: „1. Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. 2. Een beding wordt steeds geacht niet het voorwerp van afzonderlijke onderhandeling te zijn geweest wanneer het, met name in het kader van een toetredingsovereenkomst, van tevoren is opgesteld en de consument dientengevolge geen invloed op de inhoud ervan heeft kunnen hebben. Het feit dat sommige onderdelen van een beding of een afzonderlijk beding het voorwerp zijn geweest van een afzonderlijke onderhandeling sluit de toepassing van dit artikel op de rest van een overeenkomst niet uit, indien de globale beoordeling leidt tot de conclusie dat het niettemin gaat om een toetredingsovereenkomst. Wanneer de verkoper stelt dat een standaardbeding het voorwerp is geweest van afzonderlijke onderhandeling, dient hij dit te bewijzen. 3. De bijlage bevat een indicatieve en niet-uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt.”

4 Artikel 4, lid 1, van deze richtlijn bepaalt: „Onverminderd artikel 7 worden voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft.”

5 Artikel 5 van deze richtlijn luidt: „In het geval van overeenkomsten waarvan alle of bepaalde aan de consument voorgestelde bedingen schriftelijk zijn opgesteld, moeten deze bedingen steeds duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. In geval van twijfel over de betekenis van een beding, prevaleert de voor de consument gunstigste interpretatie. […]”

6 Artikel 7, lid 1, van deze richtlijn bepaalt: „De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”

7 De bijlage bij richtlijn 93/13 heeft als opschrift „In artikel 3, lid 3, bedoelde bedingen”. Punt 1, onder e), van deze bijlage luidt als volgt: „Bedingen die tot doel of tot gevolg hebben: […] e) de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen”.

Richtlijn 2019/944

8 Artikel 12 van richtlijn 2019/944, met als opschrift „Het recht om over te stappen en regels inzake overstapgerelateerde vergoedingen”, bepaalt: „1. Het overstappen op een andere leverancier of marktdeelnemer die aan aggregatie doet geschiedt binnen een zo kort mogelijk tijdsbestek. De lidstaten zorgen ervoor dat een afnemer die wil overstappen op een andere leverancier of marktdeelnemer die aan aggregatie doet, wanneer hij zich houdt aan de contractuele voorwaarden, het recht heeft om binnen een termijn van ten hoogste drie weken vanaf de datum van het verzoek over te stappen. Uiterlijk in 2026 neemt het technische proces van het overstappen op een andere leverancier niet langer dan 24 uur in beslag en is overstappen op elke werkdag mogelijk. 2. De lidstaten zorgen ervoor dat ten minste huishoudelijke afnemers en kleine ondernemingen geen overstapgerelateerde vergoedingen hoeven te betalen. 3. In afwijking van lid 2 kunnen de lidstaten leveranciers of marktdeelnemers die aan aggregatie doen, toestaan opzegvergoedingen in rekening te brengen aan afnemers die vrijwillig een elektriciteitsleveringscontract met een vaste looptijd en een vaste prijs vóór het einde van de looptijd opzeggen, voor zover zulke vergoedingen deel uitmaken van een contract dat de afnemer vrijwillig is aangegaan en zulke vergoedingen duidelijk aan de afnemer worden meegedeeld voordat het contract wordt aangegaan. Dergelijke vergoedingen zijn evenredig en mogen bovendien niet meer bedragen dan het rechtstreekse economische verlies dat de leverancier of marktdeelnemer die aan aggregatie doet, lijdt als gevolg van de afnemer die zijn contract opzegt, met inbegrip van de kosten voor gebundelde investeringen of diensten die de afnemer reeds heeft ontvangen als onderdeel van het contract. De bewijslast voor het rechtstreekse economische verlies ligt bij de leverancier of marktdeelnemer die aan aggregatie doet en de toelaatbaarheid van opzegvergoedingen wordt gemonitord door de regulerende instantie of een andere bevoegde nationale instantie.”

9 Artikel 71 van richtlijn 2019/944, met als opschrift „Omzetting”, bepaalt in lid 1: „De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 2020 aan de artikelen […] 11 tot en met 24 […] te voldoen. […]”

Tsjechisch recht

Wet nr. 89/2012 betreffende het burgerlijk wetboek

10 § 1811 van zákon č. 89/2012 Sb., občanský zákoník (wet nr. 89/2012 betreffende het burgerlijk wetboek) bepaalt in lid 1: „De verkoper is verplicht om alle mededelingen aan de consument te verrichten op duidelijke en begrijpelijke wijze en in de taal waarin de overeenkomst is gesloten.”

11 § 2048, lid 1, van die wet luidt als volgt: „Als de partijen voor het geval van niet-nakoming van een contractuele verbintenis een contractuele boete van een bepaald bedrag of de wijze van vaststelling van het bedrag ervan zijn overeengekomen, kan de schuldeiser de contractuele boete vorderen ongeacht of hij schade heeft geleden door de niet-nakoming van de [door de contractuele boete] gewaarborgde verbintenis. Tevens kan worden overeengekomen dat een contractuele boete verschuldigd is voor een niet-geldelijke verbintenis.”

Energiewet nr. 458/2000

12 § 28 van zákon č. 458/2000 Sb., energetický zákon (energiewet nr. 458/2000), in de versie die vanaf 1 januari 2022 van toepassing is, bepaalt in lid 1, onder e), en lid 2, onder l), ervan: „1. De afnemer heeft het recht: […] e) kosteloos een elektriciteitsleverancier te kiezen en over te stappen naar een andere; […] 2. De afnemer is verplicht om: […] l) bij uitoefening van het keuzerecht krachtens lid 1, onder e), de overeengekomen opzegtermijn in acht te nemen wanneer de overeenkomst is gesloten voor onbepaalde duur.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

13 Op 24 januari 2020 hebben QS en innogy Energie een overeenkomst van bepaalde duur voor de levering van elektriciteit voor huishoudelijke doeleinden gesloten, die voor de gehele duur ervan een lagere elektriciteitsprijs garandeert dan die welke in het kader van overeenkomsten van onbepaalde duur voor de levering van elektriciteit wordt toegepast.

14 Deze toetredingsovereenkomst, een vooraf opgesteld elektronisch formulier bestaande uit twee bladzijden, voorzag in de betaling van maandelijkse voorschotten ten bedrage van 1200 Tsjechische kronen (CZK) (ongeveer 48 EUR) voor een verwacht verbruik van 1,8 MWh/jaar. Op de eerste bladzijde van de overeenkomst, in het deel „Sluiting en duur van de overeenkomst”, was aangegeven dat de overeenkomst was gesloten voor een bepaalde duur van 30 maanden, zijnde de „[b]asisperiode” en dat in die periode niet vervroegd kon worden opgezegd.

15 Bovendien bepaalde deze overeenkomst, in het deel met als opschrift „overige bedingen” op de eerste bladzijde, dat de afnemer zonder onnodige vertraging innogy Energie zijn medewerking diende te verlenen aan de uitvoering van de overeenkomst en, in het bijzonder, geen juridische of andere handelingen mocht verrichten die de uitvoering van een dergelijke verbintenis verhinderen, behalve die welke bij wet zijn toegestaan. Bij niet-nakoming van deze verbintenis bevatte deze overeenkomst een beding op grond waarvan de afnemer verplicht was om een boete van 3000 CZK (ongeveer 120 EUR) aan innogy Energie te betalen. Evenzo kon, met name in geval van herhaalde niet-nakoming van de verplichting tot betaling van de elektriciteitsprijs, van de afnemer een contractuele boete worden gevorderd die een eventuele vergoeding omvat voor schade die innogy Energie heeft geleden als gevolg van het niet-afnemen van de overeengekomen elektriciteit. Deze boete bedroeg 400 CZK (ongeveer 16 EUR) voor elke kalendermaand volgend op de datum van beëindiging van de overeenkomst of van onderbreking van de levering van elektriciteit tot aan het einde van de looptijd van de overeenkomst.

16 De tussen QS en innogy Energie gesloten overeenkomst is door de werknemers van deze vennootschap elektronisch ingevuld. QS heeft deze overeenkomst op een computerscherm kunnen bekijken alvorens het door middel van een tablet te ondertekenen. De ondertekende definitieve overeenkomst werd per e-mail toegezonden aan de afnemer, die in elk stadium van de onderhandeling om een papieren versie kon verzoeken.

17 Bij brief van 21 juli 2020 heeft innogy Energie QS verzocht de voorschotten ten bedrage van 1200 CZK (ongeveer 48 EUR) voor de maanden juni en juli 2020 te betalen. Omdat QS niet had voldaan aan de verplichting om de elektriciteitsprijs naar behoren te betalen, heeft deze onderneming op 11 september 2020 overeenkomstig de toepasselijke nationale wet de levering van elektriciteit aan QS gestaakt, en bij brief van 13 september 2020 heeft zij QS verzocht om uiterlijk op 23 september 2020 een bedrag van 8800 CZK (ongeveer 360 EUR) te betalen als contractuele boete, dat wil zeggen 400 CZK (ongeveer 16 EUR) voor elk van de resterende 22 maanden tot het aanvankelijk vastgestelde einde van de overeenkomst. QS heeft een gedeeltelijke betaling van2190,34 CZK (ongeveer 90 EUR) gedaan. Bij brief van 23 september 2020 heeft innogy Energie de met QS gesloten overeenkomst opgezegd op grond dat QS, ondanks herhaalde aanmaningen, de uit hoofde van die overeenkomst verschuldigde bedragen niet had betaald. Deze onderneming heeft tevens een eindafrekening opgesteld waaruit bleek dat voor de periode van 4 februari 2020 tot en met 11 september 2020 een bedrag van 316,36 CZK (ongeveer 12 EUR) te veel was betaald.

18 In die context heeft innogy Energie beroep ingesteld bij de Okresní soud v Teplicích (rechter voor het district Teplice, Tsjechië), de verwijzende rechter, teneinde QS op grond van het boetebeding te doen veroordelen tot betaling van het bedrag van 6609,66 CZK (ongeveer 270 EUR), dat wil zeggen het bedrag dat nog verschuldigd is uit hoofde van die boete.

19 De verwijzende rechter herinnert er om te beginnen aan dat de Ústavní soud (grondwettelijk hof, Tsjechië) met betrekking tot de nationale wetgeving inzake oneerlijke bedingen die vóór 1 januari 2014 van kracht was, heeft vastgesteld dat een beding tot vaststelling van een contractuele boete, om niet als oneerlijk te worden beschouwd, deel moet uitmaken van de tekst zelf van de met een consument gesloten overeenkomst, voldoende leesbaar, duidelijk en logisch gestructureerd moet zijn opdat de gemiddelde consument het kan begrijpen, in voldoende grote letters moet zijn opgesteld en niet in een deel van de overeenkomst mag staan dat bij die consument de indruk kan wekken dat het om een ondergeschikt beding gaat.

20 Vervolgens merkt hij op dat de wijze waarop innogy Energie de boetebedingen heeft opgenomen in de overeenkomst, de vraag doet rijzen of is voldaan aan de transparantievereisten van artikel 5 van richtlijn 93/13. Hij verwijst in het bijzonder naar de plaats van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde beding op de eerste bladzijde van de overeenkomst, in het deel met als opschrift „overige bedingen”, dat wil zeggen in het deel van de overeenkomst dat geen enkel beding bevat waarover afzonderlijk is onderhandeld, in tegenstelling tot de bedingen op de tweede bladzijde van die overeenkomst. De verwijzende rechter betwijfelt of dit beding in overeenstemming is met de Unierechtelijke regels inzake consumentenbescherming, aangezien het voorkomt op een bladzijde van een toetredingsovereenkomst die niet hoeft te worden ingevuld, waardoor het minder zichtbaar is voor de afnemer.

21 Deze rechter merkt op dat indien de overeenkomst wordt beëindigd omdat de afnemer zijn geldelijke verbintenissen niet is nagekomen, innogy Energie een contractuele boete van 400 CZK (ongeveer 16 EUR) per maand toepast voor alle maanden waarin de in de overeenkomst van bepaalde duur vastgestelde afname niet heeft plaatsgevonden, zonder dat deze vennootschap het bedrag van het werkelijk geleden rechtstreekse economische verlies moet aantonen. Wanneer de overeenkomst daarentegen door de consument wordt opgezegd omdat hij tijdens de looptijd van zijn verbintenis van leverancier verandert, heeft de leverancier op grond van de contractuele boete recht op vergoeding van het geleden economische verlies, dat de leverancier moet aantonen.

22 Ten slotte benadrukt de verwijzende rechter dat er in het hoofdgeding geen sprake is van een uitstaande schuld wat de prijs voor de levering van energie betreft, maar dat er integendeel sprake is van een aan innogy Energie te veel betaald bedrag, hoewel QS ten minste twee maandelijkse voorschotten van 1200 CZK (ongeveer 48 EUR) niet heeft betaald.

23 Daarop heeft de Okresní soud v Teplicích de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld: „1) Staan de strekking en het doel van [richtlijn 93/13] eraan in de weg dat artikel 3 van deze richtlijn, gelezen in samenhang met punt 1, onder e), van de bijlage […] bij die richtlijn [en] gelezen in samenhang met artikel 5 van deze richtlijn betreffende het duidelijk en begrijpelijk opstellen van de bedingen, alsook met het doeltreffendheidsbeginsel als bedoeld in artikel 7, aldus wordt uitgelegd dat de contractuele boete die in een toetredingsovereenkomst is opgenomen in het deel ‚overige bedingen’ op bladzijde 1/2 (eerste bladzijde van de overeenkomst), hoewel (in tegenstelling tot de gangbare praktijk op het gebied van consumentenovereenkomsten) die ‚eerste’ bladzijde geen identificatiegegevens van de partijen bevat, hier inhoudelijk niets is ingevuld en de contractuele boete is opgenomen in het deel ‚overige bedingen’, die niet overkomen als wezenlijke bepalingen, wordt beschouwd als een correct onderdeel van een schriftelijke overeenkomst tussen een consument en een [elektriciteitsleverancier], aangezien van de consument kan worden verlangd dat hij die bladzijde van de overeenkomst naar behoren leest daar de tweede bladzijde van de overeenkomst (2/2), die daadwerkelijk is ingevuld en ondertekend, voldoende informatie bevat om aan te geven dat het de tweede bladzijde van de overeenkomst is, juist omdat zij als 2/2 is aangeduid? 2) Staan de strekking en het doel van [richtlijn 93/13] eraan in de weg dat artikel 3 van deze richtlijn, gelezen in samenhang met punt 1, onder e), van de bijlage bij die richtlijn en/of met artikel 12, lid 3, van [richtlijn 2019/944], aldus wordt uitgelegd dat wanneer een [elektriciteitsleverancier] een overeenkomst van bepaalde duur voor de levering van energie tegen vaste prijs beëindigt wegens niet-nakoming van een verbintenis door de consument, de omvang van het daadwerkelijke rechtstreekse economische verlies dat de leverancier lijdt als gevolg van de vervroegde beëindiging van de overeenkomst met de consument niet van belang is?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Ontvankelijkheid van de tweede vraag

24 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3 van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met punt 1, onder e), van de bijlage bij deze richtlijn „en/of” met artikel 12, lid 3, van richtlijn 2019/944, aldus moet worden uitgelegd dat een leverancier, wanneer hij een overeenkomst van bepaalde duur voor de levering van energie tegen vaste prijs vervroegd beëindigt omdat de consument zijn contractuele verplichtingen niet is nagekomen en een contractuele boete toepast ter dekking van het rechtstreekse economische verlies dat deze leverancier als gevolg van die beëindiging heeft geleden, verplicht is om aan te tonen dat hij dit verlies daadwerkelijk heeft geleden.

25 Innogy Energie betwijfelt of de tweede prejudiciële vraag ontvankelijk is voor zover daarin wordt verwezen naar artikel 12, lid 3, van richtlijn 2019/944, aangezien deze bepaling ten tijde van de sluiting en de beëindiging van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst nog niet volledig in Tsjechisch recht was omgezet en zij dus irrelevant is voor de onderhavige zaak.

26 In herinnering moet worden gebracht dat een nieuwe rechtsregel van toepassing is vanaf de inwerkingtreding van de handeling waarbij hij is ingevoerd, en dat een dergelijke regel weliswaar niet van toepassing is op rechtssituaties die zijn ontstaan en definitief zijn verworven onder het oude recht, maar wel op de toekomstige gevolgen daarvan en op nieuwe rechtssituaties. Dit ligt slechts anders, onder voorbehoud van het beginsel dat rechtshandelingen geen terugwerkende kracht hebben, wanneer de nieuwe regel gepaard gaat met bijzondere bepalingen die de voorwaarden voor toepassing ratione temporis ervan vastleggen [arrest van 13 juli 2023, Banco Santander (Verwijzing naar een officiële index), C‑265/22, EU:C:2023:578, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

27 Wat meer in het bijzonder richtlijnen betreft, vallen dus in de regel slechts rechtssituaties die zijn verworven na het verstrijken van de omzettingstermijn ratione temporis binnen de werkingssfeer van de betreffende richtlijn [arrest van 13 juli 2023, Banco Santander (Verwijzing naar een officiële index), C‑265/22, EU:C:2023:578, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

28 Overeenkomstig artikel 71 van richtlijn 2019/944 dienden de lidstaten uiterlijk op 31 december 2020 de nodige bepalingen vast te stellen en bekend te maken om met name aan artikel 12 van deze richtlijn te voldoen. Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat de Tsjechische regeling tot omzetting van deze richtlijn, te weten de gewijzigde versie van energiewet nr. 458/2000, op 1 januari 2022 in werking is getreden. Uit dit dossier blijkt ook dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst voor de levering van elektriciteit op 24 januari 2020 is gesloten en door innogy Energie op 23 september 2020 is beëindigd, 10 dagen na haar verzoek om betaling van de contractuele boete, dat wil zeggen vóór het verstrijken van de termijn voor omzetting van artikel 12 van richtlijn 2019/944.

29 Hieruit volgt dat richtlijn 2019/944 noch op de datum van sluiting noch op die van beëindiging van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst van toepassing was.

30 Gelet op een en ander is de uitlegging van artikel 12, lid 3, van richtlijn 2019/944 niet relevant voor de beslechting van het hoofdgeding, zodat de tweede prejudiciële vraag niet-ontvankelijk is voor zover zij betrekking heeft op de uitlegging van deze bepaling.

Ten gronde

31 Met zijn twee prejudiciële vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, ten eerste, artikel 3, lid 1, en artikel 5 van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met punt 1, onder e), van de bijlage bij deze richtlijn en artikel 7 van deze richtlijn, aldus moeten worden uitgelegd dat een beding in een overeenkomst van bepaalde duur voor de levering van elektriciteit tegen vaste prijs, op grond waarvan de leverancier die deze overeenkomst vóór het einde van de looptijd ervan heeft opgezegd, in geval van niet-betaling door de consument, deze automatisch een forfaitaire boete kan opleggen, ongeacht het rechtstreekse economische verlies dat deze leverancier daadwerkelijk heeft geleden, een oneerlijk beding kan zijn, en, ten tweede, of dit beding, gelet op de structuur en de plaats ervan in die overeenkomst en de omstandigheden rond de sluiting ervan langs elektronische weg, voldoet aan de transparantievereisten van artikel 5 van richtlijn 93/13.

32 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat volgens artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 een beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk wordt beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.

33 Zoals artikel 3, lid 3, van richtlijn 93/13 aangeeft, bevat de bijlage bij deze richtlijn een indicatieve en niet-uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. Onder de in die bijlage opgesomde bedingen worden onder meer, zoals blijkt uit punt 1, onder e), ervan, bedingen vermeld die tot doel of tot gevolg hebben „de consument die zijn verbintenis niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen”.

34 Hoewel deze bijlage niet van dien aard is dat zij automatisch en uit zichzelf het oneerlijke karakter van een litigieus beding kan vastleggen, vormt zij evenwel een wezenlijk aspect waarop de bevoegde rechter zijn beoordeling van het oneerlijke karakter van dat beding kan baseren (arrest van 26 april 2012, Invitel,C‑472/10, EU:C:2012:242, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 Hieruit volgt dat het aan de nationale rechter staat om te beoordelen of een contractueel beding oneerlijk is in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13. Bij die beoordeling staat het aan die rechter om, in het licht van alle omstandigheden van het geval, na te gaan, in de eerste plaats, of het vereiste van goede trouw is nageleefd en, in de tweede plaats, of er sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht ten nadele van de consument in de zin van die bepaling (zie in die zin arrest van 3 oktober 2019, Kiss en CIB Bank, C‑621/17, EU:C:2019:820, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36 De verwijzende rechter zal dus moeten onderzoeken of het in het hoofdgeding aan de orde zijnde beding, ten eerste, voldoet aan het vereiste van goede trouw en, ten tweede, of er sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht ten nadele van de consument en, meer in het bijzonder, of de forfaitaire vergoeding waarin dat beding voorziet onevenredig hoog is in de zin van punt 1, onder e), van de bijlage bij richtlijn 93/13.

37 Met betrekking tot de vraag in welke omstandigheden een dergelijke verstoring van het evenwicht „in strijd met de goede trouw" wordt veroorzaakt, zij eraan herinnerd dat, gelet op de zestiende overweging van richtlijn 93/13, de nationale rechter daartoe dient na te gaan of de verkoper er, door op eerlijke en billijke wijze te onderhandelen met de consument, redelijkerwijs van kon uitgaan dat deze laatste een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover afzonderlijk was onderhandeld (arrest van 26 januari 2017, Banco Primus,C‑421/14, EU:C:2017:60, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat in het kader van dit onderzoek met name rekening moet worden gehouden met de toepasselijke regels van het nationale recht wanneer partijen op dit punt geen regeling hebben getroffen, zodat de nationale rechter aan de hand van een vergelijkend onderzoek kan beoordelen of, en in voorkomend geval in welke mate, de overeenkomst de consument in een juridisch minder gunstige positie brengt dan die welke het geldende nationale recht bepaalt (zie in die zin arrest van 26 januari 2017, Banco Primus,C‑421/14, EU:C:2017:60, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39 De verwijzende rechter zal ook moeten nagaan of het bedrag van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde contractuele boete geschikt is om de verwezenlijking van de ermee nagestreefde doelstellingen te waarborgen en niet verder gaat dan noodzakelijk is om die doelstellingen te bereiken (zie in die zin arrest van 14 maart 2013, Aziz,C‑415/11, EU:C:2013:164, punt 74).

40 Er zij aan herinnerd dat artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13 preciseert dat voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van deze overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking worden genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft.

41 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat contractuele bedingen die automatische sancties lijken vast te stellen die niet in verhouding staan tot de aard van de eventuele niet-nakoming door de consument, als oneerlijk moeten kunnen worden aangemerkt op grond van artikel 3, lid 3, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met punt 1, onder e), van de bijlage bij deze richtlijn (zie in die zin beschikking van 24 oktober 2019, Topaz,C‑211/17, EU:C:2019:906, punt 59).

42 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de contractuele boete van 400 CZK (ongeveer 16 EUR) aan QS is opgelegd wegens de niet-betaling van twee maandelijkse voorschotten ten bedrage van 1200 CZK (ongeveer 48 EUR), en dit voor elke maand na de stopzetting van de levering van elektriciteit en voor de gehele resterende looptijd van de overeenkomst, die aanvankelijk was vastgesteld op 30 maanden. Deze boete kan dus een automatische en „onevenredig hoge” sanctie vormen in de zin van punt 1, onder e), van de bijlage bij richtlijn 93/13 en de in punt 41 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof, hetgeen de verwijzende rechter dient vast te stellen.

43 Deze rechter zal bij dit onderzoek ook moeten nagaan of het bedrag van deze boete geschikt is om de verwezenlijking van de ermee nagestreefde doelstellingen te waarborgen en niet verder gaat dan noodzakelijk is om die doelstellingen te bereiken in de zin van de in punt 39 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak. In het bijzonder moet, ten eerste, worden opgemerkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde boete voortvloeit uit een contractueel beding dat is opgenomen in een overeenkomst van bepaalde duur voor de levering van elektriciteit voor huishoudelijke doeleinden, waarbij deze overeenkomst voor de gehele duur ervan een lagere elektriciteitsprijs garandeert dan die welke in het kader van overeenkomsten van onbepaalde duur voor de levering van elektriciteit wordt toegepast. Dit beding lijkt dus tot doel te hebben eventuele schade te herstellen die de leverancier lijdt als gevolg van het niet-afnemen van de met de afnemer overeengekomen energie, die vooraf door de leverancier voor de afnemer is gekocht op volatiele groothandelsmarkten, in het kader van overeenkomsten van bepaalde duur, voor de gehele duur van de overeenkomst. Ten tweede moet de verwijzende rechter rekening houden met het feit dat in de door de leverancier opgestelde eindafrekening melding wordt gemaakt van een te veel betaald bedrag, ook al heeft QS twee maandelijkse voorschotten niet betaald.

44 Wat in de tweede plaats het transparantievereiste van artikel 5 van richtlijn 93/13 betreft, dat bepaalt dat schriftelijke contractuele bedingen „steeds” duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld, zij eraan herinnerd dat dit vereiste een van de elementen is waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding. Niettemin volgt uit artikel 4, lid 2, van deze richtlijn dat een onduidelijk en onbegrijpelijk geformuleerd beding om die enkele reden nog niet oneerlijk hoeft te zijn [zie in die zin arrest van 13 juli 2023, Banco Santander (Verwijzing naar een officiële index), C‑265/22, EU:C:2023:578, punt 66].

45 Het feit dat bedingen formeel en grammaticaal begrijpelijk zijn, volstaat niet om aan dit vereiste te voldoen. Aangezien het door deze richtlijn uitgewerkte beschermingsstelsel berust op de gedachte dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke positie bevindt en met name over minder informatie dan laatstgenoemde beschikt, moet het in die richtlijn gestelde vereiste dat contractuele bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld en bijgevolg transparant zijn, immers ruim worden opgevat [arrest van 16 maart 2023, Caixabank (Openingskosten van een lening), C‑565/21, EU:C:2023:212, punt 30].

46 Derhalve moet het vereiste dat een contractueel beding duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd, aldus worden begrepen dat het ook gebiedt dat in de overeenkomst de concrete werking van het mechanisme waarop het betrokken beding betrekking heeft en, in voorkomend geval, de verhouding tussen dit mechanisme en het mechanisme dat is voorgeschreven door andere bedingen op een transparante wijze worden uiteengezet, zodat de consument op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de economische gevolgen die er voor hem uit voortvloeien, kan inschatten (arrest van 20 september 2017, Andriciuc e.a.,C‑186/16, EU:C:2017:703, punt 45).

47 Dit moet door de verwijzende rechter worden onderzocht op basis van alle relevante feitelijke gegevens, waaronder de reclame en de informatie die door de leverancier in het kader van de onderhandeling van de betrokken overeenkomst worden verstrekt (zie in die zin arrest van 20 september 2017, Andriciuc e.a.,C‑186/16, EU:C:2017:703, punt 46).

48 Meer in het bijzonder is het voor een consument van wezenlijk belang dat hij vóór de sluiting van de overeenkomst kennisneemt van de contractvoorwaarden en de gevolgen van sluiting van die overeenkomst, aangezien de consument juist op basis van deze informatie zal beslissen of hij wenst contractueel gebonden te zijn aan een verkoper door de voorwaarden te aanvaarden die deze vooraf heeft vastgelegd (arrest van 20 september 2017, Andriciuc e.a.,C‑186/16, EU:C:2017:703, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49 Om te bepalen of een contractueel beding duidelijk en begrijpelijk is, moet ook worden gelet op het aandachtsniveau dat ten aanzien van een dergelijk beding mag worden verwacht van een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument [arrest van 16 maart 2023, Caixabank (Openingskosten van een lening), C‑565/21, EU:C:2023:212, punt 44].

50 Voorts zij opgemerkt dat aan de hand van de plaats en de structuur van een contractueel beding als dat in het hoofdgeding kan worden vastgesteld of het een belangrijk element van de overeenkomst is, aangezien die elementen de consument in staat stellen om de economische gevolgen te beoordelen die voor hem uit dat beding voortvloeien [zie in die zin arrest van 16 maart 2023, Caixabank (Openingskosten van een lening), C‑565/21, EU:C:2023:212, punt 46].

51 In het licht van de in de punten 44 tot en met 50 hierboven vermelde overwegingen zal de verwijzende rechter moeten beoordelen of het beding dat voorziet in de contractuele boete, voldoet aan de transparantievereisten van artikel 5 van richtlijn 93/13.

52 Wat in casu, ten eerste, de omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst voor de levering van elektriciteit betreft, blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat deze overeenkomst een vooraf in elektronisch formaat opgesteld formulier is, waarbij QS in elk stadium van de onderhandeling om een papieren versie ervan heeft kunnen verzoeken. Het is echter belangrijk op te merken, zoals blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing, dat deze overeenkomst niet door de consument is ingevuld, maar door de werknemers van de medecontracterende vennootschap, die de formalisering ervan tijdens de gehele onderhandelingsfase hebben gecontroleerd. Daaruit blijkt ook dat QS de betrokken overeenkomst slechts via een computerscherm lijkt te hebben geraadpleegd alvorens deze door middel van een tablet te ondertekenen. In die omstandigheden moet, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten beoordelingen, worden opgemerkt dat het niet zeker is dat de consument voldoende kennis heeft kunnen nemen van de inhoud en de werking van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde beding in de zin van de in punt 48 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.

53 Ten tweede dient erop te worden gewezen dat het dossier waarover het Hof beschikt geen nadere gegevens bevat over de informatie die innogy Energie vóór de sluiting van de overeenkomst heeft verstrekt over de contractvoorwaarden en de gevolgen van die sluiting.

54 Wat ten derde de bijzondere plaats en de structuur betreft van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde beding, waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat dit beding staat op de eerste bladzijde van een toetredingsovereenkomst, die een vooraf opgesteld formulier van twee bladzijden is. Aangezien de overeenkomst met behulp van een computer elektronisch is gesloten en het navigeren door de tekst van die overeenkomst gebeurde door de werknemers van de vennootschap innogy Energie, lijkt het erop dat QS slechts over een beperkte mogelijkheid beschikte om toegang te krijgen tot het volledige document. Aldus blijkt dat dit beding, hoewel het op de eerste bladzijde stond, mogelijkerwijs onopgemerkt bleef of minder de aandacht van QS trok dan de informatie waaronder hij zijn handtekening had geplaatst. De tweede bladzijde van deze overeenkomst, de enige die door die werknemers is ingevuld en door QS is ondertekend, vermeldt immers enkel alle individuele bedingen. Tevens moet worden opgemerkt dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde beding is opgenomen in het deel van die overeenkomst met als opschrift „overige bedingen”, hetgeen zou kunnen suggereren dat het om een minder belangrijke bepaling gaat.

55 In die omstandigheden staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst voldoende leesbaar en duidelijk is, alsmede logisch is opgesteld om de normaal geïnformeerde, redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument in staat te stellen kennis te nemen van de contractuele bedingen en, in het bijzonder, of de opneming van het boetebeding in een specifiek onderdeel van die overeenkomst de consument doet geloven dat het om een ondergeschikt beding gaat.

56 Gelet op een en ander moet aan de verwijzende rechter worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, en artikel 5 van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met punt 1, onder e), van de bijlage bij deze richtlijn en artikel 7 van deze richtlijn, aldus moeten worden uitgelegd dat een beding in een overeenkomst van bepaalde duur voor de levering van elektriciteit tegen vaste prijs, op grond waarvan de leverancier die deze overeenkomst vóór het einde van de looptijd ervan heeft opgezegd, in geval van niet-betaling door de consument, deze automatisch een forfaitaire boete kan opleggen, ongeacht het rechtstreekse economische verlies dat deze leverancier daadwerkelijk heeft geleden, een oneerlijk beding kan zijn. Dit beding voldoet aan de transparantievereisten van artikel 5 van richtlijn 93/13 indien de structuur en de plaats van dat beding in de overeenkomst en de omstandigheden rond de elektronische sluiting van de overeenkomst, met inbegrip van de informatie die de verkoper aan de consument heeft verstrekt, een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument in staat stellen kennis te nemen van de inhoud en de werking van het beding waarbij hem een forfaitaire boete wordt opgelegd, en de economische gevolgen te beoordelen die voor hem uit dat beding voortvloeien.

Kosten

57 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 3, lid 1, en artikel 5 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, gelezen in samenhang met punt 1, onder e), van de bijlage bij deze richtlijn en artikel 7 van deze richtlijn,

moeten aldus worden uitgelegd dat

een beding in een overeenkomst van bepaalde duur voor de levering van elektriciteit tegen vaste prijs, op grond waarvan de leverancier die deze overeenkomst vóór het einde van de looptijd ervan heeft opgezegd, in geval van niet-betaling door de consument, deze automatisch een forfaitaire boete kan opleggen, ongeacht het rechtstreekse economische verlies dat deze leverancier daadwerkelijk heeft geleden, een oneerlijk beding kan zijn. Dit beding voldoet aan de transparantievereisten van artikel 5 van richtlijn 93/13 indien de structuur en de plaats van dat beding in de overeenkomst en de omstandigheden rond de elektronische sluiting van de overeenkomst, met inbegrip van de informatie die de verkoper aan de consument heeft verstrekt, een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument in staat stellen kennis te nemen van de inhoud en de werking van het beding waarbij hem een forfaitaire boete wordt opgelegd, en de economische gevolgen te beoordelen die voor hem uit dat beding voortvloeien.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Tsjechisch.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken