HvJ EU 5 juni 2025, C-762/23, ECLI:EU:C:2025:400

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)

5 juni 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Betaling van een vergoeding bij pensionering aan rechters en openbaar aanklagers – Schorsing en afschaffing van deze betaling om redenen die verband houden met de verplichting om het buitensporige begrotingstekort weg te werken – Artikel 2 VEU – Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU – Beginsel van onafhankelijkheid van de rechters – Bevoegdheid van de wetgevende en uitvoerende macht van de lidstaten om de bezoldiging van rechters te verlagen – Voorwaarden”

In zaak C‑762/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Curte de Apel București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) bij beslissing van 27 november 2023, ingekomen bij het Hof op 12 december 2023, in de procedure

RL,

QN,

MR,

JT,

VS,

AX

tegen

Curte de Apel București

in tegenwoordigheid van:

Consiliul Național pentru Combaterea Discriminării

wijst

HET HOF (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: M. Gavalec (rapporteur), kamerpresident, Z. Csehi en F. Schalin, rechters,

advocaat-generaal: D. Spielmann,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– de Roemeense regering, vertegenwoordigd door E. Gane en L. Ghiță als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door Ș. Ciubotaru, K. Herrmann en F. Ronkes Agerbeek als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 2 VEU.

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen RL, QN, MR, JT, VS en AX, voormalige magistraten, en de Curte de Apel București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) over de niet-betaling van een vergoeding bij pensionering aan die magistraten.

Toepasselijke bepalingen

Wet nr. 24/2000

3 Artikel 66 van Lege nr. 24/2000 privind normele de tehnică legislativă pentru elaborarea actelor normative (wet nr. 24/2000 houdende regels voor de wetgevingstechniek voor normatieve handelingen), van 27 maart 2000 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 260 van 21 april 2010), bepaalt: „1. In bijzondere gevallen kan de toepassing van een normatieve handeling worden geschorst door een andere normatieve handeling van dezelfde of een hogere rang. In die situatie wordt uitdrukkelijk bepaald op welke datum de schorsing ingaat en wat de duur ervan is. […] 3. Bij normatieve handeling of uitdrukkelijke bepaling kan de schorsing van de geschorste normatieve handeling of bepaling bij verstrijken van de termijn van de schorsing worden verlengd of kan deze handeling worden gewijzigd of ingetrokken. […]”

Wet betreffende het voormalige statuut van magistraten

4 Artikel 74 van Lege nr. 303/2004 privind statutul judecătorilor și procurorilor (wet nr. 303/2004 houdende het statuut van rechters en openbaar aanklagers) van 28 juni 2004 (opnieuw gepubliceerd in Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 826 van 13 september 2005; hierna: „wet betreffende het voormalige statuut van magistraten”), luidde als volgt: „1. Rechters en openbaar aanklagers hebben recht op een bezoldiging voor hun werk, die wordt vastgesteld overeenkomstig het niveau van het gerecht of het parket, de beklede functie, de anciënniteit binnen de rechterlijke macht en andere bij wet vastgestelde criteria. 2. Het recht op bezoldiging van rechters en openbaar aanklagers kan alleen worden gekort of geschorst in de gevallen waarin deze wet voorziet. De bezoldiging van rechters en openbaar aanklagers wordt bij bijzondere wet vastgesteld. […]”

5 Artikel 81 van de wet betreffende het voormalige statuut van magistraten bepaalt: „1. Rechters en openbaar aanklagers met 20 aaneengesloten dienstjaren in de magistratuur ontvangen bij pensionering of ontheffing uit hun functie om andere hun niet te verwijten redenen een vergoeding gelijk aan zeven brutomaandbezoldigingen die overeenkomstig de wet wordt belast. 2. De in lid 1 bedoelde vergoeding wordt slechts eenmaal tijdens de loopbaan van een rechter of openbaar aanklager toegekend en wordt overeenkomstig de wet geregistreerd. […]”

Wet nr. 285/2010

6 Volgens de toelichting bij Lege nr. 285/2010 privind salarizarea în anul 2011 a personalului plătit din fonduri publice (wet nr. 285/2010 betreffende de bezoldiging van met overheidsmiddelen betaald personeel in 2011) van 28 december 2010 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 878 van 28 december 2010; hierna: „wet nr. 285/2010”), „[z]ijn in 2010, ondanks lichte verbeteringen van de economische situatie, de financiële omstandigheden moeilijker gebleken dan aanvankelijk was verwacht, aangezien de economische activiteit in Roemenië in de laatste maanden nog steeds werd gekenmerkt door een recessie”.

7 Artikel 13, lid 1, van deze wet bepaalt: „De wettelijke bepalingen inzake de toekenning van toelagen of, in voorkomend geval, vergoedingen bij pensionering, ontheffing uit het ambt, beëindiging van het dienstverband of overplaatsing naar de reserve zijn voor het jaar 2011 niet van toepassing.”

8 De schorsing van de betaling van deze vergoedingen werd jaarlijks verlengd tot en met 2023, laatstelijk bij Ordonanța de urgență a Guvernului nr. 168/2022 privind unele măsuri fiscal-bugetare, prolongarea unor termene, precum și pentru modificarea și completarea unor normative (noodverordening nr. 168/2022 van de regering betreffende een aantal fiscale begrotingsmaatregelen, tot verlenging van een aantal termijnen en tot wijziging en aanvulling van een aantal normatieve handelingen) van 8 december 2022 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 1186 van 9 december 2022).

Wet betreffende het nieuwe statuut van magistraten

9 Lege nr. 303/2022, privind statutul judecătorilor și procurorilor (wet nr. 303/2022, betreffende het statuut van rechters en openbaar aanklagers), van 15 november 2022 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 1102 van 16 november 2022; hierna: „wet betreffende het nieuwe statuut van magistraten”), is in werking getreden op 16 december 2022 en hierbij werd de wet betreffende het voormalige statuut van magistraten ingetrokken.

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

10 Verzoekende partijen in het hoofdgeding zijn voormalige magistraten en hebben bij hun pensionering de in artikel 81, lid 1, van de wet betreffende het voormalige statuut van magistraten vastgestelde vergoeding die gelijkstaat aan zeven brutomaandbezoldigingen (hierna: „vertrekvergoeding”), niet ontvangen. Artikel 13, lid 1, van wet nr. 285/2010 en de bepalingen waarbij de schorsing van de betaling van de vertrekvergoeding tot en met 2023 ononderbroken werd verlengd, hadden inderdaad tot gevolg dat de betaling van deze vergoeding gedurende dertien opeenvolgende jaren werd geschorst tot aan de intrekking van dat artikel op 16 december 2022 door de wet betreffende het nieuwe statuut van magistraten.

11 Verzoekende partijen in het hoofdgeding hebben een vordering ingesteld bij de Tribunal București (rechter in eerste aanleg, Roemenië). Deze vordering strekte er onder meer toe de schorsing van de betaling van de vertrekvergoeding te betwisten en betaling te verkrijgen van een schadevergoeding die gelijk is aan het bedrag van die vergoeding die zij niet hadden ontvangen.

12 Bij vonnis van 9 mei 2023 heeft deze rechter deze vordering als voorbarig verworpen, in wezen op grond dat de vertrekvergoeding, gelet op de herhaalde schorsing van artikel 81, lid 1, van de wet betreffende het voormalige statuut van magistraten, door opeenvolgende normatieve handelingen die in overeenstemming met de Roemeense grondwet werden geacht, geen deel is gaan uitmaken van het vermogen van verzoekende partijen in het hoofdgeding, maar het recht op die vergoeding afhing van een nieuwe regeling van de wetgever.

13 Verzoekende partijen in het hoofdgeding hebben beroep ingesteld tegen dit vonnis bij de Curte de Apel București), de verwijzende rechter. Zij betogen onder meer dat de weigering om hen de vertrekvergoeding toe te kennen, gelet op het uit artikel 19 VEU voortvloeiende beginsel van onafhankelijkheid van de rechters, een inbreuk is op het eigendomsrecht. Zij stellen tevens dat de schorsing van de betaling van deze vergoeding, die gerechtvaardigd was door de grote economische crisis in Roemenië in 2010, slechts een tijdelijk karakter mocht hebben. De afschaffing van artikel 81, lid 1, van de wet betreffende het voormalige statuut van magistraten is derhalve onevenredig.

14 Om te beginnen herinnert de verwijzende rechter eraan dat de vertrekvergoeding, die ertoe strekte rechters te bedanken als zij hun ambt gedurende minstens twintig jaar ononderbroken en op fatsoenlijke wijze hadden uitgeoefend, als een salariale vergoeding of een bezoldiging werd beschouwd, aangezien zij rechtstreeks voortvloeit uit een werkrelatie.

15 Deze rechter merkt op dat er werd besloten om de betaling van deze vergoeding te schorsen voor de jaren 2010 tot en met 2022 vanwege de verplichting om het buitensporige begrotingstekort van de Roemeense Staat weg te werken. Hij verduidelijkt in dit verband dat er in de toelichting bij verschillende noodverordeningen van de regering waarbij de betaling van de vertrekvergoeding werd geschorst, wordt gewezen op het risico dat zonder dergelijke bezoldigingsverlagingsmaatregelen het Roemeense begrotingstekort de drempel van 3 % van het bruto binnenlands product (bbp) van artikel 126, lid 2, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 1 van het aan het VEU en het VWEU gehechte Protocol (nr. 12) betreffende de procedure bij buitensporige tekorten, zou overschrijden, hetgeen tot gevolg kan hebben dat de Commissie een buitensporigtekortprocedure tegen die lidstaat inleidt.

16 De Curte Constituțională (grondwettelijk hof, Roemenië) heeft weliswaar geoordeeld dat het recht op een vertrekvergoeding niet onder de categorie van grondrechten viel, zodat het de Roemeense wetgever vrijstond de betaling ervan af te schaffen, maar de verwijzende rechter vraagt zich af of de langdurige schorsing van die betaling, gevolgd door de afschaffing van die vergoeding, geen afbreuk doet aan het beginsel van onafhankelijkheid van de rechters dat voortvloeit uit artikel 19 VEU. De financiële stabiliteit van rechters, ook gepensioneerde rechters, is immers een van de waarborgen voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Bovendien wordt in verschillende internationale instrumenten op dit aspect gewezen, met name in punt 54 van aanbeveling CM/Rec(2010)12 van 17 november 2010 van het Comité van ministers van de Raad van Europa („Rechters: onafhankelijkheid, efficiëntie en verantwoordelijkheden”; hierna: „aanbeveling van 2010 van het Comité van ministers”) en punt 6.4 van het Europees Handvest inzake het statuut voor rechters, aangenomen in Straatsburg door de Raad van Europa op 10 juli 1998.

17 Tegen deze achtergrond heeft de Curte de Apel București de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 2 VEU, aldus worden uitgelegd dat het beginsel van onafhankelijkheid van de rechters zich verzet tegen het intrekken van het recht van Roemeense rechters met twintig aaneengesloten dienstjaren in de magistratuur om bij pensionering of andere niet-verwijtbare ontheffing uit hun functie een bedrag te ontvangen dat gelijkstaat aan zeven brutomaandsalarissen, een bezoldigingsrecht waarvan de uitoefening voorafgaand aan de beëindiging doorlopend en langdurig was geschorst, hoofdzakelijk wegens verplichtingen die verband houden met het terugdringen van een buitensporig begrotingstekort, waarbij de wetgever uitdrukkelijk heeft verwezen naar de drempel in het VWEU van 3 % van het [bnp]?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

18 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 2 VEU, aldus moet worden uitgelegd dat het beginsel van onafhankelijkheid van de rechters zich ertegen verzet dat de wetgeving van deze lidstaat op grond waarvan rechters met twintig aaneengesloten dienstjaren in de magistratuur bij pensionering of een andere ontheffing uit hun functie om een hun niet te verwijten reden een vergoeding bij pensionering ontvangen, nadat deze wetgeving eerst doorlopend en langdurig was geschorst, wordt ingetrokken wegens redenen die hoofdzakelijk verband houden met de verplichting om het buitensporig begrotingstekort van die lidstaat weg te werken.

19 Volgens vaste rechtspraak behoort de rechterlijke organisatie in de lidstaten weliswaar tot hun eigen bevoegdheid, maar neemt dit niet weg dat de lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid de verplichtingen moeten nakomen die voor hen voortvloeien uit het Unierecht, met name wanneer zij de methode voor de vaststelling van de bezoldiging van rechters vastleggen (zie in die zin arresten van 18 mei 2021, Asociaţia Forumul Judecătorilor din România e.a.,C‑83/19, C‑127/19, C‑195/19, C‑291/19, C‑355/19 en C‑397/19, EU:C:2021:393, punt 111, en 25 februari 2025, Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė, C‑146/23 en C‑374/23, EU:C:2025:109, punt 33).

20 Volgens artikel 19 VEU, dat het in artikel 2 VEU verankerde rechtsstaatbeginsel concretiseert, staat het aan de nationale rechterlijke instanties en het Hof om te waarborgen dat het Unierecht in alle lidstaten ten volle wordt toegepast en dat de justitiabelen de rechtsbescherming genieten die zij aan dat recht ontlenen. Daartoe is de instandhouding van de onafhankelijkheid van deze instanties cruciaal. Dit vereiste, dat onlosmakelijk verbonden is met de taak van de rechter, behoort namelijk tot de kern van het grondrecht op daadwerkelijke rechtsbescherming en een eerlijk proces, dat van het grootste belang is als waarborg voor de bescherming van alle door de justitiabelen aan het Unierecht ontleende rechten en voor het behoud van de in artikel 2 VEU vermelde waarden die de lidstaten gemeen hebben, met name het rechtstaatsbeginsel (arrest van 25 februari 2025, Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė, C‑146/23 en C‑374/23, EU:C:2025:109, punten 47 en 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

21 Het begrip „onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties” veronderstelt met name dat de betrokken instantie haar rechtsprekende taken volledig autonoom uitoefent, zonder enig hiërarchisch verband en zonder aan wie dan ook ondergeschikt te zijn of van wie dan ook bevelen of instructies te ontvangen, opdat zij aldus beschermd is tegen inmenging of druk van buitenaf die de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van haar leden in aan hen voorgelegde geschillen in gevaar zou kunnen brengen. Net zoals de onafzetbaarheid van de leden van de betrokken instantie, is het feit dat deze leden een bezoldiging ontvangen die qua omvang evenredig is aan het belang van de functie die zij uitoefenen, een aan de onafhankelijkheid van de rechters inherente waarborg (arrest van 25 februari 2025, Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė, C‑146/23 en C‑374/23, EU:C:2025:109, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

22 Hoewel overeenkomstig het voor de werking van een rechtsstaat kenmerkende beginsel van de scheiding der machten, moet worden gewaarborgd dat de rechterlijke macht onafhankelijk is ten opzichte van de wetgevende en de uitvoerende macht van een lidstaat, leidt het enkele feit dat de wetgevende en de uitvoerende macht van een lidstaat betrokken zijn bij de vaststelling van de bezoldiging van rechters er als zodanig niet toe dat rechters afhankelijk worden van die machten en doet dat evenmin twijfels rijzen over hun onafhankelijkheid of onpartijdigheid. De lidstaten beschikken namelijk over een ruime beoordelingsmarge bij het opstellen van hun begroting en wanneer zij beslissen over de verschillende uitgavenposten van de overheid. Deze ruime beoordelingsmarge omvat de vaststelling van de methode voor de berekening van deze uitgaven en met name van de bezoldiging van rechters, aangezien de nationale wetgevende en de nationale uitvoerende macht immers het best geplaatst zijn om rekening te houden met de specifieke socio-economische context van de lidstaat waarin deze begroting moet worden opgesteld en de onafhankelijkheid van de rechters moet worden verzekerd (arrest van 25 februari 2025, Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė, C‑146/23 en C‑374/23, EU:C:2025:109, punten 50 en 51).

23 Dit neemt niet weg dat de nationale regels betreffende de bezoldiging van rechters bij de justitiabelen geen gerechtvaardigde twijfels mogen doen ontstaan over de vraag of de betrokken rechters zich niet laten beïnvloeden door externe factoren en onpartijdig zijn ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen. Daartoe kunnen handvesten, verslagen en andere documenten die zijn opgesteld door de organen van de Raad van Europa of die tot het systeem van de Verenigde Naties behoren, relevante aanwijzingen vormen voor de uitlegging van het Unierecht wanneer er nationale bepalingen ter zake zijn vastgesteld (arrest van 25 februari 2025, Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė, C‑146/23 en C‑374/23, EU:C:2025:109, punten 52 en 53).

24 Zoals het Hof heeft geoordeeld in het arrest van 25 februari 2025, Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė (C‑146/23 en C‑374/23, EU:C:2025:109, punt 65), kunnen de wetgevende en de uitvoerende macht van een lidstaat afwijken van de nationale regeling die op objectieve wijze de methode voor de vaststelling van de bezoldiging van rechters vastlegt, door te besluiten om het bedrag van die bezoldiging te verlagen, mits aan een aantal vereisten is voldaan.

25 Ten eerste moet, overeenkomstig het rechtzekerheidsbeginsel, een maatregel tot verlaging van de bezoldiging of het pensioen van rechters bij wet zijn vastgesteld en objectief, voorzienbaar en transparant zijn. In deze wet kan worden voorzien in de tussenkomst van de sociale partners, in het bijzonder van organisaties die de betrokken rechters vertegenwoordigen. In dit verband draagt de transparantie van de wetgevingsprocedure bij tot het waarborgen van de onafhankelijkheid van de rechters (arrest van 25 februari 2025, Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė, C‑146/23 en C‑374/23, EU:C:2025:109, punten 54 en 66).

26 Ten tweede moet een maatregel tot verlaging van de bezoldiging of het pensioen van rechters worden gerechtvaardigd door een doelstelling van algemeen belang, zoals een noodzaak om een buitensporig overheidstekort weg te werken in de zin van artikel 126, lid 1, VWEU, met dien verstande dat de mogelijkheid voor een lidstaat om zich op een dergelijk vereiste te beroepen echter niet veronderstelt dat tegen hem een procedure is ingeleid op grond van het aan het VEU en het VWEU gehechte Protocol (nr. 12) betreffende de procedure bij buitensporige tekorten (arrest van 25 februari 2025, Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė, C‑146/23 en C‑374/23, EU:C:2025:109, punten 67 en 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27 De budgettaire redenen voor de vaststelling van een maatregel die afwijkt van de regels van gemeen recht inzake de bezoldiging van rechters moeten duidelijk worden toegelicht. Bovendien mogen deze maatregelen, behoudens naar behoren gerechtvaardigde buitengewone omstandigheden, niet specifiek gericht zijn op de leden van de nationale rechterlijke instanties en moeten zij deel uitmaken van een algemener kader dat bedoeld is om de gezamenlijke leden van de nationale openbare dienst te doen bijdragen in de nagestreefde begrotingsinspanning (zie in die zin arresten van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses,C‑64/16, EU:C:2018:117, punt 49, en 25 februari 2025, Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė, C‑146/23 en C‑374/23, EU:C:2025:109, punt 69).

28 In punt 54 van de aanbeveling van 2010 van het Comité van ministers is bepaald dat „[s]pecifieke wettelijke bepalingen moeten worden ingevoerd om bescherming te kunnen bieden tegen een specifiek op de rechters gerichte bezoldigingsverlaging”. Zoals in punt 57 van de toelichting bij deze aanbeveling wordt gepreciseerd, is daarentegen „overheidsbeleid waarbij wordt gestreefd naar een algemene verlaging van de bezoldiging van overheidspersoneel niet in strijd met het vereiste dat een specifiek op rechters gerichte bezoldigingsverlaging wordt vermeden”.

29 Wanneer een lidstaat begrotingsbeperkende maatregelen vaststelt die zijn ambtenaren en overheidspersoneel treffen, kan hij derhalve in een samenleving die wordt gekenmerkt door solidariteit, zoals in artikel 2 VEU wordt benadrukt, besluiten om die maatregelen ook op de nationale rechters toe te passen (arrest van 25 februari 2025, Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė, C‑146/23 en C‑374/23, EU:C:2025:109, punt 71).

30 Ten derde moet een maatregel tot verlaging van de bezoldiging van rechters overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel – een algemeen beginsel van het Unierecht [arrest van 8 maart 2022, Bezirkshauptmannschaft Hartberg-Fürstenfeld (Rechtstreekse werking), C‑205/20, EU:C:2022:168, punt 31] –, geschikt zijn om de verwezenlijking van de nagestreefde doelstelling van algemeen belang te waarborgen, beperkt blijven tot wat noodzakelijk is om die doelstelling te bereiken en niet onevenredig daaraan zijn, hetgeen inhoudt dat het belang van die doelstelling moet worden afgewogen tegen de ernst van de inmenging in het beginsel van onafhankelijkheid van de rechters.

31 In dat opzicht moet een dergelijke maatregel, die geschikt lijkt om de in punt 26 van het onderhavige arrest genoemde doelstelling van algemeen belang te verwezenlijken, uitzonderlijk en tijdelijk blijven in die zin dat hij niet langer mag worden toegepast dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de nagestreefde legitieme doelstelling, zoals het wegwerken van een buitensporig overheidstekort. Voorts mag de invloed van die maatregel op de bezoldiging van rechters niet onevenredig zijn aan de nagestreefde doelstelling (arrest van 25 februari 2025, Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė, C‑146/23 en C‑374/23, EU:C:2025:109, punten 73 en 74).

32 Gelet op de ruime beoordelingsmarge waarover de lidstaten beschikken bij het opstellen van hun begroting en wanneer zij beslissen over de verschillende uitgavenposten van de overheid, zoals bedoeld in punt 22 van het onderhavige arrest, staat het een lidstaat niettemin vrij om een wetgevende maatregel vast te stellen die niet ertoe strekt om van de basisregeling voor de bezoldiging van rechters af te wijken teneinde te reageren op een begrotingscrisis, maar deze regeling voor de toekomst te wijzigen door hun bezoldiging te verlagen om zijn begrotingssituatie op lange termijn te verbeteren.

33 Het beginsel van onafhankelijkheid van de rechters, dat voortvloeit uit artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 2 VEU, kan niet aan een dergelijke wijziging in de weg staan, zelfs al is die wijziging niet beperkt in de tijd, voor zover het nieuw vastgestelde bezoldigingsniveau van rechters blijft volstaan om hun onafhankelijkheid te waarborgen.

34 Het behoud van de onafhankelijkheid van de rechters vereist namelijk dat, ondanks het feit dat een budgettaire beperking op hen van toepassing is, de hoogte van hun bezoldiging steeds evenredig is aan het belang van de door hen uitgeoefende taken, zodat zij overeenkomstig de in punt 21 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak beschermd blijven tegen inmenging of druk van buitenaf die de onafhankelijkheid van hun oordeelsvorming in gevaar zou kunnen brengen en hun beslissingen zou kunnen beïnvloeden.

35 In dit verband blijkt uit de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 7 februari 2019, Escribano Vindel (C‑49/18, EU:C:2019:106, punten 70, 71 en 73), dat de bezoldiging van rechters, gelet op de socio-economische context van de betrokken lidstaat, voldoende hoog moet zijn om hun een zekere economische onafhankelijkheid te verlenen om hen te beschermen tegen het risico dat mogelijke inmenging of druk van buitenaf de neutraliteit van hun beslissingen zou kunnen ondermijnen. De hoogte van deze bezoldiging moet de rechters dus beschermen tegen het risico van corruptie.

36 Bij de beoordeling van de geschiktheid van de bezoldiging van rechters moet onder meer rekening worden gehouden met de economische, sociale en financiële situatie van de betrokken lidstaat. Vanuit dit oogpunt is het passend om de gemiddelde bezoldiging van rechters te vergelijken met het gemiddelde loon in die staat (arrest van 25 februari 2025, Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė, C‑146/23 en C‑374/23, EU:C:2025:109, punt 62).

37 De in de twee voorgaande punten uiteengezette overwegingen gelden mutatis mutandis voor gepensioneerde rechters. Het feit dat rechters in actieve dienst de garantie hebben dat zij na hun pensionering een voldoende hoog pensioen zullen ontvangen, kan hen immers beschermen tegen het risico van corruptie tijdens hun ambtstermijn.

38 In dit verband moet worden vermeld dat in punt 54 van de aanbeveling van 2010 van het Comité van ministers staat te lezen dat „er waarborgen bestaan […] voor een pensioenuitkering, die in een redelijke verhouding dienen te staan tot de hoogte van de bezoldiging voor hun werkzaamheden”. Evenzo blijkt uit punt 6.4 van het in punt 16 van het onderhavige arrest vermelde Europees Handvest inzake het statuut voor rechters dat dit statuut moet waarborgen dat „rechters die de wettelijke leeftijd hebben bereikt om hun functie te beëindigen, na die functie voor een bepaalde duur te hebben uitgeoefend een pensioen ontvangen waarvan het niveau zo dicht mogelijk moet liggen bij dat van hun laatste bezoldiging voor hun ambt”.

39 Ten vierde moet een maatregel tot verlaging van de bezoldiging aan een doeltreffende rechterlijke toetsing kunnen worden onderworpen overeenkomstig de procedurele regelingen van het recht van de betrokken lidstaat.

40 Hoewel het in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU niet aan het Hof staat om de regels van het Unierecht op een concreet geval toe te passen, is het Hof, dat de verwijzende rechters een nuttig antwoord dient te verschaffen, bevoegd om deze rechters op basis van de stukken van de hoofdgedingen en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen aanwijzingen te geven die hen in staat kunnen stellen uitspraak te doen (arrest van 25 februari 2025, Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė, C‑146/23 en C‑374/23, EU:C:2025:109, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41 Dienaangaande moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat in casu aan de intrekking van artikel 81, lid 1, van de wet betreffende het voormalige statuut van magistraten door de wet betreffende het nieuwe statuut van magistraten, de verplichting ten grondslag lag om het buitensporige begrotingstekort van de betrokken lidstaat weg te werken, zoals met name is uiteengezet in de toelichting bij wet nr. 285/2010, zoals vermeld in punt 6 van dit arrest. Meer in het algemeen stelt de verwijzende rechter, zoals volgt uit punt 15 van dit arrest, dat in de toelichting bij meerdere noodverordeningen van de regering waarbij de betaling van de vertrekvergoeding werd geschorst, erop is gewezen dat het Roemeense begrotingstekort de drempel van 3 % van het bbp van artikel 126, lid 2, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 1 van het aan het VEU en het VWEU gehechte Protocol (nr. 12) betreffende de procedure bij buitensporige tekorten dreigde te overschrijden en dat die lidstaat bij gebreke van dergelijke bezoldigingsverlagingsmaatregelen met de inleiding van een buitensporigtekortprocedure door de Commissie dreigde te worden geconfronteerd.

42 In de tweede plaats leidt de afschaffing van de vertrekvergoeding tot een beperkte verlaging van de bezoldiging van Roemeense rechters. Verder heeft deze maatregel geen gevolgen voor de primaire bezoldiging van Roemeense rechters, maar voor een aanvulling op de bezoldiging, die slechts eenmaal, bij hun pensionering, kon worden ontvangen. Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties blijkt de afschaffing van die vergoeding derhalve niet onevenredig te zijn.

43 In de derde plaats, zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft benadrukt op basis van figuur 34 in haar mededeling COM(2023) 309 final („EU-scorebord voor justitie 2023”), bedraagt de gemiddelde jaarlijkse bezoldiging van Roemeense rechters aan het begin van hun loopbaan 2,9 maal het gemiddelde Roemeense brutojaarloon en voor rechters van de hoogste rechterlijke instanties 5,8 maal dat gemiddelde brutojaarloon.

44 Uit de twee voorgaande punten blijkt dat de bezoldiging van Roemeense rechters, ondanks de intrekking van artikel 81, lid 1, van de wet betreffende het voormalige statuut van magistraten, in overeenstemming blijft met het belang van de functie die zij uitoefenen.

45 In de vierde plaats maken de schorsing en vervolgens de intrekking van deze bepaling deel uit van een ruimer beleid om de bezoldiging van Roemeense ambtenaren te verlagen. Artikel 13, lid 1, van wet nr. 285/2010 bepaalde namelijk dat „[d]e wettelijke bepalingen inzake de toekenning van toelagen of, in voorkomend geval, vergoedingen bij pensionering, ontheffing uit het ambt, beëindiging van het dienstverband of overplaatsing naar de reserve voor het jaar 2011 niet van toepassing zijn.” Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft uiteengezet, heeft de afschaffing van toelagen bij de overplaatsing naar de reserve betrekking op militairen, politieagenten en ambtenaren die een bijzonder statuut in het strafrechtelijk systeem genieten.

46 In de vijfde plaats heeft, in de context van de onderhavige zaak, de intrekking van artikel 81, lid 1, van de wet betreffende het voormalige statuut van magistraten, nadat deze bepaling gedurende dertien jaar onafgebroken werd geschorst, bijgedragen tot de verduidelijking van de stand van het nationale recht, waardoor de rechtszekerheid wordt gewaarborgd.

47 Verder, en onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, kunnen verzoekende partijen in het hoofdgeding zich niet beroepen op een gewettigd vertrouwen dat de vertrekvergoeding voor hen behouden zou blijven. Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), „[d]ient de gewettigde verwachting om goederen te kunnen blijven bezitten, een ‚toereikende grondslag in het nationale recht’ te hebben, bijvoorbeeld wanneer die grondslag wordt bevestigd door vaste rechtspraak van rechtbanken of wanneer zij is gebaseerd op een wettelijke bepaling of op een wettelijke handeling die ziet op het betrokken vermogensbelang” (EHRM, 23 september 2014, Valle Pierimpiè Società Agricola S.P.A. tegen Italië, CE:ECHR:2014:0923JUD004615411, § 38).

48 In casu vloeit zowel uit de in punt 16 van dit arrest vermelde rechtspraak van de Curte Constituțională (grondwettelijk hof), als uit het in punt 3 genoemde artikel 66, lid 3, van wet nr. 24/2000 voort dat het recht om een vertrekvergoeding te genieten sinds 2010 niet kan worden geacht een toereikende grondslag in het Roemeense recht te hebben. De Curte Constituțională heeft namelijk geoordeeld dat het recht op een vertrekvergoeding geen grondrecht is, zodat het de Roemeense wetgever vrij stond om de uitbetaling ervan af te schaffen. In bovengenoemd artikel 66, lid 3, wordt bepaald dat een geschorste bepaling bij het verstrijken van de termijn van de schorsing bij uitdrukkelijke bepaling kan worden ingetrokken.

49 Gelet op een en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 2 VEU, aldus moet worden uitgelegd dat het beginsel van onafhankelijkheid van de rechters zich er niet tegen verzet dat de wetgeving van deze lidstaat, op grond waarvan rechters met twintig aaneengesloten dienstjaren in de magistratuur bij pensionering of andere niet-verwijtbare ontheffing uit hun functie een vergoeding bij pensionering ontvangen, nadat deze wetgeving eerst doorlopend en langdurig was geschorst, wordt ingetrokken wegens redenen die hoofdzakelijk verband houden met de verplichting om het buitensporige begrotingstekort van die lidstaat weg te werken.

Kosten

50 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 2 VEU,

moet aldus worden uitgelegd dat

het beginsel van onafhankelijkheid van de rechters zich er niet tegen verzet dat de wetgeving van deze lidstaat, op grond waarvan rechters met twintig aaneengesloten dienstjaren in de magistratuur bij pensionering of andere niet-verwijtbare ontheffing uit hun functie een vergoeding bij pensionering ontvangen, nadat deze wetgeving eerst doorlopend en langdurig was geschorst, wordt ingetrokken wegens redenen die hoofdzakelijk verband houden met de verplichting om het buitensporige begrotingstekort van die lidstaat weg te werken.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Roemeens.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken