HvJ EU 8 mei 2025, C-6/24, ECLI:EU:C:2025:333
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)
8 mei 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Consumentenkredietovereenkomst – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Artikel 3, lid 1 – Beding betreffende vervroegde opeisbaarheid – Rechterlijke toetsing – Geen nationale regeling inzake het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid – Criteria voor de beoordeling van het oneerlijke karakter”
In de gevoegde zaken C‑6/24 en C‑231/24,
betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Juzgado de Primera Instancia no 8 de La Coruña (rechtbank in eerste aanleg nr. 8, La Coruña, Spanje) bij beslissingen van respectievelijk 19 december 2023 en 26 februari 2024, ingekomen bij het Hof op 4 januari en 26 maart 2024, in de procedures
Abanca Corporación Bancaria SA
tegen
WE (C‑6/24),
VX (C‑231/24),
wijst
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: S. Rodin (rapporteur), kamerpresident, N. Piçarra en N. Fenger, rechters,
advocaat-generaal: D. Spielmann,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Abanca Corporación Bancaria SA, vertegenwoordigd door M. Á. Cepero Aránguez, J. M. Martínez Gimeno en M. C. Vendrell Cervantes, abogados,
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door P. Pérez Zapico als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door I. Galindo Martín en P. Kienapfel als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 3, lid 1, en artikel 7 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29, met rectificatie in PB 2023, L 17, blz. 100).
2 Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van gedingen tussen Abanca Corporación Bancaria SA, een kredietinstelling naar Spaans recht enerzijds, en de consumenten WE in zaak C‑6/24, en VX in zaak C‑231/24 anderzijds, over het vermeend oneerlijke karakter van een beding betreffende vervroegde opeisbaarheid dat is opgenomen in tussen deze partijen gesloten persoonlijke leningsovereenkomsten.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 luidt: „Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.”
4 Artikel 4 van deze richtlijn bepaalt: „1. Onverminderd artikel 7 worden voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft. 2. De beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen heeft geen betrekking op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de toereikendheid van enerzijds de prijs en vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.”
5 Artikel 7, lid 1, van diezelfde richtlijn luidt als volgt: „De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”
Spaans recht
6 Artikel 693, lid 2, van Ley 1/2000 de Enjuiciamiento Civil (wet 1/2000 houdende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) van 7 januari 2000 (BOE nr. 7 van 8 januari 2000, blz. 575), zoals gewijzigd bij Ley 42/2015 de reforma de la Ley 1/2000 (wet 42/2015 houdende hervorming van wet 1/2000) van 5 oktober 2015 (BOE nr. 239 van 6 oktober 2015), bepaalt met betrekking tot de vervroegde opeisbaarheid van in termijnen af te lossen schulden: „Betaling van het verschuldigde totaalbedrag voor de hoofdsom en de rente kan worden gevorderd overeenkomstig de voorwaarden die zijn overeengekomen in de akte van de lening en in het desbetreffende kadaster zijn ingeschreven. Wanneer het gaat om een door een natuurlijke persoon gesloten lening die of krediet dat wordt gedekt door een hypotheek op een woning of bedoeld is om een voor bewoning bestemd onroerend goed te verkrijgen, zijn de bepalingen van artikel 24 van wet 5/2019 tot regeling van hypothecaire kredietovereenkomsten van toepassing en, in voorkomend geval, artikel 129 bis van de hypotheekwet.
7 Artikel 24 van Ley 5/2019 reguladora de los contratos de crédito inmobiliario (wet 5/2019 tot regeling van hypothecaire kredietovereenkomsten) van 15 maart 2019 (BOE nr. 65 van 16 maart 2019) is als volgt verwoord: „1. In leningsovereenkomsten waarvan de kredietnemer, borgsteller of garant een natuurlijke persoon is en die worden gedekt door een hypotheek of een andere zakelijke zekerheid op voor bewoning bestemde onroerende goederen of bestemd zijn voor de verkrijging of het behoud van eigendomsrechten op voor bewoning bestemde gronden dan wel op onroerende goederen die gebouwd zijn of gebouwd zullen worden, kan de kredietnemer zich niet langer op de overeengekomen looptijd beroepen en wordt de overeenkomst vervroegd opeisbaar wanneer aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan: a) de kredietnemer betaalt een deel van de hoofdsom of de interesten te laat; b) het bedrag van de vervallen en niet-betaalde maandelijkse termijnen is minstens gelijk aan: i. drie percent van de toegekende hoofdsom, indien de wanbetaling plaatsvindt tijdens de eerste helft van de looptijd van de lening. Deze voorwaarde wordt als vervuld beschouwd wanneer de vervallen en niet-betaalde maandelijkse termijnen overeenstemmen met de wanbetaling van twaalf termijnen of een bepaald aantal maandelijkse termijnen waaruit blijkt dat de schuldenaar gedurende een periode van ten minste twaalf maanden zijn verplichting niet is nagekomen; ii. zeven percent van de toegekende hoofdsom, indien de wanbetaling plaatsvindt tijdens de tweede helft van de looptijd van de lening. Deze voorwaarde wordt als vervuld beschouwd wanneer de vervallen en niet-betaalde maandelijkse termijnen overeenstemmen met de wanbetaling van vijftien termijnen of een bepaald aantal maandelijkse termijnen waaruit blijkt dat de schuldenaar gedurende een periode van ten minste vijftien maanden zijn verplichting niet is nagekomen; c) de kredietverstrekker heeft de kredietnemer ter betaling in gebreke gesteld met een termijn van minstens één maand om de achterstallige termijnen te voldoen en heeft hem ervan in kennis gesteld dat hij, wanneer de kredietnemer in gebreke blijft, de volledige terugbetaling van het uit hoofde van de lening verschuldigde bedrag zal vorderen. 2. Er kan niet worden afgeweken van dit artikel door andersluidende overeenkomsten.”
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
8 Op 5 juli en 15 september 2022 heeft Abanca Corporación Bancaria persoonlijke leningsovereenkomsten gesloten met WE voor een bedrag van 10600 EUR, af te lossen over een periode van vijf jaar, en met VX voor een bedrag van 6000 EUR, af te lossen over een periode van acht jaar.
9 De bankinstelling kan overeenkomstig beding nr. 13 van de algemene voorwaarden van deze leningsovereenkomsten (hierna: „litigieus beding”) in geval van wanbetaling de lening vervroegd opeisbaar verklaren, waardoor de verschuldigde bedragen onmiddellijk opeisbaar worden.
10 In het litigieuze beding wordt verduidelijkt dat er sprake is van wanbetaling wanneer is voldaan aan drie cumulatieve voorwaarden. Ten eerste is de kredietnemer een deel van de geleende hoofdsom of de rente verschuldigd. Ten tweede is het bedrag van de vervallen en niet-betaalde maandelijkse termijnen gelijk aan minstens 3 % van het geleende kapitaal wanneer de wanbetaling plaatsvindt in de eerste helft van de looptijd van de lening of aan minstens 7 % van dat kapitaal wanneer de wanbetaling plaatsvindt in de tweede helft van de looptijd van de lening. Ten derde moet de kredietnemer door de bankinstelling in gebreke zijn gesteld met een termijn van één maand om de verschuldigde bedragen te betalen.
11 Nadat Abanca Corporación Bancaria de leningen van WE en VX overeenkomstig het litigieuze beding vervroegd opeisbaar heeft verklaard, heeft zij bij de Juzgado de Primera Instancia no 8 de La Coruña (rechtbank in eerste aanleg nr. 8, La Coruña, Spanje), de verwijzende rechter, twee verzoeken ingediend om tegen hen een betalingsbevel uit te vaardigen.
12 Deze rechter betwijfelt of het litigieuze beding verenigbaar is met richtlijn 93/13, gelet op de arresten van 14 maart 2013, Aziz (C‑415/11, EU:C:2013:164, punt 73), en 26 januari 2017, Banco Primus (C‑421/14, EU:C:2017:60, punten 66 en 67), waarin het Hof heeft geoordeeld dat tot de factoren waarmee rekening kan worden gehouden bij de beoordeling of een dergelijk beding oneerlijk is, behoort of het nationale recht de consument middelen biedt waarmee hij de vervroegde opeisbaarheid van de lening kan voorkomen, dan wel de gevolgen daarvan ongedaan kan maken, wat in het Spaanse recht niet het geval is voor persoonlijke leningsovereenkomsten, zoals die welke in de hoofdgedingen aan de orde zijn. In het litigieuze beding dat in die overeenkomsten is opgenomen, krijgt de kredietnemer deze mogelijkheid echter wel toegekend, in navolging van het bepaalde in de nationale regeling die van toepassing is op hypothecaire leningsovereenkomsten. Bovendien vraagt deze rechter zich af of een termijn van één maand om het debetsaldo van de lening te betalen, zoals bepaald in dat beding, volstaat om de consument daadwerkelijk de mogelijkheid te bieden om de vervroegde opeisbaarheid van de lening te voorkomen of de gevolgen ervan ongedaan te maken.
13 Daarop heeft de Juzgado de Primera Instancia no 8 de La Coruña de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Is een beding inzake vervroegde opeisbaarheid dat voorziet in de mogelijkheid om die vervroegde opeisbaarheid binnen een bepaalde termijn te voorkomen of buiten werking te stellen, verenigbaar met artikel 3, lid 1, en artikel 7 van richtlijn [93/13], of moet die mogelijkheid worden toegekend in een specifieke nationale regel? 2) Indien de voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord, wat zou dan een redelijke termijn zijn?”
14 Bij beslissing van de president van het Hof van 26 april 2024 zijn de zaken C‑6/24 en C‑231/24 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsook voor het arrest.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
15 Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak is van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren (arrest van 7 november 2024, ERB New Europe Funding II, C‑178/23, EU:C:2024:943, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
16 Dienaangaande is het belangrijk te verduidelijken dat de verwijzende rechter in het kader van de hoofdgedingen ambtshalve heeft getoetst of het litigieuze beding waarvan de toepassing heeft geleid tot de bij hem ingediende verzoeken om een betalingsbevel, mogelijk oneerlijk was. Deze rechter vraagt zich niet af of er juridische middelen bestaan om een einde te maken aan het gebruik van bedingen die gelet op artikel 7 van richtlijn 93/13 oneerlijk zijn, maar zijn vraag gaat over de kwalificatie zelf van deze oneerlijke bedingen in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13.
17 Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven moet er daarom van worden uitgegaan dat hij met zijn eerste vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat ter beoordeling van het oneerlijke karakter van een in een persoonlijke leningsovereenkomst opgenomen beding betreffende vervroegde opeisbaarheid er rekening mee kan worden gehouden dat de consument dankzij dit beding de mogelijkheid heeft om de vervroegde opeisbaarheid van de lening te voorkomen of de gevolgen daarvan ongedaan te maken, dan wel of deze mogelijkheid moet zijn bepaald in een nationale rechtsregel die specifiek van toepassing is op persoonlijke leningsovereenkomsten.
18 Ter beantwoording van deze vraag moet in herinnering worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak van het Hof het beschermingsstelsel van richtlijn 93/13 op de gedachte berust dat de consument zich tegenover een verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan deze laatste beschikt [arrest van 18 januari 2024, Getin Noble Bank e.a. (Ambtshalve toetsing van het oneerlijke karakter van bedingen), C‑531/22, EU:C:2024:58, punt 63].
19 Volgens artikel 3, lid 1, van deze richtlijn wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen aanzienlijk verstoort ten nadele van de betrokken consument, terwijl krachtens artikel 6, lid 1, van de richtlijn een dergelijk oneerlijk beding die consument niet bindt.
20 In dit verband en om het in artikel 38 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde hoge niveau van consumentenbescherming te waarborgen, moet de nationale rechter, zelfs ambtshalve, toetsen of een contractueel beding dat binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt, oneerlijk is en aldus het gebrek aan evenwicht tussen de consument en de verkoper compenseren zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt. Dienaangaande bevatten artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13, tezamen genomen, de algemene criteria op basis waarvan het oneerlijke karakter van de onder die bepalingen vallende contractuele bedingen kan worden beoordeeld (zie in die zin arrest van 9 november 2023, Všeobecná úverová banka, C‑598/21, EU:C:2023:845, punten 74 en 75).
21 Met de verwijzing naar de begrippen „goede trouw” en „aanzienlijke verstoring van het evenwicht” tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument, omschrijft artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 slechts in abstracto de factoren die een oneerlijk karakter geven aan een contractueel beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld (arrest van 9 november 2023, Všeobecná úverová banka, C‑598/21, EU:C:2023:845, punt 76).
22 Met betrekking tot de vraag in welke omstandigheden een aanzienlijke verstoring van het evenwicht „in strijd met de goede trouw” wordt veroorzaakt, dient de nationale rechter, gelet op de zestiende overweging van richtlijn 93/13, daartoe na te gaan of de verkoper, door op eerlijke en billijke wijze te onderhandelen met de consument, redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat de consument een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover afzonderlijk was onderhandeld (arrest van 9 november 2023, Všeobecná úverová banka, C‑598/21, EU:C:2023:845, punt 78).
23 Bovendien worden overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die richtlijn, voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop die overeenkomst betrekking heeft (arrest van 9 november 2023, Všeobecná úverová banka, C‑598/21, EU:C:2023:845, punt 79).
24 In punt 66 van het arrest van 26 januari 2017, Banco Primus (C‑421/14, EU:C:2017:60), dat geen betrekking had op een persoonlijke leningsovereenkomst maar op een langlopende hypothecaire leningsovereenkomst, heeft het Hof in wezen geoordeeld dat het met het oog op de vaststelling of een beding in een overeenkomst leidt tot een aanzienlijke verstoring van het evenwicht ten nadele van de consument in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13, aan de nationale rechter staat om met name na te gaan of aan de mogelijkheid voor de kredietverstrekker om de gehele lening opeisbaar te verklaren de voorwaarde is verbonden dat de consument een hoofdverplichting in het kader van de desbetreffende contractuele relatie niet nakomt, of deze mogelijkheid is bedoeld voor gevallen waarin die niet-nakoming voldoende ernstig is gelet op de looptijd en het bedrag van de lening, of deze mogelijkheid, bij gebreke van specifieke contractuele bepalingen, afwijkt van de ter zake toepasselijke regels van gemeen recht en of het nationale recht de aan een dergelijk beding gebonden consument geschikte en doeltreffende middelen aanreikt om de gevolgen van de opeisbaarheid van de lening ongedaan te maken.
25 Bovendien heeft het Hof in punt 35 van het arrest van 8 december 2022, Caisse régionale de Crédit mutuel de Loire-Atlantique et du Centre Ouest (C‑600/21, EU:C:2022:970), verduidelijkt dat deze criteria niet kunnen worden opgevat als cumulatief dan wel alternatief, maar moeten worden begrepen als deel van het geheel van omstandigheden rond de sluiting van de betreffende overeenkomst, die de nationale rechter moet onderzoeken om het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst, in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13, te beoordelen.
26 In casu bevat de Spaanse wetgeving, zoals de verwijzende rechter opmerkt, voor persoonlijke leningsovereenkomsten geen regels inzake vervroegde opeisbaarheid, anders dan het geval is bij hypothecaire leningsovereenkomsten. Het litigieuze beding dat is opgenomen in de persoonlijke leningsovereenkomsten in de hoofdgedingen voorziet in navolging van het bepaalde in die regeling inzake hypothecaire leningsovereenkomsten niettemin in een middel voor de consument om de vervroegde opeisbaarheid van de lening te voorkomen of de gevolgen daarvan ongedaan te maken door de uit hoofde van de lening verschuldigde bedragen te betalen binnen de termijn van één maand na de ingebrekestelling door de kredietinstelling.
27 Overeenkomstig de in de punten 24 en 25 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak is het de rol van de nationale rechter om vast te stellen of een beding betreffende vervroegde opeisbaarheid leidt tot een aanzienlijke verstoring van het evenwicht ten nadele van de consument in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13, in het licht van verschillende criteria waaronder het bestaan van geschikte en doeltreffende middelen die de consument de mogelijkheid bieden om de toepassing van dat beding te voorkomen of de gevolgen ervan ongedaan te maken. De omstandigheid dat de middelen die het mogelijk maken dat een dergelijk resultaat wordt bereikt, zijn bepaald in het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid zelf en niet in een nationale rechtsregel die specifiek van toepassing is op de overeenkomsten in de hoofdgedingen, is niet van belang en kan er hoe dan ook niet toe leiden dat dit contractueel beding wordt aangemerkt als oneerlijk in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13.
28 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat ter beoordeling van het oneerlijke karakter van een in een persoonlijke leningsovereenkomst opgenomen beding betreffende vervroegde opeisbaarheid, er rekening mee kan worden gehouden dat de consument dankzij dit beding de mogelijkheid heeft om de vervroegde opeisbaarheid van de lening te voorkomen of de gevolgen daarvan ongedaan te maken en deze mogelijkheid niet hoeft te zijn bepaald in een nationale rechtsregel die specifiek van toepassing is op persoonlijke leningsovereenkomsten.
Tweede vraag
29 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat de aan de consument geboden contractuele mogelijkheid om de uit hoofde van de lening verschuldigde uitstaande bedragen binnen de termijn van één maand vanaf de ingebrekestelling door de kredietinstelling te betalen, een geschikt en doeltreffend middel vormt dat deze consument de mogelijkheid biedt om de toepassing van het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid van de persoonlijke leningsovereenkomst te voorkomen of de gevolgen daarvan ongedaan te maken.
30 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de bevoegdheid van het Hof ter zake betrekking heeft op de uitlegging van het in artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 en in de bijlage daarbij gebezigde begrip „oneerlijk beding”, alsmede op de criteria die de nationale rechter kan of moet toepassen wanneer hij een contractueel beding toetst aan die richtlijn, met dien verstande dat het aan die rechter staat om zich, rekening houdend met die criteria, in het licht van de omstandigheden van het geval uit te spreken over de concrete kwalificatie van een bepaald contractueel beding (arrest van 8 december 2022, Caisse régionale de Crédit mutuel de Loire-Atlantique et du Centre Ouest, C‑600/21, EU:C:2022:970, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Wat het litigieuze beding betreffende vervroegde opeisbaarheid van de persoonlijke leningsovereenkomst in geval van wanbetaling betreft, staat het aan de verwijzende rechter om met name na te gaan of aan de mogelijkheid voor de kredietverstrekker om de gehele lening opeisbaar te verklaren de voorwaarde is verbonden dat de consument een hoofdverplichting in het kader van de desbetreffende contractuele relatie niet nakomt, of deze mogelijkheid is bedoeld voor gevallen waarin die niet-nakoming voldoende ernstig is gelet op de looptijd en het bedrag van de lening, of deze mogelijkheid afwijkt van de ter zake toepasselijke regels van gemeen recht en of het nationale recht of een contractueel beding de consument geschikte en doeltreffende middelen aanreikt om de toepassing van het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid te voorkomen of de gevolgen van die opeisbaarheid ongedaan te maken (zie in die zin arrest van 26 januari 2017, Banco Primus, C‑421/14, EU:C:2017:60, punt 66).
32 In de punten 47 en 48 van het arrest van 25 januari 2024, Caixabank (Verjaringstermijn voor de terugbetaling van de hypotheekkosten) (C‑810/21–C‑813/21, EU:C:2024:81), heeft het Hof met betrekking tot een verjaringstermijn in wezen om te beginnen geoordeeld dat deze termijn, om te kunnen worden geacht in overeenstemming te zijn met het doeltreffendheidsbeginsel, materieel toereikend moet zijn om de consument in staat te stellen een doeltreffend rechtsmiddel voor te bereiden en in te stellen teneinde de rechten af te dwingen die hij aan richtlijn 93/13 ontleent, en voorts dat de consument de mogelijkheid moet hebben gehad om kennis te nemen van zijn rechten voordat een dergelijke termijn begint te lopen of is verstreken.
33 In casu blijkt uit de verzoeken om een prejudiciële beslissing dat de door de betrokken consumenten niet-nagekomen verplichting, te weten de betaling van maandelijkse termijnen van de lening, in het kader van de desbetreffende contractuele relatie een hoofdverplichting vormt, en voldoende ernstig is in vergelijking met de looptijd en het bedrag van het krediet. De vragen van de verwijzende rechter zijn beperkt tot de beoordeling of de aan deze consumenten geboden termijn van één maand om de toepassing te voorkomen van het beding betreffende de onmiddellijke opeisbaarheid van de uit hoofde van de lening verschuldigde bedragen of de gevolgen ervan te verhelpen, doeltreffend en geschikt is.
34 Volgens de verwijzende rechter komt dit beding overeen met een nationaalrechtelijke bepaling die van toepassing is op leningsovereenkomsten die worden gedekt door een hypotheek op voor bewoning bestemde onroerende goederen dan wel op leningsovereenkomsten die bedoeld zijn om een dergelijk goed te verkrijgen, en aldus ertoe strekt een evenwicht tot stand te brengen tussen alle rechten en verplichtingen van de partijen bij dit soort overeenkomsten. Volgens deze bepaling, te weten artikel 24, lid 1, van wet 5/2019, bestaat de mogelijkheid van vervroegde opeisbaarheid alleen indien de kredietverstrekker de kredietnemer een termijn van minstens één maand heeft verleend om de vastgestelde wanbetaling te verhelpen.
35 Bij de beoordeling of het aan de consument geboden middel om de vervroegde opeisbaarheid van de lening te voorkomen of de gevolgen ervan ongedaan te maken, geschikt en doeltreffend is, kan de verwijzende rechter derhalve bij zijn algehele analyse of het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid kan leiden tot een aanzienlijke verstoring van het evenwicht ten nadele van de consument, met name de omstandigheid betrekken dat de regularisatietermijn materieel toereikend is om de consument in staat te stellen om de gevraagde betaling uit te voeren. Dienaangaande is het van bijzonder belang dat het nationale recht bepalingen bevat die de kredietnemer in het kader van gelijkaardige contractuele verhoudingen een dergelijke termijn toekennen.
36 Gelet op het voorgaande is het denkbaar dat een nationale rechter oordeelt dat een aan een consument in een beding betreffende vervroegde opeisbaarheid geboden termijn van één maand om het debetsaldo van de lening te betalen, die begint te lopen vanaf een door de kredietverstrekker verzonden ingebrekestelling, een geschikt en doeltreffend middel vormt dat hem de mogelijkheid biedt om de toepassing van dit beding te voorkomen of de gevolgen ervan ongedaan te maken.
37 Derhalve dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een in een leningsovereenkomst opgenomen beding betreffende vervroegde opeisbaarheid de taak van de nationale rechter is om de geschiktheid en doeltreffendheid na te gaan van de middelen die de consument de mogelijkheid bieden om de vervroegde opeisbaarheid van de lening te voorkomen of de gevolgen daarvan ongedaan te maken, waarbij er met name rekening mee moet worden gehouden of de aan de consument geboden termijn materieel toereikend is om de uit hoofde van de lening verschuldigde uitstaande bedragen te betalen. Dienaangaande is het van bijzonder belang dat het nationale recht bepalingen bevat die de kredietnemer in het kader van gelijkaardige contractuele verhoudingen een dergelijke termijn toekennen.
Kosten
38 Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moet aldus worden uitgelegd dat ter beoordeling van het oneerlijke karakter van een in een persoonlijke leningsovereenkomst opgenomen beding betreffende vervroegde opeisbaarheid, er rekening mee kan worden gehouden dat de consument dankzij dit beding de mogelijkheid heeft om de vervroegde opeisbaarheid van de lening te voorkomen of de gevolgen daarvan ongedaan te maken en deze mogelijkheid niet hoeft te zijn bepaald in een nationale rechtsregel die specifiek van toepassing is op persoonlijke leningsovereenkomsten.
2) Artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat het bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een in een leningsovereenkomst opgenomen beding betreffende vervroegde opeisbaarheid de taak van de nationale rechter is om de geschiktheid en doeltreffendheid na te gaan van de middelen die de consument de mogelijkheid bieden om de vervroegde opeisbaarheid van de lening te voorkomen of de gevolgen daarvan ongedaan te maken, waarbij er met name rekening mee moet worden gehouden of de aan de consument geboden termijn materieel toereikend is om de uit hoofde van de lening verschuldigde uitstaande bedragen te betalen. Dienaangaande is het van bijzonder belang dat het nationale recht bepalingen bevat die de kredietnemer in het kader van gelijkaardige contractuele verhoudingen een dergelijke termijn toekennen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Spaans.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 7 november 2024, C-178/23, ECLI:EU:C:2024:943
- HvJ EU 25 januari 2024, C-810/21, ECLI:EU:C:2024:81
- HvJ EU 18 januari 2024, C-531/22, ECLI:EU:C:2024:58
- HvJ EU 9 november 2023, C-598/21, ECLI:EU:C:2023:845
- HvJ EU 8 december 2022, C-600/21, ECLI:EU:C:2022:970
- HvJ EU 26 januari 2017, C-421/14, ECLI:EU:C:2017:60
- HvJ EU 14 maart 2013, C-415/11, ECLI:EU:C:2013:164