HvJ EU 9 november 2023, C-598/21, ECLI:EU:C:2023:845

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

9 november 2023 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Consumentenkredietovereenkomst – Richtlijn 93/13/EEG – Artikel 1, lid 2 – Beding waarin een dwingende wettelijke bepaling is overgenomen – Artikel 3, lid 1, artikel 4, lid 1, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1 – Beding betreffende vervroegde opeisbaarheid – Rechterlijke toetsing – Evenredigheid ten opzichte van de contractuele tekortkomingen van de consument – Artikelen 7 en 38 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Overeenkomst gewaarborgd door een zekerheidsrecht op een onroerend goed – Buitengerechtelijke verkoop van de woning van de consument”

In zaak C‑598/21,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Krajský súd v Prešove (rechter in tweede aanleg Prešov, Slowakije) bij beslissing van 13 september 2021, ingekomen bij het Hof op 28 september 2021, in de procedure

SP,

CI

tegen

Všeobecná úverová banka a.s.,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, O. Spineanu-Matei (rapporteur), J.‑C. Bonichot, S. Rodin en L. S. Rossi, rechters,

advocaat-generaal: L. Medina,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 oktober 2022,

gelet op de opmerkingen van:

– SP en CI, vertegenwoordigd door L. Riedl, advokát,

– Všeobecná úverová banka a.s., vertegenwoordigd door M. Hrbek, advokát,

– de Slowaakse regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door B. Ricziová, vervolgens door E. V. Drugda als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Goddin, R. Lindenthal en N. Ruiz García als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 januari 2023,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) junctis de artikelen 7 en 38 ervan, richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29), artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) (PB 2005, L 149, blz. 22), artikel 2, lid 2, onder a), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66, met rectificatie in PB 2011, L 234, blz. 46), zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/90/EU van de Commissie van 14 november 2011 (PB 2011, L 296, blz. 35; hierna: „richtlijn 2008/48”), en het doeltreffendheidsbeginsel.

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen SP en CI, enerzijds, en Všeobecná úverová banka a.s. (hierna: „VÚB”), een bankinstelling, anderzijds, over de opschorting van de buitengerechtelijke executie van het op hun woning gevestigde zekerheidsrecht, dat de tussen hen gesloten kredietovereenkomst waarborgt.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 93/13

3 De dertiende en zestiende overweging van richtlijn 93/13 luiden als volgt: „Overwegende dat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten waarin bedingen van overeenkomsten met consumenten, direct of indirect, worden vastgesteld, worden geacht geen oneerlijke bedingen te bevatten; dat het bijgevolg niet nodig blijkt bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn overgenomen dan wel beginselen of bepalingen van internationale overeenkomsten waarbij de lidstaten of de Gemeenschap partij zijn, aan de bepalingen van deze richtlijn te onderwerpen; dat in dat verband onder de term,dwingende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen’ tevens de regels vallen die volgens de wet van toepassing zijn tussen de overeenkomstsluitende partijen wanneer er geen andere regeling is overeengekomen; […] Overwegende dat de beoordeling, aan de hand van de vastgestelde algemene criteria, van het oneerlijke karakter van bedingen, met name met betrekking tot beroepsactiviteiten met een openbaar karakter betreffende collectieve diensten waarbij een solidariteit tussen de gebruikers wordt vooropgesteld, moet worden aangevuld met een middel voor de afweging van de onderscheidene belangen die in het geding zijn; dat dit de goede trouw is; dat er bij de beoordeling van de goede trouw in het bijzonder moet worden gelet op de min of meer sterke respectieve onderhandelingsposities van de partijen en op de vraag of de consument op enigerlei wijze ertoe is aangezet zijn instemming met het beding te betuigen en of de goederen of diensten op speciale bestelling van de consument zijn verkocht of geleverd; dat de verkoper aan de eis van goede trouw kan voldoen door op eerlijke en billijke wijze te onderhandelen met de andere partij, waarvan hij de legitieme belangen in aanmerking dient te nemen”.

4 Artikel 1 van die richtlijn bepaalt: „1. Deze richtlijn strekt tot de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument. 2. Contractuele bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of bepalingen of beginselen van internationale overeenkomsten waarbij de lidstaten of de Gemeenschap partij zijn, met name op het gebied van vervoer, zijn overgenomen, zijn niet aan deze richtlijn onderworpen.”

5 Artikel 3, lid 1, van diezelfde richtlijn luidt als volgt: „Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.”

6 Artikel 4, lid 1, van voornoemde richtlijn bepaalt: „Onverminderd artikel 7 worden voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft.”

7 Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 luidt als volgt: „De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

8 Artikel 7, lid 1, van deze richtlijn luidt: „De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”

Richtlijn 2005/29

9 Artikel 3 („Toepassingsgebied”) van richtlijn 2005/29 bepaalt in lid 1: „Deze richtlijn is van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product.”

Richtlijn 2008/48

10 Overweging 10 van richtlijn 2008/48 luidt als volgt: „De in deze richtlijn vervatte definities bepalen het toepassingsgebied van de harmonisatie. De verplichting voor de lidstaten om uitvoering te geven aan de bepalingen van deze richtlijn dient derhalve te worden beperkt tot het toepassingsgebied zoals dat door deze definities is omschreven. Deze richtlijn mag de lidstaten evenwel niet beletten de bepalingen van de richtlijn overeenkomstig het gemeenschapsrecht toe te passen op gebieden die niet onder het toepassingsgebied ervan vallen […]”

11 Artikel 2, lid 2, onder a), van die richtlijn luidt als volgt: „Deze richtlijn is niet van toepassing op het volgende: a) kredietovereenkomsten die gewaarborgd worden door een hypotheek of door een in een lidstaat gebruikelijke andere vergelijkbare zekerheid op een onroerend goed, of gewaarborgd worden door een recht op een onroerend goed”.

Slowaaks recht

Burgerlijk wetboek

12 § 53 van zákon č. 40/1964 ZB. Občiansky zákonník (wet nr. 40/1964 houdende het burgerlijk wetboek), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „burgerlijk wetboek”), regelt oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Dit artikel bepaalt in lid 9: „Ingeval een met een consument gesloten overeenkomst wordt uitgevoerd door middel van betaling in termijnen, kan de beroepsbeoefenaar ten vroegste drie maanden na de te late betaling van een termijn en nadat hij de consument ten minste 15 dagen vóór de uitoefening van dat recht in kennis heeft gesteld, het krachtens § 565 van het burgerlijk wetboek toegekende recht uitoefenen.”

13 § 54, lid 1, van het burgerlijk wetboek luidt als volgt: „Contractuele bedingen in consumentenovereenkomsten mogen niet ten nadele van de consument afwijken van deze wet. In het bijzonder kan de consument niet bij voorbaat afstand doen van de rechten die hem krachtens deze wet of krachtens de bijzondere bepalingen inzake consumentenbescherming toekomen, noch kan hij zijn contractuele situatie op enige andere wijze verslechteren.”

14 § 151j, lid 1, van dat wetboek bepaalt: „Indien een door een zekerheidsrecht gewaarborgde schuldvordering niet naar behoren en tijdig wordt afgelost, kan de zekerheidsnemer de executie van het zekerheidsrecht inleiden. In het kader van de executie van het zekerheidsrecht kan de zekerheidsnemer zich voldoen op de contractueel overeengekomen wijze of door middel van openbare verkoop van het onderpand krachtens een bijzondere wet […], ofwel voldoening eisen door middel van verkoop van het onderpand krachtens de bijzondere wetten […], tenzij bij dit wetboek of een bijzondere wet anders is bepaald.”

15 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat in deze bepaling na de woorden „krachtens een bijzondere wet” een eerste voetnoot is opgenomen, die verwijst naar zákon č. 527/2002 Z.z. o dobrovoľných dražbách a o doplnení zákona Slovenskej národnej rady č. 323/1992 Zb. o notároch a notárskej činnosti (Notársky poriadok) v znení neskorších predpisov [wet nr. 527/2002 inzake vrijwillige openbare verkoop, waarbij wet nr. 323/1992 van de Slowaakse nationale raad op het notarisambt en de notariële werkzaamheden (wetboek notariaat), zoals gewijzigd, is aangevuld; hierna: „wet inzake vrijwillige openbare verkoop”], en dat na de woorden „bijzondere wettelijke bepalingen” een tweede voetnoot is ingevoegd, die verwijst naar zákon č. 160/2015 Z.z. Civilný sporový poriadok (wet nr. 160/2015 inzake het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) en naar zákon č. 233/1995 Z.z. Exekučný poriadok (wet nr. 233/1995 inzake de gerechtsdeurwaarders en de uitvoering van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering; hierna: „wetboek van executie”).

16 § 151m van het burgerlijk wetboek luidt als volgt: „(1) De zekerheidsnemer kan het onderpand ten vroegste 30 dagen na de datum van betekening van de aanvang van de executie van het zekerheidsrecht aan de zekerheidsgever en aan de schuldenaar, indien deze niet dezelfde persoon zijn, verkopen op de wijze die in de overeenkomst tot zekerheidstelling is bedongen of in het openbaar verkopen, tenzij bij een bijzondere wet anders is bepaald. Indien het zekerheidsrecht is ingeschreven in het register van zekerheden en de datum van inschrijving van de aanvang van de executie van het zekerheidsrecht in het register van zekerheidsrechten valt na de datum van kennisgeving van de executie van het zekerheidsrecht aan de zekerheidsgever en de schuldenaar, en indien deze niet dezelfde persoon zijn, begint de termijn van 30 dagen te lopen vanaf de datum waarop de aanvang van de executie van het zekerheidsrecht in het register van zekerheden is ingeschreven. (2) Na betekening van de aanvang van de executie van het zekerheidsrecht kunnen de zekerheidsgever en de zekerheidsnemer overeenkomen dat de zekerheidsnemer het onderpand ook vóór verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn op de in de overeenkomst tot zekerheidstelling bedongen wijze of in het openbaar kan verkopen. (3) De zekerheidsnemer die de executie van het zekerheidsrecht heeft ingeleid om zich op de in de overeenkomst tot zekerheidstelling bedongen wijze te voldoen, kan op elk moment tijdens de executie van het zekerheidsrecht, de wijze van executie wijzigen en het onderpand openbaar verkopen of eisen dat hij in overeenstemming met de bijzondere wetten wordt voldaan met de verkoop van het onderpand. De zekerheidsnemer stelt de zekerheidsgever in kennis van de wijziging van de wijze van executie van het zekerheidsrecht.”

17 § 565 van dat wetboek luidt als volgt: „Ingeval een schuldvordering in termijnen wordt ingevorderd kan de schuldeiser niet verlangen dat wegens niet-betaling van een van de maandelijkse termijnen de gehele schuldvordering wordt afgelost, tenzij dit tussen partijen is overeengekomen of in een beslissing is bepaald. De schuldeiser kan dit recht evenwel tot uiterlijk de vervaldatum van de eerstvolgende termijn uitoefenen.”

Wetboek van executie

18 § 63, lid 3, van het wetboek van executie bepaalt dat de gedwongen verkoop van een onroerend goed slechts bij uitzondering, na goedkeuring door de rechter, kan plaatsvinden indien tegen de betrokkene verschillende executieprocedures lopen die verband houden met schuldvorderingen die in totaal meer bedragen dan 2000 EUR en de gerechtsdeurwaarder aantoont dat het schuldbedrag niet op een andere wijze kan worden ingevorderd.

Wet inzake vrijwillige openbare verkoop

19 § 16, lid 1, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop bepaalt dat een openbare verkoop slechts kan plaatsvinden op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de aanvrager van de verkoop en de veilingmeester.

20 Overeenkomstig § 17 van deze wet, is de veilingmeester gehouden de openbare verkoop aan te kondigen door publicatie van een bericht. Wanneer de ter openbare verkoop aangeboden zaak een appartement, een woning, een ander gebouw, een onderneming of een eenheid daarvan is, of wanneer de bodemprijs meer bedraagt dan 16550 EUR, publiceert de veilingmeester het bericht ten minste 30 dagen vóór de aanvang van de openbare verkoop in het register van openbare verkopen. Hij zendt dat bericht onverwijld aan het bevoegde ministerie met het oog op de bekendmaking ervan in het officiële handelsblad alsmede aan diegene die om de verkoop heeft verzocht, aan de schuldenaar van de zekerheidsnemer en aan de eigenaar van het in het openbaar te verkopen goed indien dit niet de schuldenaar is.

21 § 21, lid 2, van diezelfde wet luidt als volgt: „Bij betwisting van de rechtsgeldigheid van de overeenkomst tot zekerheidstelling of schending van de bepalingen van deze wet kan eenieder die stelt dat hij door die schending in zijn rechten is gekort, de rechter verzoeken de verkoop nietig te verklaren. Dit recht vervalt echter drie maanden na de openbare verkoop, tenzij de grondslag van het verzoek om nietigverklaring bestaat in een strafbaar feit en de verkoop een woning of appartement betreft waarin de oude eigenaar op het ogenblik van de openbare verkoop volgens een bijzondere regeling officieel verblijf hield; in dat geval kan zelfs na het verstrijken van deze termijn om nietigverklaring van de verkoop worden verzocht. […]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

22 Op 9 februari 2012 heeft VÚB aan verzoekers in het hoofdgeding, SP en CI, een consumentenkrediet verstrekt dat over een periode van 20 jaar moet worden afgelost en dat wordt gewaarborgd door een zekerheidsrecht op een onroerend goed, te weten de gezinswoning waarin verzoekers in het hoofdgeding en anderen hun woonplaats hadden (hierna: „betrokken kredietovereenkomst”).

23 Vóór die datum hadden verzoekers in het hoofdgeding sinds 2004 verschillende andere consumentenkredieten afgesloten bij Consumer Finance Holding a.s. (hierna: „CFH”), waarmee VÚB destijds economisch verbonden was. Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat VÚB nagenoeg het gehele uit hoofde van de betrokken kredietovereenkomst aan SP en CI toegekende bedrag heeft gebruikt voor de aanzuivering van de door CFH verleende kredieten die zij niet meer konden aflossen. Bovendien heeft VÚB hun, nog steeds vóór de sluiting van de betrokken kredietovereenkomst, een aantal consumentenkredieten verstrekt waarvan zij het bedrag eenzijdig heeft vastgesteld en ook grotendeels heeft aangewend voor de aflossing van schulden en kosten die voortvloeiden uit kredieten die eerder door haarzelf of door CFH aan SP en CI waren verstrekt.

24 In januari 2013, minder dan een jaar na de sluiting van de betrokken kredietovereenkomst en nadat verzoekers in het hoofdgeding in gebreke waren gebleven met de aflossing van termijnen, heeft VÚB op grond van een in die overeenkomst opgenomen beding betreffende vervroegde opeisbaarheid (hierna: „beding betreffende vervroegde opeisbaarheid”), terugbetaling gevorderd van alle uit hoofde van die overeenkomst verschuldigde bedragen. In april 2013 heeft VÚB aan SP en CI haar beslissing aangekondigd om haar zekerheidsrecht uit te oefenen bij wege van „vrijwillige” openbare verkoop van het in zekerheid gegeven gebouw, dat wil zeggen een buitengerechtelijke openbare verkoop.

25 Zoals uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt, wordt dit soort buitengerechtelijke openbare verkoop door particulieren verricht. Nadat de schuldeiser eenzijdig het bedrag van de schuldvordering heeft vastgesteld, verkoopt een veilingmeester het onroerend goed in kwestie buiten elke gerechtelijke procedure om en zonder dat een rechter vooraf de gegrondheid van het bedrag van de schuldvordering of de evenredigheid van de verkoop ten opzichte van het bedrag van de schuldvordering heeft kunnen toetsen. De wet omschrijft deze openbare verkoop als „vrijwillig”, ondanks dat de consument er niet mee instemt. De schuldeiser kan de procedure van de vrijwillige openbare verkoop in gang zetten 30 dagen na de kennisgeving van het bericht van executie van het zekerheidsrecht.

26 Verzoekers in het hoofdgeding hebben bij de Okresný súd Prešov (rechter in eerste aanleg Prešov, Slowakije) een verzoek ingediend tot opschorting van de openbare verkoop van de gezinswoning. Die rechter in eerste aanleg heeft hun vordering afgewezen bij een eerste vonnis, dat hij vervolgens, na terugverwijzing, heeft bevestigd, ondanks de vernietiging ervan door de Krajský súd v Prešove (rechter in tweede aanleg Prešov, Slowakije). Volgens de rechter in eerste aanleg volgt uit de rechtspraak van de Najvyšší súd Slovenskej republiky (hoogste rechterlijke instantie van de Slowaakse Republiek) dat uit het arrest van 10 september 2014, Kušionová (C‑34/13, EU:C:2014:2189), niet kan worden afgeleid dat de bepalingen van richtlijn 93/13 zich verzetten tegen de Slowaakse wettelijke regeling die de buitengerechtelijke executie door een vrijwillige openbare verkoop toestaat van een door de consument in zekerheid gegeven onroerend goed, zelfs wanneer het zijn woning betreft en de gewaarborgde schuldvordering is gebaseerd op een overeenkomst die oneerlijke bedingen bevat.

27 Verzoekers in het hoofdgeding hebben tegen dit tweede vonnis hoger beroep ingesteld bij de Krajský súd v Prešove, de verwijzende rechter, waarbij zij opnieuw om opschorting van de buitengerechtelijke verkoop van hun woning hebben verzocht en onder meer aanvoeren dat hun rechten als consument zijn geschonden.

28 Volgens de verwijzende rechter is bescherming tegen de onevenredige aantasting van de rechten van consumenten, daaronder begrepen hun recht op huisvesting, met name van belang voordat de verkoop van het goed plaatsvindt. Het Slowaakse materiële recht voorziet niet in een andere bescherming ex ante, zodat consumenten in geval van een vrijwillige openbare verkoop van hun woning geen andere mogelijkheid hebben dan een vordering tot opschorting van die verkoop in te stellen.

29 De verwijzende rechter geeft aan dat de betrokken kredietovereenkomst in casu werd afgesloten voor een periode van 20 jaar en dat VÚB minder dan een jaar na het sluiten van die overeenkomst gebruik had gemaakt van het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid omdat er sprake was van een betalingsachterstand van 1106,50 EUR. De waarde van de buitengerechtelijk verkochte gezinswoning is ten minste 30 keer hoger dan het bedrag waarvoor VÚB de lening vervroegd opeisbaar heeft verklaard en tot executie van het zekerheidsrecht is overgegaan.

30 De verwijzende rechter merkt op dat het Slowaakse recht slechts één voorwaarde stelt aan het in het leven roepen van een beding betreffende vervroegde opeisbaarheid zoals aan de orde in het hoofdgeding, namelijk een betalingsachterstand van drie maanden en inachtneming van een aanvullende termijn van vijftien dagen door de schuldeiser.

31 Die regeling en de in punt 26 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak van de Najvyšší súd Slovenskej republiky kunnen derhalve in strijd kunnen zijn met het Unierecht en met name met het evenredigheidsbeginsel, aangezien zij de verkoop mogelijk maken van het goed waarin de consument zijn woonplaats heeft, zelfs in geval van een geringe contractuele niet-nakoming.

32 Bovendien wordt volgens de verwijzende rechter – niettegenstaande de door de artikelen 7, 38 en 47 van het Handvest, de richtlijnen 93/13 en 2005/29 en de door het doeltreffendheidsbeginsel geboden bescherming – in de nationale regeling inzake de executie van een zekerheidsrecht op een onroerend goed door middel van een vrijwillige openbare verkoop van de woning van consumenten, zoals uitgelegd door de Najvyšší súd Slovenskej republiky, onvoldoende belang gehecht aan de bescherming van de gezinswoning en wordt daarin geen rekening gehouden met de mogelijkheid om andere middelen te gebruiken voor de executie van het zekerheidsrecht. Zo zou het verstrekken van kredieten aan consumenten, zoals de praktijk aantoont, zeer nadelige gevolgen hebben voor deze laatsten en hun gezinnen.

33 Wat de toepassing van richtlijn 2005/29 betreft, is de verwijzende rechter van oordeel dat de praktijk van kredietverlening met het oog op de aflossing van schulden die voortvloeien uit een of meer eerdere kredieten, niet van rechterlijke toetsing op grond van deze richtlijn kan worden uitgesloten. De omstandigheden waarin het betrokken consumentenkrediet is gesloten, vormen oneerlijke handelspraktijken die binnen de werkingssfeer van die richtlijn moeten vallen. Bovendien leiden de oneerlijke handelspraktijken weliswaar niet rechtstreeks tot nietigheid van de betrokken rechtshandeling, maar zij zijn van invloed op de beoordeling van het oneerlijke karakter van de contractuele bedingen.

34 Wat de toepassing van richtlijn 2008/48 betreft, is de verwijzende rechter van oordeel dat een krediet dat is verstrekt ter aflossing van uit eerdere kredieten voortvloeiende schulden, noch aan het doel van die richtlijn, noch aan het doel van de eraan voorafgaande richtlijn beantwoordt.

35 Bovendien zijn kredietovereenkomsten die worden gewaarborgd door een hypotheek of een recht op een onroerend goed weliswaar van de werkingssfeer van richtlijn 2008/48 uitgesloten, maar in casu wordt in de kredietovereenkomst het doel van het krediet niet gespecifieerd en voldoet deze overeenkomst aan de vereisten voor consumentenkredietovereenkomsten. Deze kredietovereenkomst is niet gewaarborgd door een hypotheek en evenmin bestemd voor de financiering van de verwerving van een onroerend goed, maar strekte ertoe eerdere consumentenkredieten af te lossen. In die omstandigheden bestaat er een nauw verband tussen die kredietovereenkomst en de eerder door SP en CI gesloten consumentenkredietovereenkomsten, zodat de verwijzende rechter zich afvraagt of een dergelijke situatie binnen de werkingssfeer van richtlijn 2008/48 valt.

36 Ten slotte wenst de verwijzende rechter, met het oog op de vaststelling van het precieze bedrag van de schuld van verzoekers in het hoofdgeding, te vernemen of de benadering van het Hof in het arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová (C‑377/14, EU:C:2016:283), op de onderhavige zaak van toepassing is.

37 In die omstandigheden heeft de Krajský súd v Prešove de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Verzetten artikel 47 [van het Handvest] junctis de artikelen 7 en 38 [daarvan], richtlijn [93/13], richtlijn [2005/29] en het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht zich tegen een wettelijke regeling zoals § 53, lid 9, en § 565 van het burgerlijk wetboek, op grond waarvan bij vervroegde opeisbaarheid geen rekening wordt gehouden met de evenredigheid daarvan en in het bijzonder niet met de ernst van de niet-nakoming van de consumentenverplichtingen ten opzichte van het bedrag van het krediet en de periode voor de terugbetaling daarvan? Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord […]: 2) a) Verzetten artikel 47 [van het Handvest] junctis de artikelen 7 en 38 [daarvan], richtlijn 93/13, richtlijn 2005/29 en het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht zich tegen rechtspraak die de executie van een zekerheidsrecht bij wege van de particuliere openbare verkoop van de woning van consumenten of andere personen in wezen niet opschort en tegelijkertijd geen rekening houdt met de ernst van de niet-nakoming van de consumentenverplichting ten opzichte van het bedrag en de looptijd van het krediet, ook wanneer er een andere manier bestaat om de schuldvordering van de kredietgever te voldoen, namelijk in het kader van een gerechtelijke executieprocedure waarbij de verkoop van de woning waarop het zekerheidsrecht rust geen voorrang krijgt? b) Moet artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29 aldus worden uitgelegd dat de bescherming van consumenten tegen oneerlijke handelspraktijken op het gebied van het consumentenkrediet zich uitstrekt tot alle wijzen van terugbetaling van schuldvorderingen van kredietgevers, daaronder begrepen het aangaan van een nieuw krediet ter dekking van de uit een eerder krediet voortvloeiende verplichtingen? c) Moet richtlijn 2005/29 aldus worden uitgelegd dat als oneerlijke handelspraktijk ook de handelwijze wordt aangemerkt van een kredietgever die herhaaldelijk kredieten verleent aan een consument die niet in staat is om deze kredieten terug te betalen, zodat er een keten van kredieten ontstaat die de kredietgever in werkelijkheid niet aan de consument uitbetaalt maar inhoudt om eerdere kredieten en de totale kosten daarvan te dekken? d) Moet artikel 2, lid 2, onder a), van richtlijn 2008/48, gelezen in samenhang met overweging 10 van deze richtlijn, aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat deze richtlijn ook wordt toegepast op kredieten die alle kenmerken van een consumentenkrediet vertonen, wanneer het doel van het krediet niet is overeengekomen en de kredietgever het gehele krediet, afgezien van een onbeduidend deel ervan, heeft bestemd ter dekking van eerdere consumentenkredieten en wanneer als zekerheid een zekerheidsrecht op een onroerend goed is overeengekomen? e) Moet het arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová (C‑377/14, EU:C:2016:283), aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is op het geval van een aan een consument verstrekte kredietovereenkomst waarvan het bedrag gedeeltelijk is bestemd voor de terugbetaling van de door de kredietgever gevorderde kosten?”

Procedure bij het Hof

38 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 22 februari 2023, heeft VÚB primair verzocht om op grond van artikel 100, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof vast te stellen dat het Hof niet langer bevoegd is uitspraak te doen omdat het hoofdgeding zonder voorwerp is geraakt. Subsidiair heeft VÚB verzocht om heropening van de mondelinge behandeling overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

39 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 9 augustus 2023, heeft VÚB opnieuw verzocht om heropening van de mondelinge behandeling.

40 Wat in de eerste plaats de hoofdvordering in de op 22 februari 2023 neergelegde akte betreft, verklaart VÚB namelijk dat zij met ingang van 14 februari 2023 afstand heeft gedaan van het op het onroerende goed gevestigde zekerheidsrecht tot waarborg van de betrokken kredietovereenkomst, zodat het hoofdgeding zonder voorwerp is geraakt en geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan op het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing.

41 Bij brief, ingekomen ter griffie van het Hof op 21 april 2023, heeft VÚB bovendien meegedeeld dat zij had ingestemd met de schuldoverdracht van verzoekers in het hoofdgeding aan een derde, die deze schuld inmiddels had afgelost. Ook om die reden is het hoofdgeding volgens haar zonder voorwerp geraakt.

42 Volgens vaste rechtspraak van het Hof rust er een vermoeden van relevantie op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof staat om de juistheid te onderzoeken. Het is echter ook vaste rechtspraak dat de krachtens artikel 267 VWEU ingestelde procedure een instrument is voor de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, dat het Hof in staat stelt de nationale rechters de elementen voor uitlegging van het Unierecht te verschaffen die zij nodig hebben om uitspraak te kunnen doen in de bij hen aanhangige gedingen. De reden voor de prejudiciële verwijzing is niet het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar de behoefte aan werkelijke beslechting van een geschil. Wanneer blijkt dat het hoofdgeding zonder voorwerp is geraakt, zodat de gestelde vragen kennelijk niet meer relevant zijn voor de beslechting van dit geding, dient het Hof de zaak dan ook af te doen zonder beslissing (zie in die zin arrest van 24 november 2022, Banco Cetelem, C‑302/21, EU:C:2022:919, punten 26, 27, 31 en 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43 In dit verband heeft het Hof op 14 maart 2023 en 26 mei 2023 de verwijzende rechter om verduidelijking verzocht over de vraag of de door VÚB aangevoerde omstandigheden daadwerkelijk een einde hebben gemaakt aan het hoofdgeding en of de antwoorden op de aan het Hof voorgelegde vragen nog noodzakelijk waren voor de beslechting van het hoofdgeding en, in voorkomend geval, op welke gronden.

44 Bij brieven van 5 april 2023 en 12 juni 2023 heeft de verwijzende rechter erop gewezen dat noch de afstand van het zekerheidsrecht op het onroerende goed, noch de schuldoverdracht tot gevolg had dat het hoofdgeding zonder voorwerp was geraakt, aangezien in wezen niet was voldaan aan de daartoe in het nationale recht gestelde geldigheidsvoorwaarden. Ten eerste preciseert deze rechter dat hij niet had ingestemd met de eenzijdige afstand door VÚB van het zekerheidsrecht, aangezien een overeenkomst met de schuldenaren onontbeerlijk is om een dergelijk zekerheidsrecht door afstand teniet te doen. Ten tweede heeft hij benadrukt dat naar nationaal recht alle consumentenrechten van verzoekers in het hoofdgeding zouden zijn gehandhaafd, indien de schuldvordering door VÚB was overgedragen.

45 Gelet op de toelichtingen van de verwijzende rechter, moet worden aangenomen dat het hoofdgeding niet zonder voorwerp is geraakt en dat de gestelde vragen dus relevant blijven voor de beslechting van dit geding. Derhalve dient te worden beslist op het verzoek om een prejudiciële beslissing.

46 Wat in de tweede plaats het verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling betreft, betoogt VÚB in haar op 22 februari 2023 ter griffie van het Hof neergelegde subsidiaire verzoek in wezen dat zij het op bepaalde punten oneens is met de conclusie van de advocaat-generaal, die volgens haar op onjuiste gegevens berust, zodat de feitelijke en/of juridische context van de prejudiciële vragen moet worden verduidelijkt. Voorts maakt VÚB op verschillende punten bezwaar tegen de wijze waarop de advocaat-generaal de in deze vragen genoemde richtlijnen in haar conclusie heeft uitgelegd.

47 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 9 augustus 2023, heeft VÚB, ter ondersteuning van haar verzoek om heropening van de mondelinge behandeling, het Hof meegedeeld dat zij op diezelfde dag bij de Ústavný súd Slovenskej republiky (grondwettelijk hof van de Slowaakse Republiek) hoger beroep had ingesteld tegen de beslissing van de verwijzende rechter van 12 juni 2023 om het verzoek tot intrekking van de prejudiciële beslissing af te wijzen ondanks het feit dat zij afstand heeft gedaan van het zekerheidsrecht op het onroerende goed en de schuld heeft overgedragen, zoals vermeld in punt 44 van het onderhavige arrest. VÚB heeft die rechter immers niet verzocht om haar verzoek om een prejudiciële beslissing wegens deze handelingen in te trekken, maar om het Hof overeenkomstig artikel 100, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering in kennis te stellen van alle elementen die van invloed kunnen zijn op de voortzetting van de prejudiciële procedure. Deze afstand en schuldoverdracht vormen dergelijke elementen.

48 Ten tweede is VÚB in wezen van mening dat, indien het Hof – op basis van de gegevens waarover het met betrekking tot die schuldoverdracht en afstand beschikt – geen uitspraak over het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing kan doen op grond van artikel 100, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, de mondelinge behandeling moet worden heropend om te verduidelijken welke elementen zij in dit verband relevant acht.

49 Krachtens artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling gelasten, met name wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht, wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit aanbrengt dat doorslaggevend kan zijn voor de beslissing van het Hof, of nog wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen of de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.

50 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het feit dat een partij in het hoofdgeding of een belanghebbende het oneens is met de conclusie van de advocaat-generaal op zich geen grond voor de heropening van de mondelinge behandeling kan vormen (zie in die zin arrest van 16 februari 2023, Gallaher, C‑707/20, EU:C:2023:101, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51 Hieruit volgt dat het feit dat VÚB het oneens is met de conclusie van de advocaat-generaal, op zich niet de heropening van de mondelinge behandeling kan rechtvaardigen.

52 Voorts is het Hof, de advocaat-generaal gehoord, van oordeel dat het na de schriftelijke behandeling en de terechtzitting over alle gegevens beschikt om op het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing te beslissen.

53 De partijen in het hoofdgeding en de belanghebbenden die aan de onderhavige procedure hebben deelgenomen – in het bijzonder VÚB –, hebben namelijk zowel tijdens de schriftelijke als tijdens de mondelinge behandeling ervan de gegevens feitelijk en rechtens kunnen uiteenzetten die zij relevant achtten om het Hof in staat te stellen de vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden. Bovendien heeft VÚB, ondanks het feit dat het Hof haar uitdrukkelijk heeft verzocht om ter terechtzitting een standpunt in te nemen over de antwoorden van de verwijzende rechter op een eerste verzoek om verduidelijking dat op 7 juni 2022 aan deze rechter was toegezonden en met name betrekking had op het juridische en feitelijke kader van de prejudiciële vragen, besloten om niet deel te nemen aan de terechtzitting. Wat voorts de afstand van het zekerheidsrecht op een onroerend goed, de schuldoverdracht alsmede de gevolgen daarvan voor de toepassing van artikel 100, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering betreft, dient erop te worden gewezen dat deze elementen, gelet op de overwegingen in de punten 40 tot en met 45 van het onderhavige arrest, niet van invloed kunnen zijn op de door het Hof te geven beslissing.

54 Ten slotte brengen de door VÚB ingediende verzoeken om heropening van de mondelinge behandeling geen enkel nieuw feit aan het licht dat van invloed kan zijn op de door het Hof te geven beslissing.

55 Er is dan ook geen reden om de heropening van de mondelinge behandeling te gelasten.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Ontvankelijkheid

56 VÚB betoogt in wezen dat de prejudiciële vragen over de uitlegging van richtlijn 93/13 niet-ontvankelijk zijn omdat zij irrelevant voor de beslechting van het geding en hypothetisch zijn, aangezien zij geen verband houden met het voorwerp van het hoofdgeding. In dit verband merkt zij in wezen op dat verzoekers in het hoofdgeding de op hen rustende contractuele verplichtingen op stelselmatige en ernstige wijze niet zijn nagekomen, zodat de executie van het zekerheidsrecht hoe dan ook de evenredigheidstoets volgens de in het arrest van 14 maart 2013, Aziz (C‑415/11, EU:C:2013:164, punt 73), genoemde criteria doorstaat.

57 Volgens vaste rechtspraak van het Hof rust er een vermoeden van relevantie op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof staat om de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan enkel weigeren uitspraak te doen op een door een nationale rechter gestelde prejudiciële vraag in de zin van artikel 267 VWEU wanneer met name de vereisten met betrekking tot de inhoud van een verzoek om een prejudiciële beslissing als vermeld in artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering niet zijn nageleefd, wanneer de door de nationale rechterlijke instantie gevraagde uitlegging of beoordeling van de geldigheid van een Unierechtelijk voorschrift klaarblijkelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is (arrest van 20 oktober 2022, Koalitsia Demokratichna Bulgaria – Obedinenie, C‑306/21, EU:C:2022:813, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

58 Een dergelijk ontbreken van een verband of de hypothetische aard van de gestelde vragen kan echter niet worden vastgesteld louter op grond van de bewering van VÚB dat de executie van het zekerheidsrecht in casu evenredig is. Zoals de advocaat-generaal in punt 49 van haar conclusie heeft opgemerkt, hebben de vragen over de uitlegging van richtlijn 93/13 immers niet tot doel om na te gaan of dit in casu het geval is, maar strekken zij ertoe te vernemen of de rechter moet onderzoeken of de mogelijkheid die de schuldeiser door het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid wordt geboden, evenredig is wanneer de nationale wettelijke regeling of de nationale rechtspraak hem daartoe niet verplicht.

59 Bijgevolg is de gevraagde uitlegging van richtlijn 93/13 noodzakelijk voor de beslechting van het hoofdgeding en zijn de prejudiciële vragen niet hypothetisch. Bijgevolg zijn deze vragen ontvankelijk.

60 Daarentegen dient te worden vastgesteld dat, zoals de Slowaakse regering en de Europese Commissie betogen, de verwijzende rechter niet de gegevens rechtens of feitelijk verstrekt waaruit het verband tussen de gestelde vragen en richtlijn 2005/29 blijkt. Zo legt de verwijzende rechter niet uit wat het verband is tussen de toepassing van het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid enerzijds en het bestaan van oneerlijke handelspraktijken anderzijds. Evenmin preciseert hij in hoeverre de executie van het zekerheidsrecht op een onroerend goed bij een vrijwillige openbare verkoop een oneerlijke handelspraktijk kan vormen, noch waarom de uitlegging van die richtlijn tegen deze achtergrond noodzakelijk is voor de beslechting van het hoofdgeding.

61 Derhalve moet worden vastgesteld dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 94, onder c), van het Reglement voor de procesvoering en dat de prejudiciële vragen overeenkomstig de in punt 57 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak niet-ontvankelijk zijn voor zover zij betrekking hebben op de uitlegging van richtlijn 2005/29.

Eerste vraag

62 Aangezien de eerste vraag in wezen betrekking heeft op de omvang van de rechterlijke toetsing van de mogelijkheid die de schuldeiser door een beding betreffende vervroegde opeisbaarheid wordt geboden om de gehele lening opeisbaar te verklaren, dient om te beginnen te worden onderzocht of het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid in casu binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt. Volgens artikel 1, lid 2, daarvan zijn contractuele bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn overgenomen immers niet aan deze richtlijn onderworpen.

63 Deze uitsluiting van de werkingssfeer van richtlijn 93/13, die zich uitstrekt tot de bepalingen van nationaal recht die de verhouding tussen de overeenkomstsluitende partijen regelen ongeacht hun keuze en tot die welke bij gebreke van andersluidende bepalingen van toepassing zijn, vindt haar rechtvaardiging in het feit dat in beginsel kan worden aangenomen dat de nationale wetgever een evenwicht tussen alle rechten en plichten van de partijen bij bepaalde overeenkomsten tot stand heeft gebracht, een evenwicht dat de Uniewetgever uitdrukkelijk heeft willen handhaven (zie in die zin arresten van 10 juni 2021, Prima banka Slovensko, C‑192/20, EU:C:2021:480, punt 32, en 5 mei 2022, Zagrebačka banka, C‑567/20, EU:C:2022:352, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

64 Voor die uitsluiting moeten twee voorwaarden zijn vervuld. Ten eerste moet in het contractuele beding een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling zijn overgenomen en ten tweede moet het daarbij om een dwingende bepaling gaan (arresten van 10 september 2014, Kušionová, C‑34/13, EU:C:2014:2189, punt 78, en 3 maart 2020, Gómez del Moral Guasch, C‑125/18, EU:C:2020:138, punt 31).

65 Om vast te stellen of aan deze voorwaarden is voldaan, heeft het Hof geoordeeld dat het aan de nationale rechter staat om na te gaan of in het betrokken contractuele beding bepalingen van nationaal recht zijn overgenomen die los van de keuze van de overeenkomstsluitende partijen tussen hen van toepassing zijn of bepalingen die aanvullend zijn en derhalve bij gebreke van een andersluidende regeling van toepassing zijn, dat wil zeggen wanneer de partijen dienaangaande geen andere regeling zijn overeengekomen (arresten van 10 september 2014, Kušionová, C‑34/13, EU:C:2014:2189, punt 79; 3 maart 2020, Gómez del Moral Guasch, C‑125/18, EU:C:2020:138, punt 32, en 5 mei 2022, Zagrebačka banka, C‑567/20, EU:C:2022:352, punt 55).

66 In dit opzicht staat het aan de nationale rechter om aan de hand van de door het Hof geformuleerde criteria, namelijk met inachtneming van de aard, de algehele opzet en de bepalingen van de betrokken kredietovereenkomsten alsmede de juridische en feitelijke context van deze overeenkomsten, na te gaan of een dergelijk beding onder artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 valt, daarbij rekening houdend met het feit dat – gelet op de door deze richtlijn nagestreefde doelstelling van bescherming van de consument – de in artikel 1, lid 2, ervan neergelegde uitzondering strikt moet worden uitgelegd (arrest van 5 mei 2022, Zagrebačka banka, C‑567/20, EU:C:2022:352, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

67 In casu en onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter blijkt dat de bepalingen van nationaal recht waarop de eerste vraag betrekking heeft, namelijk § 53, lid 9, en § 565 van het burgerlijk wetboek, in een beding in de betrokken kredietovereenkomst zijn overgenomen, met name het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid. Dienaangaande merkt de verwijzende rechter op dat dit beding die bepalingen „in wezen kopieert”.

68 Krachtens § 53, lid 9, van het burgerlijk wetboek kan de schuldeiser in het geval van een consumentenkredietovereenkomst die in termijnen moet worden terugbetaald, overeenkomstig § 565 van dat wetboek verlangen dat het gehele krediet wordt afgelost, indien dit tussen partijen is overeengekomen. De schuldeiser kan dit recht ten vroegste drie maanden na de te late betaling van een termijn en slechts nadat hij de consument ten minste vijftien dagen voor de uitoefening van dat recht daarvan in kennis heeft gesteld, uitoefenen.

69 In zijn antwoord op het verzoek van het Hof om verduidelijking in dit verband, heeft de verwijzende rechter aangegeven dat voormelde gecombineerde bepalingen niet automatisch of standaard van toepassing zijn wanneer partijen geen keuze in die zin hebben gemaakt. Bovendien was de schuldeiser, hoewel partijen in de kredietovereenkomst zijn overeengekomen dat hij vervroegde terugbetaling van het geleende bedrag kan vorderen, niet verplicht om dit recht uit te oefenen. De verwijzende rechter is voorts van oordeel dat § 54, lid 1, van het burgerlijk wetboek – dat in wezen bepaalt dat bedingen in een met een consument gesloten overeenkomst niet ten nadele van de consument mogen afwijken van de bepalingen van dat wetboek – daarom nog geen dwingend karakter verleent aan de bepalingen van § 53, lid 9, van datzelfde wetboek, aangezien de eerste bepaling partijen toestaat om van de tweede bepaling af te wijken, mits dit ten gunste van de consument is.

70 Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, die als enige bevoegd is om de bepalingen van zijn nationale recht uit te leggen, moet dus worden geoordeeld dat het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid – dat voorziet in het recht van de schuldeiser om de vervroegde terugbetaling van het volledige verschuldigde saldo te vorderen wanneer de schuldenaar zijn contractuele verplichtingen niet nakomt – geen „beding waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn overgenomen” in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 is, aangezien in dat beding weliswaar de in punt 68 van het onderhavige arrest genoemde nationale bepalingen zijn overgenomen, maar deze bepalingen niet dwingend zijn en dus niet voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 1, lid 2, voor de toepassing van de daarin neergelegde uitsluiting.

71 In dat geval valt een dergelijk beding dus onder de bepalingen van richtlijn 93/13, zoals uitgelegd door het Hof.

72 Met betrekking tot de grond van de vraag, staat het volgens vaste rechtspraak aan het Hof om in het kader van de door artikel 267 VWEU ingestelde samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, aan deze laatste om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Met het oog hierop staat het aan het Hof om de voorgelegde vragen te herformuleren en alle bepalingen van Unierecht uit te leggen die noodzakelijk zijn voor de beslechting van bij de nationale rechterlijke instanties aanhangige gedingen, ook wanneer die bepalingen niet uitdrukkelijk worden genoemd in de door deze rechterlijke instanties aan het Hof voorgelegde vragen (zie in die zin met name arrest van 4 oktober 2018, Kamenova, C‑105/17, EU:C:2018:808, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

73 In dit opzicht moet worden aangenomen dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 3, lid 1, artikel 4, lid 1, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 38 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan er bij de rechterlijke toetsing van het oneerlijke karakter van een in een consumentenkredietovereenkomst opgenomen beding betreffende vervroegde opeisbaarheid, geen rekening mee wordt gehouden of de aan de kredietgever geboden mogelijkheid om het recht uit te oefenen dat hij aan dat beding ontleent evenredig is, gelet op criteria die met name verband houden met de omvang van de niet-nakoming door de consument van zijn contractuele verplichtingen, zoals het bedrag van de termijnen die niet werden voldaan in verhouding tot het totale kredietbedrag en de duur van de overeenkomst, alsmede met de mogelijkheid dat de toepassing van dat beding ertoe leidt dat de kredietgever de uit hoofde van datzelfde beding verschuldigde bedragen kan invorderen door de verkoop van de gezinswoning van de consument buiten elke gerechtelijke procedure om.

74 In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat, gelet op het feit dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan de verkoper beschikt, artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 bepaalt dat oneerlijke bedingen de consument niet binden. In dit verband en om het in artikel 38 van het Handvest neergelegde hoge niveau van consumentenbescherming te waarborgen, moet de nationale rechter, zelfs ambtshalve, toetsen of een contractueel beding dat binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt, oneerlijk is en aldus het gebrek aan evenwicht tussen de consument en de verkoper compenseren zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt (zie in die zin arresten van 19 december 2019, Bondora, C‑453/18 en C‑494/18, EU:C:2019:1118, punt 40, en 17 mei 2022, Ibercaja Banco, C‑600/19, EU:C:2022:394, punten 35‑37).

75 Wat in de tweede plaats de criteria betreft aan de hand waarvan dierechterlijke toetsing moet worden verricht, zij eraan herinnerd dat artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13, tezamen genomen, de algemene criteria bevatten op basis waarvan het oneerlijke karakter van de onder die bepalingen vallende contractuele bedingen kan worden beoordeeld (arrest van 3 juni 2010, Caja de Ahorros y Monte de Piedad de Madrid, C‑484/08, EU:C:2010:309, punt 33).

76 Derhalve omschrijft artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 met de verwijzing naar de begrippen „goede trouw” en „aanzienlijke verstoring van het evenwicht” tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument, slechts in abstracto de factoren die een oneerlijk karakter geven aan een contractueel beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld (arrest van 26 januari 2017, Banco Primus, C‑421/14, EU:C:2017:60, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

77 Om te bepalen of een beding een „aanzienlijke verstoring van het evenwicht” tussen de uit een overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen veroorzaakt ten nadele van de consument, moet met name rekening worden gehouden met de regels van nationaal recht die van toepassing zijn wanneer partijen op dit punt geen regeling hebben getroffen. Dit vergelijkend onderzoek laat de nationale rechter toe te bepalen of, en in voorkomend geval in welke mate, de overeenkomst de consument in een juridisch minder gunstige positie plaatst dan die welke het geldende nationale recht bepaalt (zie in die zin arrest van 14 maart 2013, Aziz, C‑415/11, EU:C:2013:164, punt 68).

78 Met betrekking tot de vraag in welke omstandigheden een dergelijke verstoring van het evenwicht „in strijd met de goede trouw” wordt veroorzaakt, dient de nationale rechter, gelet op de zestiende overweging van de considerans van richtlijn 93/13, na te gaan of de verkoper door op eerlijke en billijke wijze te onderhandelen met de consument redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat de consument een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover afzonderlijk was onderhandeld (zie in die zin arresten van 14 maart 2013, Aziz, C‑415/11, EU:C:2013:164, punt 69, en 10 juni 2021, BNP Paribas Personal Finance, C‑609/19, EU:C:2021:469, punt 66).

79 Bovendien worden overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die richtlijn, voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop die overeenkomst betrekking heeft.

80 Wat in het bijzonder een beding in een langlopende hypothecaire leningovereenkomst betreft dat – net als het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid – de voorwaarden vaststelt waaronder de schuldeiser vervroegde aflossing mag eisen, heeft het Hof ook reeds criteria vastgesteld aan de hand waarvan de nationale rechter het eventuele oneerlijke karakter ervan kan achterhalen, zoals de advocaat-generaal in punt 74 van haar conclusie heeft opgemerkt.

81 Zo heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat het, om vast te stellen of een contractueel beding betreffende vervroegde opeisbaarheid in een hypothecair krediet leidt tot een aanzienlijke verstoring van het evenwicht ten nadele van de consument, met name van wezenlijk belang is om te weten of aan de mogelijkheid voor de kredietgever om de gehele lening opeisbaar te verklaren de voorwaarde is verbonden dat de consument een hoofdverplichting in het kader van de desbetreffende contractuele relatie niet nakomt, of in deze mogelijkheid is voorzien voor gevallen waarin de niet-nakoming voldoende ernstig is in verhouding tot de looptijd en het bedrag van de lening, of deze mogelijkheid afwijkt van de regels van gemeen recht die ter zake toepasselijk zijn bij gebreke van specifieke contractuele bepalingen, en of het nationale recht voorziet in geschikte en doeltreffende middelen die het de aan een dergelijk beding onderworpen consument mogelijk maken om de gevolgen van de opeisbaarheid van de lening ongedaan te maken (zie in die zin arrest van 26 januari 2017, Banco Primus, C‑421/14, EU:C:2017:60, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

82 Hieruit volgt dat de nationale rechter met name de evenredigheid moet onderzoeken van de aan de schuldeiser geboden mogelijkheid om krachtens dit beding het geheel aan verschuldigde bedragen te vorderen, wanneer hij beoordeelt of het beding eventueel oneerlijk is, hetgeen betekent dat hij rekening moet houden met de mate waarin de consument tekortschiet in de nakoming van zijn contractuele verplichtingen, zoals het bedrag van de termijnen die niet werden voldaan in verhouding tot het totale kredietbedrag en de duur van de overeenkomst.

83 In dit verband zij eraan herinnerd dat de criteria die in het arrest van 26 januari 2017, Banco Primus (C‑421/14, EU:C:2017:60), werden geformuleerd voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding dat betrekking heeft op de vervroegde opeisbaarheid wanneer de schuldenaar gedurende een beperkte periode zijn verplichtingen niet nakomt, noch cumulatief of alternatief, noch uitputtend zijn (zie in die zin arrest van 8 december 2022, Caisse régionale de Crédit mutuel de Loire-Atlantique et du Centre Ouest, C‑600/21, EU:C:2022:970, punten 30 en 31).

84 Hieruit volgt dat de rechterlijke toetsing van de evenredigheid van dat beding in voorkomend geval moet worden verricht aan de hand van aanvullende criteria. Gelet op de gevolgen die een beding betreffende vervroegde opeisbaarheid dat is opgenomen in een consumentenkredietovereenkomst die wordt gewaarborgd door de gezinswoning – zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde beding – kan hebben, moet de nationale rechter bij de beoordeling of de door dat beding aan de schuldeiser geboden mogelijkheid een oneerlijk karakter heeft, in zijn analyse rekening houden met de eventuele verstoring van het contractueel evenwicht die door dat beding wordt veroorzaakt en met de omstandigheid dat de toepassing ervan, in voorkomend geval, ertoe kan leiden dat de schuldeiser de uit hoofde van dit beding verschuldigde bedragen invordert door de woning buiten elke gerechtelijke procedure om te verkopen.

85 In dit verband moet die rechter, bij de beoordeling van de middelen die de consument de mogelijkheid bieden om de gevolgen van de integrale opeisbaarheid van de op grond van de kredietovereenkomst verschuldigde bedragen ongedaan te maken, rekening houden met de gevolgen van de uitzetting van de consument en zijn gezin uit de woning waarin zij hun hoofdverblijf hebben. Het recht op eerbiediging van de woning is immers een door artikel 7 van het Handvest gewaarborgd grondrecht waarmee de nationale rechter bij de uitvoering van richtlijn 93/13 rekening moet houden. Het Hof heeft in dit verband benadrukt dat het voor die rechter belangrijk is om voorlopige maatregelen te kunnen gelasten om een onrechtmatige procedure van hypothecaire uitwinning te schorsen of te verhinderen wanneer dergelijke maatregelen noodzakelijk blijken ter verzekering van de doeltreffendheid van de door richtlijn 93/13 beoogde bescherming (zie in die zin arrest van 10 september 2014, Kušionová, C‑34/13, EU:C:2014:2189, punten 63‑66).

86 Indien de verwijzende rechter op basis van de hierboven vermelde criteria in het kader van zijn beoordeling van het oneerlijke karakter van het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid zou vaststellen dat in casu het ten gunste van VÚB bedongen recht om de vervroegde terugbetaling te vorderen van het saldo dat op grond van de betrokken kredietovereenkomst–waarvoor de gezinswoning van verzoekers in het hoofdgeding als zekerheid is gesteld–verschuldigd is, deze kredietgever in staat stelt dit recht uit te oefenen zonder rekening te hoeven houden met de omvang van de niet-nakoming door de consumenten ten opzichte van het bedrag van de lening en de periode voor de terugbetaling daarvan, zou deze vaststelling ertoe kunnen leiden dat de verwijzende rechter dit beding als oneerlijk moet beschouwen, aangezien het, in strijd met het vereiste van goede trouw, het evenwicht tussen de partijen ten nadele van de consumenten aanzienlijk verstoort, gelet op alle omstandigheden waarin die overeenkomst is gesloten en waarvan de kredietgever bij de sluiting op de hoogte kon zijn.

87 Indien het beding na die analyse oneerlijk wordt verklaard, dient die rechter dit beding buiten toepassing te laten opdat het geen dwingende gevolgen heeft voor de consument, tenzij deze zich daartegen verzet (arrest van 16 juli 2020, Caixabank en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, C‑224/19 en C‑259/19, EU:C:2020:578, punt 50).

88 In dit verband mogen de in het nationale recht geldende voorwaarden waaraan artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 refereert, het recht dat de consumenten aan die bepaling ontlenen om niet te worden gebonden door een beding dat als oneerlijk wordt beschouwd, niet in de kern aantasten (arrest van 26 januari 2017, Banco Primus, C‑421/14, EU:C:2017:60, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

89 Bij gebreke van een dergelijke toetsing is de bescherming die de consument wordt geboden namelijk onvolledig en ontoereikend en vormt zij geen geschikt en doeltreffend middel om een einde te maken aan het gebruik van dat soort bedingen, hetgeen in strijd is met artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 (arrest van 26 januari 2017, Banco Primus, C‑421/14, EU:C:2017:60, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

90 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, artikel 4, lid 1, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 38 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan er bij de rechterlijke toetsing van het oneerlijke karakter van een in een consumentenkredietovereenkomst opgenomen beding betreffende vervroegde opeisbaarheid, geen rekening mee wordt gehouden of de aan de kredietgever geboden mogelijkheid om het recht uit te oefenen dat hij aan dat beding ontleent, evenredig is, gelet op criteria die met name verband houden met de omvang van de niet-nakoming door de consument van zijn contractuele verplichtingen, zoals het bedrag van de termijnen die niet werden voldaan in verhouding tot het totale kredietbedrag en de duur van de overeenkomst, alsmede met de mogelijkheid dat de toepassing van dat beding ertoe leidt dat de kredietgever de uit hoofde van dat beding verschuldigde bedragen kan invorderen door de verkoop van de gezinswoning van de consument buiten elke gerechtelijke procedure om.

Tweede vraag

91 Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

92 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 3, lid 1, artikel 4, lid 1, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, gelezen in het licht van artikelen 7 en 38 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan er bij de rechterlijke toetsing van het oneerlijke karakter van een in een consumentenkredietovereenkomst opgenomen beding betreffende vervroegde opeisbaarheid, geen rekening mee wordt gehouden of de aan de kredietgever geboden mogelijkheid om het recht uit te oefenen dat hij aan dat beding ontleent, evenredig is, gelet op criteria die met name verband houden met de omvang van de niet-nakoming door de consument van zijn contractuele verplichtingen, zoals het bedrag van de termijnen die niet werden voldaan in verhouding tot het totale kredietbedrag en de duur van de overeenkomst, alsmede met de mogelijkheid dat de toepassing van dat beding ertoe leidt dat de kredietgever de uit hoofde van dat beding verschuldigde bedragen kan invorderen door de verkoop van de gezinswoning van de consument buiten elke gerechtelijke procedure om.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Slowaaks.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in