HvJ EU 30 april 2025, C-370/24, ECLI:EU:C:2025:300

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

30 april 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven – Richtlijn 2009/103/EG – Artikel 13, lid 2 – Vergoedingsregeling – Verkeersongeval met een gestolen voertuig – Bewijslast met betrekking tot de kennis door de benadeelde van de diefstal van dat voertuig – Schadevergoedingsorgaan – Nationale regeling die aldus wordt uitgelegd dat de bewijslast bij de benadeelde komt te liggen – Verplichting tot uitlegging overeenkomstig het Unierecht”

In zaak C‑370/24 [Nastolo] ( i ),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunale ordinario di Lodi (rechter in eerste aanleg Lodi, Italië) bij beslissing van 20 mei 2024, ingekomen bij het Hof op 23 mei 2024, in de procedure

AT

tegen

CT,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: N. Jääskinen, kamerpresident, M. Condinanzi en R. Frendo (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– AT, vertegenwoordigd door A. Egidi en A. E. Lunghi, avvocati,

– CT, vertegenwoordigd door L. Leo, avvocata,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Conte, G. Goddin en A. Manzaneque Valverde als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13 van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB 2009, L 263, blz. 11).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen AT, een persoon die gewond is geraakt bij een verkeersongeval, en CT, de door het Fondo di garanzia per le vittime de la strada (waarborgfonds voor verkeersslachtoffers; hierna: „FGVS”) aangewezen onderneming, over de vergoeding van de schade die AT als gevolg van dat ongeval heeft geleden.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 De overwegingen 1, 2 en 20 van richtlijn 2009/103 luiden als volgt: „(1) Richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid [(PB 1972, L 103, blz. 1)], tweede richtlijn 84/5/EEG van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven [(PB 1984, L 8, blz. 17)], derde richtlijn 90/232/EEG van de Raad van 14 mei 1990 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven [(PB 1990, L 129, blz. 33)] en richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 mei 2000 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven [en tot wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG van de Raad] (vierde richtlijn motorrijtuigenverzekering) [(PB 2000, L 181, blz. 65)] zijn herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd. Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze vier richtlijnen en richtlijn 2005/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 houdende wijziging van de richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG, 88/357/EEG en 90/232/EEG van de Raad en richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven [(PB 2005, L 149, blz. 14)] te worden overgegaan. (2) De verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (motorrijtuigenverzekering) is van bijzonder groot belang voor Europese burgers, of zij verzekeringnemers zijn of slachtoffers van een ongeval. Zij is tevens van grote betekenis voor verzekeringsondernemingen omdat de motorrijtuigenverzekering een aanzienlijk deel van het schadeverzekeringsbedrijf in de [Europese] Gemeenschap vormt. Daarnaast heeft de motorrijtuigenverzekering gevolgen voor het vrije verkeer van personen en voertuigen. Een van de hoofddoelstellingen van het communautaire optreden op het gebied van financiële diensten dient derhalve een versterking en consolidering van de interne markt op het gebied van motorrijtuigenverzekering te zijn. […] (20) Er dient voor te worden gezorgd dat slachtoffers van ongevallen met motorrijtuigen een vergelijkbare behandeling krijgen, ongeacht de plaats in de Gemeenschap waar het ongeval zich heeft voorgedaan.”

4 Artikel 3 van richtlijn 2009/103, met als opschrift „Verplichte motorrijtuigenverzekering”, bepaalt: „Iedere lidstaat treft, onverminderd de toepassing van artikel 5, de nodige maatregelen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt. De dekking van de schade alsmede de voorwaarden van deze verzekering worden in de in de eerste alinea bedoelde maatregelen vastgesteld. […] De in de eerste alinea bedoelde verzekering dekt zowel materiële schade als lichamelijk letsel.”

5 Artikel 10 van deze richtlijn, met als opschrift „Schadevergoedingsorgaan”, bepaalt: „1. Elke lidstaat stelt een orgaan in of erkent een orgaan dat tot taak heeft materiële schade en lichamelijk letsel die zijn veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig of een voertuig waarvoor niet aan de in artikel 3 bedoelde verzekeringsplicht is voldaan, ten minste binnen de grenzen van de verplichte verzekering te vergoeden. […] 2. […] De lidstaten kunnen evenwel van vergoeding door dit orgaan uitsluiten degenen die geheel vrijwillig plaats hebben genomen in het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, wanneer het orgaan kan bewijzen dat zij wisten dat het voertuig niet verzekerd was. […]”

6 Artikel 13 van die richtlijn, met als opschrift „Uitsluitingsclausules”, bepaalt in leden 1 en 2: „1. Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen, opdat alle wettelijke bepalingen of contractuele clausules in een verzekeringspolis, afgegeven overeenkomstig artikel 3, voor de toepassing van dat artikel worden geacht niet te gelden inzake aanspraken van derden die slachtoffer zijn van een ongeval, in gevallen waarin van de verzekering is uitgesloten het gebruik of het besturen van voertuigen: a) door personen die daartoe niet uitdrukkelijk of stilzwijgend gemachtigd zijn; b) door personen die geen rijbewijs hebben om het betrokken voertuig te besturen; c) door personen die de wettelijke technische vereisten inzake de toestand en veiligheid van het betrokken voertuig niet in acht hebben genomen. De in de eerste alinea, onder a), bedoelde bepaling of clausule kan echter worden tegengeworpen aan personen die geheel vrijwillig hebben plaatsgenomen in het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, wanneer de verzekeraar kan bewijzen dat zij wisten dat het voertuig gestolen was. De lidstaten hebben de mogelijkheid om voor ongevallen op hun grondgebied het bepaalde in de eerste alinea niet toe te passen indien en voor zover het slachtoffer schadevergoeding kan krijgen van een orgaan van de sociale zekerheid. 2. In het geval van voertuigen die door diefstal of geweldpleging zijn verkregen, kunnen de lidstaten bepalen dat het in artikel 10, lid 1, bedoelde orgaan in plaats van de verzekeraar zal optreden onder de in lid 1 van het onderhavige artikel gestelde voorwaarden; […]. […]”

Italiaans recht

7 Artikel 283, leden 1 en 2, van decreto legislativo n. 209 ‑ Codice delle assicurazioni private (wetsbesluit nr. 209 houdende het wetboek particuliere verzekeringen) van 7 september 2005 (GURI nr. 239 van 13 oktober 2005, gewoon supplement nr. 163), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt: „1. Het waarborgfonds voor verkeersslachtoffers, dat is opgericht bij de [Concessionaria Servizi Assicurativi Pubblici SpA (Consap)], vergoedt de schade die is veroorzaakt door deelneming aan het verkeer van voertuigen en vaartuigen waarvoor een verzekeringsplicht geldt, in gevallen waarin: […] d) het voertuig tegen de wil van de eigenaar aan het verkeer deelneemt, […]; […] 2. In het in lid 1, onder d), bedoelde geval is de vergoeding voor lichamelijk letsel en materiële schade slechts verschuldigd aan niet-vervoerde derden en aan personen die tegen hun wil worden vervoerd of niet wisten dat het voertuig onrechtmatig aan het verkeer deelnam.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

8 Op 6 januari 2016 is AT uitgenodigd om als passagier in te stappen in een voertuig waarover de bestuurder beschikte. Tijdens de rit raakte het voertuig betrokken bij een verkeersongeval in Lodi (Italië). De twee inzittenden van het voertuig moesten naar het ziekenhuis worden vervoerd. AT had ernstige lichamelijke verwondingen opgelopen.

9 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de bestuurder positief testte op cocaïne, opiaten en tetrahydrocannabinol. Voorts hebben de agenten van de lokale politie in hun rapport opgemerkt dat de auto gestolen was.

10 Bijgevolg zijn de bestuurder en AT strafrechtelijk vervolgd voor het delict van heling. Aan het einde van deze procedure is AT vrijgesproken omdat zij niet de dader van het strafbare feit was. Intussen is de bestuurder overleden.

11 Op 11 februari 2022 heeft AT bij de Tribunale ordinario di Lodi (rechter in eerste aanleg Lodi, Italië), de verwijzende rechter, tegen de erfgenaam van de bestuurder, en CT, in haar hoedanigheid van door het FGVS aangewezen onderneming, een vordering ingesteld tot vergoeding van de door het ongeval geleden schade, die was becijferd op 233076 EUR, vermeerderd met rente en uit herwaardering voortvloeiende bedragen.

12 CT voert voor de verwijzende rechter aan dat de vergoeding waarin de op het hoofdgeding toepasselijke versie van artikel 283 van het wetboek particuliere verzekeringen voorziet, slechts verschuldigd is voor vervoerde personen die niet wisten dat het voertuig waarin zij op het moment van het ongeval zaten onrechtmatig aan het verkeer deelnam, en voorts dat het volgens de rechtspraak van de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) aan de benadeelde staat om te bewijzen dat hij niet op de hoogte was van het feit dat dit voertuig onrechtmatig aan het verkeer deelnam. In dit verband voert CT aan dat het vonnis waarbij AT werd vrijgesproken, irrelevant is.

13 AT betoogt dat artikel 13 van richtlijn 2009/103 voldoende duidelijk is in die zin dat het de bewijslast bij het FGVS legt. Voorts verzoekt zij om de met het Unierecht strijdige nationale bepaling buiten toepassing te laten.

14 De verwijzende rechter wijst erop dat de Corte suprema di cassazione en de feitenrechters de in het hoofdgeding toepasselijke nationale regeling aldus uitleggen dat de last om het bewijs te leveren dat de benadeelde niet op de hoogte was van de onrechtmatigheid van de herkomst van het betrokken voertuig, rust op de benadeelde persoon, aangezien dat bewijs een constitutief bestanddeel van diens schadevordering is.

15 In dit verband heeft de Corte suprema di cassazione volgens de verwijzende rechter geoordeeld dat het feit dat de bewijslast van zijn goede trouw bij de benadeelde rust, binnen de beoordelingsmarge valt waarover de betrokken lidstaat in het kader van de uitvoering van richtlijn 2009/103 beschikt. Bovendien blijft de door het nationale recht nagestreefde doelstelling dezelfde als de door het Unierecht nagestreefde doelstelling, namelijk voorkomen dat een persoon die wist dat het betrokken voertuig gestolen was, schadevergoeding kan vorderen.

16 Derhalve acht de verwijzende rechter het nuttig het Hof te verzoeken om uitlegging van artikel 13 van richtlijn 2009/103. Dit artikel staat de lidstaten namelijk toe te bepalen dat het in artikel 10, lid 1, van deze richtlijn bedoelde orgaan zal optreden om het slachtoffer van een door een gestolen voertuig veroorzaakt ongeval te vergoeden. In geen enkele bepaling van die richtlijn is echter uitdrukkelijk aangegeven dat wanneer de nationale wetgever heeft voorzien in de tussenkomst van dit orgaan, de bewijslast dat de benadeelde op de hoogte was van het feit dat het betrokken voertuig onrechtmatig aan het verkeer deelnam, op dat orgaan rust. Artikel 13, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2009/103 verwijst namelijk uitsluitend naar het specifieke geval dat een vordering tegen de verzekeringsmaatschappij is ingesteld.

17 Volgens deze rechter suggereert een gezamenlijke lezing van artikel 10, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2009/103 en artikel 13, lid 2, van deze richtlijn echter dat het aan de in artikel 10, lid 1, van die richtlijn bedoelde orgaan staat om te bewijzen dat het betrokken voertuig gestolen was.

18 Ook het algemene beginsel dat de benadeelde altijd recht heeft op schadevergoeding (vulneratus ante omnia reficiendus), dat ten grondslag ligt aan de gehele regelgeving van de Unie inzake de verplichte motorrijtuigenverzekering en waarop het Hof zijn beslissingen ter zake vaak heeft gebaseerd, pleit voor een uitlegging in die zin van artikel 13 van richtlijn 2009/103. Indien de ratio legis van dit artikel 13 erin bestaat de onschuldige benadeelde toegang te verlenen tot een billijke vergoeding, kan hem moeilijk de verplichting worden opgelegd om het bewijs te leveren van een omstandigheid die nagenoeg onmogelijk is aan te tonen.

19 Bovendien zou het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht in gevaar kunnen worden gebracht indien de persoon die vergoeding van zijn schade vordert, verplicht zou zijn het bewijs te leveren van een negatieve omstandigheid, of zelfs van een omstandigheid die nagenoeg onmogelijk is aan te tonen.

20 Ten slotte heeft het Hof volgens de verwijzende rechter artikel 13 van richtlijn 2009/103 nog niet uitgelegd. Het Hof diende zich enkel uit te spreken over de uitlegging die moest worden gegeven aan de eerdere regeling ter zake. Daarbij heeft het bij herhaling geoordeeld dat wettelijke bepalingen of contractuele clausules die tot gevolg hebben dat de toepasselijkheid van een verzekeringspolis wordt uitgesloten, slechts aan de slachtoffers van een ongeval kunnen worden tegengeworpen „wanneer de verzekeraar kan bewijzen dat de personen die geheel vrijwillig hebben plaatsgenomen in het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, wisten dat het gestolen was”.

21 Daarop heeft de Tribunale ordinario di Lodi de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 13 van richtlijn [2009/103] aldus worden uitgelegd dat in het geval van een verkeersongeval waarbij een persoon betrokken was die werd vervoerd in een gestolen voertuig, het in artikel 10 van die richtlijn bedoelde schadevergoedingsorgaan dient aan te tonen dat de benadeelde wist dat de auto was gestolen? 2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, staat die bepaling, in die zin uitgelegd, dan in de weg aan een regeling als de Italiaanse, die aldus wordt uitgelegd en toegepast dat de bewijslast op de vervoerde en benadeelde persoon rust?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

22 Met zijn prejudiciële vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 13, lid 2, van richtlijn 2009/103 aldus moet worden uitgelegd dat, ten eerste, het in artikel 10, lid 1, van deze richtlijn bedoelde orgaan, teneinde zich te onttrekken aan zijn verplichting tot schadevergoeding, dient te bewijzen dat in geval van een verkeersongeval de benadeelde die geheel vrijwillig heeft plaatsgenomen in het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, wist dat het gestolen was en, ten tweede, deze bepaling zich verzet tegen nationale rechtspraak waarin de nationale regeling aldus wordt uitgelegd dat het in een dergelijke situatie aan die persoon staat om te bewijzen dat hij niet op de hoogte was van het feit dat dit voertuig gestolen was, teneinde vergoeding van zijn schade te verkrijgen.

23 Artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 legt de lidstaten de verplichting op om, onverminderd de toepassing van artikel 5 van deze richtlijn, de nodige maatregelen te treffen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op hun grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt.

24 In dit verband bepaalt artikel 10, lid 1, van richtlijn 2009/103 dat elke lidstaat een orgaan instelt of erkent een orgaan dat tot taak heeft materiële schade en lichamelijk letsel die zijn veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig of een voertuig waarvoor niet aan de in artikel 3 van deze richtlijn bedoelde verzekeringsplicht is voldaan, ten minste binnen de grenzen van de verplichte verzekering te vergoeden.

25 Artikel 13, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 bepaalt dat in het geval van voertuigen die door diefstal of geweldpleging zijn verkregen, de lidstaten kunnen bepalen dat het in artikel 10, lid 1, van deze richtlijn bedoelde orgaan „in plaats van de verzekeraar zal optreden onder de in lid 1 [van dat] artikel [13] gestelde voorwaarden”.

26 Opgemerkt zij dat uit de bewoordingen van artikel 13, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 uitdrukkelijk blijkt dat de Uniewetgever op dit orgaan de voorwaarden en beperkingen heeft willen toepassen die krachtens artikel 13, lid 1, van deze richtlijn op verzekeraars van toepassing zijn.

27 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de Italiaanse Republiek heeft gekozen voor de tussenkomst van het in artikel 10, lid 1, van richtlijn 2009/103 bedoelde orgaan in geval van schade veroorzaakt door voertuigen die tegen de wil van de eigenaar ervan aan het verkeer deelnemen.

28 Wanneer een lidstaat heeft gekozen voor vergoeding door dit orgaan in geval van schade veroorzaakt door gestolen voertuigen, moet dit orgaan overeenkomstig artikel 13, lid 2, van deze richtlijn voldoen aan de voorwaarden van artikel 13, lid 1, van die richtlijn.

29 In dit verband kan een verzekeringsmaatschappij die de wettelijke aansprakelijkheid voor motorrijtuigen dekt, ingevolge artikel 13, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 niet weigeren de schade te vergoeden van derden die het slachtoffer zijn van een ongeval dat is veroorzaakt door een verzekerd voertuig, door zich te beroepen op wettelijke bepalingen of in een verzekeringspolis opgenomen contractuele clausules op grond waarvan schade die aan dergelijke derden is veroorzaakt ten gevolge van het gebruik of het besturen van verzekerde voertuigen door personen die niet gemachtigd zijn het betrokken voertuig te besturen, personen die geen rijbewijs hebben of personen die de wettelijke technische vereisten inzake de toestand en veiligheid van het betrokken voertuig niet hebben nageleefd, van dekking door de motorrijtuigenverzekering is uitgesloten (arrest van 19 september 2024, Matmut, C‑236/23, EU:C:2024:761, punt 33).

30 In afwijking van die eerste alinea bepaalt artikel 13, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2009/103 dat het mogelijk is dat bepaalde slachtoffers niet door de verzekeringsmaatschappij worden vergoed, gelet op de situatie die zij zelf hebben gecreëerd, te weten in de gevallen waarin het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt werd gebruikt of bestuurd door personen die daartoe niet uitdrukkelijk of stilzwijgend gemachtigd waren, en waarin de derden die het slachtoffer zijn geheel vrijwillig in het voertuig hebben plaatsgenomen en wisten dat het voertuig gestolen was (arrest van 19 september 2024, Matmut, C‑236/23, EU:C:2024:761, punt 34).

31 In dat verband dient te worden opgemerkt dat, aangezien artikel 13, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2009/103 een afwijking op een algemene regel vormt, deze bepaling strikt moet worden uitgelegd (beschikking van 13 oktober 2021, Liberty Seguros, C‑375/20, EU:C:2021:861, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 Elke andere uitlegging zou de lidstaten in staat stellen de vergoeding van derden die slachtoffer zijn van een verkeersongeval te beperken tot bepaalde omstandigheden, hetgeen richtlijn 2009/103 juist beoogt te vermijden (beschikking van 13 oktober 2021, Liberty Seguros, C‑375/20, EU:C:2021:861, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33 In het licht van deze overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat artikel 13, lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een wettelijke bepaling of een contractuele clausule in een verzekeringspolis die het gebruik of het besturen van voertuigen van de verzekering uitsluit, slechts aan derden die slachtoffer zijn van een verkeersongeval kan worden tegengeworpen wanneer de verzekeraar kan bewijzen dat de personen die geheel vrijwillig hebben plaatsgenomen in het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, wisten dat het gestolen was (beschikking van 13 oktober 2021, Liberty Seguros, C‑375/20, EU:C:2021:861, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34 Hieruit volgt dat, gelet op de bewoordingen van artikel 13, lid 2, van richtlijn 2009/103, wanneer een lidstaat heeft gekozen voor de tussenkomst van het in artikel 10, lid 1, van richtlijn 2009/103 bedoelde orgaan in geval van schade veroorzaakt door gestolen voertuigen, het aan dit orgaan staat om het bewijs te leveren dat de benadeelde personen die geheel vrijwillig hebben plaatsgenomen in het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, wisten dat dit voertuig gestolen was, om aan deze slachtoffers een wettelijke bepaling of een contractuele clausule in een verzekeringspolis te kunnen tegenwerpen die bepaalt dat de verzekering geen voertuigen dekt die onder dergelijke omstandigheden worden gebruikt of bestuurd.

35 Die vaststelling wordt bevestigd door zowel de context van artikel 13, lid 2, van richtlijn 2009/103 als de doelstellingen van die richtlijn, waarmee volgens vaste rechtspraak van het Hof rekening moet worden gehouden bij de uitlegging van die bepaling (zie, naar analogie, arrest van 18 december 2019, IT Development, C‑666/18, EU:C:2019:1099, punt 37).

36 Wat de context van artikel 13, lid 2, van richtlijn 2009/103 betreft, is de conclusie dat de bewijslast in kwestie op het in artikel 10, lid 1, van deze richtlijn bedoelde orgaan rust, ook in overeenstemming met artikel 10, lid 2, tweede alinea, van deze richtlijn, volgens hetwelk dit orgaan, teneinde zijn tussenkomst uit te sluiten, dient te bewijzen dat de benadeelde personen die geheel vrijwillig hebben plaatsgenomen in het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, wisten dat dit voertuig niet verzekerd was. In een dergelijk geval rust de bewijslast van de kennis van het feit dat dit voertuig niet verzekerd was, dus ook op dat orgaan en niet op het slachtoffer van het verkeersongeval.

37 Wat de doelstellingen van richtlijn 2009/103 betreft, zij eraan herinnerd dat bij richtlijn 2009/103, zoals in overweging 1 ervan staat te lezen, is overgegaan tot codificatie van richtlijn 72/166, de tweede richtlijn 84/5, de derde richtlijn 90/232, richtlijn 2000/26 en richtlijn 2005/14. Deze richtlijnen hebben de verplichtingen van de lidstaten op het gebied van verplichte verzekering geleidelijk verduidelijkt. Zij beoogden enerzijds het vrije verkeer te waarborgen, zowel van gewoonlijk op het grondgebied van de Europese Unie gestalde motorrijtuigen als van de inzittenden, en anderzijds wilden ze verzekeren dat de slachtoffers van door deze motorrijtuigen veroorzaakte ongevallen een vergelijkbare behandeling kregen, ongeacht de plaats in de Unie waar het ongeval zich heeft voorgedaan (arrest van 19 september 2024, Matmut, C‑236/23, EU:C:2024:761, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38 Bovendien blijkt uit de overwegingen 2 en 20 van richtlijn 2009/103 dat deze richtlijn in wezen dezelfde doelstellingen nastreeft als voormelde richtlijnen (zie in die zin arrest van 19 september 2024, Matmut, C‑236/23, EU:C:2024:761, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39 Uit de ontwikkeling van de Unieregeling inzake de verplichte verzekering blijkt dat de Uniewetgever voortdurend de doelstelling van bescherming van de slachtoffers van door deze voertuigen veroorzaakte ongevallen heeft nagestreefd en versterkt (arrest van 19 september 2024, Matmut, C‑236/23, EU:C:2024:761, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40 Gelet op de door richtlijn 2009/103 nagestreefde doelstelling van bescherming van de slachtoffers van door motorrijtuigen veroorzaakte verkeersongevallen, kan het slachtoffer van een verkeersongeval dus niet worden verplicht te bewijzen dat hij niet op de hoogte was van het feit dat hij plaats heeft genomen in een gestolen voertuig, aangezien een dergelijke bewijslast in strijd zou zijn met die doelstelling.

41 Gelet op de gegevens waarover het Hof beschikt, is nationale rechtspraak volgens welke de last om het bewijs te leveren dat het slachtoffer van een verkeersongeval niet op de hoogte was van de onrechtmatigheid van de herkomst van het betrokken voertuig, rust op dit slachtoffer, aangezien dat bewijs een constitutief bestanddeel van diens schadevordering is, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, bijgevolg niet in overeenstemming met de vereisten van artikel 13, lid 2, van richtlijn 2009/103.

42 Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, moet worden verduidelijkt welke verplichtingen op de nationale rechter rusten voor het geval dat de nationale rechtspraak niet in overeenstemming is met artikel 13, lid 2, van richtlijn 2009/103.

43 Er zij aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de nationale rechter, wanneer hij het nationale recht toepast, dit recht zo veel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn, teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 288, derde alinea, VWEU te voldoen. Deze verplichting tot richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht is inherent aan het systeem van het VWEU, aangezien de nationale rechterlijke instanties daardoor in staat worden gesteld binnen het kader van hun bevoegdheden de volle werking van het Unierecht te verzekeren bij de beslechting van de bij hen aanhangige gedingen (zie arrest van 5 maart 2020, OPR-Finance, C‑679/18, EU:C:2020:167, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44 Voorts heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat het beginsel van conforme uitlegging vereist dat de nationale rechter binnen zijn bevoegdheden, met inachtneming van het gehele interne recht en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, al het mogelijke doet om de volle werking van de betrokken richtlijn te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling (arrest van 5 maart 2020, OPR-Finance, C‑679/18, EU:C:2020:167, punt 42).

45 In deze context heeft het Hof geoordeeld dat de verplichting tot richtlijnconforme uitlegging de nationale rechterlijke instanties, daaronder begrepen die welke in laatste aanleg uitspraak doen, verplicht om in voorkomend geval vaste nationale rechtspraak te wijzigen wanneer deze berust op een met de doelstellingen van een richtlijn onverenigbare uitlegging van het nationale recht. Bijgevolg kan een nationale rechter niet op goede gronden oordelen dat hij een nationale bepaling niet in overeenstemming met het Unierecht kan uitleggen op de enkele grond dat deze bepaling tot dan toe steeds is uitgelegd op een wijze die onverenigbaar is met dit recht (zie in die zin arrest van 5 maart 2020, OPR-Finance, C‑679/18, EU:C:2020:167, punten 43 en 44).

46 Het staat dus aan de verwijzende rechter om de volle werking van richtlijn 2009/103 te verzekeren door zo nodig, op eigen gezag, de door de Italiaanse rechterlijke instanties gegeven uitlegging buiten toepassing te laten, voor zover deze uitlegging niet verenigbaar is met het Unierecht (zie naar analogie arrest van 5 maart 2020, OPR-Finance, C‑679/18, EU:C:2020:167, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47 Deze verplichting tot richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht wordt evenwel begrensd door de algemene rechtsbeginselen, met name het rechtszekerheidsbeginsel, in die zin dat zij niet kan dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht (arrest van 5 maart 2020, OPR-Finance, C‑679/18, EU:C:2020:167, punt 45).

48 Hoewel het niet aan het Hof staat om zich uit te spreken over de uitlegging van het Italiaanse recht, moet in dit verband niettemin worden opgemerkt dat volgens de in de verwijzingsbeslissing bedoelde nationale rechtspraak de nationale regel volgens welke de bewijslast in kwestie op de benadeelde rust, niet duidelijk tot uitdrukking komt in artikel 283 van wetsbesluit nr. 209. Indien dit inderdaad het geval is, kan een uitlegging in overeenstemming met richtlijn 2009/103 niet worden geacht contra legem te zijn.

49 Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 13, lid 2, van richtlijn 2009/103 aldus moet worden uitgelegd dat, ten eerste, het in artikel 10, lid 1, van deze richtlijn bedoelde orgaan, teneinde zich te onttrekken aan zijn verplichting tot schadevergoeding, dient te bewijzen dat in geval van een verkeersongeval de benadeelde die geheel vrijwillig heeft plaatsgenomen in het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, wist dat het gestolen was en, ten tweede, deze bepaling zich verzet tegen nationale rechtspraak waarin de nationale regeling aldus wordt uitgelegd dat het in een dergelijke situatie aan die persoon staat om te bewijzen dat hij niet op de hoogte was van het feit dat dit voertuig gestolen was, teneinde vergoeding van zijn schade te verkrijgen.

Kosten

50 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 13, lid 2, van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid

moet aldus worden uitgelegd dat

ten eerste, het in artikel 10, lid 1, van deze richtlijn bedoelde orgaan, teneinde zich te onttrekken aan zijn verplichting tot schadevergoeding, dient te bewijzen dat in geval van een verkeersongeval de benadeelde die geheel vrijwillig heeft plaatsgenomen in het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, wist dat het gestolen was en, ten tweede, deze bepaling zich verzet tegen nationale rechtspraak waarin de nationale regeling aldus wordt uitgelegd dat het in een dergelijke situatie aan die persoon staat om te bewijzen dat hij niet op de hoogte was van het feit dat dit voertuig gestolen was, teneinde vergoeding van zijn schade te verkrijgen.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Italiaans.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in