HvJ EU 18 december 2019, C-666/18, ECLI:EU:C:2019:1099

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

18 december 2019 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Intellectuele eigendom – Eerbiediging van de intellectuele-eigendomsrechten – Richtlijn 2004/48/EG – Rechtsbescherming van computerprogramma’s – Richtlijn 2009/24/EG – Softwarelicentieovereenkomst – Ongeoorloofde wijziging van de broncode van een computerprogramma door een licentiehouder in strijd met de licentieovereenkomst – Door de auteur van de software tegen de licentiehouder ingestelde vordering wegens inbreuk – Aard van de toepasselijke aansprakelijkheidsregeling”

In zaak C‑666/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de cour d’appel de Paris (Frankrijk) bij beslissing van 16 oktober 2018, ingekomen bij het Hof op 24 oktober 2018, in de procedure

IT Development SAS

tegen

Free Mobile SAS,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: E. Regan, kamerpresident, I. Jarukaitis (rapporteur), E. Juhász, M. Ilešič en C. Lycourgos, rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– IT Development SAS, vertegenwoordigd door B. Lamon, avocat,

– Free Mobile SAS, vertegenwoordigd door J. Fréneaux, avocat,

– de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Coesme, A.‑L. Desjonquères en A. Daniel als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door É. Gippini Fournier, S. L. Kalėda en J. Samnadda als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 september 2019,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PB 2004, L 157, blz. 45, met rectificaties in PB 2004, L 195, blz. 16, en PB 2007, L 204, blz. 27) en artikel 4 van richtlijn 2009/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s (PB 2009, L 111, blz. 16).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen IT Development SAS en Free Mobile SAS over de gestelde inbreuk op een softwareprogramma en de daaruit voortvloeiende schade.

Toepasselijke bepalingen

Recht van de Unie

Richtlijn 2004/48

3 In de overwegingen 10, 13 en 15 van richtlijn 2004/48 staat het volgende te lezen: „(10) Het doel van deze richtlijn is de onderlinge aanpassing van deze wetgevingen teneinde een hoog, gelijkwaardig en homogeen niveau van bescherming in de interne markt te waarborgen. [...] (13) De werkingssfeer van deze richtlijn dient zo breed mogelijk te worden vastgesteld, zodat zij alle intellectuele-eigendomsrechten omvat die onder de communautaire bepalingen op dit gebied en/of het nationaal recht van de betrokken lidstaat vallen. [...] [...] (15) Deze richtlijn doet geen afbreuk aan het materiële recht inzake intellectuele eigendom [...]”.

4 Artikel 1 van deze richtlijn omschrijft het doel daarvan als volgt: „Deze richtlijn betreft de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen die noodzakelijk zijn om de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen. [...]”

5 Artikel 2 van deze richtlijn, met het opschrift „Toepassingsgebied”, bepaalt: „1. Onverminderd de middelen die in [wetgeving van de Unie] of nationale wetgeving zijn of kunnen worden vastgelegd, voor zover deze middelen gunstiger zijn voor de rechthebbenden, zijn de bij deze richtlijn vastgestelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen overeenkomstig artikel 3 van toepassing op elke inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, zoals bepaald in [het recht van de Unie] en/of het nationale recht van de betrokken lidstaat. [...] 3. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan: a) de [...] bepalingen [van de Unie] betreffende het materiële recht inzake de intellectuele eigendom [...]; [...]”

6 In artikel 3 van richtlijn 2004/48, met het opschrift „Algemene verplichting”, wordt bepaald: „1. De lidstaten stellen de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen vast die nodig zijn om de handhaving van de in deze richtlijn bedoelde intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen. Deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen dienen eerlijk en billijk te zijn, mogen niet onnodig ingewikkeld of kostbaar zijn en mogen geen onredelijke termijnen inhouden of nodeloze vertragingen inhouden. 2. De maatregelen, procedures en rechtsmiddelen moeten tevens doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn; zij worden zodanig toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor legitiem handelsverkeer wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik van deze procedures.”

7 Artikel 4 van die richtlijn, met het opschrift „Personen bevoegd tot het verzoeken van de toepassing van maatregelen, procedures en rechtsmiddelen”, luidt als volgt: „De lidstaten zullen als personen die bevoegd zijn om de toepassing van de in dit hoofdstuk bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen te verzoeken, erkennen: a) houders van intellectuele-eigendomsrechten, in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijke recht; [...]”

Richtlijn 2009/24

8 In overweging 15 van richtlijn 2009/24 staat het volgende te lezen: „De ongeoorloofde reproductie, vertaling, bewerking en omzetting van de codevorm waarin een kopie van een computerprogramma ter beschikking wordt gesteld, vormt een inbreuk op de exclusieve rechten van de auteur. [...]”

9 Artikel 1, lid 1, van richtlijn 2009/24, waarin het doel van de richtlijn wordt omschreven, bepaalt: „Overeenkomstig deze richtlijn worden computerprogramma’s door de lidstaten auteursrechtelijk beschermd als werken van letterkunde in de zin van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst. [...]”

10 Artikel 4 van deze richtlijn, met het opschrift „Handelingen waarvoor toestemming vereist is”, luidt: „1. Onverminderd de artikelen 5 en 6 omvatten de exclusieve rechten van de rechthebbende in de zin van artikel 2 het recht de volgende handelingen te verrichten of het verrichten daarvan toe te staan: [...] b) het vertalen, bewerken, arrangeren of anderszins veranderen van een programma, en de reproductie van het resultaat daarvan, onverminderd de rechten van degene die het programma verandert; [...]”

11 Artikel 5, lid 1, van deze richtlijn, met het opschrift „Uitzonderingen voor handelingen waarvoor toestemming nodig is”, bepaalt: „Tenzij bij overeenkomst uitdrukkelijk anders bepaald is, is voor de in artikel 4, lid 1, onder a) en b), genoemde handelingen geen toestemming van de rechthebbende vereist wanneer deze handelingen voor de rechtmatige verkrijger noodzakelijk zijn om het computerprogramma te kunnen gebruiken voor het beoogde doel, onder meer om fouten te verbeteren.”

12 Overeenkomstig artikel 8, eerste alinea, van richtlijn 2009/24 laat deze richtlijn andere wettelijke bepalingen, zoals die betreffende het overeenkomstenrecht, onverlet.

Frans recht

13 Artikel L. 112‑2 van de code de la propriété intellectuelle (wetboek van intellectuele eigendom) bepaalt: „In de zin van dit wetboek worden als intellectuele werken beschouwd: [...] 13° Software, met inbegrip van voorbereidend ontwerpmateriaal; [...]”

14 In artikel L. 122‑6 van dat wetboek wordt bepaald: „Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel L. 122‑6-1 omvat het exploitatierecht van de auteur van software het recht om de volgende handelingen te verrichten en het verrichten daarvan toe te staan: 1° Permanente of tijdelijke reproductie van software [...]; 2° Het vertalen, bewerken, arrangeren of anderszins veranderen van software en de reproductie van de software die daaruit voortvloeit; [...]”

15 Artikel L. 122‑6-1 van het wetboek bepaalt: „I. Voor de onder 1° en 2° van artikel L. 122‑6 bedoelde handelingen is geen toestemming van de auteur vereist wanneer zij noodzakelijk zijn voor het gebruik van de software, overeenkomstig zijn bestemming, door degene die het recht heeft deze te gebruiken, met inbegrip van het corrigeren van fouten. De auteur mag zich contractueel niettemin het recht voorbehouden om fouten te corrigeren en te bepalen onder welke specifieke voorwaarden de onder 1° en 2° van artikel L. 122‑6 bedoelde handelingen mogen worden verricht die noodzakelijk zijn voor het gebruik van de software, overeenkomstig zijn bestemming, door degene die het recht heeft deze te gebruiken. [...]”

16 In artikel L. 335‑3, tweede alinea, van het wetboek wordt bepaald: „Schending van een van de auteursrechten op software zoals die zijn omschreven in artikel L. 122‑6 vormt eveneens een inbreuk.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

17 Bij overeenkomst van 25 augustus 2010, gewijzigd bij addendum van 1 april 2012, heeft IT Development een licentie verleend aan en een onderhoudscontract gesloten met Free Mobile, een aanbieder van mobiele telefonie op de Franse markt, voor het softwarepakket ClickOnSite, een programma voor centraal projectbeheer waarmee teams van Free Mobile en externe technische dienstverleners de voortgang van de implementatie van alle antennes voor radiotelefonie in real time kunnen organiseren en volgen.

18 Bij akte van 18 juni 2015 is Free Mobile door IT Development gedagvaard voor de tribunal de grande instance de Paris (rechter in eerste aanleg Parijs, Frankrijk) wegens inbreuk op de ClickOnSite-software en ter verkrijging van een schadevergoeding. Zij verweet Free Mobile de software te hebben aangepast, met name door het creëren van nieuwe formulieren. Naast het feit dat die wijzigingen volgens haar substantieel van aard waren, heeft zij ter onderbouwing van haar stelling dat Free Mobile niet het recht had om dergelijke wijzigingen aan te brengen met name het bepaalde in artikel 6 van de licentieovereenkomst, getiteld „Omvang van de licentie”, aangevoerd, op grond waarvan de klant zich uitdrukkelijk ertoe verbindt het softwarepakket niet direct of indirect te reproduceren, te decompileren en/of te onderwerpen aan reverse engineering, noch de software te wijzigen, te corrigeren, aan te passen, dan wel direct of indirect secundaire of bijkomende werken te creëren met betrekking tot de software.

19 Free Mobile heeft een tegenvordering ingediend wegens misbruik van procedure, waarbij zij betoogde dat de vorderingen van IT Development niet-ontvankelijk en ongegrond waren.

20 Bij vonnis van 6 januari 2017 heeft de tribunal de grande instance de Paris de vorderingen van IT Development op grond van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van Free Mobile niet-ontvankelijk verklaard, de vordering van Free Mobile tot schadevergoeding wegens misbruik van procedure afgewezen en IT Development verwezen in de kosten. De tribunal de grande instance de Paris overwoog dat er op het gebied van de intellectuele eigendom twee verschillende aansprakelijkheidsregelingen bestaan, te weten enerzijds een regeling voor onrechtmatige daad wegens inbreuk op de exploitatierechten van de auteur van de software, zoals bij wet bepaald, en anderzijds een regeling van contractuele aard, voor schending van een contractueel voorbehouden auteursrecht, en dat in casu Free Mobile duidelijk in het kader van een contractuele aansprakelijkheidsvordering schending werd verweten van haar contractuele verplichtingen, en geen onrechtmatige daad wegens inbreuk op software.

21 IT Development heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij de cour d’appel de Paris (rechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk), waarbij zij verzoekt een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie, het vonnis in eerste aanleg te vernietigen en het door haar ingestelde beroep wegens inbreuk ontvankelijk te verklaren. Zij vordert tevens dat wordt verklaard dat de door Free Mobile in de software aangebrachte wijzigingen inbreukmakende handelingen vormen en dat Free Mobile wordt veroordeeld tot betaling aan haar van een bedrag van 1440000 EUR ter vergoeding van de geleden schade, alsmede, subsidiair, dat Free Mobile op contractuele grondslag wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van 840000 EUR ter vergoeding van die schade. Zij verzoekt om Free Mobile en haar onderaannemer Coraso in ieder geval, op straffe van een dwangsom, te verbieden de software te gebruiken en de gegevens daaruit te extraheren en te hergebruiken.

22 Free Mobile verzoekt de cour d’appel de Paris met name het vonnis in eerste aanleg te bevestigen, IT Development te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 50000 EUR wegens misbruik van procedure en alle vorderingen van IT Development niet-ontvankelijk of in elk geval ongegrond te verklaren.

23 De verwijzende rechter geeft aan dat het Franse recht inzake wettelijke aansprakelijkheid berust op het beginsel van niet-cumulatie van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad en contractuele aansprakelijkheid, welk beginsel ten eerste inhoudt dat een persoon een andere persoon niet voor dezelfde feiten zowel contractueel als op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk kan stellen, en ten tweede dat de contractuele aansprakelijkheid voorrang krijgt boven de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad wanneer die personen middels een geldige overeenkomst zijn gebonden en de door een van hen geleden schade is ontstaan doordat een van de contractuele verplichtingen niet of gebrekkig is nagekomen. Verder geeft hij aan dat naar Frans recht namaak, dat oorspronkelijk een strafbaar feit was, valt onder de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, maar dat er in dat recht geen enkele bepaling bestaat op grond waarvan er geen sprake zou kunnen zijn van een inbreuk wanneer partijen contractueel gebonden zijn. Zo kan bijvoorbeeld op het gebied van octrooi- en merkaangelegenheden een procedure wegens inbreuk worden ingeleid tegen de licentiehouder die de grenzen van zijn overeenkomst heeft overschreden.

24 De verwijzende rechter merkt evenwel op dat artikel 2 van richtlijn 2004/48, dat de werkingssfeer van deze richtlijn afbakent, in het algemeen bepaalt dat de daarin vastgestelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen van toepassing zijn op elke inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, zonder dat daarbij onderscheid wordt gemaakt naargelang een dergelijke inbreuk al dan niet het gevolg is van de niet-nakoming van een overeenkomst.

25 In deze omstandigheden heeft de cour d’appel de Paris de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Vormt het feit dat een softwarelicentiehouder zich niet houdt aan de voorwaarden van een softwarelicentieovereenkomst (door overschrijding van de duur van een proefperiode, overschrijding van het aantal gemachtigde gebruikers of van een andere meeteenheid – zoals het aantal processoren dat kan worden gebruikt ter uitvoering van de software-instructies – of wijziging van de broncode van de software, wanneer dit recht in de licentie is voorbehouden aan de oorspronkelijke rechthebbende): – een inbreuk (in de zin van richtlijn [2004/48]) jegens de houder van het auteursrecht op de software zoals voorbehouden in artikel 4 van richtlijn [2009/24] betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s, – of kan hiervoor een afzonderlijke juridische regeling gelden, zoals die inzake contractuele aansprakelijkheid van het gemene recht?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

26 Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, aan het Hof staat om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Met het oog hierop staat het aan het Hof om in voorkomend geval de aan hem voorgelegde vragen te herformuleren (arresten van 28 juni 2018, Crespo Rey, C‑2/17, EU:C:2018:511, punt 40, en 26 september 2019, UTEP 2006., C‑600/18, EU:C:2019:784, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27 In casu blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt, dat de problematiek van het hoofdgeding betrekking heeft op de toepassing van het beginsel van niet-cumulatie, op grond waarvan de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad moet worden uitgesloten wanneer een vordering, zoals die in het hoofdgeding, is gebaseerd op de gestelde niet-nakoming van contractuele verplichtingen, en niet op inbreuk-makende feiten die een onrechtmatige daad vormen.

28 Zoals de verwijzende rechter heeft opgemerkt, houdt dit beginsel van het Franse recht ten eerste in dat een persoon een andere persoon niet voor dezelfde feiten zowel contractueel als op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk kan stellen, en ten tweede dat de contractuele aansprakelijkheid voorrang krijgt boven de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad wanneer die personen middels een geldige overeenkomst zijn gebonden en de door een van hen geleden schade is ontstaan doordat een van de contractuele verplichtingen niet of gebrekkig is nagekomen.

29 De verwijzende rechter heeft ook opgemerkt dat namaak volgens het Franse recht een strafbaar feit is dat gewoonlijk onder de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad valt en niet onder contractbreuk. Bovendien stelt de Franse regering in haar schriftelijke opmerkingen dat de term „contrefaçon” (namaak) de vertaling in het Franse recht is van de uitdrukking „inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten” in de zin van richtlijn 2004/48, zodat de regels van het Franse recht inzake inbreukprocedures de omzetting van die richtlijn vormen.

30 Gelet op het voorgaande moet worden aangenomen dat de verwijzende rechter met zijn vraag in wezen wenst te vernemen of de richtlijnen 2004/48 en 2009/24 aldus moeten worden uitgelegd dat schending van een clausule die is opgenomen in een licentieovereenkomst voor een computerprogramma en die betrekking heeft op de intellectuele-eigendomsrechten van de houder van het auteursrecht op dat programma, onder het begrip „inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten” in de zin van richtlijn 2004/48 valt, en deze houder derhalve in aanmerking moet kunnen komen voor de garanties waarin deze laatste richtlijn voorziet, ongeacht welke aansprakelijkheidsregeling volgens het nationale recht toepasselijk is.

31 Het is belangrijk op te merken dat de verwijzende rechter in de gestelde vraag verschillende mogelijke vormen van schending van een softwarelicentieovereenkomst opsomt, te weten: een overschrijding door een softwarelicentiehouder van de duur van een proefperiode, een overschrijding van het aantal gemachtigde gebruikers of van een andere meeteenheid – zoals het aantal processoren dat kan worden gebruikt ter uitvoering van de software-instructies – of een wijziging van de broncode van de software, wanneer dit recht in de licentie is voorbehouden aan de oorspronkelijke rechthebbende. In het hoofdgeding is echter alleen het laatste geval aan de orde, zodat in casu alleen daarop moet worden ingegaan.

32 Met betrekking tot richtlijn 2009/24, waarin de materiële rechten van auteurs van computerprogramma’s zijn vastgelegd, zij erop gewezen dat de lidstaten krachtens artikel 1 van die richtlijn verplicht zijn computerprogramma’s auteursrechtelijk te beschermen als werken van letterkunde. Overeenkomstig artikel 4 van die richtlijn omvatten de exclusieve, door de lidstaten te beschermen, rechten van de houder van deze programma’s, behoudens bepaalde uitzonderingen waarin die richtlijn voorziet, het recht de volgende handelingen te verrichten of het verrichten daarvan toe te staan: het vertalen, het bewerken, en het arrangeren of anderszins veranderen van een computerprogramma. Het verbod om de broncode van de software te wijzigen valt dus onder het auteursrecht op een computerprogramma, waarvoor richtlijn 2009/24 bescherming biedt. Daaraan dient te worden toegevoegd dat die bescherming krachtens artikel 3 van die richtlijn wordt verleend aan elke natuurlijke of rechtspersoon die aanspraak maakt op bescherming door het nationale auteursrecht dat op die werken van toepassing is.

33 Hieruit volgt dat richtlijn 2009/24 de bescherming van de rechten van de houder van het auteursrecht op een computerprogramma niet afhankelijk maakt van de vraag of de vermeende inbreuk op dat recht al dan niet een schending vormt van een licentieovereenkomst.

34 In dit verband zij erop gewezen dat in overweging 15 van genoemde richtlijn slechts wordt gesteld dat de bewerking en omzetting van de codevorm waarin een kopie van een computerprogramma ter beschikking wordt gesteld, een inbreuk vormt op de exclusieve rechten van de auteur, zonder nader aan te geven of die inbreuk een contractuele of een andere oorsprong heeft.

35 Richtlijn 2004/48 voorziet, zoals volgt uit de overwegingen 10 en 15 en artikel 1 ervan, in de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen die nodig zijn om de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen, met inbegrip van de rechten die onder richtlijn 2009/24 vallen.

36 Volgens artikel 2, lid 1, van richtlijn 2004/48 is die richtlijn van toepassing op „elke inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten”. Uit de formulering van deze bepaling, en met name uit het adjectief „elke”, volgt dat deze richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat zij ook van toepassing is op inbreuken die voortvloeien uit de niet-nakoming van een contractuele clausule betreffende de exploitatie van een intellectuele-eigendomsrecht, met inbegrip van het intellectuele-eigendomsrecht van een auteur van een computerprogramma.

37 Die vaststelling wordt bevestigd door zowel de doelstellingen van richtlijn 2004/48 als de context van artikel 2, lid 1, daarvan, waarmee volgens vaste rechtspraak van het Hof rekening moet worden gehouden bij de uitlegging van die bepaling (zie in die zin arrest van 26 mei 2016, Envirotec Denmark, C‑550/14, EU:C:2016:354, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38 Wat in de eerste plaats de doelstelling van richtlijn 2004/48 betreft, volgt uit de overwegingen 10 respectievelijk 13 daarvan dat deze bestaat in de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten om een hoog, gelijkwaardig en homogeen niveau van bescherming van het intellectuele-eigendomsrecht in de interne markt te waarborgen, en dat de werkingssfeer van deze richtlijn zo ruim mogelijk moet worden gedefinieerd om alle intellectuele-eigendomsrechten die onder de desbetreffende bepalingen van het Unierecht of de nationale wetgeving van de betrokken lidstaat vallen, te kunnen bestrijken.

39 Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat het doel van richtlijn 2004/48 erin bestaat dat de lidstaten, met name in de informatiemaatschappij, zorgen voor een doeltreffende bescherming van de intellectuele eigendom (zie in die zin arrest van 12 juli 2011, L’Oréal e.a., C‑324/09, EU:C:2011:474, punt 131).

40 Uit de rechtspraak van het Hof volgt ook dat de bepalingen van die richtlijn aspecten betreffende de intellectuele-eigendomsrechten beogen te regelen die inherent zijn aan enerzijds de handhaving van deze rechten en anderzijds de inbreuken daarop, door te eisen dat doeltreffende rechtsgangen bestaan om elke inbreuk op een bestaand intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen, te doen staken of te verhelpen (zie in die zin arrest van 10 april 2014, ACI Adam e.a., C‑435/12, EU:C:2014:254, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41 Wat vervolgens de context betreft waarin artikel 2, lid 1, van die richtlijn van toepassing is, bepaalt artikel 4 van richtlijn 2004/48 dat elke houder van intellectuele-eigendomsrechten het recht heeft om te verzoeken om toepassing van de in die richtlijn bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen, overeenkomstig de bepalingen van de toepasselijke wetgeving. De mogelijkheid om een dergelijk verzoek in te dienen is niet onderworpen aan enige beperking ten aanzien van de oorsprong – contractueel of anderszins – van de inbreuk op deze rechten.

42 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat schending van een clausule die is opgenomen in een licentieovereenkomst voor computerprogramma’s en die betrekking heeft op de intellectuele-eigendomsrechten van de houder van het auteursrecht op dat programma, onder het begrip „inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten” in de zin van richtlijn 2004/48 valt, en dat deze houder derhalve in aanmerking moet kunnen komen voor de garanties waarin die richtlijn voorziet.

43 Hoewel richtlijn 2004/48 tot doel heeft maatregelen, procedures en rechtsmiddelen vast te stellen voor houders van intellectuele-eigendomsrechten, met inbegrip van het auteursrecht op computerprogramma’s waarin richtlijn 2009/24 voorziet, bevat zij geen precieze bepalingen voor de toepassing van deze garanties, noch schrijft zij voor dat in geval van inbreuk op deze rechten een specifieke aansprakelijkheidsregeling moet worden toegepast.

44 Hieruit volgt dat het de nationale wetgever vrij blijft staan de concrete regelingen voor de bescherming van deze rechten vast te stellen en met name te bepalen of de vordering die de houder van deze rechten in geval van inbreuk op zijn intellectuele-eigendomsrechten kan instellen tegen een licentiehouder van een computerprogramma, contractueel van aard moet zijn dan wel dient te berusten op onrechtmatige daad. Naleving van de vereisten van richtlijn 2004/48 is echter in alle gevallen van essentieel belang.

45 In dit verband volgt met name uit artikel 3 van die richtlijn dat de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen die nodig zijn om de handhaving van de in deze richtlijn bedoelde intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen, eerlijk en billijk dienen te zijn, niet onnodig ingewikkeld of kostbaar mogen zijn en geen onredelijke termijnen of nodeloze vertragingen mogen inhouden. Zij moeten tevens doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn en zodanig worden toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor legitiem handelsverkeer wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik van deze procedures.

46 Uit bovenstaande overwegingen volgt dat de vaststelling van de aansprakelijkheidsregeling die van toepassing is in geval van inbreuk op het auteursrecht op een computerprogramma door een licentiehouder van dat programma, onder de bevoegdheid van de lidstaten valt. De toepassing van een bijzondere aansprakelijkheidsregeling mag echter in geen geval een belemmering vormen voor de in de richtlijnen 2004/48 en 2009/24 vastgelegde effectieve bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten van de houder van het auteursrecht op dat programma.

47 In casu geeft de verwijzende rechter aan dat geen enkele bepaling van het nationale recht met betrekking tot inbreuken uitdrukkelijk bepaalt dat inbreuken alleen kunnen worden aangevoerd in gevallen waarin de partijen niet door een overeenkomst gebonden zijn. Hij merkt ook op dat namaak in de ruimste zin van het woord wordt gedefinieerd als een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht, en met name als een schending van een van de auteursrechten op een computerprogramma.

48 In dit verband is het vaste rechtspraak van het Hof dat de nationale rechter, op grond van het beginsel van richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht, dat recht zoveel mogelijk moet uitleggen in overeenstemming met de vereisten van het Unierecht en aldus, binnen de grenzen van zijn bevoegdheid, de volle werking van het Unierecht bij de beslechting van het bij hem aanhangige geding moet waarborgen. Dit beginsel vereist dat de nationale rechter het volledige nationale recht in beschouwing neemt om te beoordelen in hoeverre dit zodanig kan worden toegepast dat het niet leidt tot een resultaat dat in strijd is met het Unierecht (zie in die zin arresten van 19 december 2013, Koushkaki, C‑84/12, EU:C:2013:862, punten 75 en 76, en 24 juni 2019, Popławski, C‑573/17, EU:C:2019:530, punt 55). In het licht van de in het vorige punt genoemde elementen en onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, lijkt het erop dat een uitlegging overeenkomstig de vereisten van de richtlijnen 2004/48 en 2009/24 in casu mogelijk is.

49 Gelet op het voorgaande dient op de voorgelegde vraag te worden geantwoord dat de richtlijnen 2004/48 en 2009/24 aldus moeten worden uitgelegd dat schending van een clausule die is opgenomen in een licentieovereenkomst voor een computerprogramma en die betrekking heeft op de intellectuele-eigendomsrechten van de houder van het auteursrecht op dat programma, onder het begrip „inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten” in de zin van richtlijn 2004/48 valt, en deze houder derhalve in aanmerking moet kunnen komen voor de garanties waarin deze laatste richtlijn voorziet, ongeacht welke aansprakelijkheidsregeling volgens het nationale recht toepasselijk is.

Kosten

50 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten en richtlijn 2009/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s moeten aldus worden uitgelegd dat schending van een clausule die is opgenomen in een licentieovereenkomst voor een computerprogramma en die betrekking heeft op de intellectuele-eigendomsrechten van de houder van het auteursrecht op dat programma, onder het begrip „inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten” in de zin van richtlijn 2004/48 valt, en deze houder derhalve in aanmerking moet kunnen komen voor de garanties waarin deze laatste richtlijn voorziet, ongeacht welke aansprakelijkheidsregeling volgens het nationale recht toepasselijk is.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in