HvJ EU 30 april 2025, C-554/23, ECLI:EU:C:2025:291

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

30 april 2025 ( *1 )

„Hogere voorziening – Dumping – Invoer van ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland – Definitieve antidumpingrechten – Artikel 11, lid 2, van verordening (EU) 2016/1036 – Verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de antidumpingmaatregelen – In deze bepaling gestelde termijn om een dergelijk verzoek in te dienen – Toereikendheid van het bewijsmateriaal – Buiten de termijn ingediende informatie”

In de gevoegde zaken C‑554/23 P en C‑568/23 P,

betreffende twee hogere voorzieningen krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 4 en 14 september 2023,

Fertilizers Europe, gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door J. Beck, advocaat, en L. Ruessmann, avocat,

rekwirante in zaak C‑554/23 P,

andere partijen in de procedure:

AO Nevinnomysskiy Azot, gevestigd te Nevinnomyssk (Rusland),

AO Novomoskovskaya Aktsionernaya Kompania NAK „Azot”, gevestigd te Novomoskovsk (Rusland),

vertegenwoordigd door A. de Moncuit, E. Gergondet, N. Mizulin, A. Nosowicz, avocats, en P. Vander Schueren, advocaat,

verzoeksters in eerste aanleg,

Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Luengo en P. Němečková als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

en

Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Luengo en P. Němečková als gemachtigden,

rekwirante in zaak C‑568/23 P,

andere partijen in de procedure:

AO Nevinnomysskiy Azot, gevestigd te Nevinnomyssk,

AO Novomoskovskaya Aktsionernaya Kompania NAK „Azot”, gevestigd te Novomoskovsk,

vertegenwoordigd door A. de Moncuit, E. Gergondet, N. Mizulin, A. Nosowicz, avocats, en P. Vander Schueren, advocaat,

verzoeksters in eerste aanleg,

Fertilizers Europe, gevestigd te Brussel, vertegenwoordigd door J. Beck, advocaat, en L. Ruessmann, avocat,

interveniënte in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, S. Rodin (rapporteur), N. Piçarra, O. Spineanu-Matei en N. Fenger, rechters,

advocaat-generaal: L. Medina,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 november 2024,

het navolgende

Arrest

1 Met hun respectieve hogere voorzieningen verzoeken Fertilizers Europe en de Europese Commissie om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 5 juli 2023, Nevinnomysskiy Azot en NAK Azot/Commissie (T‑126/21, EU:T:2023:376; hierna: „bestreden arrest”) houdende nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) 2020/2100 van de Commissie van 15 december 2020 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (PB 2020, L 425, blz. 21; hierna: „litigieuze verordening”).

Toepasselijke bepalingen

Litigieuze verordening

2 Overweging 20 van de litigieuze verordening luidt als volgt: „De Commissie heeft het nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen geopend op basis van het oorspronkelijk op 21 juni 2019 ingediende verzoek om een nieuw onderzoek [(hierna: ‚oorspronkelijk verzoek’)], dat verder is aangevuld met aanvullende informatie (hierna gezamenlijk ‚het geconsolideerde verzoek om een nieuw onderzoek’ genoemd). Het geconsolideerde verzoek om een nieuw onderzoek, dat de basis vormt voor de opening van dit nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen, is in het niet-vertrouwelijke dossier opgenomen en voor raadpleging ter beschikking gesteld van de belanghebbenden. Zoals vermeld in punt 4.1 van het bericht heeft de indiener van het verzoek in zijn [oorspronkelijk] verzoek bewijsmateriaal verstrekt voor een normale waarde op basis van de werkelijke binnenlandse prijzen en heeft hij tevens de normale waarde berekend voor het geval de binnenlandse prijzen niet worden geacht betrouwbaar te zijn en normale handelstransacties te weerspiegelen. De vraag of het oorspronkelijke verzoek is aangevuld met geraamde normale waarden op basis van de beschikbare informatie over de werkelijke binnenlandse prijzen in het betrokken land is niet relevant, aangezien de Commissie het nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen heeft geopend op basis van het geconsolideerde verzoek om een nieuw onderzoek.”

Verordening 2016/1036

3 Artikel 1, lid 1, van verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21), zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2018/825 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 (PB 2018, L 143, blz. 1) (hierna: „verordening 2016/1036”), heeft als opschrift „Beginselen” en bepaalt: „Een antidumpingrecht kan worden ingesteld op ieder product ten aanzien waarvan dumping plaatsvindt, wanneer het in de [Europese] Unie in het vrije verkeer brengen daarvan schade veroorzaakt.”

4 Artikel 2, leden 1 en 3, van verordening 2016/1036 bepaalt: „1. De normale waarde is normaal gebaseerd op de prijzen die door onafhankelijke afnemers in het land van uitvoer in het kader van normale handelstransacties worden betaald of dienen te worden betaald. Wanneer de exporteur in het land van uitvoer het soortgelijke product niet vervaardigt of niet verkoopt, kan de normale waarde op basis van de prijzen van andere verkopers of producenten worden vastgesteld. De prijzen die worden toegepast tussen belanghebbenden die kennelijk geassocieerd zijn of met elkaar een compensatieregeling hebben getroffen, mogen niet worden beschouwd als in het kader van normale handelstransacties te zijn toegepast en mogen niet voor de berekening van de normale waarde worden gebruikt, tenzij wordt vastgesteld dat de relatie tussen deze belanghebbenden de prijzen niet heeft beïnvloed. Om te bepalen of twee partijen geassocieerd zijn, kan rekening worden gehouden met de definitie van verbonden partijen in artikel 127 van uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 [van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2015, L 343, blz. 558)]. […] 3. Wanneer het soortgelijke product niet of niet in voldoende hoeveelheden in het kader van normale handelstransacties is verkocht of indien, wegens de bijzondere marktsituatie, deze verkoop geen deugdelijke vergelijking mogelijk maakt, wordt de normale waarde van het soortgelijke product berekend aan de hand van de productiekosten in het land van oorsprong, vermeerderd met een redelijk bedrag voor verkoopkosten, algemene kosten, administratiekosten en winst, of aan de hand van de prijzen bij uitvoer naar een geschikt derde land in het kader van normale handelstransacties, mits deze prijzen representatief zijn. Een bijzondere marktsituatie voor het betrokken product in de zin van de eerste alinea wordt onder meer geacht aanwezig te zijn wanneer de prijzen kunstmatig laag zijn, wanneer er een aanzienlijke ruilhandel is of wanneer er niet-commerciële regelingen zijn voor de be- of verwerking van goederen.”

5 Artikel 5, leden 3 en 9, van verordening 2016/1036 luidt: „3. De Commissie onderzoekt, voor zover mogelijk, de juistheid en de toereikendheid van het in de klacht vermelde bewijsmateriaal teneinde vast te stellen of dit voldoende is om de opening van een onderzoek te rechtvaardigen. […] 9. Wanneer duidelijk is dat er voldoende bewijsmateriaal is om de inleiding van een procedure te rechtvaardigen, gaat de Commissie binnen 45 dagen na de datum van indiening van de klacht daartoe over en maakt zij dit in het Publicatieblad van de Europese Unie bekend. Wanneer onvoldoende bewijsmateriaal is ingediend, wordt de klager daarvan in kennis gesteld binnen 45 dagen na de datum waarop de klacht bij de Commissie is ingediend. De Commissie verstrekt de lidstaten informatie betreffende haar onderzoek van de klacht normaliter binnen 21 dagen nadat de klacht bij de Commissie is ingediend.”

6 Artikel 11, leden 1, 2, 5 en 6, van deze verordening bepaalt: „1. Een antidumpingmaatregel blijft slechts van toepassing zolang en voor zover dit nodig is om de schade veroorzakende invoer met dumping tegen te gaan. 2. Een definitieve antidumpingmaatregel vervalt vijf jaar nadat hij is ingesteld of vijf jaar na de datum van beëindiging van het meest recente nieuwe onderzoek dat zowel op de dumping als op de schade betrekking heeft gehad, tenzij bij een nieuw onderzoek wordt vastgesteld dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk tot een voortzetting of herhaling van dumping en schade zal leiden. Een nieuw onderzoek bij het vervallen van een maatregel wordt op initiatief van de Commissie dan wel op verzoek van of namens een bedrijfstak van de Unie geopend en de maatregel blijft van kracht, totdat de resultaten van dit onderzoek bekend zijn. Een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van een maatregel wordt geopend wanneer het verzoek daartoe voldoende bewijs bevat dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk tot voortzetting of herhaling van dumping en schade zou leiden. Deze waarschijnlijkheid kan bijvoorbeeld worden aangetoond door het bewijs dat nog steeds invoer met dumping plaatsvindt en dat daardoor schade ontstaat, dat het verdwijnen van de schade geheel of ten dele aan de bestaande maatregelen is toe te schrijven, dat de omstandigheden van de exporteurs dan wel de marktsituatie van zodanige aard zijn dat de schadeveroorzakende dumping waarschijnlijk zal voortduren, of door bewijs dat er verstoringen van de grondstoffenmarkt blijven bestaan. Bij een overeenkomstig dit lid uitgevoerd onderzoek worden de exporteurs, de importeurs, de vertegenwoordigers van het land van uitvoer en de producenten in de Unie in de gelegenheid gesteld de in het verzoek om een nieuw onderzoek verstrekte informatie aan te vullen, te weerleggen of daarover opmerkingen te maken en in de conclusies wordt passend rekening gehouden met al het relevante, naar behoren gestaafde bewijsmateriaal met betrekking tot de vraag of het al dan niet waarschijnlijk is dat het vervallen van de maatregelen tot voortzetting of herhaling van dumping en schade zal leiden. Op een passend tijdstip in de loop van het laatste jaar waarin de in dit lid omschreven maatregelen van toepassing zijn, wordt in het Publicatieblad van de Europese Unie een bericht gepubliceerd waarin wordt aangekondigd dat de maatregelen op korte termijn zullen vervallen. Na de publicatie van dit bericht kunnen de producenten in de Unie, uiterlijk drie maanden vóór het einde van de termijn van vijf jaar, overeenkomstig de tweede alinea een verzoek tot een nieuw onderzoek indienen. Tevens wordt een bericht gepubliceerd waarin het feitelijke vervallen van de maatregelen uit hoofde van dit lid wordt aangekondigd. […] 5. De bepalingen van deze verordening betreffende procedures en onderzoeken, met uitzondering van die welke betrekking hebben op termijnen, zijn van toepassing op alle herzieningsprocedures op grond van de leden 2, 3 en 4. Herzieningen op grond van de leden 2 en 3 worden versneld ten uitvoer gelegd en moeten normaal gesproken voltooid zijn binnen twaalf maanden na de datum waarop de herzieningsprocedure werd ingeleid. Herzieningsprocedures op grond van de leden 2 en 3 moeten in ieder geval voltooid zijn binnen vijftien maanden na de datum waarop zij werden ingeleid. Herzieningen op grond van lid 4 moeten in alle gevallen binnen negen maanden na de datum van inleiding van de procedure voltooid zijn. Als een herzieningsprocedure op grond van lid 2 wordt ingeleid terwijl een herzieningsprocedure op grond van lid 3 binnen dezelfde procedure nog gaande is, moet de herzieningsprocedure op grond van lid 3 binnen dezelfde termijn worden voltooid als een herzieningsprocedure op grond van lid 2. Als het onderzoek niet binnen de in de tweede, derde en vierde alinea genoemde termijnen is voltooid: – verstrijken de maatregelen op grond van lid 2, – verstrijken de maatregelen ingeval van onderzoeken die tegelijkertijd op grond van de leden 2 en 3 worden uitgevoerd en waarbij, hetzij het onderzoek op grond van lid 2 werd ingeleid terwijl een herziening op grond van lid 3 in dezelfde procedure gaande was, hetzij zulke herzieningen op hetzelfde tijdstip werden ingeleid, of – blijven de maatregelen ongewijzigd van kracht op grond van de leden 3 en 4. Een bericht van het feitelijk verstrijken of de feitelijke handhaving van de maatregelen krachtens dit lid wordt in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt. […] 6. Nieuwe onderzoeken uit hoofde van dit artikel worden door de Commissie ingeleid. De Commissie besluit al dan niet de in lid 2 van dit artikel bedoelde onderzoeken te openen volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure. De Commissie verstrekt de lidstaten ook informatie zodra een marktdeelnemer of een lidstaat een toereikend verzoek tot het openen van een nieuw onderzoek overeenkomstig de leden 3 en 4 van dit artikel heeft ingediend en de Commissie haar onderzoek daarvan heeft beëindigd, of zodra de Commissie zelf heeft bepaald dat de noodzaak tot handhaving van maatregelen aan een nieuw onderzoek moet worden onderworpen. Wanneer deze onderzoeken daartoe aanleiding geven, worden de maatregelen volgens de in artikel 15, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure ingetrokken of gehandhaafd overeenkomstig lid 2 van dit artikel, dan wel ingetrokken, gehandhaafd of gewijzigd overeenkomstig de leden 3 en 4 van dit artikel. Wanneer maatregelen ten aanzien van individuele exporteurs, maar niet ten aanzien van een land in zijn geheel worden ingetrokken, blijft de procedure van toepassing op deze exporteurs, die automatisch kunnen worden onderworpen aan enig nieuw onderzoek dat overeenkomstig dit artikel voor het betrokken land wordt ingesteld.”

Voorgeschiedenis van het geding

7 De voorgeschiedenis van het geding wordt uiteengezet in de punten 2 tot en met 13 van het bestreden arrest en kan ten behoeve van de onderhavige gevoegde zaken als volgt worden samengevat.

8 AO Nevinnomysskiy Azot en AO Novomoskovskaya Aktsionernaya Kompania NAK „Azot” (hierna samen: „ondernemingen ‚Azot’”) zijn in Rusland gevestigde producenten en exporteurs van ammoniumnitraat. Ze zijn onderworpen aan verordening (EG) nr. 2022/95 van de Raad van 16 augustus 1995 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland (PB 1995, L 198, blz. 1).

9 Na een eerste nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de betreffende maatregelen en een eerste tussentijds nieuw onderzoek is een definitief antidumpingrecht op ammoniumnitraat uit Rusland bij verordening (EG) nr. 658/2002 van de Raad van 15 april 2002 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland (PB 2002, L 102, blz. 1) gehandhaafd. Na een tweede nieuw onderzoek in verband met het vervallen van deze maatregelen en een tweede gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek heeft de Raad bij verordening (EG) nr. 661/2008 van 8 juli 2008 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, op grond van artikel 11, lid 2, en een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek, op grond van artikel 11, lid 3, van verordening (EG) nr. 384/96 (PB 2008, L 185, blz. 1) besloten de geldende maatregelen te handhaven. Na een derde nieuw onderzoek in verband met het vervallen van die maatregelen heeft de Commissie de geldende maatregelen bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 999/2014 van 23 september 2014 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad (PB 2014, L 280, blz. 19) gehandhaafd. Naar aanleiding van een tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van verordening 2016/1036 heeft de Commissie op 14 november 2018 uitvoeringsverordening (EU) 2018/1722 tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) nr. 999/2014 van de Commissie tot instelling van een definitief antidumpingrecht op ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland naar aanleiding van een tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (PB 2018, L 287, blz. 3) vastgesteld.

10 Gedurende de gehele periode waarin deze nieuwe onderzoeken plaatsvonden bleef voor de ondernemingen „Azot” een antidumpingrecht gelden dat van toepassing was op het volledige Russische grondgebied.

11 Op 21 juni 2019 heeft Fertilizers Europe – een Europese vereniging van meststoffenproducenten – bij de Commissie op grond van artikel 11, lid 2, van verordening 2016/1036 het oorspronkelijke verzoek in verband met het vervallen van deze antidumpingmaatregelen ingediend. In dit verzoek voerde Fertilizers Europe aan dat er bewijs was dat de dumping bij het vervallen van deze maatregelen waarschijnlijk zou voortduren. Zij baseerde zich daarbij op een vergelijking van de uitvoerprijzen met een berekende normale waarde.

12 In antwoord op dat verzoek heeft de Commissie Fertilizers Europe verzocht om aanvullende informatie ter aanvulling en verduidelijking van haar oorspronkelijke verzoek (hierna: „aanvullende informatie”). Op 20 augustus 2019 heeft Fertilizers Europe deze aanvullende informatie ingediend, die is opgenomen in een geconsolideerde versie van het verzoek om een nieuw onderzoek en die was gebaseerd op een normale waarde die uitging van de werkelijke prijzen op de binnenlandse markt in Rusland.

13 Op 23 september 2019 heeft de Commissie het bericht van opening van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland (PB 2019, C 318, blz. 6) bekendgemaakt. Zij meende dat er voldoende bewijsmateriaal was om een dergelijk nieuw onderzoek te openen en een algemeen onderzoek in te stellen.

14 Na dit algemeen onderzoek is de Commissie tot de conclusie gekomen dat het vervallen van deze antidumpingmaatregelen waarschijnlijk tot herhaling van dumping en schade zou leiden. Door de litigieuze verordening vast te stellen heeft zij dus die maatregelen met vijf jaar verlengd.

Beroep bij het Gerecht en bestreden arrest

15 Met hun beroep bij het Gerecht hebben de ondernemingen „Azot” verzocht om nietigverklaring van de litigieuze verordening. Tot staving van hun beroep voeren deze ondernemingen één middel aan, waarin zij kort samengevat stellen dat de Commissie artikel 11, leden 2 en 5, en artikel 5, lid 3, van verordening 2016/1036 heeft geschonden door ten onrechte de procedure van nieuw onderzoek bij het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland in te stellen hoewel daar geen voldoende bewijs voor was.

16 Aangaande de juridische criteria voor de inhoud van een verzoek om een nieuw onderzoek heeft het Gerecht in de eerste plaats in de punten 65 tot en met 67 van het bestreden arrest met name vastgesteld dat „uit een letterlijke lezing van artikel 11, lid 2, van [verordening 2016/1036 volgt] dat het verzoek om een nieuw onderzoek dat uiterlijk drie maanden vóór het einde van de periode van vijf jaar waarna de antidumpingmaatregelen vervallen [(hierna: ‚wettelijke termijn’)], door of namens producenten in de Unie moet worden ingediend, reeds voldoende bewijsmateriaal moet bevatten waaruit blijkt dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk zou leiden tot voortzetting of herhaling van dumping en schade”, aangezien de vierde alinea van deze bepaling, die de wettelijke termijn vaststelt waarbinnen dit verzoek moet worden ingediend, uitdrukkelijk verwijst naar artikel 11, lid 2, tweede alinea, van die verordening, waarin de voorwaarden met betrekking tot de inhoud van dat verzoek zijn vastgesteld waaronder een nieuw onderzoek kan worden uitgevoerd.

17 In de tweede plaats heeft het Gerecht in de punten 69 en 70 van het bestreden arrest geoordeeld dat deze uitlegging noodzakelijk was ter verwezenlijking van de doelstelling om te waarborgen dat het binnen de wettelijke termijn aan de Commissie verstrekte bewijsmateriaal volstaat om aan te tonen dat er zich bij het vervallen van de betreffende antidumpingmaatregelen waarschijnlijk voortzetting of herhaling van dumping en schade zou voordoen. Het Gerecht heeft aldus geoordeeld dat de invoering van deze termijn bijdraagt tot de rechtszekerheid, doordat de marktdeelnemers tijdig kunnen weten of deze maatregelen waarschijnlijk zullen worden gehandhaafd, en de Commissie een passende termijn geeft om het bewijsmateriaal in een verzoek om een nieuw onderzoek dat binnen de termijn door of namens producenten in de Unie is ingediend, te beoordelen en zich ervan te vergewissen dat het bewijsmateriaal toereikend en relevant is, teneinde te voorkomen dat een antidumpingmaatregel ten onrechte na de voorgeschreven termijn wordt gehandhaafd.

18 In de derde plaats heeft het Gerecht in de punten 71 tot en met 74 van het bestreden arrest geoordeeld dat de producenten in de Unie, na de wettelijke termijn en tijdens de periode van drie maanden vóór het vervallen van de betreffende antidumpingmaatregelen, aanvullende informatie kunnen indienen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening 2016/1036, en dat de Commissie het recht heeft om tijdens die drie maanden aanvullende verduidelijkingen te ontvangen of te vragen die het vóór het verlopen van die wettelijke termijn verstrekte toereikende bewijsmateriaal aanvullen of bevestigen, hetgeen aanleiding geeft tot een geconsolideerde versie van het verzoek, zonder dat die aanvullende informatie echter nieuwe argumenten kan vormen, noch het binnen die wettelijke termijn ingediende verzoek om een nieuw onderzoek kan vervangen of de ontoereikendheid van de daarin vervatte bewijzen kan verhelpen.

19 In de vierde plaats heeft het Gerecht in de punten 78 tot en met 101 van het bestreden arrest het argument van de Commissie dat zij krachtens artikel 11, lid 5, van verordening 2016/1036 bevoegd was om artikel 5, leden 3 en 9, van deze verordening – dat het oorspronkelijke onderzoek regelt – toe te passen, onderzocht en afgewezen.

20 Op basis van deze overwegingen is het Gerecht in punt 104 van dat arrest tot de slotsom gekomen dat de Commissie het recht onjuist heeft toegepast door in overweging 20 van de litigieuze verordening te verklaren dat het niet relevant was dat het oorspronkelijke verzoek met aanvullende informatie was aangevuld en dat de opening van het nieuwe onderzoek kon worden gerechtvaardigd op basis van het geconsolideerde verzoek.

21 Met betrekking tot de toereikendheid van het bewijsmateriaal in het oorspronkelijke verzoek en de aard van de aanvullende informatie, heeft het Gerecht in de punten 105 en 140 van dat arrest geoordeeld dat de informatie die de Commissie in casu na het verstrijken van de wettelijke termijn had verkregen, niet als een loutere verduidelijking van dat bewijsmateriaal maar als nieuw bewijs moest worden beschouwd, en dat uit de litigieuze verordening bleek dat de Commissie van mening was dat het bewijsmateriaal in het oorspronkelijke verzoek ontoereikend was om de betreffende antidumpingmaatregelen opnieuw te onderzoeken.

22 Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 142 van dat arrest geconcludeerd dat de litigieuze verordening nietig moest worden verklaard, zonder dat de andere grieven van de ondernemingen „Azot” hoefden te worden onderzocht.

Conclusies van partijen in hogere voorziening en procedure bij het Hof

23 Met haar hogere voorziening in zaak C‑554/23 P verzoekt Fertilizers Europe het Hof: – de hogere voorziening ontvankelijk en gegrond te verklaren; – het bestreden arrest te vernietigen en de vorderingen in eerste aanleg af te wijzen voor het overige, en – de ondernemingen „Azot” te verwijzen in de kosten die zij in de onderhavige hogere voorziening en in de procedure bij het Gerecht heeft gemaakt.

24 Met haar hogere voorziening in zaak C‑568/23 P verzoekt de Commissie het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen en de in eerste aanleg ingediende vorderingen af te wijzen voor het overige, en – de ondernemingen „Azot” te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en van de procedure in hogere voorziening.

25 Bij beslissing van de president van het Hof van 9 oktober 2023 zijn de zaken C‑554/23 P en C‑568/23 P gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsook voor het arrest.

26 De ondernemingen „Azot” verzoeken het Hof: – de hogere voorzieningen in hun geheel af te wijzen en het bestreden arrest te bevestigen; – subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor afdoening overeenkomstig het arrest van het Hof, en – de Commissie en Fertilizers Europe te verwijzen in de kosten die deze ondernemingen hebben gemaakt in het kader van de onderhavige hogere voorziening en van de procedure bij het Gerecht.

Hogere voorzieningen

27 Ter staving van hun hogere voorzieningen voeren Fertilizers Europe en de Commissie respectievelijk vier en twee middelen aan.

28 Het eerste en het tweede middel van Fertilizers Europe en het eerste middel van de Commissie betreffen een onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht bij de uitlegging van artikel 11 van verordening 2016/1036, terwijl het derde en het vierde middel van Fertilizers Europe en het tweede middel van de Commissie, die subsidiair zijn aangevoerd, zijn ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht bij de toepassing van dat artikel 11 en aan een onjuiste opvatting van de feiten en het bewijsmateriaal.

Eerste en tweede middel in zaak C‑554/23 P en eerste middel in zaak C‑568/23 P

Argumenten van partijen

29 Fertilizers Europe – met haar eerste en tweede middel – en de Commissie – met haar eerste middel – betogen in essentie dat het Gerecht in de punten 65 tot en met 67 en 71 tot en met 104 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door artikel 11, lid 2, van verordening 2016/1036, gelezen in samenhang met artikel 5, leden 3 en 9, van die verordening, aldus uit te leggen dat de Commissie haar beoordeling van de toereikendheid van het bewijs om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van antidumpingmaatregelen in te stellen, enkel kan baseren op een verzoek om een nieuw onderzoek dat door producenten in de Unie is ingediend binnen de in artikel 11, lid 2, vierde alinea, van verordening 2016/1036 gestelde wettelijke termijn en dat nadien hooguit kan worden aangevuld met informatie die het in dat verzoek vervatte bewijs louter bevestigt.

30 Wat in de eerste plaats de tekstuele uitlegging van artikel 11, lid 2, van verordening 2016/1036 betreft, is Fertilizers Europe van mening dat – anders dan het Gerecht in de punten 65 tot en met 67 van het bestreden arrest heeft geoordeeld – uit de bewoordingen van artikel 11, lid 2, tweede en vierde alinea, niet noodzakelijkerwijs blijkt dat een binnen de wettelijke termijn ingediend verzoek om een nieuw onderzoek reeds voldoende bewijsmateriaal moet bevatten om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de betreffende antidumpingmaatregelen te rechtvaardigen.

31 Volgens de Commissie is artikel 11, lid 2, vierde alinea, van verordening 2016/1036 neutraal wat betreft de vraag of de Commissie haar beoordeling moet beperken tot het binnen de wettelijke termijn overgelegde bewijsmateriaal. Anders dan het Gerecht in het bestreden arrest heeft geoordeeld, kan uit de woorden „overeenkomstig de tweede alinea” in die bepaling met name niet worden afgeleid dat de Commissie slechts op basis van een binnen de wettelijke termijn ingediend verzoek dient te onderzoeken of het bewijsmateriaal dat al dan niet de opening van een nieuw onderzoek rechtvaardigt, toereikend is. Bovendien voorziet dat artikel 11, lid 2, tweede alinea, alleen in het juridische criterium waaraan de Commissie moet voldoen om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de betrokken antidumpingmaatregelen te kunnen instellen, zonder expliciet of impliciet de algemene bevoegdheden te beperken waarover de Commissie beschikt in het kader van haar beoordeling of een dergelijk nieuw onderzoek gerechtvaardigd is.

32 Wat in de tweede plaats de context van artikel 11, lid 2, vierde alinea, van verordening 2016/1036 betreft, betoogt Fertilizers Europe dat geen enkele bepaling van deze verordening afbreuk doet aan de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de Commissie beschikt op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek.

33 De Commissie betoogt dat uit de eerder dan verordening 2016/1036 vastgestelde antidumpingverordeningen blijkt dat de verplichting van de Commissie om te bepalen of het in een klacht of een verzoek vervatte bewijsmateriaal toereikend is om respectievelijk de opening van een oorspronkelijk onderzoek dan wel een procedure van nieuw onderzoek te rechtvaardigen, niet afhangt van de vraag of een termijn is nagekomen en dat verordening 2016/1036 dienaangaande geen wijzigingen heeft aangebracht.

34 Voorts benadrukken rekwirantes dat de Commissie krachtens artikel 11, lid 2, eerste alinea, van verordening 2016/1036 op eigen initiatief een nieuw onderzoek bij het vervallen van antidumpingmaatregelen kan openen.

35 Rekwirantes zijn tevens van mening dat artikel 5, leden 3 en 9, van verordening 2016/1036, gelezen in samenhang met artikel 11, lid 5, van die verordening, voor krachtens artikel 11, lid 2, van deze verordening ingediende verzoeken om een nieuw onderzoek voorziet in een procedure wegens ontbrekende informatie waarmee na het verstrijken van de wettelijke termijn aanvullend en nieuw bewijs kan worden overgelegd.

36 In de derde plaats betoogt Fertilizers Europe dat de uitlegging die het Gerecht aan dat artikel 11, lid 2, heeft gegeven, de bestaansmiddelen van de bedrijfstakken van de Unie in gevaar brengt en dus in strijd is met de doelstelling van verordening 2016/1036, namelijk de bedrijfstak van de Unie beschermen tegen oneerlijke invoer uit derde landen. Deze uitlegging leidt volgens Fertilizers Europe tevens tot schending van de procedurele rechten van producenten in de Unie, te weten het rechtszekerheidsbeginsel en de eerbiediging van de rechten van verdediging bij de beoordeling van een door hen ingediend verzoek om een nieuw onderzoek, aangezien de mate waarin het noodzakelijke bewijsmateriaal gedetailleerd is per geval verschilt en afhangt van feitelijke omstandigheden.

37 Bovendien strekt de procedure van nieuw onderzoek bij het vervallen van de in verordening 2016/1036 bedoelde definitieve antidumpingmaatregelen ertoe te waarborgen dat de handhaving van de betrokken antidumpingmaatregelen naar behoren wordt gemotiveerd op basis van tijdens het nieuwe onderzoek verzamelde informatie en niet enkel op basis van het verzoek om een nieuw onderzoek. Artikel 11, lid 2, van deze verordening is dus consistent en in overeenstemming met het beginsel van behoorlijk bestuur indien de toereikendheid van het bewijs werd beoordeeld op het tijdstip van de opening van dit nieuwe onderzoek, zonder dat dit bewijs binnen een bepaalde termijn hoeft te worden overgelegd.

38 De Commissie is van mening dat het Gerecht terecht heeft vastgesteld dat de wettelijke termijn tot doel had de producenten in de Unie richtsnoeren te verschaffen voor de datum waarop een verzoek om een nieuw onderzoek moet worden ingediend, teneinde de beëindiging van de betreffende antidumpingmaatregelen of de opening van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van die maatregelen ordelijk te organiseren en de belanghebbenden daarvan in kennis te stellen. Gelet op het feit dat die verordening voorziet in langere termijnen om de Commissie in staat te stellen zich uit te spreken over de toereikendheid van het bewijsmateriaal in een verzoek om een nieuw onderzoek, dan de termijnen waarin die verordening voorziet om de Commissie in staat te stellen zich uit te spreken over een klacht tot opening van een oorspronkelijk onderzoek, had het Gerecht daaruit evenwel moeten afleiden dat de Commissie voor de beoordeling van die toereikendheid ten minste over dezelfde bevoegdheden moet beschikken als die waarover zij beschikt om de toereikendheid van het in een dergelijke klacht vervatte bewijsmateriaal te beoordelen.

39 Anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, is de Commissie van mening dat dit doel er niet in kan bestaan de marktdeelnemers op de markt van de Unie rechtszekerheid te bieden, aangezien geen enkele belanghebbende in kennis wordt gesteld van het door producenten in de Unie ingediende verzoek om een nieuw onderzoek of van het feit dat een dergelijk verzoek is ingediend, voordat de Commissie het bericht van opening van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de betrokken antidumpingmaatregelen bekendmaakt.

40 De ondernemingen „Azot” brengen daartegen in dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat uit een letterlijke lezing alsmede uit de context van artikel 11, lid 2, tweede en vierde alinea, van verordening 2016/1036 volgt dat een verzoek om een nieuw onderzoek bij het vervallen van antidumpingmaatregelen uiterlijk op de datum waarop de wettelijke termijn verstrijkt voldoende bewijsmateriaal moet bevatten om de opening van een dergelijk nieuw onderzoek te rechtvaardigen.

41 In de eerste plaats betogen de ondernemingen „Azot” in essentie dat het Gerecht artikel 11, lid 2, van verordening 2016/1036 juist heeft uitgelegd, gelet op de bewoordingen en de context van die bepaling. Meer in het bijzonder wordt het recht van de producenten in de Unie om een verzoek om een nieuw onderzoek in te dienen, beheerst door de vierde alinea van die bepaling, waarin wordt verwezen naar de tweede alinea van dat artikel 11, lid 2. Beide ondernemingen zijn van mening dat een verzoek om een nieuw onderzoek, dat vóór het verstrijken van de wettelijke termijn moet worden ingediend, voldoende bewijsmateriaal dient te bevatten en tevens eruit moet kunnen worden afgeleid dat er zich waarschijnlijk schadelijke dumping zal voordoen. Deze termijn is lang genoeg om die producenten in staat te stellen het relevante bewijsmateriaal te verzamelen en om de Commissie in staat te stellen dit bewijs grondig te beoordelen en te voorkomen dat antidumpingmaatregelen ten onrechte over een te lange periode worden gehandhaafd. Indien de Uniewetgever de verplichtingen van die producenten had willen beperken, zou hij dit volgens de ondernemingen „Azot” expliciet hebben gedaan.

42 In de tweede plaats voeren deze twee ondernemingen aan dat artikel 11, lid 2, tweede alinea, van verordening 2016/1036 weliswaar niet preciseert wanneer de producenten in de Unie voldoende bewijsmateriaal moeten overleggen in het kader van hun verzoek om een nieuw onderzoek, maar dat deze bepaling niet los kan worden gelezen van artikel 11, lid 2, vierde alinea, waarin daartoe een nadere termijn is vastgesteld.

43 In de derde plaats betogen de ondernemingen „Azot” dat de uitlegging die het Gerecht heeft gegeven aan artikel 11, lid 2, van verordening 2016/1036 de rechten van alle belanghebbenden eerbiedigt en niet leidt tot een beperking van de verplichtingen en de bevoegdheden van de Commissie, die – mits de procestermijnen worden nageleefd – kan beoordelen of het in een verzoek om een nieuw onderzoek vervatte bewijsmateriaal toereikend is. In dat kader kan de Commissie zich evenwel niet beroepen op de regels die gelden voor andere soorten (al dan niet nieuwe) onderzoeken, noch op haar bevoegdheid om ambtshalve op te treden en moet zij zowel de relevante procedureregels als de algemene beginselen van de Unie in acht nemen, zodat zij niet mag trachten de ontoereikendheid van het door de producenten in de Unie in een verzoek om een nieuw onderzoek overgelegde bewijsmateriaal te verhelpen.

Beoordeling door het Hof

44 Het eerste en het tweede middel van Fertilizers Europe alsmede het eerste middel van de Commissie zijn gericht tegen de punten 65 tot en met 104 van het bestreden arrest. In die punten heeft het Gerecht artikel 11, lid 2, van verordening 2016/1036 aldus uitgelegd dat deze bepaling de Commissie niet toestaat om zich over een verzoek om een nieuw onderzoek van antidumpingmaatregelen uit te spreken op basis van nieuw bewijsmateriaal dat op haar vraag minder dan drie maanden vóór het vervallen van die maatregelen door producenten in de Unie is verstrekt, met uitzondering van de aanvullende informatie die deze producenten hebben gegeven en die het bewijsmateriaal in dat verzoek om een nieuw onderzoek slechts aanvullen of bevestigen. Zoals in punt 20 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, heeft het Gerecht uit deze uitlegging afgeleid dat de Commissie belang had moeten hechten aan het feit dat het oorspronkelijke verzoek met aanvullende informatie was aangevuld en dat de opening van het nieuwe onderzoek van de betreffende antidumpingmaatregelen niet kon worden gerechtvaardigd op basis van het geconsolideerde verzoek.

45 Bij het onderzoek of het Gerecht bij de aldus gegeven uitlegging van artikel 11, lid 2, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zoals rekwirantes betogen, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de bepalingen van een Uniehandeling niet alleen moeten worden uitgelegd rekening houdend met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doeleinden die worden beoogd door de regeling waarvan zij deel uitmaken (arrest van 28 november 2024, Hengshi Egypt Fiberglass Fabrics en Jushi Egypt for Fiberglass Industry/Commissie, C‑269/23 P en C‑272/23 P, EU:C:2024:984, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46 Wat ten eerste de bewoordingen van de betrokken bepalingen betreft, moet worden opgemerkt dat volgens artikel 11, lid 2, tweede alinea, eerste zin, van verordening 2016/1036 „[e]en nieuw onderzoek in verband met het vervallen van een maatregel wordt geopend, wanneer het verzoek daartoe voldoende bewijs bevat, dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk tot voortzetting of herhaling van dumping en schade zou leiden”.

47 Verder bepaalt artikel 11, lid 2, vierde alinea, tweede zin, van verordening 2016/1036 dat de producenten in de Unie uiterlijk drie maanden vóór het vervallen van de betreffende antidumpingmaatregelen „overeenkomstig de tweede alinea” van dat artikel 11, lid 2, een verzoek tot een nieuw onderzoek kunnen indienen.

48 Uit een gecombineerde lezing van de in de punten 46 en 47 van het onderhavige arrest genoemde bepalingen volgt dat de Commissie een nieuw onderzoek van de antidumpingmaatregelen moet openen wanneer een verzoek om een nieuw onderzoek, ten eerste, voldoende bewijs bevat waaruit blijkt dat het vervallen van de betreffende antidumpingmaatregelen waarschijnlijk tot voortzetting of herhaling van dumping en schade zou leiden in de zin van artikel 11, lid 2, tweede alinea, eerste zin, van verordening 2016/1036 en, ten tweede, uiterlijk drie maanden vóór het vervallen van die maatregelen is ingediend.

49 Uit de samenlezing van deze bepalingen vloeit evenwel geen enkel vereiste voort dat een beperking inhoudt van de bevoegdheid van de Commissie om een dergelijk onderzoek te openen.

50 Een dergelijke beperking kan met name niet rechtstreeks worden afgeleid uit de precisering in artikel 11, lid 2, vierde alinea, van verordening 2016/1036 dat de producenten in de Unie „overeenkomstig de tweede alinea” een verzoek tot een nieuw onderzoek kunnen indienen, aangezien uit de tekst van dat artikel 11, lid 2, tweede alinea, enkel blijkt dat de Commissie in bepaalde situaties een nieuw onderzoek dient te openen en slechts voorbeelden geeft van bewijsmateriaal dat in dit kader relevant kan zijn.

51 Bovendien kan uit de in artikel 11, lid 2, vierde alinea, van die verordening opgenomen verwijzing naar de tweede alinea van die bepaling, zoals de advocaat-generaal in punt 40 van haar conclusie heeft opgemerkt, niet worden afgeleid dat producenten in de Unie dergelijk bewijs binnen de wettelijke termijn moeten overleggen, aangezien het in dat artikel 11, lid 2, tweede alinea, genoemde criterium inzake de toereikendheid van het bewijsmateriaal alleen de Commissie aangaat op het moment dat zij besluit een nieuw onderzoek in te stellen.

52 Hieruit volgt dat – anders dan het Gerecht in de punten 65 tot en met 67 van het bestreden arrest heeft geoordeeld – de bewoordingen van artikel 11, lid 2, van verordening 2016/1036 niet aldus kunnen worden gelezen dat zij ondubbelzinnig aantonen dat de restrictieve opvatting van de bevoegdheid van de Commissie in dat arrest gegrond is.

53 Wat ten tweede de context van artikel 11, lid 2, tweede alinea, eerste zin, en artikel 11, lid 2, vierde alinea, tweede zin, van verordening 2016/1036 betreft, moet – zoals de advocaat-generaal in de punten 44 tot en met 50 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt – rekening worden gehouden met artikel 11, lid 1, en moet lid 2 van dat artikel in zijn geheel in aanmerking worden genomen.

54 Volgens artikel 11, lid 1, van verordening 2016/1036 blijft een antidumpingmaatregel slechts van toepassing zolang en voor zover dit nodig is om de schadeveroorzakende dumping tegen te gaan. Daarnaast volgt uit dat artikel 11, lid 2, derde alinea, dat in de conclusies van een door de Commissie verricht nieuw onderzoek rekening moet worden gehouden met al het relevante, naar behoren gestaafde bewijsmateriaal met betrekking tot de vraag of het al dan niet waarschijnlijk is dat het vervallen van de betreffende antidumpingmaatregelen tot voortzetting of herhaling van dumping en schade zal leiden.

55 Uit deze twee bepalingen, in hun onderlinge samenhang gelezen, komt naar voren dat de Commissie bij de procedure van nieuw onderzoek alle in het vorige punt bedoelde bewijzen in aanmerking moet nemen, zonder dat de termijn waarbinnen dat bewijsmateriaal haar ter beschikking is gesteld, doorslaggevend is. De Uniewetgever heeft aldus een regel van algemene strekking vastgesteld om ervoor te zorgen dat het resultaat van de procedure van nieuw onderzoek in overeenstemming is met het in artikel 11, lid 1, van verordening 2016/1036 neergelegde beginsel. Zoals de advocaat-generaal in punt 49 van haar conclusie heeft benadrukt, zou deze keuze van de Uniewetgever een veel beperktere draagwijdte hebben indien wordt aangenomen dat de Commissie daarentegen in een voorafgaande fase van de procedure van nieuw onderzoek de ter beschikking gestelde bewijzen buiten beschouwing moet laten op basis van een louter temporeel criterium.

56 Volgens artikel 11, lid 2, eerste alinea, tweede zin, van deze verordening wordt „[e]en nieuw onderzoek bij het vervallen van een maatregel […] op initiatief van de Commissie dan wel op verzoek van of namens een bedrijfstak van de Unie geopend en [blijft] de maatregel […] van kracht, totdat de resultaten van dit onderzoek bekend zijn”. De Commissie is derhalve bevoegd om een nieuw onderzoek van de antidumpingmaatregelen te openen op elke datum vóór het vervallen van die maatregelen, ongeacht of producenten in de Unie een verzoek om een nieuw onderzoek hebben ingediend. Bijgevolg zou de vaststelling dat de Commissie bij haar beslissing over een verzoek om een nieuw onderzoek is gebonden aan het in dat verzoek vervatte bewijsmateriaal dat uiterlijk drie maanden vóór het vervallen van die maatregelen is overgelegd, haar ertoe kunnen dwingen om dat verzoek af te wijzen wanneer zij over recenter bewijsmateriaal beschikt, ook al kan zij altijd beslissen om ambtshalve een nieuw onderzoek in te stellen. Een dergelijk resultaat zou afbreuk kunnen doen aan de efficiëntie van de gevoerde procedures zonder evenwel de uitkomst ervan te wijzigen.

57 Wat ten derde het doel van verordening 2016/1036 betreft, moet worden opgemerkt dat artikel 1, lid 1, van deze verordening, met als opschrift „Beginselen”, bepaalt dat „[e]en antidumpingrecht kan worden ingesteld op ieder product ten aanzien waarvan dumping plaatsvindt, wanneer het in de Unie in het vrije verkeer brengen daarvan schade veroorzaakt”. De mogelijkheden waarover de Commissie beschikt om te waarborgen dat deze doelstelling volledig wordt bereikt zouden evenwel worden ondermijnd indien deze instelling, zoals het Gerecht in het bestreden arrest heeft geoordeeld, bij haar beslissing of een nieuw onderzoek van antidumpingmaatregelen moet worden geopend, niet vóór het vervallen van die maatregelen alle bewijzen betreffende de vraag of het vervallen van die maatregelen tot voortzetting of herhaling van de betreffende dumping en schade zal leiden, in aanmerking zou kunnen nemen.

58 Bovendien zij erop gewezen dat artikel 11, lid 2, vierde alinea, tweede zin, van verordening 2016/1036 – anders dan het Gerecht in punt 70 van het bestreden arrest heeft geoordeeld en zoals de Commissie betoogt – er niet toe strekt dat de marktdeelnemers tijdig kunnen weten of de antidumpingmaatregelen zullen worden gehandhaafd. Zoals de Commissie in haar hogere voorziening benadrukt, wordt om te beginnen geen enkele belanghebbende in kennis gesteld van een verzoek om een nieuw onderzoek vóór de bekendmaking van het bericht van opening van het nieuwe onderzoek in het Publicatieblad van de Europese Unie. Daarnaast is de Commissie – zoals in punt 56 van het onderhavige arrest is vastgesteld – bevoegd om een nieuw onderzoek van de antidumpingmaatregelen te openen op elke datum vóór het vervallen van die maatregelen, ongeacht of producenten in de Unie een verzoek om een nieuw onderzoek hebben ingediend.

59 Daarentegen wordt niet betwist dat het Gerecht in punt 70 van het bestreden arrest terecht heeft vastgesteld dat de in artikel 11, lid 2, vierde alinea, tweede zin, van verordening 2016/1036 gestelde wettelijke termijn voor het indienen van een verzoek om een nieuw onderzoek met name tot doel heeft de Commissie een passende termijn te geven om het bewijsmateriaal in dat verzoek te beoordelen en om zich ervan te vergewissen dat dit bewijsmateriaal toereikend en relevant is, teneinde te voorkomen dat een antidumpingmaatregel ten onrechte wordt gehandhaafd na de voorgeschreven termijn.

60 De bevoegdheid van de Commissie om – indien zij dat passend acht – minder dan drie maanden vóór het vervallen van antidumpingmaatregelen aanvullend bewijsmateriaal te verzamelen of daarom te verzoeken, brengt niet mee dat de verwezenlijking van het in het vorige punt beschreven doel van artikel 11, lid 2, vierde alinea, tweede zin, van verordening 2016/1036 in gevaar komt, aangezien het feit dat zij daartoe bevoegd is, niet inhoudt dat de indiener van een verzoek om een nieuw onderzoek het recht verkrijgt om na het verstrijken van de wettelijke termijn zijn verzoek spontaan aan te vullen of om pas na afloop van die termijn een dergelijk verzoek in te dienen. Het Gerecht heeft dus in punt 77 van het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat de uitlegging die de Commissie in het litigieuze besluit aan deze bepaling heeft gegeven, die bepaling zou uithollen door de daarin neergelegde juridische verplichting zinledig te maken.

61 Uit het voorgaande volgt – zonder dat een standpunt hoeft te worden ingenomen over de bevoegdheid die de Commissie mogelijkerwijs aan artikel 5 van verordening 2016/1036 ontleent – dat artikel 11, lid 2, van deze verordening aldus moet worden uitgelegd dat de Commissie rekening mag houden met bewijsmateriaal dat op haar vraag binnen de periode van drie maanden vóór het vervallen van antidumpingmaatregelen door producenten in de Unie is verstrekt, voor haar beslissing of een nieuw onderzoek van die antidumpingmaatregelen moet worden geopend.

62 Bijgevolg heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 104 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie het recht onjuist heeft toegepast door in overweging 20 van de litigieuze verordening te verklaren dat het niet relevant was dat het oorspronkelijke verzoek was uitgebreid met aanvullende informatie en dat de opening van het nieuwe onderzoek kon worden gerechtvaardigd op basis van het geconsolideerde verzoek.

63 Gelet op een en ander moeten het eerste en het tweede middel in zaak C‑554/23 P en het eerste middel in zaak C‑568/23 P worden toegewezen. Aangezien de onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk heeft gegeven bij de uitlegging van artikel 11, lid 2, van verordening 2016/1036, volstaat om het dictum van het bestreden arrest zijn rechtsgrondslag te ontnemen, moet dat arrest worden vernietigd, zonder dat het derde en het vierde middel in zaak C‑554/23 P en het tweede middel in zaak C‑568/23 P hoeven te worden onderzocht.

Beroep bij het Gerecht

64 Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, tweede zin, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.

65 In de onderhavige zaak is dat niet het geval.

66 Het Gerecht is niet ingegaan op de in het kader van het eerste middel van het beroep aangevoerde grief dat de Commissie in de litigieuze verordening ten onrechte heeft geoordeeld dat het geconsolideerde verzoek voldoende bewijs bevatte waaruit bleek dat het vervallen van de betreffende antidumpingmaatregelen waarschijnlijk tot voortzetting van dumping zou leiden.

67 Aangezien het onderzoek van deze grief ingewikkelde feitelijke beoordelingen vergt waarvoor het Hof niet over alle noodzakelijke feitelijke gegevens beschikt, is het geding niet in staat van wijzen, zodat de zaak moet worden terugverwezen naar het Gerecht.

Kosten

68 Daar de zaak naar het Gerecht wordt terugverwezen, dient de beslissing omtrent de kosten van de hogere voorziening te worden aangehouden.

Het Hof (Derde kamer) verklaart:

1) Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 5 juli 2023, Nevinnomysskiy Azot en NAK Azot/Commissie (T‑126/21, EU:T:2023:376), wordt vernietigd.

2) De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie.

3) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken