HvJ EU 28 november 2024, C-269/23, ECLI:EU:C:2024:984

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

28 november 2024 ( *1 )

„Hogere voorziening – Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie – Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) – Artikelen 1 en 2 – Verordening (EU) 2016/1037 – Artikelen 2 tot en met 4 – Begrippen ‚subsidie’, ‚overheid’, ‚specificiteit’ en ‚voordeel’ – Financiële bijdragen die worden toegekend door Chinese overheidsinstanties aan ondernemingen naar Egyptisch recht die in handen zijn van Chinese entiteiten en gevestigd zijn in de Chinees-Egyptische zone voor economische en commerciële samenwerking in Suez – Mogelijkheid om dergelijke financiële bijdragen te kwalificeren als subsidies die door de Egyptische overheid worden verleend, gelet op het eigen gedrag van de Egyptische overheid – Toelaatbaarheid – Voorwaarden – Financiële bijdrage die erin bestaat dat de overheid afstand doet van inkomsten die haar normaal toekomen – Aan de begunstigde ondernemingen toegekend voordeel – Keuze van de relevante referentiesituatie om vast te stellen dat deze financiële bijdrage en dat voordeel bestaan – Artikelen 5 en 6 – Berekening van het voordeel – Begrippen ‚begunstigde’ en ‚onderneming’”

In de gevoegde zaken C‑269/23 P en C‑272/23 P,

betreffende twee hogere voorzieningen krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op respectievelijk 25 en 27 april 2023,

Hengshi Egypt Fiberglass Fabrics SAE, gevestigd te Ain Soukhna (Egypte) (C‑269/23 P),

Jushi Egypt for Fiberglass Industry SAE, gevestigd te Ain Soukhna, (C‑269/23 P en C‑272/23 P),

rekwirantes,

vertegenwoordigd door V. Crochet en B. Servais, avocats,

andere partijen in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Kienapfel, G. Luengo en P. Němečková als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

Tech-Fab Europe eV, gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland),

interveniënte in eerste aanleg (C‑269/23 P),

Association des producteurs de fibres de verre européens (APFE), gevestigd te Elsene (België),

interveniënte in eerste aanleg (C‑272/23 P),

vertegenwoordigd door J. Beck en L. Ruessmann, advocaten,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: F. Biltgen, president van de Eerste kamer, waarnemend voor de president van de Tweede kamer, M. L. Arastey Sahún, president van de Vijfde kamer, en J. Passer (rapporteur), rechter,

advocaat-generaal: T. Ćapeta,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 mei 2024,

het navolgende

Arrest

1 Met hun hogere voorziening in zaak C‑269/23 P verzoeken Hengshi Egypt Fiberglass Fabrics SAE (hierna: „Hengshi”) en Jushi Egypt for Fiberglass Industry SAE (hierna: „Jushi”) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 1 maart 2023, Hengshi Egypt Fiberglass Fabrics en Jushi Egypt for Fiberglass Industry/Commissie (T‑480/20, EU:T:2023:90; hierna: „arrest T‑480/20”), houdende verwerping van hun beroep tot nietigverklaring, van uitvoeringsverordening (EU) 2020/776 van de Commissie van 12 juni 2020 tot instelling van definitieve compenserende rechten op bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Egypte en tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) 2020/492 van de Commissie tot instelling van definitieve antidumpingrechten op bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Egypte (PB 2020, L 189, blz. 1; hierna: „litigieuze verordening in zaak T‑480/20”), voor zover deze uitvoeringsverordening hen betrof.

2 Met haar hogere voorziening in zaak C‑272/23 P verzoekt Jushi om vernietiging van het arrest van het Gerecht van 1 maart 2023, Jushi Egypt for Fiberglass Industry/Commissie (T‑540/20, EU:T:2023:91; hierna: „arrest T‑540/20” en, samen met arrest T‑480/20, „bestreden arresten”), houdende verwerping van haar beroep tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) 2020/870 van de Commissie van 24 juni 2020 tot instelling van een definitief compenserend recht en tot definitieve inning van het voorlopig compenserend recht op de invoer van continuglasvezelproducten van oorsprong uit Egypte en tot heffing van een definitief compenserend recht op de geregistreerde invoer van continuglasvezelproducten van oorsprong uit Egypte (PB 2020, L 201, blz. 10; hierna: „litigieuze verordening in zaak T‑540/20 en, samen met de litigieuze verordening in zaak T‑480/20, de „litigieuze verordeningen”), voor zover deze uitvoeringsverordening haar betrof.

Toepasselijke bepalingen

Internationaal recht

3 De Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), die op 15 april 1994 te Marrakesh is ondertekend, is goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986‑1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB 1994, L 336, blz. 1; hierna: „Overeenkomst tot oprichting van de WTO”). Bijlage 1 A bij deze overeenkomst omvat met name een overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen.

4 Artikel 1 van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen, met als opschrift „Definitie van een subsidie”, bepaalt: „1.1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt een subsidie geacht te bestaan indien: a) 1) een overheid of een overheidsinstantie (in deze Overeenkomst ‚overheid’ genoemd) een financiële bijdrage levert binnen het gebied van een lid, dat wil zeggen, wanneer i) een overheidspraktijk een directe overdracht van middelen (bijvoorbeeld schenkingen, leningen en deelname in het maatschappelijk kapitaal), een mogelijke directe overdracht van middelen of een verbintenis (bijvoorbeeld het garanderen van een lening) inhoudt; ii) een overheid afstand doet van inkomsten die haar normaal toekomen of deze niet int (bijv. belastingmaatregelen zoals belastingkredieten); iii) een overheid andere goederen of diensten levert dan de algemene infrastructuur of goederen aankoopt; iv) een overheid betalingen verricht aan een financieringsmechanisme of indien zij een particulier orgaan met een of meer van de onder i) tot en met iii) hierboven genoemde soorten functies belast die zij normalerwijze zelf vervult of indien zij het particuliere orgaan daartoe opdracht geeft, en de praktijk in werkelijkheid niet afwijkt van praktijken die overheden normalerwijze volgen; […] en b) indien hierdoor een voordeel wordt toegekend. […]”

5 Artikel 2 van deze overeenkomst, met als opschrift „Specificiteit”, bepaalt: „2.1 Om te bepalen of een subsidie, als in artikel 1, lid 1, omschreven, specifiek is voor een onderneming of bedrijfstak of groep ondernemingen (in deze Overeenkomst ‚bepaalde ondernemingen’ genoemd) binnen het rechtsgebied van de subsidieverlenende autoriteit zijn de volgende beginselen van toepassing: a) Een subsidie is specifiek wanneer de subsidieverlenende autoriteit of de wetgeving op grond waarvan de subsidieverlenende autoriteit handelt, de mogelijkheid subsidie te verkrijgen uitdrukkelijk tot bepaalde ondernemingen beperkt. b) Een subsidie is niet specifiek indien de subsidieverlenende autoriteit objectieve criteria of voorwaarden hanteert voor de toekenning van subsidies en de hoogte ervan, of indien zulke criteria of voorwaarden zijn neergelegd in de wetgeving op grond waarvan de subsidieverlenende autoriteit handelt, voor zover de toekenning dan automatisch is en de criteria en voorwaarden strikt in acht worden genomen. […] c) Indien, ondanks het feit dat op grond van het bepaalde onder a) en b) er geen sprake lijkt te zijn van specificiteit, er toch redenen zijn om aan te nemen dat een subsidie specifiek is, kunnen andere factoren in aanmerking worden genomen, […]. 2.2 Een subsidie die tot bepaalde ondernemingen in een afgebakend geografisch gebied binnen het rechtsgebied van een subsidieverlenende autoriteit is beperkt, is specifiek, […]. […]”

6 Artikel 5 van deze overeenkomst, met als opschrift „Schadelijke gevolgen”, bepaalt: „Een lid mag, door het gebruik van een van de in artikel 1, leden 1 en 2, genoemde subsidies, de belangen van een ander lid niet schaden, […]. […]”

7 Artikel 11 van deze overeenkomst, met als opschrift „Opening en uitvoering van het onderzoek”, bepaalt in lid 8: „Wanneer producten niet rechtstreeks vanuit het land van oorsprong maar via een ander land in het importerende lid worden ingevoerd, zijn de bepalingen van deze Overeenkomst volledig van toepassing en de transactie(s) word(t)(en) voor de toepassing van deze Overeenkomst geacht tussen het land van oorsprong en het importerende lid te hebben plaatsgevonden.”

Unierecht

8 De bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Unie zijn, was van 1968 tot en met 1994 achtereenvolgens geregeld door een reeks gemeenschappelijke antisubsidie- en antidumpingverordeningen, en vervolgens door een reeks specifieke verordeningen. De laatste van deze specifieke verordeningen is verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 55), zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2018/825 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 (PB 2018, L 143, blz. 1) (hierna: „verordening 2016/1037”).

9 De overwegingen 2 tot en met 5 van verordening 2016/1037 luiden als volgt: „(2) Bijlage 1 A bij de Overeenkomst tot oprichting van de [WTO] […] omvat onder meer […] een overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen. (3) Om een correcte en transparante toepassing van de regels van de [overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen] te waarborgen, dienen de bewoordingen van die overeenkomst zoveel mogelijk in het Unierecht tot uitdrukking te komen. (4) Het is voorts wenselijk in voldoende bijzonderheden te bepalen wanneer geacht moet worden dat er subsidiëring is, volgens welke beginselen daartegen compenserende maatregelen moeten kunnen worden genomen, in het bijzonder indien de subsidie specifiek is toegekend, en volgens welke criteria de hoogte van de subsidie wordt berekend die tot compenserende maatregelen kan leiden. (5) Om het bestaan van een subsidie te kunnen vaststellen, is het noodzakelijk aan te tonen dat de overheid of een overheidsinstantie op het grondgebied van een land een financiële bijdrage heeft verstrekt […] en dat de onderneming die deze heeft genoten, daarmee een voordeel heeft verkregen.”

10 Artikel 1 („Beginselen”) van deze verordening bepaalt: „1. Compenserende rechten kunnen worden ingesteld om elke subsidie te neutraliseren die rechtstreeks of onrechtstreeks wordt toegekend voor de vervaardiging, de productie, de uitvoer of het vervoer van een product waarvan het in de Unie in het vrije verkeer brengen schade veroorzaakt. 2. In afwijking van lid 1 zijn de bepalingen van deze verordening volledig van toepassing op producten die niet rechtstreeks vanuit het land van oorsprong, maar vanuit een tussenliggend land naar de Unie worden uitgevoerd. De desbetreffende transactie(s) wordt, respectievelijk worden beschouwd als tussen het land van oorsprong en de Unie te zijn geschied.”

11 Artikel 2 van deze verordening bepaalt met name dat voor de toepassing ervan: „a) […] een product geacht [wordt] te worden gesubsidieerd indien daarvoor een subsidie wordt toegekend waartegen compenserende maatregelen kunnen worden genomen zoals omschreven in de artikelen 3 en 4. Een dergelijke subsidie kan worden verleend door de overheid van het land van oorsprong van het ingevoerde product of door die van een tussenliggend land vanwaaruit het product naar de Unie wordt uitgevoerd, welk laatstbedoeld land voor de toepassing van deze verordening ‚land van uitvoer’ wordt genoemd; b) […] onder ‚overheid’ [wordt] verstaan, elke overheidsinstantie op het grondgebied van het land van oorsprong of van uitvoer”.

12 In artikel 3 van die verordening, met als opschrift „Definitie van subsidie”, staat te lezen: „Subsidie wordt geacht aanwezig te zijn indien: 1) a) de overheid in het land van oorsprong of in dat van uitvoer een financiële bijdrage levert, dat wil zeggen wanneer: i) een overheidspraktijk rechtstreekse overdracht van middelen (bijvoorbeeld schenkingen, leningen, kapitaalinbreng), of mogelijke rechtstreekse overdracht van middelen of van passiva (bijvoorbeeld leninggaranties) inhoudt; ii) de overheid afstand doet van inkomsten die haar normaal toekomen of deze niet int, bijvoorbeeld fiscale stimuli zoals belastingkredieten. […] iii) de overheid goederen levert of diensten biedt, niet bestaande uit algemene infrastructuur, of goederen aankoopt; iv) de overheid: – betalingen aan een financieringsmechanisme verricht, of – aan een particulier lichaam een of meer van de onder i), ii) en iii) genoemde soorten functies toevertrouwt of dat lichaam daarmee belast, welke functies zij normaal zelf zou vervullen en de praktijk in werkelijkheid niet afwijkt van praktijken die overheidsinstanties plegen te volgen; […] […]; en 2) daarbij een voordeel wordt toegekend.”

13 Artikel 4 van verordening 2016/1037, met als opschrift „Tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies” bepaalt: „1. Subsidies worden slechts dan aan compenserende maatregelen onderworpen indien zij specifiek zijn, zoals omschreven in de leden 2, 3 en 4. 2. Om te bepalen of een subsidie specifiek is voor een onderneming of een bedrijfstak of voor een groep van ondernemingen of bedrijfstakken (hierna ‚bepaalde ondernemingen’ genoemd) binnen het gebied van de bevoegdheden van de subsidieverlenende autoriteit, gelden de volgende beginselen: a) een subsidie is specifiek wanneer de subsidieverlenende autoriteit of de wetgeving op grond waarvan deze autoriteit handelt, de mogelijkheid om subsidie te verkrijgen uitdrukkelijk tot bepaalde ondernemingen beperkt; b) een subsidie is niet-specifiek indien de subsidieverlenende autoriteit of de wetgeving op grond waarvan deze subsidieverlenende autoriteit handelt, voor de toekenning van subsidies en voor de vaststelling van de hoogte ervan objectieve criteria of voorwaarden hanteert en voor zover het in aanmerking komen voor subsidie automatisch is en de criteria en voorwaarden strikt in acht worden genomen; c) indien er, ondanks het feit dat er op grond van het bepaalde onder a) en b) geen specificiteit lijkt te zijn, toch redenen zijn om aan te nemen dat de subsidie in feite specifiek kan zijn, mogen andere factoren in aanmerking worden genomen, zoals gebruik van een subsidieprogrammering door een beperkt aantal bepaalde ondernemingen, gebruik ervan overwegend door bepaalde ondernemingen, de toekenning aan bepaalde ondernemingen van onevenredig hoge subsidiebedragen en de wijze waarop de subsidieverlenende autoriteit bij het besluit tot verlening van de subsidie van haar discretionaire bevoegdheid gebruikmaakt. […] […] 3. Een subsidie die tot bepaalde ondernemingen is beperkt welke in een afgebakend geografisch gebied binnen het gebied van de bevoegdheden van een subsidieverlenende autoriteit zijn gevestigd, is specifiek. […] […]”

14 Artikel 5 van deze verordening, met als opschrift „Berekening van de hoogte van tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies”, luidt: „De hoogte van tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies wordt berekend in termen van het door de ontvanger daarmee verkregen voordeel waarvan het bestaan wordt vastgesteld in het onderzoektijdvak voor de subsidiëring. Dit tijdvak is in de regel het recentste boekjaar van de begunstigde, maar kan ook een ander tijdvak van ten minste zes, aan de opening van het onderzoek voorafgaande maanden zijn, waarvoor betrouwbare financiële en andere relevante gegevens beschikbaar zijn.”

15 Artikel 6 van deze verordening („Berekening van het voordeel voor de ontvanger”) luidt: „Voor de berekening van het voordeel voor de ontvanger geldt het volgende: a) de deelneming in aandelenkapitaal door de overheid wordt niet als voordeeltoekenning beschouwd, tenzij die investering kan worden beschouwd als niet overeen te stemmen met de normale investeringspraktijk (verstrekking van risicokapitaal inbegrepen) van particuliere investeerders op het grondgebied van het land van oorsprong en/of van uitvoer; b) een door de overheid verstrekte lening wordt niet als voordeeltoekenning beschouwd, tenzij er een verschil is tussen het bedrag dat de leningontvangende onderneming op die lening betaalt en dat wat de onderneming zou betalen voor een vergelijkbare commerciële lening die zij daadwerkelijk op de markt zou kunnen verkrijgen. In dat geval bestaat het voordeel uit het verschil tussen die twee bedragen; c) een door de overheid verstrekte garantie voor een lening wordt niet als voordeeltoekenning beschouwd, tenzij er een verschil is tussen het bedrag dat de garantieontvangende onderneming op een door de overheid gegarandeerde lening betaalt en dat wat de onderneming zou betalen voor een vergelijkbare commerciële lening zonder overheidsgarantie. In dat geval bestaat het voordeel uit het verschil tussen deze twee bedragen, gecorrigeerd voor eventuele verschillen in commissies; d) de levering van goederen, de verrichting van diensten of de aankoop van goederen door de overheid wordt niet als voordeeltoekenning beschouwd, tenzij de levering tegen een minder dan toereikende beloning of de aankoop tegen een meer dan toereikende beloning geschiedt. De toereikendheid van de beloning wordt vastgesteld door een vergelijking te maken met de heersende marktvoorwaarden voor het betreffende product, respectievelijk de betrokken diensten in het land van levering of van aankoop (waaronder prijs, kwaliteit, beschikbaarheid, verhandelbaarheid, vervoer en andere aan- of verkoopvoorwaarden). […]”

16 Voorts voorzien verschillende bepalingen van deze verordening, met name artikel 9, lid 3, artikel 10, leden 7 en 13, artikel 11, leden 6, 7 en 10, artikel 13, leden 1 tot en met 3, artikel 18, lid 3, artikel 29 bis, lid 1, en artikel 30, leden 1 en 2, ervan, in verschillende mogelijkheden ten gunste van met name het „land van oorsprong of van uitvoer”, de „regering van het land van oorsprong en/of van uitvoer”, de „overheid van het land van oorsprong en/of van uitvoer” en de „overheidsinstanties die tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies verlenen”.

Voorgeschiedenis van het geding

17 De aan de gedingen ten grondslag liggende feiten, zoals uiteengezet in de bestreden arresten, kunnen als volgt worden samengevat.

18 Hengshi en Jushi zijn twee vennootschappen die in Egypte zijn gevestigd en overeenkomstig de wetgeving van dat land zijn opgericht. Ze zijn beide een dochteronderneming van een in China gevestigde moedermaatschappij. Deze twee moedermaatschappijen zijn zelf eigendom van en volledig gecontroleerd door een eveneens in China gevestigde topholding, „China National Building Materials Co. Ltd” genaamd. Deze laatste is een overheidsbedrijf dat indirect in handen is van en volledig wordt gecontroleerd door het Comité voor toezicht op en beheer van staatsactiva van de Chinese Staatsraad, dat zelf verbonden is aan en onder zeggenschap staat van de Chinese Staatsraad.

19 Hengshi en Jushi zijn actief in verschillende aspecten van de productie, verkoop en uitvoer, met name naar de Unie, van glasvezelproducten bestemd voor onder meer de vervaardiging van lichte composietmaterialen die worden gebruikt in onder meer de automobielindustrie, de scheepsbouw, de luchtvaartindustrie, de windenergiesector en de bouwsector.

20 Zij zijn gevestigd in een geografisch gebied met de naam „Chinees-Egyptische zone voor economische en commerciële samenwerking in Suez” (China-Egypt Suez Economic and Trade Cooperation Zone; hierna: „SETC-zone”).

21 Overeenkomstig een samenwerkingsovereenkomst die op 21 januari 2016 is ondertekend tussen de Chinese en de Egyptische overheid, wordt de SETC-zone na een reeks gemeenschappelijke initiatieven gezamenlijk bestuurd en ontwikkeld. Daartoe verleent de Egyptische overheid bepaalde belastingvrijstellingen aan ondernemingen die eigendom zijn van Chinese of Chinees-Egyptische entiteiten die in dat gebied zijn gevestigd en stelt zij hun terreinen en arbeidskrachten ter beschikking, onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in de toepasselijke Egyptische regelgeving. De Chinese overheid van haar kant stelt direct of indirect financiële middelen ter beschikking van deze ondernemingen in het kader van de uitvoering van een algemeen project met de naam „One Belt, One Road”, in het kader waarvan met name is voorzien in de mogelijkheid voor Chinese ondernemingen die zich in derde landen vestigen, om te profiteren van verschillende fiscale en financiële maatregelen in de vorm van bijvoorbeeld leningen, investeringen en kredietverzekeringen.

22 In mei en juni 2019 heeft de Europese Commissie op grond van de artikelen 10 en 11 van verordening 2016/1037, naar aanleiding van klachten die waren ingediend door respectievelijk Tech-Fab Europe eV (hierna: „Tech-Fab Europe”) en de Association des producteurs de fibres de verre européens (APFE), twee onderzoeksprocedures ingeleid met betrekking tot mogelijke subsidies voor de invoer van bepaalde glasvezelproducten in de Unie.

23 Na afloop van deze onderzoeken heeft de Commissie in juni 2020 achtereenvolgens de litigieuze verordening in zaak T‑480/20 en de litigieuze verordening in zaak T‑540/20 vastgesteld. De litigieuze verordeningen stellen beide compenserende rechten in op de glasvezelproducten waarop die onderzoeken betrekking hebben en die respectievelijk door Hengshi en Jushi in de Unie worden ingevoerd, wat de eerste verordening betreft, en Jushi, wat de tweede verordening betreft. In deze verordeningen heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat Hengshi en Jushi in het kader van de uitvoering van de verschillende in punt 21 van het onderhavige arrest genoemde initiatieven hadden geprofiteerd van een reeks subsidies van de Egyptische overheid. Sommige van de maatregelen die als zodanig zijn aangemerkt, zijn volgens de Commissie in wezen het resultaat van een samenwerking tussen de Egyptische overheid en de Chinese overheid.

Beroepen bij het Gerecht en bestreden arresten

24 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 28 juli 2020, hebben Hengshi en Jushi bij het Gerecht beroep ingesteld tot nietigverklaring van de litigieuze verordening in zaak T‑480/20. Ter ondersteuning van dit beroep voeren zij zes middelen aan, ontleend aan schending van verordening 2016/1037, waarvan één middel ook betrekking heeft op schending van hun rechten van verdediging.

25 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 20 oktober 2020, heeft Tech-Fab Europe verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Commissie.

26 Bij beschikking van 26 januari 2021 heeft de president van de Eerste kamer van het Gerecht deze interventie toegestaan.

27 Op 1 maart 2023 heeft het Gerecht arrest T‑480/20 vastgesteld, waarbij het beroep ongegrond is verklaard.

28 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 27 augustus 2020, heeft Jushi een parallel beroep tot nietigverklaring van de litigieuze verordening ingesteld in zaak T‑540/20. Ter ondersteuning van dit beroep heeft zij vijf middelen aangevoerd die waren ontleend aan schending van verordening 2016/1037, waarvan twee middelen ook betrekking hadden op schending van haar rechten van verdediging en van de rechten van verdediging van de Egyptische overheid. Onder voorbehoud van dit laatste aspect zijn deze middelen in wezen identiek aan het tweede tot en met het zesde middel in zaak T‑480/20.

29 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 14 december 2020, heeft APFE verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Commissie.

30 Bij beschikking van 28 april 2021 heeft de president van de Eerste kamer van het Gerecht deze interventie toegestaan.

31 Op 1 maart 2023 heeft het Gerecht arrest T‑540/20 vastgesteld, waarbij het beroep ongegrond is verklaard.

32 De middelen in eerste aanleg die in het kader van de onderhavige hogere voorzieningen relevant zijn, zijn de volgende. In de eerste plaats hebben rekwirantes met het eerste onderdeel van het tweede middel in zaak T‑480/20 en met het tweede onderdeel van het eerste middel in zaak T‑540/20 in identieke bewoordingen betoogd dat de Commissie artikel 2, onder a) en b), en artikel 3, punt 1, van verordening 2016/1037 had geschonden door in wezen te oordelen dat bepaalde financiële bijdragen die hen door de Chinese overheid waren toegekend, ook moesten worden beschouwd als subsidies die door de Egyptische overheid waren verleend of aan de Egyptische overheid toegerekend konden worden. Ter ondersteuning van dit betoog hebben zij drie afzonderlijke grieven aangevoerd, waarin werd aangevoerd dat de redenering van de Commissie was gebaseerd op, ten eerste, een onjuiste uitlegging van de bewoordingen van deze bepalingen van verordening 2016/1037 en van de context ervan, ten tweede, het feit dat ten onrechte de overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen in aanmerking werd genomen voor de uitlegging van deze verordening, en ten derde, gesteld dat die overeenkomst in aanmerking moest worden genomen, de onjuiste uitlegging van deze overeenkomst in het licht van artikel 31 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 (United Nations Treaty Series, deel 1155, blz. 331; hierna: „Verdrag van Wenen”), evenals artikel 11 van de door de International Law Commission (Commissie voor internationaal recht van de Verenigde Naties) opgestelde artikelen inzake aansprakelijkheid van staten voor een internationaal onrechtmatige daad. Het Gerecht heeft dit betoog in de punten 71 tot en met 103 van arrest T‑480/20 en in de punten 38 tot en met 70 van arrest T‑540/20 onderzocht en in zijn geheel afgewezen.

33 In de tweede plaats heeft het Gerecht zich uitgesproken over het tweede onderdeel van het tweede middel dat Hengshi en Jushi hebben aangevoerd in zaak T‑480/20, evenals over het derde onderdeel van het eerste middel dat Jushi heeft aangevoerd in zaak T‑540/20. In dat kader hebben rekwirantes in identieke bewoordingen betoogd dat de Commissie artikel 4, leden 2 en 3, van verordening 2016/1037 had geschonden door te oordelen dat bepaalde financiële bijdragen die hun door de Chinese overheid waren toegekend, specifieke subsidies in de zin van die bepalingen vormden. Ter ondersteuning van dit betoog hebben zij in wezen aangevoerd dat die bepalingen, gelet op de bewoordingen en de context ervan, aldus moesten worden uitgelegd dat een subsidie, om als specifiek te kunnen worden aangemerkt, door een bepaalde autoriteit moet zijn toegekend – dus verstrekt – aan ondernemingen die onder haar rechtsmacht vallen. Bovendien hebben zij betoogd dat een dergelijk vereiste in casu verhindert dat financiële bijdragen van de Chinese overheid aan in China gevestigde ondernemingen, welke bijdragen door deze ondernemingen worden doorgegeven aan hun dochterondernemingen in Egypte, evenals financiële bijdragen die rechtstreeks door die overheid aan die dochterondernemingen werden toegekend, kunnen worden aangemerkt als specifieke subsidies die door een Egyptische autoriteit zijn toegekend. Het Gerecht heeft dit betoog afgewezen in de punten 106 tot en met 109 van arrest T‑480/20 en in de punten 73 tot en met 76 van arrest T‑540/20.

34 In de derde plaats heeft het Gerecht uitspraak gedaan over het vierde middel van Hengshi en Jushi in zaak T‑480/20 en over het derde middel van Jushi in zaak T‑540/20. In dat kader hebben rekwirantes in identieke bewoordingen betoogd dat de Commissie artikel 3, punt 1, onder a), ii), en artikel 3, punt 2, en artikel 5 van verordening 2016/1037 had geschonden door te oordelen dat de Egyptische overheid hun een subsidie had toegekend en aldus een voordeel had gegeven door bepaalde douanerechten niet te innen die normaliter verschuldigd waren bij de invoer door Jushi in Egypte van materialen die bestemd zijn om als grondstoffen te worden gebruikt voor de vervaardiging van glasvezelproducten welke door Hengshi naar de Unie zouden worden uitgevoerd. Het Gerecht heeft dit betoog afgewezen in de punten 162 tot en met 171 van arrest T‑480/20 en in de punten 129 tot en met 138 van arrest T‑540/20.

35 In de vierde plaats heeft het Gerecht uitspraak gedaan over het vijfde middel van Hengshi en Jushi in zaak T‑480/20 en over het vierde middel van Jushi in zaak T‑540/20. In dit kader hebben rekwirantes in identieke bewoordingen betoogd dat de Commissie artikel 3, punt 2, en artikel 4, lid 2, onder c), van verordening 2016/1037 had geschonden door te oordelen dat de fiscale behandeling door de Egyptische overheid van de wisselkoersverliezen als gevolg van de devaluatie van het Egyptische pond in 2016 een subsidie vormde die de facto een specifiek voordeel verleende aan een beperkt aantal exportgerichte ondernemingen die het merendeel van hun activiteiten in buitenlandse valuta uitoefenden, waaronder Hengshi en Jushi. Het Gerecht heeft dit betoog afgewezen in de punten 175 tot en met 179 van arrest T‑480/20 en in de punten 142 tot en met 146 van arrest T‑540/20.

36 In de vijfde en laatste plaats heeft het Gerecht zich in zaak T‑480/20 uitgesproken over het eerste onderdeel van het eerste door Hengshi en Jushi aangevoerde middel. In dit verband hebben rekwirantes betoogd dat de Commissie met name artikel 1, lid 1, artikel 5 en artikel 6 van verordening 2016/1037 had geschonden bij de berekening van het bedrag van de aan elk van hen verleende subsidies die aanleiding gaven tot compenserende maatregelen. Het Gerecht heeft dit betoog in de punten 32 tot en met 58 van arrest T‑480/20 afgewezen.

Conclusies van partijen en procedure bij het Hof

37 Met hun hogere voorziening in zaak C‑269/23 P verzoeken Hengshi en Jushi het Hof: – arrest T‑480/20 te vernietigen; – de litigieuze verordening in zaak T‑480/20 nietig te verklaren, na deze zaak te hebben behandeld, en – de Commissie en interveniëntes te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening.

38 Met haar hogere voorziening in zaak C‑272/23 P verzoekt Jushi het Hof: – arrest T‑540/20 te vernietigen; – de litigieuze verordening in zaak T‑540/20 nietig te verklaren, na deze zaak te hebben behandeld, en – de Commissie en interveniëntes te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening.

39 De Commissie verzoekt het Hof de twee hogere voorzieningen af te wijzen en rekwirantes te verwijzen in de kosten.

40 Tech-Fab Europe verzoekt het Hof de hogere voorziening in zaak C‑269/23 P af te wijzen en Hengshi en Jushi te verwijzen in de kosten.

41 APFE verzoekt het Hof de hogere voorziening in zaak C‑272/23 P af te wijzen en Jushi te verwijzen in de kosten.

42 Bij beschikking van de president van het Hof van 8 december 2023, zijn de twee zaken, de partijen gehoord, gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.

Hogere voorziening

43 Ter ondersteuning van hun vorderingen in zaak C‑269/23 P voeren Hengshi en Jushi vijf middelen aan.

44 Ter ondersteuning van haar vorderingen in zaak C‑272/23 P voert Jushi vier middelen aan, die in wezen identiek zijn aan het tweede tot en met het vierde middel in zaak C‑269/23 P.

Eerste middel dat de twee zaken gemeen hebben

Argumenten van partijen

45 Met hun tweede middel in zaak C‑269/23 P, dat in wezen is ontleend aan een onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 2, onder a) en b), en artikel 3, punt 1, van verordening 2016/1037, betwisten Hengshi en Jushi de beoordelingen van het Gerecht in de punten 81 tot en met 103 van arrest T‑480/20. Dit middel is identiek aan het eerste middel in zaak C‑272/23 P, waarmee Jushi de beoordelingen van het Gerecht in de punten 48 tot en met 70 van arrest T‑540/20 betwist.

46 Met dit middel, dat beide zaken gemeen hebben en overeenkomt met de in punt 32 van het onderhavige arrest samengevatte middelen in eerste aanleg, betogen rekwirantes dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie kon vaststellen dat bepaalde financiële bijdragen die de Chinese overheid hun had toegekend – hetzij rechtstreeks hetzij, via hun moedermaatschappijen – ook moesten worden aangemerkt als subsidies die door de Egyptische overheid waren toegekend of aan de Egyptische overheid konden worden toegerekend.

47 In dit verband betogen zij in de eerste plaats dat deze juridische kwalificatie en de daaraan ten grondslag liggende uitlegging, zoals uiteengezet in de punten 81 tot en met 85 en 92 tot en met 95 van arrest T‑480/20 en in de punten 48 tot en met 52 en 59 tot en met 62 van arrest T‑540/20, onverenigbaar zijn met de bewoordingen van artikel 2, onder a) en b), en artikel 3, punt 1, van verordening 2016/1037, bezien in het licht van de context van deze bepalingen en de doelstelling van die verordening.

48 Om te beginnen vermelden artikel 2, onder a) en b), en artikel 3, punt 1, van verordening 2016/1037 in de verschillende taalversies namelijk duidelijk en nauwkeurig dat het begrip „subsidie” uitsluitend financiële bijdragen omvat die afkomstig zijn van „de overheid van het land van oorsprong of van uitvoer”, die in de regel wordt opgevat als „elke overheidsinstantie op het grondgebied” van dat land, met uitzondering van één situatie, die betrekking heeft op de situatie waarin dergelijke instanties aan „een particulier lichaam” functies toevertrouwen die zij normaal zelf zouden vervullen of dat lichaam daarmee belasten. Op grond van deze bepalingen kunnen financiële bijdragen die afkomstig zijn van de overheid van een ander land dus niet onder dit begrip vallen. Genoemde bepalingen verwijzen bovendien naar subsidies die worden „verleend” door de betrokken overheid en niet naar subsidies die aan die overheid kunnen worden „toegerekend”. Dit begrip kan dus alleen subsidies omvatten die rechtstreeks van die overheid afkomstig zijn, onder voorbehoud van de uitzondering waarin uitdrukkelijk en limitatief is voorzien voor particuliere organisaties die voor rekening van die overheid handelen.

49 Vervolgens vindt deze uitlegging volgens rekwirantes steun in de context van artikel 2, onder a) en b), en artikel 3, punt 1, van verordening 2016/1037. In het bijzonder verlenen artikel 10, lid 7, en artikel 13, lid 1, van deze verordening een aantal rechten en bevoegdheden aan het land van oorsprong of van uitvoer. Indien de door het Gerecht gegeven uitlegging zou worden aanvaard, geldt iets dergelijks voor andere landen juist niet.

50 Ten slotte staat in overweging 4 van verordening 2016/1037 te lezen dat deze handeling met name tot doel heeft om in voldoende bijzonderheden te bepalen onder welke voorwaarde geoordeeld moet worden dat er subsidiëring is, waaronder niet de voorwaarde dat een financiële bijdrage van de overheid van het land van oorsprong of van uitvoer, die dus door deze overheid is toegekend, kan worden toegerekend aan de overheid van een ander land. Meer in het algemeen heeft de Uniewetgever niet de intentie gehad om directe buitenlandse investeringen onder deze verordening te laten vallen.

51 In de tweede plaats stellen rekwirantes dat de uitlegging van verordening 2016/1037 door het Gerecht evenmin als gerechtvaardigd kan worden beschouwd in het licht van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen.

52 In tegenstelling tot wat het Gerecht in de punten 96 tot en met 100 van arrest T‑480/20 en in de punten 63 tot en met 67 van arrest T‑540/20 heeft verklaard, verschillen de bewoordingen van artikel 2, onder a) en b), en artikel 3, punt 1, van verordening 2016/1037 namelijk gedeeltelijk van die van artikel 1 van die overeenkomst. Anders dan laatstgenoemd artikel, dat bepaalt dat het begrip „overheid” elke „overheidsinstantie […] binnen het gebied van een lid” omvat, wordt in eerstgenoemde bepalingen met name vermeld dat dit begrip uitsluitend „elke overheidsinstantie op het grondgebied van het land van oorsprong of van uitvoer” omvat. Aan dit verschil in formulering moet betekenis worden gehecht.

53 Anders dan het Gerecht in de punten 101 en 102 van arrest T‑480/20 en in de punten 68 en 69 van arrest T‑540/20 heeft verklaard, blijkt hoe dan ook uit artikel 1 van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen, waarvan de bewoordingen moeten worden uitgelegd in overeenstemming met de regels van artikel 31 van het Verdrag van Wenen, duidelijk dat een financiële bijdrage van de overheid van een WTO-lid net zomin op grond van deze overeenkomst kan worden aangemerkt als subsidie die kan worden toegerekend aan de overheid van een ander WTO-lid. Uit dat artikel 1 volgt namelijk dat een financiële bijdrage die „afkomstig is” van een uitvoerend orgaan of een overheidsinstantie „binnen het gebied” van een lid, een subsidie vormt die „door de overheid” van een lid wordt „verleend”. Bovendien biedt dit artikel niet de mogelijkheid om een dergelijke financiële bijdrage aan de overheid van een ander lid toe te rekenen. Ten slotte bevestigen de context waarin deze bewoordingen moeten worden opgevat en het doel van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen deze uitlegging.

54 De Commissie, ondersteund door APFE en Tech-Fab Europe, betwist de gegrondheid van dit gehele betoog.

Beoordeling door het Hof

– Overwegingen vooraf

55 Voor zover rekwirantes betogen dat in de bestreden arresten blijk is gegeven van onjuiste rechtsopvattingen, die er in wezen in bestaan dat het Gerecht de rechtmatigheid van de litigieuze verordeningen niet alleen heeft getoetst op basis van een onjuiste uitlegging van verordening 2016/1037, maar ook op basis van een onjuist begrip van de rechtsverhouding tussen die verordening en de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen, alsook op basis van een onjuiste uitlegging van die overeenkomst, moet vooraf worden vastgesteld of en, zo ja, op welke grond die overeenkomst door het Hof in aanmerking moet worden genomen.

56 Wat dat betreft is het in de eerste plaats vaste rechtspraak dat de bepalingen van een internationale overeenkomst waarbij de Unie partij is, ter ondersteuning van een beroep tot nietigverklaring van een handeling van afgeleid Unierecht, van een exceptie van onwettigheid van een dergelijke handeling, of tevens van een beroep tot schadevergoeding enkel kunnen worden ingeroepen indien de aard en de opzet van die overeenkomst daaraan niet in de weg staan en de aangevoerde bepalingen van die internationale overeenkomst inhoudelijk onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn (arresten van 3 juni 2008, Intertanko e.a., C‑308/06, EU:C:2008:312, punten 43 en 45; 4 februari 2016, C & J Clark International en Puma, C‑659/13 en C‑34/14, EU:C:2016:74, punt 84, en 28 september 2023, Changmao Biochemical Engineering/Commissie, C‑123/21 P, EU:C:2023:708, punt 69).

57 Het Hof heeft echter steeds geoordeeld dat de Overeenkomst tot oprichting van de WTO en de in de bijlagen 1 tot en met 4 bij deze overeenkomst opgenomen overeenkomsten, gelet op hun aard en opzet, in beginsel niet behoren tot de normen waaraan de wettigheid van handelingen van afgeleid Unierecht kan worden getoetst (arresten van 16 juli 2015, Commissie/Rusal Armenal, C‑21/14 P, EU:C:2015:494, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 4 februari 2016, C & J Clark International en Puma, C‑659/13 en C‑34/14, EU:C:2016:74, punt 85, en 28 september 2023, Changmao Biochemical Engineering/Commissie, C‑123/21 P, EU:C:2023:708, punt 71).

58 De Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen, die is opgenomen in bijlage 1A bij de Overeenkomst tot oprichting van de WTO, vormt dus in beginsel geen dergelijke norm.

59 In twee uitzonderlijke situaties, waaruit blijkt dat de Uniewetgever zijn handelingsmarge bij de toepassing van de WTO-regels heeft willen beperken, staat het evenwel aan de Unierechter om de wettigheid van een handeling van afgeleid Unierecht of van de handelingen waarbij dit recht wordt toegepast, te toetsen aan de Overeenkomst tot oprichting van de WTO of aan de in de bijlagen 1 tot en met 4 bij deze overeenkomst opgenomen overeenkomsten. Het gaat ten eerste om het geval waarin de Unie in deze handeling een bijzondere, in het kader van die overeenkomsten aangegane verplichting heeft willen nakomen, en ten tweede om het geval waarin de betrokken Uniehandeling uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van die overeenkomsten verwijst (arresten van 16 juli 2015, Commissie/Rusal Armenal, C‑21/14 P, EU:C:2015:494, punten 40 en 41; 4 februari 2016, C & J Clark International en Puma, C‑659/13 en C‑34/14, EU:C:2016:74, punt 87, en 28 september 2023, Changmao Biochemical Engineering/Commissie, C‑123/21 P, EU:C:2023:708, punten 74 en 75).

60 Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof, onderscheidt de eventuele wil van de Unie om uitvoering te geven aan een bijzondere verplichting die is aangegaan in het kader van de betrokken overeenkomsten, zich van de verplichting van elk WTO-lid om in het kader van zijn interne rechtsorde en op zijn gehele grondgebied toe te zien op de naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit het WTO-recht [zie in die zin arrest van 6 oktober 2020, Commissie/Hongarije (Hoger onderwijs), C‑66/18, EU:C:2020:792, punt 85]. Deze wil en de bijzondere verplichting waarop zij betrekking heeft, moeten dus blijken uit een specifieke bepaling van de handeling van afgeleid Unierecht die in een bepaald geval aan de orde is (zie in die zin arresten van 16 juli 2015, Commissie/Rusal Armenal, C‑21/14 P, EU:C:2015:494, punten 45 en 46, en 28 september 2023, Changmao Biochemical Engineering/Commissie, C‑123/21 P, EU:C:2023:708, punt 79).

61 In casu moet om te beginnen worden vastgesteld dat uit geen van de bepalingen van verordening 2016/1037, waarop rekwirantes zich in het kader van het onderhavige middel beroepen, blijkt dat de Uniewetgever in die handeling uitvoering heeft willen geven aan een bijzondere verplichting die is aangegaan in het kader van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen of, meer in het algemeen, van de Overeenkomst tot oprichting van de WTO en de overeenkomsten in de bijlagen 1 tot en met 4 daarvan.

62 Voorts verwijst geen van deze bepalingen uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van die overeenkomsten.

63 Ten slotte staat in overweging 3 van verordening 2016/1037 weliswaar te lezen dat „[d]e bewoordingen [van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen] zo veel mogelijk in Unierecht tot uitdrukking moeten komen”, maar deze uitdrukking moet aldus worden opgevat dat, ook al heeft de Uniewetgever bij de vaststelling van die verordening uitvoering willen geven aan de bepalingen van die overeenkomst, hij niet van die overeenkomst een norm heeft willen maken waaraan de wettigheid van handelingen van afgeleid Unierecht zou kunnen worden getoetst (zie naar analogie arresten van 16 juli 2015, Commissie/Rusal Armenal, C‑21/14 P, EU:C:2015:494, punt 52, en 28 september 2023, Changmao Biochemical Engineering/Commissie, C‑123/21 P, EU:C:2023:708, punt 78).

64 Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 99 van arrest T‑480/20 en in punt 66 van arrest T‑540/20 ten onrechte geoordeeld dat artikel 3, punt 1, onder a), van verordening 2016/1037 ertoe strekt uitvoering te geven aan een bijzondere verplichting die de Unie in het kader van de WTO is aangegaan. Aangezien deze beoordeling, die wordt ingeleid met de uitdrukking „bovendien”, door het Gerecht ten overvloede is verricht, kan de daardoor gegeven onjuiste rechtsopvatting evenwel niet leiden tot vernietiging van het bestreden arrest.

65 In de tweede plaats volgt uit vaste rechtspraak van het Hof evengoed dat handelingen van afgeleid Unierecht wegens de voorrang van door de Unie gesloten internationale overeenkomsten boven deze handelingen van afgeleid Unierecht, voor zover de bepalingen ervan in wezen identiek zijn, zoveel mogelijk in overeenstemming met die overeenkomsten moeten worden uitgelegd, met name wanneer die handelingen strekken tot uitvoering van dergelijke overeenkomsten (zie in die zin arresten van 8 september 2015, Philips Lighting Poland en Philips Lighting/Raad, C‑511/13 P, EU:C:2015:553, punten 60 en 63, en 20 januari 2022, Commissie/Hubei Xinyegang Special Tube, C‑891/19 P, EU:C:2022:38, punten 30 en 31). Bovendien moet deze uitlegging zoveel mogelijk geschieden in overeenstemming met de relevante regels en beginselen van het algemene internationale recht die de Unie in acht moet nemen wanneer zij bij het uitoefenen van haar bevoegdheden dergelijke bepalingen vaststelt (zie in die zin arresten van 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie, C‑402/05 P en C‑415/05 P, EU:C:2008:461, punt 291, en 1 augustus 2022, Sea Watch, C‑14/21 en C‑15/21, EU:C:2022:604, punt 92).

66 In het bijzonder impliceert het algemene internationaalrechtelijke beginsel van eerbiediging en uitvoering te goeder trouw van verdragen (pacta sunt servanda), zoals neergelegd in artikel 26 van het Verdrag van Wenen, dat de Unierechter bij de uitlegging van de Overeenkomst tot oprichting van de WTO en van de in de bijlagen 1 tot en met 4 daarbij opgenomen overeenkomsten rekening moet houden met de uitlegging die het Dispute Settlement Body [orgaan voor geschillenbeslechting (DSB)] van de WTO aan deze overeenkomsten heeft gegeven. Bij gebreke van een dergelijke uitlegging staat het alleen aan het Hof om die overeenkomsten uit te leggen overeenkomstig de voor de Unie bindende gebruikelijke interpretatieregels van internationaal recht [zie in die zin arresten van 6 oktober 2020, Commissie/Hongarije (Hoger onderwijs), C‑66/18, EU:C:2020:792, punt 92, en 20 januari 2022, Commissie/Hubei Xinyegang Special Tube, C‑891/19 P, EU:C:2022:38, punt 32].

67 In casu zijn de bewoordingen van artikel 3, punt 1, van verordening 2016/1037 in veel opzichten identiek aan die van artikel 1 van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen. Toch zijn er verschillen die in aanmerking moeten worden genomen. Het is dus noodzakelijk ervoor te zorgen dat de uitlegging van deze bepaling zoveel mogelijk in overeenstemming is met dat artikel of, voor de punten waarop die bepaling verschilt van dat artikel, dat deze niet in strijd is met de verplichtingen van de Unie in het kader van de WTO (zie in dit verband arrest van 14 juli 1988, Fediol/Commissie, 188/85, EU:C:1988:400, punt 13).

68 Aangezien het DSB, zoals partijen eenstemmig erkennen, nog niet heeft gepreciseerd wat de betekenis en de draagwijdte van artikel 1 van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen was in een situatie zoals die aan de orde was in de bestreden arresten en, voorafgaand daaraan, in de litigieuze verordeningen, staat het bovendien alleen aan het Hof om dit artikel uit te leggen op de in punt 66 van het onderhavige arrest aangegeven wijze, voor zover dit nodig is om te oordelen over de door rekwirantes aangevoerde middelen.

– Uitlegging van artikel 2, onder a) en b), en artikel 3, punt 1, van verordening 2016/1037

69 Het meningsverschil tussen partijen betreft in wezen de vraag naar de identiteit van de personen van wie een subsidie moet uitgaan om als zodanig te worden aangemerkt op grond van verordening 2016/1037. Derhalve moet worden vastgesteld of, en zo ja, op welke wijze deze verordening deze identiteit bepaalt. Daarbij dient te worden herinnerd aan de vaste rechtspraak van het Hof, volgens welke de bepalingen van die verordening niet alleen moeten worden uitgelegd rekening houdend met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doeleinden die worden beoogd door de regeling waarvan zij deel uitmaken (arresten van 7 juni 2005, VEMW e.a., C‑17/03, EU:C:2005:362, punt 41, en 1 augustus 2022, Sea Watch, C‑14/21 en C‑15/21, EU:C:2022:604, punt 115), zoals het Gerecht in wezen in herinnering heeft gebracht in punt 78 van arrest T‑480/20 en in punt 45 van arrest T‑540/20.

70 Wat in de eerste plaats de bewoordingen van de bepalingen van verordening 2016/1037 betreft, moet om te beginnen worden opgemerkt dat artikel 3, punt 1, onder a), van deze verordening het begrip „subsidie” zowel uit materieel als uit persoonlijk oogpunt definieert.

71 Wat het materieel oogpunt betreft, blijkt in wezen uit dat artikel 3, punt 1, onder a), dat er sprake is van een subsidie als er een financiële bijdrage wordt verleend die kan bestaan uit een praktijk die een rechtstreekse overdracht van middelen, een afstand van of het niet innen van overheidsmiddelen die normaliter verschuldigd zijn, de levering of aankoop van goederen of diensten, of een betaling aan een financieringsmechanisme inhoudt.

72 Wat het persoonlijk oogpunt betreft, preciseert artikel 3, punt 1, onder a), in de verschillende taalversies ervan in wezen dat deze financiële bijdrage, ongeacht vorm en aard, in alle gevallen afkomstig moet zijn van „de overheid” (of „van de regering”) van (of in) het „land van oorsprong” of „land van uitvoer”, behoudens één uitzondering, namelijk het geval waarin deze overheid aan een particulier lichaam toevertrouwt een financiële bijdrage voor haar rekening te verlenen of dat lichaam daarmee belast. Hieruit volgt dat, behoudens deze uitzondering, alleen een financiële bijdrage die door de overheid van het land van oorsprong of van het land van uitvoer wordt verleend, en dus voortkomt uit een gedraging van deze overheid, kan worden aangemerkt als een subsidie in de zin van verordening 2016/1037.

73 Vervolgens definieert artikel 2 van verordening 2016/1037 onder meer het begrip „overheid” en verduidelijkt het de aard van de relatie die deze moet hebben met de verschillende in artikel 3, punt 1, onder a), van deze verordening bedoelde vormen van financiële bijdragen om als „subsidies” te kunnen worden aangemerkt, mits aan de andere voorwaarden voor deze kwalificatie is voldaan. Wat het begrip „overheid” betreft, wordt in artikel 2, onder b), van die verordening bepaald dat dit begrip „elke overheidsinstantie op het grondgebied” van het land van oorsprong of het land van uitvoer omvat, waarbij laatstgenoemd land overeenkomt met het tussenland waarnaar een product vanuit het land van oorsprong is uitgevoerd en vanwaaruit het vervolgens in de Unie wordt ingevoerd. Wat de relatie betreft die de overheid van een van deze landen moet hebben met een financiële bijdrage in een bepaald geval, bepaalt artikel 2, onder a), van deze verordening dat deze financiële bijdrage door deze overheid wordt „verleend”. Gelet op de zin en het kader daarvan waarin deze term wordt gebruikt, moet die term, in overeenstemming met zijn gebruikelijke betekenis, worden begrepen als betrekking hebbend op gedragingen waarbij een persoon iets aan een andere persoon geeft of toewijst, hetzij door het formeel aan die persoon toe te kennen, hetzij door hem er in de praktijk van te laten profiteren.

74 Ten slotte wordt in geen van deze bepalingen, noch in enige andere bepaling van verordening 2016/1037 verduidelijkt, dan wel vanuit een andere invalshoek ingekaderd onder welke voorwaarden en op welke juridische en praktische wijze een financiële bijdrage kan of moet worden aangemerkt als verleend door de overheid van het land van oorsprong of van uitvoer.

75 Bijgevolg moet, gelet op de bewoordingen van artikel 2, onder a) en b), en artikel 3, punt 1, onder a), van verordening 2016/1037, worden geoordeeld dat een financiële bijdrage op grond van deze verschillende bepalingen pas als een „subsidie” kan worden aangemerkt als is aangetoond dat deze financiële bijdrage is verleend aan een of meer personen die door de overheid van het land van oorsprong of het land van uitvoer van een bepaald product zijn aangewezen, in die zin dat een overheidsinstantie van het grondgebied van een van deze landen zich aldus heeft gedragen dat zij hetzij de financiële bijdrage formeel aan deze personen heeft verleend, hetzij hen in de praktijk in staat heeft gesteld ervan te profiteren. In beide gevallen moet deze gedraging een doorslaggevende rol hebben gespeeld bij de toekenning van een dergelijke financiële bijdrage.

76 Daarentegen bevat noch artikel 2, onder a) en b), noch artikel 3, punt 1, onder a), van verordening 2016/1037 aanwijzingen of indicaties op grond waarvan moet of kan worden aangenomen dat het bestaan van een subsidie zijn oorsprong uitsluitend in dergelijke gedragingen mag hebben.

77 In het bijzonder bevatten deze bepalingen, vanuit persoonlijk oogpunt, geen enkel element op grond waarvan een financiële bijdrage die afkomstig is van de overheid van een ander land dan het land van oorsprong of van uitvoer niet als subsidie mag worden aangemerkt, mits wordt aangetoond dat de overheid van het land van oorsprong of uitvoer, op basis van haar gedrag, kan worden aangemerkt als diegene die de financiële bijdrage heeft verleend.

78 Overigens kunnen bepaalde in artikel 3, punt 1, onder a), van verordening 2016/1037 opgesomde soorten financiële bijdragen materieel gezien worden gekarakteriseerd door het bestaan van een dergelijke situatie, bijvoorbeeld wanneer de overheid van het land van oorsprong of van uitvoer het door haar gedrag mogelijk maakt dat tegoeden of goederen die afkomstig zijn van de overheid van een ander land aan een of meer specifieke personen worden verstrekt. Hetzelfde geldt voor bepaalde soorten financiële bijdragen die in artikel 6 van deze verordening worden opgesomd, of het nu bijvoorbeeld gaat om een deelneming, een lening of een garantie voor een lening.

79 Wat in de tweede plaats de context van de artikelen 2 en 3 van verordening 2016/1037 betreft, moet ten eerste worden opgemerkt dat artikel 1 van deze verordening, zoals blijkt uit het opschrift zelf ervan, twee beginselen bevat die van essentieel belang zijn voor de uitlegging en de toepassing van die verordening.

80 Zo is in artikel 1, lid 1, van verordening 2016/1037 bepaald dat een compenserend recht kan worden ingesteld om een subsidie te neutraliseren „die rechtstreeks of onrechtstreeks wordt toegekend” voor het vervaardigen, produceren, uitvoeren of vervoeren van een product. Deze bepaling geeft een ruime definitie van het begrip „subsidie”, zoals blijkt uit het gebruik van niet alleen de term „elke”, maar ook de woorden „rechtstreeks of onrechtstreeks”, die zowel betrekking kunnen hebben op de wijze waarop een subsidie wordt toegekend als op de begunstigde en op de persoon die de subsidie toekent. Deze bepaling bevestigt in zoverre de gedachte dat de werkingssfeer van het in verordening 2016/1037 gebruikte begrip „subsidie” met name de situatie kan omvatten waarin de overheid van het land van oorsprong of van uitvoer aan een of meer personen formeel een financiële bijdrage verleent die oorspronkelijk geheel of gedeeltelijk afkomstig is van de overheid van een ander land, of hen in de praktijk in staat stelt daarvan te profiteren.

81 Bovendien blijkt uit artikel 1, lid 2, van verordening 2016/1037 dat deze verordening zowel van toepassing is op een subsidie van de overheid van het land van oorsprong van een product als op die van het land van uitvoer van dat product. Dit beginsel sluit weliswaar uit dat een financiële bijdrage die afkomstig is van een ander land als zodanig als subsidie kan worden aangemerkt, maar een dergelijke kwalificatie kan wel worden aanvaard indien is voldaan aan het in punt 77 van het onderhavige arrest beschreven vereiste.

82 Ten tweede staat in overweging 5 van verordening 2016/1037, in het licht waarvan de artikelen 1 tot en met 3 van die verordening moeten worden uitgelegd, eveneens dat voor de kwalificatie van het bestaan van een subsidie het met name noodzakelijk is aan te tonen „dat de overheid of een overheidsinstantie op het grondgebied van een land een financiële bijdrage heeft verstrekt” hetgeen onder meer kan worden gedaan door aan te tonen dat deze overheid door haar gedrag formeel aan een of meer personen een financiële bijdrage heeft verleend die oorspronkelijk geheel of gedeeltelijk afkomstig is van de overheid van een ander land, of hen in de praktijk in staat heeft gesteld daarvan te profiteren.

83 Wat in de derde en laatste plaats de doelstelling van verordening 2016/1037 betreft, blijkt uit punt 80 van het onderhavige arrest dat deze erin bestaat de Unie in staat te stellen om onder de in die verordening gestelde voorwaarden alle subsidies te compenseren die direct of indirect worden verleend door de overheid van derde landen waarvan goederen afkomstig zijn of waaruit goederen zijn ingevoerd.

84 In het bijzonder moet, gelet op de bewoordingen van de artikelen 2 en 6 van die verordening, worden geoordeeld dat een dergelijke subsidie de vorm kan aannemen van een buitenlandse investering door de overheid van een bepaald derde land in een of meer ondernemingen die in een ander derde land zijn gevestigd, mits op grond van het gedrag van deze overheid kan worden aangenomen dat zij deze financiële bijdrage aan die onderneming of ondernemingen heeft toegekend door deze hun formeel te verlenen of hen in de praktijk in staat te stellen daarvan te profiteren.

85 In dit verband zij eraan herinnerd dat buitenlandse investeringen – dat wil zeggen alle investeringen die door in een bepaald land gevestigde investeerders worden gedaan in ondernemingen of entiteiten die in andere landen een economische activiteit uitoefenen met het oog op het vestigen, ontwikkelen of handhaven van duurzame betrekkingen met deze ondernemingen of entiteiten, eventueel door middel van controle of invloed daarop – onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen, en meer specifiek onder de gemeenschappelijke handelspolitiek, waartoe verordening 2016/1037 behoort, wanneer zij direct zijn, en onder de gedeelde bevoegdheid van de Unie vallen wanneer zij niet direct zijn (zie in die zin arresten van 18 juli 2013, Daiichi Sankyo en Sanofi-Aventis Deutschland, C‑414/11, EU:C:2013:520, punt 45, en 2 september 2021, Republiek Moldavië, C‑741/19, EU:C:2021:655, punt 26).

86 Bijgevolg moeten artikel 2, onder a) en b), en artikel 3, punt 1, onder a), van verordening 2016/1037, gelet op de bewoordingen en de context ervan en op de doelstelling van deze verordening, aldus worden uitgelegd dat zij de Commissie in staat stellen de juridische kwalificatie als „subsidie” toe te passen op een financiële bijdrage die oorspronkelijk geheel of gedeeltelijk afkomstig is van de overheid van een ander derde land dan het land van oorsprong of uitvoer van een bepaald product, wanneer is aangetoond dat deze financiële bijdrage op basis van het gedrag van de overheid van het land van oorsprong of uitvoer, als door die overheid verleend kan worden aangemerkt. Het Gerecht heeft dus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich in de punten 81 tot en met 84 en 95 van arrest T‑480/20 en in de punten 48 tot en met 51 en 62 van arrest T‑540/20 in wezen in die zin uit te spreken.

87 Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door het argument dat rekwirantes ontlenen aan artikel 10, lid 7, en artikel 13, lid 1, van verordening 2016/1037. In elke situatie die onder deze verordening valt, kan de overheid van het land van oorsprong of van uitvoer, wanneer zij wordt geacht een subsidie te hebben verleend, gebruikmaken van de verschillende mogelijkheden die in deze bepalingen zijn voorzien, evenals overigens in de andere in punt 16 van het onderhavige arrest genoemde bepalingen. Bovendien staat het deze overheid vrij om, met het oog op of in verband met die uitoefening, overleg te plegen met de overheid van het derde land waarvan de financiële bijdrage die als „subsidie” kan worden aangemerkt, oorspronkelijk geheel of gedeeltelijk afkomstig is. Ten slotte staat het aan haar om deze subsidie in te trekken of te beperken, bijvoorbeeld door haar gedrag te wijzigen, of om andere maatregelen te nemen met betrekking tot de gevolgen ervan.

– Uitlegging van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen

88 Om na te gaan of de in punt 86 van het onderhavige arrest gegeven uitlegging verenigbaar is met de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen en met de verplichtingen die voor de Unie voortvloeien uit het WTO-recht, moet overeenkomstig de in de punten 65 en 66 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak nog worden vastgesteld of deze uitlegging, zo niet coherent, dan toch verenigbaar is met die overeenkomst en die verplichtingen. Aangezien de Unie partij is bij deze internationale overeenkomst, moet deze overeenkomst zelf volgens vaste rechtspraak van het Hof worden uitgelegd aan de hand van de relevante regels van internationaal gewoonterecht die worden weerspiegeld in artikel 31 van het Verdrag van Wenen, die verbindend zijn voor de instellingen van de Unie en deel uitmaken van de rechtsorde van de Unie (arrest van 27 februari 2018, Western Sahara Campaign UK, C‑266/16, EU:C:2018:118, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

89 Volgens artikel 31, lid 1, van het Verdrag van Wenen moet een verdrag te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag, in hun context zoals omschreven in lid 3 van dat artikel en in het licht van het voorwerp en het doel ervan.

90 In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt, zoals het Gerecht in wezen heeft verklaard in punt 98 van arrest T‑480/20 en in punt 65 van arrest T‑540/20, dat artikel 1, punt 1.1, onder a), 1), van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen, is geformuleerd in bewoordingen die grotendeels identiek zijn aan die van artikel 3, punt 1, van verordening 2016/1037, maar met uitzondering van één specifiek punt. Anders dan in deze verordening staat, wordt in artikel 1, punt 1.1, onder a), 1), van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen in de Franse taalversie namelijk een definitie van „subsidie” gegeven op grond waarvan er sprake is van subsidie indien „een overheid of een overheidsinstantie een financiële bijdrage levert binnen het gebied van een lid”. De Engelse en de Spaanse taalversie van dit artikel, die gelijkelijk authentiek zijn, zijn in identieke bewoordingen gesteld. Met andere woorden kan deze bepaling, gelet op de bewoordingen ervan, op zichzelf beschouwd – anders dan artikel 3, punt 1, van verordening 2016/1037 – in die zin worden uitgelegd dat elke financiële bijdrage van de overheid van een WTO-lid als subsidie kan worden aangemerkt, ongeacht of er een relatie bestaat tussen die overheid en het land van oorsprong van de bepaalde producten of het land vanwaaruit deze worden uitgevoerd.

91 Wat in de tweede plaats de context van artikel 1, punt 1.1, onder a), 1), van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen betreft, moet worden opgemerkt dat artikel 2, punten 2.1 en 2.2, van deze overeenkomst in de Franse taalversie ervan bepaalt dat een subsidie bovendien specifiek moet zijn ofwel voor een onderneming, een groep ondernemingen, een bedrijfstak of een groep bedrijfstakken „binnen het rechtsgebied van de subsidieverlenende autoriteit”, ofwel voor „bepaalde ondernemingen in een afgebakend geografisch gebied binnen het rechtsgebied van een subsidieverlenende autoriteit”. De Spaanse en de Engelse taalversie van artikel 2 gebruiken de termen dentro de la jurisdicción de la autoridad otorgante en within the jurisdiction of the granting authority. Dat artikel 2 legt aldus een verband tussen de overheid die een subsidie verleent en de onderneming of ondernemingen waaraan deze subsidie wordt verleend, en bijgevolg de producten die van deze onderneming of ondernemingen afkomstig zijn.

92 In hun onderlinge samenhang bezien, lijken artikel 1, punt 1.1, onder a), 1), en artikel 2 van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen de werkingssfeer van het begrip „subsidie” dus in werkelijkheid te beperken tot financiële bijdragen van de overheid van het land van oorsprong van deze producten, voor zover dit land lid is van de WTO. Artikel 11, lid 8, van deze overeenkomst bevestigt deze uitlegging, maar breidt de werkingssfeer van dit begrip uit tot financiële bijdragen die worden verleend door de overheid van het tussenland waarnaar de producten vanuit het land van oorsprong worden uitgevoerd en vanwaaruit zij vervolgens worden ingevoerd in het land van bestemming, net zoals in verordening 2016/1037.

93 Geen van de drie in het vorige punt genoemde bepalingen bevat evenwel indicaties of aanwijzingen die rechtvaardigen om financiële bijdragen van de werkingssfeer van dit begrip uit te sluiten, wanneer die bijdragen op basis van het gedrag van die overheid weliswaar als door deze verleend kunnen worden aangemerkt, maar niettemin geheel of gedeeltelijk afkomstig zijn van de overheid van een ander WTO-lid. Ook in zoverre lijken deze bepalingen in overeenstemming te zijn met de tekstuele en contextuele elementen van verordening 2016/1037 waarop de in punt 86 van het onderhavige arrest gegeven uitlegging is gebaseerd.

94 Hetzelfde geldt voor artikel 5 van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen, waarin is bepaald dat geen enkel WTO-lid door het gebruik van een subsidie de belangen van een ander WTO-lid mag schaden. Ook dit artikel kan namelijk aldus worden uitgelegd dat een dergelijk verbod niet alleen geldt voor gevallen waarin een WTO-lid zelf een subsidie verleent, maar ook voor gevallen waarin dat lid zodanig handelt dat een of meer op zijn grondgebied gevestigde of onder zijn rechtsmacht vallende ondernemingen in aanmerking kunnen komen voor een subsidie die geheel of gedeeltelijk afkomstig is van een ander WTO-lid. Dit kan met name het geval zijn wanneer de invoering van een wettelijke regeling, de vaststelling van een besluit, de verlening van een machtiging of het gebruik van enige andere maatregel door een WTO-lid noodzakelijk is om deze onderneming of ondernemingen in staat te stellen op zijn grondgebied een financiële bijdrage van dat andere lid te verkrijgen, ongeacht of deze noodzaak van juridische aard is of voortvloeit uit het feit dat dit andere lid de toekenning van die financiële bijdrage in de praktijk afhankelijk heeft gesteld van een wettelijke regeling, besluit, machtiging of andere maatregel in die zin.

95 Zoals opgemerkt in punt 78 van het onderhavige arrest kunnen overigens bepaalde soorten financiële bijdragen die worden opgesomd in artikel 1, punt 1.1, onder a), 1), i) tot en met iv), van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen, en die overeenkomen met de opsomming in artikel 3, punt 1, onder a), van verordening 2016/1037, worden gekenmerkt door het bestaan van een dergelijke situatie.

96 Het begrip „subsidie”, zoals uitgelegd in punt 86 van het onderhavige arrest, is dus niet in strijd met de verplichtingen van de Unie die voortvloeien uit de bewoordingen van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen, bezien in hun context.

97 Ten derde bevat deze overeenkomst weliswaar geen enkele bepaling die het voorwerp en de doelstelling ervan beschrijft en wordt zij niet ingeleid met een preambule die aanwijzingen dienaangaande geeft, maar uit het verslag van de WTO-beroepsinstantie van 28 november 2002, „US – Countervailing Duties on Certain Corrosion-Resistant Carbon Steel Flat Products from Germany” (WT/DS213/AB/R, punt 73), en dat van 11 maart 2011, „US – Definitive Anti-Dumping and Countervailing Duties on Certain Products from China” (WT/DS379/AB/R, punt 543), welke verslagen door het DSB respectievelijk op 19 december 2002 en 25 maart 2001 zijn aangenomen, blijkt dat deze overeenkomst als voorwerp en hoofddoel heeft „de GATT-regels inzake het gebruik van subsidies en compenserende maatregelen te versterken en te verbeteren” onder de voorwaarden en beperkingen waarin deze overeenkomst voorziet.

98 Dit voorwerp van en doel om de werking van de multilaterale orde op het gebied van subsidies te versterken en te verbeteren, vormen veeleer een bevestiging van de letterlijke en contextuele uitlegging van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen in de punten 90 tot en met 95 van het onderhavige arrest dan dat die daardoor ter discussie komt te staan. Dit voorwerp en doel zijn namelijk een stimulans om de voorkeur te geven aan een uitlegging van de bewoordingen van deze overeenkomst, en meer in het bijzonder van het begrip „subsidie van een overheid”, die rekening houdt met de toegenomen internationalisering van de ondernemingen die deelnemen aan de wereldhandel en met de – soms doorslaggevende – steun die zij in deze context kunnen ontvangen in de vorm van financiële bijdragen die worden verleend als resultaat van de samenwerking van of het optreden van de overheid van meerdere WTO-leden.

99 Dit voorwerp en doel druisen op zijn minst niet in tegen een uitlegging in die zin van verordening 2016/1037.

100 Het Gerecht heeft dus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich in punt 103 van arrest T‑480/20 en in punt 70 van arrest T‑540/20 in die zin uit te spreken.

101 Derhalve moet het onderhavige middel worden verworpen.

Tweede middel dat de twee zaken gemeen hebben

Argumenten van partijen

102 Met hun derde middel in zaak C‑269/23 P, dat in wezen is ontleend aan een onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 4, leden 2 en 3, van verordening 2016/1037, betwisten Hengshi en Jushi de beoordelingen van het Gerecht in de punten 106 tot en met 109 van arrest T‑480/20. Dit middel is identiek aan het tweede middel in zaak C‑272/23 P, waarmee Jushi opkomt tegen de beoordelingen van het Gerecht in de punten 73 tot en met 76 van arrest T‑540/20.

103 Met dit middel, dat beide zaken gemeen hebben en dat overeenstemt met de in punt 33 van het onderhavige arrest samengevatte middelen in eerste aanleg, betogen rekwirantes in wezen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie mocht aannemen dat de Egyptische autoriteiten de hoedanigheid hadden van autoriteiten die de litigieuze subsidies hadden verleend, aangezien deze subsidies bestonden uit financiële bijdragen die rekwirantes door de Chinese overheid waren toegekend, hetzij rechtstreeks, hetzij via hun in China gevestigde moedermaatschappijen.

104 Hoewel artikel 4, leden 2 en 3, van verordening 2016/1037 tot doel heeft de betekenis te verduidelijken, niet van het begrip „subsidie” als zodanig, maar van de voorwaarde van „specificiteit” waaraan onder meer moet zijn voldaan opdat een subsidie kan leiden tot de instelling van compenserende rechten, blijkt uit deze bepalingen namelijk ook dat een door de overheid van een bepaald land verleende financiële bijdrage niet kan worden aangemerkt als een subsidie die kan worden toegerekend aan een autoriteit die onder de overheid van een ander land ressorteert. In het bijzonder verwijzen deze bepalingen in de verschillende taalversies ervan naar„de subsidieverlenende autoriteit”, dus naar de instantie die de subsidie geeft of verleent aan een of meer personen. Aldus is het op grond van deze bepalingen uitgesloten dat aan een autoriteit wordt toegerekend een subsidie te hebben verleend in een situatie waarin deze subsidie niet door deze autoriteit, maar door een andere autoriteit, die tot de overheid van een ander land behoort, is toegekend of verstrekt. In casu konden niet de Egyptische autoriteiten maar enkel de Chinese autoriteiten aldus worden gekwalificeerd.

105 De Commissie, ondersteund door APFE en Tech-Fab Europe, betwist dit betoog.

Beoordeling door het Hof

106 Artikel 4, lid 1, van verordening 2016/1037 bepaalt dat subsidies slechts dan aan compenserende maatregelen kunnen worden onderworpen indien zij specifiek zijn in de zin van de leden 2 tot en met 4 van deze bepaling. Artikel 4, leden 2 en 3, stelt aldus de beginselen en regels vast die moeten worden toegepast om te bepalen of een subsidie specifiek is voor een onderneming, een bedrijfstak of een groep van ondernemingen of bedrijfstakken dan wel bepaalde ondernemingen welke in een afgebakend geografisch gebied zijn gevestigd, waarbij in wezen wordt verduidelijkt dat deze verschillende soorten begunstigden hoe dan ook onder de bevoegdheid van de subsidieverlenende autoriteit moeten vallen.

107 In dit verband moet worden opgemerkt dat het juist is dat in artikel 4 van verordening 2016/1037 de term „autoriteit” wordt gebruikt, dus een term die verschilt van de uitdrukking „overheid” in artikel 2, onder a), van deze verordening. Om de aard te verduidelijken van de relatie die een financiële bijdrage die als „subsidie” kan worden aangemerkt moet hebben met de overheid of een autoriteit van een bepaald derde land, gebruiken deze twee bepalingen echter hetzelfde werkwoord, namelijk het werkwoord „verlenen”.

108 Dit werkwoord moet dus met betrekking tot elk van deze bepalingen op dezelfde wijze worden opgevat als betrekking hebbend op gedragingen waarbij een persoon iets aan een andere persoon geeft of toewijst, hetzij door het formeel aan die persoon toe te kennen, hetzij door hem er in de praktijk van te laten profiteren, zoals in punt 73 van het onderhavige arrest is aangegeven.

109 Uit de punten 86 en 94 van het onderhavige arrest volgt dat die term aldus moet worden uitgelegd dat het zowel betrekking heeft op een gedraging waarbij de overheid van het land van oorsprong of van uitvoer van een bepaald product aan een of meer specifieke personen formeel een financiële bijdrage verleent die oorspronkelijk geheel of gedeeltelijk afkomstig is van de overheid van een ander derde land, als op een gedraging waarmee de overheid van dat land van oorsprong of van uitvoer deze personen in de praktijk in staat stelt om te profiteren van deze financiële bijdrage, bijvoorbeeld door de invoering van een wettelijke regeling, het nemen van een besluit, het verlenen van een vergunning of het gebruik van alle andere daartoe noodzakelijke maatregelen.

110 Deze term is dus ook van toepassing op de specifieke autoriteit bij de overheid van het betrokken land van oorsprong of uitvoer die deze gedraging heeft verricht.

111 Het Gerecht heeft dus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 107 en 108 van arrest T‑480/20 en de punten 74 en 75 van arrest T‑540/20 te oordelen dat autoriteiten zoals in casu de Egyptische autoriteiten door de Commissie konden worden aangemerkt als autoriteiten die de litigieuze subsidies hadden verleend.

112 Derhalve moet het onderhavige middel worden verworpen.

Derde middel dat de twee zaken gemeen hebben

Argumenten van partijen

113 Met hun vierde middel in zaak C‑269/23 P, dat in wezen is ontleend aan een onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 3, punt 1) onder a), ii), artikel 3, punt 2, en artikel 5, van verordening 2016/1037, betwisten Hengshi en Jushi de beoordelingen van het Gerecht in de punten 167 tot en met 169 van arrest T‑480/20. Dit middel is identiek aan het derde middel in zaak C‑272/23 P, waarmee Jushi opkomt tegen de beoordelingen van het Gerecht in de punten 134 tot en met 136 van arrest T‑540/20.

114 Met dit middel, dat de twee zaken gemeen hebben en dat gedeeltelijk overeenkomt met de in punt 34 van het onderhavige arrest samengevatte middelen in eerste aanleg, voeren rekwirantes in wezen aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie kon vaststellen dat de Egyptische overheid hun een subsidie had verleend en aldus een voordeel had verleend door bepaalde douanerechten niet te innen die normaliter verschuldigd waren bij de invoer door Jushi in Egypte van materialen die bestemd waren om als grondstoffen te worden gebruikt voor de vervaardiging van glasvezelproducten welke door Hengshi naar de Unie zouden worden uitgevoerd.

115 Zoals het Gerecht terecht in herinnering heeft gebracht in punt 164 van arrest T‑480/20 en punt 131 van arrest T‑540/20, worden de bepalingen van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen die overeenstemmen met artikel 3, punt 1, onder a), ii), en artikel 3, punt 2, van verordening 2016/1037, door de beroepsinstantie van de WTO aldus uitgelegd dat bij de beoordeling van de vraag of de overheid afstand heeft gedaan van inkomsten „die haar normaal toekomen” dan wel deze inkomsten niet heeft geïnd, en of door deze afstand of niet-inning een „voordeel” aan bepaalde ondernemingen is toegekend, de situatie van deze ondernemingen moet worden vergeleken met die van belastingplichtigen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden. Dienovereenkomstig moet, gelet op de bewoordingen van artikel 5 van verordening 2016/1037, worden geoordeeld dat het bedrag van dit voordeel moet worden berekend aan de hand van de situatie van die ondernemingen. Anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, heeft de Commissie in casu geredeneerd uitgaande van een referentiesituatie die als ongeschikt moet worden beschouwd, gelet op ten eerste de aard van de transacties die volgens haar hebben geleid tot het niet innen van douanerechten, ten tweede de juridische en economische situatie van de ondernemingen die van deze niet-inning zouden hebben geprofiteerd, ten derde de relevante Egyptische regelgeving, en ten vierde de overeenkomstige administratieve praktijk, namelijk die van een in de SETC-zone gevestigde onderneming in plaats van die van een buiten dat gebied gevestigde onderneming.

116 De Commissie, ondersteund door APFE en Tech-Fab Europe, betwist de ontvankelijkheid van een deel van dit betoog en de gegrondheid van het gehele betoog.

Beoordeling door het Hof

117 Met het onderhavige middel betwisten rekwirantes in wezen een van de elementen waarop het Gerecht zich in de bestreden arresten – net als de Commissie in de litigieuze verordeningen – heeft gebaseerd om te onderzoeken of er in casu sprake was van een subsidie in de vorm van afstand van overheidsinkomsten, zoals bedoeld in artikel 3, punt 1, onder a), ii), van verordening 2016/1037. Dit element is de referentiesituatie die voor een dergelijk onderzoek in aanmerking moet worden genomen.

118 In dit verband volgt uit artikel 3, punten 1 en 2, van verordening 2016/1037 dat voor de kwalificatie als „subsidie” niet alleen moet worden aangetoond dat er sprake is van een financiële bijdrage van de overheid van het land van oorsprong of uitvoer, maar ook dat daarmee een voordeel wordt toegekend.

119 Wat de eerste van deze twee voorwaarden betreft, bepaalt artikel 3, punt 1, onder a), ii), van deze verordening dat een dergelijke financiële bijdrage onder meer erin kan bestaan dat deze overheid afstand doet van inkomsten die haar normaal toekomen dan wel deze inkomsten niet int.

120 Aangezien deze bepaling in dezelfde bewoordingen is geformuleerd als artikel 1, punt 1.1, onder a), 1), ii), van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen, moet zij overeenkomstig de in de punten 65 en 66 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak zoveel mogelijk aldus worden uitgelegd dat zij in overeenstemming is met deze overeenkomst en moet daarbij rekening worden gehouden met de wijze waarop deze door het DSB is uitgelegd.

121 Zoals het Gerecht terecht heeft opgemerkt in punt 164 van arrest T‑480/20 en in punt 131 van arrest T‑540/20, blijkt met name uit de verslagen van de beroepsinstantie van de WTO van 12 maart 2012 en 28 maart 2019, „US – Measures Affecting Trade in Large Civil Aircraft (Second Complaint)” (WT/DS353/AB/R, punten 806 tot en met 809 en 812, evenals WT/DS353/AB/RW, punten 5.146 en 5.147) – waarin dit orgaan zijn beslissingspraktijk ter zake heeft samengevat en verduidelijkt, en welke verslagen door het DSB zijn vastgesteld op respectievelijk 23 maart 2012 en 11 april 2019 – dat bij de beoordeling van de vraag of de overheid afstand heeft gedaan van inkomsten „die haar normaal toekomen” dan wel deze inkomsten niet heeft geïnd, in de regel een vergelijking moet worden gemaakt tussen de fiscale behandeling die wordt toegepast op de vermeende begunstigden van een dergelijke maatregel en de fiscale behandeling van vergelijkbare inkomsten van belastingplichtigen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden. Dit orgaan heeft in wezen ook verklaard dat, ook al kan de vaststelling van de voor een dergelijke vergelijking in aanmerking te nemen referentiesituatie complex kan zijn met name gelet op de toepasselijke nationale regelgeving, eventuele relevante administratieve of fiscale praktijken en het concrete gedrag van de bevoegde autoriteiten, toch moet worden nagegaan of de referentiesituatie waarvan in een bepaald geval is uitgegaan, legitiem en rationeel is.

122 Zoals rekwirantes terecht in herinnering brengen, is deze beslissingspraktijk van de WTO-beroepsinstantie bovendien naar analogie toegepast op maatregelen die bestaan in de gestelde niet-inning van douanerechten, waarvan het onderzoek impliceert dat een vergelijking wordt gemaakt tussen de inkomsten die daadwerkelijk zijn geïnd naar aanleiding van een transactie zoals de invoer van bepaalde producten en de inkomsten die de overheid normaal toekomen in een vergelijkbare situatie, zoals met name blijkt uit het verslag van het WTO-panel van 31 oktober 2019, „India-Export Related Measures” (WT/DS541/R, punten 7.297 tot en met 7.302, 7.317 en 7.333).

123 Gelet op die beslissingspraktijk moet worden geoordeeld dat om te bepalen of er sprake is van een financiële bijdrage die inhoudt dat de overheid van het land van oorsprong of van uitvoer afziet van „inkomsten die haar normaal toekomen” in de zin van artikel 3, punt 1, onder a), ii), van verordening 2016/1037, het noodzakelijk is om in de regel een vergelijking te maken tussen, enerzijds, de behandeling die van toepassing is op de vermeende begunstigden van een dergelijke maatregel en de inkomsten die daadwerkelijk door de overheid bij hen worden geïnd en, anderzijds, de behandeling van vergelijkbare inkomsten of transacties en de inkomsten die normaliter verschuldigd zouden zijn bij aanwezigheid van dergelijke vergelijkbare inkomsten of transacties. Deze vergelijking moet worden gemaakt in het licht van alle relevante beschikbare informatie.

124 De vaststelling van de voor een dergelijke vergelijking in aanmerking te nemen referentiesituatie kan ingewikkeld zijn, omdat zij niet alleen kan afhangen van de toepasselijke nationale regelgeving, maar ook van eventuele relevante administratieve, fiscale of douanepraktijken en van het concrete gedrag van de bevoegde autoriteiten, dus van verschillende aspecten van het juridische en institutionele stelsel van een derde land, en dus moet de rechter bij de toetsing van deze situatie rekening houden met deze complexiteit.

125 Dienaangaande blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat de instellingen van de Unie op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek – en meer in het bijzonder op het gebied van handelsbeschermingsmaatregelen – over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische en politieke situaties die zij moeten onderzoeken, zodat bij het rechterlijke toezicht op een dergelijke beoordeling alleen mag worden nagegaan of de procedureregels in acht zijn genomen, of de feiten juist zijn vastgesteld en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (zie in die zin arrest van 12 mei 2022, Commissie/Hansol Paper, C‑260/20 P, EU:C:2022:370, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

126 Wat meer in het bijzonder de toetsing betreft of er al dan niet sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten, dient de Unierechter bijgevolg niet alleen de materiële juistheid van het aangevoerde bewijs en de betrouwbaarheid en de samenhang daarvan te controleren, maar ook na te gaan of die elementen het relevante feitenkader voor de beoordeling van een complexe toestand vormen en de daaruit getrokken conclusies kunnen schragen (arrest van 12 mei 2022, Commissie/Hansol Paper, C‑260/20 P, EU:C:2022:370, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

127 Wat de tweede in punt 118 van het onderhavige arrest bedoelde voorwaarde betreft, bepaalt artikel 3, punt 1, onder b), van verordening 2016/1037 weliswaar enkel dat een financiële bijdrage een voordeel moet toekennen om als „subsidie” te kunnen worden aangemerkt, maar volgt uit artikel 5 van deze verordening dat het te kwalificeren voordeel, het voordeel is dat de begunstigde onderneming of ondernemingen door deze maatregel hebben kunnen verkrijgen. Voorts somt artikel 6 van die verordening een aantal regels op die bij de berekening van het bedrag van dit voordeel moeten worden toegepast wanneer het gaat om verschillende soorten financiële bijdragen, die echter geen financiële bijdrage omvatten die erin bestaat dat de overheid van het land van oorsprong of uitvoer afstand doet van inkomsten die haar normaal toekomen dan wel deze inkomsten niet int.

128 Niettemin blijkt uit de beslissingspraktijk van het DSB, zoals met name in herinnering gebracht in het verslag van het WTO-panel van 31 oktober 2019, „India-Export Related Measures” [WT/DS541/R], 7.445 en 7.446), dat in het geval van een dergelijke maatregel, het door deze maatregel toegekende voordeel kan worden gekwalificeerd vanaf het tijdstip waarop de overheid afstand heeft gedaan van inkomsten die haar normaal toekomen dan wel deze inkomsten niet heeft geïnd, en dat er dus sprake is van een financiële bijdrage in de zin van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen. Ook al zijn de begrippen „financiële bijdrage” en „voordeel” verschillend, het bestaan ervan kan in een bepaald geval worden aangetoond aan de hand van dezelfde of onderling verbonden feitelijke gegevens, aangezien het bedrag van het voordeel dat wordt toegekend door een financiële bijdrage in de vorm van afstand of niet-inning van overheidsinkomsten, doorgaans overeenkomt met het verschil tussen de overheidsinkomsten die in de gekozen referentiesituatie normaal de overheid zouden toekomen, en de inkomsten die in voorkomend geval van de betrokken onderneming of ondernemingen zijn ontvangen.

129 In casu moet, gelet op hetgeen zojuist in herinnering is gebracht, ten eerste worden vastgesteld dat het Gerecht in de punten 167 tot en met 169 van arrest T‑480/20 en in de punten 134 tot en met 136 van arrest T‑540/20 de betekenis en de draagwijdte van artikel 3, punt 1, onder a), ii), artikel 3, punt 2, en artikel 5 van verordening 2016/1037 juist heeft uitgelegd door er in wezen aan te herinneren dat de juiste referentiesituatie moest worden vastgesteld om te bepalen of de Commissie terecht kon aannemen dat de Egyptische overheid had afgezien van de inning van bepaalde douanerechten die Jushi haar normaal verschuldigd was voor de invoer in Egypte van materialen die bestemd waren om te worden gebruikt als grondstoffen voor de vervaardiging van glasvezelproducten die door Hengshi naar de Unie zouden worden uitgevoerd, en of aldus een voordeel was toegekend.

130 Ten tweede vormt de referentiesituatie die de Commissie in casu, gelet op alle beschikbare relevante gegevens, in aanmerking heeft genomen, een feitelijk gegeven. De keuze om van deze situatie uit te gaan in plaats van een andere, behoort tot de beoordeling van de feiten. Als zodanig moeten deze twee elementen door het Gerecht worden getoetst overeenkomstig de in de punten 125 en 126 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte vereisten, welke toetsing dus met name moet inhouden dat het Gerecht nagaat of de Commissie geen materiële fout of een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt.

131 Uit artikel 256 VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt bovendien dat het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld, voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en om die feiten en het desbetreffende bewijs te beoordelen. De beoordeling van deze feiten en bewijselementen levert dus, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof (arrest van 12 mei 2022, Commissie/Hansol Paper, C‑260/20 P, EU:C:2022:370, punt 132 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

132 Hieruit volgt dat rekwirantes, die niet aanvoeren dat er sprake is van een onjuiste opvatting van de aan het Gerecht voorgelegde feiten of bewijselementen, de beoordelingen van deze rechter met betrekking tot de door de Commissie in casu in aanmerking genomen referentiesituatie, namelijk die van een in de SETC-zone gevestigde onderneming, niet kunnen betwisten.

133 Ten derde kunnen de argumenten van rekwirantes – aangezien zij uitsluitend betrekking hebben op deze beoordelingen – niet afdoen aan de conclusie van het Gerecht volgens welke, in wezen, de Commissie de feiten juridisch niet onjuist heeft gekwalificeerd door te oordelen dat er sprake was van een subsidie in de zin van artikel 3, punt 1, onder a), ii), en artikel 3, punt 2, van verordening 2016/1037, gelezen in samenhang met artikel 5 van die verordening.

134 Bijgevolg moet het onderhavige middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond worden verklaard.

Vierde middel dat de twee zaken gemeen hebben

Argumenten van partijen

135 Met hun vijfde middel in zaak C‑269/23 P, dat in wezen is ontleend aan een onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 3, punt 2, en artikel 4, lid 2, onder c), van verordening 2016/1037, betwisten Hengshi en Jushi de beoordelingen van het Gerecht in de punten 176 tot en met 179 van arrest T‑480/20. Dit middel is identiek aan het vierde middel in zaak C‑272/23 P, waarmee Jushi opkomt tegen de beoordelingen van het Gerecht in de punten 143 tot en met 146 van arrest T‑540/20.

136 Met dit middel, dat de twee zaken gemeen hebben en dat deels overeenkomt met de in punt 35 van het onderhavige arrest samengevatte middelen in eerste aanleg, komen rekwirantes op tegen de beoordelingen waarop het Gerecht zich heeft gebaseerd om te stellen dat de Commissie, zonder schending van artikel 3, punt 2, en artikel 4, lid 2, onder c), van verordening 2016/1037 tot de conclusie kon komen dat de fiscale behandeling door de Egyptische overheid van de wisselkoersverliezen als gevolg van de devaluatie van het Egyptische pond in 2016 een subsidie vormde die de facto een specifiek voordeel verleende aan een beperkt aantal op export gerichte ondernemingen die het merendeel van hun activiteiten in buitenlandse valuta uitoefenden, waaronder Hengshi en Jushi.

137 In dit verband voeren zij in de eerste plaats aan dat het Gerecht de litigieuze verordeningen in wezen onjuist heeft opgevat door te oordelen dat er volgens de Commissie geen sprake was van een subsidie bij de fiscale en boekhoudkundige regels die de Egyptische overheid had vastgesteld om ondernemingen met passiva in vreemde valuta in staat te stellen de wisselkoersverliezen als gevolg van de devaluatie van het Egyptische pond in 2016 als zodanig te beperken, maar dat zij wel het voordeel dat deze overheid op basis van die normen de facto aan een specifieke categorie ondernemingen had toegekend, als subsidie had aangemerkt. Uit deze verordeningen blijkt immers duidelijk dat de Commissie dit niet heeft gedaan. Op deze manier heeft het Gerecht zijn eigen motivering in de plaats gesteld van die van de Commissie.

138 In de tweede plaats heeft deze benadering het Gerecht ertoe gebracht de argumenten van rekwirantes betreffende de beoordelingen van de Commissie ter zake en de juridische kwalificaties die in het licht van die beoordelingen zijn gehanteerd, ten onrechte af te wijzen.

139 De Commissie, ondersteund door APFE en Tech-Fab Europe, betwist de ontvankelijkheid en de gegrondheid van dit betoog.

Beoordeling door het Hof

140 Wat betreft in de eerste plaats de argumenten van rekwirantes inzake de identificatie door het Gerecht van de maatregel die de Commissie in de litigieuze verordeningen als „subsidie” heeft aangemerkt, moet worden vastgesteld dat bij lezing van deze verordeningen duidelijk blijkt dat het Gerecht de inhoud ervan in de bestreden arresten niet onjuist heeft opgevat en evenmin zijn eigen motivering en beoordeling in de plaats heeft gesteld van die van de Commissie.

141 Hoewel het juist is dat de Commissie, zoals rekwirantes betogen, haar onderzoek van deze maatregel is begonnen met vermelding van het bestaan van twee Egyptische rechtsregels, de ene van fiscale en de andere van boekhoudkundige aard, is het namelijk ook duidelijk dat deze instelling onmiddellijk daarna heeft gepreciseerd dat dit onderzoek betrekking had op de wijze waarop deze regels waren toegepast in de concrete context die tot de vaststelling ervan hebben geleid, welke context in de eerste plaats wordt gekenmerkt door de devaluatie van het Egyptische pond in 2016. Bovendien is het duidelijk dat de Commissie na afloop van dat onderzoek tot de conclusie is gekomen dat de toepassing van die normen in deze concrete context bepaalde ondernemingen een voordeel had verschaft en als zodanig de facto specifiek was. Ten slotte is het ook even duidelijk dat deze ondernemingen, waaronder Hengshi en Jushi, door de Commissie zijn geïdentificeerd als exportgerichte ondernemingen die het merendeel van hun activiteiten in vreemde valuta uitvoeren.

142 Wat betreft in de tweede plaats de argumenten van rekwirantes inzake de beoordelingen van de Commissie dienaangaande en de juridische kwalificaties die zij op basis van die beoordelingen heeft gehanteerd, moet er ten eerste aan worden herinnerd dat rekwirantes, zoals blijkt uit punt 131 van het onderhavige arrest, in het kader van hun hogere voorzieningen niet kunnen opkomen tegen feitelijke beoordelingen.

143 Ten tweede heeft het Gerecht, gelet op deze beoordelingen, in navolging van de Commissie terecht geoordeeld dat er sprake was van een specifieke subsidie die Hengshi en Jushi een voordeel verleende overeenkomstig artikel 3, punt 2, en artikel 4, lid 2, onder c), van verordening 2016/1037.

144 In dit verband moet in het bijzonder worden opgemerkt dat artikel 4, lid 2, onder c), van verordening 2016/1037 juist tot doel heeft de Commissie in staat te stellen de specificiteit aan te tonen van – met name regelgevende, fiscale of boekhoudkundige – maatregelen die subsidies vormen, wanneer deze maatregelen weliswaar algemeen of niet-specifiek lijken, maar feitelijk specifiek kunnen blijken te zijn. Daartoe noemt deze bepaling een aantal factoren die als leidraad moeten dienen wanneer de Commissie dergelijke maatregelen onderzoekt. Het belang van deze factoren, afzonderlijk of in combinatie, kan per geval verschillen, afhankelijk van met name de betrokken maatregel, de context waarin deze is ingevoerd en ten uitvoer gelegd, en het gedrag van de autoriteiten die de maatregel hebben genomen. Twee van deze factoren zijn „het gebruik van een subsidieprogramma door een beperkt aantal bepaalde ondernemingen” en „de toekenning aan bepaalde ondernemingen van onevenredig hoge subsidiebedragen”.

145 In casu heeft het Gerecht zich, in navolging van de Commissie, op de eerste van deze twee factoren gebaseerd om vast te stellen dat de betrokken maatregel de facto specifiek is. Daarbij is geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

146 Bijgevolg moet het onderhavige middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond worden verklaard.

Eerste middel in zaak C‑269/23 P

Argumenten van partijen

147 Met hun eerste middel in zaak C‑269/23 P, dat is ontleend aan een onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 1, lid 1, en de artikelen 5 en 6, van verordening 2016/1037, betwisten Hengshi en Jushi de beoordelingen van het Gerecht in de punten 32, 37, 42 en 43, 46 tot en met 48, 51 tot en met 55, en 58 van arrest T‑480/20.

148 Met dit middel, dat overeenkomt met het in punt 36 van het onderhavige arrest samengevatte middel in eerste aanleg, betogen rekwirantes in wezen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de methode goed te keuren die de Commissie volgens het Gerecht heeft gehanteerd voor de berekening van het bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies die aan elk van hen waren toegekend uit hoofde van de diverse maatregelen die zijn neergelegd in de litigieuze verordening in zaak T‑480/20.

149 In dit verband betogen rekwirantes in de eerste plaats dat het Gerecht hun middel in eerste aanleg onjuist heeft opgevat door ten onrechte te oordelen dat zij de Commissie in werkelijkheid verweten artikel 7 van verordening 2016/1037 te hebben geschonden door voor de berekening van het bedrag van deze subsidies hun gezamenlijke omzet, alle producten samengenomen, als noemer te hanteren. Dit middel in eerste aanleg, dat uitsluitend was ontleend aan schending van de artikelen 5 en 6 van verordening 2016/1037, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 1, van die verordening, hield immers in dat de Commissie zich voor de berekening van het bedrag van hun respectieve subsidies in eerste instantie had moeten baseren op de individuele omzet van elk van hen, alle producten samengenomen.

150 In de tweede plaats betogen rekwirantes dat dit middel in eerste aanleg, los van deze onjuiste opvatting, niet kan worden afgewezen met de motivering dat zij verbonden ondernemingen zijn of tot dezelfde groep behoren, hetgeen het Gerecht overigens in arrest T‑480/20 heeft aanvaard. Uit de artikelen 5 en 6 van verordening 2016/1037, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 1, van deze verordening, volgt immers duidelijk dat het bedrag van de subsidies moet worden berekend „in termen van aan de ontvanger toegekend voordeel” en dus, in een situatie als de onderhavige, aan elk van de ondernemingen die dergelijke subsidies „hebben ontvangen”, zelfs als deze ondernemingen verbonden zijn of behoren tot dezelfde groep.

151 De Commissie, ondersteund door Tech-Fab Europe, betwist dit betoog.

Beoordeling door het Hof

152 Uit artikel 5 van verordening 2016/1037 volgt dat de hoogte van een tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie moet worden berekend in termen van het voordeel voor de ontvanger van deze subsidie. Bovendien volgt uit artikel 6 van deze verordening dat dit voordeel moet worden berekend aan de hand van bepaalde regels, die verschillen naargelang van het soort subsidie dat in een bepaald geval aan de orde is, maar die alle verwijzen naar, afhankelijk van het geval, de „ontvanger” van die subsidie, de „ontvangende onderneming” of de „onderneming”.

153 Deze verordening definieert daarentegen noch het begrip „ontvanger”, noch het begrip „onderneming”. Bij de uitlegging van deze begrippen moet dus rekening worden gehouden met de context ervan en met het doel van de bepalingen waarin zij worden gebruikt en, meer in het algemeen, van verordening 2016/1037, die bovendien zoveel mogelijk in overeenstemming met de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen moet worden uitgelegd.

154 In dit verband heeft het Gerecht er in de eerste plaats in punt 47 van arrest T‑480/20 aan herinnerd dat deze overeenkomst weliswaar evenmin een definitie bevat van de personen die in aanmerking komen voor een subsidie en bijgevolg een voordeel kunnen verkrijgen, waarvan het bedrag als grondslag voor de berekening van die subsidie moet dienen, maar dat deze kwestie grondig is onderzocht en verduidelijkt door de beroepsinstantie van de WTO in zijn verslag van9 december 2002, „US – Countervailing Measures Concerning Certain Products from the European Communities” (WT/DS212/AB/R, punten 108 tot en met 119), door het DSB vastgesteld op 8 januari 2003.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in