HvJ EU 10 april 2025, C-657/23, ECLI:EU:C:2025:263

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)

10 april 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) – Financiering, beheer en monitoring van het GLB – Verordening (EU) nr. 1306/2013 – Financiering door het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) – Artikel 54 – Bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie – Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 – Artikel 3 – Terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen – Verjaringstermijn – Termijn van orde”

In zaak C‑657/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Nejvyšší správní soud (hoogste bestuursrechter, Tsjechië) bij beslissing van 4 oktober 2023, ingekomen bij het Hof op 7 november 2023, in de procedure

M. K.

tegen

Ministerstvo zemědělství,

wijst

HET HOF (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: M. Gavalec (rapporteur), kamerpresident, Z. Csehi en F. Schalin, rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: R. Stefanova-Kamisheva, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 december 2024,

gelet op de opmerkingen van:

– M. K., vertegenwoordigd door F. Šimák, advokát,

– de Ministerstvo zemědělství, vertegenwoordigd door R. Pokorný als gemachtigde,

– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door J. Benešová, J. Očková, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

– de Bulgaarse regering, vertegenwoordigd door T. Mitova en R. Stoyanov als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Radu Bouyon en K. Walkerová als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 54, lid 1, van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 549).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen M. K. en de Ministerstvo zemědělství (ministerie van Landbouw, Tsjechië) over een besluit waarbij van M. K. de terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen wordt gelast.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Verordening nr. 2988/95

3 De derde overweging van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB 1995, L 312, blz. 1) luidt: „[…]; dat het […] van belang is de fraude waardoor de financiële belangen van de [Europese] Gemeenschappen worden geschaad, op alle beleidsgebieden te bestrijden”.

4 Artikel 1 van die verordening bepaalt: „1. Met het oog op de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen wordt een algemene regeling inzake homogene controles en administratieve maatregelen en sancties met betrekking tot onregelmatigheden ten aanzien van het Gemeenschapsrecht aangenomen. 2. Onder onregelmatigheid wordt elke inbreuk op het Gemeenschapsrecht verstaan die bestaat in een handeling of een nalaten van een marktdeelnemer waardoor de algemene begroting van de Gemeenschappen of de door de Gemeenschappen beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld, hetzij door de vermindering of het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen middelen, die rechtstreeks voor rekening van de Gemeenschappen worden geïnd, hetzij door een onverschuldigde uitgave.”

5 Artikel 3 van die verordening bepaalt: „1. De verjaringstermijn van de vervolging bedraagt vier jaar vanaf de datum waarop de in artikel 1, lid 1, bedoelde onregelmatigheid is begaan. De sectoriële regelingen kunnen echter een kortere termijn bepalen, die niet minder dan drie jaar mag bedragen. Voor voortdurende of voortgezette onregelmatigheden gaat de verjaringstermijn in op de dag waarop de onregelmatigheid is geëindigd. Bij meerjarige programma’s loopt de verjaringstermijn in elk geval tot de dag waarop het programma definitief wordt afgesloten. De verjaring van de vervolging wordt gestuit door elke onderzoekshandeling of daad van vervolging van de onregelmatigheid door de bevoegde autoriteit, mits deze de betrokkene ter kennis is gebracht. Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. De verjaring treedt echter in ieder geval in na verloop van een termijn die het dubbele bedraagt van de verjaringstermijn indien de bevoegde autoriteit binnen deze termijn geen sanctie heeft opgelegd, behoudens in geval van schorsing van de administratieve procedure overeenkomstig artikel 6, lid 1. 2. Het recht tot uitvoering van het besluit waarbij een administratieve sanctie wordt opgelegd, vervalt na drie jaar. Deze termijn vangt aan op de dag waarop het besluit definitief wordt. De stuiting en de schorsing van deze termijn worden door het toepasselijke nationale recht geregeld. 3. Het staat de lidstaten vrij langere termijnen toe te passen dan de in de leden 1 en 2 bepaalde.”

Verordening nr. 1306/2013

6 In overweging 37 van verordening nr. 1306/2013 luidde: „(37) Wanneer door het [Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)] betaalde bedragen worden teruggevorderd, moeten deze bedragen naar dat Fonds terugvloeien aangezien zij betrekking hadden op uitgaven die niet in overeenstemming waren met het recht van de Unie en de begunstigde er geen recht op had. Om te voorzien in voldoende tijd voor het verrichten van alle noodzakelijke administratieve procedures, interne controles daaronder begrepen, dienen de lidstaten onverschuldigde bedragen van de begunstigde terug te vorderen binnen een termijn van 18 maanden nadat een controleverslag of soortgelijk document houdende de bevestiging van het bestaan van een onregelmatigheid is goedgekeurd en, in voorkomend geval, is ontvangen door het betaalorgaan of de voor de terugvordering verantwoordelijke instantie. Een regeling inzake financiële aansprakelijkheid moet worden ingesteld voor gevallen waarin onregelmatigheden zijn gebeurd en waarin niet het totale bedrag van de onrechtmatig verkregen middelen is terugbetaald. Daartoe dient te worden voorzien in een procedure die het de [Europese] Commissie mogelijk maakt de belangen van de begroting van de [Europese] Unie te beschermen door te besluiten dat de betrokken lidstaat een deel voor zijn rekening moet nemen van de bedragen die wegens onregelmatigheden niet verschuldigd waren en niet binnen een redelijke termijn zijn terugbetaald. In sommige gevallen van nalatigheid van de betrokken lidstaat is het ook gerechtvaardigd die lidstaat het totale bedrag in rekening te brengen. Indien echter de lidstaten voldoen aan de verplichtingen die zij op grond van hun interne procedures hebben, moet de financiële last op billijke wijze tussen de Unie en de lidstaat worden verdeeld. Voor het [Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo)] moeten dezelfde voorschriften gelden, behoudens evenwel de vereiste dat de in verband met onregelmatigheden teruggekregen of geannuleerde bedragen beschikbaar moeten blijven voor de goedgekeurde programma’s voor plattelandsontwikkeling in de betrokken lidstaat, aangezien die bedragen aan die lidstaat zijn toegewezen. Er dienen verder bepalingen te worden ingesteld over de verplichte rapportage door de lidstaten.”

7 Artikel 5 van verordening nr. 1306/2013, met als opschrift „Uitgaven uit het Elfpo”, bepaalt: „Het Elfpo wordt ten uitvoer gelegd op basis van een tussen de lidstaten en de Unie gedeeld beheer. Het financiert de financiële bijdrage van de Unie aan programma’s voor plattelandsontwikkeling die worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig het recht van de Unie inzake steun voor plattelandsontwikkeling.”

8 Titel IV van verordening nr. 1306/2013, met als opschrift „Financieel beheer van de Fondsen”, bevatte een hoofdstuk IV, met als opschrift „Goedkeuring van de rekeningen”, waarvan afdeling III betrekking had op „onregelmatigheden”.

9 Tot deze afdeling III behoorde artikel 54 van deze verordening dat het opschrift „Gemeenschappelijke bepalingen” had en waarin het volgende was bepaald: „1. De lidstaten vorderen onverschuldigde betalingen die verband houden met onregelmatigheden of nalatigheden, terug van de begunstigde binnen 18 maanden na de goedkeuring en, indien van toepassing, de ontvangst door het betaalorgaan of het voor de terugvordering verantwoordelijke orgaan van een controlerapport of een soortgelijk document waarin wordt verklaard dat er een onregelmatigheid of nalatigheid heeft plaatsgevonden. De desbetreffende bedragen worden op het moment van het verzoek tot terugbetaling opgenomen in het debiteurenboek van het betaalorgaan. 2. Indien geen inning heeft plaatsgevonden binnen vier jaar na de datum van de terugvordering of binnen acht jaar na die datum als over de terugvordering een zaak is aangespannen bij een nationale rechtbank, worden de financiële gevolgen van de niet-inning voor 50 % door de betrokken lidstaat gedragen, en voor 50 % door de begroting van de Unie, onverminderd de eis dat de betrokken lidstaat de terugvorderingsprocedure overeenkomstig artikel 58 moet voortzetten. Indien in het kader van de terugvorderingsprocedure in een administratief of gerechtelijk besluit met een definitief karakter wordt geconstateerd dat er geen sprake is van een onregelmatigheid, declareert de betrokken lidstaat de financiële last die hij op grond van de eerste alinea heeft gedragen, aan de Fondsen als uitgave. Indien evenwel, om redenen die niet kunnen worden toegeschreven aan de betrokken lidstaat, de terugvordering niet binnen de in de eerste alinea van dit lid gespecificeerde termijn kon plaatsvinden en het terug te vorderen bedrag meer dan 1 miljoen EUR bedraagt, kan de Commissie op verzoek van de lidstaat de termijn met ten hoogste de helft van de oorspronkelijke periode verlengen. 3. In behoorlijk gemotiveerde gevallen kan een lidstaat besluiten de terugvordering niet voort te zetten. Een dergelijk besluit kan alleen in de volgende gevallen worden genomen: a) indien het totaal van de reeds gemaakte en de nog te verwachten terugvorderingskosten hoger is dan het te innen bedrag, […] […] b) de terugvordering blijkt onmogelijk als gevolg van de overeenkomstig het nationale recht van de betrokken lidstaat geconstateerde en erkende insolventie van de debiteur of van de personen die juridisch aansprakelijk zijn voor de onregelmatigheid. Indien het in de eerste alinea bedoelde besluit wordt genomen voordat lid 2 van toepassing is op het uitstaande bedrag, worden de financiële gevolgen van de niet-inning gedragen door de begroting van de Unie. 4. De lidstaten nemen de bedragen die zij op grond van lid 2 van dit artikel zelf moeten dragen, op in de jaarrekeningen die zij op grond van artikel 102, lid 1, onder c), punt iv), bij de Commissie moeten indienen. De Commissie gaat na of dit is gebeurd, en verricht eventueel de nodige aanpassingen volgend op de vaststelling van de uitvoeringshandeling als bedoeld in artikel 51. 5. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen, mits zij daartoe de in artikel 52, lid 3, neergelegde procedure heeft gevolgd, op grond waarvan in de volgende gevallen ten laste van de begroting van de Unie gebrachte bedragen van financiering door de Unie worden uitgesloten: a) de lidstaat heeft de in lid 1 genoemde termijnen niet in acht genomen; b) zij is van oordeel dat het door een lidstaat uit hoofde van lid 3 genomen besluit om de terugvordering niet voort te zetten, ongegrond is; c) zij is van oordeel dat de onregelmatigheid of de niet-inning het gevolg is van onregelmatigheden of nalatigheden die te wijten zijn aan de overheidsdiensten of een andere officiële instantie van de lidstaat. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 116, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.”

10 Binnen die afdeling III bepaalde artikel 56 („Specifieke bepalingen voor het Elfpo”) van die verordening: „De lidstaten verrichten financiële correcties indien onregelmatigheden en nalatigheden worden geconstateerd in de concrete acties of de programma’s voor plattelandsontwikkeling, door de betrokken Uniefinanciering volledig of gedeeltelijk in te trekken. De lidstaten houden rekening met de aard en de ernst van de geconstateerde onregelmatigheden en met de omvang van het financiële verlies voor het Elfpo. De ingetrokken bedragen aan Uniefinanciering uit het Elfpo en de terugbetaalde bedragen, met de rente daarop, worden opnieuw toegewezen aan het betrokken programma. De lidstaten kunnen de ingetrokken of terugbetaalde Uniemiddelen echter alleen gebruiken voor een concrete actie in het kader van hetzelfde programma voor plattelandsontwikkeling, met dien verstande dat deze geldmiddelen niet opnieuw mogen worden bestemd voor concrete acties waarvoor een financiële correctie heeft plaatsgevonden. De lidstaten betalen de bedragen die na de afsluiting van een programma voor plattelandsontwikkeling nog worden teruggekregen, terug aan de begroting van de Unie.”

11 Titel V („Controlesystemen en sancties”) van verordening nr. 1306/2013 bevatte een hoofdstuk I, met als opschrift „Algemene regels”, waarvan de artikelen 58 tot en met 66 deel uitmaakten.

12 Artikel 58 van deze verordening, met als opschrift „Bescherming van de financiële belangen van de Unie”, bepaalde in lid 1: „De lidstaten stellen in het kader van het [gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB)] alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en alle andere maatregelen vast die nodig zijn om een doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de Unie te waarborgen, in het bijzonder om: […] e) onverschuldigd betaalde bedragen met rente terug te vorderen en daartoe gerechtelijke procedures in te leiden indien nodig.”

Tsjechisch recht

13 De verwijzende rechter zet uiteen dat in de Tsjechische rechtsorde op de datum van betaling van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde subsidie, te weten 7 juli 2015, geen verjaringstermijn was opgenomen waarbinnen een onverschuldigd betaalde subsidie kon worden teruggevorderd van de begunstigde ervan.

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

14 Op 28 juni 2012 heeft M. K., een Tsjechische natuurlijke persoon, een subsidieaanvraag ingediend in het kader van het programma voor plattelandsontwikkeling van de Tsjechische Republiek, maatregel III.1.2 „Steun voor de oprichting en ontwikkeling van ondernemingen” (hierna: „programma”), voor een project met de titel „Aanpassing van een gebouw met het oog op een economische activiteit”.

15 Op 13 maart 2013 heeft M. K. zich er door de ondertekening van een subsidieovereenkomst toe verbonden de regelingen van het programma na te leven.

16 Op 7 juli 2015 heeft M. K. voor het betrokken project een subsidie ten bedrage van 5239422 Tsjechische kronen (CZK) (ongeveer 210000 EUR) ontvangen.

17 Na een controle van dit project op 29 april 2016 heeft de Státní zemědělský intervenční fond (interventiefonds voor de landbouw, Tsjechië) in een bericht van 24 mei 2016 vastgesteld dat het betrokken gebouw niet in gebruik was geweest voor de economische activiteit waarvoor het was bestemd en dat de betaalde subsidie met 100 % werd verlaagd omdat M. K. de regelingen van het programma had geschonden.

18 Op 12 september 2016 is dit bericht bevestigd door de herzieningscommissie van het ministerie van Landbouw.

19 Op 11 juni 2018 heeft het interventiefonds voor de landbouw een besluit vastgesteld waarbij van M. K. de terugvordering werd gelast van alle middelen die hem aldus onverschuldigd waren verstrekt, te weten een bedrag van 5239422 CZK.

20 Op 7 mei 2020 heeft het ministerie van Landbouw het bezwaar van M. K. tegen dat besluit verworpen.

21 M. K. heeft bij de Městský soud v Praze (rechter in eerste aanleg Praag, Tsjechië) beroep ingesteld tegen het besluit tot verwerping van dit bezwaar, waarop deze rechter, na de grief te hebben onderzocht die er betrekking op had dat het recht van de betrokken lidstaat om van M. K. terugvordering van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde subsidie te eisen, was vervallen omdat het verzoek tot terugvordering van die subsidie door de bevoegde Tsjechische autoriteiten was ingediend na het verstrijken van de in artikel 54, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 gestelde termijn van 18 maanden, heeft geoordeeld dat het verval van dit recht in casu niet aan de orde was, aangezien deze termijn een ordetermijn en niet een verjaringstermijn vormde en alleen de niet-inachtneming van die laatste termijn kan leiden tot het vervallen van dat recht.

22 In zijn arrest is deze rechter in dit verband afgeweken van de rechtspraak van de Nejvyšší správní soud (hoogste bestuursrechter, Tsjechië), de verwijzende rechter, die voortvloeit uit een beslissing van de Negende kamer van deze laatste rechterlijke instantie, waarin is geoordeeld dat een termijn als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, een verjaringstermijn is.

23 Tegen het arrest van de Městský soud v Praze is cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter. Daarbij werd het hoofdgeding aan de Vijfde kamer toegewezen.

24 De Vijfde kamer van de verwijzende rechter heeft deze zaak verwezen naar de uitgebreide kamer op grond van het oordeel dat de in artikel 54, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 gestelde termijn van 18 maanden een termijn van orde is en de betrokken lidstaat dus ook na het verstrijken van die termijn kan eisen dat de onverschuldigd betaalde bedragen van de begunstigde van de betrokken subsidie worden teruggevorderd, zodat moet worden afgeweken van de bestaande nationale rechtspraak.

25 De verwijzende rechter benadrukt dat hij verplicht is het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken omdat er om te beginnen in zijn eigen rechtspraak verschillende opvattingen bestaan over de kwalificatie van de termijn van artikel 54, lid 1, van verordening nr. 1306/2013, voorts niet een van de mogelijke uitleggingen als duidelijk, plausibel en kennelijk overtuigender dan de andere kan worden beschouwd en er ten slotte hieromtrent in de rechtspraak van het Hof geen antwoord is te vinden.

26 Wat de aan artikel 54, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 te geven uitlegging betreft, merkt de verwijzende rechter ten eerste op dat de termijn van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95, anders dan de termijn van artikel 54, lid 1, van verordening nr. 1306/2013, uitdrukkelijk als verjaringstermijn wordt aangemerkt.

27 Ten tweede merkt deze rechter op dat artikel 54, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 de verhouding tussen de betrokken lidstaat en de Unie regelt, en niet die tussen die lidstaat en de begunstigde van de betrokken subsidie.

28 Onder verwijzing naar het arrest van 8 mei 2019, Järvelaev (C‑580/17, EU:C:2019:391), geeft de verwijzende rechter daarentegen aan dat de punten 95 en 96 van dat arrest aldus kunnen worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een uitlegging volgens welke de in artikel 54, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 vastgestelde termijn van 18 maanden zowel een termijn van orde is in de verhouding tussen de betrokken lidstaat en de Unie, als een verjaringstermijn in de verhouding tussen die lidstaat en de begunstigde van de betrokken subsidie.

29 Tegen deze achtergrond heeft de Nejvyšší správní soud de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet artikel 54, lid 1, van verordening [nr. 1306/2013] aldus worden uitgelegd dat het recht van de lidstaat om onverschuldigde betalingen van de begunstigde terug te vorderen vervalt door het verstrijken van de in deze bepaling gestelde termijn van 18 maanden?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

30 Vooraf zij opgemerkt dat de gestelde vraag weliswaar uitsluitend betrekking heeft op artikel 54, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 voor zover het gaat om verval van het recht van de betrokken lidstaat om bedragen van een Elfpo-subsidie die onverschuldigd waren betaald van de begunstigde terug te vorderen, maar uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat de verwijzende rechter zich in werkelijkheid afvraagt of deze bepaling een verjaringstermijn invoert in de verhouding tussen deze lidstaat en deze begunstigde, waardoor de toepassing van de verjaringstermijn van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95 is uitgesloten.

31 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat deze rechter met zijn vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 54, lid 1, van verordening nr. 1306/2013, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95, aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de procedure om onverschuldigd betaalde bedragen van een subsidie die in het kader van het Elfpo was verleend van de begunstigde terug te vorderen, kan worden ingesteld na het verstrijken van de termijn van 18 maanden nadat een controleverslag of een soortgelijk document waaruit blijkt dat er sprake was van een onregelmatigheid, is goedgekeurd, en, in voorkomend geval, door het betaalorgaan of het voor de terugvordering verantwoordelijke orgaan is ontvangen.

32 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat bij artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2988/95 „een algemene regeling inzake homogene controles en administratieve maatregelen en sancties met betrekking tot onregelmatigheden ten aanzien van het [Unierecht]” is ingevoerd, teneinde, zoals blijkt uit de derde overweging van deze verordening, „de fraude waardoor de financiële belangen van de [Unie] worden geschaad, op alle beleidsgebieden te bestrijden” (arresten van 24 juni 2004, Handlbauer, C‑278/02, EU:C:2004:388, punt 31, en 22 december 2010, Corman, C‑131/10, EU:C:2010:825, punt 36).

33 Zoals blijkt uit artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2988/95, kunnen deze administratieve maatregelen bestaan in ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de verplichting om de onverschuldigd betaalde bedragen terug te betalen, zonder echter het karakter van een sanctie te hebben (zie in die zin arresten van 17 september 2014, Cruz & Companhia, C‑341/13, EU:C:2014:2230, punt 45, en 7 april 2022, IFAP, C‑447/20 en C‑448/20, EU:C:2022:265, punt 46).

34 De verjaringstermijn bedoeld in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95 is dus zowel van toepassing op onregelmatigheden die leiden tot oplegging van een administratieve sanctie in de zin van artikel 5 van deze verordening, als op onregelmatigheden die, zoals in het hoofdgeding, het voorwerp zijn van een administratieve maatregel waarbij overeenkomstig artikel 4 van deze verordening het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt teruggevorderd (zie in die zin arresten van 2 maart 2017, Glencore Céréales France, C‑584/15, EU:C:2017:160, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 6 februari 2025, Emporiki Serron – Emporias kai Diathesis Agrotikon Proionton, C‑42/24, EU:C:2025:56, punt 18).

35 Artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95 stelt met betrekking tot de vervolging een verjaringstermijn vast die met name voor dergelijke administratieve maatregelen geldt en die ingaat op de datum waarop de betrokken onregelmatigheid is begaan. Volgens artikel 1, lid 2, van deze verordening is een onregelmatigheid „elke inbreuk op het [Unierecht] […] die bestaat in een handeling of een nalaten van een marktdeelnemer waardoor de algemene begroting van de [Unie] [wordt of zou] kunnen worden benadeeld” (arresten van 29 januari 2009, Josef Vosding Schlacht-, Kühl- und Zerlegebetrieb e.a., C‑278/07–C‑280/07, EU:C:2009:38, punt 21, en 7 april 2022, IFAP, C‑447/20 en C‑448/20, EU:C:2022:265, punt 47).

36 Met de vaststelling van verordening nr. 2988/95 en in het bijzonder artikel 3, lid 1, eerste alinea, ervan heeft de Uniewetgever besloten een algemene verjaringsregel in te voeren, waarmee hij een in alle lidstaten toegepaste minimumtermijn wilde vaststellen en tevens de mogelijkheid wilde uitsluiten om de onregelmatigheid waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschonden, te vervolgen wanneer een periode van vier jaar is verstreken nadat die onregelmatigheid is begaan (zie in die zin arresten van 29 januari 2009, Josef Vosding Schlacht-, Kühl- und Zerlegebetrieb e.a., C‑278/07–C‑280/07, EU:C:2009:38, punt 27, en 7 april 2022, IFAP, C‑447/20 en C‑448/20, EU:C:2022:265, punt 48).

37 Artikel 3, lid 1, eerste alinea, preciseert in de tweede volzin dat deze verjaringstermijn van vier jaar van toepassing is bij gebreke van „sectoriële regelingen”, te weten regelingen die op het niveau van de Unie en niet op nationaal niveau zijn vastgesteld en die „een kortere termijn bepalen, die niet minder dan drie jaar mag bedragen” (zie in die zin arrest van 22 december 2010, Corman, C‑131/10, EU:C:2010:825, punten 41 en 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38 Hieruit volgt dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten vanaf de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 2988/95 elke onregelmatigheid die de financiële belangen van de Unie schendt in beginsel en met uitzondering van sectoren waarvoor de wetgever van de Unie een kortere termijn heeft voorzien, kunnen vervolgen binnen een termijn van vier jaar (zie in die zin arrest van 5 maart 2019, Eesti Pagar, C‑349/17, EU:C:2019:172, punt 117 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39 Voor zover de Uniewetgever er echter voor heeft gekozen om in een andere algemene regeling of in een sectorale regeling een verplichting in het leven te roepen om onjuist bestede of onrechtmatig verkregen middelen terug te vorderen, vormt die regeling de relevante rechtsgrondslag voor de terugvordering van die middelen (arrest van 4 oktober 2024, Commissie/PB, C‑721/22 P, EU:C:2024:836, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40 Wanneer bedragen die onverschuldigd zijn betaald, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, in het kader van een steunprogramma dat is goedgekeurd en medegefinancierd door het Elfpo in de programmeringsperiode 2007‑2013, na afloop van deze programmeringsperiode, dat wil zeggen na 1 januari 2014, worden teruggevorderd, dient dat dus op grond van verordening nr. 1306/2013 te gebeuren, en met name op grond van artikel 56 daarvan [arrest van 29 februari 2024, Eesti Vabariik (Põllumajanduse Registrite ja Informatsiooni Amet), C‑437/22, EU:C:2024:176, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

41 In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 54, lid 1, van verordening nr. 1306/2013, dat is opgenomen in titel IV van deze verordening, met als opschrift „Financieel beheer van de fondsen”, en meer in het bijzonder in hoofdstuk IV ervan, met als opschrift „Goedkeuring van de rekeningen”, in het algemeen bepaalt dat „[d]e lidstaten […] onverschuldigde betalingen die verband houden met onregelmatigheden of nalatigheden, […] van de begunstigde [terugvorderen]”.

42 Artikel 54 van verordening nr. 1306/2013 regelt, in het kader van het stelsel van financiële aansprakelijkheid voor onregelmatigheden ten gevolge waarvan onverschuldigd betaalde subsidiebedragen moeten worden teruggevorderd van de begunstigde ervan, de verdeling van de financiële gevolgen tussen de begroting van de Unie en de begroting van de met de terugvordering van die bedragen belaste lidstaat.

43 In dit kader voorziet artikel 54, lid 1, in een termijn van 18 maanden, te rekenen vanaf de formele vaststelling van het bestaan van een onregelmatigheid, waarbinnen de lidstaten de bedragen van de betrokken begunstigde „moeten” terugvorderen, omdat de betrokken subsidiebedragen anders overeenkomstig artikel 54, lid 5, onder a), ten laste komen.

44 Overeenkomstig laatstgenoemde bepaling kan de Commissie, mits zij daartoe de in artikel 52, lid 3, van verordening nr. 1306/2013 neergelegde procedure heeft gevolgd, immers uitvoeringshandelingen vaststellen op grond waarvan ten laste van de begroting van de Unie gebrachte bedragen van financiering door de Unie worden uitgesloten indien de betrokken lidstaat de in artikel 54, lid 1, van die verordening bedoelde termijn van 18 maanden niet in acht heeft genomen.

45 Voorts staat in overweging 37 van die verordening te lezen dat „de lidstaten onverschuldigde bedragen van de begunstigde terug [dienen] te vorderen binnen een termijn van 18 maanden nadat een controleverslag of soortgelijk document houdende de bevestiging van het bestaan van een onregelmatigheid is goedgekeurd en, in voorkomend geval, is ontvangen door het betaalorgaan of de voor de terugvordering verantwoordelijke instantie”, met dien verstande dat „[e]en regeling inzake financiële aansprakelijkheid moet worden ingesteld voor gevallen waarin onregelmatigheden zijn gebeurd en waarin niet het totale bedrag van de onrechtmatig verkregen middelen is terugbetaald” en dat „dient te worden voorzien in een procedure die het de Commissie mogelijk maakt de belangen van de begroting van de Unie te beschermen door te besluiten dat de betrokken lidstaat een deel voor zijn rekening moet nemen van de bedragen die wegens onregelmatigheden niet verschuldigd waren en niet binnen een redelijke termijn zijn terugbetaald”.

46 Bijgevolg dient een lidstaat die het bestaan van een onregelmatigheid vaststelt, de onverschuldigd betaalde subsidie terug te vorderen en dient hij met name terugvordering bij de begunstigde te eisen binnen 18 maanden nadat een controleverslag of een soortgelijk document waaruit blijkt dat er sprake was van een onregelmatigheid, is goedgekeurd, en, in voorkomend geval, door het betaalorgaan of het voor de terugvordering verantwoordelijke orgaan is ontvangen. Dit betekent dat een lidstaat die subsidie zo snel mogelijk kan en, in het belang van een gezond financieel beheer van Uniegelden, moet terugvorderen (arrest van 8 mei 2019, Järvelaev, C‑580/17, EU:C:2019:391, punten 95 en 96).

47 Hieruit volgt dat artikel 54, lid 1, van verordening nr. 1306/2013, betreffende de terugvordering bij de betrokken begunstigde van bedragen die wegens een onregelmatigheid onverschuldigd zijn betaald, betrekking heeft op de financiële verhouding tussen de Unie en de betrokken lidstaat, zodat deze bepaling niet van toepassing is op de verhouding tussen deze laatste en de begunstigde van de onverschuldigde betalingen.

48 Derhalve heeft het verstrijken van de termijn van 18 maanden nadat een controleverslag of een soortgelijk document waaruit blijkt dat er sprake was van een onregelmatigheid in de zin van die bepaling, is goedgekeurd, en, in voorkomend geval, door het betaalorgaan of het voor de terugvordering verantwoordelijke orgaan is ontvangen, niet tot gevolg dat het recht van een lidstaat vervalt om onverschuldigde bedragen van een verleende subsidie van de begunstigde terug te vorderen. Daarentegen kan het verstrijken van deze termijn voor die lidstaat wel gevolgen hebben voor zijn verplichtingen op het gebied van het financiële beheer van de middelen uit de begroting van de Unie.

49 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 54, lid 1, van verordening nr. 1306/2013, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95, aldus moet worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat de procedure om onverschuldigd betaalde bedragen van een subsidie die in het kader van het Elfpo was verleend van de begunstigde terug te vorderen, kan worden ingesteld na het verstrijken van de termijn van 18 maanden nadat een controleverslag of een soortgelijk document waaruit blijkt dat er sprake was van een onregelmatigheid, is goedgekeurd, en, in voorkomend geval, door het betaalorgaan of het voor de terugvordering verantwoordelijke orgaan is ontvangen.

Kosten

50 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 54, lid 1, van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen,

moet aldus worden uitgelegd dat

het er niet aan in de weg staat dat de procedure om onverschuldigd betaalde bedragen van een subsidie die in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) was verleend van de begunstigde terug te vorderen, kan worden ingesteld na het verstrijken van de termijn van 18 maanden nadat een controleverslag of een soortgelijk document waaruit blijkt dat er sprake was van een onregelmatigheid, is goedgekeurd, en, in voorkomend geval, door het betaalorgaan of het voor de terugvordering verantwoordelijke orgaan is ontvangen.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Tsjechisch.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken