HvJ EU 24 juni 2004, C-278/02, ECLI:EU:C:2004:388
Tekst
Zaak C‑278/02
Procedure ingeleid door Herbert Handlbauer GmbH
(verzoek van de Berufungssenat I der Region Linz bei der Finanzlandesdirektion für Oberösterreich om een prejudiciële beslissing)
„Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Rundvlees – Restituties bij uitvoer – Terugbetaling van ten onrechte ontvangen bedragen – Vervolging van onregelmatigheden – Artikel 3 van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 – Rechtstreekse werking – Verjaringstermijn – Stuiting van verjaring”
Samenvatting van het arrest
1. Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen – Verordening betreffende bescherming van financiële belangen van Gemeenschap – Vervolging van onregelmatigheden – Verjaringstermijn – Rechtstreekse toepasselijkheid – Voorwaarde
(Verordening nr. 2988/95 van de Raad, art. 1, lid 2, en 3, lid 1)
2. Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen – Verordening betreffende bescherming van financiële belangen van Gemeenschap – Vervolging van onregelmatigheden – Verjaringstermijn – Stuitingshandeling – Voorwaarde
(Verordening nr. 2988/95 van de Raad, art. 3, lid 1, eerste en derde alinea)
1. Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, dat voor vervolgingen een verjaringstermijn van vier jaar bepaalt die begint te lopen vanaf de datum van de onregelmatigheid, is rechtstreeks van toepassing in de lidstaten, daaronder begrepen op het gebied van de restituties bij uitvoer van landbouwproducten, bij gebreke van een sectoriële communautaire regeling die voorziet in een kortere termijn, die evenwel niet minder dan drie jaar mag bedragen, of van een nationale regeling die een langere verjaringstermijn voorschrijft.
(cf. punten 32, 35, dictum 1)
2. Artikel 3, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 2988/95 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, moet aldus worden uitgelegd dat de aankondiging van een douanecontrole aan de betrokken onderneming alleen dan een onderzoekshandeling of een daad van vervolging van de onregelmatigheid is die de in artikel 3, lid 1, eerste alinea, bedoelde verjaringstermijn kan stuiten, indien de handelingen waarop de verdenkingen van onregelmatigheid betrekking hebben, daarin voldoende nauwkeurig zijn omschreven.
(cf. punt 43, dictum 2)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer) 24 juni 2004(1)
„Landbouw – Gemeenschappelijke ordening der markten – Rundvlees – Restituties bij uitvoer – Terugbetaling van ten onrechte ontvangen bedragen – Vervolging van onregelmatigheden – Artikel 3 van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 – Rechtstreekse werking – Verjaringstermijn – Stuiting van verjaring”
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
gehoord de mondelinge opmerkingen van Herbert Handlbauer GmbH, vertegenwoordigd door L. Harings; de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door H. Bauer en H. Schauer als gemachtigden; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door K. Manji als gemachtigde, bijgestaan door T. Eicke, barrister, en de Commissie, vertegenwoordigd door M. Niejahr, ter terechtzitting van 4 november 2003,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 januari 2004,
het navolgende
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
Timmermans Puissochet Cunha Rodrigues
Schintgen Colneric
De griffier De president van de Tweede kamer
R. Grass C. W. A. Timmermans
1 – Procestaal: Duits.
Aangehaald in
- HvJ EU 5 maart 2019, C-349/17, ECLI:EU:C:2019:172
- HvJ EU 17 september 2014, C-341/13, ECLI:EU:C:2014:2230
- HvJ EU 11 juni 2015, C-52/14, ECLI:EU:C:2015:381
- HvJ EU 7 april 2022, C-447/20, ECLI:EU:C:2022:265
- HvJ EU 3 september 2015, C-383/14, ECLI:EU:C:2015:541
- HvJ EU 8 mei 2024, C-734/22, ECLI:EU:C:2024:395
- HvJ EU 10 april 2025, C-657/23, ECLI:EU:C:2025:263