HvJ EU 16 januari 2025, C-644/23, ECLI:EU:C:2025:16
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
16 januari 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Richtlijn (EU) 2016/343 – Artikel 8 – Recht om bij de terechtzitting aanwezig te zijn – Kennisgeving van de terechtzitting en van de gevolgen van eventuele afwezigheid – Onmogelijkheid om de beklaagde te lokaliseren ondanks de redelijke inspanningen van de bevoegde autoriteiten – Mogelijkheid van een verstekprocedure en een verstekvonnis – Artikel 9 – Recht op een nieuw proces, of op een andere voorziening in rechte, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld – Geen dergelijk recht wanneer de betrokkene zich aan de berechting onttrekt”
In zaak C‑644/23 [Stangalov] ( i ),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije) bij beslissing van 26 oktober 2023, ingekomen bij het Hof op 26 oktober 2023, in de strafprocedure tegen
IR,
in tegenwoordigheid van:
Sofiyska gradska prokuratura,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos (rapporteur), president van de Derde kamer, waarnemend voor de president van de Vierde kamer, S. Rodin en O. Spineanu-Matei, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Vondung en I. Zaloguin als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 8 en 9 van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1) en van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafzaak tegen IR met betrekking tot feiten die fiscale delicten kunnen vormen waarop een gevangenisstraf staat.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 De overwegingen 33, 35 tot en met 39, 47 en 48 van richtlijn 2016/343 luiden als volgt: „(33) Het recht op een eerlijk proces is een van de grondbeginselen van een democratische samenleving. Het recht van verdachten en beklaagden om aanwezig te zijn bij de terechtzitting, is gebaseerd op dat recht en moet in de hele [Europese] Unie worden gewaarborgd. […] (35) Het recht van verdachten en beklaagden om bij de terechtzitting aanwezig te zijn, is niet absoluut. Onder bepaalde voorwaarden dienen verdachten en beklaagden de mogelijkheid te hebben om, uitdrukkelijk of stilzwijgend maar op ondubbelzinnige wijze, afstand te doen van dat recht. (36) In bepaalde omstandigheden moet een beslissing over de schuld of onschuld van een verdachte of beklaagde kunnen worden gegeven, zelfs wanneer de betrokkene niet bij de terechtzitting aanwezig is. Dit kan het geval zijn wanneer de verdachte of beklaagde tijdig in kennis is gesteld van de terechtzitting en van de gevolgen van eventuele afwezigheid, en desondanks niet verschijnt. Het in kennis stellen van een verdachte of beklaagde van de terechtzitting moet worden begrepen als het in persoon dagvaarden van de betrokkene of het anderszins aan de betrokkene verstrekken van officiële informatie over het tijdstip en de plaats van de terechtzitting, op een wijze die het hem mogelijk maakt kennis te krijgen van de terechtzitting. Het in kennis stellen van de verdachte of de beklaagde van de gevolgen van afwezigheid moet met name worden begrepen als het informeren van de betrokkene dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op de terechtzitting verschijnt. (37) Het moet ook mogelijk zijn om in afwezigheid van een verdachte of beklaagde een proces te voeren dat kan leiden tot een beslissing over schuld of onschuld, wanneer die persoon van de terechtzitting in kennis is gesteld en een door hemzelf of door de staat aangestelde advocaat heeft gemachtigd om hem tijdens die terechtzitting te vertegenwoordigen, en die advocaat namens de verdachte of beklaagde ter terechtzitting verschijnt. (38) Bij de beoordeling of de wijze van kennisgeving voldoende waarborgt dat de betrokkene op de hoogte is van het proces, moet in voorkomend geval ook bijzondere aandacht worden besteed aan de zorgvuldigheid die de overheidsinstanties in acht hebben genomen bij de kennisgeving aan betrokkene en aan de zorgvuldigheid die betrokkene heeft betracht om aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen. (39) Wanneer lidstaten voorzien in de mogelijkheid om processen te voeren in afwezigheid van verdachten of beklaagden, maar niet is voldaan aan de voorwaarden om een beslissing te kunnen nemen bij afwezigheid van een bepaalde verdachte of beklaagde, omdat de verdachte of beklaagde, ondanks redelijke inspanningen, niet kon worden gelokaliseerd, bijvoorbeeld omdat hij is gevlucht of er vandoor is gegaan, moet het niettemin mogelijk zijn om een beslissing te nemen bij afwezigheid van de verdachte of beklaagde, en om deze beslissing ten uitvoer te leggen. In dat geval moeten de lidstaten ervoor zorgen dat wanneer verdachten of beklaagden in kennis worden gesteld van die beslissing, in het bijzonder wanneer zij in hechtenis worden genomen, zij eveneens in kennis worden gesteld van de mogelijkheid de beslissing aan te vechten en van het recht op een nieuw proces of op een andere voorziening in rechte. […] […] (47) Deze richtlijn eerbiedigt de door het Handvest en het [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: ‚EVRM’)] erkende grondrechten en beginselen […]. In het bijzonder dient rekening te worden gehouden met artikel 6 [VEU], uit hoofde waarvan de Unie de in het Handvest vastgestelde rechten, vrijheden en beginselen erkent, zoals zij worden gewaarborgd door het EVRM en zoals zij voortvloeien uit de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, en die als algemene beginselen deel uit maken van het Unierecht. (48) Aangezien deze richtlijn voorziet in minimumvoorschriften, moeten de lidstaten de in deze richtlijn vastgestelde rechten kunnen uitbreiden om een hoger beschermingsniveau te bieden. Het door de lidstaten geboden beschermingsniveau mag nooit lager zijn dan de normen die zijn opgenomen in het Handvest of het EVRM, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.”
4 Artikel 1 van deze richtlijn heeft als opschrift „Onderwerp” en luidt: „Deze richtlijn bevat gemeenschappelijke minimumvoorschriften inzake: a) bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld in strafprocedures; b) het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn.”
5 Artikel 8 van richtlijn 2016/343 heeft als opschrift „Recht op aanwezigheid bij proces” en luidt: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten en beklaagden het recht hebben om aanwezig te zijn bij hun terechtzitting. 2. De lidstaten kunnen voorzien in de mogelijkheid dat een proces, dat kan leiden tot een beslissing over schuld of onschuld van een verdachte of beklaagde, kan plaatsvinden in zijn afwezigheid, op voorwaarde dat: a) de verdachte of beklaagde tijdig in kennis is gesteld van de terechtzitting en van de gevolgen van zijn afwezigheid; of b) de verdachte of beklaagde, die van het proces in kennis is gesteld, wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat die ofwel door de verdachte of de beklaagde dan wel door de staat werd aangesteld. 3. Een overeenkomstig lid 2 genomen beslissing kan jegens de verdachte of beklaagde ten uitvoer worden gelegd. 4. Wanneer lidstaten voorzien in de mogelijkheid om processen te houden in afwezigheid van verdachten of beklaagden, maar het niet mogelijk is te voldoen aan de in lid 2 van dit artikel gestelde voorwaarden, omdat een verdachte of beklaagde, ondanks redelijke inspanningen, niet kan worden gelokaliseerd, kunnen de lidstaten bepalen dat niettemin een beslissing kan worden genomen die ten uitvoer kan worden gelegd. In dat geval zorgen de lidstaten ervoor dat wanneer verdachten of beklaagden in kennis worden gesteld van de beslissing, in het bijzonder wanneer zij in hechtenis worden genomen, zij eveneens worden geïnformeerd over de mogelijkheid de beslissing aan te vechten en het recht op een nieuw proces of een andere voorziening in rechte, overeenkomstig artikel 9. […]”
6 Artikel 9 van die richtlijn draagt het opschrift „Recht op een nieuw proces” en bepaalt: „De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer verdachten of beklaagden niet aanwezig waren bij hun terechtzitting en niet is voldaan aan de in artikel 8, lid 2, gestelde voorwaarden, zij recht hebben op een nieuw proces, of een andere voorziening in rechte, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld, met inbegrip van de beoordeling van nieuw bewijsmateriaal, en dat kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing. In dit verband waarborgen de lidstaten dat die verdachten of beklaagden het recht hebben aanwezig te zijn, overeenkomstig nationaalrechtelijke procedures effectief deel te nemen, en hun recht op verdediging uit te oefenen.”
Bulgaars recht
7 Artikel 94 van de Nakazatelno-protsesualen kodeks (wetboek van strafvordering) (DV nr. 86 van 28 oktober 2005), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „NPK”), bepaalt in de leden 1 en 3: „1. Aan de strafprocedure moet een vertegenwoordiger deelnemen wanneer […] de zaak wordt behandeld in afwezigheid van de beklaagde; […] 3. Wanneer tussenkomst van een raadsman verplicht is, wijzen de bevoegde autoriteiten een advocaat als vertegenwoordiger aan.”
8 Artikel 219, lid 3, punt 3, NPK luidt: „In het besluit tot inbeschuldigingstelling […] moeten de feiten waarvoor [de betrokkene] in beschuldiging wordt gesteld en de juridische kwalificatie van deze feiten worden vermeld.”
9 Artikel 246 NPK bepaalt in lid 1: „De openbaar aanklager stelt de tenlastelegging op wanneer hij ervan overtuigd is dat de nodige bewijzen zijn verzameld om de betrokkene […] te vervolgen voor het gerecht […]”.
10 Artikel 247 c, lid 1, NPK luidt als volgt: „Op verzoek van de rapporterende rechter wordt aan de beklaagde een afschrift van de tenlastelegging betekend. Door de betekening van de tenlastelegging wordt de beklaagde in kennis gesteld van de voor de preliminaire zitting vastgestelde datum […] en van het feit dat de zaak onder de in artikel 269 bepaalde voorwaarden kan worden onderzocht en berecht in zijn afwezigheid.”
11 Artikel 269 van NPK bepaalt: „1. Wanneer de beklaagde wordt beschuldigd van een ernstig strafbaar feit, is hij verplicht bij de terechtzitting aanwezig te zijn. […] 3. Indien dit niet in de weg staat aan het onderzoek naar de objectieve waarheid, kan de zaak in afwezigheid van de beklaagde worden behandeld, mits: 1) de beklaagde zich niet op het door hem aangegeven adres bevindt of hij zijn adres heeft gewijzigd zonder de bevoegde autoriteit daarvan in kennis te stellen; 2) zijn woonplaats in Bulgarije niet bekend is en na een diepgaand onderzoek niet kon worden vastgesteld; […] 4) de beklaagde zich buiten het Bulgaarse grondgebied bevindt en […] zijn woonplaats niet bekend is.”
12 Artikel 423, lid 1, NPK luidt: „Binnen zes maanden nadat hij kennis heeft genomen van de onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling […], kan de bij verstek veroordeelde persoon verzoeken om heropening van de [strafprocedure] door zich te beroepen op zijn afwezigheid in [die procedure]. Dit verzoek wordt ingewilligd, tenzij de veroordeelde na de mededeling van de tenlastelegging in het kader van het onderzoek is gevlucht, met als gevolg dat de procedure van artikel 247 c, lid 1, niet kon worden uitgevoerd, of dat de veroordeelde na de uitvoering van de procedure zonder geldige reden niet ter terechtzitting is verschenen.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
13 In 2016 is IR beschuldigd van deelneming aan een georganiseerde criminele bende met het oog op het plegen van fiscale delicten waarop een gevangenisstraf staat.
14 Op 19 april 2016 is aan IR een besluit tot inbeschuldigingstelling voor die delicten betekend, dat werd vastgesteld op grond van artikel 219 NPK.
15 Naar aanleiding van deze inbeschuldigingstelling, die heeft plaatsgevonden in het kader van het onderzoek, heeft IR een beroep gedaan op de diensten van een door hem gemachtigde advocaat en heeft hij een adres opgegeven waarop hij bereikbaar was.
16 Op 8 juni 2016 is het onderzoek afgerond en is het dossier doorgestuurd naar de openbaar aanklager.
17 Op 9 december 2016 heeft de openbaar aanklager op grond van artikel 246 NPK de tenlastelegging opgesteld en heeft hij de zaak tegen IR ingeleid bij de Spetsializiran nakazatelen sad (bijzondere strafrechter, Bulgarije).
18 Ondanks de pogingen van de Spetsializiran nakazatelen sad om IR persoonlijk te dagvaarden teneinde hem te doen verschijnen op de terechtzitting, kon IR noch op het door hem verstrekte adres noch ergens anders worden gelokaliseerd. Bijgevolg konden de in artikel 247 c, lid 1, NPK bedoelde handelingen – waaronder de overhandiging aan IR van een afschrift van de in artikel 246 NPK bedoelde tenlastelegging – niet worden verricht.
19 Daarop is aan IR ambtshalve een advocaat toegewezen om hem te verdedigen. Die advocaat is er echter niet in geslaagd met hem in contact te treden en heeft ervan afgezien hem te verdedigen. Ook de andere advocaten die daarna zijn aangesteld, zijn er niet in geslaagd contact op te nemen met IR.
20 Omdat is gebleken dat de tenlastelegging een procedurefout bevatte, is deze akte nietig verklaard en is de procedure derhalve beëindigd. Daarna is een nieuwe tenlastelegging op grond van artikel 246 NPK opgesteld en is een nieuwe procedure gestart. In het kader daarvan is wederom gezocht naar IR, ook via familieleden, voormalige werkgevers en mobieletelefoonaanbieders, maar kon hij opnieuw niet worden gelokaliseerd.
21 De Spetsializiran nakazatelen sad (bijzondere strafrechter, Bulgarije) heeft dan ook bij beslissing van 27 oktober 2020 de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) [Moet] artikel 8, lid 2, onder b), van richtlijn [2016/343], gelezen in samenhang met de overwegingen 36 tot en met 39 ervan, […], aldus worden uitgelegd dat [het] een geval [omvat] waarin de beklaagde in kennis is gesteld van de tegen hem gerichte aanklacht in de oorspronkelijke versie ervan, en vervolgens objectief gezien niet van de terechtzitting in kennis kan worden gesteld omdat hij is gevlucht en wordt verdedigd door een toegevoegde advocaat waarmee hij op geen enkele wijze contact heeft? 2) Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord: Is een nationale bepaling (artikel 423 […] NPK) die niet voorziet in rechtsbescherming tegen bij verstek uitgevoerde onderzoeksmaatregelen en tegen een veroordeling bij verstek wanneer de beklaagde, na in kennis te zijn gesteld van de oorspronkelijke aanklacht, is gevlucht en daarom noch van de datum noch van de plaats van de terechtzitting noch van de gevolgen van zijn niet-verschijnen in kennis kon worden gesteld, verenigbaar met artikel 9 [van richtlijn 2016/343] […]? 3) Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord: Heeft artikel 9 van richtlijn [2016/343], gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, rechtstreekse werking?”
22 Dit verzoek om een prejudiciële beslissing heeft geleid tot het arrest van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde) (C‑569/20, EU:C:2022:401), waarvan het dictum luidt als volgt: „De artikelen 8 en 9 van richtlijn [2016/343] moeten aldus worden uitgelegd dat een beklaagde die de bevoegde nationale autoriteiten ondanks hun redelijke inspanningen niet hebben kunnen lokaliseren en aan wie die autoriteiten daardoor de informatie betreffende het tegen hem aangespannen proces niet hebben kunnen verstrekken, kan worden berecht en, in voorkomend geval, bij verstek kan worden veroordeeld, maar in dat geval na de kennisgeving van die veroordeling bij verstek in beginsel de mogelijkheid moet hebben om zich rechtstreeks te beroepen op het bij deze richtlijn toegekende recht om het proces te heropenen of toegang te krijgen tot een gelijkwaardige voorziening in rechte, zodat de zaak in zijn aanwezigheid opnieuw ten gronde kan worden behandeld. Dit recht kan aan de betrokkene echter worden ontzegd indien uit nauwkeurige en objectieve aanwijzingen blijkt dat hij voldoende informatie heeft ontvangen om te weten dat er tegen hem een proces zou worden gevoerd en hij, door opzettelijke handelingen en met de bedoeling om zich aan de berechting te onttrekken, heeft verhinderd dat de autoriteiten hem tijdig officieel van de terechtzitting in kennis stelden.”
23 De Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije), die na de afschaffing van de Spetsializiran nakazatelen sad de tegen IR ingestelde strafvervolging heeft overgenomen en dus de verwijzende rechter is, stelt vast dat sinds de uitspraak van het arrest van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde) (C‑569/20, EU:C:2022:401), de Bulgaarse rechtspraak met betrekking tot artikel 423 NPK ongewijzigd is gebleven. In het bijzonder is de Varhoven kasatsionen sad (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Bulgarije), die als enige bevoegd is om verzoeken om een nieuw proces te behandelen, artikel 423 NPK in die zin blijven toepassen dat eenieder die vlucht na het in artikel 219 NPK bedoelde besluit tot inbeschuldigingstelling te hebben ontvangen, in geval van veroordeling bij verstek geen recht heeft op een nieuw proces.
24 De verwijzende rechter leidt daaruit af dat, indien IR bij verstek wordt veroordeeld, een eventueel later verzoek van IR om een nieuw proces gedoemd is te mislukken.
25 Volgens die rechter zou IR evenwel op basis van zijn grondrecht op een eerlijk proces, dat wordt erkend in artikel 47 van het Handvest en tot uitdrukking komt in artikel 8, lid 4, en artikel 9 van richtlijn 2016/343, recht op een nieuw proces moeten hebben.
26 Hij vestigt in dit verband de aandacht op het feit dat het besluit tot inbeschuldigingstelling dat IR op 19 april 2016 persoonlijk heeft ontvangen, binnen de onderzoeksfase viel, die voorafgaat aan de toezending van het dossier aan de openbaar aanklager. Deze voorlopige tenlastelegging bevat slechts een korte uiteenzetting van de gegevens, feitelijk en rechtens, om de verdachte mee te delen dat hem een bepaald strafbaar feit wordt verweten en hem de mogelijkheid te bieden daarover uitleg te geven.
27 De verwijzende rechter benadrukt dat op het moment waarop de betrokkene deze voorlopige tenlastelegging ontvangt, nog niet alle belastend en ontlastend bewijs bekend is. De beslissing van de openbaar aanklager om de in artikel 246 NPK bedoelde tenlastelegging op te stellen en dus de zaak aan de bevoegde rechter voor te leggen, is tijdens het onderzoek evenmin bekend.
28 De betrokkene begrijpt dus pas bij ontvangst van de krachtens artikel 246 NPK opgestelde tenlastelegging dat er een proces zal plaatsvinden. Het is ook pas in dit stadium dat hij op de hoogte wordt gebracht van het feit dat de zaak kan worden berecht in zijn afwezigheid.
29 Volgens de verwijzende rechter is zowel artikel 423, lid 1, NPK als de rechtspraak van de Varhoven kasatsionen sad over deze bepaling onverenigbaar met artikel 8, lid 4, en artikel 9 van richtlijn 2016/343, aangezien zij personen die bij verstek zijn berecht het recht ontnemen op een nieuw proces hoewel niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van die richtlijn.
30 Bijgevolg wenst de verwijzende rechter, alvorens IR in voorkomend geval bij verstek te veroordelen, van het Hof aanvullende preciseringen te verkrijgen over de personele werkingssfeer van het recht op een nieuw proces. Indien uit deze preciseringen inderdaad zou blijken dat het Unierecht in de weg staat aan artikel 423, lid 1, NPK, moet ook worden uitgemaakt of de verwijzende rechter kan of zelfs moet weigeren uitspraak te doen in het tegen IR aanhangige verstekproces, teneinde te voorkomen dat nadien zijn recht op een eerlijk proces wordt geschonden.
31 In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat hij betrouwbare informatie heeft waaruit blijkt dat de Varhoven kasatsionen sad weigert IR’s recht op een nieuw proces te erkennen. Het gaat daarbij om het feit dat die hoogste rechterlijke instantie haar rechtspraak niet heeft aangepast na de uitspraak van het arrest van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde) (C‑569/20, EU:C:2022:401), en nog steeds weigert rekening te houden met richtlijn 2016/343.
32 In die omstandigheden heeft de Sofiyski gradski sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Is met artikel 9 juncto artikel 8, lid 4 respectievelijk lid 2, van richtlijn 2016/343 verenigbaar een nationale wet – artikel 423, lid 1, tweede zin, eerste alternatief, NPK – volgens welke een bij verstek veroordeelde verdachte geen recht heeft op een nieuw proces in zijn aanwezigheid wanneer hij is ondergedoken nadat hij in de meest ruime bewoordingen in kennis is gesteld van de beschuldiging in de voorbereidende fase van de strafprocedure en hij, juist wegens dit onderduiken, noch van de volledige tenlastelegging, noch van de gerechtelijke procedure die met deze tenlastelegging is ingeleid, noch van de gevolgen van zijn afwezigheid bij de terechtzitting in kennis is gesteld – waarbij hij ook geen recht heeft op een nieuw proces in zijn aanwezigheid indien hij wordt verdedigd door een ambtshalve aangewezen advocaat, zonder dat het uitmaakt dat hij geen contact heeft met deze advocaat? 2) Indien dit ontkennend wordt beantwoord: verplichten artikel 8 van richtlijn 2016/343 en artikel 47 van het Handvest de verwijzende rechter om, of staan deze bepalingen hem toe om, te weigeren de tenlastelegging tegen een dergelijke verdachte ten gronde te onderzoeken en een bij verstek tegen hem gericht vonnis te wijzen, wanneer het de verwijzende rechter op basis van betrouwbare informatie duidelijk is dat de betrokken hoogste nationale rechterlijke instantie, die bij uitsluiting bevoegd is om te beslissen op een verzoek van een bij verstek veroordeelde verdachte om een nieuw proces in zijn aanwezigheid, in casu dit verzoek zal afwijzen en de procedure niet zal hervatten aangezien zij niet de regeling van artikel 9 juncto artikel 8, lid 4 respectievelijk lid 2, van de richtlijn maar wel het nationale recht zal toepassen, en aldus aan de in zijn afwezigheid veroordeelde verdachte het door het Unierecht gewaarborgde recht om aanwezig te zijn bij de terechtzitting in strafprocedures zal worden ontnomen?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
33 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2016/343 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling waarbij een persoon die, nadat hij in de voorbereidende fase van de strafprocedure een jegens hem vastgestelde voorlopige tenlastelegging heeft ontvangen, onderduikt, waardoor de autoriteiten hem niet in persoon in kennis kunnen stellen van de definitieve tenlastelegging en evenmin van de datum en de plaats van de terechtzitting, die tijdens dat proces wordt verdedigd door een ambtshalve toegewezen advocaat waar hij geen contact mee heeft, en daardoor bij verstek wordt veroordeeld, geen recht heeft op een nieuw proces indien hij wordt gelokaliseerd en aangehouden met het oog op de strafuitvoering.
34 Er zij aan herinnerd dat richtlijn 2016/343 volgens artikel 1 ervan beoogt gemeenschappelijke minimumvoorschriften vast te stellen inzake bepaalde aspecten van strafprocedures, waaronder het „recht […] bij de terechtzitting aanwezig te zijn”. Zoals uitdrukkelijk wordt bevestigd in overweging 33 van deze richtlijn, maakt dit recht integrerend deel uit van het grondrecht op een eerlijk proces [arrest van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde), C‑569/20, EU:C:2022:401, punt 25].
35 Krachtens artikel 8 van richtlijn 2016/343 kunnen de lidstaten evenwel onder bepaalde voorwaarden bepalen dat een verstekprocedure kan plaatsvinden, met dien verstande dat wanneer een dergelijk proces wordt gevoerd ook al is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van die richtlijn, de betrokkene volgens artikel 8, lid 4, en artikel 9 van die richtlijn – die rechtstreekse werking hebben – recht heeft op „een nieuw proces, of een andere voorziening in rechte, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld […] en dat kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing” (hierna: „recht op een nieuw proces”) [zie in die zin arrest van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde), C‑569/20, EU:C:2022:401, punten 26‑28].
36 Hieruit volgt dat een bij verstek veroordeelde persoon slechts het recht op een nieuw proces kan worden onthouden indien is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2016/343 [arrest van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde), C‑569/20, EU:C:2022:401, punt 31].
37 Wanneer de betrokkene dus niet tijdig in kennis is gesteld van zijn terechtzitting of wanneer hij van de terechtzitting in kennis is gesteld maar niet van de gevolgen van zijn afwezigheid en hij op dat proces evenmin door een gemachtigde advocaat wordt vertegenwoordigd, heeft hij in beginsel vanaf het moment dat hij kennis krijgt van het verstekvonnis recht op een nieuw proces. Richtlijn 2016/343 verzet zich dus tegen een nationale regeling die dit recht uitsluit op de enkele grond dat de betrokkene is gevlucht en de autoriteiten er niet in zijn geslaagd hem te lokaliseren [zie in die zin arrest van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde), C‑569/20, EU:C:2022:401, punten 41‑47].
38 Zoals uit overweging 38 van die richtlijn voortvloeit, moet bij de beoordeling of de betrokkene in kennis is gesteld van de terechtzitting bijzondere aandacht worden besteed aan de zorgvuldigheid die de overheidsinstanties in acht hebben genomen bij de kennisgeving van de terechtzitting aan de betrokkene, enerzijds, en de zorgvuldigheid die de betrokkene heeft betracht om die informatie in ontvangst te nemen, anderzijds. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de betrokkene geen recht op een nieuw proces heeft wanneer er duidelijke en objectieve aanwijzingen zijn dat hij er officieel van in kennis is gesteld dat hij ervan wordt beschuldigd een strafbaar feit te hebben gepleegd en dus weet dat er tegen hem een proces zou worden gevoerd, maar met opzet vermijdt officieel in kennis te worden gesteld van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting. Zo kan worden vastgesteld dat er van dergelijke nauwkeurige en objectieve aanwijzingen sprake is wanneer de betrokkene vrijwillig een onjuist adres aan de in strafzaken bevoegde nationale autoriteiten heeft meegedeeld of zich niet meer bevindt op het door hem meegedeelde adres [arrest van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde), C‑569/20, EU:C:2022:401, punten 48‑50].
39 Indien in casu zou blijken dat de krachtens artikel 246 NPK opgestelde definitieve tenlastelegging en het document met de datum en de plaats van het proces zijn verstuurd naar – en daadwerkelijk zijn afgeleverd op – het adres dat IR na ontvangst van de in artikel 219 NPK bedoelde voorlopige tenlastelegging aan de met het onderzoek belaste autoriteiten heeft meegedeeld, zouden deze omstandigheden, indien de inhoud van de definitieve tenlastelegging met die van de voorlopige tenlastelegging overeenstemt wat de verweten feiten en de juridische kwalificatie ervan betreft, duidelijke en objectieve aanwijzingen kunnen vormen dat IR, die in kennis werd gesteld van de tenlastelegging tegen hem en die dus over voldoende informatie beschikte om te weten dat er tegen hem een proces zou worden gevoerd, door het adres dat hij aan de autoriteiten had meegedeeld te verlaten met de bedoeling om zich aan de berechting te onttrekken, heeft verhinderd dat die autoriteiten hem tijdig officieel in kennis hebben gesteld van de terechtzitting [zie in die zin arrest van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde), C‑569/20, EU:C:2022:401, punt 58].
40 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat het tijdens de onderzoeksfase van de strafprocedure nog niet zeker is dat de voorlopige tenlastelegging waarvan de betrokkene kennis heeft genomen, zal worden gevolgd door een definitieve tenlastelegging en dus door een proces. Om te beginnen volgt immers uit de bewoordingen zelf van de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2016/343 dat de in deze artikelen vastgestelde gemeenschappelijke minimumvoorschriften zowel voor „verdachten” als voor „beklaagden” gelden. Deze voorschriften gelden dus ook voor personen die ervan worden verdacht een strafbaar feit te hebben begaan, ook al worden zij nog niet formeel vervolgd.
41 In het licht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarmee blijkens de overwegingen 47 en 48 van richtlijn 2016/343 rekening moet worden gehouden bij de uitlegging van deze richtlijn, volstaat het voorts, voor de vaststelling dat de betrokkene zich opzettelijk aan de berechting heeft onttrokken door te vluchten terwijl hij over informatie beschikte waardoor hij kon weten dat er tegen hem een proces zou worden gevoerd, dat uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat hij is gevlucht nadat hij heeft begrepen dat zijn zaak hoogstwaarschijnlijk voor een rechter zou worden gebracht (EHRM, 26 januari 2017, Lena Atanasova tegen Bulgarije, CE:ECHR:2017:0126JUD 005200907, § 48).
42 Bijgevolg mogen de lidstaten in dergelijke omstandigheden ervan uitgaan dat de tijdige verzending door de bevoegde autoriteiten van het officiële document met daarin de datum en de plaats van de terechtzitting naar het adres dat de betrokkene tijdens het onderzoek van de zaak aan die autoriteiten heeft meegedeeld, en het bewijs dat dit document daadwerkelijk op dat adres is afgegeven, gelijkstaan met de kennisgeving aan die persoon, die is ondergedoken, van die datum en plaats overeenkomstig artikel 8, lid 2, van richtlijn 2016/343. Dit kan echter alleen het geval zijn als die autoriteiten redelijke inspanningen hebben geleverd om de betrokkene te lokaliseren en hem persoonlijk op te roepen of hem anderszins officieel in kennis te stellen van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting, zoals bedoeld in overweging 36 van die richtlijn. In dat geval wordt de betrokkene geacht in kennis te zijn gesteld van de terechtzitting en vrijwillig en ondubbelzinnig afstand te hebben gedaan van zijn recht om bij die terechtzitting aanwezig te zijn [zie in die zin arrest van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde), C‑569/20, EU:C:2022:401, punt 48].
43 Daarnaast moet worden benadrukt dat zelfs wanneer de betrokkene aldus wordt geacht in kennis te zijn gesteld van de terechtzitting en vrijwillig en ondubbelzinnig te hebben afgezien van de uitoefening van zijn recht om daar aanwezig te zijn, hij, opdat aan alle voorwaarden van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2016/343 is voldaan, ook nog tijdig in kennis moet zijn gesteld van de gevolgen van zijn afwezigheid [artikel 8, lid 2, onder a)] of moet zijn vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat [artikel 8, lid 2, onder b)].
44 In casu blijkt, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, dat artikel 423, lid 1, NPK tot gevolg heeft dat personen die vluchten na een krachtens artikel 219 NPK uitgevaardigde voorlopige tenlastelegging te hebben ontvangen, het recht op een nieuw proces verliezen, zonder dat artikel 423, lid 1, vereist dat wordt onderzocht of de betrokkene, in het licht van alle relevante omstandigheden en met name die welke worden vermeld in de punten 39 en 42 van het onderhavige arrest, enerzijds kan worden geacht door de bevoegde autoriteiten in kennis te zijn gesteld van de terechtzitting, en anderzijds door die autoriteiten in kennis is gesteld van de gevolgen van zijn afwezigheid bij dat proces dan wel tijdens dat proces werd vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat.
45 De nationale rechterlijke instanties dienen na te gaan of artikel 423, lid 1, NPK niettemin aldus kan worden uitgelegd dat de daarin bepaalde uitsluiting van het recht op een nieuw proces kan worden beperkt tot de gevallen waarin alle voorwaarden van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2016/343 zijn vervuld. Wanneer het onmogelijk is om de Bulgaarse wetgeving in overeenstemming met de vereisten van het Unierecht uit te leggen en aangezien, zoals in punt 35 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, artikel 8, lid 4, en artikel 9 van die richtlijn rechtstreekse werking hebben, dienen die rechterlijke instanties elke met die Unierechtelijke bepalingen strijdige nationale bepaling buiten toepassing te laten, zonder dat zij de voorafgaande opheffing van die nationale bepaling hoeven te vragen of af te wachten [zie naar analogie arrest van 21 oktober 2021, ZX (Regularisatie van het geschrift dat de tenlastelegging bevat), C‑282/20, EU:C:2021:874, punten 40 en 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
46 In dat geval zou de verwijzende rechter, zoals blijkt uit de punten 82 tot en met 85 van het vandaag gewezen arrest in zaak C‑400/23, VB II, zelf kunnen onderzoeken of in casu al dan niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2016/343.
47 Wat in dit verband de vraag betreft of IR kan worden geacht in kennis te zijn gesteld van de terechtzitting en vrijwillig en ondubbelzinnig afstand te hebben gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn op dat proces, dient te verwijzende rechter zich te baseren op de aanwijzingen in punt 58 van het arrest van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde) (C‑569/20, EU:C:2022:401), die in de punten 39 en 42 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht en worden verduidelijkt.
48 Voorts blijkt uit de informatie in het verzoek om een prejudiciële beslissing dat IR in zijn verstekprocedure wordt vertegenwoordigd door een ambtshalve toegevoegde advocaat die geen enkel contact met hem heeft. In die omstandigheden lijkt IR, zoals is opgemerkt in punt 56 van het arrest van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde) (C‑569/20, EU:C:2022:401), onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, niet te worden vertegenwoordigd door een „gemachtigde advocaat” in de zin van artikel 8, lid 2, onder b), van richtlijn 2016/343. Bijgevolg moet de vraag of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van deze richtlijn, in casu worden onderzocht in het licht van artikel 8, lid 2, onder a).
49 Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of IR overeenkomstig deze bepaling tijdig in kennis is gesteld van de gevolgen van zijn afwezigheid.
50 In dit verband lijkt het erop, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, dat, terwijl uit artikel 247 c, lid 1, NPK voortvloeit dat de betekening van de in artikel 246 NPK genoemde tenlastelegging er met name toe strekt de beklaagde ervan in kennis te stellen dat de zaak kan worden berecht in zijn afwezigheid, inzonderheid indien hij zich niet op het door hem opgegeven adres bevindt of van adres is veranderd zonder de bevoegde autoriteiten daarvan op de hoogte te brengen, geen dergelijke verplichting geldt voor de voorlopige tenlastelegging waarin artikel 219 NPK voorziet.
51 Indien zou komen vast te staan dat IR niet op de hoogte is gebracht van het feit dat hij, indien hij zich aan de met het onderzoek belaste autoriteiten zou onttrekken of een onjuist adres voor de eventuele betekening van de in artikel 246 NPK bedoelde tenlastelegging aan hen zou meedelen, dreigde te worden berecht in zijn afwezigheid, zou de verwijzende rechter tot de slotsom moeten komen dat in casu niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2016/343.
52 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2016/343 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling waarbij een persoon die, nadat hij in de voorbereidende fase van de strafprocedure een jegens hem vastgestelde voorlopige tenlastelegging heeft ontvangen, onderduikt, waardoor de autoriteiten hem niet in persoon in kennis kunnen stellen van de definitieve tenlastelegging en evenmin van de datum en de plaats van de terechtzitting, en die daardoor bij verstek wordt veroordeeld, geen recht heeft op een nieuw proces indien hij wordt gelokaliseerd en aangehouden met het oog op de strafuitvoering, mits die regeling deze uitsluiting van het recht op een nieuw proces beperkt tot personen die in het licht van alle relevante omstandigheden enerzijds kunnen worden geacht in kennis te zijn gesteld van de terechtzitting en die anderzijds tijdens de verstekprocedure zijn vertegenwoordigd door een door hen gemachtigde advocaat of, indien dat niet geval was, tijdig ervan in kennis zijn gesteld dat zij, indien zij zich aan de berechting zouden onttrekken, dreigden te worden berecht in hun afwezigheid.
Tweede vraag
53 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 8 van richtlijn 2016/343 en artikel 47 van het Handvest, gelet op het feit dat de Varhoven kasatsionen sad geen rekening wil houden met deze richtlijn, aldus moeten worden uitgelegd dat een strafrechter mag of moet weigeren de tenlastelegging tegen de beklaagde ten gronde te onderzoeken en een verstekvonnis tegen hem te wijzen, teneinde te vermijden dat de betreffende hoogste cassatierechter – die in gevallen als dat in het hoofdgeding bij uitsluiting bevoegd is om verzoeken om een nieuw proces te behandelen – vervolgens zijn verzoek om een nieuw proces ten onrechte afwijst.
54 Zoals blijkt uit de in punt 45 van dit arrest aangehaalde rechtspraak, moeten de nationale rechterlijke instanties, wanneer de nationale regeling niet in overeenstemming met artikel 8, lid 4, en artikel 9, van richtlijn 2016/343 kan worden uitgelegd, elke met deze Unierechtelijke bepalingen strijdige nationale bepaling buiten toepassing laten, zonder de voorafgaande opheffing van die nationale bepaling te hoeven vragen of afwachten.
55 In dat geval moeten de nationale rechterlijke instanties, waaronder de betreffende hoogste cassatierechter in geval van indiening van een verzoek om een nieuw proces, zich dus baseren op de gemeenschappelijke minimumvoorschriften van artikel 8, lid 4, en artikel 9 van richtlijn 2016/343, die, zoals in punt 35 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, rechtstreekse werking hebben.
56 Voor zover de verwijzende rechter in het verzoek om een prejudiciële beslissing aangeeft dat uit de rechtspraak van de Varhoven kasatsionen sad met zekerheid voortvloeit dat deze laatste weigert rekening te houden met richtlijn 2016/343, moet worden geconstateerd dat de verwijzende rechter zich, gezien de centrale plaats die deze vaststelling in de tweede prejudiciële vraag inneemt, baseert op de – overigens ook in het verzoek om een prejudiciële beslissing aangegeven – premisse dat uit het arrest van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde) (C‑569/20, EU:C:2022:401), volgt dat richtlijn 2016/343 zich verzet tegen artikel 423, lid 1, NPK.
57 Volgens de redenering van de verwijzende rechter blijkt de weigering van de Varhoven kasatsionen sad om rekening te houden met deze richtlijn namelijk uit het feit dat deze laatste zijn rechtspraak sinds de uitspraak van dat arrest van het Hof niet heeft aangepast en artikel 423, lid 1, NPK nog steeds toepast zonder op grond van de in die richtlijn vastgestelde gemeenschappelijke minimumvoorschriften af te wijken van de bewoordingen van die bepaling.
58 In het arrest van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde) (C‑569/20, EU:C:2022:401), heeft het Hof zich evenwel niet uitgesproken over de vraag of richtlijn 2016/343 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale bepaling als artikel 423, lid 1, NPK, die tot gevolg zou hebben dat personen die vluchten nadat zij een voorlopige tenlastelegging hebben ontvangen, geen recht op een nieuw proces meer hebben. Pas in het onderhavige arrest, dat aanvullende uitleggingsgegevens bevat ten opzichte van die in het arrest van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde) (C‑569/20, EU:C:2022:401), verstrekt het Hof nadere aanwijzingen die de Bulgaarse rechterlijke instanties hulp moeten bieden bij hun beoordeling of de specifieke nadere voorschriften van de procedureregeling waarin de NPK voorziet, zich verdragen met de voormelde richtlijn.
59 Bijgevolg getuigt het feit dat de Varhoven kasatsionen sad tot op heden artikel 423, lid 1, NPK is blijven toepassen zonder van de bewoordingen van deze bepaling af te wijken teneinde voorrang te geven aan de gemeenschappelijke minimumvoorschriften van richtlijn 2016/343, niet noodzakelijkerwijs van een weigering om rekening te houden met deze richtlijn, maar blijkt daaruit mogelijkerwijs de overtuiging van die hoogste rechterlijke instantie – die zij in het licht van de door het Hof in het onderhavige arrest verstrekte aanwijzingen zou moeten herbekijken – dat die bepaling van de NPK die richtlijn correct ten uitvoer legt.
60 Aldus is de lezing van de verwijzende rechter van het arrest van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde) (C‑569/20, EU:C:2022:401), waarop zijn vaststelling is gebaseerd dat de Varhoven kasatsionen sad weigert rekening te houden met richtlijn 2016/343, onjuist. Aangezien deze vaststelling van de verwijzende rechter berust op een onjuiste premisse, is de tweede prejudiciële vraag hypothetisch en bijgevolg niet-ontvankelijk (zie naar analogie onder meer arrest van 24 juli 2023, Lin,C‑107/23 PPU, EU:C:2023:606, punt 69).
Kosten
61 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
De artikelen 8 en 9 van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling waarbij een persoon die, nadat hij in de voorbereidende fase van de strafprocedure een jegens hem vastgestelde voorlopige tenlastelegging heeft ontvangen, onderduikt, waardoor de autoriteiten hem niet in persoon in kennis kunnen stellen van de definitieve tenlastelegging en evenmin van de datum en de plaats van de terechtzitting, en die daardoor bij verstek wordt veroordeeld, geen recht heeft op een nieuw proces indien hij wordt gelokaliseerd en aangehouden met het oog op de strafuitvoering, mits die regeling deze uitsluiting van het recht op een nieuw proces beperkt tot personen die in het licht van alle relevante omstandigheden enerzijds kunnen worden geacht in kennis te zijn gesteld van de terechtzitting en die anderzijds tijdens de verstekprocedure zijn vertegenwoordigd door een door hen gemachtigde advocaat of, indien dat niet geval was, tijdig ervan in kennis zijn gesteld dat zij, indien zij zich aan de berechting zouden onttrekken, dreigden te worden berecht in hun afwezigheid.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Bulgaars.
( i ) De naam van de onderhavige zaak is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.