HvJ EU 27 februari 2025, C-454/23, ECLI:EU:C:2025:114

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

27 februari 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Asielbeleid – Internationale bescherming – Richtlijn 2011/95/EU – Vluchtelingenstatus – Artikel 14, lid 4, onder a), en lid 5 – Intrekking van de vluchtelingenstatus of weigering om deze status te verlenen wanneer er sprake is van een gevaar voor de veiligheid van de lidstaat van ontvangst – Gedrag en feiten die dateren van voor de binnenkomst van de verzoeker op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst – Toelaatbaarheid – Geldigheid – Artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 78, lid 1, VWEU – Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (‚Verdrag van Genève’)”

In zaak C‑454/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Dioikitiko Dikastirio Diethnous Prostasias (bestuursrechter inzake internationale bescherming, Cyprus) bij beslissing van 19 juni 2023, ingekomen bij het Hof op 18 juli 2023, in de procedure

Κ.Α.Μ.

tegen

Republiek Cyprus,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, D. Gratsias (rapporteur), E. Regan, J. Passer en B. Smulders, rechters,

advocaat-generaal: L. Medina,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Κ.Α.Μ., vertegenwoordigd door N. Charalambidou, dikigoros,

– de Republiek Cyprus, vertegenwoordigd door F. Sotiriou en E. Symeonidou als gemachtigden,

– de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door J. Möller en R. Kanitz als gemachtigden,

– het Europees Parlement, vertegenwoordigd door I. Anagnostopoulou en R. van de Westelaken als gemachtigden,

– de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Balta, M. Moore en K. Pleśniak als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Adamopoulos, A. Azéma, F. Blanc, J. Hottiaux en A. Katsimerou als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft, ten eerste, de uitlegging van artikel 12 en artikel 14, lid 4, onder a), van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9), alsook artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en, ten tweede, de geldigheid van dat artikel 14, lid 4, onder a), in het licht van artikel 78, lid 1, VWEU en artikel 18 van het Handvest.

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen K.A.M. en de Republiek Cyprus, vertegenwoordigd door de Ypiresia Asylou (asieldienst, Cyprus), betreffende de afwijzing door deze dienst van het verzoek van K.A.M. om verlening van de vluchtelingenstatus op grond dat hij een gevaar vormde voor de veiligheid van die lidstaat.

Toepasselijke bepalingen

Internationaal recht

3 Artikel 1, met als opschrift „Definitie van de term ‚vluchteling’”, van het op 28 juli 1951 te Genève ondertekende Verdrag betreffende de status van vluchtelingen [United Nations Treaty Series, deel 189, blz. 150, nr. 2545 (1954)], dat op 22 april 1954 in werking is getreden, zoals aangevuld door het op 31 januari 1967 te New York gesloten Protocol betreffende de status van vluchtelingen, dat op zijn beurt in werking is getreden op 4 oktober 1967 (hierna: „Verdrag van Genève”), bepaalt onder F: „De bepalingen van [het Verdrag van Genève] zijn niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat: a) hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen; b) hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten; c) hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.”

4 Artikel 33 van dit Verdrag, met als opschrift „Verbod tot uitzetting of terugleiding (‚refoulement’)”, luidt als volgt: „1. Geen der verdragsluitende staten zal, op welke wijze ook, een vluchteling uitzetten of terugleiden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging. 2. Op de voordelen van deze bepaling kan evenwel geen aanspraak worden gemaakt door een vluchteling ten aanzien van wie er ernstige redenen bestaan hem te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van het land waar hij zich bevindt, of die, bij gewijsde veroordeeld wegens een bijzonder ernstig misdrijf, een gevaar oplevert voor de gemeenschap van dat land.”

Unierecht

5 In de overwegingen 21, 31 en 37 van richtlijn 2011/95 staat te lezen: „(21) De erkenning van de vluchtelingenstatus heeft declaratoire kracht. […] (31) Handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties zijn omschreven in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties, en zijn onder andere neergelegd in de resoluties van de Verenigde Naties betreffende maatregelen ter bestrijding van het terrorisme, waarin wordt verklaard dat ‚terroristische daden, methoden en werkwijzen strijdig zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties’, en dat ‚het doelbewust financieren en plannen van en het aanzetten tot terroristische daden eveneens strijdig zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties’. […] (37) Het begrip nationale veiligheid en openbare orde heeft ook betrekking op gevallen waarin een onderdaan van een derde land behoort tot een vereniging die steun verleent aan het internationale terrorisme of een dergelijke vereniging steunt.”

6 Artikel 2 („Definities”) van deze richtlijn bepaalt: „In deze richtlijn gelden de volgende definities: […] d) ‚vluchteling’: een onderdaan van een derde land die zich wegens een gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, wegens deze vrees, niet wil inroepen, dan wel een staatloze die zich om dezelfde reden buiten het land bevindt waar hij vroeger gewoonlijk verbleef en daarheen niet kan, dan wel wegens genoemde vrees niet wil terugkeren, en op wie artikel 12 niet van toepassing is; […]”

7 Hoofdstuk II van deze richtlijn, met als opschrift „Beoordeling van verzoeken om internationale bescherming”, bevat de artikelen 4 tot en met 8 en noemt de elementen die relevant zijn om de behoefte aan internationale bescherming van de aanvrager vast te stellen. Hoofdstuk III van deze richtlijn, met als opschrift „Voorwaarden voor het verkrijgen van de vluchtelingenstatus”, bevat de artikelen 9 tot en met 12 en somt de voor de hoedanigheid van vluchteling geldende criteria op.

8 Artikel 12 van richtlijn 2011/95, met als opschrift „Uitsluiting”, bepaalt in lid 2: „Een onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat: a) hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven; b) hij buiten het land van toevlucht een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten, dat wil zeggen de afgifte van een verblijfstitel op grond van de toekenning van de vluchtelingenstatus; bijzonder wrede handelingen kunnen, zelfs indien zij met een beweerd politiek oogmerk zijn uitgevoerd, als ernstige, niet-politieke misdrijven aangemerkt worden; c) hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties.”

9 Artikel 13 („Verlening van de vluchtelingenstatus”) van deze richtlijn luidt als volgt: „De lidstaten verlenen de vluchtelingenstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en III als vluchteling wordt erkend.”

10 Artikel 14 van deze richtlijn, met als opschrift „Intrekking, beëindiging of weigering tot verlenging van de vluchtelingenstatus”, bepaalt in de leden 4 tot en met 6: „4. De lidstaten kunnen de door een regerings-, administratieve, rechterlijke of quasi-rechterlijke instantie aan een vluchteling verleende status intrekken, beëindigen of weigeren te verlengen wanneer: a) er goede redenen bestaan om hem te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van de lidstaat waar hij zich bevindt; b) hij een gevaar vormt voor de samenleving van die lidstaat, omdat hij definitief veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf. 5. De lidstaten mogen onder de in lid 4 omschreven omstandigheden besluiten geen status te verlenen aan een vluchteling wanneer nog geen besluit in die zin is genomen. 6. Personen op wie lid 4 of lid 5 van toepassing is, genieten de rechten die zijn vastgelegd in de artikelen 3, 4, 16, 22, 31, 32 en 33 van het Verdrag van Genève of daarmee vergelijkbare rechten, voor zover zij in de lidstaat aanwezig zijn.”

11 Artikel 21 („Bescherming tegen refoulement”) van die richtlijn luidt als volgt: „1. De lidstaten eerbiedigen het beginsel van non-refoulement met inachtneming van hun internationale verplichtingen. 2. Wanneer dit op grond van de in lid 1 genoemde internationale verplichtingen niet verboden is, mogen de lidstaten een al dan niet formeel erkende vluchteling uitzetten of terugleiden wanneer: a) er goede redenen bestaan om hem te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van de lidstaat waar hij zich bevindt; of b) hij een gevaar vormt voor de samenleving van die lidstaat, omdat hij definitief veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf. 3. De lidstaten mogen de verblijfstitel van een vluchteling op wie lid 2 van toepassing is, intrekken, beëindigen of weigeren te verlengen of te verstrekken.”

12 Artikel 24 („Verblijfstitels”) van richtlijn 2011/95 bepaalt in lid 1: „Zo spoedig mogelijk nadat internationale bescherming is verleend en zonder dat afbreuk wordt gedaan aan artikel 21, lid 3, verstrekken de lidstaten aan personen met de vluchtelingenstatus een verblijfstitel die ten minste drie jaar geldig is en kan worden verlengd, tenzij dwingende redenen van nationale veiligheid of openbare orde zich daartegen verzetten.”

Cypriotisch recht

13 Artikel 5 van de Peri Prosfygon Nómos van 2000 (vluchtelingenwet van 2000) [EE, bijlage 6 (I), nr. 3383, 28.1.2000, blz. 1], zoals gewijzigd (hierna: „vluchtelingenwet”), heeft als opschrift „Uitsluiting van de verzoeker” en luidt als volgt: „1) De verzoeker wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus: […] c) wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat: i) hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de internationale overeenkomsten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven, of ii) hij in een ander land een ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd alvorens hem een verblijfstitel werd verleend op basis van de erkenning van de vluchtelingenstatus; in het kader van dit punt omvat het begrip ernstig niet-politiek misdrijf buitengewoon wrede handelingen, zelfs indien zij werden gepleegd met een beweerd politiek oogmerk, of iii) hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties, of iv) hij aanstichter is van, of anderszins betrokken is bij, een van de in de punten i) tot en met iii) genoemde misdrijven of daden. […]”

14 Artikel 6A van de vluchtelingenwet bepaalt: „1) De hoedanigheid van vluchteling wordt ingetrokken wanneer het hoofd van de [asieldienst]: […] c) van oordeel is dat de betrokkene om goede redenen een gevaar vormt voor de veiligheid van de Republiek; of d) van oordeel is dat de betrokkene een gevaar vormt voor de Cypriotische samenleving omdat hij definitief is veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf. 1A) Wanneer een verzoek wordt ingediend door een persoon die onder een van de in lid 1, onder c) en d), bedoelde categorieën valt, wijst het hoofd van de [asieldienst] het verzoek tot toekenning van de vluchtelingenstatus bij besluit af. 2) Indien het hoofd van de [asieldienst], na het dossier te hebben onderzocht door naar analogie de in artikel 13 bedoelde gewone procedure voor de behandeling van verzoeken toe te passen, vaststelt dat aan een van de in lid 1 bedoelde voorwaarden is voldaan, trekt hij de vluchtelingenstatus van de betrokkene in middels een schriftelijk en met redenen omkleed besluit, waarin hij de feitelijke en juridische gronden vermeldt waarop dit besluit is gebaseerd; hij stelt de betrokkene tevens in kennis van diens recht om beroep in te stellen tegen dit besluit […]. […] 5) Personen op wie de bepalingen van lid 1, onder b), of lid 1A, van toepassing zijn, genieten, zolang zij zich bevinden in de door de regering van de Republiek gecontroleerde gebieden, de rechten bedoeld in de artikelen 3, 4, 16, 22, 31, 32 en 33 van het [Verdrag van Genève].”

15 Artikel 29 van de vluchtelingenwet, met als opschrift „Uitzetting van personen die internationale bescherming genieten”, bepaalt: „1) Het hoofd van de [asieldienst] is bevoegd om te beslissen over de uitzetting van een persoon die internationale bescherming geniet: a) als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de betrokkene een gevaar vormt voor de veiligheid van de Republiek; […] […] 4) Het is verboden om tegen een vluchteling een uitzettingsbevel uit te vaardigen […] naar een land waar zijn leven of vrijheid in gevaar zou komen of die persoon het risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen of aan vernederende of onmenselijke behandelingen of bestraffingen, of vervolging op grond van zijn geslacht, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde gemeenschap, zijn politieke overtuiging, een gewapend conflict of een milieuramp. […] 6) Personen op wie de bepalingen van lid 1 van toepassing zijn, genieten, zolang zij zich bevinden op de door de regering van de Republiek gecontroleerde gebieden, de rechten bedoeld in de artikelen 3, 4, 16, 22, 31, 32 en 33 van het [Verdrag van Genève].”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

16 Verzoeker in het hoofdgeding, K.A.M., is een Marokkaanse staatsburger die op 29 december 2018 illegaal het grondgebied van de Republiek Cyprus is binnengekomen. Hij heeft op 10 januari 2019 bij de asieldienst een verzoek om internationale bescherming ingediend.

17 Op 28 januari 2019 heeft de Grafeio Katapolemisis tis Tromokratias (dienst voor terrorismebestrijding, Cyprus) de asieldienst een vertrouwelijke brief gestuurd waarin werd gesteld dat verzoeker in het hoofdgeding gevaarlijk is.

18 Volgens de gegevens die verzoeker in het hoofdgeding ter kennis zijn gebracht en die hij aanhaalt in zijn schriftelijke opmerkingen voor het Hof, vermeldt deze brief ten eerste dat de door de autoriteiten van de Republiek Cyprus verkregen informatie hem identificeerde als een persoon die operationele activiteiten verrichtte ten behoeve van een terroristische groepering, ten tweede dat hij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, met name over zijn reizen voorafgaand aan zijn binnenkomst op het nationale grondgebied, en ten derde dat verzoeker in het hoofdgeding in aanraking was gekomen met de Belgische, de Spaanse en de Franse politieautoriteiten wegens verschillende strafbare feiten en had gedreigd met een bomaanslag op de Belgische ambassade in Marokko.

19 Op 16 april 2019 heeft de asieldienst verzoeker in het hoofdgeding meegedeeld dat zijn verzoek om internationale bescherming was afgewezen. In dit verband heeft deze dienst „vastgesteld dat er ernstige redenen [waren] om aan te nemen dat indien [K.A.M.] naar Marokko [zou] terugkeren, hij zowel door de autoriteiten van dat land als door de samenleving ernstig [zou] worden vervolgd” wegens zijn opvattingen, en is die dienst tot de slotsom gekomen dat „uit bovengenoemde beweringen van [K.A.M.] [bleek] dat ten aanzien van hem de subjectieve en objectieve elementen aanwezig [waren] om aan te tonen dat hij zijn land [was] ontvlucht en dat hij daar niet naartoe [wilde] terugkeren uit gegronde vrees voor vervolging op een van de in artikel 3, lid 1, van de vluchtelingenwetten van 2000 en 2018 genoemde gronden”. Omdat de bevoegde autoriteiten de betrokkene als een gevaar voor de Cypriotische samenleving en voor de veiligheid van de Republiek Cyprus beschouwden, heeft deze dienst evenwel geoordeeld dat aan de voorwaarden van artikel 6A, lid 1, onder c), en artikel 6A, lid 1A, van de vluchtelingenwet was voldaan en bijgevolg geweigerd om hem de vluchtelingenstatus te verlenen.

20 Verzoeker in het hoofdgeding heeft diezelfde dag bij de Anatheoritiki Archi Prosfygon (bezwaarinstantie voor vluchtelingenzaken, Cyprus; hierna: „bezwaarinstantie”) bezwaar aangetekend tegen dat besluit. Deze instantie heeft genoemd besluit op 30 juli 2019 bevestigd. De bezwaarinstantie heeft namelijk om soortgelijke redenen als die van dit besluit geoordeeld dat „zijn vluchtelingenstatus [moest] worden ingetrokken overeenkomstig artikel 6A, lid 1, onder c), en artikel 6A, lid 1A, van de vluchtelingenwetten van 2000 en 2018”.

21 Op 14 oktober 2019 heeft verzoeker in het hoofdgeding bij de Dioikitiko Dikastirio Diethnous Prostasias (bestuursrechter inzake internationale bescherming, Cyprus), de verwijzende rechter, beroep ingesteld tot nietigverklaring van de beslissing van de bezwaarinstantie van 30 juli 2019.

22 In het kader van dit beroep betoogt verzoeker in het hoofdgeding in wezen dat de verwijzende rechter het Hof een prejudiciële vraag moet stellen om te bepalen of artikel 14, lid 4, onder a), van richtlijn 2011/95 aldus kan worden uitgelegd dat deze bepaling toestaat dat de vluchtelingenstatus wordt ingetrokken wegens gedragingen van de vluchteling in het verleden of wegens handelingen die de vluchteling vóór zijn binnenkomst in het land van bescherming en buiten dat land zou hebben verricht, die niet vallen onder de gronden voor uitsluiting van de vluchtelingenstatus en onder artikel 33 van het Verdrag van Genève kunnen vallen als gedragingen in het verleden die dateren van vóór de binnenkomst van de betrokkene in het land van bescherming, en, indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, of een dergelijke uitlegging van die bepaling een uitbreiding betekent van de uitputtende lijst van gevallen waarin het krachtens het Verdrag van Genève geoorloofd is om het vluchtelingenstatuut uit te sluiten.

23 De Republiek Cyprus betwist voor de verwijzende rechter de relevantie van de door verzoeker in het hoofdgeding voorgestelde vragen voor de beslechting van het hoofdgeding en betoogt bovendien dat het begrip „gevaar voor de veiligheid van de staat” reeds door het Hof is uitgelegd en dat nationale veiligheidsvraagstukken tot de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten behoren.

24 De verwijzende rechter merkt om te beginnen op dat partijen in het hoofdgeding het erover eens zijn dat de feiten die ten grondslag liggen aan de weigering om verzoeker in het hoofdgeding de vluchtelingenstatus te verlenen, verband houden met gedragingen of handelingen die hij in het verleden heeft verricht vóór zijn binnenkomst op het nationale grondgebied.

25 Vervolgens merkt deze rechter op dat het Hof weliswaar reeds soortgelijke vragen zijn voorgelegd als die welke in de onderhavige zaak aan de orde zijn, maar het deze laatste vragen nog niet specifiek heeft beantwoord.

26 In dit verband merkt de verwijzende rechter ten eerste op dat het Hof in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 14 mei 2019, M e.a. (Intrekking van de vluchtelingenstatus) (C‑391/16, C‑77/17 en C‑78/17, EU:C:2019:403), de vraag diende te beantwoorden of de bepalingen van richtlijn 2011/95 – in het bijzonder artikel 14, leden 4 tot en met 6, op grond waarvan de lidstaten de vluchtelingenstatus kunnen intrekken of weigeren te verlenen – een beëindigings- of uitsluitingsgrond vormden die niet in het Verdrag van Genève is opgenomen, en of deze bepalingen geldig waren in het licht van de bepalingen van het Handvest en het VWEU die voorschrijven dat het asielbeleid van de Europese Unie in overeenstemming moet zijn met het Verdrag van Genève.

27 Voorts merkt de verwijzende rechter op dat het Hof in dat arrest heeft geoordeeld dat deze bepalingen geldig zijn en meer bepaald heeft benadrukt dat de intrekking van de vluchtelingenstatus en de weigering om deze status te verlenen niet tot gevolg hebben dat een persoon die gegronde vrees heeft om in zijn land van herkomst te worden vervolgd, de vluchtelingstatus wordt ontnomen of hem de rechten worden ontnomen die het Verdrag van Genève aan die status verbindt, waardoor het begrip „vluchtelingenstatus” in de zin van het Verdrag van Genève moet worden onderscheiden van het begrip „vluchtelingenstatus” zoals dit is gedefinieerd in richtlijn 2011/95.

28 Ten tweede stelt de verwijzende rechter vast dat het Hof in de punten 100 tot en met 105 van het arrest van 9 november 2010, B en D (C‑57/09 en C‑101/09, EU:C:2010:661), heeft geoordeeld dat de uitsluitingsgronden van artikel 12, lid 2, onder b) en c), van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PB 2004, L 304, blz. 12), die bij richtlijn 2011/95 is herschikt, bedoeld zijn om daden uit het verleden te bestraffen, maar ook heeft gepreciseerd dat elk actueel gevaar dat een vluchteling voor de betrokken lidstaat kan opleveren, niet in het kader van deze bepaling, maar in het kader van artikel 14, lid 4, onder a), of artikel 21, lid 2, van deze richtlijn in aanmerking kan worden genomen.

29 In deze omstandigheden heeft de Dioikitiko Dikastirio Diethnous Prostasias de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Kan artikel 14, lid 4, onder a), van richtlijn [2011/95], volgens hetwelk de vluchtelingenstatus kan worden ingetrokken wanneer er goede redenen bestaan om de vluchteling te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van de bescherming verlenende staat, in het licht van artikel 78, lid 1, VWEU, het [Verdrag van Genève] en artikel 18 van het [Handvest], dat betrekking heeft op het recht van asiel, aldus worden uitgelegd dat het toestaat dat de vluchtelingenstatus wordt ingetrokken op grond van gedragingen in het verleden of vermeende daden die de vluchteling heeft verricht voordat hij de bescherming verlenende staat binnenkwam, die zich hebben voorgedaan buiten die staat en die niet vallen onder de gedragingen die een reden zijn voor uitsluiting van de vluchtelingenstatus, gelet op [artikel 1, onder F, van het Verdrag van Genève] en artikel 12 van richtlijn 2011/95, die betrekking hebben op uitsluiting en uitdrukkelijk bepalen op welke gronden iemand van de vluchtelingenstatus kan worden uitgesloten? 2) Indien [de eerste vraag] bevestigend wordt beantwoord: is artikel 14, lid 4, onder a), [van richtlijn 2011/95] bij die uitlegging verenigbaar met artikel 18 van het Handvest en met artikel 78, lid 1, VWEU, volgens welke met name het afgeleide Unierecht in overeenstemming moet zijn met het Verdrag van Genève, waarbij de uitsluitingsclausule die is vastgesteld in [artikel 1, onder F, ervan] uitputtend is geformuleerd en restrictief moet worden uitgelegd? 3) Hoe moet het begrip ‚gevaar voor de veiligheid van de lidstaat’ worden uitgelegd in het kader van de toepassing van artikel 14, lid 4, onder a), van richtlijn [2011/95], gelet op de bijzonder hoge standaard die voor dit begrip is vastgesteld in artikel 33, lid 2, van het Verdrag van Genève en de ernstige gevolgen voor de vluchteling wiens status wordt ingetrokken, en kan op grond van dit artikel in het bijzonder een beoordeling plaatsvinden van het gevaar in verband met vermeende daden of gedragingen die zich voorafgaand aan de binnenkomst in de bescherming verlenende staat hebben voorgedaan? Kan het begrip ‚gevaar voor de veiligheid van de lidstaat’ in het kader van de toepassing van artikel 14, lid 4, onder a), van richtlijn [2011/95] betrekking hebben op daden of gedragingen van de vluchteling die zich buiten die staat hebben voorgedaan?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Opmerkingen vooraf

30 Volgens vaste rechtspraak heeft het Hof in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking met de nationale rechterlijke instanties tot taak om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren (arrest van 5 december 2023, Nordic Info,C‑128/22, EU:C:2023:951, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31 Vooraf zij eraan herinnerd dat, overeenkomstig de vereisten van zowel de eenvormige toepassing van het Unierecht als het gelijkheidsbeginsel, de bewoordingen van Unierechtelijke bepalingen die – zoals artikel 14, leden 4 en 5, van richtlijn 2011/95 – voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijzen, normaliter in de gehele Unie autonoom en uniform moeten worden uitgelegd [zie naar analogie arrest van 6 juli 2023, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Bijzonder ernstig misdrijf), C‑402/22, EU:C:2023:543, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

32 In dit verband blijkt uitdrukkelijk uit de bewoordingen van artikel 14, lid 4, van die richtlijn dat de intrekking van de vluchtelingenstatus impliceert dat deze status vooraf „door een regerings-, administratieve, rechterlijke of quasi-rechterlijke instantie aan een vluchteling [is verleend]”. De in lid 5 van dat artikel bedoelde mogelijkheid om de vluchtelingenstatus niet te verlenen vooronderstelt daarentegen dat er „nog geen besluit in die zin is genomen”.

33 In casu verzoekt de verwijzende rechter met zijn prejudiciële vragen enkel om uitlegging van artikel 14, lid 4, onder a), van richtlijn 2011/95 wat betreft de intrekking van de vluchtelingenstatus.

34 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt echter dat de asieldienst het door verzoeker in het hoofdgeding op 10 januari 2019 ingediende verzoek om internationale bescherming heeft afgewezen bij op 16 april 2019 betekend besluit. Zoals de verwijzende rechter in antwoord op een verzoek om inlichtingen van het Hof heeft bevestigd, werd dit besluit niet voorafgegaan door een eerder besluit waarbij aan verzoeker in het hoofdgeding de vluchtelingenstatus is verleend door een regerings-, administratieve, rechterlijke of quasi-rechterlijke instantie van de Republiek Cyprus in de zin van artikel 14, lid 4, van richtlijn 2011/95.

35 Het is juist dat de verwijzende rechter in zijn antwoord op het verzoek om inlichtingen van het Hof betoogt dat de asieldienst het verzoek om internationale bescherming van verzoeker in het hoofdgeding uiteindelijk heeft afgewezen, nadat die dienst tot de slotsom was gekomen dat er elementen voorhanden waren die konden aantonen dat deze persoon gegronde vrees had voor vervolging in zijn land van herkomst en dus nadat deze dienst een besluit had genomen tot erkenning van zijn vluchtelingenstatus en derhalve tot inwilliging van zijn verzoek om toekenning van die status. Hieruit volgt dat de definitieve afwijzing van dit verzoek als „intrekking” moet worden aangemerkt. Voorts merkt hij op dat de beslissing van de bezwaarinstantie die status uitdrukkelijk heeft herroepen.

36 Er zij echter aan herinnerd dat, zoals het Hof heeft geoordeeld, artikel 14, leden 4 en 5, van richtlijn 2011/95 niet aldus kan worden uitgelegd dat de intrekking van de vluchtelingenstatus of de weigering om deze status te verlenen in de context van het bij deze richtlijn ingevoerde stelsel tot gevolg heeft dat de betrokken derdelander of staatloze die voldoet aan de voorwaarden van artikel 2, onder d), van die richtlijn, gelezen in samenhang met de bepalingen van hoofdstuk III ervan, de hoedanigheid van vluchteling in de zin van dat artikel 2, onder d), en artikel 1, afdeling A, van het Verdrag van Genève verliest. De omstandigheid dat de betrokken persoon zich bevindt in een van de in artikel 14, leden 4 en 5, van richtlijn 2011/95 bedoelde situaties, betekent immers als zodanig niet dat hij niet meer beantwoordt aan de voorwaarden waarvan de hoedanigheid van vluchteling afhangt, die verband houden met het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in zijn land van herkomst [arrest van 14 mei 2019, M e.a. (Intrekking van de vluchtelingenstatus),C‑391/16, C‑77/17 en C‑78/17, EU:C:2019:403, punten 97 en 98].

37 Anders dan de verwijzende rechter lijkt te menen, betekent het feit dat de bevoegde autoriteit in de motivering van een besluit tot weigering om de „status” van vluchteling te verlenen heeft vastgesteld dat de betrokken persoon die om internationale bescherming verzoekt, voldoet aan de materiële voorwaarden van deze richtlijn om de „hoedanigheid” van vluchteling te krijgen, dus niet noodzakelijkerwijs dat dit besluit moet worden opgevat als een „intrekking” van die „status”. Niettegenstaande een dergelijke vaststelling hebben de lidstaten immers – wanneer zij de vluchtelingenstatus nog niet hebben verleend, juist de mogelijkheid om op grond van artikel 14, lid 5, van richtlijn 2011/95 te weigeren deze te verlenen, onder meer wanneer er goede redenen zijn om de betrokken verzoeker te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van de lidstaat waar hij zich bevindt in de zin van artikel 14, lid 4, onder a), ervan.

38 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn vragen doelt op zowel de mogelijkheid van intrekking van de vluchtelingenstatus als op die van weigering om deze status te verlenen in de in artikel 14, lid 4, onder a), van richtlijn 2011/95 beschreven situatie, en dat hij bijgevolg verzoekt om uitlegging van niet alleen deze bepaling, maar ook artikel 14, lid 5, van die richtlijn. Het staat aan de verwijzende rechter om op basis van de in de punten 32 tot en met 37 van het onderhavige arrest verstrekte toelichtingen na te gaan of het oorspronkelijke besluit van de asieldienst en de beslissing van de bezwaarinstantie die aan de orde is in het hoofdgeding, moeten worden aangemerkt als besluiten tot intrekking van de vluchtelingenstatus dan wel als besluiten tot weigering om deze status te verlenen.

Eerste en derde prejudiciële vraag

39 Met zijn eerste en derde vraag, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 14, lid 4, onder a), en lid 5, van richtlijn 2011/95, gelezen in samenhang met artikel 78, lid 1, VWEU en artikel 18 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat een lidstaat de vluchtelingenstatus kan intrekken of kan weigeren deze status te verlenen wanneer de goede redenen om de vluchteling te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van die lidstaat zijn gebaseerd op handelingen of gedragingen van de betrokkene die dateren van vóór zijn binnenkomst op het grondgebied van deze lidstaat, rekening houdend, ten eerste, met het feit dat deze handelingen en gedragingen geen gronden voor uitsluiting van de vluchtelingenstatus vormen die uitdrukkelijk zijn opgenomen in artikel 1, onder F, van het Verdrag van Genève en artikel 12 van voornoemde richtlijn, en, ten tweede, met de in artikel 33, lid 2, van dit verdrag omschreven voorwaarden die van toepassing zijn op het begrip „gevaar voor de veiligheid van het land” alsmede met de daaruit voortvloeiende ernstige gevolgen voor de vluchteling.

40 Wat in de eerste plaats de vraag betreft of de bewoordingen „goede redenen […] om [de vluchteling] te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van de lidstaat waar hij zich bevindt” in de zin van artikel 14, lid 4, onder a), van richtlijn 2011/95 betrekking kunnen hebben op handelingen of gedragingen van die vluchteling die dateren van vóór zijn binnenkomst op het grondgebied van de betrokken lidstaat, moet worden opgemerkt dat geen enkele bepaling van deze richtlijn de betekenis en de draagwijdte van die bewoordingen definieert. Zij moeten dus worden uitgelegd in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan, met inachtneming van de context waarin ze worden gebruikt en de door de regeling waarvan ze deel uitmaken beoogde doelstellingen [zie naar analogie arrest van 6 juli 2023, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Bijzonder ernstig misdrijf), C‑402/22, EU:C:2023:543, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

41 Wat betreft om te beginnen de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis van de bewoordingen „goede redenen […] om [de vluchteling] te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van de lidstaat waar hij zich bevindt”, moet worden opgemerkt dat deze bewoordingen, wegens het algemene karakter ervan, niet lijken te verwijzen naar enige beperking van dergelijke „goede redenen” in geografische of temporele zin of met betrekking tot de aard van de feiten waarop die redenen berusten (zie in die zin en naar analogie arrest van 22 september 2022, Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság e.a.,C‑159/21, EU:C:2022:708, punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42 Wat vervolgens de context betreft waarin deze bewoordingen worden gebruikt, moet worden benadrukt dat artikel 14, lid 4, onder a), van richtlijn 2011/95 – anders dan artikel 14, lid 4, onder b), ervan, dat verwijst naar twee cumulatieve elementen die verband houden met het bestaan van, ten eerste, een definitieve veroordeling voor een bijzonder ernstig misdrijf en, ten tweede, een gevaar voor de samenleving van de lidstaat waar de betrokken derdelander zich bevindt – de mogelijkheid biedt om de vluchtelingenstatus in te trekken van een derdelander die een gevaar vormt voor de veiligheid van die lidstaat, ongeacht of er sprake is van een dergelijke veroordeling [zie in die zin arrest van 6 juli 2023, Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd), C‑8/22, EU:C:2023:542, punten 30 en 40].

43 Wat ten slotte de doelstelling van artikel 14, lid 4, onder a), van richtlijn 2011/95 betreft, moet worden vastgesteld dat deze bepaling, door te verwijzen naar „een gevaar voor de veiligheid van de lidstaat waar hij zich bevindt”, beoogt te voorkomen dat deze veiligheid in gevaar komt vanwege de aanwezigheid van de betrokkene op het grondgebied van die lidstaat, op het tijdstip waarop de bevoegde autoriteit een besluit neemt of op een later tijdstip.

44 Bovendien is het juist dat deze bepaling afwijkt van de in artikel 13 van die richtlijn neergelegde regel dat de lidstaten de vluchtelingenstatus verlenen aan derdelanders die voldoen aan de voorwaarden om als vluchteling te worden beschouwd, en dat deze bepaling derhalve strikt moet worden uitgelegd [zie naar analogie arrest van 6 juli 2023, Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd), C‑8/22, EU:C:2023:542, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

45 Aan die persoon toe te rekenen feiten of gedragingen in het verleden kunnen echter relevante omstandigheden vormen om na te gaan of bij die persoon een neiging bestaat om een dergelijke gedraging in de toekomst te handhaven of om dergelijke feiten te herhalen, gelet met name op de ernst van deze gedragingen of feiten, de tijd die is verstreken sinds die gedragingen zijn gepleegd of die feiten zich hebben voorgedaan en eventuele latere ontwikkelingen [zie in die zin arrest van 6 juli 2023, Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd), C‑8/22, EU:C:2023:542, punten 63 en 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

46 Bijgevolg kan de bevoegde autoriteit niet worden verplicht om aan de vluchteling toe te rekenen feiten of gedragingen in het verleden, buiten beschouwing te laten op de enkele grond dat zij hebben plaatsgevonden vóór zijn binnenkomst op het grondgebied van de lidstaat waar hij zich bevindt.

47 Zoals de Duitse regering heeft benadrukt, lijkt het des te meer geboden om rekening te houden met dergelijke feiten of gedragingen wanneer de bevoegde autoriteit voor het eerst moet besluiten op een verzoek om toekenning van de vluchtelingenstatus dat is ingediend door een persoon die om internationale bescherming verzoekt en kort daarvoor het grondgebied is binnengekomen. Indien dat niet het geval zou zijn, dan zou de beoordeling van het eventuele gevaar dat de vluchteling voor de veiligheid van de betrokken lidstaat vormt, in die situatie immers in de praktijk uiterst moeilijk kunnen blijken te zijn. Artikel 14, lid 5, van richtlijn 2011/95, dat de lidstaten juist toestaat om in een dergelijke situatie te weigeren de vluchtelingenstatus te verlenen, zou dan een deel van zijn nuttig effect verliezen.

48 Wat in de tweede plaats de aard van de handelingen of gedragingen van vóór de binnenkomst van de vluchteling op het grondgebied van de betrokken lidstaat betreft waarmee rekening kan worden gehouden bij de beoordeling van een gevaar voor de veiligheid van die lidstaat, moet worden benadrukt dat artikel 14, lid 4, onder a), van richtlijn 2011/95 betrekking heeft op een ander soort gevaar dan dat waarnaar wordt verwezen in artikel 14, lid 4, onder b), van deze richtlijn, dat betrekking heeft op een gevaar voor de samenleving van die lidstaat [arrest van 6 juli 2023, Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd), C‑8/22, EU:C:2023:542, punt 41].

49 Meer in het bijzonder komt het begrip „veiligheid van de lidstaat waar [de vluchteling] zich bevindt” in artikel 14, lid 4, onder a), van richtlijn 2011/95 overeen met het begrip „nationale veiligheid” als bedoeld in artikel 24, lid 1, van deze richtlijn. In dit verband moet rekening worden gehouden met de rechtspraak van het Hof volgens welke het begrip „openbare veiligheid” in de zin van artikel 28, lid 3, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004, L 158, blz. 77, en met rectificaties in PB 2004, L 229, blz. 35, en PB 2005, L 197, blz. 34), zowel de interne als de externe veiligheid van een lidstaat omvat en dat bijgevolg de aantasting van het functioneren van instellingen en essentiële openbare diensten, alsook het overleven van de bevolking, het risico van een ernstige verstoring van de externe betrekkingen of van de vreedzame co-existentie van de volkeren, evenals de aantasting van militaire belangen, de openbare veiligheid in gevaar kunnen brengen (zie in die zin arrest van 24 juni 2015, T.,C‑373/13, EU:C:2015:413, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50 Zoals blijkt uit overweging 37 van richtlijn 2011/95 omvat het begrip „nationale veiligheid” met name ook gevallen waarin een derdelander behoort tot een vereniging die steun verleent aan het internationale terrorisme of een dergelijke vereniging steunt.

51 Het staat dus aan de verwijzende rechter om vast te stellen of de informatie die de dienst voor terrorismebestrijding aan de asieldienst heeft verstrekt en die betrekking heeft op gedragingen van verzoeker in het hoofdgeding en op feiten over hem die zich vóór zijn binnenkomst op het nationale grondgebied hebben voorgedaan, aanleiding kan geven tot vrees voor aantasting van de interne of externe veiligheid van de betrokken lidstaat, zoals omschreven in de in punt 49 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.

52 Daarenboven lijkt het feit dat artikel 14, lid 4, onder a), van richtlijn 2011/95 verwijst naar „goede redenen” om de verzoeker om internationale bescherming „te beschouwen” als een gevaar voor de veiligheid van de betrokken lidstaat, terwijl artikel 14, lid 4, onder b), ervan betrekking heeft op de situatie waarin deze verzoeker definitief is veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf en daarom een gevaar „vormt” voor de samenleving van die lidstaat, erop te wijzen dat de eerste van die bepalingen niet alleen ziet op een reëel en actueel gevaar, maar ook op een potentieel gevaar [zie in die zin en naar analogie arresten van 2 april 2020, Commissie/Polen, Hongarije en Tsjechië (Tijdelijk herplaatsingsmechanisme voor aanvragers van internationale bescherming), C‑715/17, C‑718/17 en C‑719/17, EU:C:2020:257, punt 157 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 6 juli 2023, Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd), C‑8/22, EU:C:2023:542, punten 52 en 53].

53 Het staat echter aan de bevoegde autoriteit om bij de toepassing van artikel 14, lid 4, onder a), en lid 5, van richtlijn 2011/95 voor elk individueel geval alle omstandigheden van het specifieke geval te onderzoeken [arrest van 6 juli 2023, Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd), C‑8/22, EU:C:2023:542, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak], met name gelet op de in punt 45 van het onderhavige arrest genoemde elementen.

54 Uit de bewoordingen van deze bepalingen volgt namelijk dat deze autoriteit over een beoordelingsmarge moet beschikken om te beslissen of overwegingen in verband met de nationale veiligheid van de betrokken lidstaat al dan niet aanleiding moeten geven tot intrekking van de vluchtelingenstatus of de weigering om die status te verlenen, wat betekent dat de vaststelling van het bestaan van een gevaar voor die veiligheid niet automatisch tot een dergelijk besluit leidt. Bovendien moet de bevoegde autoriteit de strekking en de relevantie voor zijn besluit van de informatie die wordt verstrekt door organen die zijn belast met gespecialiseerde taken op het gebied van de nationale veiligheid, vrij beoordelen (zie in die zin arrest van 22 september 2022, Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság e.a.,C‑159/21, EU:C:2022:708, punten 81 en 83).

55 In de derde plaats betekent de omstandigheid dat feiten of gedragingen in het verleden die toerekenbaar zijn aan de vluchteling of aan de persoon die om internationale bescherming verzoekt geen uitdrukkelijk in artikel 1, onder F, van het Verdrag van Genève en in artikel 12 van deze richtlijn opgenomen gronden voor uitsluiting van de vluchtelingenstatus vormen, niet dat deze feiten of gedragingen maar beperkt in aanmerking kunnen worden genomen.

56 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de Unie weliswaar geen partij is bij het Verdrag van Genève, maar zij niettemin krachtens artikel 78, lid 1, VWEU en artikel 18 van het Handvest de voorschriften van dit verdrag in acht dient te nemen. De bepalingen van richtlijn 2011/95 moeten derhalve worden uitgelegd met inachtneming van het Verdrag van Genève en de andere relevante verdragen als bedoeld in artikel 78, lid 1, VWEU alsmede de rechten die zijn erkend in het Handvest, en meer in het bijzonder in artikel 18 daarvan [zie in die zin arresten van 1 maart 2016, Alo en Osso, C‑443/14 en C‑444/14, EU:C:2016:127, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 14 mei 2019, M e.a. (Intrekking van de vluchtelingenstatus),C‑391/16, C‑77/17 en C‑78/17, EU:C:2019:403, punt 74].

57 Het onderscheid tussen, enerzijds, de uitsluitingsgronden in artikel 12, lid 2, van deze richtlijn, dat is opgenomen in hoofdstuk III ervan, op grond waarvan een derdelander „wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus” en, anderzijds, de in artikel 14, leden 4 en 5, van die richtlijn genoemde gronden voor intrekking of weigering van die status, weerspiegelt in wezen het onderscheid tussen artikel 1, onder F, van het Verdrag van Genève en artikel 33, lid 2, daarvan [zie in die zin arrest van 6 juli 2023, Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd), C‑8/22, EU:C:2023:542, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

58 In het bijzonder blijkt uit de bewoordingen van dat artikel 12, lid 2, dat de betrokkene van de vluchtelingenstatus „wordt uitgesloten” wanneer de aldaar gestelde voorwaarden zijn vervuld. Bovendien is de hoedanigheid van „vluchteling” in het stelsel van richtlijn 2011/95 in artikel 2, onder d), uitdrukkelijk afhankelijk gesteld van de omstandigheid dat artikel 12 niet op de betrokkene van toepassing is (zie naar analogie, met betrekking tot richtlijn 2004/83, arrest van 9 november 2010, B en D, C‑57/09 en C‑101/09, EU:C:2010:661, punt 107). Zoals in punt 36 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, heeft de intrekking van de vluchtelingenstatus of de weigering om deze te verlenen op grond van artikel 14, lid 4, of artikel 14, lid 5, van richtlijn 2011/95 daarentegen niet tot gevolg dat de betrokken derdelander de hoedanigheid van vluchteling in de zin van artikel 2, onder d), van deze richtlijn en artikel 1, onder A, van het Verdrag van Genève verliest.

59 In de vierde plaats moet worden opgemerkt dat het juist is dat de in artikel 14, lid 4, van richtlijn 2011/95 bedoelde gevallen waarin de lidstaten de vluchtelingenstatus kunnen intrekken, of de gevallen waarin zij krachtens lid 5 van dat artikel kunnen weigeren om deze status te verlenen, in wezen overeenkomen met de gevallen waarin de lidstaten krachtens artikel 21, lid 2, van die richtlijn en artikel 33, lid 2, van het Verdrag van Genève een vluchteling kunnen terugleiden [arrest van 14 mei 2019, M e.a. (Intrekking van de vluchtelingenstatus),C‑391/16, C‑77/17 en C‑78/17, EU:C:2019:403, punt 93].

60 Wanneer de terugleiding van een vluchteling die zich in een van de in artikel 14, leden 4 en 5, en artikel 21, lid 2, van richtlijn 2011/95 bedoelde situaties bevindt, het risico meebrengt van schending van de grondrechten die hij geniet op basis van artikel 4 en artikel 19, lid 2, van het Handvest, op grond waarvan het volstrekt verboden is om personen te onderwerpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, ongeacht het gedrag van de betrokkene, alsook om personen te verwijderen naar een staat waar er een ernstig risico bestaat dat zij aan dergelijke behandelingen worden onderworpen, mag de betreffende lidstaat echter niet afwijken van het beginsel van non-refoulement in de zin van artikel 33, lid 2, van het Verdrag van Genève [zie in die zin arrest van 14 mei 2019, M e.a. (Intrekking van de vluchtelingenstatus),C‑391/16, C‑77/17 en C‑78/17, EU:C:2019:403, punten 94 en 95].

61 Derhalve biedt het Unierecht de betrokken vluchtelingen een ruimere internationale bescherming dan het Verdrag van Genève, voor zover de lidstaten krachtens artikel 14, leden 4 en 5, van die richtlijn in de daarin bedoelde situaties de vluchtelingenstatus kunnen intrekken of kunnen weigeren deze status te verlenen, terwijl een zich in een van die situaties bevindende vluchteling op grond van artikel 33, lid 2, van dat verdrag kan worden teruggeleid naar een land waar zijn leven of vrijheid gevaar zou lopen [arrest van 14 mei 2019, M e.a. (Intrekking van de vluchtelingenstatus),C‑391/16, C‑77/17 en C‑78/17, EU:C:2019:403, punt 96].

62 Wanneer op grond van artikel 14, lid 4, of artikel 14, lid 5, van richtlijn 2011/95 de vluchtelingenstatus wordt ingetrokken of wordt geweigerd deze status te verlenen, wordt daarmee dus geen standpunt ingenomen over de daarvan onderscheiden vraag of deze persoon kan worden verwijderd naar zijn land van herkomst [zie in die zin arrest van 6 juli 2023, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd),C‑663/21, EU:C:2023:540, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

63 In het kader van de afweging tussen, enerzijds, de beoordeling van het gevaar dat de vluchteling vormt voor de veiligheid van de lidstaat waar hij verblijft, ter bepaling of dit gevaar rechtvaardigt dat zijn vluchtelingenstatus wordt ingetrokken of wordt geweigerd om hem die status te verlenen, en, anderzijds, de gevolgen van die intrekking of weigering voor zijn situatie, hoeft geen sprake te zijn van een dermate ernstig gevaar dat het de terugleiding van de betrokkene naar zijn land van herkomst onder de voorwaarden van artikel 33, lid 2, van het Verdrag van Genève kan rechtvaardigen.

64 Meer in het bijzonder kunnen bepaalde omstandigheden die niet de mate van ernst vertonen die refoulement van de verzoeker rechtvaardigt, niettemin worden beschouwd als „goede redenen” die de weigering om hem een verblijfstitel te verlenen kunnen rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 24 juni 2015, T.,C‑373/13, EU:C:2015:413, punt 75).

65 De verwijzing naar „goede redenen” om aan te nemen dat de persoon die om internationale bescherming verzoekt of de vluchteling een gevaar vormt voor de veiligheid van de lidstaat van ontvangst, laat de lidstaat immers duidelijk een grote beoordelingsmarge [zie in die zin en naar analogie arrest van 2 april 2020, Commissie/Polen, Hongarije en Tsjechië (Tijdelijk herplaatsingsmechanisme voor aanvragers van internationale bescherming), C‑715/17, C‑718/17 en C‑719/17, EU:C:2020:257, punt 156].

66 Uit een en ander volgt dat op de eerste en de derde vraag moet worden geantwoord dat artikel 14, lid 4, onder a), en lid 5, van richtlijn 2011/95, gelezen in samenhang met artikel 78, lid 1, VWEU en artikel 18 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat een lidstaat de vluchtelingenstatus kan intrekken of kan weigeren deze status te verlenen wanneer de goede redenen om de vluchteling te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van die lidstaat in de zin van artikel 14, lid 4, onder a), van deze richtlijn zijn gebaseerd op handelingen of gedragingen van de vluchteling die dateren van vóór zijn binnenkomst op het grondgebied van deze lidstaat. Het is niet van belang dat deze handelingen en gedragingen geen gronden voor uitsluiting van de vluchtelingenstatus vormen die uitdrukkelijk zijn opgenomen in artikel 1, onder F, van het Verdrag van Genève en artikel 12 van voornoemde richtlijn. Bij de beoordeling van, ten eerste, de ernst van het gevaar dat de intrekking van de vluchtelingenstatus of de weigering om deze status te verlenen rechtvaardigt en, ten tweede, de gevolgen van die intrekking of weigering voor de situatie van de vluchteling, hoeft geen rekening te worden gehouden met de in artikel 33, lid 2, van dat verdrag omschreven voorwaarden die van toepassing zijn op het begrip „gevaar voor de veiligheid van het land”, noch met de daaruit voortvloeiende ernstige gevolgen voor die vluchteling.

Tweede vraag

67 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of, indien de eerste en de derde vraag bevestigend worden beantwoord, artikel 14, lid 4, onder a), en lid 5, van richtlijn 2011/95 geldig is in het licht van artikel 78, lid 1, VWEU en artikel 18 van het Handvest, voor zover deze bepalingen vereisen dat het Verdrag van Genève, en in het bijzonder artikel 1, onder F, daarvan, wordt nageleefd.

68 Vooraf zij eraan herinnerd dat richtlijn 2011/95 krachtens artikel 78, lid 1, VWEU en artikel 18 van het Handvest in overeenstemming moet zijn met de voorschriften van het Verdrag van Genève [zie in die zin arrest van 14 mei 2019, M e.a. (Intrekking van de vluchtelingenstatus),C‑391/16, C‑77/17 en C‑78/17, EU:C:2019:403, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

69 Zoals in punt 57 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht moet echter rekening worden gehouden met het onderscheid tussen, enerzijds, de uitsluitingsgronden in artikel 12, lid 2, van deze richtlijn, dat is opgenomen in hoofdstuk III ervan, op grond waarvan een derdelander „wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus” en, anderzijds, de in artikel 14, leden 4 en 5, van die richtlijn genoemde gronden voor intrekking of weigering van die status, welk onderscheid in wezen het onderscheid tussen artikel 1, onder F, van het Verdrag van Genève en artikel 33, lid 2, daarvan weerspiegelt.

70 Aangezien het Hof, zoals in punt 36 van het onderhavige arrest is uiteengezet, in het arrest van 14 mei 2019, M e.a. (Intrekking van de vluchtelingenstatus) (C‑391/16, C‑77/17 en C‑78/17, EU:C:2019:403, punt 97), heeft geoordeeld dat de intrekking van de vluchtelingenstatus of de weigering om deze te verlenen op grond van artikel 14, lid 4, of artikel 14, lid 5, van richtlijn 2011/95 niet tot gevolg heeft dat de betrokken derdelander de hoedanigheid van vluchteling in de zin van artikel 2, onder d), van die richtlijn en artikel 1, onder A, van het Verdrag van Genève verliest, kan dit artikel 14, leden 4 en 5, niet aldus worden uitgelegd dat het nieuwe gronden voor uitsluiting van de hoedanigheid van vluchteling toevoegt aan de in artikel 12, lid 2, van deze richtlijn en artikel 1, onder F, van dat verdrag genoemde gronden.

71 Overigens moet worden opgemerkt dat het Hof in dat arrest heeft geoordeeld dat uit het onderzoek van artikel 14, leden 4 tot en met 6, van richtlijn 2011/95 geen feiten of omstandigheden naar voren waren gekomen die de geldigheid van deze bepalingen uit het oogpunt van artikel 78, lid 1, VWEU en artikel 18 van het Handvest kunnen aantasten [arrest van 14 mei 2019, M e.a. (Intrekking van de vluchtelingenstatus),C‑391/16, C‑77/17 en C‑78/17, EU:C:2019:403, punt 112]. Uit het voorgaande volgt derhalve dat het onderzoek van artikel 14, lid 4, onder a), en lid 5, van deze richtlijn in het kader van de onderhavige zaak geen enkel nieuw element aan het licht heeft gebracht dat kan afdoen aan deze conclusie, voor zover zij betrekking heeft op laatstgenoemde bepalingen.

72 Gelet op een en ander moet worden geoordeeld dat het onderzoek van artikel 14, lid 4, onder a), en lid 5, van richtlijn 2011/95 geen enkel element aan het licht heeft gebracht dat de geldigheid van die bepaling uit het oogpunt van artikel 78, lid 1, VWEU en artikel 18 van het Handvest kan aantasten.

Kosten

73 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 14, lid 4, onder a), en lid 5, van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming, gelezen in samenhang met artikel 78, lid 1, VWEU en artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat een lidstaat de vluchtelingenstatus kan intrekken of kan weigeren deze status te verlenen wanneer de goede redenen om de vluchteling te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van die lidstaat in de zin van artikel 14, lid 4, onder a), van deze richtlijn zijn gebaseerd op handelingen of gedragingen van de vluchteling die dateren van vóór zijn binnenkomst op het grondgebied van deze lidstaat. Het is niet van belang dat deze handelingen en gedragingen geen gronden voor uitsluiting van de vluchtelingenstatus vormen die uitdrukkelijk zijn opgenomen in artikel 1, onder F, van het op 28 juli 1951 te Genève ondertekende Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, dat op 22 april 1954 in werking is getreden, zoals aangevuld door het op 31 januari 1967 te New York gesloten Protocol betreffende de status van vluchtelingen, dat op zijn beurt in werking is getreden op 4 oktober 1967 en in artikel 12 van voornoemde richtlijn. Bij de beoordeling van, ten eerste, de ernst van het gevaar dat de intrekking van de vluchtelingenstatus of de weigering om deze status te verlenen rechtvaardigt en, ten tweede, de gevolgen van die intrekking of weigering voor de situatie van de vluchteling, hoeft geen rekening te worden gehouden met de in artikel 33, lid 2, van dat verdrag omschreven voorwaarden die van toepassing zijn op het begrip „gevaar voor de veiligheid van de staat”, noch met de daaruit voortvloeiende ernstige gevolgen voor die vluchteling.

2) Het onderzoek van artikel 14, lid 4, onder a), en lid 5, van richtlijn 2011/95 heeft geen enkel element aan het licht gebracht dat de geldigheid van die bepaling uit het oogpunt van artikel 78, lid 1, VWEU en artikel 18 van het Handvest van de grondrechten kan aantasten.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Grieks.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken