HvJ EU 18 december 2025, C-776/24, ECLI:EU:C:2025:1010

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

18 december 2025 (*)

„ Prejudiciële verwijzing – Ambtenaren – Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie – Bijlage VIII – Pensioenen – Pensioenrechten verworven vóór de indiensttreding bij de Europese Unie – Overdracht naar de pensioenregeling van de instellingen van de Europese Unie – Verzoek van de werknemer om overdracht – Onherroepelijkheid van deze overdracht – Ongerechtvaardigde verrijking ”

In zaak C‑776/24 [Bopuis] (i),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Franstalige arbeidsrechtbank Brussel (België) bij beslissing van 5 november 2024, ingekomen bij het Hof op 12 november 2024, in de procedure

CJ

tegen

Federale Pensioendienst (FPD),

wijst

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: F. Biltgen (rapporteur), president van de Eerste kamer, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, A. Kumin en S. Gervasoni, rechters,

advocaat-generaal: L. Medina,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– CJ, vertegenwoordigd door J.‑F. Neven, avocat,

– de Belgische regering, vertegenwoordigd door C. Jacob, C. Pochet en M. Van Regemorter als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Baeckelmans en J.‑F. Brakeland als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, zoals gewijzigd bij verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 571/92 van de Raad van 2 maart 1992 (PB 1992, L 62, blz. 1) (hierna: „Statuut”), gelezen in het licht van het beginsel van loyale samenwerking, dat is neergelegd in artikel 4, lid 3, VEU.

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen CJ en de Federale Pensioendienst (FPD) (België) over het verzoek van CJ om zijn vóór de indiensttreding bij de Europese Unie verworven pensioenrechten over te dragen naar de pensioenregeling van de instellingen van de Europese Unie (hierna: „PRIEU”).

Toepasselijke bepalingen

Statuut

3 Artikel 77 van het Statuut bepaalt:

„De ambtenaar die ten minste tien dienstjaren heeft vervuld, heeft recht op ouderdomspensioen. […]

Het maximale ouderdomspensioen bedraagt 70 % van het laatste basissalaris, dat behoort bij de laatste rang waarin de ambtenaar ten minste een jaar ingedeeld is geweest. Voor elk dienstjaar, berekend overeenkomstig artikel 3 van bijlage VIII, wordt aan de ambtenaar 1,80 % van dit laatste basissalaris uitgekeerd.

[…]”

4 Artikel 2 van bijlage VIII bij het Statuut luidt:

„Het ouderdomspensioen wordt berekend op de grondslag van het totale aantal door de ambtenaar verkregen pensioenjaren. Ieder dienstjaar, berekend overeenkomstig artikel 3, geeft recht op één pensioenjaar en iedere volle maand op een twaalfde van een pensioenjaar.

Voor het bepalen van het recht op ouderdomspensioen kunnen ten hoogste de pensioenjaren in aanmerking worden genomen die benodigd zijn om het maximale pensioen in de zin van artikel 77, tweede alinea, van het Statuut te verkrijgen.”

5 Artikel 11 van bijlage VIII bij het Statuut bepaalt:

„1. De ambtenaar die de dienst beëindigt om:

– in dienst te treden van een overheidsorgaan of een nationale of internationale organisatie die met de Gemeenschappen een overeenkomst ter zake heeft gesloten,

– in loondienst of als zelfstandige te gaan werken op grond waarvan hij pensioenrechten verwerft volgens een stelsel waarvan de beheersorganen met de Gemeenschappen een overeenkomst ter zake hebben gesloten,

heeft het recht de actuariële tegenwaarde van zijn rechten op ouderdomspensioen bij de Gemeenschappen te doen overschrijven naar het pensioenfonds van dat overheidsorgaan of die organisatie of naar het fonds waarbij de ambtenaar uit hoofde van zijn werkzaamheden in loondienst of als zelfstandige rechten op ouderdomspensioen verwerft.

2. De ambtenaar die in dienst van de Gemeenschappen treedt na:

– de dienst bij een overheidsorgaan, of bij een nationale of internationale organisatie te hebben beëindigd, of,

– in loondienst of als zelfstandige te hebben gewerkt,

kan bij zijn aanstelling in vaste dienst hetzij de actuariële tegenwaarde van, hetzij de afkoopsom voor de rechten op ouderdomspensioen die hij uit hoofde van bovengenoemde activiteiten heeft verworven, aan de Gemeenschappen doen betalen. In dat geval bepaalt de instelling waarbij de ambtenaar werkzaam is, met inachtneming van de rang waarin deze in vaste dienst is aangesteld, het aantal pensioenjaren dat zij volgens haar eigen regeling aanrekent op basis van het bedrag van de actuariële tegenwaarde of van de afkoopsom.”

Belgisch recht

6 De wet van 21 mei 1991 tot vaststelling van een zeker verband tussen Belgische pensioenregelingen en die van instellingen van internationaal publiek recht (Belgisch Staatsblad van 20 juni 1991; hierna: „wet van 21 mei 1991”) heeft een speciaal overdrachtssysteem ingevoerd, „subrogatie” genaamd, dat is afgeleid van de methode van de overdracht van de actuariële tegenwaarde als bedoeld in artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut.

7 Artikel 3 van de wet van 21 mei 1991 bepaalt:

„Iedere ambtenaar mag, met instemming van de instelling, vragen het rustpensioenbedrag betreffende de aan zijn indiensttreding bij de instelling voorafgaande diensten en perioden aan de instelling wordt gestort.”

8 Artikel 6, eerste alinea, van deze wet luidt als volgt:

„Zodra het jaarbedrag van het over te dragen rustpensioen alsmede de verschillende voor de bepaling ervan in aanmerking genomen elementen door de administratie zijn vastgesteld, worden ze per aangetekende brief ter kennis van de betrokkene gebracht.”

9 Artikel 7, lid 1, van deze wet bepaalt:

„Zodra het rustpensioenbedrag definitief is geworden:

1° kan het, om welke reden ook, niet meer worden gewijzigd […]”.

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

10 Tussen 1972 en 1993 heeft CJ in België gewerkt, hoofdzakelijk als werknemer. Tijdens die periode heeft hij bijdragen betaald aan de FPD.

11 Vanaf 1 april 1994 was CJ in dienst bij de Europese Unie en op 1 januari 1995 werd hij in vaste dienst als ambtenaar aangesteld.

12 Op 29 mei 1995 heeft CJ verzocht om zijn als Belgisch werknemer verworven pensioenrechten over te dragen naar de PRIEU.

13 Bij aangetekende brief van 15 juli 1996 heeft de FPD CJ in kennis gesteld van het bedrag van de overdraagbare pensioenrechten.

14 Op 4 november 1996 heeft de FPD dit bedrag meegedeeld aan de Europese Commissie.

15 Op 14 september 2007 werd CJ door de diensten van de Unie in kennis gesteld van een herberekening van zijn overgedragen pensioenrechten wegens de hervorming van het Statuut in 2004, waardoor het aantal pensioenjaren dat in de PRIEU kon worden erkend, 4 jaar, 4 maanden en 24 dagen bedroeg.

16 Op 1 juli 2020, op de leeftijd van 63 jaar en 11 maanden, bereikte CJ – als gevolg van de herberekening van zijn pensioenrechten op 14 september 2007 – het maximumpensioenpercentage van 70 %. Hij bleef echter werken tot 31 juli 2022.

17 Op 8 maart 2022 heeft CJ de FPD verzocht om toekenning van een rustpensioen dat overeenkomt met de vóór zijn indiensttreding bij de Unie verworven rechten.

18 Bij twee besluiten van 25 mei 2022 heeft de FPD CJ respectievelijk een rustpensioen van 533,85 EUR bruto per maand vanaf 1 augustus 2021 en een rustpensioen van 577,85 EUR bruto per maand vanaf 1 augustus 2022 toegekend, waarbij laatstgenoemde datum door de FPD in aanmerking is genomen als de datum waarop CJ niet langer werkzaam was als ambtenaar.

19 Op 5 juli 2022 heeft de autoriteit van de Unie die is belast met de afwikkeling van de pensioenrechten van CJ hem een kennisgeving gestuurd waarin zijn pensioenrechten werden vastgesteld met het oog op zijn pensionering op 31 juli 2022 ’s avonds, de laatste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 66 jaar bereikte. In deze kennisgeving stond dat 4 jaar, 4 maanden en 24 dagen in aanmerking waren genomen wegens de overdracht van zijn Belgische pensioenrechten en dat CJ in totaal 79,21667 % aan pensioenrechten had opgebouwd, met name vanwege de bonus van 13,75 % die hij had verworven omdat hij 5 jaar en 6 maanden langer had gewerkt dan de normale pensioenleeftijd. Deze rechten werden onderworpen aan het maximum van 70 %, zoals bepaald in het Statuut.

20 Op 6 juli 2022 heeft CJ de FPD meegedeeld dat, aangezien hij in 1995, 1996 of 1997 geen kennisgeving had ontvangen wat het jaarbedrag van het over te dragen rustpensioen betreft, het definitieve bedrag van dat pensioen niet als vastgesteld kon worden beschouwd en zijn verzoek om overdracht als herroepbaar moest worden beschouwd. Hij gaf dan ook te kennen dat hij niet langer wenste over te gaan tot de overdracht naar de PRIEU van de pensioenrechten die hij vóór zijn indiensttreding bij de Unie had verworven.

21 Bij mededelingen in november en december 2022 heeft de FPD bevestigd dat CJ vanaf 1 augustus 2021 recht had op een rustpensioen krachtens de als werknemer in België verworven rechten.

22 Op verzoek van de FPD heeft de Commissie deze dienst bij e-mail van 23 maart 2023 laten weten dat CJ sinds 1 augustus 2022 een ouderdomspensioen genoot krachtens de PRIEU. Bij e-mail van 31 maart 2023 heeft deze instelling aan de FPD bevestigd dat dit pensioen rekening hield met de pensioenjaren die voortvloeien uit de door de FPD verrichte overdracht van pensioenrechten.

23 Bijgevolg heeft de FPD CJ in kennis gesteld van de opschorting van de betalingen van zijn rustpensioen krachtens de Belgische nationale regeling. Bij besluit van 17 april 2023 heeft de FPD de in punt 18 hierboven vermelde besluiten van 25 mei 2022 ingetrokken. De FPD erkende dat hij een administratieve fout had gemaakt en vorderde daarom geen terugbetaling van het onverschuldigd betaalde; CJ kon evenwel geen aanspraak maken op een rustpensioen krachtens de Belgische nationale regeling vanaf 1 augustus 2021.

24 CJ heeft bij de Franstalige arbeidsrechtbank Brussel (België), de verwijzende rechter, beroep tot nietigverklaring van dat besluit van 17 april 2023 ingesteld, teneinde de betaling van zijn rustpensioen krachtens de Belgische nationale regeling te herstellen.

25 CJ voert aan dat, indien de overdracht van de pensioenrechten die zijn verworven vóór de indiensttreding bij de Unie onherroepelijk is, de pensioenrechten die hij op grond van zijn beroepsactiviteiten in België tussen 1972 en 1992 heeft verworven, in wezen verloren zouden gaan, aangezien het niet nodig was om deze pensioenrechten in aanmerking te nemen bij de berekening van zijn ouderdomspensioen. In het kader van het subrogatiemechanisme zou de Belgische Staat maandelijks aan de instellingen van de Unie het bedrag van het rustpensioen betalen dat overeenkomt met de door CJ verworven rechten, terwijl het aan CJ krachtens de PRIEU toegekende ouderdomspensioen geen rekening houdt met de pensioenjaren die CJ vóór zijn indiensttreding bij de Unie heeft verworven, waardoor de Unie zich ten koste van CJ kan verrijken.

26 CJ beweert dat hij de kennisgevingen, per aangetekende brief, van de jaarbedragen van het over te dragen rustpensioen en de verschillende voor de bepaling ervan in aanmerking genomen elementen niet heeft ontvangen, zodat hij deze noch kon betwisten noch kon bevestigen. Bijgevolg moeten die bedragen als niet definitief worden beschouwd. Hij is dan ook van mening dat zijn verzoek tot overdracht naar de PRIEU van de pensioenrechten die hij krachtens de Belgische nationale regeling heeft verworven, kan worden herroepen tot de datum waarop de subrogatie daadwerkelijk ingaat.

27 De FPD stelt dat hij niet langer beschikt over het bewijs dat bovengenoemde kennisgevingen per aangetekende brief zijn verzonden en voert in wezen aan dat CJ ervoor heeft gekozen om de pensioenrechten die hij krachtens de Belgische nationale regeling heeft verworven, naar de PRIEU over te dragen, zodat hij de gevolgen daarvan moet dragen.

28 De verwijzende rechter vraagt zich af of het onherroepelijke karakter van het subrogatiemechanisme niet in strijd is met het doel van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut. Dit mechanisme zou een werknemer immers kunnen ontmoedigen om in dienst te treden bij de Europese instellingen, gelet op het risico dat hij het genot van een rustpensioen verliest waarop hij aanspraak zou kunnen maken indien hij niet in dienst van de Unie was getreden, waarbij dit risico zich voordoet indien, zoals in casu, de ambtenaar recht heeft op het maximumpensioenbedrag krachtens de PRIEU, zonder dat rekening wordt gehouden met de overgedragen pensioenrechten. Hij vraagt zich dan ook af of het mogelijk is om het bedrag van het rustpensioen te betwisten totdat de overdracht van de pensioenrechten, door middel van subrogatie, daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. In dit verband verwijst de verwijzende rechter naar het arrest van 10 november 1999, Kristensen e.a./Raad (T‑103/98, T‑104/98, T‑107/98, T‑113/98 en T‑118/98, EU:T:1999:289), volgens hetwelk overgedragen pensioenrechten die bij de toepassing van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut niet in aanmerking worden genomen, aan de ambtenaar moeten worden terugbetaald.

29 De verwijzende rechter vraagt zich ook af of de overdracht van die vóór de indiensttreding bij de Unie verworven pensioenrechten door middel van het subrogatiemechanisme een ongerechtvaardigde verrijking van de Europese instellingen oplevert.

30 In die omstandigheden heeft de Franstalige arbeidsrechtbank Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moeten in een situatie waarin de wetgeving van een lidstaat bepaalt dat de overdracht van de in artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het [Statuut] bedoelde rechten niet plaatsvindt door een overdracht van de bijdragen op het tijdstip waarop de ambtenaar in vaste dienst van de Unie wordt aangesteld, maar door de subrogatie van de Europese instellingen in de in die lidstaat verworven pensioenrechten vanaf de datum waarop de ambtenaar recht op dat pensioen zou hebben gehad, dit artikel 11, lid 2, en het in artikel 4, lid 3, [VEU] vastgelegde beginsel van loyale samenwerking – gelet op de doelstellingen van de overdracht, namelijk mogelijk maken dat de door de ambtenaar van de Unie in een lidstaat verworven rechten ten gunste van die ambtenaar kunnen worden behouden en de aantrekkelijkheid waarborgen van de Europese openbare dienst – aldus worden uitgelegd dat op grond daarvan in die wetgeving moet zijn bepaald dat het verzoek tot overdracht kan worden herroepen tot de datum waarop de subrogatie aanvangt en waarop daadwerkelijk kennis wordt genomen van het risico dat een deel van de ten laste van die lidstaat opgebouwde rechten niet kan worden verkregen?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

31 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut en het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan het besluit van een ambtenaar van de Unie om de pensioenrechten die hij in een nationale pensioenregeling heeft verworven vóór zijn indiensttreding bij de Unie, over te dragen naar de PRIEU, onherroepelijk is, wanneer die wettelijke regeling niet voorziet in de daadwerkelijke overdracht van die pensioenrechten op de datum van dat besluit, maar in een overdracht door subrogatie van de instellingen van de Unie in die verworven rechten vanaf de datum waarop de ambtenaar aanspraak kan maken op zijn ouderdomspensioen, met het risico van ongerechtvaardigde verrijking van de instellingen van de Unie.

32 Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat het Statuut, dat een algemene strekking heeft, bindend is in al zijn onderdelen en rechtstreekse werking heeft in elke lidstaat. Hieruit volgt dat het Statuut, naast de werking die het binnen de administratie van de Unie heeft, tevens de lidstaten bindt in alle opzichten waarin hun medewerking noodzakelijk is voor de toepassing ervan (zie in die zin arrest van 4 februari 2021, Ministre de la Transition écologique et solidaire en Ministre de l’Action et des Comptes publics, C‑903/19, EU:C:2021:95, punten 36 en 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33 Volgens artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut kan elke ambtenaar die of elk personeelslid dat in dienst van de Unie treedt na zijn activiteiten bij een overheidsorgaan, een nationale of internationale organisatie of een onderneming te hebben beëindigd, bij zijn aanstelling in vaste dienst de actuariële tegenwaarde van de rechten op ouderdomspensioen die bij het overheidsorgaan, de nationale of internationale organisatie of de onderneming zijn verworven, aan de Unie doen uitbetalen.

34 Ten eerste beoogt het stelsel van overdracht van pensioenrechten, zoals voorzien in artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut, door een coördinatie van de nationale pensioenregelingen en de pensioenregeling van de Unie mogelijk te maken, de overgang van nationale betrekkingen, bij de overheid of in de particuliere sector, naar de administratie van de Unie te vergemakkelijken en aldus de Unie de beste keuzemogelijkheden te verzekeren van gekwalificeerd personeel dat reeds over passende beroepservaring beschikt (arrest van 16 december 2004, My, C‑293/03, EU:C:2004:821, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 Indien een lidstaat zou weigeren de nodige maatregelen te nemen voor de in artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut voorziene overdracht van de actuariële tegenwaarde van of de afkoopsom voor de onder de nationale pensioenregeling verworven pensioenrechten naar de PRIEU, zou hij immers de aanwerving door de Unie van nationale ambtenaren die al een bepaalde dienstanciënniteit bezitten kunnen bemoeilijken, aangezien deze bij hun overgang van de nationale dienst naar de dienst van de Unie de pensioenrechten zouden verliezen waarop zij aanspraak zouden hebben indien zij niet in dienst van de Unie waren getreden (arrest van 4 februari 2021, Ministre de la Transition écologique et solidaire en Ministre de l’Action et des Comptes publics, C‑903/19, EU:C:2021:95, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36 Dergelijke gevolgen zijn onaanvaardbaar in het licht van de plicht tot loyale samenwerking en bijstand die op de lidstaten tegenover de Unie rust en die tot uitdrukking komt in de verplichting van artikel 4, lid 3, VEU om de vervulling van de taak van de Unie te vergemakkelijken (arrest van 4 februari 2021, Ministre de la Transition écologique et solidaire en Ministre de l’Action et des Comptes publics, C‑903/19, EU:C:2021:95, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37 Ten tweede strekt artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut ertoe dat de door de ambtenaren in een lidstaat verworven rechten, ook al zijn zij misschien beperkt of zelfs voorwaardelijk of toekomstig, of nog niet voldoende om onmiddellijk aanspraak op pensioen te geven, ten gunste van de betrokken ambtenaar blijven bestaan en in aanmerking kunnen worden genomen in de pensioenregeling waarbij de betrokkene aan het einde van zijn loopbaan is aangesloten (arrest van 20 oktober 1981, Commissie/België, 137/80, EU:C:1981:237, punt 12).

38 Uit deze overwegingen volgt dat de ambtenaren met de in artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut bedoelde bevoegdheid een recht is gegeven waarvan de uitoefening alleen afhangt van hun eigen keuze (zie in die zin arresten van 20 oktober 1981, Commissie/België, 137/80, EU:C:1981:237, punt 13, en 10 september 2015, Wojciechowski, C‑408/14, EU:C:2015:591, punt 52).

39 Aangezien artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut niet voorziet in de mogelijkheid om de uitoefening van de in die bepaling bedoelde bevoegdheid te herroepen, is het besluit tot overdracht van pensioenrechten naar de PRIEU definitief en onherroepelijk. Dit wordt bevestigd door het feit dat een nieuwe overdracht van pensioenrechten alleen kan plaatsvinden in de gevallen bedoeld in artikel 11, lid 1, die de beëindiging van de dienst van de betrokkene veronderstellen.

40 Het definitieve en onherroepelijke karakter van het besluit tot overdracht van de pensioenrechten die vóór de indiensttreding bij de Unie verworven zijn, is echter niet in strijd met de doelstellingen van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut, namelijk het behoud van de verworven rechten en de aantrekkelijkheid van de Europese openbare dienst.

41 Wat het behoud van de verworven rechten betreft, dient immers te worden opgemerkt dat de vóór de indiensttreding bij de Unie verworven pensioenjaren het mogelijk maken om het aantal dienstjaren te verhogen dat in aanmerking wordt genomen voor de vaststelling van het percentage van het laatste basissalaris dat het ouderdomspensioen zal vormen en om aldus sneller het in artikel 77, tweede alinea, van het Statuut vastgestelde maximum van 70 % van het laatste basissalaris te bereiken. Hieruit kan dan ook niet worden afgeleid dat er sprake is van een verlies van verworven rechten.

42 In dit verband moet worden gepreciseerd dat de mogelijkheid om de vóór de indiensttreding bij de Unie verworven pensioenrechten over te dragen, de betrokken ambtenaar weliswaar de garantie biedt dat deze rechten in aanmerking worden genomen in het kader van de PRIEU, maar hem geen enkele zekerheid biedt dat deze inaanmerkingneming zal leiden tot een verhoging van het bedrag van zijn pensioen die volledig overeenkomt met het overgedragen kapitaal (zie in die zin arrest van 4 mei 2023, KY/Hof van Justitie van de Europese Unie, C‑100/22 P, EU:C:2023:377, punt 69).

43 Wat de aantrekkelijkheid van de openbare dienst betreft, dient eraan te worden herinnerd dat de overdracht van pensioenrechten een aan de ambtenaar verleende bevoegdheid is die de ambtenaar met kennis van zaken moet uitoefenen.

44 Ongeacht of de betrokken nationale regeling bepaalt dat de overdracht van pensioenrechten plaatsvindt door subrogatie van de Europese instellingen in die rechten op de datum waarop de ambtenaar met pensioen gaat, dan wel dat die pensioenrechten worden overgedragen naar de PRIEU op de datum waarop de ambtenaar tot een dergelijke overdracht besluit, die rechten worden in beide gevallen in aanmerking genomen en er wordt geenszins afgedaan aan de aantrekkelijkheid van de Europese openbare dienst.

45 Bijgevolg is voor de naleving van de doelstellingen van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut niet vereist dat wordt voorzien in het recht om het verzoek tot overdracht van de vóór de indiensttreding bij de Unie verworven pensioenrechten te herroepen tot de datum waarop de Europese instellingen in die rechten worden gesubrogeerd.

46 Deze uitlegging is niet anders in het licht van het beginsel van loyale samenwerking, dat tot uiting komt in de in artikel 4 VEU gestelde verplichting om de vervulling van de taak van de Unie te vergemakkelijken.

47 Zoals de Commissie opmerkt, is het bijzondere aan deze prejudiciële verwijzing immers gelegen in de wijze waarop het Koninkrijk België zijn verplichtingen uit hoofde van het Statuut heeft willen nakomen door bij de wet van 21 mei 1991 een subrogatiemechanisme in te voeren waarbij de Europese instellingen de bedragen ontvangen van de rustpensioenen uit hoofde van de nationale regeling van hun gepensioneerde ambtenaren, in plaats van over te gaan tot een overdracht van de pensioenrechten op de datum waarop die ambtenaren om de overdracht van hun rechten hebben verzocht. Deze wet had tot doel een einde te maken aan de inbreukprocedure die de Commissie had ingeleid wegens niet-nakoming door het Koninkrijk België van zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut en die heeft geleid tot de dubbele veroordeling van het Koninkrijk België bij arresten van 20 oktober 1981, Commissie/België (137/80, EU:C:1981:237), en 3 oktober 1989, Commissie/België (383/85, EU:C:1989:356). Aangezien het bij de wet van 21 mei 1991 ingestelde subrogatiemechanisme het mogelijk maakt dat de bij de FPD verworven rechten daadwerkelijk behouden blijven na de overdracht ervan naar de PRIEU, volgt hieruit dat het Koninkrijk België het beginsel van loyale samenwerking heeft nageleefd.

48 Wat het argument inzake ongerechtvaardigde verrijking betreft, dient eraan te worden herinnerd dat, zoals blijkt uit artikel 77, eerste alinea, van het Statuut en artikel 2 van bijlage VIII bij het Statuut, het in artikel 77 van het Statuut bedoelde ouderdomspensioen wordt berekend op de grondslag van het totale aantal door de ambtenaar verkregen pensioenjaren, waarop het in artikel 77, tweede alinea, van het Statuut bedoelde percentage wordt toegepast, in voorkomend geval binnen de in die bepaling vastgestelde bovengrens.

49 Die pensioenjaren komen overeen met de periode waarin de betrokken ambtenaar in dienst was bij de Unie en artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut geeft de ambtenaar de mogelijkheid om de pensioenrechten die hij vóór de indiensttreding bij de Unie heeft verworven, over te dragen naar de PRIEU, opdat deze rechten, in de vorm van het aanrekenen van overeenkomstige pensioenjaren, in aanmerking kunnen worden genomen bij de berekening van het toe te kennen pensioenbedrag (zie in die zin arrest van 4 mei 2023, KY/Hof van Justitie van de Europese Unie, C‑100/22 P, EU:C:2023:377, punt 60).

50 Hieraan dient te worden toegevoegd dat de methode voor de berekening van het aantal pensioenjaren dat in het kader van de PRIEU in aanmerking dient te worden genomen na de overdracht van pensioenrechten die krachtens een nationale regeling zijn verworven, is gebaseerd op de parameters van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut.

51 Overeenkomstig de in punt 42 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak biedt de mogelijkheid om de vóór de indiensttreding bij de Unie verworven pensioenrechten over te dragen, de betrokken ambtenaar weliswaar de garantie dat deze rechten in aanmerking zullen worden genomen in het kader van de PRIEU, maar deze mogelijkheid biedt hem geen enkele zekerheid dat deze inaanmerkingneming zal leiden tot een verhoging van het bedrag van zijn pensioen die volledig overeenkomt met het overgedragen kapitaal (zie in die zin arrest van 4 mei 2023, KY/Hof van Justitie van de Europese Unie, C‑100/22 P, EU:C:2023:377, punt 69).

52 Het bedrag van de betaalde bijdragen staat immers niet in evenredige verhouding tot het bedrag van het ontvangen pensioen, aangezien laatstgenoemd bedrag wordt berekend op de grondslag van het totale aantal pensioenjaren waarvoor bijdragen zijn betaald, met inbegrip van de pensioenjaren die vóór de indiensttreding bij de Europese instellingen zijn verworven, waarbij op die pensioenjaren een percentage wordt toegepast, in voorkomend geval binnen de bovengrens, overeenkomstig artikel 77 van het Statuut (arrest van 27 februari 2025, OA/Parlement, C‑32/24 P, EU:C:2025:118, punt 50). De PRIEU is immers gebaseerd op het solidariteitsbeginsel en is niet aldus opgezet dat het door een ambtenaar of personeelslid ontvangen pensioen precies overeenkomt met het bedrag van de bijdragen aan die regeling.

53 In dit verband kan het bij de wet van 21 mei 1991 ingestelde subrogatiemechanisme ten gunste van de PRIEU niet worden geacht te leiden tot een ongerechtvaardigde verrijking van de Europese instellingen louter omdat de pensioenrechten die vóór de indiensttreding bij een instelling van de Unie zijn verworven, naar de PRIEU worden overgedragen in de vorm van gespreide betalingen en niet in de vorm van een kapitaal op het tijdstip waarop de ambtenaar besluit om zijn pensioenrechten over te dragen. Deze omstandigheid heeft geen invloed op de pensioenrechten van verzoeker en evenmin op de berekening van het pensioen dat hem door de PRIEU wordt uitgekeerd.

54 Opgemerkt dient nog te worden dat het door de verwijzende rechter aangehaalde arrest van 10 november 1999, Kristensen e.a./Raad (T‑103/98, T‑104/98, T‑107/98, T‑113/98 en T‑118/98, EU:T:1999:289), een andere kwestie betrof dan die welke in casu aan de orde is. Dat arrest had immers betrekking op algemene uitvoeringsbepalingen die door de Raad van de Europese Unie waren vastgesteld en volgens welke het aantal pensioenjaren dat in aanmerking moest worden genomen voor de vaststelling van het ouderdomspensioen, werd berekend op basis van het totale overgedragen bedrag zonder dat dit aantal hoger mocht zijn dan het aantal jaren dat de betrokkene vóór zijn indiensttreding bij de Unie aangesloten was geweest bij andere pensioenregelingen. In de zaak die heeft geleid tot dat arrest, was voor een ambtenaar van de Raad het aantal pensioenjaren dat op basis van het overgedragen kapitaal in aanmerking moest worden genomen voor de periode vóór de indiensttreding, overeenkomstig de door deze instelling vastgestelde algemene uitvoeringsbepalingen, beperkt tot het aantal jaren dat de betrokkene vóór zijn indiensttreding bij de Unie aangesloten was geweest bij andere pensioenregelingen (zie in die zin arrest van 4 mei 2023, KY/Hof van Justitie van de Europese Unie, C‑100/22 P, EU:C:2023:377, punt 70). In het hoofdgeding zijn de overgedragen pensioenrechten evenwel volledig in aanmerking genomen. Dat arrest van het Gerecht is dus niet relevant voor het antwoord dat dient te worden gegeven op de gestelde vraag.

55 Gelet op een en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut en het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan het besluit van een ambtenaar van de Unie om de pensioenrechten die hij in een nationale pensioenregeling vóór zijn indiensttreding bij de Unie heeft verworven, over te dragen naar de PRIEU, onherroepelijk is, wanneer die wettelijke regeling niet voorziet in de daadwerkelijke overdracht van die pensioenrechten op de datum van dat besluit, maar in een overdracht door subrogatie van de instellingen van de Unie in die verworven rechten vanaf de datum waarop de ambtenaar aanspraak kan maken op zijn ouderdomspensioen, voor zover de overgedragen pensioenrechten daadwerkelijk in aanmerking worden genomen bij de berekening van het toegekende pensioenbedrag.

Kosten

56 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, zoals gewijzigd bij verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 571/92 van de Raad van 2 maart 1992, en het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan het besluit van een ambtenaar van de Europese Unie om de pensioenrechten die hij in een nationale pensioenregeling vóór zijn indiensttreding bij de Unie heeft verworven, over te dragen naar de pensioenregeling van de instellingen van de Europese Unie, onherroepelijk is, wanneer die wettelijke regeling niet voorziet in de daadwerkelijke overdracht van die pensioenrechten op de datum van dat besluit, maar in een overdracht door subrogatie van de instellingen van de Unie in die verworven rechten vanaf de datum waarop de ambtenaar aanspraak kan maken op zijn ouderdomspensioen, voor zover de overgedragen pensioenrechten daadwerkelijk in aanmerking worden genomen bij de berekening van het toegekende pensioenbedrag.

ondertekeningen

* Procestaal: Frans.

i Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken