HvJ EU 16 december 2004, C-293/03, ECLI:EU:C:2004:821

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak C‑293/03

Gregorio My

tegen

Rijksdienst voor pensioenen (RVP)

(verzoek van de Arbeidsrechtbank te Brussel om een prejudiciële beslissing)

„Ambtenaren – Overdracht van pensioenrechten – Artikel 11 van bijlage VIII bij Ambtenarenstatuut – Vervroegd rustpensioen – Inaanmerkingneming van tijdvakken van werkzaamheden bij Europese Gemeenschappen – Artikel 10 EG”

Samenvatting van het arrest

1. Vrij verkeer van personen – Werknemers – Begrip – Onderdaan van lidstaat, in dienst van internationale organisatie – Daaronder begrepen – Beperking – Werknemer die onderdaan is van lidstaat en zijn hele beroepsloopbaan op grondgebied van deze lidstaat heeft vervuld

(Art. 39 EG)

2. Lidstaten – Verplichtingen – Verplichting tot loyale samenwerking met instellingen van Gemeenschap – Niet-inaanmerkingneming van tijdvakken van werkzaamheden bij Europese Gemeenschappen voor toekenning van vervroegd rustpensioen krachtens nationale regeling – Ontoelaatbaarheid

(Art. 10 EG; Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, bijlage VIII, art. 11, lid 2)

1. Een ambtenaar van de Europese Gemeenschappen die in een andere lidstaat dan zijn land van herkomst werkt, heeft de hoedanigheid van migrerend werknemer. Hij verliest zijn hoedanigheid van werknemer in de zin van artikel 39, lid 1, EG immers niet doordat hij een functie bij een internationale organisatie vervult, ook al zijn de voorwaarden voor zijn toelating en verblijf in het land van tewerkstelling speciaal geregeld in een internationale overeenkomst.

De verdragsbepalingen inzake het vrij verkeer van werknemers, in het bijzonder artikel 39 EG, kunnen evenwel niet worden toegepast op louter interne situaties van een lidstaat. Een werknemer die zijn gehele beroepsloopbaan heeft vervuld op het grondgebied van de lidstaat waarvan hij onderdaan is, eerst als werknemer, en later, tot de pensioenleeftijd, als ambtenaar van de Europese Gemeenschappen, valt derhalve niet onder deze bepalingen.

(cf. punten 37, 39‑40, 43)

2. Artikel 10 EG, in samenhang met het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, dient aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan het niet is toegestaan, voor het ontstaan van een recht op een vervroegd rustpensioen krachtens het nationale stelsel rekening te houden met de door een gemeenschapsonderdaan in dienst van een gemeenschapsinstelling gewerkte jaren.

Een dergelijke nationale regeling kan immers de uitoefening van een beroepsactiviteit bij een instelling van de Europese Unie belemmeren en bijgevolg ontmoedigen, aangezien een werknemer die tevoren bij een nationale pensioenregeling was aangesloten, door zijn indiensttreding bij een dergelijke instelling het risico loopt dat hij geen aanspraak meer kan maken op een ouderdomsuitkering uit hoofde van die regeling, waarop hij recht zou hebben gehad indien hij deze betrekking niet had aanvaard.

Dergelijke gevolgen zijn onaanvaardbaar gelet op de plicht tot loyale samenwerking en bijstand die de lidstaten jegens de Gemeenschap hebben en die tot uitdrukking komt in de verplichting van artikel 10 EG om de vervulling van haar taak te vergemakkelijken.

(cf. punten 47‑49 en dictum)

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer) 16 december 2004(1)

„Ambtenaren – Overdracht van pensioenrechten – Artikel 11 van bijlage VIII bij Ambtenarenstatuut – Vervroegd rustpensioen – Inaanmerkingneming van tijdvakken van werkzaamheden bij Europese Gemeenschappen – Artikel 10 EG”

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 september 2004,

het navolgende

1 – Procestaal: Frans.

Aangehaald in