HvJ EU 28 november 2024, C-526/23, ECLI:EU:C:2024:985

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

28 november 2024 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen – Verordening (EU) nr. 1215/2012 – Bijzondere bevoegdheid – Vordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst – Artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje – Overeenkomst tot verstrekking van diensten – In een lidstaat ontwikkelde software die is aangepast aan de behoeften van een afnemer die in een andere lidstaat woont – Plaats van uitvoering”

In zaak C‑526/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) bij beslissing van 13 juli 2023, ingekomen bij het Hof op 17 augustus 2023, in de procedure

VariusSystems digital solutions GmbH

tegen

GR, eigenaar van de onderneming B & G,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: F. Biltgen (rapporteur), president van de Eerste kamer, waarnemend voor de president van de Tweede kamer, M. L. Arastey Sahún, president van de Vijfde kamer, en J. Passer, rechter,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– VariusSystems digital solutions GmbH, vertegenwoordigd door S. Duschel, K. Hanten en C. Kurz, Rechtsanwälte,

– GR, eigenaar van de onderneming B & G, vertegenwoordigd door T. Börner en S. Scheed, Rechtsanwälte,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Hohenecker en S. Noë als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 september 2024,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen VariusSystems digital solutions GmbH (hierna: „VariusSystems”), gevestigd in Oostenrijk, en GR, eigenaar van de in Duitsland gevestigde onderneming B & G, over een door VariusSystems ingediende vordering tot betaling van honoraria voor de ontwikkeling en exploitatie van software.

Toepasselijke bepalingen

3 De overwegingen 15 en 16 van verordening nr. 1215/2012 luiden als volgt: „(15) De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. […] (16) Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was. […]”

4 Artikel 4 van die verordening bepaalt in lid 1: „Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

5 Artikel 7 van die verordening bepaalt: „Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen: 1) a) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd; b) voor de toepassing van deze bepaling is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt: – voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden; – voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden; c) punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is; […]”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

6 VariusSystems heeft voor GR software ontwikkeld voor de analyse van COVID‑19-tests. VariusSystems en GR hebben mondeling een overeenkomst gesloten voor de ontwikkeling en de exploitatie van deze software met het oog op het gebruik ervan in Duitsland. VariusSystems moest worden vergoed voor elke met succes uitgevoerde test. De partijen zijn geen specifieke plaats van uitvoering of een bevoegde rechter in geval van een geschil overeengekomen.

7 Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat partijen het oneens zijn over de vraag of die software aan alle toepasselijke wettelijke vereisten voldoet.

8 VariusSystems heeft een vordering tot betaling van een bedrag van 101587,68 EUR ingesteld, waarbij zij de internationale bevoegdheid van de Oostenrijkse rechterlijke instanties heeft gebaseerd op het feit dat de betrokken diensten in Oostenrijk waren verricht. Volgens haar werd de betrokken software weliswaar voortdurend aangepast voor Duits gebruik, maar werden alle werkzaamheden verricht in Wenen (Oostenrijk).

9 GR heeft de internationale bevoegdheid van de Oostenrijkse rechterlijke instanties betwist met het betoog dat de verrichte dienst in casu uitsluitend bestond in het gebruik van die software in Duitsland, met inachtneming van de vereisten van het Duitse recht ter zake.

10 De in eerste aanleg aangezochte rechter heeft zich internationaal onbevoegd verklaard op grond dat de plaats van uitvoering van de betrokken overeenkomst de plaats betrof waar de zetel van de onderneming van GR is gelegen.

11 De rechter in tweede aanleg heeft deze beslissing bevestigd door in wezen te oordelen dat diensten die niet op een vaste plaats worden verricht, worden geacht te zijn verricht op de plaats waar de ontvanger van die diensten er toegang toe heeft. Bijgevolg bevindt die plaats van uitvoering zich in dit geval in Duitsland.

12 De verwijzende rechter, bij wie beroep in Revision tegen deze beslissing van de rechter in tweede aanleg is ingesteld, vraagt zich af of voor de vaststelling van de plaats van uitvoering in geval van diensten op afstand, moet worden uitgegaan van de plaats waar de verlener van de betrokken dienst, te weten in casu VariusSystems, het creatieve werk heeft verricht, dan wel door de plaats waar deze dienst is geleverd en waar de ontvanger ervan, te weten in casu GR, er toegang toe heeft gekregen.

13 In die omstandigheden heeft het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet artikel 7, punt 1, onder b), van verordening [nr. 1215/2012] aldus worden uitgelegd dat in het geval van een op een overeenkomst gebaseerde vordering de plaats van uitvoering voor de ontwikkeling en de voortdurende exploitatie van software die is ontworpen om te voldoen aan de individuele behoeften van een in lidstaat A (in casu Duitsland) gevestigde afnemer, gelegen is op de plaats a) waar de intellectuele schepping (‚programmering’) achter de software wordt verricht door de in lidstaat B (in casu Oostenrijk) gevestigde onderneming, of b) waar de afnemer toegang heeft tot de software, dat wil zeggen daar waar deze software wordt opgevraagd en gebruikt?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

14 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat de „plaats van uitvoering” van een overeenkomst voor de ontwikkeling en de daaropvolgende exploitatie van software die is ontworpen om te voldoen aan de behoeften van een afnemer die is gevestigd in een andere lidstaat dan die waar de vennootschap is gevestigd die deze software heeft gecreëerd, ontworpen en geprogrammeerd, de plaats is waar het creëren, ontwerpen en programmeren van die software is verricht of de plaats waar die afnemer toegang tot die software heeft, dat wil zeggen de plaats waar deze software wordt opgevraagd en gebruikt.

15 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat verordening nr. 1215/2012 is gericht op het creëren van eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken, door te voorzien in bevoegdheidsregels die in hoge mate voorspelbaar zijn, en dus een doelstelling van rechtszekerheid nastreeft die de rechtsbescherming van de in de Europese Unie gevestigde personen wil vergroten door te verzekeren dat de eiser gemakkelijk kan bepalen welk gerecht hij kan aanzoeken en de verweerder redelijkerwijs kan voorzien voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen (arrest van 14 september 2023, EXTÉRIA,C‑393/22, EU:C:2023:675, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

16 De bijzonderebevoegdheidsregel in artikel 7, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 voor verbintenissen uit overeenkomst beantwoordt aan een nabijheidsdoelstelling en is ingegeven door de wens dat er een nauwe band bestaat tussen de betrokken overeenkomst en het gerecht dat daarvan kennis moet nemen (zie in die zin arrest van 14 september 2023, EXTÉRIA,C‑393/22, EU:C:2023:675, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

17 Zoals de verwijzende rechter heeft vastgesteld, betreft de betrokken overeenkomst in casu de verstrekking van diensten in de zin van artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012, aangezien zij betrekking heeft op een geheel van activiteiten, te weten het ontwerp, de programmering, het onderhoud en de voortdurende aanpassing van geïndividualiseerde software.

18 Wat de plaats van uitvoering van verbintenissen uit een dergelijke overeenkomst betreft, definieert artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, het aanknopingscriterium voor die overeenkomst op autonome wijze als de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens die overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden, teneinde de doelstellingen van eenvormigheid en voorspelbaarheid van de regels inzake rechterlijke bevoegdheid en dus van rechtszekerheid te versterken. Dit autonome aanknopingscriterium kan worden toegepast op alle vorderingen uit één overeenkomst voor de verstrekking van diensten (arrest van 14 september 2023, EXTÉRIA,C‑393/22, EU:C:2023:675, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

19 Het gerecht dat op grond van artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen uit een overeenkomst tot verstrekking van diensten, is het gerecht van de lidstaat van de plaats waar de diensten hoofdzakelijk worden verricht, zoals die blijkt uit de bepalingen van deze overeenkomst, dan wel, bij gebreke van dergelijke bepalingen, uit de daadwerkelijke uitvoering van die overeenkomst (zie in die zin arrest van 8 maart 2018, Saey Home & Garden, C‑64/17, EU:C:2018:173, punt 45).

20 Wanneer er meerdere contractuele verbintenissen zijn, moet de kenmerkende verbintenis van de betrokken overeenkomst worden vastgesteld (zie in die zin arrest van 15 juni 2017, Kareda,C‑249/16, EU:C:2017:472, punt 40).

21 Wat een overeenkomst tot verstrekking van software als die in het hoofdgeding betreft, moet worden vastgesteld, zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft aangegeven, dat het ontwerp en de programmering van software niet de kenmerkende verbintenis van een dergelijke overeenkomst vormen, aangezien de dienst waarop deze overeenkomst betrekking heeft, niet daadwerkelijk aan de betrokken afnemer is verstrekt zolang die software niet operationeel is. Deze dienst is namelijk pas daadwerkelijk verricht vanaf het moment dat die software kan worden gebruikt en de kwaliteit ervan kan worden gecontroleerd.

22 Aangezien de kenmerkende verbintenis van een overeenkomst tot onlineverstrekking van software als die welke aan de orde is in het hoofdgeding erin bestaat deze software ter beschikking te stellen van de betrokken afnemer, moet de plaats van uitvoering van die overeenkomst worden beschouwd als de plaats waar die afnemer toegang heeft tot die software, te weten daar waar hij deze software opvraagt en gebruikt.

23 Wanneer deze software op verschillende plaatsen kan worden gebruikt, moet worden gepreciseerd dat deze plaats zich in de woonplaats van die afnemer en, in het geval van een vennootschap, de plaats van haar zetel bevindt, aangezien deze plaats zowel voor de eiser als voor de verweerder zeker en identificeerbaar is en dus de bewijslevering en de procesinrichting vergemakkelijkt (zie naar analogie arrest van 19 april 2012, Wintersteiger,C‑523/10, EU:C:2012:220, punt 37).

24 Zoals GR aanvoert, geldt deze conclusie los van de omstandigheid dat de specificaties die VariusSystems in acht moest nemen, de specificaties waren die zijn vastgesteld in de wetgeving van de lidstaat van de woonplaats van de afnemer, namelijk de Bondsrepubliek Duitsland. Een dergelijke materiële band met die lidstaat beantwoordt weliswaar aan de in respectievelijk de overwegingen 15 en 16 van verordening nr. 1215/2012 genoemde doelstellingen van voorzienbaarheid en nabijheid, maar partijen in het hoofdgeding zijn het oneens over de draagwijdte van die specificaties, waarvan de verduidelijking deel uitmaakt van het onderzoek ten gronde door de bevoegde rechter. De vaststelling van de plaats van uitvoering van een overeenkomst tot verstrekking van diensten in de zin van artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van deze verordening kan niet afhangen van criteria die deel uitmaken van dit onderzoek ten gronde (zie in die zin arrest van 25 maart 2021, Obala i lučice,C‑307/19, EU:C:2021:236, punt 90).

25 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat de „plaats van uitvoering” van een overeenkomst voor de ontwikkeling en de daaropvolgende exploitatie van software die is ontworpen om te voldoen aan de behoeften van een afnemer die is gevestigd in een andere lidstaat dan die waar de vennootschap is gevestigd die deze software heeft gecreëerd, ontworpen en geprogrammeerd, de plaats is waar die afnemer toegang tot die software heeft, dat wil zeggen de plaats waar deze software wordt opgevraagd en gebruikt.

Kosten

26 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

Artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

moet aldus worden uitgelegd dat

de „plaats van uitvoering” van een overeenkomst voor de ontwikkeling en de daaropvolgende exploitatie van software die is ontworpen om te voldoen aan de behoeften van een afnemer die is gevestigd in een andere lidstaat dan die waar de vennootschap is gevestigd die deze software heeft gecreëerd, ontworpen en geprogrammeerd, de plaats is waar die afnemer toegang tot die software heeft, dat wil zeggen de plaats waar deze software wordt opgevraagd en gebruikt.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Duits.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in