HvJ EU 21 november 2024, C-719/22, ECLI:EU:C:2024:978
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)
21 november 2024 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Invoer van gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit China – Voorlopige verordening (EU) nr. 1071/2012 – Uitvoeringsverordening (EU) nr. 430/2013 – Geldigheid – Verordening (EG) nr. 1225/2009 – Artikel 5 – Inleiding van de onderzoeksprocedure – Omschrijving van het betrokken product – Gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van nodulair gietijzer, met schroefdraad”
In zaak C‑719/22,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het hof van beroep Antwerpen (België) bij beslissing van 6 oktober 2022, ingekomen bij het Hof op 24 november 2022, in de strafrechtelijke procedure tegen
Profit Europe NV,
Gosselin Forwarding Services NV,
in tegenwoordigheid van:
Openbaar Ministerie,
Federale Overheidsdienst Financiën,
wijst
HET HOF (Tiende kamer),
samengesteld als volgt: D. Gratsias, kamerpresident, I. Jarukaitis, president van de Vierde kamer, en Z. Csehi (rapporteur), rechter,
advocaat-generaal: G. Pitruzzella,
griffier: A. Lamote, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 maart 2024,
gelet op de opmerkingen van:
– Profit Europe NV, vertegenwoordigd door P. Diaz Gavier, advocaat,
– Gosselin Forwarding Services NV, vertegenwoordigd door A. Poelmans, advocaat,
– de Belgische regering, vertegenwoordigd door S. Baeyens, P. Cottin en C. Pochet als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P.‑J. Loewenthal, G. Luengo en J. Zieliński als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de geldigheid van verordening (EU) nr. 1071/2012 van de Commissie van 14 november 2012 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand (PB 2012, L 318, blz. 10; hierna: „voorlopige verordening”), en van uitvoeringsverordening (EU) nr. 430/2013 van de Raad van 13 mei 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand en tot beëindiging van de procedure ten aanzien van Indonesië (PB 2013, L 129, blz. 1; hierna: „definitieve verordening”) (hierna samen: „antidumpingverordeningen”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafrechtelijke procedure tegen Profit Europe NV en Gosselin Forwarding Services NV (voorheen Crosstainer NV) (hierna: „Gosselin”), die ervan worden beschuldigd dat zij verschillende douaneovertredingen hebben begaan bij de invoer van gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van nodulair gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit China.
Toepasselijke bepalingen
Unieregeling inzake de tariefindeling
Communautair douanewetboek
3 Artikel 20 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1992, L 302, blz. 1; hierna: „communautair douanewetboek”) bepaalde in de leden 1 tot en met 3 en lid 6: „1. De bij het ontstaan van een douaneschuld wettelijk verschuldigde rechten zijn op het douanetarief van de Europese Gemeenschappen gebaseerd. 2. De andere maatregelen die uit hoofde van specifieke communautaire bepalingen in het kader van het goederenverkeer zijn vastgesteld, worden, in voorkomend geval, naargelang van de tariefindeling van deze goederen toegepast. 3. Het douanetarief van de Europese Gemeenschappen omvat: a) de gecombineerde nomenclatuur van de goederen; b) iedere andere nomenclatuur waarin de gecombineerde nomenclatuur geheel of gedeeltelijk of eventueel met toevoeging van onderverdelingen wordt overgenomen en die voor de toepassing van tariefmaatregelen in het kader van het goederenverkeer bij specifieke communautaire bepalingen wordt vastgesteld; [...] 6. Tariefindeling van goederen is de vaststelling, overeenkomstig de geldende bepalingen, van: a) hetzij de onderverdeling van de gecombineerde nomenclatuur, hetzij die van een andere, in lid 3, onder b), bedoelde nomenclatuur, b) hetzij de onderverdeling van enige andere nomenclatuur waarin de gecombineerde nomenclatuur geheel of gedeeltelijk of eventueel met toevoeging van onderverdelingen is overgenomen en die voor de toepassing van andere maatregelen dan tariefmaatregelen in het kader van het goederenverkeer bij specifieke communautaire bepalingen wordt vastgesteld, waaronder de goederen moeten worden ingedeeld.”
– GN
4 Zoals blijkt uit artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 254/2000 van de Raad van 31 januari 2000 (PB 2000, L 28, blz. 16) (hierna: „verordening nr. 2658/87”), stelt de Europese Commissie de gecombineerde nomenclatuur (hierna: „GN”) vast, die zowel aan de vereisten van het gemeenschappelijk douanetarief als aan die van de statistieken van de buitenlandse handel van de Europese Unie en andere beleidsmaatregelen van de Unie op het gebied van de in‑ en uitvoer van goederen voldoet.
5 De in bijlage I bij verordening nr. 2658/87 opgenomen GN is gebaseerd op het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen, dat is opgesteld door de Internationale Douaneraad, thans de Werelddouaneorganisatie (WCO), en is ingevoerd bij het op 14 juni 1983 te Brussel gesloten Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen. Dit verdrag is samen met het daarbij behorende Protocol van wijziging van 24 juni 1986 namens de Europese Economische Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 87/369/EEG van de Raad van 7 april 1987 (PB 1987, L 198, blz. 1). Overeenkomstig artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2658/87 neemt de GN de uit zes cijfers bestaande posten en onderverdelingen van het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen over. Alleen het zevende en het achtste cijfer vormen eigen onderverdelingen van de GN.
6 De GN, zowel in de versie van verordening (EU) nr. 1006/2011 van de Commissie van 27 september 2011 (PB 2011, L 282, blz. 1) als in de versie van uitvoeringsverordening (EU) nr. 927/2012 van de Commissie van 9 oktober 2012 (PB 2012, L 304, blz. 1), bevatte een post 7307, die als volgt was ingedeeld: „7307 Hulpstukken (fittings) voor buisleidingen (bijvoorbeeld verbindingsstukken, ellebogen, moffen), van gietijzer, van ijzer of van staal: – gegoten: 7307 11 – – van niet-smeedbaar gietijzer: 7307 11 10 – – – voor buizen en pijpen, van de soort gebruikt voor drukleidingen 7307 11 90 – – – andere 7307 19 – – andere: 7307 19 10 – – – van smeedbaar gietijzer 7307 19 90 – – – andere – andere, van roestvrij staal: [...] – andere:”
7 Krachtens artikel 9, lid 1, van verordening nr. 2658/87 stelt de Commissie toelichtingen op de GN vast.
8 De GN‑toelichtingen op de onderverdelingen 73071110 en 73071190 die op 6 mei 2011 zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB 2011, C 137, blz. 1), luidden: „Het begrip ‚niet-smeedbaar gietijzer’ omvat ook grijs gietijzer (lamellair-grafietgietijzer). Deze onderverdelingen omvatten hulpstukken van gietijzer zoals ellebogen, bochten, moffen, flenzen, T‑stukken. Ze worden met de buizen of pijpen van gietijzer of van staal verbonden door ze erop te schroeven of door snelfitten.”
9 De toelichtingen op onderverdeling 73071910 luidden als volgt: „Smeedbaar gietijzer is een tussenproduct tussen grijs gietijzer en gietstaal. Het kan gemakkelijk worden gegoten en het wordt na een passende thermische behandeling hard en smeedbaar. Bij de thermische behandeling verdwijnt het koolstof gedeeltelijk of verandert het van verbinding of toestand; het slaat uiteindelijk neer in de vorm van klontjes die de metaalcohesie in mindere mate schaden dan de grafietkorreltjes in grijs gietijzer. Wanneer het koolstofgehalte minder dan 2 gewichtspercenten bedraagt, wordt het product beschouwd als gietstaal (zie aantekening 1 op dit hoofdstuk); de hiervan vervaardigde producten behoren tot onderverdeling 73071990. Het begrip ‚smeedbaar gietijzer’ omvat ook nodulair gietijzer. [...]”
10 Bij de GN‑toelichtingen die op 4 januari 2019 zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB 2019, C 2, blz. 2), werd in de toelichting op onderverdeling 73071910 de derde alinea onder de post geschrapt. Voorts werd daarbij een nieuwe toelichting op onderverdeling 73071990 ingevoegd, volgens welke deze onderverdeling hulpstukken (fittings) van nodulair gietijzer omvat.
– Taric
11 Artikel 2 van verordening nr. 2658/87 bepaalt: „De Commissie stelt een geïntegreerd tarief van de Gemeenschappen, hierna ‚Taric’ genoemd, vast dat zowel aan de vereisten van het gemeenschappelijk douanetarief als aan die van de statistieken van de buitenlandse handel, het handels‑ en landbouwbeleid en andere beleidsmaatregelen van de Gemeenschap in verband met de invoer en de uitvoer van goederen voldoet. Het geïntegreerd tarief is gebaseerd op de [GN] en omvat: a) de in deze verordening vastgestelde bepalingen; b) de aanvullende communautaire onderverdelingen, ‚TARIC-onderverdelingen’ genoemd, die noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van de in bijlage II vermelde specifieke maatregelen van de Gemeenschap; [...]”
12 Tot de in artikel 2 van deze verordening vastgestelde maatregelen van de Unie behoren volgens punt 5 van bijlage II erbij onder meer de antidumpingrechten.
13 Taric-code 7307191010 was van toepassing op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad.
Antidumpingregelgeving
– Basisverordening
14 Artikel 1, leden 1, 2 en 4, van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51; hierna: „basisverordening”) bepaalde: „1. Een antidumpingrecht kan worden toegepast op ieder product ten aanzien waarvan dumping plaatsvindt, wanneer het in de Gemeenschap in het vrije verkeer brengen daarvan schade veroorzaakt. 2. Ten aanzien van een product wordt geacht dumping plaats te vinden indien de prijs van dit product bij uitvoer naar de Gemeenschap lager is dan een vergelijkbare prijs die in het kader van normale handelstransacties voor het soortgelijke product voor het land van uitvoer is vastgesteld. [...] 4. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder ‚soortgelijk product’ verstaan een product dat identiek is, dat wil zeggen in ieder opzicht gelijk aan het betrokken product of, bij gebrek aan een dergelijk product, een ander product dat, hoewel het niet in ieder opzicht gelijk is, kenmerken bezit die grote overeenkomst vertonen met die van het betrokken product.”
15 Artikel 5 van die verordening, met als opschrift „Inleiding van de procedure”, bepaalde het volgende: „1. Behoudens het bepaalde in lid 6, wordt een onderzoek naar het bestaan, de omvang en de gevolgen van dumping geopend naar aanleiding van een schriftelijke klacht die door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon of een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid namens een bedrijfstak van de Gemeenschap wordt ingediend. [...] 2. Een klacht overeenkomstig lid 1 behoort bewijsmateriaal te bevatten ten aanzien van dumping, schade en het oorzakelijke verband tussen de beweerde invoer met dumping en de gestelde schade. De klacht behoort alle navolgende gegevens te bevatten waarover de klager redelijkerwijze beschikt: a) de identiteit van de klager en de omvang en de waarde van het soortgelijke product dat de klager in de Gemeenschap vervaardigt. Wordt namens de bedrijfstak van de Gemeenschap een schriftelijke klacht ingediend, dan wordt deze bedrijfstak daarin omschreven door middel van een lijst van alle bekende communautaire producenten van het soortgelijke product (of verenigingen van communautaire producenten van het soortgelijke product) en, voor zover mogelijk, een opgave van de hoeveelheid en de waarde van het soortgelijke product dat door deze producenten in de Gemeenschap wordt vervaardigd; b) een volledige omschrijving van het naar beweerd met dumping ingevoerde product, de naam van het betrokken land of de betrokken landen van oorsprong of uitvoer, de identiteit van elke bekende exporteur of buitenlandse producent en een lijst van bekende personen die het betrokken product invoeren; c) de prijzen waartegen het betrokken product voor verbruik op de binnenlandse markt van het land of de landen van oorsprong of uitvoer wordt verkocht (of, indien van toepassing, de prijzen waartegen het product vanuit het land of de landen van oorsprong of uitvoer naar een of meer derde landen wordt verkocht, of de door berekening vastgestelde waarde van het product), alsmede gegevens over uitvoerprijzen of, indien van toepassing, de prijzen waartegen het product voor het eerst aan een onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap wordt wederverkocht; d) gegevens omtrent de veranderingen in de omvang van de beweerde invoer met dumping, de weerslag van deze invoer op de prijzen van het soortgelijke product op de markt van de Gemeenschap en de weerslag van de invoer op de bedrijfstak van de Gemeenschap, zoals blijkt uit relevante factoren en indicatoren met betrekking tot de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, waaronder die welke zijn genoemd in artikel 3, leden 3 en 5. 3. De Commissie onderzoekt, voor zover mogelijk, de juistheid en de toereikendheid van het in de klacht vermelde bewijsmateriaal teneinde vast te stellen of dit voldoende is om de opening van een onderzoek te rechtvaardigen. [...] 9. Wanneer na overleg blijkt dat er voldoende bewijsmateriaal is om de inleiding van een procedure te rechtvaardigen, gaat de Commissie binnen 45 dagen na indiening van de klacht daartoe over en maakt zij dit in het Publicatieblad van de Europese Unie bekend. [...] 10. In het bericht van inleiding van de procedure wordt de opening van een onderzoek aangekondigd, worden het betrokken product en de betrokken landen bekendgemaakt, wordt een samenvatting gegeven van de ontvangen informatie en wordt vermeld dat alle relevante informatie aan de Commissie dient te worden medegedeeld. Voorts worden in dit bericht de termijnen bekendgemaakt, waarbinnen belanghebbenden zich kenbaar kunnen maken, hun standpunt schriftelijk naar voren kunnen brengen en de inlichtingen kunnen verstrekken wanneer dit standpunt en deze inlichtingen tijdens het onderzoek in aanmerking moeten worden genomen. Tevens wordt hierin de termijn bekendgemaakt, waarbinnen belanghebbenden kunnen verzoeken, overeenkomstig artikel 6, lid 5, door de Commissie te worden gehoord. [...]”
16 Artikel 6 van deze verordening had als opschrift „Het onderzoek” en bepaalde in de leden 1 en 5: „1. Na de inleiding van de procedure maakt de Commissie, in samenwerking met de lidstaten, een aanvang met het onderzoek op het vlak van de Gemeenschap. Dit onderzoek heeft zowel betrekking op de dumping als op de schade en deze beide elementen worden terzelfder tijd onderzocht. [...] [...] 5. De belanghebbenden die zich overeenkomstig artikel 5, lid 10, kenbaar hebben gemaakt, worden gehoord indien zij binnen de termijn die in het in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt bericht is vastgesteld, een daartoe strekkend schriftelijk verzoek indienen, waarin zij aantonen dat zij belanghebbenden zijn, voor wie de resultaten van de procedure vermoedelijk consequenties zullen hebben en dat zij geldige redenen hebben om te worden gehoord.”
17 Artikel 7 van de basisverordening had als opschrift „Voorlopige maatregelen” en bepaalde in lid 1: „Voorlopige rechten kunnen worden ingesteld indien een procedure is ingeleid overeenkomstig artikel 5, hiervan bericht is gegeven en belanghebbenden overeenkomstig artikel 5, lid 10, voldoende gelegenheid hebben gehad, inlichtingen te verstrekken en opmerkingen te maken, er voorlopig is vastgesteld dat dumping plaatsvindt en daaruit schade voor een bedrijfstak van de Gemeenschap voortvloeit, en het belang van de Gemeenschap maatregelen ter voorkoming van dergelijke schade noodzakelijk maakt. Voorlopige rechten worden niet eerder dan 60 dagen en niet later dan negen maanden na de inleiding van de procedure ingesteld.”
18 Artikel 9 van deze verordening, „Beëindiging zonder maatregelen; instelling van definitieve rechten”, bepaalde in lid 4: „Wanneer uit de definitief vastgestelde feiten blijkt dat er dumping plaatsvindt en daardoor schade wordt veroorzaakt, en het in het belang van de Gemeenschap is om maatregelen in de zin van artikel 21 te nemen, stelt de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het raadgevend comité, een definitief antidumpingrecht in. Het voorstel wordt goedgekeurd tenzij de Raad met een gewone meerderheid van stemmen besluit het voorstel te verwerpen, wat binnen één maand na indiening door de Commissie moet gebeuren. Wanneer voorlopige rechten van toepassing zijn, wordt ten minste één maand voor het vervallen van deze rechten een voorstel voor definitieve maatregelen ingediend. Het antidumpingrecht mag niet hoger zijn dan de vastgestelde dumpingmarge en moet lager zijn dan deze marge als dat toereikend is om een einde te maken aan de schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.”
– Voorlopige verordening
19 De overwegingen 1, 2, 16, 19 en 28 van de voorlopige verordening luidden als volgt: „(1) Op 16 februari 2012 heeft de [...] Commissie [...] met een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie [(PB 2012, C 44, blz. 33)] (‚het bericht van inleiding’) de inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer in de Unie van gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China [...], Thailand en Indonesië (‚de betrokken landen’) aangekondigd. (2) De procedure werd ingeleid als gevolg van een klacht die op 3 januari 2012 werd ingediend door het Defence Committee of Tube or Pipe Cast Fittings, of Malleable Cast Iron of the European Union [...] namens producenten die meer dan 50 % van de totale productie van gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, in de Unie voor hun rekening nemen. Het bij de klacht gevoegde voorlopige bewijsmateriaal over dumping van het product en de aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om een onderzoek te openen. [...] (16) Het betrokken product, zoals beschreven in het bericht van inleiding, bestaat uit gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad [...], momenteel ingedeeld onder GN-code ex73071910. [...] (19) Het betrokken product en het product dat wordt geproduceerd en verkocht op de binnenlandse markt van de [Volksrepubliek China], Thailand en Indonesië, en op de binnenlandse markt van India, dat dienstdeed als referentieland, alsook het product dat in de Unie wordt vervaardigd en verkocht door de bedrijfstak van de Unie, bleken dezelfde [fysieke] en technische basiskenmerken te hebben. Zij worden daarom voorlopig beschouwd als gelijk in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening [...]. [...] (28) De autoriteiten van een van de lidstaten hebben gewezen op het feit dat overeenkomstig de toelichtingen op de [GN] het begrip ‚smeedbaar gietijzer’ ook nodulair gietijzer omvat. Hoewel tijdens het [onderzoektijdvak] door geen belanghebbende melding is gemaakt van verkoop van hulpstukken met schroefdraad, vervaardigd uit nodulair gietijzer, is er bewijsmateriaal dat dit mogelijk is. Aangezien deze hulpstukken dezelfde [fysieke] basiskenmerken hebben als de onderzochte hulpstukken van smeedbaar gietijzer met schroefdraad, moet worden verduidelijkt dat producten van nodulair gietijzer onder de procedure en de maatregelen vallen.”
20 Artikel 1, lid 1, van deze verordening bepaalde: „Een voorlopig antidumpingrecht wordt ingesteld op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, momenteel ingedeeld onder GN‑code ex73071910 (Taric-code 7307191010) en van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand.”
– Definitieve verordening
21 De overwegingen 12 en 13 van de definitieve verordening luidden als volgt: „(12) Gezien het bovenstaande wordt het passend geacht de in de voorlopige verordening vastgestelde productomschrijving te herzien. Het betrokken product wordt daarom definitief gedefinieerd als gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, momenteel ingedeeld onder GN‑code ex73071910, uitgezonderd binnenringen van knelkoppelingen met metrisch schroefdraad overeenkomstig ISO DIN 13, en ronde aansluitdozen van smeedbaar ijzer, met schroefdraad, zonder deksel. (13) Aangezien geen andere opmerkingen over het betrokken product en het soortgelijke product werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 17 tot en met 21 en 23 tot en met 28 van de voorlopige verordening bevestigd.”
22 Artikel 1, lid 1, van de definitieve verordening bepaalde: „Een definitief antidumpingrecht wordt ingesteld op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, uitgezonderd binnenringen van knelkoppelingen met metrisch schroefdraad overeenkomstig ISO DIN 13, en ronde aansluitdozen van smeedbaar ijzer, met schroefdraad, zonder deksel, momenteel ingedeeld onder GN‑code ex73071910 (Taric-code 7307191010) en van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
23 Profit Europe en Gosselin zijn twee Belgische ondernemingen. Profit Europe importeert hulpstukken (fittings) voor buisleidingen van gietijzer en Gosselin biedt douaneaangiftediensten aan. Beide worden met name vervolgd omdat zij in de periode van 19 november 2012 tot en met 30 juni 2015 bij de invoer van hulpstukken (fittings) voor buisleidingen van nodulair gietijzer uit China antidumpingrechten voor een bedrag van 651954,11 EUR hebben ontdoken door deze hulpstukken onder een onjuiste tariefpost en benaming te hebben aangegeven, te weten postonderverdeling 73071110 van de GN, die betrekking heeft op hulpstukken van niet-smeedbaar gietijzer.
24 Dienaangaande heeft de Centrale Administratie der Douane en Accijnzen (België) bij beschikkingen van 30 maart 2015 en 9 april 2015 geoordeeld dat deze producten vielen onder postonderverdeling 73071910 van de GN en Taric-code 7307191090 [„gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, zonder schroefdraad”]. Deze beschikkingen verwezen naar de GN-toelichtingen op postonderverdeling 73071910, waarin staat dat het begrip „smeedbaar gietijzer” ook nodulair gietijzer omvat, alsmede naar de conclusies van de 140e vergadering van het Comité douanewetboek – die plaatsvond van 30 september tot en met 3 oktober 2014 –, waarin in wezen is bevestigd dat dit begrip ruim wordt opgevat.
25 Aangezien de bezwaren van Profit Europe waren afgewezen, heeft zij op 10 mei 2016 tegen elk van die beschikkingen beroep ingesteld bij de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel (België).
26 Voorts is op 24 februari 2017 bij de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen (België), een strafrechtelijke procedure ingesteld tegen Profit Europe en Gosselin, onder meer omdat zij die goederen onder een onjuiste tariefpost en benaming hebben aangegeven.
27 Terwijl deze strafrechtelijke procedure aanhangig was, heeft de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel op 16 juni 2017 het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing in twee zaken die hebben geleid tot het arrest van 12 juli 2018, Profit Europe (C‑397/17 en C‑398/17, EU:C:2018:564).
28 In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van nodulair gietijzer, moeten worden ingedeeld onder restpost 73071990 van de GN [„andere hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van gietijzer, van ijzer of van gegoten staal”].
29 Na het arrest van 12 juli 2018, Profit Europe (C‑397/17 en C‑398/17, EU:C:2018:564), heeft de Belgische Staat het standpunt dat hij tot dan toe voor de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel had verdedigd niet meer gehandhaafd, en werd aan Profit Europe een rechtsplegingsvergoeding toegekend.
30 Bij vonnis van 28 maart 2019 heeft de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, Profit Europe en Gosselin vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten in verband met de aangifte onder een onjuiste tariefpost en benaming, en de vordering van de Centrale Administratie der Douane en Accijnzen afgewezen.
31 Op 16 april 2019 hebben het Openbaar Ministerie (België) en de Federale Overheidsdienst Financiën (België) tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het hof van beroep Antwerpen (België).
32 Bij beslissing van 18 juni 2020 heeft deze rechterlijke instantie het Hof op grond van artikel 267 VWEU verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de antidumpingverordeningen.
33 In het arrest van 15 juli 2021, Profit Europe en Gosselin Forwarding Services (C‑362/20, EU:C:2021:612), heeft het Hof voor recht verklaard dat deze verordeningen aldus moeten worden uitgelegd dat de bij die verordeningen ingestelde voorlopige en definitieve antidumpingrechten van toepassing zijn op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van nodulair gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit China.
34 Voor het hof van beroep Antwerpen, de verwijzende rechter in de onderhavige zaak, betogen Profit Europe en Gosselin dat die verordeningen ongeldig zijn wegens schending van de artikelen 1, 5, 6 en 9 van de basisverordening, voor zover zij gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van nodulair gietijzer, met schroefdraad, aan antidumpingrechten onderwerpen, ook al hebben zij uitsluitend betrekking op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van „smeedbaar” gietijzer, met schroefdraad.
35 De verwijzende rechter merkt op dat de vermelding in de voorlopige verordening, onder het opschrift „Soortgelijk product”, van „nodulair gietijzer”, eveneens bekend als gietijzer met bolgrafiet, niet voortvloeit uit de klacht die op 3 januari 2012 is ingediend door het Defence Committee of Tube or Pipe Cast Fittings, of Malleable Cast Iron of the European Union, en ook niet uit het bericht van inleiding, maar uit een opmerking van een lidstaat na afloop van het onderzoek van de Commissie.
36 Deze rechter leidt daaruit af dat hulpstukken van nodulair gietijzer, dat – zoals het Hof in zijn arrest van 12 juli 2018, Profit Europe (C‑397/17 en C‑398/17, EU:C:2018:564), heeft geoordeeld – verschilt van smeedbaar gietijzer vanwege de samenstelling en productiewijze ervan, niet het voorwerp van een antidumpingonderzoek hebben uitgemaakt. Bijgevolg beschikte de Commissie over geen enkel cijfermateriaal om vast te stellen of er bij de invoer van hulpstukken (fittings) voor buisleidingen van nodulair gietijzer in de Unie sprake was van dumping, of die dumping schade veroorzaakte en of het in het belang van de Unie was om die invoer aan antidumpingmaatregelen te onderwerpen. Aangegeven wordt dat uit de voorlopige verordening in het bijzonder niet blijkt dat de Commissie over de nodige gegevens beschikte om de normale waarde en de uitvoerprijs te bepalen en de dumpingmarges te berekenen.
37 De verwijzende rechter vraagt zich af of de Commissie, bij gebreke van deze gegevens, de bevindingen van het antidumpingonderzoek – dat uitsluitend gebeurde op basis van hulpstukken (fittings) voor buisleidingen van smeedbaar gietijzer – zomaar kon doortrekken naar hulpstukken (fittings) voor buisleidingen van nodulair gietijzer.
38 In die omstandigheden heeft het hof van beroep Antwerpen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Schenden de [voorlopige en de definitieve verordening] de artikelen 1, 5, 6 en 9 van de basisverordening [...] voor zover zij de invoer van gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van nodulair gietijzer, met schroefdraad en van oorsprong uit [...] China aan antidumpingrechten onderwerpen bij invoer, wanneer de klacht voor de inleiding van een antidumpingprocedure, noch het bericht van inleiding van de antidumpingmaatregel dergelijke goederen identificeerde als het betrokken product, er geen enkel bewijsmateriaal werd overgemaakt aangaande de dumping, schade en het oorzakelijk verband, en de [...] Commissie op geen enkele manier onderzoek voerde naar hun normale waarde, uitvoerprijs, eventuele dumpingmarge, de eventuele schade, de omvang van de schade, de impact van andere gekende factoren op de schade, het oorzakelijk verband tussen dumping en schade en de noodzaak om die goederen [gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen van nodulair gietijzer met schroefdraad] aan antidumpingrechten te onderwerpen in het belang van de Unie?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
39 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de voorlopige en de definitieve verordening ongeldig zijn in het licht van de artikelen 1, 5, 6 en 9 van de basisverordening voor zover zij de invoer van gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van nodulair gietijzer, met schroefdraad en van oorsprong uit China onderwerpen aan antidumpingrechten, ook al hadden de klacht, het bericht van inleiding en het daaropvolgende onderzoek uitsluitend betrekking op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad.
40 Krachtens artikel 1, lid 1, van de basisverordening kan een antidumpingrecht worden toegepast op een product ten aanzien waarvan dumping plaatsvindt, wanneer het in de Unie in het vrije verkeer brengen daarvan schade veroorzaakt. Lid 2 van dat artikel bepaalt dat ten aanzien van een product dumping wordt geacht plaats te vinden indien de prijs van dit product bij uitvoer naar de Unie lager is dan een vergelijkbare prijs die in het kader van normale handelstransacties voor het soortgelijke product voor het land van uitvoer is vastgesteld.
41 Artikel 5 van de basisverordening bepaalt onder welke voorwaarden het onderzoek naar het bestaan, de omvang en de gevolgen van eventuele dumping wordt geopend. Wanneer het onderzoek wordt geopend naar aanleiding van een klacht, bepaalt artikel 5, lid 2, van die verordening dat deze klacht onder meer een volledige omschrijving moet bevatten van het naar beweerd met dumping ingevoerde product, alsmede bewijsmateriaal ten aanzien van het bestaan van dumping van dat product en van daaruit voortvloeiende schade voor een bedrijfstak van de Unie. Overeenkomstig artikel 5, lid 10, van deze verordening wordt in het bericht van inleiding van de procedure, dat de opening van een onderzoek aankondigt, onder meer het betrokken product bekendgemaakt en een samenvatting van de ontvangen informatie gegeven.
42 Artikel 6 van de basisverordening legt de regels en procedures vast die tijdens het onderzoek van toepassing zijn.
43 Artikel 9, lid 4, van deze verordening bepaalt dat wanneer uit de definitief vastgestelde feiten blijkt dat er dumping plaatsvindt en daardoor schade wordt veroorzaakt, en het in het belang van de Unie is om maatregelen in de zin van artikel 21 van die verordening te nemen, een definitief antidumpingrecht wordt ingesteld.
44 Uit artikel 1 en artikel 9, lid 4, van de basisverordening volgt dus dat enkel producten ten aanzien waarvan een antidumpingonderzoek is gevoerd en waarvan is vastgesteld dat zij naar de Unie zijn uitgevoerd tegen een prijs die lager is dan die van soortgelijke producten in het land van uitvoer, aan antidumpingmaatregelen kunnen worden onderworpen (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Profit Europe en Gosselin Forwarding Services, C‑362/20, EU:C:2021:612, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 Voor de beantwoording van de gestelde vraag moet dus worden vastgesteld of gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van nodulair gietijzer, met schroefdraad – zoals vereist door de basisverordening – vielen onder de in punt 2 van het bericht van inleiding opgenomen omschrijving van het product waarop het onderzoek betrekking had.
46 In dit verband zij eraan herinnerd dat de Commissie naar aanleiding van de klacht die zag op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, op 16 februari 2012 het bericht van inleiding heeft bekendgemaakt en dat punt 2 van dit bericht het onderzochte product omschrijft als „gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad”. In punt 3 van dat bericht werd erop gewezen dat het product dat beweerdelijk met dumping werd ingevoerd toen onder postonderverdeling 73071910 van de GN viel, waarbij werd aangegeven dat deze onderverdeling „slechts ter informatie” werd vermeld.
47 In de eerste plaats volgt uit artikel 20, lid 2, van het communautair douanewetboek, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld in de punten 73 en 74 van het arrest van 15 juli 2021, Profit Europe en Gosselin Forwarding Services (C‑362/20, EU:C:2021:612), dat de maatregelen die zijn vastgesteld uit hoofde van specifieke Unierechtelijke bepalingen en die van toepassing zijn in het kader van het goederenverkeer – andere dan de bij het ontstaan van een douaneschuld wettelijk verschuldigde rechten, te weten met name antidumpingrechten – slechts „in voorkomend geval” naargelang van de tariefindeling van deze goederen worden toegepast. Een arrest van het Hof dat, zoals het geval is voor het arrest van 12 juli 2018, Profit Europe (C‑397/17 en C‑398/17, EU:C:2018:564), alleen ziet op de tariefindeling van een product – waarop de antidumpingverordeningen overigens betrekking hebben – kan bijgevolg als zodanig geen invloed hebben op de werkingssfeer van deze verordeningen. Op grond van het laatstgenoemde arrest kan dus niet worden geoordeeld dat gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van nodulair gietijzer, met schroefdraad, niet onder het antidumpingonderzoek in kwestie vielen.
48 In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat gedurende de gehele periode tussen de indiening van de klacht en de vaststelling van de definitieve verordening in de GN‑toelichtingen op postonderverdeling 73071910, waaronder gegoten hulpstukken (fittings) van smeedbaar gietijzer vallen, stond dat het begrip „smeedbaar gietijzer” in de zin van die onderverdeling ook nodulair gietijzer omvatte.
49 Uit deze toelichtingen blijkt ook dat het begrip „smeedbaar gietijzer” in de zin van die toelichtingen moest worden opgevat als antoniem van niet-smeedbaar gietijzer.
50 Er zij aan herinnerd dat smeedbaarheid in de materiaalwetenschap betrekking heeft op het feit dat een materiaal onder drukspanning kan worden vervormd alsook dat nodulair gietijzer onder een dergelijke spanning tot op zekere hoogte vervormbaar is (zie in die zin arrest van 12 juli 2018, Profit Europe, C‑397/17 en C‑398/17, EU:C:2018:564, punten 40 en 43). Nodulair gietijzer kan dus als „smeedbaar” worden aangemerkt.
51 Uit de overwegingen in de punten 48 tot en met 50 van het onderhavige arrest volgt dat het begrip „smeedbaar gietijzer” in de zin van de klacht en punt 2 van het bericht van inleiding nodulair gietijzer omvatte, zodat gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van nodulair gietijzer, met schroefdraad, louter een variant van het betrokken „product” in de zin van artikel 5, lid 2, onder b), en lid 10, van de basisverordening vormden.
52 In dit verband moet worden benadrukt dat het begrip „product ten aanzien waarvan wordt geacht dat dumping plaatsvindt” in de zin van artikel 1, lid 2, van de basisverordening niet noodzakelijkerwijs ziet op een product dat als een homogeen geheel te beschouwen is. Voor de vaststelling van de inhoud van dit begrip in een concreet geval is het daarentegen wel relevant dat het betrokken product betrekking heeft op een geheel van producten die dezelfde essentiële fysieke en technische kenmerken vertonen (zie in die zin arrest van 17 maart 2016, Portmeirion Group, C‑232/14, EU:C:2016:180, punten 38‑42 en 48).
53 Gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, met schroefdraad, hebben, ongeacht of zij bestaan uit „smeedbaar gietijzer” of „nodulair gietijzer”, dezelfde essentiële fysieke basiskenmerken (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Profit Europe en Gosselin Forwarding Services, C‑362/20, EU:C:2021:612, punt 63), zodat zij – zoals de Commissie ter terechtzitting heeft aangevoerd – in wezen voor dezelfde doeleinden worden gebruikt en onderling verwisselbaar zijn.
54 Gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van nodulair gietijzer, met schroefdraad, vielen derhalve onder de omschrijving van het product waarvan in de klacht werd gesteld dat er sprake was van dumping, alsook onder die van het onderzochte product. Hieruit volgt dat de in het kader van dit onderzoek verzamelde gegevens en de conclusies inzake dumping, schade, oorzakelijk verband en het belang van de Unie waartoe het oorspronkelijke onderzoek heeft geleid met betrekking tot gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, ook betrekking hadden op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van nodulair gietijzer, met schroefdraad.
55 Er zij overigens op gewezen dat hulpstukken met schroefdraad vervaardigd uit „nodulair gietijzer” volgens overweging 28 van de voorlopige verordening onder de procedure en de maatregelen vielen, aangezien hulpstukken van nodulair gietijzer dezelfde essentiële fysieke kenmerken hebben als hulpstukken van smeedbaar gietijzer met schroefdraad. Ten eerste werd er in de meeste taalversies van overweging 28 ook op gewezen dat gietijzer met bolgrafiet identiek is aan nodulair gietijzer. Ten tweede blijkt uit overweging 13 van de definitieve verordening dat er geen opmerkingen over het betrokken product waren gemaakt, zodat de bevindingen in met name overweging 28 van de voorlopige verordening werden bevestigd.
56 Uit deze vaststellingen volgt dat de aanname waarop de prejudiciële vraag is gebaseerd, namelijk dat gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van nodulair gietijzer, met schroefdraad, niet het voorwerp van de betrokken antidumpingprocedure waren, onjuist is, zodat de twijfels van de verwijzende rechter over de geldigheid van de antidumpingverordeningen in het licht van de artikelen 1, 5, 6 en 9 van de basisverordening ongegrond zijn.
57 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat bij het onderzoek van deze vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die afbreuk kunnen doen aan de geldigheid van de antidumpingverordeningen in het licht van de artikelen 1, 5, 6 en 9 van de basisverordening.
Kosten
58 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:
Bij het onderzoek van de prejudiciële vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die in het licht van de artikelen 1, 5, 6 en 9 van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap afbreuk kunnen doen aan de geldigheid van verordening (EU) nr. 1071/2012 van de Commissie van 14 november 2012 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand, en van uitvoeringsverordening (EU) nr. 430/2013 van de Raad van 13 mei 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand en tot beëindiging van de procedure ten aanzien van Indonesië.
Gratsias Jarukaitis Csehi Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 21 november 2024. De griffier A. Calot Escobar De president K. Lenaerts
( *1 ) Procestaal: Nederlands.