HvJ EU 4 oktober 2024, C-579/23, ECLI:EU:C:2024:832

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

4 oktober 2024 ( *1 )

„Hogere voorziening – Definitie van ‚oorsprongsbenaming’ en ‚geografische aanduiding’ – Verordening (EU) nr. 1151/2012 – Artikelen 7 en 8 – Artikel 49, lid 2, en artikel 50, lid 1 – Omvang van het toezicht door de Europese Commissie op aanvragen tot registratie van een naam als geografische aanduiding – Verdeling van de bevoegdheden tussen de nationale autoriteiten en de Commissie – Voorwaarden voor het registreren van een naam”

In zaak C‑579/23 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 19 september 2023,

Cunsorziu di i Salamaghji Corsi – Consortium des Charcutiers Corses, gevestigd te Borgo (Frankrijk),

Charcuterie Fontana, gevestigd te Borgo,

Costa et Fils, gevestigd te Urtaca (Frankrijk),

L’Aziana, gevestigd te Bastelica (Frankrijk),

Charcuterie Passoni, gevestigd te Venzolasca (Frankrijk),

Orezza – Charcuterie la Castagniccia, gevestigd te San-Giuliano (Frankrijk),

Salaisons Réunies, gevestigd te Penta-di-Casinca (Frankrijk),

Salaisons Joseph Pantaloni, gevestigd te Sarrola-Carcopino (Frankrijk),

Antoine Semidei, gevestigd te Castellare-di-Casinca (Frankrijk),

L’Atelu Corsu, gevestigd te Ajaccio (Frankrijk),

vertegenwoordigd door T. de Haan en V. Le Meur-Baudry, avocats,

rekwiranten,

andere partij in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Konstantinidis, C. Perrin en B. Rechena als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, T. von Danwitz, P. G. Xuereb, A. Kumin en I. Ziemele (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 juni 2024,

het navolgende

Arrest

1 Met hun hogere voorziening vorderen rekwiranten vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 12 juli 2023, Cunsorziu di i Salamaghji Corsi – Consortium des Charcutiers Corses e.a./Commissie (T‑34/22, EU:T:2023:386; hierna: „bestreden arrest”), waarbij hun beroep tot nietigverklaring van uitvoeringsbesluit (EU) 2021/1879 van de Commissie van 26 oktober 2021 tot afwijzing van drie aanvragen tot bescherming van een naam als geografische aanduiding overeenkomstig artikel 52, lid 1, van verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad [„Jambon sec de l’Île de Beauté” (BGA), „Lonzo de l’Île de Beauté” (BGA), „Coppa de l’Île de Beauté” (BGA)] (PB 2021, L 383, blz. 1; hierna: „litigieus besluit”) is verworpen.

Toepasselijke bepalingen

2 De overwegingen 19, 58 en 61 van verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB 2012, L 343, blz. 1) luiden als volgt: „(19) Ervoor zorgen dat de intellectuele-eigendomsrechten met betrekking tot in de Unie beschermde namen in de gehele [Europese] Unie op eenvormige wijze worden nageleefd, is een prioriteit die beter op het niveau van de Unie kan worden bereikt. […] (58) Om te garanderen dat geregistreerde namen van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen en van gegarandeerde traditionele specialiteiten voldoen aan de voorwaarden van deze verordening, moeten aanvragen worden onderzocht door de nationale autoriteiten van de betrokken lidstaten, onder naleving van gemeenschappelijke minimumvoorschriften, mede omvattende een nationale bezwaarprocedure. Vervolgens moet de [Europese] Commissie de aanvragen grondig onderzoeken om te garanderen dat deze geen kennelijke fouten bevatten en dat er rekening is gehouden met het Unierecht en met de belangen van de belanghebbenden buiten de lidstaat van de aanvraag. […] (61) De registratieprocedure voor beschermde oorsprongsbenamingen, beschermde geografische aanduidingen en gegarandeerde traditionele specialiteiten, met inbegrip van het onderzoek en de bezwaartermijnen, moet worden ingekort en verbeterd, met name wat de besluitvorming betreft. De Commissie, die in bepaalde omstandigheden handelt met assistentie van de lidstaten, dient verantwoordelijk te zijn voor de besluitvorming inzake registratie. […]”

3 Titel II van verordening nr. 1151/2012, met als opschrift „Beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen”, bevat onder meer artikel 6, „Algemeen karakter, conflicten met namen van planten- en dierenrassen, homoniemen en merken”, dat in lid 3, eerste alinea, bepaalt: „Een voor registratie voorgestelde naam die geheel of gedeeltelijk homoniem is met een naam die reeds in het krachtens artikel 11 ingestelde register is opgenomen, kan niet worden geregistreerd tenzij er in de praktijk voldoende onderscheid is tussen de plaatselijke en traditionele gebruiken en de aanbiedingsvorm van het later geregistreerde homoniem en de reeds in het register opgenomen naam, rekening houdend met het feit dat de betrokken producenten een billijke behandeling moeten krijgen en dat de consument niet mag worden misleid.”

4 Artikel 7 van deze verordening, met het opschrift „Productdossier”, bepaalt in lid 1: „Een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding beantwoordt aan een productdossier dat in elk geval de volgende elementen bevat: a) de als oorsprongsbenaming of als geografische aanduiding te beschermen naam zoals deze wordt gebruikt in de handel of in het dagelijkse taalgebruik, en alleen in de talen die historisch werden of worden gebruikt ter beschrijving van het specifieke product in het afgebakende geografische gebied; […]”

5 Artikel 8, lid 1, onder b), van de verordening bepaalt onder meer dat een aanvraag tot registratie van een geografische aanduiding ten minste het in artikel 7 genoemde productdossier moet omvatten.

6 Artikel 11, lid 1, van de verordening luidt als volgt: „De Commissie stelt […] uitvoeringshandelingen vast betreffende het aanleggen en actueel houden van een openbaar register van krachtens deze regeling erkende beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.”

7 Artikel 13 van verordening nr. 1151/2012, met als opschrift „Bescherming”, luidt als volgt: „1. Geregistreerde benamingen zijn beschermd tegen: […] b) elk misbruik, elke nabootsing of voorstelling, zelfs indien de werkelijke oorsprong van de producten of diensten is aangegeven, of indien de beschermde naam is vertaald, of vergezeld gaat van uitdrukkingen zoals ‚soort’, ‚type’, ‚methode’, ‚op de wijze van’, ‚imitatie’ en dergelijke, ook wanneer deze producten als ingrediënt worden gebruikt; […] 3. De lidstaten ondernemen passende administratieve of juridische stappen om het onrechtmatige gebruik van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen als bedoeld in lid 1, voor in de betrokken lidstaat geproduceerde en verhandelde producten, te voorkomen of te beëindigen. Hiertoe wijzen de lidstaten de instanties aan die worden belast met het ondernemen van die stappen, overeenkomstig door iedere afzonderlijke lidstaat te bepalen procedures. Deze autoriteiten bieden adequate waarborgen inzake objectiviteit en onpartijdigheid, en beschikken over gekwalificeerd personeel en de middelen die nodig zijn om hun taak te vervullen.”

8 Artikel 49 van de verordening, „Aanvraag tot registratie van namen”, bepaalt: „[…] 2. Indien een aanvraag krachtens de in titel II vastgestelde regeling betrekking heeft op een geografisch gebied in een lidstaat of indien een aanvraag krachtens de in titel III vastgestelde regeling door een in een lidstaat gevestigde groepering wordt opgesteld, wordt de aanvraag gericht tot de autoriteiten van die lidstaat. De lidstaat onderzoekt de aanvraag op gepaste wijze om te controleren of deze gerechtvaardigd is en aan de voorwaarden van de desbetreffende regeling voldoet. 3. De lidstaat voorziet als onderdeel van het in lid 2, tweede alinea, van dit artikel bedoelde onderzoek in een nationale bezwaarprocedure die een adequate openbaarmaking van de aanvraag garandeert en voorziet in een redelijke termijn waarbinnen elke natuurlijke of rechtspersoon met een rechtmatig belang die op het grondgebied van de lidstaat is gevestigd of woonachtig is, bezwaar tegen de aanvraag kan aantekenen. […] 4. Indien de lidstaat, na de beoordeling van eventueel ontvangen bezwaarschriften, oordeelt dat aan de vereisten van deze verordening is voldaan, kan hij een gunstig besluit nemen en bij de Commissie een aanvraagdossier indienen. De lidstaat stelt de Commissie in dat geval in kennis van de ontvankelijke bezwaarschriften welke in ontvangst zijn genomen van natuurlijke of rechtspersonen die de desbetreffende producten legaal op de markt hebben gebracht waarbij zij de desbetreffende benamingen gedurende minstens vijf jaar vóór de in lid 3 bedoelde datum van openbaarmaking onafgebroken hebben gebruikt. […]”

9 Artikel 50 van de verordening, met als opschrift „Onderzoek door de Commissie en openbaarmaking ten behoeve van bezwaar”, bepaalt: „1. De Commissie onderzoekt op gepaste wijze alle door haar uit hoofde van artikel 49 ontvangen aanvragen om te controleren of de aanvraag gerechtvaardigd is en aan de voorwaarden van de toepasselijke regeling voldoet. Dit onderzoek neemt niet langer dan zes maanden in beslag. Indien deze termijn wordt overschreden, stelt de Commissie de aanvrager schriftelijk in kennis van de redenen voor de vertraging. […] 2. Indien de Commissie op grond van het uit hoofde van lid 1, eerste alinea, verrichte onderzoek van oordeel is dat aan de voorwaarden van deze verordening is voldaan, maakt zij in het Publicatieblad van de Europese Unie het volgende bekend: a) voor aanvragen krachtens de in titel II bedoelde regeling: het enig document en de publicatiegegevens van het productdossier; […]”

10 Artikel 52 van deze verordening, met als opschrift „Besluit inzake registratie”, bepaalt in lid 1: „Indien de Commissie, op basis van de informatie waarover zij beschikt, naar aanleiding van het krachtens artikel 50, lid 1, eerste alinea, verrichte onderzoek, oordeelt dat niet aan de registratievoorwaarden wordt voldaan, stelt zij uitvoeringshandelingen vast waarbij de aanvraag wordt verworpen. […]”

Voorgeschiedenis van het geding

11 De voorgeschiedenis van het geding is in de punten 4 tot en met 10 van het bestreden arrest samengevat als volgt: „4 De namen ‚Jambon sec de Corse’/‚Jambon sec de Corse – Prisuttu’, ‚Lonzo de Corse’/‚Lonzo de Corse – Lonzu’ en ‚Coppa de Corse’/‚Coppa de Corse – Coppa di Corsica’ zijn op 28 mei 2014 als beschermde oorsprongsbenamingen (BOB) geregistreerd bij respectievelijk uitvoeringsverordening (EU) nr. 581/2014 van de Commissie (PB 2014, L 160, blz. 23), uitvoeringsverordening (EU) nr. 580/2014 van de Commissie (PB 2014, L 160, blz. 21) en uitvoeringsverordening (EU) nr. 582/2014 van de Commissie (PB 2014, L 160, blz. 25) […]. 5 In december 2015 heeft [Cunsorziu di i Salamaghji Corsi – Consortium des Charcutiers Corses] bij de Franse nationale autoriteiten zeven aanvragen tot registratie als beschermde geografische aanduidingen (BGA) ingediend krachtens verordening [nr. 1151/2012]. De zeven aanvragen hebben betrekking op de volgende namen die door verzoekers worden gebruikt:‚Jambon sec de l’Île de Beauté’, ‚Coppa de l’Île de Beauté’, ‚Lonzo de l’Île de Beauté’, ‚Saucisson sec de l’Île de Beauté’, ‚Pancetta de l’Île de Beauté’, ‚Figatelli de l’Île de Beauté’ en ‚Bulagna de l’Île de Beauté’. 6 Op 20 april 2018 hebben de minister van Landbouw en Voedselvoorziening en de minister van Economische Zaken en Financiën zeven besluiten tot goedkeuring van de zeven bijbehorende productdossiers vastgesteld teneinde deze dossiers ter goedkeuring naar de Europese Commissie te verzenden. 7 Bij verzoekschriften die op 27 juni 2018 zijn ingediend bij de Conseil d’État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk), heeft het syndicaat dat houder was van de productdossiers van de BOB’s ‚Jambon sec de Corse – Prisuttu’, ‚Coppa de Corse – Coppa di Corsica’ en ‚Lonzo de Corse – Lonzu’, tegelijkertijd nietigverklaring gevorderd van de besluiten van 20 april 2018 tot goedkeuring van de productdossiers van de namen ‚Jambon sec de l’Île de Beauté’, ‚Coppa de l’Île de Beauté’ en ‚Lonzo de l’Île de Beauté’ met het oog op doorzending van de aanvragen tot registratie als BGA aan de Commissie, op grond dat met name ‚Île de Beauté’ leek op of deed denken aan ‚Corsica’ en dit dus aanleiding gaf tot verwarring met namen die reeds eerder als BOB waren geregistreerd. 8 Op 17 augustus 2018 zijn de zeven aanvragen tot registratie van de betreffende namen als BGA aan de Commissie doorgestuurd. Wat betreft de aanvragen tot registratie van de namen ‚Jambon sec de l’Île de Beauté’, ‚Lonzo de l’Île de Beauté’ en ‚Coppa de l’Île de Beauté’ als BGA, heeft de Commissie aan de nationale autoriteiten twee brieven gestuurd – op 12 februari 2019 en 24 november 2020 – met het verzoek om verduidelijking met name met betrekking tot de vraag of deze namen mogelijk niet in aanmerking komen voor registratie. De nationale autoriteiten hebben in wezen geantwoord dat zij van mening waren dat de twee productgroepen (dat wil zeggen de geregistreerde BOB’s en de aanvragen tot bescherming als BGA) duidelijk verschillend waren wat betreft de producten, en dat er voor hen een voldoende groot onderscheid tussen de namen was. 9 Bij arrest van 19 december 2019, betreffende de naam ‚Jambon sec de l’Île de Beauté’ (BGA), en bij twee arresten van 13 februari 2020, betreffende respectievelijk de namen ‚Coppa de l’Île de Beauté’ (BGA) en ‚Lonzo de l’Île de Beauté’ (BGA), heeft de Conseil d’État de drie bovengenoemde verzoekschriften afgewezen (zie punt 7 hierboven), met name op grond dat ‚door het gebruik van verschillende termen en het verschil in bescherming die wordt geboden door een oorsprongsbenaming enerzijds en een geografische aanduiding anderzijds, het risico wordt uitgesloten dat gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consumenten bij het zien van de betwiste geografische aanduiding als referentiebeeld direct het product voor ogen zal krijgen waarvoor de reeds geregistreerde beschermde oorsprongsbenaming geldt[;] bijgevolg kunnen verzoekers niet op goede gronden stellen dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 13, lid 1, onder b), van verordening [nr. 1151/2012]’ (punt 5 van de drie arresten van de Conseil d’État). 10 Bij het [litigieuze] besluit heeft de Commissie de drie aanvragen tot registratie van de namen ‚Jambon sec de l’Île de Beauté’, ‚Lonzo de l’Île de Beauté’ en ‚Coppa de l’Île de beauté’ als BGA afgewezen, aangezien deze namen in strijd met artikel 13 van verordening nr. 1151/2012 waren gebruikt en deze aanvragen dus niet voldeden aan de voorwaarden voor registratie die zijn vervat in artikel 7, lid 1, onder a), van deze verordening.”

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

12 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 januari 2022, hebben rekwiranten op grond van artikel 263 VWEU een beroep tot nietigverklaring van het bestreden besluit ingesteld.

13 Ter ondersteuning van hun beroep hebben rekwiranten twee middelen aangevoerd: ten eerste betogen zij dat de Commissie haar bevoegdheden heeft overschreden, en ten tweede stellen zij dat de nationale autoriteiten en de Conseil d’État voldoende hebben aangetoond dat de drie bij het litigieuze besluit afgewezen registratieaanvragen in overeenstemming waren met de artikelen 7 en 13 van verordening nr. 1151/2012.

14 In de eerste plaats heeft het Gerecht, na om te beginnen in de punten 21 tot en met 24 van het bestreden arrest de beginselen te hebben uiteengezet die ten grondslag liggen aan de bij verordening nr. 1151/2012 ingevoerde beschermingsregeling voor BOB’s en BGA’s, in punt 38 van dat arrest eraan herinnerd dat het krachtens artikel 52, lid 1, van die verordening aan de Commissie staat om de registratie te weigeren indien zij van mening is dat het gebruik van de benaming waarvoor een aanvraag tot registratie is ingediend, in de handel onrechtmatig is.

15 Vervolgens heeft het Gerecht in de punten 42 tot en met 44 van het bestreden arrest opgemerkt dat de Commissie bij het onderzoek van de registratieaanvragen over een autonome beoordelingsmarge beschikt. In punt 49 van zijn arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat de Commissie de registratieaanvragen grondig heeft onderzocht.

16 Ten slotte heeft het Gerecht om de in de punten 51 tot en met 60 van dat arrest uiteengezette redenen de argumenten van rekwiranten verworpen volgens welke de Commissie slechts een beperkte of in het geheel geen beoordelingsmarge heeft bij het onderzoek van een aanvraag tot registratie van een benaming als BOB of BGA.

17 In de tweede plaats heeft het Gerecht, na de argumenten van rekwiranten te hebben verworpen volgens welke de Commissie gebonden was aan de beoordeling van de nationale autoriteiten met betrekking tot het gevaar dat de BGA’s waarvoor registratie was aangevraagd een voorstelling van de geregistreerde BOB’s zouden oproepen, in de punten 78 tot en met 108 van het bestreden arrest de factoren onderzocht op basis waarvan de Commissie de betrokken aanvragen heeft afgewezen. Het is tot de conclusie gekomen dat de Commissie op dit punt geen beoordelingsfout heeft gemaakt.

18 Bijgevolg heeft het Gerecht het beroep in zijn geheel verworpen.

Conclusies van partijen

19 Rekwiranten verzoeken het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen, – het litigieuze besluit nietig te verklaren en – de Commissie te verwijzen in de kosten.

20 De Commissie verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen en – rekwiranten te verwijzen in de kosten.

Verzoek tot verwijzing naar de Grote kamer

21 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 23 januari 2024, hebben rekwiranten verzocht om toewijzing van de onderhavige zaak aan een uitgebreide kamer van het Hof, of zelfs aan de Grote kamer.

22 Dienaangaande zij er om te beginnen op gewezen dat geen enkele bepaling van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie of van het Reglement voor de procesvoering van het Hof voorziet in de mogelijkheid om een dergelijk verzoek van een andere partij dan een lidstaat of een instelling van de Unie in het kader van een hogere voorziening te behandelen (zie in die zin arrest van 17 juli 2014, Leone,C‑173/13, EU:C:2014:2090, punt 19).

23 Krachtens artikel 60, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering kan de rechtsprekende formatie waarnaar de zaak is verwezen, het Hof weliswaar in elke stand van het geding verzoeken om deze zaak naar een grotere formatie te verwijzen, maar dit is een maatregel waarover de rechtsprekende formatie waaraan de zaak is toegewezen in beginsel ambtshalve en discretionair beslist (zie in die zin arrest van 17 juli 2014, Leone,C‑173/13, EU:C:2014:2090, punt 20).

24 In casu is de Eerste kamer van het Hof van oordeel dat deze zaak niet naar de Grote kamer hoeft te worden verwezen.

Hogere voorziening

25 Ter ondersteuning van hun hogere voorziening voeren rekwiranten vier middelen aan. Met het eerste middel betogen zij dat het Gerecht de artikelen 7 en 13 van verordening nr. 1151/2012 heeft geschonden doordat het de Commissie heeft toegestaan een aanvraag tot registratie af te wijzen op grond van artikel 13 van deze verordening. Met het tweede middel stellen zij dat het Gerecht de artikelen 49, 50 en 52 van deze verordening heeft geschonden doordat het de Commissie heeft toegestaan haar bevoegdheden te overschrijden. Met het derde middel betogen zij dat het Gerecht artikel 50 van de verordening en het algemene beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden doordat het heeft geoordeeld dat de Commissie niet verplicht was rekening te houden met de beoordelingen van de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties. Met het vierde middel voeren zij aan dat het Gerecht de artikelen 7 en 13 van verordening nr. 1151/2012 heeft geschonden en niet heeft voldaan aan zijn verplichting om zijn arresten te motiveren.

26 Aangezien rekwiranten met hun tweede middel betogen dat het Gerecht de regels inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de nationale autoriteiten en de Commissie in het kader van het onderzoek van aanvragen tot registratie van benamingen als BGA’s heeft geschonden, moet dit middel als eerste worden onderzocht voordat uitspraak wordt gedaan over het eerste, het derde en het vierde middel betreffende de toepassing van de voorwaarden voor een dergelijke registratie.

Tweede middel

Argumenten van partijen

27 Met hun tweede middel betogen rekwiranten dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 44 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie de grenzen van de haar door verordening nr. 1151/2012 verleende bevoegdheid niet heeft overschreden. Volgens rekwiranten is de Commissie, gelet op de regels inzake de bevoegdheidsverdeling tussen deze instelling en de nationale autoriteiten, zoals neergelegd in artikel 49, lid 2, en artikel 50, lid 1, van deze verordening, anders dan het Gerecht in de punten 50 tot en met 61 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, enkel bevoegd om na te gaan of de nationale autoriteiten haar volledige dossiers hebben toegezonden zonder kennelijke fouten te maken bij de beoordeling van de voorwaarden waaronder de in die aanvragen bedoelde benamingen in aanmerking komen voor registratie. Het litigieuze besluit is echter niet op dergelijke gronden gebaseerd.

28 Het staat hoe dan ook niet aan de Commissie om haar beoordeling in de plaats te stellen van die van de nationale autoriteiten, zeker niet wanneer de weigeringsgrond waarop deze instelling zich beroept reeds door een nationale rechter is afgewezen bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing.

29 De Commissie betwist dit betoog.

Beoordeling door het Hof

30 Ten eerste moet een aanvraag tot registratie van een naam als BGA, indien deze betrekking heeft op een geografisch gebied in een lidstaat, volgens de bewoordingen van artikel 49, lid 2, van verordening nr. 1151/2012 worden gericht tot de autoriteiten van deze lidstaat, die de aanvraag „op gepaste wijze” moeten onderzoeken om te controleren of deze gerechtvaardigd is en voldoet aan de in deze verordening gestelde voorwaarden voor registratie. Volgens artikel 49, lid 3, van de verordening moet de lidstaat voorzien in een nationale bezwaarprocedure die een adequate openbaarmaking van de aanvraag garandeert en voorziet in een redelijke termijn waarbinnen elke natuurlijke of rechtspersoon met een rechtmatig belang die op zijn grondgebied gevestigd is of woonachtig is, bezwaar tegen de aanvraag kan aantekenen.

31 Indien de lidstaat, na de ontvankelijkheid van de ontvangen bezwaarschriften te hebben onderzocht, van mening is dat de aanvraag voldoet aan de vereisten van verordening nr. 1151/2012, kan hij krachtens artikel 49, lid 4, van deze verordening een gunstig besluit nemen. Hij moet er dan voor zorgen dat dit besluit openbaar wordt gemaakt en dat elke betrokken natuurlijke of rechtspersoon met een rechtmatig belang de gelegenheid krijgt beroep aan te tekenen. Aan het einde van deze nationale fase dient de lidstaat een aanvraagdossier in bij de Commissie en stelt hij haar in kennis van de ontvankelijke bezwaarschriften.

32 Volgens artikel 50, lid 1, van verordening nr. 1151/2012 moet de Commissie de aanvraag die zij uit hoofde van artikel 49 heeft ontvangen „op gepaste wijze” onderzoeken om te controleren of de aanvraag gerechtvaardigd is en voldoet aan de voorwaarden om de naam te kunnen registreren.

33 Hieruit volgt dat de bepalingen van verordening nr. 1151/2012 een stelsel van gedeelde bevoegdheid invoeren in het kader waarvan de Commissie het besluit tot registratie van een benaming als BOB of BGA slechts kan nemen indien de autoriteiten van de betrokken lidstaat daartoe bij haar een aanvraag hebben ingediend, en dat deze autoriteiten moeten hebben geverifieerd of deze aanvraag gerechtvaardigd is en voldoet aan de in die verordening gestelde voorwaarden voor registratie (zie naar analogie arrest van 6 december 2001, Carl Kühne e.a.,C‑269/99, EU:C:2001:659, punt 53). Tegen deze achtergrond heeft het Hof in punt 36 van het arrest van 29 januari 2020, GAEC Jeanningros (C‑785/18, EU:C:2020:46), opgemerkt dat het registratiebesluit van de Commissie afhankelijk is van het voorafgaande besluit van de bevoegde nationale autoriteiten over de registratieaanvraag.

34 Bovendien heeft het Hof weliswaar reeds geoordeeld dat de Commissie haar beoordeling kan baseren op de eerdere beoordeling van de nationale autoriteiten wanneer deze niet kennelijk onjuist is (zie naar analogie arresten van 6 december 2001, Carl Kühne e.a.,C‑269/99, EU:C:2001:659, punt 60, en 2 juli 2009, Bavaria en Bavaria Italia, C‑343/07, EU:C:2009:415, punten 90, 93 en 99), maar het Hof heeft niet voor recht verklaard dat deze instelling gebonden is aan de wijze waarop die autoriteiten met name de vraag hebben beoordeeld of de betrokken naam verenigbaar is met het Unierecht.

35 In dit verband moet in het kader van bovengenoemde bevoegdheidsverdeling worden opgemerkt dat volgens artikel 49, lid 2, en artikel 50, lid 1, van verordening nr. 1151/2012 zowel de nationale autoriteiten als de Commissie de registratieaanvragen „op gepaste wijze” moeten onderzoeken. Zoals het Gerecht in punt 43 van het bestreden arrest met betrekking tot artikel 50, lid 1, van deze verordening heeft vastgesteld, bevat deze bepaling geen definitie van de uitdrukking „op gepaste wijze”, maar laat zij het aan de Commissie over om de aard en de omvang van de bij dat onderzoek te gebruiken middelen te beoordelen, zodat rekwiranten niet kunnen stellen dat het onderzoek dat de nationale autoriteiten krachtens artikel 49, lid 2, van deze verordening hebben verricht bindend is voor de Commissie.

36 Voorts bepaalt artikel 50, lid 1, van verordening nr. 1151/2012 dat de Commissie nagaat of de registratieaanvragen gerechtvaardigd zijn en aan de voorwaarden van deze verordening voldoen.

37 Uit deze bepaling volgt geenszins dat de Commissie bij haar onderzoek van de registratievoorwaarden op enigerlei wijze gebonden zou zijn aan de resultaten van het eerste onderzoek van de nationale autoriteiten.

38 Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 44 van het bestreden arrest op goede gronden kunnen oordelen dat de Commissie niet gebonden is aan de beoordeling van de nationale autoriteiten en over een autonome beoordelingsmarge beschikt bij het nemen van haar besluit om een naam al dan niet als BGA te registreren. Zoals blijkt uit punt 59 van dat arrest, heeft deze instelling immers alleen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de documenten in het door de nationale autoriteiten samengestelde dossier van de inschrijvingsaanvraag een „beperkte of in het geheel geen beoordelingsmarge” (zie in die zin arrest van 29 januari 2020, GAEC Jeanningros, C‑785/18, EU:C:2020:46, punt 25, 26 en 36).

39 Ten tweede vindt deze autonome beoordelingsbevoegdheid van de Commissie steun in overweging 19 van verordening nr. 1151/2012, waarin staat te lezen dat ervoor zorgen dat de intellectuele-eigendomsrechten met betrekking tot in de Unie beschermde namen in de gehele Unie op eenvormige wijze worden nageleefd, een prioriteit is die beter op het niveau van de Unie kan worden bereikt. Zoals de advocaat-generaal in punt 63 van zijn conclusie opmerkt, beschikt de Commissie namelijk in het kader van de verwezenlijking van deze doelstelling over de bevoegdheid om de uniforme toepassing van de registratievoorwaarden te verzekeren. Zonder een autonome beoordelingsbevoegdheid ter zake zou deze instelling dus niet kunnen verhinderen dat deze registratievoorwaarden in de lidstaten verschillend worden toegepast.

40 Voorts wordt in overweging 58 van verordening nr. 1151/2012 gepreciseerd dat aanvragen worden onderzocht door de nationale autoriteiten van de betrokken lidstaten, die daarbij gemeenschappelijke minimumvoorschriften moeten naleven die een nationale bezwaarprocedure omvatten. Volgens dezelfde overweging moet de Commissie vervolgens „de aanvragen grondig onderzoeken om te garanderen dat deze geen kennelijke fouten bevatten en dat er rekening is gehouden met het Unierecht en met de belangen van de belanghebbenden buiten de lidstaat van de aanvraag”.

41 Indien de Commissie, zoals verzoekers betogen, bij het onderzoek van de registratieaanvragen enkel zou mogen controleren of de dossiers volledig zijn en of de aanvragen geen kennelijke fouten bevatten, zou deze instelling niet het in overweging 58 van verordening nr. 1151/2012 bedoelde grondige onderzoek kunnen verrichten. In het kader van dit onderzoek kan de Commissie niet worden belet te controleren of deze aanvraag voldoet aan de inschrijvingsvoorwaarden die zijn vastgelegd in deze verordening, zoals artikel 50, lid 1, van deze verordening vereist. Dit wordt bevestigd door het belang dat in deze overweging wordt gehecht aan het vereiste dat de inschrijvingsaanvraag voldoet aan de gemeenschappelijke minimumvereisten die met name uit deze verordening voortvloeien, en dat deze vereisten ook door de nationale autoriteiten in acht worden genomen.

42 Bovendien moet worden opgemerkt dat de Commissie volgens overweging 61 van de verordening verantwoordelijk dient te zijn voor de besluitvorming inzake registratie. Deze instelling kan echter de eindverantwoordelijkheid voor het nemen van registratiebesluiten slechts op zich nemen indien zij een autonome beoordelingsbevoegdheid heeft, zonder gebonden te zijn aan de resultaten van het voorafgaande onderzoek waarbij de nationale autoriteiten hebben nagegaan of aan de voorwaarden voor registratie is voldaan.

43 Bijgevolg heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 44 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie de grenzen van haar bevoegdheid niet heeft overschreden door overeenkomstig artikel 50 van verordening nr. 1151/2012 te controleren of aan de voorwaarden voor registratie van een naam was voldaan.

44 Bovendien heeft het in de punten 63 en 64 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat, aangezien de Commissie over een autonome beoordelingsbevoegdheid beschikt, een in kracht van gewijsde gegane beslissing van een nationale rechterlijke instantie niet kan worden ingeroepen om de beoordeling van de Commissie ter discussie te stellen.

45 Bijgevolg moet het tweede middel ongegrond worden verklaard.

Eerste middel

Argumenten van partijen

46 Met hun eerste middel betogen rekwiranten dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 1151/2012 als grondslag kan dienen voor een besluit van de Commissie tot afwijzing van een registratieaanvraag.

47 Ten eerste heeft het Gerecht in punt 35 van het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat de Commissie bevoegd is om na te gaan of er sprake is van een inbreuk op de in artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 1151/2012 bedoelde bescherming van geregistreerde benamingen tegen elke voorstelling, terwijl artikel 13, lid 3, van deze verordening deze bevoegdheid aan de lidstaten voorbehoudt.

48 Ten tweede heeft het Gerecht aldus het aantal in artikel 7 van die verordening gestelde voorwaarden om voor registratie in aanmerking te komen uitgebreid, door ten onrechte tevens als voorwaarde te stellen dat wordt onderzocht of is voldaan aan het in artikel 13, lid 1, onder b), van die verordening bedoelde vereiste, namelijk dat de naam waarvoor registratie als BGA wordt aangevraagd, geen inbreuk maakt op de bescherming tegen elke voorstelling.

49 Ten derde heeft het Gerecht zich er in de punten 38 en 39 van het bestreden arrest toe beperkt de onjuiste stelling van de Commissie te bevestigen dat het gebruik in de handel van de benamingen waarop de registratieaanvragen betrekking hadden onrechtmatig was, ook al beschikte deze instelling niet over de nodige gegevens om te kunnen beoordelen onder welke omstandigheden de producten waarop die benamingen betrekking hebben in de handel worden gebracht. De onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht aldus blijk heeft gegeven, sluit bovendien de mogelijkheid uit dat een BOB en een BGA naast elkaar bestaan.

50 De Commissie betwist dit betoog.

Beoordeling door het Hof

51 Volgens artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 1151/2012 zijn geregistreerde benamingen beschermd tegen elk misbruik, elke nabootsing of voorstelling, zelfs indien de werkelijke oorsprong van het product is aangegeven, of indien de beschermde benaming is vertaald of vergezeld gaat van uitdrukkingen zoals „soort”, „type”, „methode”, „op de wijze van”, „imitatie” en dergelijke.

52 Uit artikel 7, lid 1, en artikel 8, lid 1, onder b), van deze verordening blijkt dat de opstelling van het productdossier, waaraan een BGA moet beantwoorden, een noodzakelijke stap in de registratieprocedure vormt. Krachtens artikel 7, lid 1, onder a), van de verordening moet dit dossier met name de naam bevatten waarvan de bescherming wordt gevraagd, zoals deze „wordt gebruikt in de handel of in het dagelijkse taalgebruik”.

53 Zoals het Gerecht in punt 36 van het bestreden arrest in wezen heeft geoordeeld, kan een naam niet als BGA worden geregistreerd wanneer wordt vastgesteld dat deze naam de voorstelling oproept van een naam die reeds als BOB is geregistreerd. Zoals de advocaat-generaal in punt 75 van zijn conclusie opmerkt, zou een dergelijke registratie noodzakelijkerwijs elk nuttig effect ontnemen aan de bescherming die aan de eerder geregistreerde naam is verleend.

54 Volgens artikel 13, lid 3, van de verordening moeten de lidstaten het gebruik van benamingen die de voorstelling oproepen van een als BOB of BGA geregistreerde benaming voor op hun grondgebied geproduceerde of verhandelde producten voorkomen en beëindigen. Dat een dergelijke voorstelling wordt opgeroepen kan dus slechts worden vastgesteld na een algehele beoordeling door de nationale autoriteiten, waarbij alle relevante gegevens van de zaak in acht dienen te worden genomen (zie naar analogie arrest van 9 september 2021, Comité Interprofessionnel du Vin de Champagne,C‑783/19, EU:C:2021:713, punt 60).

55 Zoals het Gerecht in punt 42 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, vereist artikel 50, lid 1, van verordening nr. 1151/2012 echter dat de Commissie controleert of de registratieaanvraag voldoet aan de voorwaarden van deze verordening.

56 Aangezien een benaming die de voorstelling oproept van een reeds geregistreerde benaming niet in overeenstemming is met artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 1151/2012, kan zij niet in aanmerking komen voor de door deze verordening geboden bescherming. Het uit artikel 7, lid 1, onder a), en artikel 8, lid 1, onder b), van deze verordening voortvloeiende vereiste dat de benaming, om in aanmerking te komen voor registratie, moet worden vermeld in het productdossier van die aanvraag zoals zij „wordt gebruikt in de handel of in het dagelijkse taalgebruik”, impliceert immers noodzakelijkerwijs een gebruik dat niet in strijd is met de bepalingen van deze verordening.

57 Bovendien bepaalt artikel 6, lid 3, van verordening nr. 1151/2012 uitdrukkelijk dat een voor registratie voorgestelde benaming die geheel of gedeeltelijk homoniem is met een naam die reeds in het krachtens artikel 11 van deze verordening ingestelde register is opgenomen, niet kan worden geregistreerd tenzij de plaatselijke en traditionele gebruiken en de aanbiedingsvorm van het later geregistreerde homoniem in de praktijk voldoende verschillen van de reeds in het register opgenomen naam. Volgens deze bepaling is de inachtneming van de aan een eerder geregistreerde naam verleende bescherming een van de voorwaarden voor registratie die de Commissie krachtens artikel 50, lid 1, van deze verordening dient te controleren.

58 Bijgevolg moet de Commissie, alvorens een registratiebesluit vast te stellen, nagaan of de benaming waarvoor om registratie wordt verzocht geen afbreuk doet aan de bescherming die een andere, reeds geregistreerde naam in de gehele Unie geniet.

59 Bijgevolg heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 36 en 37 van het bestreden arrest te oordelen dat het in casu aan de Commissie stond om na te gaan of het gebruik van de namen waarvoor registratie werd aangevraagd niet in strijd was met de in artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 1151/2012 bedoelde bescherming tegen elke voorstelling die een als BOB geregistreerde benaming geniet.

60 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het argument van rekwiranten dat dit oordeel van het Gerecht het beginsel dat een als BOB geregistreerde benaming en een als BGA geregistreerde benaming naast elkaar kunnen bestaan op losse schroeven zet.

61 Het Hof erkent immers zonder meer dat de in het kader van de afzonderlijke beschermingsregelingen ontwikkelde beginselen transversaal van toepassing zijn, zodat de Unierechtelijke bepalingen inzake de bescherming van benamingen en geografische aanduidingen coherent kunnen worden toegepast (arrest van 9 september 2021, Comité Interprofessionnel du Vin de Champagne,C‑783/19, EU:C:2021:713, punt 32).

62 Voorts kan het risico bestaan dat de voorstelling van een bepaalde naam wordt opgeroepen, los van de regeling die geldt voor de reeds geregistreerde benamingen en de regeling die geldt voor de namen waarvoor registratie wordt aangevraagd. Het staat immers vast dat onder het begrip „voorstelling” een situatie valt waarin het voor de aanduiding van een product gebruikte teken een deel van een beschermde benaming bevat, zodat de consument, bij het zien van de naam van het product, als referentiebeeld het goed waarvoor die benaming geldt voor ogen zal krijgen (arrest van 9 september 2021, Comité Interprofessionnel du Vin de Champagne,C‑783/19, EU:C:2021:713, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

63 In die omstandigheden heeft het Gerecht evenmin blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 39 van het bestreden arrest vast te stellen dat het risico bestond dat de namen waarvoor registratie als BGA werd aangevraagd de voorstelling van een als BOB beschermde benaming zouden oproepen.

64 Voor zover rekwiranten opkomen tegen de beoordeling van het Gerecht in de punten 38 en 39 van het bestreden arrest betreffende de vergelijking tussen de als BOB geregistreerde benamingen en de namen waarvoor registratie is aangevraagd, zij eraan herinnerd dat deze feitelijke beoordelingen in het stadium van de hogere voorziening niet ter discussie kunnen worden gesteld, behoudens in geval van een onjuiste opvatting van de feiten (zie in die zin arrest van 14 september 2017, EUIPO/Instituto dos Vinhos do Douro e do Porto,C‑56/16 P, EU:C:2017:693, punt 126). Aangezien rekwiranten geen dergelijke onjuiste opvatting van de feiten hebben aangevoerd, moeten hun argumenten op dit punt niet-ontvankelijk worden verklaard.

65 Hieruit volgt dat het eerste middel van de hogere voorziening gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Derde middel

Argumenten van partijen

66 Met hun derde middel betogen rekwiranten dat het Gerecht artikel 51 van verordening nr. 1151/2012 en het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden door in punt 76 van het bestreden arrest niet te erkennen dat de Commissie bij het onderzoek van de registratieaanvragen rekening moet houden met de beoordelingen van de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties.

67 Volgens de Commissie moet dit middel worden verworpen.

Beoordeling door het Hof

68 Ten eerste heeft het Gerecht, zoals in punt 43 van dit arrest is vastgesteld, terecht geoordeeld dat de Commissie over een autonome beoordelingsbevoegdheid beschikt bij het onderzoek van registratieaanvragen.

69 Bovendien volgt uit artikel 52, lid 1, van verordening nr. 1151/2012 dat de Commissie zich bij de vaststelling van uitvoeringshandelingen tot afwijzing van een registratieaanvraag niet alleen baseert op het overeenkomstig artikel 50, lid 1, van deze verordening verrichte onderzoek, maar ook „op […] de informatie waarover zij beschikt”, die noodzakelijkerwijs de door de lidstaat verstrekte gegevens omvat.

70 Vastgesteld moet worden dat rekwiranten, onder het voorwendsel dat de Commissie in strijd met het beginsel van behoorlijk bestuur bij de vaststelling van het litigieuze besluit geen rekening heeft gehouden met de beoordelingen van de nationale autoriteiten, in werkelijkheid betogen dat de Commissie aan deze beoordelingen gebonden was en bijgevolg de registratieaanvragen had moeten inwilligen. Dit betoog stemt echter overeen met het betoog ter ondersteuning van het tweede middel, dat niet is aanvaard.

71 Ten tweede betwisten rekwiranten de beoordeling van het risico dat de naam waarvoor inschrijving is aangevraagd de voorstelling van een reeds geregistreerde benaming oproept, op basis waarvan het Gerecht het besluit van de Commissie tot afwijzing van de inschrijvingsaanvragen heeft bevestigd. Zij tonen echter niet aan dat het Gerecht daarbij de bewijzen en de feiten onjuist heeft opgevat.

72 Zoals in punt 64 van dit arrest is uiteengezet, kunnen deze feitelijke beoordelingen in het stadium van de hogere voorziening niet ter discussie worden gesteld.

73 Bijgevolg moet het derde middel van de hogere voorziening gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond worden verklaard.

Vierde middel

Argumenten van partijen

74 Met hun vierde middel betogen rekwiranten in de eerste plaats dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 88, 89 en 94 van het bestreden arrest te oordelen dat de synonymie tussen twee benamingen noodzakelijkerwijs tot gevolg heeft dat de ene benaming een vorstelling van de andere oproept in de zin van artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 1151/2012. Het feit dat benamingen synoniem zijn, is op zich niet voldoende om dat risico te doen ontstaan, aangezien een dergelijke vaststelling alleen kan worden verricht op basis van een algemene beoordeling van de in het dossier vermelde feiten.

75 In de tweede plaats heeft het Gerecht in de punten 78 en 81 van het bestreden arrest ten onrechte de beoordeling van de Commissie onderschreven dat alleen een bijzonder goed geïnformeerd publiek op de hoogte is van de kwalitatieve verschillen tussen producten waarvan de naam als BOB beschermd is, en producten waarvoor de registratie van de naam als BGA is aangevraagd. De consument kan de betrokken producten immers onderscheiden op basis van het prijsverschil tussen beide.

76 De Commissie betwist dit betoog.

Beoordeling door het Hof

77 Wat de eerste grief betreft, zij opgemerkt dat het Gerecht in punt 93 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht dat bij de beoordeling van het risico dat een benaming de voorstelling van een reeds geregistreerde benaming oproept rekening moet worden gehouden met de gehele benaming zoals deze is geregistreerd en met de gehele benaming waarvoor een registratieaanvraag is ingediend.

78 Aangezien rekwiranten in eerste aanleg hebben aangevoerd dat het onderzoek naar dat risico enkel betrekking had op de geografische termen van de conflicterende benamingen, heeft het Gerecht zich in punt 94 van dat arrest beperkt tot de vaststelling dat indien dat argument werd aanvaard, alleen maar zou kunnen worden vastgesteld dat die voorstelling inderdaad wordt opgeroepen, aangezien de geografische bestanddelen van de betrokken benamingen synoniemen vormen, wat de door rekwiranten verdedigde zaak niet zou dienen. Hieruit volgt dat de eerste grief berust op een onjuiste lezing van punt 94 van dat arrest.

79 Wat de tweede grief betreft, verwijten rekwiranten het Gerecht dat het in de punten 78 en 81 van het bestreden arrest heeft bevestigd dat alleen een bijzonder goed geïnformeerd publiek op de hoogte is van de kwalitatieve verschillen tussen de als BOB beschermde benamingen en de benamingen waarvoor registratie als BGA is aangevraagd, terwijl het verschil in prijs van de betrokken producten wijst op een verschil in kwaliteit.

80 Er zij aan herinnerd dat sprake is van een risico dat een benaming de voorstelling van een reeds geregistreerde benaming oproept wanneer het gebruik van deze benaming bij een normaal geïnformeerde, redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde Europese consument een voldoende rechtstreeks en duidelijk verband tussen deze benaming en de BOB oproept. Het bestaan van een dergelijk verband kan blijken uit verschillende elementen, met name uit de omstandigheid dat die benaming een deel van de beschermde benaming bevat, en uit de fonetische en visuele gelijkenis tussen de twee benamingen en de overeenstemming die daaruit voortvloeit. Zelfs wanneer deze elementen ontbreken, kan het bestaan van dit verband nog worden afgeleid uit de omstandigheid dat de BOB en de benaming in kwestie conceptueel dicht bij elkaar liggen of dat de onder die BOB vallende producten en de producten of diensten waarop die benaming betrekking heeft, soortgelijk zijn. In het kader van haar beoordeling dient de Commissie rekening te houden met alle relevante elementen betreffende het gebruik van de benaming in kwestie (arrest van 9 september 2021, Comité Interprofessionnel du Vin de Champagne,C‑783/19, EU:C:2021:713, punt 66).

81 Bijgevolg kon het Gerecht in punt 83 van het bestreden arrest op goede gronden oordelen dat het prijsverschil tussen de producten die als BOB worden beschermd en de producten waarvoor de registratie van een benaming als BGA wordt aangevraagd, op zich geen doorslaggevend element is om uit te sluiten dat uit de beoordeling van de in het vorige punt van het onderhavige arrest genoemde elementen kan voortvloeien dat een bepaalde benaming de voorstelling van een reeds geregistreerde benaming oproept.

82 Hoe dan ook moet worden vastgesteld dat rekwiranten met hun betoog dat het Gerecht geen correcte omschrijving heeft gegeven van het publiek dat in aanmerking moet worden genomen om elk risico uit te sluiten dat een dergelijke voorstelling wordt opgeroepen, in wezen de vaststellingen van het Gerecht inzake de kenmerken van het relevante publiek ter discussie willen stellen. Volgens vaste rechtspraak vormen dergelijke vaststellingen feitelijke beoordelingen, waarvoor alleen het Gerecht bevoegd is (beschikking van 29 oktober 2020, Kerry Luxembourg/EUIPO,C‑305/20 P, EU:C:2020:882, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

83 Bijgevolg is het vierde middel gedeeltelijk niet ter zake dienend en gedeeltelijk ongegrond.

84 Aangezien geen van de tot staving van de hogere voorziening aangevoerde middelen slaagt, moet deze in haar geheel worden afgewezen.

Kosten

85 Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd.

86 Aangezien rekwiranten in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de Commissie.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart:

1) De hogere voorziening wordt afgewezen.

2) Cunsorziu di i Salamaghji Corsi – Consortium des Charcutiers Corses, Charcuterie Fontana, Costa et Fils, L’Aziana, Charcuterie Passoni, Orezza – Charcuterie la Castagniccia, Salaisons Réunies, Salaisons Joseph Pantaloni, Antoine Semidei en L’Atelu Corsu worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de Europese Commissie.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken