HvJ EU 4 juli 2024, C-5/23, ECLI:EU:C:2024:575
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)
4 juli 2024 ( *1 )
„Hogere voorziening – Openbare dienst – Tijdelijke functionarissen – Beoordelingsrapport – Motiveringsplicht – Zorgplicht – Beroep tot nietigverklaring en tot schadevergoeding”
In zaak C‑5/23 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 5 januari 2023,
Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), aanvankelijk vertegenwoordigd door G. Predonzani en K. Tóth, vervolgens door K. Tóth als gemachtigden,
rekwirant,
andere partij in de procedure:
KD, vertegenwoordigd door D.‑A. Pappa, dikigoros, A. Pappas en S. Pappas, avocats,
verzoekster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: O. Spineanu-Matei, kamerpresident, J.‑C. Bonichot (rapporteur) en S. Rodin, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Met zijn hogere voorziening verzoekt het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 26 oktober 2022, KD/EUIPO (T‑298/20, EU:T:2022:671; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht het beoordelingsrapport over de beoordeling van KD voor het jaar 2019 (hierna: „litigieus rapport”) heeft vernietigd.
Toepasselijke bepalingen
Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie
2 Artikel 43 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) luidt als volgt: „Op de door het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling overeenkomstig artikel 110 vastgestelde wijze wordt van iedere ambtenaar een jaarlijks beoordelingsrapport opgesteld inzake diens bekwaamheid, prestaties en gedrag in de dienst. In dit rapport wordt vermeld of het prestatieniveau van de ambtenaar al dan niet bevredigend is geweest. Het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling stelt bepalingen vast die voorzien in de mogelijkheid van beroep tijdens de rapportageprocedure; betrokkenen moeten van dit recht gebruikmaken [voordat] zij een klacht als bedoeld in artikel 90, lid 2, indienen. Vanaf de rang AST 5 kan het rapport tevens een advies omvatten waarin wordt aangegeven of de ambtenaar, gelet op de door hem geleverde prestaties, over de mogelijkheden beschikt om een functie van administrateur te vervullen. Dit rapport wordt ter kennis van de ambtenaar gebracht. Deze heeft het recht hieraan alle opmerkingen toe te voegen die hij dienstig acht.”
3 Artikel 90, lid 2, van het Statuut luidt als volgt: „Iedere in dit Statuut bedoelde persoon kan bij het tot aanstelling bevoegde gezag een klacht indienen tegen een besluit waardoor hij zich bezwaard acht, hetzij omdat dit gezag een besluit heeft genomen, dan wel omdat het geen, bij het Statuut verplichte maatregel heeft genomen. De klacht moet binnen een termijn van drie maanden worden ingediend. Deze termijn gaat in: – op de dag van bekendmaking van het besluit, indien het een maatregel van algemene aard betreft; – op de dag waarop het besluit ter kennis wordt gebracht van degene tot wie het gericht is en in elk geval uiterlijk op de dag waarop betrokkene ervan kennis krijgt indien het een maatregel van individuele aard betreft; indien evenwel door een besluit van individuele aard een andere persoon dan degene tot wie het gericht is, zich bezwaard kan gevoelen, gaat de termijn voor deze persoon in op de dag waarop hij van dit besluit [kennis krijgt] en in elk geval uiterlijk op de dag van bekendmaking ervan; – op de dag waarop de antwoordtermijn verstrijkt, indien de klacht betrekking heeft op een stilzwijgend besluit tot afwijzing van een krachtens lid 1 ingediend verzoek. Het gezag brengt zijn met redenen omklede besluit binnen vier maanden, te rekenen vanaf de dag van indiening van de klacht, ter kennis van de betrokkene. Is bij het verstrijken van deze termijn een antwoord op de klacht uitgebleven, dan geldt dit als een stilzwijgend besluit tot afwijzing, waartegen beroep in de zin van artikel 91 kan worden ingesteld.”
4 Artikel 110 van het Statuut bepaalt: „1. De algemene bepalingen ter uitvoering van dit statuut worden door het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling vastgesteld na raadpleging van het personeelscomité en het comité voor het statuut. 2. De door de [Europese] Commissie vastgestelde bepalingen ter uitvoering van dit statuut, waaronder de in lid 1 bedoelde algemene uitvoeringsbepalingen, zijn van overeenkomstige toepassing op de agentschappen. De Commissie brengt te dien einde alle uitvoeringsbepalingen onmiddellijk na de vaststelling ervan ter kennis van de agentschappen. De uitvoeringsbepalingen treden bij de agentschappen in werking negen maanden na hun inwerkingtreding bij de Commissie of negen maanden na de datum waarop de Commissie de vaststelling van de betreffende uitvoeringsbepaling ter kennis van de agentschappen heeft gebracht, naargelang welke datum de laatste is. Onverminderd het voorgaande kan een agentschap besluiten dat deze uitvoeringsbepalingen op een vroegere datum in werking zullen treden. In afwijking van het voorgaande kan een agentschap vóór het verstrijken van de termijn van negen maanden als bedoeld in de tweede alinea van dit lid en na raadpleging van zijn personeelscomité, uitvoeringsbepalingen die verschillen van die welke door de Commissie zijn vastgesteld, ter goedkeuring bij de Commissie indienen. Onder dezelfde voorwaarden kan een agentschap verzoeken dat de Commissie ermee instemt dat sommige van deze uitvoeringsbepalingen niet worden toegepast. In dat laatste geval kan de Commissie in plaats van het verzoek te aanvaarden of af te wijzen, van het agentschap verlangen dat het uitvoeringsvoorschriften die verschillen van die welke door de Commissie zijn vastgesteld, bij haar ter goedkeuring indient. De termijn van negen maanden als bedoeld in de tweede alinea van dit lid wordt opgeschort vanaf de datum waarop het agentschap om de toestemming van de Commissie heeft verzocht, tot de datum waarop de Commissie haar standpunt heeft meegedeeld. Een agentschap kan ook, na raadpleging van zijn personeelscomité, uitvoeringsbepalingen ter goedkeuring bij de Commissie indienen die andere onderwerpen betreffen dan de uitvoeringsbepalingen die door de Commissie zijn vastgesteld. Voor de vaststelling van de uitvoeringsbepalingen worden de agentschappen vertegenwoordigd door de raad van bestuur of door een gelijkwaardig orgaan dat in het besluit van de Unie waarbij zij zijn opgericht, is aangewezen. 3. Voor het aannemen van de in onderling overleg door de instellingen vast te stellen regelingen, worden de agentschappen niet met de instellingen gelijkgesteld. Niettemin moet de Commissie de agentschappen raadplegen alvorens dergelijke regelingen worden aangenomen. 4. De bepalingen ter uitvoering van dit statuut, waaronder de in lid 1 bedoelde algemene uitvoeringsbepalingen, en de regelingen die in onderling overleg tussen het tot aanstelling bevoegde gezag van de instellingen zijn vastgesteld, worden ter kennis van het personeel gebracht. 5. De diensten van de instellingen en de agentschappen plegen regelmatig overleg met elkaar over de toepassing van dit statuut. Bij dit overleg zijn de agentschappen gezamenlijk vertegenwoordigd volgens de regels die zij daartoe in onderling overleg vaststellen. 6. Het Hof van Justitie van de Europese Unie beheert een register van de bepalingen die door het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling ter uitvoering van dit statuut worden vastgesteld, en van de bepalingen die de agentschappen volgens de in lid 2 beschreven procedure hebben vastgesteld in afwijking van de voorschriften die door de Commissie zijn vastgesteld, met inbegrip van wijzigingen daarvan. De instellingen en agentschappen hebben rechtstreeks toegang tot dit register en hebben het recht in hun eigen bepalingen wijzigingen aan te brengen. De lidstaten hebben er rechtstreeks toegang toe. Bovendien brengt de Commissie om de drie jaar bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de bepalingen die door elk tot aanstelling bevoegd gezag ter uitvoering van dit statuut zijn vastgesteld.”
AUB 43
5 Ter uitvoering van artikel 43 van het Statuut geeft het EUIPO toepassing aan besluit C(2013) 8985 van de Commissie van 16 december 2013 tot vaststelling van de algemene uitvoeringsbepalingen betreffende artikel 43 van het Statuut en tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 44, eerste alinea, van het Statuut (hierna: „AUB 43”). Artikel 7 van de AUB 43 bepaalt: „1. De gemotiveerde weigering door de ambtsbekleder van het beoordelingsrapport […] houdt in dat de beoordelaar in beroep wordt ingeschakeld. […] […] 3. Binnen twintig werkdagen te rekenen vanaf de datum van de gemotiveerde weigering van het rapport en na het in lid 2 bedoelde gesprek bevestigt of wijzigt de beoordelaar in beroep het rapport, waarbij hij zijn besluit motiveert. […] 4. Na het besluit van de beoordelaar in beroep is het rapport definitief. […]”
Voorgeschiedenis van het geding
6 De voorgeschiedenis van het geding is in de punten 2 tot en met 14 van het bestreden arrest als volgt uiteengezet: „2 Op 16 juli 2015 is [KD, verzoekster in eerste aanleg,] overeenkomstig artikel 2, onder f), van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie als tijdelijk functionaris in dienst getreden bij het [EUIPO] voor een periode van vijf jaar […]. KD was tewerkgesteld bij de afdeling ‚Academie’ van het EUIPO. 3 Op 15 februari 2016 werd verzoekster benoemd tot teamleider. 4 Vanaf 2015 ondervond verzoekster persoonlijke moeilijkheden en gezondheidsproblemen. Daarvoor waren [vertrouwelijk] nodig. Verzoekster genoot ook [vertrouwelijk]. 5 Medio 2019 ontving verzoekster een halfjaarlijks beoordelingsrapport. In dat rapport staat met name dat verzoekster ‚haar doelstellingen tot en met het tweede kwartaal heeft bereikt, met uitzondering van de implementatie van de talentenbank […] (opgeschort vanwege problemen in verband met gegevensbescherming) en IPDentical (lopende aanbesteding)’, dat zij ‚comfortabel is in de rol van teamleider’ en dat ze ‚zeer actief en resultaatgericht is geweest tijdens [het eerste] semester [van 2019]’. 6 In juli 2019 vond een gesprek plaats tussen verzoekster en de administratie. 7 Op 3 februari 2020 vond het beoordelingsgesprek van verzoekster over 2019 plaats. 8 Op 11 maart 2020 heeft verzoekster het litigieuze rapport ontvangen. 9 Het litigieuze rapport begint met de rubrieken met als opschrift ‚Algemene informatie’, ‚Informatie over het personeelslid’, ‚Beoordelingsgesprek’ en ‚Opmerkingen over de arbeidsvoorwaarden, inclusief telewerken (indien van toepassing)’. De volgende rubriek, met als opschrift ‚Beoordeling van de doelstellingen’, ‚bevat de beoordeling van de behaalde resultaten, met inbegrip van de kwaliteit van het uitgevoerde werk en de inzet van de ambtsbekleder en de [belangrijkste prestatie-indicatoren] die zijn vastgesteld voor de periode waarop deze beoordeling betrekking heeft’. Deze rubriek heeft betrekking op teamdoelstellingen, die elk vergezeld gaan van een beschrijving van verzoeksters individuele bijdrage, de belangrijkste prestatie-indicatoren, het betrokken strategische gebied en de beoordeling ‚Doelstelling bereikt’. Een van de belangrijkste prestatie-indicatoren voor de doelstelling ‚Uitvoering van activiteiten en projecten die zijn omschreven en goedgekeurd in het [strategisch plan 2020] en [het jaarlijks werkprogramma]’ is de implementatie van de talentenbank in het eerste kwartaal. Hieronder volgen de ‚Algemene opmerkingen over de doelstellingen’, in het kader waarvan is aangegeven dat verzoekster ‚het merendeel van de gestelde doelen heeft bereikt’, waarbij de implementatie van de talentenbank echter vertraging heeft opgelopen als gevolg van problemen op het gebied van gegevensbescherming. 10 De volgende rubriek heeft als opschrift ‚Gedrag in de dienst’. In deze rubriek wordt aangegeven dat verzoekster ‚volledig aan de verwachtingen voldoet’, ‚goed met haar collega’s omgaat op een directe, open en eerlijke manier’ en ‚in staat is om tot een compromis te komen wanneer dat nodig is’. 11 De rubriek die volgt, met als opschrift ‚Beoordeling van de bekwaamheden’, bevat ‚de beoordeling van de bekwaamheden van de ambtsbekleder in verband met de door zijn functiegroep en rang vereiste vaardigheden’. Deze rubriek behandelt negen bekwaamheden. Voor elk daarvan vermeldt het litigieuze rapport het vereiste niveau, dat overeenkomt met de score die het EUIPO van de ambtsbekleder verwacht, en de daadwerkelijk behaalde score. De beoordelingsschaal van het EUIPO telt verschillende niveaus, waaronder ‚in ontwikkeling’ (1), ‚passend’ (2) en ‚gevorderd’ (3). 12 Verzoekster heeft voor zes bekwaamheden de vereiste score van 3 behaald. Voor een andere bekwaamheid behaalde ze een score van 3, hoger dan de vereiste score van 2. Daarentegen behaalde verzoekster voor de bekwaamheden ‚Prioriteitenstelling en organisatie’ en ‚Stressbestendigheid’ een score van 2, terwijl de vereiste score 3 was. In de ‚algemene opmerkingen over de bekwaamheden’ wordt uiteengezet dat ze ‚snel, duidelijk en correct schrijft’ en een ‚serieus kennisniveau op academisch gebied heeft en de implicaties van deze kennis op [EUIPO]-niveau begrijpt’. In deze opmerkingen wordt evenwel gepreciseerd dat, met betrekking tot ‚haar prioriteitenstelling en organisatie, zij er bij enkele gelegenheden aan is herinnerd om de termijnen in acht te nemen en te anticiperen’. 13 De volgende rubrieken hebben als opschrift ‚Beoordeling van het ontwikkelingsprogramma’ en ‚Algemene beoordelingsscore’. Met betrekking tot deze laatste rubriek, is aan verzoekster de beoordeling ‚CLR’ toegekend of ‚komt overeen met het voor de beklede functie vereiste niveau’, dat wil zeggen het op één na hoogste niveau op de algemene beoordelingsschaal van zes niveaus van het EUIPO en een bevredigend niveau in de zin van artikel 43 van het Statuut […]. Deze score wordt gevolgd door de volgende ‚algemene opmerkingen bij de beoordeling door de hiërarchieke meerdere’: ‚Naast hetgeen tijdens het gesprek in juli en in het tweede semester werd gezegd, heeft [verzoekster] haar doelstellingen bereikt. [Verzoekster] is een administrateur en moet worden beschouwd als een voorbeeld voor het personeel van de Academie door de passende vaardigheden te tonen, te anticiperen op de taken, voortdurend te streven naar het handhaven en leveren van een hoog prestatieniveau en te streven naar kwaliteitsverbetering. In dit verband moest ze er bij enkele gelegenheden aan worden herinnerd om de termijnen in acht te nemen en de proactiviteit te tonen waartoe zij in staat is.’ 14 Op 1 april 2020 heeft het tot sluiting van aanstellingsovereenkomsten bevoegde gezag […] verzoekster in kennis gesteld van zijn besluit om haar overeenkomst niet te verlengen […]. In dit besluit heeft [deze autoriteit] verduidelijkt dat zij rekening heeft gehouden met het litigieuze rapport.”
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
7 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 22 mei 2020, heeft KD beroep ingesteld tot, ten eerste, nietigverklaring van het litigieuze rapport en, ten tweede, vergoeding van de immateriële schade die zij door dat rapport zou hebben geleden.
8 Ter ondersteuning van haar beroep heeft KD drie middelen aangevoerd. Deze middelen betreffen in wezen, ten eerste, niet-nakoming van de motiveringsplicht, schending van de rechten van de verdediging alsmede onjuiste opvatting van de feiten, ten tweede, kennelijke beoordelingsfouten en, ten derde, niet-nakoming van de zorgplicht.
9 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het litigieuze rapport nietig verklaard wegens ontoereikende motivering, onjuiste opvatting van de feiten en niet-nakoming van de zorgplicht.
10 Ten eerste heeft het Gerecht vastgesteld dat de beoordelaar de score die KD uit hoofde van de bekwaamheid „Stressbestendigheid” was toegekend, niet had gemotiveerd.
11 Ten tweede heeft het Gerecht geoordeeld dat de beoordelaar niet had aangetoond dat KD in de loop van de referentieperiode daadwerkelijk aanmaningen had gekregen in verband met de inachtneming van de termijnen.
12 Ten derde was het Gerecht van oordeel dat de beoordelaar in strijd met zijn zorgplicht geen rekening had gehouden met de gezondheidsproblemen van KD waarvan hij op de hoogte was en die tijdens de referentieperiode hebben voortgeduurd.
13 Het Gerecht heeft daarentegen geoordeeld dat de nietigverklaring van het litigieuze rapport op zich een passende en toereikende vergoeding van de gestelde schade vormde en heeft de schadevordering afgewezen.
Conclusies van partijen in hogere voorziening
14 Het EUIPO verzoekt het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk of ongegrond te verklaren of, subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, en – KD te verwijzen in de kosten van de hogere voorziening en van de procedure bij het Gerecht.
15 KD vordert afwijzing van de hogere voorziening en verwijzing van het EUIPO in de kosten.
Hogere voorziening
16 Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening voert het EUIPO vier middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 43 van het Statuut, gelezen in samenhang met artikel 110 van het Statuut. Het tweede middel betreft onjuiste rechtsopvattingen met betrekking tot de juridische aard van de beoordelingsrichtsnoeren, de bestrafte niet-nakoming van de motiveringsplicht en de daaruit voortvloeiende gevolgen. Het derde middel is ontleend aan een onjuiste opvatting van de feiten en een onjuiste beoordeling van het bewijsmateriaal. Het vierde middel heeft betrekking op een onjuiste rechtsopvatting door het Gerecht bij de uitlegging van de zorgplicht en niet-nakoming van de motiveringsplicht.
Eerste middel
Argumenten van partijen
17 Met zijn eerste middel in hogere voorziening betoogt het EUIPO dat het Gerecht in de punten 23 tot en met 31 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 43 van het Statuut, gelezen in samenhang met artikel 110 van het Statuut, door te oordelen dat de ontvankelijkheid van een beroep tegen een beoordelingsrapport niet afhankelijk is van de uitputting van de interne rechtsmiddelen. Het EUIPO betoogt dat artikel 7 van de AUB 43, dat op hem van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 110, lid 2, van het Statuut, eveneens de ambtenaar of functionaris die zijn beoordelingsrapport wil betwisten, verplicht om eerst een intern beroep in te stellen.
18 Volgens KD moet het eerste middel worden afgewezen.
Beoordeling door het Hof
19 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat – gelet op de aard van het in artikel 43 van het Statuut bedoelde beoordelingsrapport, dat de vrijelijk geformuleerde mening van de beoordelaars weergeeft, en niet het oordeel van het tot aanstelling bevoegde gezag – de indiening van een formele klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut geen noodzakelijke voorwaarde is voor het instellen van beroep tegen een dergelijke handeling. Derhalve kan beroep worden ingesteld zodra het beoordelingsrapport als definitief kan worden beschouwd (zie in die zin arrest van 3 juli 1980, Grassi/Raad, 6/79 en 97/79, EU:C:1980:178, punt 15).
20 Het EUIPO betoogt echter dat deze rechtspraak er niet aan in de weg staat dat het tot aanstelling bevoegde gezag voorziet in een intern beroep dat de ambtenaar of functionaris die zijn beoordeling wil betwisten, moet instellen alvorens zich tot de rechter te kunnen wenden.
21 Het EUIPO is van mening dat een dergelijke bevoegdheid aan het tot aanstelling bevoegde gezag wordt verleend door artikel 43, eerste alinea, van het Statuut, waarvan de laatste volzin luidt als volgt: „het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling stelt bepalingen vast die voorzien in de mogelijkheid van beroep tijdens de rapportageprocedure; betrokkenen moeten van dit recht gebruikmaken [voordat] zij een klacht als bedoeld in artikel 90, lid 2, indienen”.
22 Een dergelijke uitlegging kan echter niet worden gevolgd. Artikel 43, eerste alinea, laatste volzin, van het Statuut bepaalt weliswaar dat het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling de bepalingen vaststelt die voorzien in de mogelijkheid van intern beroep tijdens de rapportageprocedure, maar bepaalt geenszins dat het instellen van een dergelijk beroep voor de ambtenaar of functionaris een verplichting is.
23 Bijgevolg kan artikel 7 van de AUB 43, waarmee de Commissie ter uitvoering van artikel 43 van het Statuut de voorwaarden heeft vastgesteld waaronder de ambtenaar of functionaris intern beroep kan instellen tegen zijn beoordelingsrapport, niet aldus worden uitgelegd dat het een voorafgaande voorwaarde stelt voor het instellen van een beroep in rechte.
24 Bovendien zou de Commissie de grenzen van de haar bij artikel 110, lid 1, van het Statuut verleende bevoegdheid om de algemene bepalingen ter uitvoering van het Statuut vast te stellen, hebben overschreden indien zij bij de vaststelling van artikel 7 van de AUB 43 de in artikel 90, lid 2, en artikel 91 van het Statuut neergelegde specifieke voorwaarden voor toegang tot de rechter voor ambtenaren en functionarissen zou hebben aangevuld.
25 Bijgevolg kan het EUIPO niet op goede gronden stellen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat KD beroep in rechte mocht instellen tegen het litigieuze rapport zonder eerst het in artikel 7 van de AUB 43 bedoelde interne beroep te hebben ingesteld.
26 Bijgevolg moet het eerste middel in hogere voorziening worden afgewezen.
Tweede middel
Argumenten van partijen
27 Met zijn tweede middel in hogere voorziening betoogt het EUIPO dat het Gerecht in het bestreden arrest blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen door te oordelen dat de beoordelaar van KD zijn motiveringsplicht niet was nagekomen door niet uit te leggen waarom KD een lagere score dan de vereiste score voor de bekwaamheid „Stressbestendigheid” had gekregen en dat deze niet-nakoming de nietigverklaring van het litigieuze rapport rechtvaardigde.
28 In de eerste plaats betwist het EUIPO de bewering van het Gerecht in punt 67 van het bestreden arrest dat punt 3.5.5 van bijlage A bij de beoordelingsrichtsnoeren een voor beoordelaars dwingende en bindende regel bevat. Volgens het EUIPO vormen deze richtsnoeren geen rechtshandeling of een reeks gedragsregels, maar geven ze slechts aanwijzingen en opmerkingen voor de toepassing van de artikelen 43 en 44 van het Statuut en de AUB 43. Het EUIPO leidt daaruit af dat het niet opvolgen van de aanbeveling in punt 3.5.5 van bijlage A bij deze richtsnoeren om een toelichting te geven wanneer de bekwaamheden op een lager niveau dan de vereiste score worden beoordeeld, niet betekent dat het litigieuze rapport ontoereikend is gemotiveerd, anders dan het Gerecht in de punten 79 en 80 van het bestreden arrest heeft geoordeeld.
29 In de tweede plaats is het EUIPO van mening dat de aanbeveling aan beoordelaars in punt 3.5.5 van bijlage A bij de beoordelingsrichtsnoeren verder gaat dan de uit de rechtspraak voortvloeiende motiveringsvereisten voor het beoordelingsrapport. Het beoordelingsrapport hoeft geen uitgebreid overzicht van de prestaties van de functionaris te geven, maar moet enkel de doorslaggevende elementen ervan weergeven.
30 In de derde plaats heeft het ontbreken van een toelichting in het litigieuze rapport betreffende de behaalde score voor de bekwaamheid „Stressbestendigheid” geen zodanige invloed gehad op de beoordeling van KD dat dit de nietigverklaring van dat rapport rechtvaardigde.
31 KD is van mening dat het tweede middel moet worden afgewezen.
Beoordeling door het Hof
32 In de eerste plaats betoogt het EUIPO dat de aanbeveling in punt 3.5.5 van bijlage A bij de beoordelingsrichtsnoeren, volgens welke de beoordelaar uitleg geeft wanneer een of meer bekwaamheden onder het vereiste niveau worden beoordeeld, geen dwingende strekking heeft, anders dan het Gerecht in punt 67 van het bestreden arrest heeft geoordeeld.
33 Het Hof heeft echter geoordeeld dat wanneer een instelling indicatieve gedragsregels voor de administratie vaststelt en door de bekendmaking ervan aankondigt dat zij deze voortaan zal toepassen op de betrokken gevallen, deze instelling grenzen stelt aan haar beoordelingsbevoegdheid en in beginsel niet van die regels kan afwijken zonder dat hieraan, in voorkomend geval, een sanctie wordt verbonden wegens schending van algemene rechtsbeginselen, zoals het beginsel van gelijke behandeling of het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen (zie in die zin arresten van 1 december 1983, Blomefield/Commissie, 190/82, EU:C:1983:358, punt 20, en 19 juli 2016, Kotnik e.a., C‑526/14, EU:C:2016:570, punt 40).
34 In casu is niet alleen de regel van punt 3.5.5 van bijlage A bij de beoordelingsrichtsnoeren bekendgemaakt, maar de inhoud ervan was ook uitdrukkelijk in het litigieuze rapport overgenomen in de vorm van een instructie aan de beoordelaar in de volgende bewoordingen: „Indien de bekwaamheden worden beoordeeld op een niveau dat lager is dan de vereiste score, waarbij dat niveau van invloed is op de prestaties, gelieve een toelichting te geven in de rubriek ‚Algemene opmerkingen over de bekwaamheden’.”
35 In die omstandigheden heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat die regel een dwingend karakter had, niettegenstaande het feit dat in de beoordelingsrichtsnoeren staat dat die regel geen juridische waarde heeft.
36 In de tweede plaats verwijt het EUIPO het Gerecht dat het de beoordelaar een zwaardere motiveringsplicht heeft opgelegd dan de rechtspraak vereist. Zoals hierboven is uiteengezet, heeft het Gerecht evenwel enkel vastgesteld dat het EUIPO, door punt 3.5.5 van bijlage A bij de beoordelingsrichtsnoeren vast te stellen, zelf de beoordelaars een aanvullende motiveringsplicht inzake de beoordelingsrapporten van zijn ambtenaren en functionarissen had opgelegd, en heeft het eraan herinnerd dat volgens de in punt 33 van het onderhavige arrest genoemde rechtspraak de eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen vereiste dat deze verplichting wordt nageleefd.
37 In de derde plaats betoogt het EUIPO dat het aan haar verweten motiveringsgebrek hoe dan ook geen afbreuk heeft gedaan aan de deugdelijkheid van de algemene beoordeling van KD, zodat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat dit motiveringsgebrek op zichzelf de nietigverklaring van het beoordelingsrapport rechtvaardigde.
38 De in artikel 296 VWEU bedoelde motiveringsplicht, die opnieuw is bevestigd in artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, is evenwel een fundamenteel beginsel van Unierecht, dat tot doel heeft, enerzijds, de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om te beoordelen of het voor hem bezwarend besluit gegrond is en het zinvol is om beroep bij de rechter in te stellen om de rechtmatigheid ervan te betwisten, en anderzijds, de Unierechter in staat te stellen zijn toezicht uit te oefenen (zie in die zin arrest van 24 november 2022, Thunus e.a./EIB, C‑91/21 P, EU:C:2022:928, punt 81).
39 Volgens vaste rechtspraak is de motiveringsplicht van artikel 296 VWEU daarom een wezenlijk vormvoorschrift in de zin van artikel 263 VWEU (zie in die zin arrest van 13 januari 2022, YG/Commissie, C‑361/20 P, EU:C:2022:17, punt 41), waarvan de niet-inachtneming leidt tot de nietigverklaring van het betrokken besluit.
40 Bijgevolg heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de ontoereikende motivering van het litigieuze rapport de nietigverklaring ervan rechtvaardigde.
41 Hieruit volgt dat het tweede middel in hogere voorziening moet worden afgewezen.
Derde middel
Argumenten van partijen
42 Met zijn derde middel in hogere voorziening stelt het EUIPO dat het Gerecht in de punten 93 en 96 tot en met 103 van het bestreden arrest de feiten onjuist heeft opgevat en de bewijzen betreffende het geding onjuist heeft beoordeeld.
43 In de eerste plaats heeft het Gerecht de bewijslast omgekeerd door te eisen dat het EUIPO aantoont dat het wel degelijk aanmaningen had gestuurd in verband met de inachtneming van de termijnen die voor KD golden in de loop van de referentieperiode. Bovendien is de administratie niet verplicht om telkens wanneer dit nodig is, aanmaningen of schriftelijke waarschuwingen over een bepaalde termijn aan een personeelslid te sturen.
44 In de tweede plaats is de redenering van het Gerecht kennelijk tegenstrijdig wat het bestaan van deze aanmaningen tot inachtneming van de termijnen betreft. Enerzijds heeft het Gerecht in punt 100 van het bestreden arrest geoordeeld dat het EUIPO geen enkel element had aangevoerd om te bewijzen dat deze aanmaningen wel degelijk hadden plaatsgevonden. Anderzijds heeft het Gerecht in punt 93 van dat arrest de elementen die het EUIPO in de bijlagen D 1 tot en met D 5 bij de dupliek had overgelegd ten bewijze van die aanmaningen, niet-ontvankelijk verklaard.
45 KD betoogt dat het derde middel ongegrond is.
Beoordeling door het Hof
46 In de eerste plaats faalt de grief dat het Gerecht de bewijslast ten onrechte heeft omgekeerd door het EUIPO de verplichting op te leggen om te bewijzen dat de aanmaningen die de hiërarchieke meerdere tijdens de referentieperiode tot KD zou hebben gericht over de inachtneming van de termijnen, daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.
47 Volgens vaste rechtspraak van het Hof vereisen de Unierechtelijke regels niet dat het bewijs wordt geleverd van een negatief feit (zie in die zin arrest van 24 maart 1988, Commissie/Italië, 104/86, EU:C:1988:171, punt 11).
48 Bijgevolg kon van KD niet worden verlangd dat zij het bewijs levert dat zij gedurende de referentieperiode geen aanmaning tot inachtneming van de termijnen heeft gekregen.
49 Het Gerecht heeft dan ook geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het aan het EUIPO stond om ten minste een begin van bewijs te leveren dat deze in het litigieuze rapport vermelde aanmaningen hadden plaatsgevonden. Deze bewijslast houdt niet in dat het EUIPO uitsluitend schriftelijke aanmaningen of waarschuwingen naar zijn ambtenaren en functionarissen moet sturen, maar dat het bewijzen van belangrijke of herhaalde tekortkomingen moet bewaren als het zich daar later op wil beroepen.
50 In de tweede plaats wijst het EUIPO op een tegenstrijdigheid die het Gerecht in het bestreden arrest zou hebben begaan door het werkelijke bestaan van de aanmaningen in twijfel te trekken na in punt 93 van het bestreden arrest de bewijzen van deze aanmaningen die het EUIPO in de bijlagen D 1 tot en met D 5 bij de dupliek aan deze rechter heeft overgelegd, niet-ontvankelijk te hebben verklaard.
51 Zoals het Gerecht in punt 88 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, bepaalt artikel 85 van zijn Reglement voor de procesvoering evenwel in lid 1 dat het bewijs wordt overgelegd in het kader van de eerste memoriewisseling, en preciseert het in lid 2 dat bewijs in de repliek of de dupliek slechts kan worden overgelegd indien de tardieve indiening naar behoren wordt gerechtvaardigd.
52 Aangezien de elementen die volgens het EUIPO aantonen dat de aan KD gerichte aanmaningen daadwerkelijk bestaan, in het kader van de dupliek zonder rechtvaardiging zijn overgelegd, heeft het Gerecht deze niet-ontvankelijk verklaard op grond van een toepassing van de regels van zijn Reglement voor de procesvoering waartegen in het kader van de hogere voorziening niet is opgekomen.
53 Bijgevolg heeft het Gerecht in zijn arrest noch blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, noch van een tegenstrijdige motivering door vast te stellen dat in het licht van het overgelegde dossier niet was aangetoond dat de aanmaningen die de hiërarchieke meerdere tijdens de referentieperiode aan KD zou hebben gericht, daadwerkelijk hadden plaatsgevonden.
54 Ten slotte moet – gesteld dat de grief inzake een onjuiste opvatting van de feiten door het Gerecht, die het EUIPO ook in zijn derde middel aanvoert, verschilt van de eerste twee grieven van dit middel – worden geoordeeld dat deze grief, bij gebreke van een toelichting die het mogelijk maakt om de strekking ervan te beoordelen, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
55 Het derde middel in hogere voorziening moet bijgevolg worden afgewezen.
Vierde middel
Argumenten van partijen
56 Met zijn vierde middel in hogere voorziening, dat is gericht tegen de punten 121 tot en met 129 van het bestreden arrest, stelt het EUIPO dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van de zorgplicht en dat het zijn motiveringsplicht niet is nagekomen.
57 In de eerste plaats heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het EUIPO bij de vaststelling van het litigieuze rapport naar behoren rekening moest houden met de gezondheidsproblemen van KD.
58 Ten eerste, wanneer de beoordelaar geen reden heeft om aan te nemen dat de afwezigheden van de ambtsbekleder die door diens gezondheidsproblemen worden gerechtvaardigd, een aanzienlijke invloed op zijn prestaties kunnen hebben gehad, kan hem immers niet worden verweten dat hij deze problemen niet in zijn rapport heeft vermeld of er geen rekening mee heeft gehouden.
59 Ten tweede worden in de beoordelingsrapporten de bekwaamheid, de prestaties en het gedrag in de dienst van de functionaris gedurende de daadwerkelijk gewerkte periode beoordeeld. De periode waarin hij om gegronde redenen afwezig is (bijvoorbeeld ziekte, ongeval, ouderschapsverlof of verlof om gezinsredenen, zwangerschapsverlof) wordt uitgesloten van de referentieperiode. Indien deze afwezigheid zo lang of significant is dat zij van invloed is geweest op de prestaties, kunnen de jaarlijkse doelstellingen van de functionaris dienovereenkomstig worden aangepast of kan de niet-verwezenlijking ervan worden gerechtvaardigd.
60 Ten derde worden de medische gegevens rechtstreeks door de medische dienst van het EUIPO ontvangen en verwerkt en worden zij niet doorgegeven aan de beoordelaars of, meer in het algemeen, aan de administratie. Daarom worden persoonsgegevens over de gezondheid van de personeelsleden niet in de beoordelingsrapporten vermeld.
61 In de tweede plaats verwijt het EUIPO het Gerecht dat het niet heeft uitgelegd waarom de beoordelaar zijn zorgplicht niet is nagekomen en evenmin hetgeen hij krachtens die plicht had moeten doen.
62 Ten eerste ziet het EUIPO immers niet in waarom de beoordelaar de gezondheidsproblemen van KD in het beoordelingsrapport had moeten opnemen, terwijl hij was overgegaan tot een beoordeling van haar werk die over het geheel genomen positief was.
63 Ten tweede is het EUIPO van mening dat uit het bestreden arrest niet kan worden opgemaakt hoe de gezondheidsproblemen van KD in het litigieuze rapport hadden moeten worden vermeld, terwijl de beoordelaar niet in staat was om de gezondheidstoestand van deze functionaris te beoordelen.
64 Ten slotte vraagt het EUIPO zich af of de door het Gerecht vereiste inaanmerkingneming van de gezondheidsproblemen van KD een verbetering of aanpassing van haar beoordeling inhoudt. Volgens het EUIPO is het even ongerechtvaardigd om een functionaris een voordeel toe te kennen omdat hij afwezig is geweest wegens ziekte als om hem een dergelijke afwezigheid te verwijten.
65 Volgens KD is het vierde middel ongegrond.
Beoordeling door het Hof
66 Er zij aan herinnerd dat de zorgplicht een weergave vormt van het evenwicht dat het Statuut en, naar analogie, de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, hebben geschapen tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen in de betrekkingen tussen het administratief gezag en de functionarissen. Net als het recht op behoorlijk bestuur impliceert dit evenwicht met name dat het betrokken gezag bij zijn beslissing over de situatie van een functionaris alle elementen in aanmerking neemt die zijn besluit kunnen beïnvloeden, en daarbij niet alleen rekening houdt met het belang van de dienst, maar ook en met name met dat van de betrokken functionaris (zie in die zin arrest van 15 april 2021, FV/Raad, C‑875/19 P, EU:C:2021:283, punt 98).
67 Zoals het Gerecht in punt 125 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld, verplicht de zorgplicht de administratie met name om bij de vaststelling van het beoordelingsrapport, in voorkomend geval, naar behoren rekening te houden met de gezondheidsproblemen van de betreffende ambtenaar of functionaris.
68 In casu heeft het Gerecht in punt 126 van het bestreden arrest vastgesteld dat het litigieuze rapport geen enkele verwijzing bevatte naar de – weliswaar aanzienlijke – gezondheidsproblemen waarmee KD in de referentieperiode te kampen had, zodat het tot de slotsom is gekomen dat de zorgplicht niet was nagekomen.
69 Het EUIPO bekritiseert deze slotsom door in de eerste plaats te stellen dat met de gezondheidsproblemen van een ambtenaar of functionaris alleen rekening moet worden gehouden in het beoordelingsrapport wanneer de gezondheidstoestand van die ambtenaar of functionaris dermate lange of frequente afwezigheden heeft gerechtvaardigd dat deze daardoor niet volledig kan worden beoordeeld voor het betrokken werk.
70 Een dergelijke restrictieve benadering van de inaanmerkingneming van de gezondheidstoestand van de ambtenaar of functionaris door zijn beoordelaar kan echter niet worden aanvaard, aangezien de gezondheidsproblemen waarmee deze laatste wordt geconfronteerd ook van invloed kunnen zijn op zijn prestaties tijdens werkperioden.
71 In de tweede plaats betoogt het EUIPO dat de vertrouwelijkheid van de medische informatie zich ertegen verzet dat deze in het beoordelingsrapport wordt vermeld.
72 De vertrouwelijkheid van deze informatie belet echter niet dat de hiërarchieke meerdere van een functionaris die aan een langdurige ziekte lijdt en daardoor vaak afwezig is, op de hoogte is van diens gezondheidsproblemen, zelfs zonder de precieze aard ervan te kennen.
73 In casu wordt niet betwist dat KD in de jaren 2015‑2018 ernstige gezondheidsproblemen had ondervonden en dat deze problemen in de referentieperiode nog niet waren verholpen, zoals blijkt uit haar afwezigheden om gezondheidsredenen in die periode, en dat haar beoordelaar op de hoogte was van deze problemen.
74 Bijgevolg kan de vertrouwelijkheid van de medische gegevens het stilzwijgen over de gezondheidsproblemen van KD in het litigieuze rapport niet rechtvaardigen.
75 In de derde plaats verwijt het EUIPO het Gerecht dat het zijn motiveringsplicht niet is nagekomen, aangezien het noch heeft uitgelegd waarom de beoordelaar zijn zorgplicht niet is nagekomen, noch hoe de gezondheidsproblemen van KD hadden moeten worden weergegeven in het litigieuze rapport.
76 Zoals in herinnering is gebracht in punt 68 van het onderhavige arrest, heeft het Gerecht evenwel in punt 126 van het bestreden arrest uiteengezet waarin de niet-nakoming van de zorgplicht in het litigieuze rapport bestond, namelijk dat het litigieuze rapport geen enkele verwijzing naar de gezondheidsproblemen van KD bevatte.
77 Bovendien kan het Gerecht niet worden verweten dat het niet heeft uitgelegd hoe de beoordelaar rekening had moeten houden met deze gezondheidsproblemen, aangezien de in het bestreden arrest vastgestelde niet-nakoming van de zorgplicht niet het gevolg is van een onjuiste inaanmerkingneming, maar van het ontbreken van enige vermelding van die gezondheidsproblemen in het litigieuze rapport.
78 Bijgevolg faalt de grief dat het Gerecht zonder motivering heeft vastgesteld dat het EUIPO zijn zorgplicht niet is nagekomen.
79 Uit het bovenstaande volgt dat het vierde middel in hogere voorziening moet worden afgewezen.
80 Aangezien geen van de middelen is aanvaard, moet de hogere voorziening worden afgewezen.
Kosten
81 Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien het EUIPO in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van KD worden verwezen in de kosten.
Het Hof (Negende kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.