HvJ EU 6 juni 2024, C-166/23, ECLI:EU:C:2024:465

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

6 juni 2024 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Milieu – Richtlijn 2003/87/EG – Bijlage I, punt 5 – Luchtverontreiniging – Regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten – Uitzondering voor eenheden voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen of van huishoudelijk afval – Relevantie van het doel van de verbranding”

In zaak C‑166/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Svea hovrätt, Mark- och miljööverdomstolen (rechter in tweede aanleg Stockholm, kamer voor onroerende zaken en milieu, Zweden) bij beslissing van 15 maart 2023, ingekomen bij het Hof op 17 maart 2023, in de procedure

Naturvårdsverket

tegen

Nouryon Functional Chemicals AB,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: O. Spineanu-Matei, kamerpresident, J.‑C. Bonichot (rapporteur) en S. Rodin, rechters,

advocaat-generaal: T. Ćapeta,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Carlin, B. De Meester en G. Wils als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van punt 5 van bijlage I bij richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB 2003, L 275, blz. 32), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/410 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2018 (PB 2018, L 76, blz. 3) (hierna: „richtlijn 2003/87”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Naturvårdsverket (agentschap voor milieubescherming, Zweden; hierna: „Agentschap”) en Nouryon Functional Chemicals AB (hierna: „Nouryon”), een Zweedse vennootschap, over een beslissing van dit Agentschap waarbij Nouryon wordt gelast haar monitoringplan met betrekking tot broeikasgasemissies aan te vullen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 2003/87

3 Overweging 25 van richtlijn 2003/87 luidt: „Er zouden door de lidstaten en op Gemeenschapsniveau beleidslijnen en maatregelen moeten worden uitgevoerd in alle economische sectoren, en niet alleen in de sectoren industrie en energie, teneinde substantiële emissiereducties te bewerkstelligen. [...]”

4 Artikel 1 van deze richtlijn, met als opschrift „Onderwerp”, bepaalt: „Bij deze richtlijn wordt een Gemeenschapsregeling vastgesteld voor de handel in broeikasgasemissierechten, hierna ‚het EU-ETS’ genoemd, teneinde de emissies van broeikasgassen op een kosteneffectieve en economisch efficiënte wijze te verminderen.”

5 Artikel 2 („Toepassingsgebied”) van die richtlijn luidt als volgt: „1. Deze richtlijn is van toepassing op emissies uit de in bijlage I genoemde activiteiten en de in bijlage II genoemde broeikasgassen. 2. Deze richtlijn is van toepassing onverminderd eventuele uit richtlijn 96/61/EG [van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PB 1996, L 257, blz. 26)] voortvloeiende voorschriften. [...]”

6 Artikel 3, onder e), van richtlijn 2003/87 definieert een „installatie” als een „vaste technische eenheid waarin één of meer van de in bijlage I genoemde activiteiten plaatsvinden alsmede andere, daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden, die technisch in verband staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten en gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging”.

7 Artikel 4 van voornoemde richtlijn bepaalt: „De lidstaten dragen er zorg voor dat vanaf 1 januari 2005 geen installatie een in bijlage I genoemde activiteit verricht welke een voor die activiteit gespecificeerde emissie tot gevolg heeft, tenzij haar exploitant in het bezit is van een door een bevoegde autoriteit overeenkomstig de artikelen 5 en 6 verleende vergunning, of de installatie uit hoofde van artikel 27 is uitgesloten van het EU-ETS. Dit geldt tevens voor installaties die overeenkomstig artikel 24 zijn opgenomen.”

8 Artikel 6 van deze richtlijn luidt: „1. De bevoegde autoriteit verleent een vergunning waarin toestemming wordt verleend broeikasgassen uit de gehele installatie of een deel daarvan uit te stoten, indien zij ervan overtuigd is dat de exploitant in staat is de emissies te bewaken en te rapporteren. Een vergunning voor broeikasgasemissies kan betrekking hebben op een of meer installaties op dezelfde plaats die door dezelfde exploitant wordt geëxploiteerd. 2. Vergunningen voor broeikasgasemissies bevatten: a) de naam en het adres van de exploitant; b) een beschrijving van de activiteiten en de emissies uit de installatie; c) een monitoringplan dat voldoet aan de eisen uit hoofde van de in artikel 14 bedoelde handelingen. De lidstaten kunnen de exploitanten toestaan de monitoringplannen bij te werken zonder de vergunning te wijzigen. De exploitanten leggen de bijgewerkte monitoringplannen ter goedkeuring aan de bevoegde autoriteit voor; d) de rapportagevoorschriften, en e) de verplichting binnen vier maanden na het einde van elk kalenderjaar een hoeveelheid emissierechten die niet zijn verleend krachtens hoofdstuk II in te leveren die gelijk is aan de totale emissies van de installatie voor dat jaar, als geverifieerd overeenkomstig artikel 15.”

9 Artikel 14 van die richtlijn bepaalt: „1. De [Europese] Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met gedetailleerde voorschriften voor de bewaking en rapportage van emissies [...] die [worden] gebaseerd op de in bijlage IV beschreven beginselen voor bewaking en rapportage en de vereisten van lid 2 van dit artikel. [...] [...] 3. De lidstaten zorgen ervoor dat elke exploitant van een installatie [...] de emissies die gedurende elk kalenderjaar door die installatie [plaatsvinden], overeenkomstig de in lid 1 bedoelde handelingen bewaakt en hierover na het eind van dat jaar aan de bevoegde autoriteit rapporteert. [...]”

10 Punt 5 van bijlage I bij richtlijn 2003/87 luidt: „Indien blijkt dat de capaciteitsdrempel van een van de in deze bijlage vermelde activiteiten in een installatie wordt overschreden, worden alle eenheden waarin brandstoffen worden verbrand, met uitzondering van eenheden voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen of van huishoudelijk afval, opgenomen in de vergunning voor broeikasgasemissie.”

11 Bijlage I bij richtlijn 2003/87 bevat ook een tabel waarin de categorieën activiteiten worden opgesomd waarop deze richtlijn van toepassing is. Daaronder luiden de 1e en de 23e activiteit als volgt: „Verbranden van brandstof in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW (met uitzondering van installaties voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen of huishoudelijk afval)[.] [...] Productie van organische bulkchemicaliën door kraken, reforming, gedeeltelijke of volledige oxidatie of vergelijkbare processen, met een productiecapaciteit van meer dan 100 t per dag.”

Uitvoeringsverordening 2018/2066

12 Artikel 5, eerste alinea, van uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie (PB 2018, L 334, blz. 1), bepaalt: „De monitoring en rapportage zijn volledig en omvatten alle proces- en verbrandingsemissies uit alle emissiebronnen en bronstromen die samenhangen met de in bijlage I bij richtlijn 2003/87/EG genoemde activiteiten en andere relevante activiteiten die krachtens artikel 24 van die richtlijn zijn opgenomen en van alle broeikasgassen die met betrekking tot die activiteiten zijn gespecificeerd, waarbij dubbeltelling wordt vermeden.”

13 In artikel 11, lid 1, eerste alinea, van deze uitvoeringsverordening staat het volgende te lezen: „Iedere exploitant of vliegtuigexploitant voert een monitoring van broeikasgasemissies uit, op basis van een monitoringplan dat overeenkomstig artikel 12 is goedgekeurd door de bevoegde autoriteit, rekening houdend met de aard en het functioneren van de installatie of de luchtvaartactiviteit waarvoor het wordt gebruikt.”

14 Artikel 14, lid 2, onder e), van die uitvoeringsverordening luidt als volgt: „De exploitant [...] brengt ten minste in de volgende situaties wijzigingen aan in het monitoringplan: [...] e) wanneer het monitoringplan niet in overeenstemming is met de vereisten van deze verordening en de bevoegde autoriteit de exploitant [...] om wijziging vraagt”.

Richtlijn 96/61

15 Overweging 8 van richtlijn 96/61 luidt: „Overwegende dat een geïntegreerde aanpak van de bestrijding van verontreiniging erop is gericht waar mogelijk en rekening houdende met het beheer van de afvalstoffen, emissies in de lucht, in het water en in de bodem te voorkomen en waar dat niet haalbaar is deze tot een minimum te beperken met het oog op het bereiken van een hoog beschermingsniveau voor het milieu in zijn geheel”.

16 Artikel 3 van deze richtlijn bepaalt: „De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat de bevoegde autoriteiten ervoor zorgen dat de installatie zo zal worden geëxploiteerd dat: [...] c) overeenkomstig richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen [(PB 1975, L 194, blz. 47)] het ontstaan van afvalstoffen wordt voorkomen; waar dat niet gebeurt, moeten die stoffen ten nutte worden gemaakt of, wanneer dat technisch en economisch onmogelijk is, zodanig worden verwijderd dat milieu-effecten worden voorkomen of beperkt; [...]”

Zweeds recht

17 § 1 van hoofdstuk 3 van förordning (2020:1180) om vissa utsläpp av växthusgaser [regeling (2020:1180) inzake de emissies van bepaalde broeikasgassen; hierna: „Zweedse regeling”] bepaalt: „Het is verboden zonder vergunning broeikasgassen uit te stoten met installaties waarmee de in de bijlage genoemde activiteiten worden verricht.”

18 § 5 van hoofdstuk 3 van de Zweedse regeling bepaalt: „Een exploitant die een vergunning voor broeikasgasemissies wenst aan te vragen, dient zijn aanvraag in bij het [Agentschap]. De aanvraag omvat: [...] 3. een monitoringplan, [...]”

19 Instructie nr. 4 van de bijlage bij de Zweedse regeling luidt: „Indien blijkt dat de capaciteitsdrempel wordt overschreden voor een van de activiteiten van de punten 1 tot en met 28 van het deel ‚Beschrijving van de activiteiten’, worden alle eenheden waarin brandstoffen worden verbrand, met uitzondering van eenheden voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen of van huishoudelijk afval, opgenomen in de vergunning voor broeikasgasemissies.”

20 In § 6 van lag (2020:1173) om vissa utsläpp av växthusgaser [wet (2020:1173) inzake de emissies van bepaalde broeikasgassen; hierna: „Zweedse wet”] wordt een monitoringplan gedefinieerd als „een schriftelijke beschrijving als bedoeld in artikel 12 van de monitorings- en rapportageverordening”. Volgens dezelfde bepaling wordt onder de „monitorings- en rapportageverordening” uitvoeringsverordening 2018/2066 verstaan.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

21 Nouryon, gevestigd te Stenungsund (Zweden), produceert organische bulkchemicaliën. Per dag wordt er per dag meer dan 100 ton.

22 Deze activiteit wordt uitgeoefend op grond van een vergunning die in 2004 krachtens de miljöbalk (milieuwetboek) is verleend. Bij het productieproces ontstaan gevaarlijke afvalstoffen in de vorm van procesafvalwater.

23 In die vergunning is als voorlopig voorschrift opgenomen dat de onderneming dit water in een verbrandingsoven moet verwerken of het moet laten behandelen in een andere vergunninghoudende installatie voor gevaarlijke afvalstoffen. Nouryon heeft ervoor gekozen om het afvalwater te verwerken in een verbrandingsoven in de installatie in Stenungsund. Die installatie is zo aangelegd dat het verontreinigde water rechtstreeks vanuit het gedeelte van de installatie waar de chemicaliën worden geproduceerd, naar de verbrandingsoven wordt geleid.

24 De verbrandingsoven wordt bijna uitsluitend gebruikt om procesafvalwater te verbranden, in totaal ongeveer 40000 ton per jaar. Aangezien de energie-inhoud van het water verwaarloosbaar is, wordt brandbaar gas toegevoegd om het te verbranden. De energie die vrijkomt bij de verbranding wordt teruggewonnen in de vorm van stoom, die in het productieproces wordt gebruikt. Het grootste deel van de voor de productie benodigde energie wordt echter door een industriële stookketel geleverd. In 2017 is 4289 ton brandbaar gas – wat overeenkomt met 245 terajoule – in de verbrandingsoven gegaan, terwijl 182 terajoule werd teruggewonnen. In datzelfde jaar werd ongeveer 726 terajoule (ongeveer 14069 ton) brandbaar gas in de industriële stookketel verbrand. De verbrandingsoven stoot volgens Nouryon ongeveer 11500 ton kooldioxide per jaar uit in de atmosfeer en volgens het Agentschap 17000 ton.

25 Bovendien heeft de installatie een specifieke vergunning om broeikasgassen uit te stoten in het kader van het ETS.

26 Het Agentschap heeft vastgesteld dat de verbrandingsoven voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen niet was opgenomen in het monitoringplan voor de installatie in Stenungsund en dat de broeikasgasemissies van deze verbrandingsoven derhalve niet waren opgenomen in de totale emissies van die installatie.

27 Het Agentschap heeft Nouryon dan ook gelast om een aanvullend monitoringplan in te dienen waarin ook de verbrandingsoven is opgenomen. Volgens het Agentschap moeten alle eenheden die integrerend deel van de installatie uitmaken in de vergunning worden opgenomen.

28 Nouryon heeft tegen het bevel van het Agentschap beroep ingesteld bij de Nacka tingsrätt, Mark- och miljödomstolen (rechter in eerste aanleg Nacka, kamer voor onroerende zaken en milieu, Zweden) waarbij zij betoogde dat een eenheid voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig punt 5 van bijlage I bij richtlijn 2003/87 niet in het ETS moet worden opgenomen, ongeacht of zij integrerend deel uitmaakt van een installatie die onder deze regeling valt. Deze rechter heeft dit betoog aanvaard en het bevel van het Agentschap nietig verklaard.

29 Daarop heeft het Agentschap tegen het vonnis van deze rechter hoger beroep ingesteld bij de Svea hovrätt, Mark- och miljööverdomstolen (rechter in tweede aanleg Stockholm, kamer voor onroerende zaken en milieu, Zweden). Deze rechterlijke instantie vraagt zich af of de betrokken verbrandingsoven onder de uitzondering van punt 5 van bijlage I bij richtlijn 2003/87 valt.

30 Daarop heeft de Svea hovrätt, Mark- och miljööverdomstolen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld: „1) Geldt de uitzondering voor eenheden waarin gevaarlijke afvalstoffen worden verbrand in punt 5 van bijlage I bij [richtlijn 2003/87] – op grond waarvan alle eenheden waarin brandstoffen worden verbrand moeten worden opgenomen in de vergunning voor broeikasgasemissie, met uitzondering van eenheden voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen – voor alle eenheden die gevaarlijke afvalstoffen verbranden, of moet er voor de toepassing van deze uitzondering sprake zijn van een bepaalde kwalificerende omstandigheid? Is, in het geval dat een dergelijke omstandigheid vereist is, het doel van de eenheid beslissend voor de toepassing van de uitzondering, of kunnen ook andere omstandigheden relevant zijn? 2) Indien het doel [van de eenheid] beslissend is voor de beoordeling, geldt de uitzondering dan toch voor een eenheid waarin gevaarlijke afvalstoffen worden verbrand, maar die hoofdzakelijk is bestemd voor een ander doel dan verbranding? 3) Indien de uitzondering uitsluitend geldt voor eenheden die hoofdzakelijk bedoeld zijn voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen, welke criteria moeten dan worden aangewend om dit doel te beoordelen? 4) Indien bij een beoordeling beslissend is of de eenheid moet worden beschouwd als een integrerend deel van een activiteit in een installatie waarvoor krachtens [richtlijn 2003/87] een vergunning is vereist – bijvoorbeeld zoals uiteengezet in punt 3.3.3 van de richtsnoeren van de Commissie –, aan welke eisen moet dan zijn voldaan om de eenheid als een integrerend deel daarvan te kunnen beschouwen? Kan bijvoorbeeld worden verlangd dat de productie zonder de eenheid onmogelijk of niet toegestaan is (zie de richtsnoeren van de [Europese] Commissie, blz. 14, voetnoot 14), of kan het voldoende zijn dat de eenheid technisch verbonden is met de installatie en alleen vanuit die installatie gevaarlijke afvalstoffen ontvangt?

Beantwoording van de prejudiciële vragen

31 Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of punt 5 van bijlage I bij richtlijn 2003/87 aldus moet worden uitgelegd dat alle eenheden voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen of van huishoudelijk afval van het toepassingsgebied van deze richtlijn zijn uitgesloten, met inbegrip van eenheden die zijn geïntegreerd in een binnen dat toepassingsgebied vallende installatie en die niet alleen de verbranding van dergelijk afval tot doel hebben.

32 Vooraf zij eraan herinnerd dat richtlijn 2003/87 tot doel heeft om een regeling voor de handel in emissierechten in te voeren waarmee wordt beoogd de emissies van broeikasgassen in de atmosfeer te verminderen tot een niveau waarbij elke gevaarlijke antropogene verstoring van het klimaat wordt voorkomen en waarvan het einddoel de bescherming van het milieu is [arrest van 16 december 2021, Apollo Tyres (Hungary), C‑575/20, EU:C:2021:1024, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

33 Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2003/87 bepaalt dat het toepassingsgebied van deze richtlijn zich uitstrekt tot de emissies uit de in bijlage I bij deze richtlijn genoemde activiteiten en de in bijlage II bij die richtlijn opgesomde broeikasgassen, waaronder met name kooldioxide [arrest van 16 december 2021, Apollo Tyres (Hungary), C‑575/20, EU:C:2021:1024, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

34 Artikel 4 van richtlijn 2003/87 bepaalt dat de lidstaten „er zorg voor [dragen] dat vanaf 1 januari 2005 geen installatie een in bijlage I genoemde activiteit verricht welke een voor die activiteit gespecificeerde emissie tot gevolg heeft, tenzij haar exploitant in het bezit is van een door een bevoegde autoriteit overeenkomstig de artikelen 5 en 6 verleende vergunning, of de installatie uit hoofde van artikel 27 is uitgesloten van het EU-ETS. [...]”

35 Volgens artikel 3, onder e), van die richtlijn is een installatie een „vaste technische eenheid waarin een of meer van de in bijlage I genoemde activiteiten plaatsvinden alsmede andere, daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden, die technisch in verband staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten en gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging”.

36 Tot de in die bijlage I genoemde activiteiten behoort de „[p]roductie van organische bulkchemicaliën door kraken, reforming, gedeeltelijke of volledige oxidatie of vergelijkbare processen, met een productiecapaciteit van meer dan 100 t per dag”.

37 De installatie van Nouryon, die organische bulkchemicaliën vervaardigt, heeft daarvoor een vergunning nodig.

38 Deze installatie omvat een verbrandingsoven die bedoeld is om procesafvalwater te verbranden. De apparatuur stoot als gevolg hiervan kooldioxide uit. De energie die vrijkomt bij de verbranding wordt teruggewonnen in de vorm van stoom die wordt gebruikt in het productieproces.

39 Aangezien deze verbrandingsoven technisch in verband staat met de activiteiten die op de locatie te Stenungsund worden verricht en gevolgen kan hebben voor de emissies, vormt deze apparatuur dus een deel van de installatie in de zin van artikel 3, onder e), van richtlijn 2003/87.

40 Het hoofdgeding betreft de vraag of voor deze verbrandingsoven net als voor de rest van de installatie krachtens richtlijn 2003/87 een vergunning moet worden verleend, dan wel of dit niet verplicht is op grond van de in punt 5 van bijlage I bij deze richtlijn genoemde uitzondering. Om deze reden oordeelt de verwijzende rechter dat de beslechting van dit geding afhangt van de uitlegging die aan deze bepaling moet worden gegeven.

41 Punt 5 van bijlage I bij richtlijn 2003/87 bepaalt dat „[i]ndien blijkt dat de capaciteitsdrempel van een van de in deze bijlage vermelde activiteiten in een installatie wordt overschreden, [...] alle eenheden waarin brandstoffen worden verbrand, met uitzondering van eenheden voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen of van huishoudelijk afval, [worden] opgenomen in de vergunning voor broeikasgasemissie”.

42 Volgens de uitlegging van de Commissie in haar „Guidance on Interpretation of Annex I of the EU ETS Directive” (Richtsnoeren voor de uitlegging van bijlage I bij richtlijn 2003/87) van 18 maart 2010 is het om een eenheid te kunnen uitsluiten van het toepassingsgebied van richtlijn 2003/87 niet voldoende dat deze gevaarlijke afvalstoffen of huishoudelijk afval verbrandt. Bovendien is de Commissie van oordeel dat een eenheid voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen of van huishoudelijk afval geen deel mag uitmaken van een installatie waarvan de activiteit is vermeld in bijlage I bij die richtlijn, en dat het voornaamste doel van de eenheid moet zijn om dergelijke afvalstoffen te verbranden.

43 Om die reden is een eenheid voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen waarvan de vrijgekomen warmte wordt teruggewonnen en wordt gebruikt in een installatie die binnen het toepassingsgebied van punt 5 van bijlage I bij richtlijn 2003/87 valt, volgens de Commissie niet van het toepassingsgebied van die richtlijn uitgesloten.

44 Een dergelijke uitlegging vindt echter geen steun in de letterlijke, systematische en teleologische uitleggingsmethoden die het Hof gewoonlijk hanteert.

45 Wat in de eerste plaats de letterlijke uitlegging van punt 5 van bijlage I bij richtlijn 2003/87 betreft, moet worden opgemerkt dat dit punt uitdrukkelijk ziet op het geval waarin een installatie waarvoor een broeikasgasemissievergunning moet worden afgegeven, meerdere eenheden waarin brandstoffen worden verbrand omvat, en bepaalt dat deze eenheden in een dergelijk geval in die vergunning moeten worden opgenomen, met uitzondering van eenheden voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen of van huishoudelijk afval.

46 Bijgevolg lijkt de formulering van dit punt 5 uit te sluiten dat een eenheid voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen in het monitoringplan van de installatie moet worden opgenomen omdat zij integrerend deel van die installatie uitmaakt.

47 Aangezien uitzonderingen strikt moeten worden uitgelegd, moet de in punt 5 bedoelde uitzondering bovendien worden beperkt tot eenheden die werkelijk zijn bestemd voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen of van huishoudelijk afval en die bijgevolg slechts in beperkte mate ander afval verbranden.

48 Uit de tekst van punt 5 van bijlage I bij richtlijn 2003/87 blijkt daarentegen niet dat het al dan niet opnemen van eenheden voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen of van huishoudelijk afval in de vergunning voor broeikasgasemissie, afhangt van het doel waarvoor het afval wordt verbrand.

49 In de tweede plaats moeten de systematische en teleologische uitlegging van punt 5 van bijlage I bij richtlijn 2003/87 in casu samen worden verricht.

50 Zoals met name blijkt uit zowel overweging 25 als artikel 1 van richtlijn 2003/87, is het hoofddoel van deze richtlijn om emissies van broeikasgassen te verminderen door een regeling voor de toewijzing van broeikasgasemissierechten in te voeren.

51 De uitzondering van punt 5 van bijlage I bij richtlijn 2003/87 voor eenheden voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen en van huishoudelijk afval is echter niet hoofdzakelijk gericht op het bereiken van dat doel. Die uitzondering beantwoordt daarentegen aan een secundair doel van deze richtlijn, omdat de Uniewetgever van oordeel was dat de invoering van de regeling voor de toewijzing van emissierechten niet mag belemmeren dat gevaarlijke afvalstoffen en huishoudelijk afval door verbranding worden verwijderd.

52 In dit verband moet worden opgemerkt dat richtlijn 2003/87, zoals blijkt uit de titel, richtlijn 96/61 wijzigt. Artikel 2, lid 2, van richtlijn 2003/87 bepaalt dat „[d]eze richtlijn [...] van toepassing [is] onverminderd eventuele uit [richtlijn 96/61] voortvloeiende voorschriften”. Richtlijn 96/61, waarvan het voorwerp ruimer is dan dat van richtlijn 2003/87 en dat betrekking heeft op geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, bepaalt in artikel 3, onder c), uitdrukkelijk dat afvalstoffen ten nutte moeten worden gemaakt of moeten worden verwijderd.

53 In overweging 8 van richtlijn 96/61 staat tevens te lezen dat „een geïntegreerde aanpak van de bestrijding van verontreiniging erop is gericht waar mogelijk en rekening houdende met het beheer van de afvalstoffen, emissies in de lucht, in het water en in de bodem te voorkomen en waar dat niet haalbaar is deze tot een minimum te beperken met het oog op het bereiken van een hoog beschermingsniveau voor het milieu in zijn geheel”.

54 Uit het voorgaande blijkt dat de Uniewetgever de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen en van huishoudelijk afval heeft willen aanmoedigen door deze verbranding aan de vergunningsplicht in het kader van het ETS te onttrekken. De draagwijdte van deze uitzondering beperken door middel van het begrip „voornaamste doel” zou echter niet in overeenstemming zijn met deze doelstelling.

55 Bovendien moet de draagwijdte van de uitzondering ook worden uitgelegd in het licht van het hoofddoel van richtlijn 2003/87. De uitlegging van de Commissie dat een eenheid voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen of van huishoudelijk afval die door de vrijgekomen warmte bijdraagt tot het functioneren van een onder het ETS vallende installatie, zelf binnen het toepassingsgebied van het ETS zou moeten vallen, druist echter in tegen dat hoofddoel.

56 Een dergelijke uitlegging zou er namelijk toe leiden dat de uitzondering wordt voorbehouden aan eenheden voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen en van huishoudelijk afval waarvan de vrijgekomen warmte niet wordt teruggewonnen door een onder richtlijn 2003/87 vallende installatie, wat zou leiden tot energieverspilling en extra emissies.

57 Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat punt 5 van bijlage I bij richtlijn 2003/87 aldus moet worden uitgelegd dat alle eenheden voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen of van huishoudelijk afval van het toepassingsgebied van deze richtlijn zijn uitgesloten, met inbegrip van eenheden die zijn geïntegreerd in een binnen dat toepassingsgebied vallende installatie en die niet alleen de verbranding van dergelijk afval tot doel hebben, mits zij slechts in beperkte mate voor de verbranding van ander afval worden gebruikt.

Kosten

58 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

Punt 5 van bijlage I bij richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/410 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2018,

moet aldus moet worden uitgelegd dat

alle eenheden voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen of van huishoudelijk afval van het toepassingsgebied van deze richtlijn, zoals gewijzigd, zijn uitgesloten, met inbegrip van eenheden die zijn geïntegreerd in een binnen dat toepassingsgebied vallende installatie en die niet alleen de verbranding van dergelijk afval tot doel hebben, mits zij slechts in beperkte mate voor de verbranding van ander afval worden gebruikt.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Zweeds.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken